Eerste wijziging van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Wassenaar 2020-1

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar,

 

gelezen het voorstel van 18 december 2025,

 

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet Bestuursrecht en artikelen 13, derde lid, 20, derde en vierde lid, 35, eerste lid, 78ff, eerste lid van de Participatiewet,

 

 

besluit:

 

vast te stellen de Eerste wijziging van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Wassenaar 2020-1:

Artikel I  

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

7. Voorwaarden collectieve aanvullende zorgverzekering

1. De gemeente sluit overeenkomsten met één of meerdere zorgverzekeraars, zodat voor in-woners van de gemeente Leidschendam-Voorburg met een minimum inkomen de financiele drempel om gebruik te maken van gezondheidsvoorzieningen wordt verlaagd;

2. Recht op deelname aan de collectieve zorgverzekering voor minima van de betreffende zorgverzekeraars met wie de gemeente een overeenkomst heeft en op een voorziening van het college hierbij bestaat voor alle inwoners van de gemeente Leidschendam-Voorburg die:

a. een uitkering ontvangen op grond van de wet, de IOAW of de IOAZ, of

b. een netto inkomen hebben uit een andere bron, dat niet hoger is dan 130% van de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm;

c. partners en kinderen tot 18 jaar van personen, die hiervoor onder a en b genoemd zijn.

3. De betalingen van betrokkene en van de gemeente Leidschendam-Voorburg aangaande de collectieve zorgverzekering geschieden conform de afspraken die de gemeente Leidschendam-Voorburg hierover heeft gemaakt met de betreffende zorgverzekeraars.

4. De Beleidsregels vaststellen vermogen en vaststellen vermogen in eigen woning Participatiewet Leidschendam-Voorburg 2015 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

7. Voorwaarden regeling Hoge Zorgkosten

1. Inwoners met een inkomen tot 130% van de voor hen geldende bijstandsnorm die niet-vergoede zorgkosten hebben van € 300 of meer, kunnen een vergoeding krijgen voor hun zorgkosten.

2. De voorwaarden van de regeling Hoge Zorgkosten staan in de beleidsregels Regeling Hoge Zorgkosten Wassenaar.

12. Bijzondere bijstand aan uitwonende alleenstaanden jonger dan 21 jaar

1. Een alleenstaande jonger dan 21 jaar wordt geacht thuiswonend te zijn bij zijn ouder(s), tenzij hij voldoet aan de criteria die gelden om uitwonen toe te staan. Deze criteria zijn:

a. beide ouders zijn overleden;

b. beide ouders hebben hun hoofdverblijf in het buitenland;

c. een ouder is overleden, de andere ouder heeft zijn hoofdverblijf in het buitenland;

d. de alleenstaande is buiten het gezinsverband geplaatst op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening;

e. de alleenstaande woont op de ingangsdatum van de bijstandsverlening reeds langer dan twaalf maanden niet meer op het adres van de ouder(s).

2. De alleenstaande, die voldoet aan ten minste één van de criteria als boven bedoeld en voor wie de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar niet toereikend is om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, heeft recht op aanvullende bijzondere bijstand ter bestrijding van die kosten.

3. De aanvullende bijzondere bijstand bedraagt het verschil tussen 50% van de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder zijn doch jonger dan de pensioen-gerechtigde leeftijd en de norm voor een alleenstaande van 18,19 of 20 jaar per maand. Telkens wanneer de landelijke normen gewijzigd en aangepast worden, passen wij dit bedrag dienovereenkomstig aan.

 

12. Bijzondere bijstand aan uitwonende alleenstaanden jonger dan 21 jaar

1. De alleenstaande persoon, die jonger dan 21 jaar en uitwonend is, heeft geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.

2. In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing.

 

 

 

13. Bijzondere bijstand aan alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar

1. De alleenstaande ouder voor wie de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar niet toereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien heeft recht op aanvullende bijzondere bijstand ter bestrijding van die kosten. De bepalingen als bedoeld in beleidsregel 12, onder a tot en met e, zijn niet van toepassing.

2. De aanvullende bijzondere bijstand bedraagt het verschil tussen 50% van de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder zijn doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en de norm voor een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar per maand.

3. Indien het noodzakelijk is dat met toepassing van het gestelde in artikel 18, eerste lid en twaalfde lid van de wet algemene bijstand wordt verleend ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is, wordt die bijstand vastgesteld op 20% van de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder zijn doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Deze algemene bijstand wordt beëindigd uiterlijk op het moment dat de minderjarige alleenstaande ouder meerderjarig wordt. Deze regeling is specifiek bedoeld voor de babies van tienermoeders.

4. Telkens wanneer de landelijke normen gewijzigd en aangepast worden, passen wij de in onderdeel 2 en 3 genoemde bedragen dienovereenkomstig aan.

 

13. Bijzondere bijstand aan alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar

1. De alleenstaande ouder, jonger dan 21 jaar, heeft geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.

2. In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing.

3. Indien het noodzakelijk is dat met toepassing van het gestelde in artikel 18, eerste lid en twaalfde lid van de wet algemene bijstand wordt verleend ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is, wordt die bijstand vastgesteld op 20% van de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder zijn doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Deze algemene bijstand wordt beëindigd uiterlijk op het moment dat de minderjarige alleenstaande ouder meerderjarig wordt. Deze regeling is specifiek bedoeld voor de baby’s van tienermoeders.

 

14. Bijzondere bijstand aan gehuwden, beiden jonger dan 21 jaar

1. De gehuwden, van wie beide partners jonger zijn dan 21 jaar en voor wie de norm voor gehuwden jonger dan 21 jaar niet voldoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, hebben recht op aanvullende bijzondere bijstand ter bestrijding van die kosten.

2. De aanvullende bijzondere bijstand voor gehuwden, van wie beide partners jonger zijn dan 21 jaar en die geen tot hun last komende kinderen hebben, bedraagt het verschil tussen de norm gehuwden beiden jonger dan 21 jaar met kinderen en de norm gehuwden beiden jonger dan 21 jaar zonder kinderen per maand.

3. De aanvullende bijzondere bijstand voor gehuwden, van wie beide partners jonger zijn dan 21 jaar en die wel één of meer tot hun last komende kinderen hebben, bedraagt het verschil tussen de norm gehuwden waarvan één partner 21 jaar of ouder is met kinderen en de norm gehuwden waarvan één partner 21 jaar of ouder is zonder kinderen per maand.

4. Telkens wanneer de landelijke normen gewijzigd en aangepast worden, passen wij de in onderdeel 2 en 3 genoemde bedragen dienovereenkomstig aan.

 

14. Bijzondere bijstand aan gehuwden, beiden jonger dan 21 jaar

1. De gehuwden jonger dan 21 jaar hebben geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.

2. In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing.

15. Bijzondere bijstand aan gehuwden, van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder

1. De gehuwden, van wie een partner jonger dan 21 jaar is en de andere partner 21 jaar of ouder en voor wie de op hen van toepassing zijnde norm niet voldoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, hebben recht op aanvullende bijzondere bijstand ter bestrijding van die kosten.

2. De aanvullende bijzondere bijstand voor gehuwden, van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder en die geen tot hun last komende kinderen hebben, bedraagt het verschil tussen de norm gehuwden waarvan beide partners 21 jaar of ouder zijn en de norm gehuwden waarvan één partner 21 jaar of ouder is zonder kinderen per maand.

3. De aanvullende bijzondere bijstand voor gehuwden, van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder en die wel één of meer tot hun last komende kinderen hebben, bedraagt het verschil tussen de norm gehuwden waarvan beide partner 21 jaar of ouder zijn en de norm gehuwden waarvan één partner 21 jaar of ouder is met kinderen per maand.

4. Telkens wanneer de landelijke normen gewijzigd en aangepast worden, passen wij de in onderdeel 2 en 3 genoemde bedragen dienovereenkomstig aan.

 

15. Bijzondere bijstand aan gehuwden, van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder

1. De gehuwden, van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder, hebben geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.

2. In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing.

16. Verhaal van bijzondere bijstand aan personen jonger dan 21 jaar

1. Ten aanzien van de verlening van bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan aan personen jonger dan 21 jaar is het bepaalde in artikel 12 van de wet onverkort van toepassing.

2. De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar worden op de onderhoudsplichtige ouder(s) verhaald voor zover de bijstand zich uitstrekt tot dat gedeelte van de bijzondere bijstand dat betrekking heeft op de alleenstaande ouder zelf.

3. De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van gehuwden van wie beide partners jonger dan 21 jaar zijn worden verhaald op de onderhoudsplichtige ouder(s) van beide partners. Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt de helft van de te verhalen bijstand toegerekend aan de ouder(s) van elk van de partners.

4. De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van gehuwden van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder worden verhaald op de onderhoudsplichtige ouder(s) van de partner die jonger is dan 21 jaar. Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt de helft van de bijzondere bijstand toegerekend aan de ouder(s) van de echtgenoot die jonger is dan 21 jaar.

 

16. Verhaal van bijzondere bijstand aan personen jonger dan 21 jaar

1. Verhaal van bijzondere bijstand aan personen jonger dan 21 jaar is alleen van toepassing op jongeren die bijzondere bijstand ontvangen op grond van artikel 12 lid 2, artikel 13 lid 2, artikel 14 lid 2 en artikel 15 lid 2 van deze beleidsregels.

2. De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar worden op de onderhoudsplichtige ouder(s) verhaald voor zover de bijstand zich uitstrekt tot dat gedeelte van de bijzondere bijstand dat betrekking heeft op de alleenstaande ouder zelf.

3. De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van gehuwden van wie beide partners jonger dan 21 jaar zijn worden verhaald op de onderhoudsplichtige ouder(s) van beide partners. Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt de helft van de te verhalen bijstand toegerekend aan de ouder(s) van elk van de partners.

4. De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van gehuwden van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder worden verhaald op de onderhoudsplichtige ouder(s) van de partner die jonger is dan 21 jaar. Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt de helft van de bijzondere bijstand toegerekend aan de ouder(s) van de echtgenoot die jonger is dan 21 jaar.

 

32. Bijzondere bijstand voor woonkosten van een woning waarvan de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens

1. De belanghebbende die een huurwoning of een eigen woning bewoont, waarvan de woonkosten hoger zijn dan het grensbedrag voor de berekening van de individuele huurtoeslag als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, heeft recht op bijzondere bijstand in de woonkosten indien er sprake is van een uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzaak om de dure woning te bewonen.

2. De hoogte van de in lid 1 bedoelde toeslag wordt vastgesteld aan de hand van de Wet op de huurtoeslagsystematiek. Het meerdere boven de grens zoals genoemd in lid 1 wordt volledig in aanmerking genomen bij de bepaling van de hoogte van de bijstandsverlening. De grens zoals in lid 1 genoemd, wordt per kalenderjaar vastgesteld en wordt telkens op 1 juli van een kalenderjaar aangepast aan de ontwikkelingen betreffende de Wet op de huurtoeslag.

3. Aan de verlening van de toeslag als bedoeld in lid 1 worden de volgende voorwaarden verbonden:

a. belanghebbende dient zich onverwijld als woningzoekende te laten inschrijven voor woonruimte, waarvoor hij op grond van zijn inkomen in aanmerking kan komen voor een huurtoeslag;

b. belanghebbende dient elke woning als bedoeld in onderdeel a te accepteren, voor zover dat in redelijkheid van hem verlangd kan worden;

c. belanghebbende dient zelf ook pogingen te ondernemen om woonruimte te verwerven, waarvan de woonkosten in zodanige overeenstemming met zijn inkomen zijn, dat hij voor die kosten aanspraak kan maken op een huurtoeslag. Hieronder wordt ten minste verstaan het aanvragen van een urgentieverklaring voor bij de woningbouwvereniging om in aanmerking te komen voor een andere woning.

4. Indien de belanghebbende niet aan één of meer van de in lid 3 genoemde voorwaarden voldoet, kan de toeslag in de woonkosten verlaagd dan wel beëindigd worden.

5. Indien de belanghebbende behalve de woonkosten aan de verhuurder ook kosten van dienstverlening, die voor de belanghebbende noodzakelijk is, verschuldigd is, kan van het bepaalde in deze beleidsregel afgeweken worden.

32. Bijzondere bijstand voor woonkosten van een woning waarvan de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens

1. De belanghebbende die een huurwoning of een eigen woning bewoont, waarvan de woonkosten hoger zijn dan het grensbedrag voor de berekening van de individuele huurtoeslag als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, heeft recht op bijzondere bijstand in de woonkosten indien er sprake is van een uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzaak om de dure woning te bewonen.

2. De hoogte van de in lid 1 bedoelde toeslag wordt voor inwoners met een eigen woning of een huurwoning vastgesteld aan de hand van de Wet op de huurtoeslagsystematiek. Het meerdere boven de grens zoals genoemd in lid 1 wordt volledig in aanmerking genomen bij de bepaling van de hoogte van de bijstandsverlening. De grens zoals in lid 1 genoemd, wordt per kalenderjaar vastgesteld en wordt telkens op 1 juli van een kalenderjaar aangepast aan de ontwikkelingen betreffende de Wet op de huurtoeslag.

3. De hoogte van de in lid 1 bedoelde toeslag is voor inwoners met een sociale huurwoning gelijk aan het deel van het huurbedrag dat boven de in lid 1 genoemde grens ligt.

