Gemeenteblad van Reusel-De Mierden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Reusel-De Mierden | Gemeenteblad 2025, 557776 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Reusel-De Mierden | Gemeenteblad 2025, 557776 | ander besluit van algemene strekking |
Nota reserves, voorzieningen en afschrijvingsbeleid 2025
In maart 2020 is de huidige nota Reserves, voorzieningen en afschrijvingsbeleid vastgesteld door de raad. De reserves en voorzieningen zoals genoemd in de vorige nota waren niet meer actueel en ook omtrent het afschrijvingenbeleid dient actualisatie plaats te vinden. Dit moment, voordat de nieuwe raadsperiode start, vonden we een gepast tijdstip voor actualisatie van deze nota.
Het opnieuw vastleggen van het beleid voor reserves, voorzieningen en afschrijving is het primaire doel van deze nota. Dit geeft de mogelijkheid om het beleid af te stemmen op hedendaagse omstandigheden en denkbeelden. In ieder geval geeft een geactualiseerde nota een transparant en actueel inzicht in de reserves en voorzieningen die de gemeente tot haar beschikking heeft en op welke wijze investeringen worden afgeschreven.
In hoofdstuk 2 worden begrippen verduidelijkt en wordt relevante regelgeving aangehaald.
De hoofdstukken 3 en 4 gaan in op de spelregels bij respectievelijk de reserves en de voorzieningen.
Hoofdstuk 5 behandelt een aantal aspecten met betrekking tot het weerstandsvermogen van onze gemeente.
Hoofdstuk 6 handelt over het afschrijvingsbeleid.
De beslispunten, die in eerdere hoofdstukken zijn benoemd, worden in hoofdstuk 7 nog een op een rijtje gezet.
In deze nota is gekozen voor beknopte beschrijvingen. Relevante wet- en regelgeving is beknopt weergegeven. In dat licht moet ook worden bedacht dat de beslispunten niet los kunnen worden gezien van de rest van de nota omdat ook de beslispunten beknopt zijn opgenomen.
De artikelen 42 tot en met 45 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) beschrijven de wettelijke kaders voor reserves en voorzieningen. Daarnaast heeft de commissie BBV via notities, stellige uitspraken en richtlijnen het kader verder ingevuld. In onderstaande tabel is het onderscheid tussen de reserves en de voorzieningen samengevat.
Volgens artikel 44 BBV worden voorzieningen gevormd voor:
Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, l onderdeel b (van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren).
Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
Voorzieningen worden gerekend tot het vreemd vermogen. Cumulatieve criteria voor het vormen van een voorziening zijn:
Toevoeging aan en vrijval van voorzieningen vindt plaats ten laste of ten gunste van de exploitatie (niet via resultaatbestemming zoals bij reserves). Onttrekkingen worden rechtstreeks ten laste van de voorziening gebracht.
Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan (artikel 45 BBV).
In het kader van (bestemmings)reserves verdienen de volgende zaken een rol in de afwegingen:
Transparantie: door goed inzicht in de reserves wordt de vrije beleidsruimte beter zichtbaar. Het aantal en de hoogte van de (bestemmings)reserves bepalen de hoeveelheid middelen die in hun besteding worden geblokkeerd, doordat deze vastliggen in bestemmingsreserves. Het vastleggen van middelen in (bestemmings)reserves beperkt de brede inzetbaarheid van die middelen.
Grip: het budgetrecht van de raad dient zo goed mogelijk tot zijn recht te komen. Dat betekent dat de gemeenteraad bepaalt hoe reserves worden ingezet (wettelijk is al bepaald dat de raad besluit tot het instellen, aanwenden en/of opheffen van reserves). Leidend principe voor de beoordeling van benodigde middelen in een reserve is de aanwezigheid van een door de raad vastgesteld plan dan wel het bestaan van een achterliggende verplichting die qua omvang onzeker is maar wel in te schatten is.
