Gemeenteblad van Edam-Volendam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Edam-Volendam | Gemeenteblad 2025, 557928 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Edam-Volendam | Gemeenteblad 2025, 557928 | beleidsregel |
Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam voor de verstrekking van individuele bijzondere bijstand en een vaste tegemoetkoming aan huishoudens met alleenverdienersproblematiek (Beleidsregels alleenverdienersproblematiek Edam-Volendam 2023-2027)
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam;
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
gelet op artikelen 35, eerste lid en 78gg van de Participatiewet;
gezien het handelingsperspectief van het Ministerie van SZW van 19 april 2023;
overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen voor de verstrekking van individuele bijzondere bijstand aan huishoudens die vanwege alleenverdienersproblematiek over de jaren 2023 en 2024 te weinig toeslagen hebben ontvangen alsmede om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden een huishouden een vaste tegemoetkoming als bedoeld in artikel 78gg van de Participatiewet zal worden toegekend of geweigerd voor de jaren 2025, 2026 en 2027;
vast te stellen de volgende Beleidsregels alleenverdienersproblematiek Edam-Volendam 2023-2027.
Artikel 3 Afbakening met reguliere beleidsregels
De ‘Nota bijzondere bijstand en minimaregelingen Edam-Volendam 2016’ geldt niet bij aanvragen bijzondere bijstand voor het gemis aan toeslagen als gevolg van de alleenverdienersproblematiek.
Hoofdstuk 2 Individuele bijzondere bijstand alleenverdienersproblematiek 2023-2024
Artikel 5 Bijzondere bijstand voor misgelopen toeslagen door alleenverdienersproblematiek
In de situatie waarin een huishouden vanwege alleenverdienersproblematiek onder het bestaansminimum uitkomt, is er sprake van een ‘reeds jarenlang bestaande samenloop van overheidsregelingen en fiscaliteit, die voor bepaalde categorieën tot een niet voorziene benadeling heeft geleid’. Deze situatie wordt aangemerkt als bijzondere omstandigheid voor individuele bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de wet.
Artikel 6 Beoordelen draagkracht uit vermogen
Het college gebruikt dezelfde vermogensgrenzen die de Belastingdienst gebruikt voor de toeslagen. Hieruit volgt of het huishouden onvoldoende draagkracht heeft uit vermogen. De Belastingdienst kijkt voor het bepalen van het recht op toeslagen naar het vermogen op 1 januari van het betreffende kalenderjaar. Daar sluit het college bij aan voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand.
Artikel 7 Beoordelen inkomen en periode
Bij de beoordeling of er sprake is geweest van alleenverdienersproblematiek en de berekening van het bedrag aan misgelopen toeslagen maakt het college gebruik van de landelijke proefberekening toeslagen. Dit betekent dat het college onder meer – en voor zover nodig - de volgende gegevens over het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft vraagt:
Hoofdstuk 3 Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek 2025-2027
Artikel 10 Uitnodigen tot het doen van een aanvraag
Het college nodigt een huishouden uit om over 2025 een aanvraag voor een tegemoetkoming in te dienen wanneer:
Om te beoordelen of recht bestaat op een tegemoetkoming bekijkt en beoordeelt het college op aanvraag of:
Artikel 12 Vaststellen inkomen, vermogen en periode
Het inkomen wordt vervolgens omgerekend naar een verwacht jaarinkomen ([gemiddeld] inkomen x 12). Bijzondere beloningen als vakantiegeld en eindejaarsuitkeringen worden in de berekening van het jaarinkomen meegenomen, omdat dit ook meetelt voor het toetsingsinkomen dat de Belastingdienst gebruikt bij de berekening voor toeslagen.
Het college gebruikt de vermogensgrens die de Belastingdienst gebruikt voor de zorgtoeslag. De Belastingdienst kijkt voor het bepalen van het recht op toeslagen naar het vermogen op 1 januari van het betreffende kalenderjaar. Daar sluit het college bij aan. Dit betekent dat bij een vermogen beneden die grens nog recht kan bestaan op een tegemoetkoming voor dat jaar. Bij een vermogen erboven niet meer, omdat een huishouden dan ook niet meer voor de toeslagen in aanmerking zou komen.
