Gemeenteblad van Wageningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wageningen | Gemeenteblad 2025, 558263 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wageningen | Gemeenteblad 2025, 558263 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2026
De raad van de gemeente Wageningen,
het voorstel aan de raad, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 14 oktober 2025
artikel 108, 147 en 149 van de Gemeentewet
________________________________________
________________________________________
Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025, eerste wijziging
In deze verordening wordt verstaan onder:
Inkomen: inkomsten uit of in verband met arbeid met uitzondering van inkomsten zoals bedoeld in artikel 34a van de wet, inkomsten uit de algemene bijstand, inkomsten uit vermogen, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen. Indien het wisselende inkomsten betreft wordt voor de bepaling van het inkomen uitgegaan van het gemiddelde over de drie maanden voorafgaande aan de peildatum. Voor zelfstandigen zonder personeel wordt gekeken naar de belastingaangiftes in de referteperiode. Voor de maanden in de referteperiode waar geen belastingaangifte is gedaan, wordt uitgegaan van het gemiddelde van de laatste drie maanden waarvoor wel belastingaangifte is gedaan.
Een tegemoetkoming op grond van deze verordening dient schriftelijk te worden aangevraagd door middel van een door het college vast te stellen aanvraagformulier.
Belanghebbende heeft een laag inkomen als gedurende de referteperiode het netto inkomen van het gezamenlijk huishouden lager is dan de redelijke uitgaven voor de desbetreffende huishoudsamenstelling in lid 2 van dit artikel vermeerderd met de individuele woonlasten voor het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.
Indien het huishoudtypen betreft waarbij, naast het gezamelijke huishouden, een meerderjarig(e) perso(o)n(en) inwoont, wordt het inkomen van het/de meerderjarig(e) inwonende persoon/personen vastgesteld op ten minste de van toepassingzijnde bijstandsnorm. Indien het meerderjarig(e) perso(o)n(en) onder de 21 jaar oud is wordt ten minste de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet toegepast.
Bij vaststelling van het verzamelinkomen, zoals bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt voor de berekening van de toeslagen, voor het inkomen van het/de meerderjarig(e) inwonende persoon/personen tenminste de van toepassingzijnde bijstandsnorm gehanteerd. Indien het meerderjarig(e) perso(o)n(en) onder de 21 jaar oud is wordt ten minste de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet toegepast.
Artikel 5. Hoogte Maatschappelijk Meedoen Regeling
Een bijdrage op grond van deze verordening bedraagt per kalenderjaar de redelijke uitgaven per huishoudsamenstelling zoals vastgelegd in artikel 4 lid 2 van deze verordening vermeerderd met de individuele woonlasten per jaar. Vervolgens wordt dit bedrag verminderd met het inkomen van het gezamenlijk huishouden.
Indien belanghebbende recht heeft op kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen wordt voor de vaststelling van de hoogte van de redelijke uitgaven zoals bedoeld in artikel 4 lid 2de hoogte van de kwijtschelding van de periode waar de aanvraag van de Maatschappelijk Meedoen Regeling betrekking op heeft in mindering gebracht.
Indien het huishoudtypen betreft waarbij, naast het gezamelijke huishouden, een meerderjarig(e) perso(o)n(en) inwoont, wordt het inkomen van het/de meerderjarig(e) inwonende persoon/personen vastgesteld op ten minste de van toepassingzijnde bijstandsnorm. Indien het meerderjarig(e) perso(o)n(en) onder de 21 jaar oud is wordt ten minste de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet toegepast.
Bij vaststelling van het verzamelinkomen, zoals bedoeld in artikel 2.18 van de Wet Inkomstenbelasting 2001, wordt voor de berekening van de toeslagen, voor het inkomen van het/de meerderjarig(e) inwonende persoon/personen ten minste de van toepassingzijnde bijstandsnorm gehanteerd. Indien het meerderjarig(e) perso(o)n(en) onder de 21 jaar oud is wordt ten minste de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet toegepast.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, als strikte toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.
Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.
Voor begrippen die niet omschreven zijn in dit artikel wordt uitgegaan van de definities in de Participatiewet en/of de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
Het gezamenlijk huishouden bestaat uit de inwoner die aanvraagt indient en de partner zoals bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, ofwel echtgeno(o)t(en) of gehuwde(n) zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 onder e van de Participatiewet.
Voor de woonlasten worden er op individueel niveau de daadwerkelijke huurkosten meegenomen omdat de belanghebbende de uitgaven hiervoor moeilijk kan beïnvloeden. Deze huurkosten worden namelijk bepaald door de verhuurder. Er wordt een maximum gehanteerd om te voorkomen dat onevenredig hoge huren meegenomen worden. Het bedrag dat wordt meegenomen wordt beperkt tot de oude maximale huurgrens voor de huurtoeslag van €900,07. Inwoners met een laag inkomen en een hogere huur dan de huurgrens worden aangespoord om een goedkopere woning te vinden. Als dit niet mogelijk is zou, in bijzondere omstandigheden, voor deze personen de woonkostentoeslag toegekend kunnen worden.
Belanghebbende kan in ieder geval beschikken over de bijstandsnorm. Deze wordt daarom als minimuminkomen aangemerkt. Ook indien belanghebbende een inkomen heeft onder de bijstandsnorm en ervoor kiest geen bijstand aan te vragen.
De andere definities behoeven geen toelichting.
Onder aanvraag wordt verstaan: “een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen” (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop de aanvraag moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat deze aanvraag moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft in een ondersteuningsgesprek de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Indien dit niet mogelijk blijkt vanwege bijzondere individuele omstandigheden kunnen de gegevens ook schriftelijk aangeleverd worden. Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om bijdrage op grond van deze verordening.
voor inwoners die tot de Participatiewet doelgroep behoren, verstrekt de gemeente de middelen om mee te kunnen doen aan de samenleving via de Participatiewet. Inwoners van Wageningen die in deze doelgroep zitten kunnen namelijk een individuele inkomenstoeslag (IIT) aanvragen wanneer zij langdurig een laag inkomen hebben en geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Bij de bepaling van de hoogte van de IIT wordt rekening gehouden met kosten die de inwoner nodig heeft om mee te doen in samenleving (deelname aan sport-, en cultuur activiteiten, schoolbenodigdheden, op bezoek gaan of bezoek ontvangen etc). Daarnaast kent de gemeente de premie voor arbeidsinschakeling toe aan inwoners die zicht hebben op arbeidsinschakeling of maatschappelijk participatie. Onder maatschappelijk participatie kan een breed palet aan activiteiten vallen (vrijwilligerswerk, activiteiten in de buurt, activiteiten om uit sociaal isolement t komen. Bij de hoogte van de premie is ook rekening gehouden met de kosten die de inwoner nodig heeft om mee te doen aan de samenleving.
Inwoners met een AOW uitkering kunnen geen aanspraak maken op de ondersteuning voor het meedoen vanuit de Participatiewet en behoren daarom wel tot de doelgroep. Omdat de vergoeding voor een jaar is bedoeld kunnen inwoners die tot de doelgroep van de Participatiewet behoren, en binnen een jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereiken ook aanspraak maken op deze regeling. Daarnaast kunnen inwoners die onvoldoende middelen hebben om mee te doen, ondanks gebruik van de maximale premie, ook aanspraak maken op deze regeling
Inwoners hebben een laag inkomen als zij de redelijke uitgaven voor het desbetreffende huishoudsamenstelling en individuele woonlasten niet kunnen dekken met het inkomen. De hoogte van de redelijke uitgaven per huishoudsamenstelling worden jaarlijks geactualiseerd in deze verordening onder artikel 4 lid 2. De daadwerkelijke woonlasten worden in aanmerking genomen in plaats van een richtbedrag, omdat de hoogte hiervan vaststaat en door de verhuurder wordt bepaald.