Integrale afweging: de raad moet in staat worden gesteld zo integraal mogelijk af te wegen waaraan de beschikbare gelden worden besteed. De beslissing om voor een bepaald doel geld uit te geven valt anders uit wanneer voor dat doel (in het verleden) een bestemmingsreserve is gevormd dan wanneer de gelden uit de lopende exploitatie moeten worden gehaald. Enerzijds kan het een terechte constatering zijn dat de bestemmingsreserve voor dat doel gevormd is en dat het dus terecht is dat de gelden besteed worden. Anderzijds kan het zijn dat een integrale afweging op het moment van besteding tot andere keuzes zou leiden omdat de omstandigheden gewijzigd zijn in vergelijking met het moment waarop de reserve gevormd is. In dit verband wordt de term “mental accounting” wel eens gebezigd.
Koppeling tussen lasten en nut: een algemeen uitgangspunt onder de gemeentelijke financiën is dat de lasten gedragen worden door de generatie die daar nut van heeft. Daarom kennen gemeenten het stelsel van baten en lasten en niet bijvoorbeeld het kasstelsel. Deze lijn volgend, ligt het minder voor de hand om nu reserves te vormen voor voorzieningen die pas later worden gerealiseerd. Dan betalen de huidige inwoners immers voor voorzieningen, waarvan zij nu geen nut hebben.
De voorgaande zaken afwegende, is het een logische conclusie om het aantal (en de hoogte van) bestemmingsreserves zoveel mogelijk te beperken, want:
Echter, er zijn ook situaties waar een bestemmingsreserve een goed middel kan zijn om doelen te bereiken. Bijvoorbeeld als subsidies of bijdragen van derden verkregen worden, kan het vastleggen van die middelen in een bestemmingsreserve een goed middel zijn om te borgen dat de middelen ook besteed worden conform het doel van degene die de middelen heeft verstrekt. Dat zou ook kunnen zijn in de vorm van een bestemmingsreserve voor de afschrijvingslast van een actief, waarvoor ooit een eenmalige bijdrage is verkregen. Met een bestemmingsreserve kan dan de afschrijving op het actief conform het afschrijvingsbeleid plaatsvinden, maar kan het beslag op de begrotingsruimte worden beperkt door die lasten te dekken uit een bestemmingsreserve afschrijving.
De commissie BBV adviseert om geen rente toe te voegen aan (bestemmings)reserves. Dat is ook de lijn die in onze gemeente al jaren wordt gehanteerd. Veelal zal dit betekenen dat bij de bepaling van de hoogte van bestemmingsreserves, die meerdere jaren lopen, gerekend moet worden met inflatie.
Voorgesteld wordt om bij het instellen van bestemmingsreserves de volgende criteria te hanteren:
In beginsel kunnen onttrekkingen aan een bestemmingsreserve alleen plaatsvinden op basis van een raadsbesluit. Om praktische redenen kan ervoor gekozen worden de bestedingsbevoegdheid in eerste aanleg bij burgemeester en wethouders te beleggen met de verplichting tot expliciete verantwoording achteraf in de jaarrekening (en eventueel tussentijds in bestuursrapportages).
Het aantal bestemmingsreserves alsmede de hoogte en de looptijd daarvan wordt zo klein mogelijk gehouden.
Bij het instellen van bestemmingsreserves worden de volgende criteria gehanteerd:
Het doel waarvoor de reserve wordt gevormd.
De maximale omvang van de bestemmingsreserve.
De omvang en de wijze van stortingen en onttrekkingen, inclusief onderbouwing daarvan, bijvoorbeeld op basis van een (meerjaren)planning.
Ten aanzien van voorzieningen is er in beperkte mate beleidsvrijheid voor de gemeente. In een aantal gevallen moeten voorzieningen worden getroffen als een daarvoor bepalende situatie zich voordoet.
Artikel 44 van het BBV zegt daarover:
Voorbeelden bij dit artikel zijn:
In deze gevallen schrijft het BBV dus voor dat een voorziening moet worden gevormd en dat de voorziening gelijk moet zijn aan de hoogte van de berekende c.q. ingeschatte verplichtingen, verliezen en/of kosten.