Anders dan het vorige lid, wordt voor het jaar 2026 het bedrag van een op grond van deze beleidsregels toegekende tegemoetkoming over 2025 en eventuele toegekende bijzondere bijstand voor 2023, 2024 of 2025 buiten beschouwing gelaten voor de vaststelling van de hoogte van het vermogen, als dit de reden is dat het vermogen op 1 januari 2026 boven de vermogensgrens is uitgestegen.
Artikel 14 Individuele bijzondere bijstand bovenop de tegemoetkoming in uitzonderlijke situaties
In heel uitzonderlijke situaties kan het zijn dat de tegemoetkoming niet hoog genoeg is om de daadwerkelijk misgelopen toeslagen te compenseren. In die situaties kan het college op aanvraag individuele bijzondere bijstand verstrekken voor het nog ontbrekende bedrag waarbij wordt aangesloten bij de beoordelingswijze opgenomen in het vorige hoofdstuk.
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 16 december 2025,
het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam,
de secretaris, de burgemeester,
C. Rijnberg. R.J. Beukers.
Doordat verschillende fiscale en sociale regelingen ongelukkig op elkaar inwerken, ontvangt een groep inwoners in ons land minder toeslagen dan een vergelijkbaar huishouden met alleen een bijstandsuitkering (het gaat om partners/echtparen). Sommige huishoudens hebben door deze ongelukkige samenloop een lager inkomen dan mensen met een bijstandsuitkering. De som van hun netto-inkomen en toeslagen, oftewel hun besteedbaar inkomen, is lager dan het zou zijn als zij samen alleen een bijstandsuitkering met maximale toeslagen zouden hebben.
De uitkeringen en toeslagen zijn hierbij volgens de wettelijke regels bepaald en uitgekeerd, maar leiden tot een onwenselijke uitkomst. Deze huishoudens leven hierdoor namelijk onder het bestaansminimum. Dit kan binnen de bestaande regelgeving (nog) niet worden opgelost. Het probleem is ontstaan door de ongelijke afbouw van de ‘dubbele’ algemene heffingskorting voor werkenden (de zogenaamde overdraagbaarheid) en de gesimuleerde afbouw van de algemene heffingskorting die wordt gebruikt voor de berekening van bijstandsuitkeringen. Dit wordt de ‘alleenverdienersproblematiek’ genoemd.
Een structurele oplossing voor dit probleem wordt uitgewerkt binnen de belastingwetgeving. Deze wordt vanaf 2028 verwacht. Tot die tijd zijn gemeenten aangewezen om huishoudens financieel te steunen in 2 fases.
Fase 1: Voor de jaren 2023 en 2024 heeft het Ministerie van SZW een handelingsperspectief geboden. Via individuele bijzondere bijstand kunnen wij de huishoudens die te maken hebben met alleenverdienersproblematiek compenseren voor de daadwerkelijk gemiste toeslagen.
Fase 2: Voor de jaren 2025, 2026 en 2027 is de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek in het leven geroepen. Deze tijdelijke regeling binnen de Participatiewet stelt ons verplicht om huishoudens die te maken hebben met alleenverdienersproblematiek en daardoor te weinig toeslagen ontvangen en onder het bestaansminimum leven jaarlijks een vaste tegemoetkoming te verstrekken.
Voor beide fases geldt dat gemeenten worden opgeroepen om beleidsregels vast te stellen en daarin de (voor fase 2) beperkte beleidsruimte verder in te vullen. Deze beleidsregels geven invulling aan beide fases en hebben tot doel de specifieke groep van huishoudens die vanwege alleenverdienersproblematiek onder het bestaansminimum (hebben) moeten leven financieel te kunnen ondersteunen.
In dit artikel wordt uitleg gegeven aan de begrippen die in de beleidsregels worden gebruikt.
Deze artikelen zijn opgenomen om duidelijk te maken dat we de reguliere beleidsregels voor bijzondere bijstand niet toepassen wanneer een aanvraag wordt gedaan voor misgelopen toeslagen vanwege alleenverdienersproblematiek. Daarvoor in de plaats gebruiken we deze beleidsregels. Deze beleidsregels wijken namelijk af van de reguliere beleidsregels, omdat het handelingsperspectief voor de alleenverdienersproblematiek (Gemeentenieuws SZW 2023-1, nr. 5) ervoor zorgt dat we voor veel onderdelen het beste aan kunnen sluiten bij de werkwijze van de Belastingdienst. De reguliere beleidsregels voorzien hier niet in.
Het eerste lid volgt feitelijk uit de Algemene wet bestuursrecht en is daarom instructief van aard. Met het tweede lid sluiten we aan bij het handelingsperspectief waar het gaat om de jaren 2023 en 2024. Bijzondere bijstand kan formeel niet met onbeperkte terugwerkende kracht worden verstrekt. Bijzondere bijstand is gericht op kosten die zich voordoen en nog niet zijn betaald. Omdat we de beleidsregels pas in 2025 vaststellen, willen we inwoners toch nog een heel jaar de mogelijkheid bieden om dit aan te kunnen vragen over 2023 en 2024.
Voor 2025, 2026 en 2027 geldt dat wij een aanvraag voor die jaren pas inhoudelijk kunnen behandelen wanneer bijvoorbeeld inkomensgegevens over die jaren bekend zijn. We kunnen deze namelijk niet ‘voorlopig’ beoordelen zoals de Belastingdienst dat doet, want een tegemoetkoming over 2025, 2026 en 2027 mag volgens de wet niet worden herzien of worden teruggevorderd.
Uit artikel 35 van de wet en vaste jurisprudentie volgt een vaste beoordelingsvolgorde voor bijzondere bijstand, namelijk:
Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? Wij hebben daarbij beleidsvrijheid in welk inkomen en vermogen we in aanmerking nemen en over welke periode (hoe we de draagkracht bepalen).
In dit artikel komt tot uiting wanneer de kosten zich voordoen en als noodzakelijk worden gezien en zijn de individuele bijzondere omstandigheden nader ingevuld voor deze problematiek. Met toevoeging van het derde lid wordt voorkomen dat voor dezelfde kosten twee keer bijzondere bijstand wordt verstrekt.
In dit artikel is uitgewerkt hoe we beoordelen of er draagkracht is binnen het vermogen. Hiermee wordt voor een deel invulling gegeven aan vraag 4 van de beoordeling voor bijzondere bijstand. Zie ook de toelichting bij artikel 5.
In dit artikel is opgenomen dat we gebruik maken van de landelijke proefberekening toeslagen. Ook zijn voorbeelden gegeven van informatie en gegevens die hierbij nodig kunnen zijn. De lijst is niet limitatief. Dat betekent dat in sommige gevallen ook (extra) andere gegevens nodig kunnen zijn. Soms zijn gegevens al bij ons bekend. Bijvoorbeeld wanneer iemand een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt. Dan kan het zijn dat minder gegevens hoeven te worden uitgevraagd.
We hebben de mogelijkheid om te kiezen of we bijzondere bijstand in één keer of periodiek uitbetalen. Omdat het gaat over een afgesloten kalenderjaar kiezen we ervoor de bijzondere bijstand in één keer toe te kennen en uit te betalen.
Artikel 78gg van de wet schrijft voor dat we ambtshalve (zonder aanvraag) een tegemoetkoming verstrekken wanneer is voldaan aan de voorwaarden. We hebben de keuzemogelijkheid om te bepalen welke groepen we de tegemoetkoming ambtshalve verstrekken. Dat kan zijn aan huishoudens die op de lijst van het Inlichtingenbureau voorkomen - dit wordt ook nadrukkelijk gevraagd door het Rijk - maar ook aan huishoudens die in een eerder jaar een tegemoetkoming hebben ontvangen op aanvraag waarbij de situatie onveranderd is gebleven. We kiezen ervoor om huishoudens zo veel als mogelijk te ontlasten en daarom ook die laatste groep ambtshalve een tegemoetkoming te verstrekken. In dit artikel is verder uitgewerkt onder welke voorwaarden we dat doen.