4. Aan de verlening van de toeslag als bedoeld in lid 2 kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

a. belanghebbende dient zich onverwijld als woningzoekende te laten inschrijven voor woonruimte, waarvoor hij op grond van zijn inkomen in aanmerking kan komen voor een huurtoeslag;

b. belanghebbende dient elke woning als bedoeld in onderdeel a te accepteren, voor zover dat in redelijkheid van hem verlangd kan worden;

c. belanghebbende dient zelf ook pogingen te ondernemen om woonruimte te verwerven, waarvan de woonkosten in zodanige overeenstemming met zijn inkomen zijn, dat hij voor die kosten aanspraak kan maken op een huurtoeslag. Hieronder wordt ten minste verstaan het aanvragen van een urgentieverklaring voor bij de woningbouwvereniging om in aanmerking te komen voor een andere woning.

5. Aan de verlening van de toeslag voor een sociale huurwoning worden de volgende voorwaarden verbonden:

a. Belanghebbende dient binnen een maand na het toekenningsbesluit bij de woningbouwvereniging een verzoek in te dienen om de huur te verlagen en hiervan een bewijsstuk in te leveren.

b. belanghebbende dient bij een verlaging van de huur binnen 5 werkdagen een bewijsstuk van de nieuwe huur in te leveren.

6. Indien de belanghebbende niet aan één of meer van de in lid 4 en lid 5 genoemde voorwaarden voldoet, kan de toeslag in de woonkosten verlaagd dan wel beëindigd worden.

35. Doelgroep chronisch zieken en gehandicapten

1. De belanghebbende vanaf 18 jaar die aantoonbare meerkosten heeft vanwege het feit dat belanghebbende chronisch ziek of gehandicapt is of de belanghebbende die de zorg heeft voor een tot zijn last komend chronisch ziek of gehandicapt kind, die een inkomen ontvangt dat niet hoger is dan maximaal 110% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm en die niet in een inrichting verblijft, komt in aanmerking voor bijzondere bijstand voor deze kosten.

2. Onder chronisch zieken en gehandicapten worden verstaan: personen die 1 jaar of langer onafgebroken gebruikmaken van thuiszorg of voorafgaand een indicatie ontvangen voor ten minste 1 jaar of; gebruik maken van een persoonsgebonden budget (PGB) voor zorg op grond van de Jeugdwet / Wlz / ZVW of; gebruik maken van een periodiek verstrekte WMO voorziening (zoals taxivergoeding, rolstoel, hulpmiddelen in woning, dagbesteding) of; een uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzeke-ring / Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen / Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of; beschikken over een invalidenparkeerkaart met de duur van ten minste 1 jaar.

3. Onder ‘bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan’ worden onder meer de volgende kosten verstaan, nader omschreven als ‘verborgen kosten’:

a. kosten van bloemen en aankopen gericht op geven van waardering voor een verzorger, extra telefoonkosten, bijdrage in extra reiskosten, contributie patiëntenvereniging. Deze opsomming is niet limitatief;

b. de bijzondere bijstand wordt per persoon toegekend tot een maximumbedrag per kalenderjaar, mits aangevraagd in dat kalenderjaar.

 

35. Vervallen.

 

48. Persoonlijke uitgaven

1. Een belanghebbende die behoort tot een van de doelgroepen als bedoeld in beleidsregel 49 en op wie de beperkingen als bedoeld in beleidsregel 50 niet van toepassing zijn, maakt aanspraak op bijzondere bijstand in de persoonlijke uitgaven;

2. Onder persoonlijke uitgaven worden verstaan: het normbedrag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet, voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft;

3. Het in lid 2 bedoelde bedrag wordt in verband met de invoering van de ZVW verhoogd met het bedrag als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel a, van de wet.

 

48. Vervallen.

 

 

Artikel II  

De toelichting op de beleidsregels wordt op de volgende punten gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Beleidsregel 12.

Deze beleidsregel bepaalt op welke wijze zo nodig bijzondere bijstand in de kosten van levenson-derhoud verstrekt dient te worden aan uitwonende alleenstaanden jonger dan 21 jaar. Het uit-gangspunt is dat personen jonger dan 21 jaar geacht wonen bij hun ouders thuisinwonend te zijn, tenzij er aanleiding is op grond van een aantal criteria uitwonend zijn toe te staan. De criteria voor het uitwonend zijn worden in onderdeel 1 van deze beleidsregel uitgewerkt.

 

Wanneer de alleenstaande jonger dan 21 jaar aan ten minste één van de criteria voldoet, kan hij aanspraak maken op aanvullende bijzondere bijstand. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gerelateerd aan de normen voor personen jonger dan 21 jaar in relatie tot 50% van de gehuwden-norm zoals vermeld in deze beleidsregel.