Onze gemeente kent geen voorzieningen als bedoeld in lid 2 van artikel 44 BBV.
Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn op basis van artikel 45 BBV niet toegestaan.
4.2 Onderbouwing voorzieningen
De beleidsruimte die een gemeente heeft, ligt in de keuze om in sommige gevallen wel of geen voorziening te hanteren. Zo is er op zichzelf geen verplichting om een voorziening onderhoud wegen of een voorziening onderhoud gebouwen aan te houden. De enige plicht die de gemeente heeft, is om voldoende onderhoudsmiddelen in de begroting op te nemen. De reden om dat via dotaties aan een onderhoudsvoorziening vorm te geven, is gelegen in het feit dat op deze wijze schommelingen in de ramingen worden voorkomen. Zonder voorziening zou bijvoorbeeld het onderhoudsbudget voor een gemeentehuis een piek vertonen in een jaar dat het gebouw volledig geschilderd dient te worden. Ook als niet gewerkt wordt met onderhoudsvoorzieningen, zal de gemeente aantoonbaar moeten maken hoe hoog de noodzakelijke onderhoudsbudgetten moeten zijn (door middel van bijvoorbeeld een meerjarig onderhoudsplan). Ook als niet met een (reguliere) onderhoudsvoorziening wordt gewerkt, kan er dus tóch een verplichting ontstaan voor een voorziening achterstallig onderhoud.
Van belang is verder nog een zgn. “stellige uitspraak” van de commissie BBV, inhoudende: “Voorzieningen die vooraf worden gevormd om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen over meerdere begrotingsjaren, kunnen alleen met instemming van de raad ingesteld en gevoed worden op basis van een recent beheerplan.”
Een stellige uitspraak moet verplicht opgevolgd worden en heeft dus dezelfde status als wet- en regelgeving.
Voorgesteld wordt om, voor zover er beleidsvrijheid bestaat, voor voorzieningen een gelijksoortige lijn te volgen als bij bestemmingsreserves, te weten geen niet verplichte voorzieningen tenzij daar een goede reden voor is, zoals het egaliseren van sterk fluctuerende (onderhouds)budgetten, waarvan de hoogte goed kan worden onderbouwd. Dit betekent dat géén voorziening wordt ingesteld indien de hoogte slechts op basis van zeer algemene uitgangspunten kan worden benaderd. Instelling geschiedt met instemming van de raad.
5. Weerstandsvermogen en risicoprofiel
Tot dusverre heeft onze gemeente altijd een minimumniveau voor de algemene reserve gehanteerd gelijk aan de hoogte van de gekwantificeerde risico’s. Dat is ook een wettelijke eis.
Veel gemeenten hanteren echter een weerstandsratio, zijnde de weerstandscapaciteit gedeeld door de som van de gekwantificeerde risico’s. De Universiteit van Twente heeft daar ooit normen voor opgesteld, welke binnen Nederlandse overheidsorganisaties inmiddels breed gedragen worden. De gangbare kwalificaties zijn in onderstaande tabel weergegeven, waarbij een ratio tussen 1,0 en 1,4 als voldoende wordt gekwalificeerd.
Deze ratio’s krijgen nog méér betekenis, door daar een eigen normering aan te koppelen. Die normering is dan ingegeven vanuit de zorg voor een gezond financieel beleid, ook op de langere termijn. Daarmee wordt bedoeld dat er op zichzelf niks op tegen is om in goede tijden reserves op te bouwen en die vervolgens in te zetten in tijden waarin dat nodig is. Maar het inzetten van reserves moet ook een beetje binnen de perken blijven omdat ook op de langere termijn sprake moet blijven van een gezonde financiële huishouding. Reserves met een zeer minimale omvang passen in dat kader dan minder goed. Daarbij moet altijd bedacht worden dat er een bepaald verband is tussen de weerstandsratio en de solvabiliteitsratio. Een matige solvabiliteit is minder erg in combinatie met een ruim voldoende weerstandsratio. Anders en sterk vereenvoudigd samengevat zou je kunnen stellen dat een hoge leningenportefeuille minder kwalijk is in combinatie met een hoog reserveniveau.