Ambtshalve verstrekken van individuele bijzondere bijstand is bij wet nog niet mogelijk gemaakt (zoals dat eerder bij de energietoeslag wel werd gedaan), daarom komt die mogelijkheid ook niet voor in de beleidsregels.
Het is bekend dat niet iedereen die op dit moment te maken heeft met de alleenverdienersproblematiek op de lijst van het Inlichtingenbureau voorkomt. Dat komt doordat deze lijst gebaseerd is op inkomensgegevens van 2 jaar ervoor. We hebben de mogelijkheid om in onze eigen systemen een bestandsanalyse uit te voeren waarmee we mogelijk een extra deel van de potentiële doelgroep kunnen bereiken. Het is niet toegestaan om deze groep ambtshalve een tegemoetkoming te verstrekken. Wel mogen we deze huishoudens proactief benaderen en uitnodigen om een aanvraag in te dienen. Van die mogelijkheid maken we gebruik.
In dit artikel is vastgelegd aan welke voorwaarden wij toetsen voor het recht op de tegemoetkoming. Als alle onderdelen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord, kennen we de tegemoetkoming toe. Als het antwoord op een of meerdere onderdelen ‘nee’ is, dan wordt de tegemoetkoming gemotiveerd afgewezen. Tenzij artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht noodzaakt tot afwijking van de beleidsregels.
Door de definities ‘huishouden’ en ‘alleenverdienersproblematiek’ op te nemen in artikel 1 kan dit artikel kort worden gehouden en wordt voorkomen dat we de wettelijke voorwaarden herhalen in beleidsregels. Van de voorwaarden die in artikel 78gg, eerste lid, van de wet zijn opgenomen kunnen wij namelijk niet afwijken. Die moeten ook worden getoetst om te kunnen bepalen of sprake is van alleenverdienersproblematiek.
Ook bij de beoordeling van een aanvraag voor een tegemoetkoming gebruiken we de landelijke proefberekening toeslagen. Deze aanvragen kunnen ook tijdens het lopende kalenderjaar worden ingediend. Dat betekent dat het jaarinkomen dan nog niet (definitief) bekend is. In dit artikel wordt uitgewerkt hoe we het jaarinkomen in dat geval berekenen. Ook de aansluiting bij de vermogensgrens van de Belastingdienst voor de zorgtoeslag is in dit artikel geregeld.
We hebben de mogelijkheid om te kiezen of we de tegemoetkoming in één keer of periodiek uitbetalen. Om de uitvoeringslasten te beperken kiezen we ervoor het bedrag in één keer uit te betalen. De verwijzing naar de regeling waarin het bedrag van de tegemoetkoming is opgenomen is instructief van aard. De hoogte wordt jaarlijks op landelijk niveau bepaald.
Het Rijk heeft ingeschat dat de hoogte van de tegemoetkoming voor meer dan 95% van de doelgroep toereikend zal zijn om het gemiste bedrag aan toeslagen te compenseren. Er kunnen dus uitzonderlijke situaties zijn waarin de jaarlijks te ontvangen tegemoetkoming toch niet toereikend is. In dat soort gevallen voorzien deze beleidsregels in de mogelijkheid om aanvullende individuele bijzondere bijstand te verstrekken op aanvraag.
Gelet op het voornemen van het Rijk om vanaf 2028 een structurele oplossing klaar te hebben voor deze problematiek en de opdracht aan gemeenten om over de jaren 2023 tot en met 2027 via 2 fases en regelingen huishoudens met alleenverdienersproblematiek te ondersteunen kent deze regeling een vervaldatum. We hebben gekozen voor 1 januari 2029, omdat de aanvraagmogelijkheid voor de tegemoetkoming en eventuele aanvullende individuele bijzondere bijstand open wordt gesteld tot 31 december 2028. Dit biedt huishoudens de mogelijkheid om nog tot een jaar na afloop van kalenderjaar 2027 een aanvraag te doen voor een tegemoetkoming over 2027 (of eerder). Deze beleidsregels zijn daarmee bedoeld voor een beperkte periode, totdat het Rijk een structurele oplossing heeft ingericht.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-557928.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.