Tegemoetkomingen vanuit deze regeling moeten bijdragen aan het meedoen in de samenleving zoals sport- en cultuur activiteiten en de benodigde attributen. Daarnaast is een computer, desktop PC of tablet tegenwoordig onmisbaar in het onderwijs voor zowel volwassenen als kinderen. Ook zijn schoolbenodigdheden essentieel om mee te kunnen doen op school. De voorbeelden opgenomen in dit artikel zijn niet uitsluitend. Wat bijdraagt aan het meedoen in de samenleving kan per persoon verschillen.
De kosten om te leven en mee te doen worden voorzien door de inrichting of penitiaire inrichting waar belanghebbende woont.
Studenten ontvangen kortingen op sport- en cultuur activiteiten. Er zijn voor hen voldoende mogelijkheden om met een kleine eigen bijdrage deel te nemen aan sport- en cultuur activiteiten. Hierdoor zijn de kosten voor het meedoen in de samenleving voor studenten lager en is hier geen verdere ondersteuning voor nodig.
Inwoners hebben een laag inkomen als zij de redelijke uitgaven voor het desbetreffende huishoudsamenstelling en individuele woonlasten niet kunnen dekken met het inkomen. De redelijke uitgaven worden jaarlijks geactualiseerd in deze verordening onder lid 2 van dit artikel. De daadwerkelijke woonlasten worden in aanmerking genomen in plaats van een richtbedrag, omdat de hoogte hiervan vaststaat en door de verhuurder wordt bepaald.
De hoogte van redelijke uitgaven per huishoudsamenstelling worden jaarlijks vastgesteld in deze
In de huishoudsamenstellingen uit lid 2 van dit artikel wordt rekening gehouden met zowel schaalvoordelen als leeftijdsdifferentiatie. De schaalvoordelen zijn vanaf het 6 persoon in het huishouden niet meer aantoonbaar. Daarom kan er per extra persoon van een bepaalde leeftijdscategorie een vast bedrag worden opgeteld bij de redelijke uitgaven. Bij huishoudsamenstelingen met meer dan 5 personen wordt eerst de toepasselijke huishoudsamenstelling van lid 2 geteld. Hierbij wordt eerst naar het aantal volwassenen gekeken, vervolgens naar het aantal kinderen van 12 t/m 17 jaar en daarna naar het aantal kinderen van 0 t/m 11 jaar. Voor opvolgende personen worden de bedragen uit lid 3 toegepast.
De gemeentelijke belastingen zijn opgenomen in de redelijke kosten van de huishoudtypen zoals omschreven in artikel 4, lid 2, van deze verordening. Indien belanghebbende ook kwijtschelding krijgt voor de gemeentelijke belastingen wordt er tweemaal rekening gehouden met deze kosten. Daarom worden voor belanghebbenden die in aanmerking komen voor de kwijtschelding de uitgaven van gemeentelijke belastingen in mindering gebracht.
De zorgkosten zijn een onderdeel van de minimale redelijk uitgaven. Via de collectieve aanvullende zorgverzekering draagt de gemeente al bij aan de zorgkosten door een deel als gemeentelijke bijdrage te verstrekken of via de tegemoetkoming van de aanvullende zorgverzekering. Om te voorkomen dat er dubbele vergoedingen zijn voor de zorgkosten via de collectieve zorgverzekering en de tegemoetkoming voor de aanvullende zorgverzekering wordt de gemeentelijke bijdrage voor de collectieve zorgverzekering en tegemoetkoming voor de aanvullende zorgverzekering in mindering gebracht van de redelijke uitgaven.
Onder a: de kinderbijslag, jonggehandicaptenkorting, toeslagen en de tegemoetkoming op grond van de Algemene nabestaandenwet zijn tegemoetkomingen en voorzieningen die gebruikt kunnen worden om van rond te komen en mee te doen in de samenleving. Aangezien er door deze tegemoetkomingen en voorzieningen al voorzien is voor een deel van de redelijke uitgaven worden ze bij de bepaling van een laag inkomen als inkomen in aanmerking genomen.