Een norm zou kunnen zijn dat gestreefd wordt naar een ratio van 1,8. Zodra de gemeente onder die grens zakt, kunnen géén voorstellen meer worden gedaan waarbij dekking plaatsvindt vanuit de algemene reserve. Op die manier wordt een eigen norm afgedwongen, welke ook in het kader van het rechtmatigheidsoordeel van de accountant een rol gaat spelen. Vanuit een voorzichtig financieel beleid is een ratio van 1,8 goed te verdedigen. Daarbij moet worden bedacht dat de inschatting en kwantificering van risico’s geen exacte wetenschap is. Daardoor is een zekere mate van “bandbreedte” vanuit een oogpunt van gezond en voorzichtig financieel beleid zeker aan te bevelen. Ook omdat nieuwe risico’s zeer plotseling kunnen ontstaan, is een bepaalde bandbreedte aan te bevelen. Een ratio van 1,8 komt daaraan tegemoet.
5.2 Wijze van risicoberekening
Risico’s moeten zoveel mogelijk gekwantificeerd worden. Dat is niet altijd mogelijk, maar in het algemeen zou bij risico’s enerzijds een inschatting kunnen worden gemaakt van het (maximale) bedrag wat aan het risico verbonden is en anderzijds een inschatting van de kans waarop het risico zich zal voordoen. De weerstandscapaciteit kan dan berekend worden door: bedrag van het risico x kans = weerstandscapaciteit.
Bepalen dat voor de minimale omvang van de algemene reserves wordt uitgegaan van een ratio van 1,8, waarbij tevens wordt bepaald dat wanneer de weerstandscapaciteit zakt onder de ratio van 1,8 het niet meer toegestaan is om voorstellen te doen die voorzien in dekking ten laste van de algemene reserve.
Bij de berekening van risico’s zoveel mogelijk uit te gaan van inschattingen ten aanzien het
(maximale) bedrag van het risico vermenigvuldigd met de kans op voordoen.
Artikel 59 van het BBV stelt dat alle investeringen worden geactiveerd (met uitzondering van kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde). Daarmee ligt de basis vast, te weten dat wil zeggen dat op alle investeringen moet worden afgeschreven.
Investering: Een investering is een bedrijfsmiddel waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.
Activering: De investering wordt boekhoudkundig geregistreerd als een vast actief (zoals materiële of immateriële vaste activa).
Afschrijving: De waarde van het bedrijfsmiddel neemt in de loop van de tijd af, wat boekhoudkundig wordt bijgehouden door middel van afschrijvingen
Het BBV stelt dat afgeschreven wordt op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs is de inkoopprijs plus de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Ook een redelijk deel van de indirecte kosten kan aan de vervaardiging worden toegerekend.
Artikel 64 BBV stelt dat afschrijving geschiedt ongeacht het resultaat van het boekjaar en dat afschrijving behoudens gegronde, in de balans toe te lichten redenen, moet plaatsvinden op basis van dezelfde grondslagen als in het voorafgaande jaar. Op activa met een beperkte gebruiksduur wordt afgeschreven op basis van een stelsel dat is afgestemd op verwachte toekomstige gebruiksduur. Om die reden wordt op gronden niet afgeschreven (de waarde van grond verandert niet door de gebruiksduur).
De notitie “Raamwerk BBV: stelsel van baten en lasten” (de grondslag voor het BBV) geeft aan dat de grondslagen stelselmatig moeten worden toegepast (stelselmatigheidsvereiste).
Hoewel in het BBV en in de daarop gebaseerde notities veel meer is bepaald over activeren, waarderen en afschrijven, zijn de belangrijkste zaken in relatie tot deze nota weergegeven.
6.2 Afschrijvingsmethoden en -termijnen
Alle investeringen worden geactiveerd. Aan de basis van dit uitgangspunt ligt de gedachte dat de waarde van een actief (bezitting, investering) doorgaans zal verminderen naarmate de tijd verstrijkt en het langer gebruikt wordt. Door middel van afschrijving wordt die waardevermindering tot uitdrukking gebracht en ten laste gebracht van de exploitatie.