 

Beleidsregel 12.

Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud.

 

Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand.

 

Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet.

 

Beleidsregel 13.

Deze beleidsregel bepaalt op welke wijze zo nodig bijzondere bijstand in de kosten van levenson-derhoud verstrekt dient te worden aan alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar. Het uitgangspunt dat alleenstaande ouders geacht worden bij hun ouders in te wonen is hier niet van toepassing. Alleenstaande ouders worden geacht uitwonend te zijn.

 

De alleenstaande ouder in de leeftijd van 18, 19 of 20 jaar kan zo nodig voor aanvullende bijzonde-re bijstand in aanmerking komen. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gerelateerd aan 50% van de gehuwdennorm zoals vermeld in deze beleidsregel in relatie tot de normen voor alleen-staande ouders jonger dan 21 jaar.

 

Indien het noodzakelijk is dat algemene bijstand wordt verleend ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is (tienermoeder) wordt die bijstand bepaald op 20% van de gehuwdennorm zoals vermeld in deze beleidsregel.

 

Beleidsregel 13.

Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud.

 

Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand.

 

Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet.

Indien het noodzakelijk is dat algemene bijstand wordt verleend ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is (tienermoeder) wordt die bijstand bepaald op 20% van de gehuwdennorm zoals vermeld in deze beleidsregel.

 

Beleidsregel 14.

Deze beleidsregel bepaalt op welke wijze zo nodig bijzondere bijstand in de kosten van levenson-derhoud verstrekt dient te worden aan gehuwden of samenwonenden die beiden jonger zijn dan 21 jaar. Het uitgangspunt dat gehuwden of samenwonenden jonger dan 21 jaar geacht worden bij hun ouders in te wonen, is hier niet van toepassing. Gehuwden of samenwonenden worden geacht uit-wonend te zijn.

 

De gehuwden of samenwonenden die beiden jonger dan 21 jaar zijn kunnen zo nodig voor aanvul-lende bijzondere bijstand in aanmerking komen. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gere-lateerd aan de norm voor gehuwden / samenwonenden van 21 jaar of ouder in relatie tot de nor-men voor gehuwden / samenwonenden van 18, 19 of 20 jaar.

 

Beleidsregel 14.

Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud.

 

Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand.

 

Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet.

 

Beleidsregel 15.

Deze beleidsregel bepaalt op welke wijze zo nodig bijzondere bijstand in de kosten van levenson-derhoud verstrekt dient te worden aan gehuwden of samenwonenden waarvan één partner 21 jaar of ouder is. Het uitgangspunt dat gehuwden jonger dan 21 jaar geacht worden bij hun ouders in te wonen is hier niet van toepassing. Gehuwden of samenwonenden worden geacht uitwonend te zijn.

Gehuwden of samenwonenden van wie één partner ouder is dan 21 jaar kunnen zo nodig voor aan-vullende bijzondere bijstand in aanmerking komen. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gerelateerd aan de norm voor gehuwden / samenwonenden van 21 jaar of ouder in relatie tot de norm voor gehuwden / samenwonenden met één partner van 21 jaar of ouder.

 

Beleidsregel 15.

Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud.

 

Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand.

 

Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet.

 

 

Beleidsregel 35.

De bijzondere bijstand voor aantoonbare, verborgen kosten bij voor chronische ziekte en handicap bedraagt per kalenderjaar:

- per persoon 305,00

Bij de aanvraag dient betrokkene duidelijk te maken voor welke specifieke kosten de bijzondere bijstand aangevraagd wordt. Tevens dient aannemelijk te zijn dat deze kosten vallen onder de reikwijdte van dit artikel. Het eigen risico van de ZVW en eigen bijdragen voor zorgkosten vallen hier in elk geval niet onder.

Beleidsregel 36.

De bijzondere bijstand voor aantoonbare, verborgen meerkosten voor personen met de pensioen-gerechtigde leeftijd en ouder bedraagt per kalenderjaar voor duurzame gebruiksgoederen, abon-nementen en/of kosten voor sport en cultuur maximaal:

- per huishouden 450,00

Bij de aanvraag dient betrokkene duidelijk te maken voor welke specifieke kosten de bijzondere bijstand aangevraagd wordt.

 

Beleidsregel 35. Vervallen.

 

Artikel III  

Dit wijzigingsbesluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van de gemeente Wassenaar van 18 december 2025.

drs. A.P.A. Oostermeijer,

gemeentesecretaris

drs. L.A. de Lange,

burgemeester

Naar boven