Onder b: middelen die de belanghebbende ontvangen via premie arbeidsinschakeling algemeen component van gemeente Wageningen kunnen de redelijke uitgaven voor een deel dekken. Daarom worden deze middelen ook in aanmerking genomen als inkomen.
Onder c: middelen die de belanghebbende ontvangt op grond van de individuele inkomenstoeslag kunnen de redelijke uitgaven voor een deel dekken. Daarom worden deze middelen ook in aanmerking genomen als inkomen.
De toeslagen worden in aanmerking genomen voor de bepaling van een laag inkomen. De definitieve hoogte van de toeslagen is pas bekend bij de afrekening. Omdat de toeslagen in aanmerking worden genomen voor het bepalen van een laag inkomen wordt de proefberekening van de belastingdienst gebruikt. Voor het toetsingsinkomen wordt het inkomen gebruik voor de periode dat de aanvraag van de Maatschappelijke Meedoen Regeling betrekking op heeft.
Belanghebbenden kan redelijkerwijs beschikken over minimaal een inkomen ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
De redelijke uitgaven van deze huishoudtypen bevatten ook de uitgaven die door het inwonen van het meerderjarig inwonend kind extra worden gemaakt zoals gas, elektra, water, lokale lasten internet en televisie etc. Omdat bij de beoordeling deze extra uitgaven mee worden gerekend moet ook het inkomen van het meerderjarige inwonende persoon meegerekend worden. Deze kan niet opgevraagd worden omdat er geen wettelijke grondslag is om het inkomen van het meerderjarige inwonende persoon op te vragen voor de beoordeling van de aanvraag van de belanghebbende. Desondanks kan redelijkerwijs worden aangenomen dat dit inkomen minimaal de van toepassingzijnde bijstandsnorm is omdat het meerderjarig inwonende persoon in ieder geval daarover zou kunnen beschikken.
Artikel 5. Hoogte Maatschappelijk Meedoen Regeling
In artikel 4 van deze verordening staat omschreven hoe een langdurig laag inkomen wordt vastgesteld. Het verschil tussen het inkomen en de redelijke uitgaven en de individuele woonlasten is het bedrag dat belanghebbende tekort heeft om rond te kunnen komen en mee te doen in de samenleving. Dit verschil is de hoogte de Maatschappelijke Meedoen Regeling. De toelichting komt overeen met de toelichting van artikel 4 van deze verordening.
In de huishoudsamenstellingen uit artikel 4 lid 2 van deze verordening wordt rekening gehouden met zowel schaalvoordelen als leeftijdsdifferentiatie. De schaalvoordelen zijn vanaf het 6 persoon in het huishouden niet meer aantoonbaar. Daarom kan er per extra persoon van een bepaalde leeftijdscategorie een vast bedrag worden opgeteld bij de redelijke uitgaven. Bij huishoudsamenstelingen met meer dan 5 personen wordt eerst de toepasselijke huishoudsamenstelling van lid 2 geteld. Hierbij wordt eerst naar het aantal volwassenen gekeken, vervolgens naar het aantal kinderen van 12 t/m 17 jaar en daarna naar het aantal kinderen van 0 t/m 11 jaar. Voor opvolgende personen worden de bedragen uit lid 3 toegepast.
Per persoon kan het verschillen wat bijdraagt aan het meedoen in de samenleving. Het huishouden mag zelf bepalen welke bedragen zij besteden aan welke kosten zoals onder andere omschreven in artikel 3 lid 3 zolang het naar het oordeel van het college bijdraagt aan het meedoen in de samenleving.
Artikel 6. Toekenning en uitbetaling
Als er sprake is van dringende redenen kan het college ten gunste van de belanghebbende van deze verordening afwijken. Omdat verordeningen niet voor alle mogelijke schrijnende gevallen regelingen kunnen treffen, is met dit artikel de mogelijkheid geschapen om maatwerk te leveren. Maatwerk in gevallen waarin de verordening niet voorziet.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-558263.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.