Er zijn twee methoden van afschrijving, te weten lineair of annuïtair. Omdat er een consistente afschrijvingsmethodiek dient te worden gehanteerd, moet dus gekozen worden voor óf lineaire afschrijving óf annuïtaire afschrijving.
Bij lineaire afschrijving wordt periodiek (bijv. jaarlijks) een gelijk bedrag afgeschreven (de annuïteit). Per periode dalen de kapitaallasten omdat de rente berekend wordt over de boekwaarde, die steeds afneemt.
Bij de annuïtaire methode is de som van rente en afschrijving per periode gelijk. Ook hier wordt de rente berekend over de boekwaarde, maar de hoogte van de afschrijving wordt bepaald door het verschil tussen de annuïteit en de rente. De rente neemt dus af naarmate de tijd vordert, terwijl de afschrijving met dezelfde bedrag toeneemt.
Onze gemeente hanteert de lineaire methode.
Afschrijving geschiedt op basis van de verwachte toekomstige gebruiksduur. Per soort investering wordt één afschrijvingstermijn gehanteerd (stelselmatigheidsvereiste). Om redenen van eenvoud kiezen wij ervoor om het aantal verschillende afschrijvingstermijnen te beperken. De volgende afschrijvingstermijnen gelden op dit moment:
De afschrijvingstermijnen worden consequent gehanteerd. Desalniettemin zijn er situaties denkbaar, waarin de vastgestelde termijn niet als passend wordt gezien. In bijzondere gevallen zijn afwijkende afschrijvingstermijnen denkbaar, mits daartoe vooraf en gemotiveerd door de raad wordt besloten.
Bij investeringen wordt in beginsel voor één afschrijvingstermijn gekozen, maar in sommige situaties is een componentenbenadering denkbaar. Dat kan zich voordoen bij een investering, die te splitsen zou zijn in componenten met verschillende afschrijvingstermijnen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning. Daarin zit ook een cv-ketel. Dan zou ervoor gekozen kunnen worden om de woning in 40 jaren af te schrijven en de cv-ketel als technische installatie in 15 jaren. Het geniet de voorkeur om zoveel mogelijk één afschrijvingstermijn te hanteren (dus geen componentenbenadering). De vervanging van componenten dient dan via onderhoudsbudgetten te verlopen. Als de componentenbenadering wel wordt toegepast, dient dat goed gemotiveerd bij de vaststelling van het krediet te worden besloten.
Indien de aanschaf- of vervaardigingsprijs lager is dan € 20.000, wordt op een investering niet afgeschreven.
De praktijk leert dat het de voorkeur verdient om ten aanzien van kunststof sportvelden en -banen onderscheid aan te brengen in ondergronden en toplagen.
De volledige kapitaallasten wordt verwerkt in de begroting vanaf het jaar na beschikbaar stellen van krediet.
Werkelijke afschrijving geschiedt vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt, dan wel verworven wordt.
De renteberekening vindt plaats over de boekwaarde per 31 december van elk boekjaar.
Dit betreft een stelselwijziging ten opzichte van de vorige nota en moet volgens een stellige uitspraak van BBV uiterlijk vastgesteld worden voor 31 december van het desbetreffende begrotingsjaar door de raad.
De financiële gevolgen van een stelsel- of schattingswijziging dienen, tezamen met de vaststelling van de gewijzigde financiële verordening in de begroting, verwerkt te worden.
Voor zover in deze nota nieuwe afschrijvingsmethoden zijn bepaald, worden deze uitsluitend toegepast op nieuwe investeringen en hebben deze dus geen invloed op investeringen uit het verleden.
Bepalen dat voor de minimale omvang van de algemene reserves wordt uitgegaan van een ratio van 1,8, waarbij tevens wordt bepaald dat wanneer de weerstandscapaciteit zakt onder de ratio van 1,8 het niet meer toegestaan is om voorstellen te doen die voorzien in dekking ten laste van de algemene reserve.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-557776.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.