Besluit mandaat en machtiging voor ontheffingen nul-emissiezone gemeente Den Haag 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag,

 

gelet op:

 

  • -

    Artikel 149 eerste lid, onder d van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 87 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990;

  • -

    de artikelen 10:3, 10:4, eerste lid, 10:5, 10:6, eerste lid, 10:9 en 10:11 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    het Verkeersbesluit zero-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto’s Den Haag Centrum zoals dat is vastgesteld bij besluit van 25 juni 2024 gepubliceerd op 1 juli 2024, Gemeenteblad 2024, nr. 285988;

  • -

    het Verkeersbesluit uitbreiding zero-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto's Den Haag kuststrook 2025 zoals dat is vastgesteld bij besluit van 24 juni 2025 gepubliceerd op 30 juni 2025, Gemeenteblad 2025, nr. 282884;

  • -

    de Beleidsregel ontheffingverlening zero-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto's Den Haag 2026 zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 30 september 2025 gepubliceerd 15 oktober 2025, Gemeenteblad 2025, nr. 446071;

 

besluit:

Artikel 1 (begripsbepalingen)

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • -

    Ontheffingenbeleid: Beleidsregel ontheffingverlening zero-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto's Den Haag 2026 zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 30 september 2025 gepubliceerd 15 oktober 2025, Gemeenteblad 2025, nr. 446071;

  • -

    Dienst Wegverkeer: Dienst als bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • -

    Verkeersbesluit: Verkeersbesluit zero-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto’s Den Haag Centrum van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, zoals vastgesteld d.d. 25 juni 2024, gepubliceerd in Gemeenteblad op 1 juli 2024, nr. 285988, en het Verkeersbesluit uitbreiding zero-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto's Den Haag kuststrook 2025 zoals dat is vastgesteld bij besluit van 24 juni 2025 gepubliceerd op 30 juni 2025, Gemeenteblad 205, nr. 282884.

 

Artikel 2 (ontheffingsbesluiten)

  • 1.

    Aan de Dienst Wegverkeer wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met:

    a. het op aanvraag nemen van een besluit om een ontheffing ten aanzien van de bij het Verkeersbesluit ingestelde nul-emissiezone, voor zover passend binnen de artikelen 3 tot en met 12 van het Ontheffingenbeleid, met inachtneming van het Ontheffingenbeleid;

    b. het in ontvangst nemen van een aanvraag en voorbereiden van een besluit om een ontheffing ten aanzien van de bij het Verkeersbesluit ingestelde nul-emissiezone, voor zover passend binnen artikel 13 en 14 van het Ontheffingenbeleid;

    c. het ondertekenen van een besluit van de gemeente als bedoeld onder b, alsmede intrekking van een ontheffing als onder b bedoeld;

    d. het intrekken van ontheffingsbesluiten op basis van het Ontheffingenbeleid genomen in mandaat door de Stedelijk directeur, cluster Ruimte en Economie van de gemeente Amsterdam in de periode van 1 juli 2024 tot 15 september 2025;

    e. alle benodigde feitelijke handelingen behorend tot de onder a en d bedoelde bevoegdheden;

    f. het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld onder a, waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen en behandelen van (hoger) beroep namens de mandaatgever;

    g. het verwerken van de persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van de hiervoor genoemde bevoegdheden en feitelijke handelingen.

 

Artikel 3 ( ondermandaat )

  • 1.

    De Dienst Wegverkeer kan met betrekking tot de bevoegdheden, bedoeld in artikel 2, ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen.

  • 2.

    Tenzij anders is bepaald omvat de verlening van ondermandaat mede de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, mag de beslissing op bezwaar niet in ondermandaat worden genomen door degene die het besluit heeft genomen waartegen het bezwaar is gericht.

  • 4.

    In afwijking van het tweede lid, mag de beslissing op bezwaar niet in ondermandaat worden genomen door degene die in de hiërarchische verhoudingen ressorteert onder degene die het besluit heeft genomen waartegen het bezwaar zich richt.

 

Artikel 4 (intrekking)

  • 1.

    Het Besluit I., Besluit mandaat en machtiging voor ontheffingen nul-emissiezone gemeente Den Haag (bijlage 1) zoals vastgesteld d.d. 1 juli 2025 wordt ingetrokken per 1 januari 2026.

 

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

 

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als Besluit mandaat en machtiging voor ontheffingen nul-emissiezone gemeente Den Haag 2026.

 

Den Haag, 16 december 2025

Het college van burgemeester en wethouders,

 

de secretaris,

Ilma Merx

 

de burgemeester,

Jan van Zanen

 

 

Toelichting

 

Dit besluit is genomen door het college van burgemeester en wethouders omdat zij bevoegd is voor het verlenen van ontheffingen in het kader van nul-emissiezones en het voeren van juridische procedures over deze ontheffingen.

 

Het mandaat wordt verleend voor het besluit over aanvragen voor een zogenaamde landelijke ontheffing. Juridisch is er sprake van een ontheffing die in mandaat voor meedere gemeenten wordt verleend en is derhalve sprake van een bundeling van besluiten in één brief. Hiervoor neemt de Dienst Wegverkeer (RDW) ook de behandeling van bezwaar en beroep op zich.

 

Voor gemeentespecifieke ontheffingen (bedrijfseconomische omstandigheden en de afwijkingsmogelijkheid (hardheidsclausule)) neemt de RDW bij het Centraal Loket de aanvragen alleen in ontvangst, beoordeelt of deze volledig zijn en zendt deze dan ter behandeling door aan de gemeente. De gemeente neemt het besluit waarna de RDW dit besluit in een brief opneemt, ondertekent en zorg draagt voor verzending daarvan. Voor deze besluiten wordt geen mandaat verleend om eventuele bezwaren- en beroepschriften te behandelen. Deze bevoegdheid blijft bij gemeenten.

 

Artikel 3 geeft de RDW de mogelijkheid om aan hem gemandateerde bevoegdheden onder te mandateren aan zijn medewerkers. Zonder deze expliciete toestemming zou dat niet mogelijk zijn (artikel 10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Er wordt ondermandaat verleend aan de verschillende, niet tot elkaar in een hiërarchische verhouding staande, functionarissen voor zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar. Daarmee wordt voldaan aan de voorschriften voortvloeiend uit de Algemene wet bestuursrecht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven