Nota reserves, voorzieningen en afschrijvingsbeleid 2025

Inhoud

 

1. Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Doelstelling

1.3 Wettelijk kader

1.4 Leeswijzer

2. Begrippen en regelgeving

2.1 Algemeen

2.2 Reserves

2.3 Voorzieningen

3. Reserves

3.1 Algemene reserve

3.2 Bestemmingsreserves

4. Voorzieningen

4.1 Voorschriften BBV

4.2 Onderbouwing voorzieningen

5. Weerstandsvermogen en risicoprofiel

5.1 Weerstandsratio’s

5.2 Wijze van risicoberekening

6. Afschrijving investeringen

6.1 Algemeen

6.2 Afschrijvingsmethoden en -termijnen

7. Beslispunten

1. Inleiding

 

 

1.1 Aanleiding

In maart 2020 is de huidige nota Reserves, voorzieningen en afschrijvingsbeleid vastgesteld door de raad. De reserves en voorzieningen zoals genoemd in de vorige nota waren niet meer actueel en ook omtrent het afschrijvingenbeleid dient actualisatie plaats te vinden. Dit moment, voordat de nieuwe raadsperiode start, vonden we een gepast tijdstip voor actualisatie van deze nota.

De ingangsdatum voor deze nota is 1 januari 2025.

 

1.2 Doelstelling

Het opnieuw vastleggen van het beleid voor reserves, voorzieningen en afschrijving is het primaire doel van deze nota. Dit geeft de mogelijkheid om het beleid af te stemmen op hedendaagse omstandigheden en denkbeelden. In ieder geval geeft een geactualiseerde nota een transparant en actueel inzicht in de reserves en voorzieningen die de gemeente tot haar beschikking heeft en op welke wijze investeringen worden afgeschreven.

 

1.3 Wettelijk kader

Een nota als deze is primair bedoeld als kaderstellend instrument voor de gemeenteraad. De nota is een uitwerking van artikel 212 van de Gemeentewet en de artikelen 14 en 15 van de Financiële verordening 2025.

 

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden begrippen verduidelijkt en wordt relevante regelgeving aangehaald.

 

De hoofdstukken 3 en 4 gaan in op de spelregels bij respectievelijk de reserves en de voorzieningen.

 

Hoofdstuk 5 behandelt een aantal aspecten met betrekking tot het weerstandsvermogen van onze gemeente.

 

Hoofdstuk 6 handelt over het afschrijvingsbeleid.

 

De beslispunten, die in eerdere hoofdstukken zijn benoemd, worden in hoofdstuk 7 nog een op een rijtje gezet.

 

In deze nota is gekozen voor beknopte beschrijvingen. Relevante wet- en regelgeving is beknopt weergegeven. In dat licht moet ook worden bedacht dat de beslispunten niet los kunnen worden gezien van de rest van de nota omdat ook de beslispunten beknopt zijn opgenomen.

 

 

2. Begrippen en regelgeving

 

 

2.1 Algemeen

De artikelen 42 tot en met 45 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) beschrijven de wettelijke kaders voor reserves en voorzieningen. Daarnaast heeft de commissie BBV via notities, stellige uitspraken en richtlijnen het kader verder ingevuld. In onderstaande tabel is het onderscheid tussen de reserves en de voorzieningen samengevat.

 

 

Reserve

Voorziening

Verantwoordelijkheid

Raad is bevoegd voor de instelling, stortingen in en onttrekkingen uit reserves

Voorzieningen zijn soms wettelijk verplicht. Voor zover daarin vrijheid bestaat bepalen door de raad vastgestelde regels de bevoegdheden. Toevoegingen en onttrekkingen vloeien voort uit de voorziening op zichzelf.

Hoogte

Algemene reserve: minimaal gelijk aan de gekwantificeerde risico’s; geen maximum.

Bestemmingsreserve: vrij te bepalen (met uitzondering van bestemmingsreserve voor afschrijvingslasten)

Hoogte wordt bepaald door de verplichtingen.

Wijzigen bestemming c.q. bestedingsdoel

Mogelijk bij bestemmingsreserves

Niet mogelijk

Vermogenspositie

Eigen vermogen

Vreemd vermogen

Onttrekking/toevoeging

Via resultaatbestemming dan wel expliciete besluitvorming door de raad

Directe onttrekkingen ten laste van voorzieningen via de exploitatie

Onderbouwing

Geen verplichte onderbouwing. Wel onderbouwing van minimumniveau algemene reserve via kwantificering van risico’s

Verplichte actuele onderbouwing van de (restant)voorziening en de benodigde (jaarlijkse) dotaties

 

 

2.2 Reserves

De reserves behoren samen met het resultaat na bestemming (volgend uit de jaarrekening) tot het eigen vermogen (artikel 42 BBV).

 

Op basis van artikel 43 BBV zijn er twee soorten reserves: de algemene reserves en de bestemmingsreserves.

 

  • 1.

    De algemene reserves: het deel van de reserves waaraan geen specifieke bestemming is gegeven.

 

  • 2.

    Bestemmingsreserves zijn reserves waar de raad een bepaalde bestemming aan heeft gegeven.

 

 

 

2.3 Voorzieningen

Volgens artikel 44 BBV worden voorzieningen gevormd voor:

  • 1.

    verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;

  • 2.

    op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

  • 3.

    kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;

  • 4.

    de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b van het BBV.

 

Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, l onderdeel b (van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren).

 

Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.

 

Voorzieningen worden gerekend tot het vreemd vermogen. Cumulatieve criteria voor het vormen van een voorziening zijn:

  • 1.

    een risico of verplichting;

  • 2.

    ontstaan voor of op balansdatum;

  • 3.

    het tijdstip van optreden is onzeker en

  • 4.

    de omvang is redelijkerwijs in te schatten.

 

Toevoeging aan en vrijval van voorzieningen vindt plaats ten laste of ten gunste van de exploitatie (niet via resultaatbestemming zoals bij reserves). Onttrekkingen worden rechtstreeks ten laste van de voorziening gebracht.

Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan (artikel 45 BBV).

 

3. Reserves

 

 

3.1 Algemene reserve

Binnen de gemeente is het gebruikelijk om de algemene reserve te splitsen in twee delen, te weten:

 

  • Niet besteedbaar deel ter afdekking van risico’s;

  • Vrij besteedbaar deel.

 

De hoogte van het niet besteedbaar deel ter afdekking van risico’s wordt hierbij berekend op basis van weerstandsratio’s. Een nadere beschrijving treft u aan in hoofdstuk 5 van deze nota.

 

  • De algemene reserve bestaat uit een niet besteedbare risicoreserve ter hoogte van de gekwantificeerde risico’s vermenigvuldigd met de vastgestelde ratio en uit een vrij besteedbare algemene reserve.

  • De minimale en de gewenste omvang van de algemene reserves wordt bepaald op basis van weerstandsratio’s (zie hoofdstuk 5), waarbij de gekwantificeerde risico’s blijken uit de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing in de meest recente jaarrekening of begroting.

 

3.2 Bestemmingsreserves

 

In het kader van (bestemmings)reserves verdienen de volgende zaken een rol in de afwegingen:

Transparantie: door goed inzicht in de reserves wordt de vrije beleidsruimte beter zichtbaar. Het aantal en de hoogte van de (bestemmings)reserves bepalen de hoeveelheid middelen die in hun besteding worden geblokkeerd, doordat deze vastliggen in bestemmingsreserves. Het vastleggen van middelen in (bestemmings)reserves beperkt de brede inzetbaarheid van die middelen.

Grip: het budgetrecht van de raad dient zo goed mogelijk tot zijn recht te komen. Dat betekent dat de gemeenteraad bepaalt hoe reserves worden ingezet (wettelijk is al bepaald dat de raad besluit tot het instellen, aanwenden en/of opheffen van reserves). Leidend principe voor de beoordeling van benodigde middelen in een reserve is de aanwezigheid van een door de raad vastgesteld plan dan wel het bestaan van een achterliggende verplichting die qua omvang onzeker is maar wel in te schatten is.

Integrale afweging: de raad moet in staat worden gesteld zo integraal mogelijk af te wegen waaraan de beschikbare gelden worden besteed. De beslissing om voor een bepaald doel geld uit te geven valt anders uit wanneer voor dat doel (in het verleden) een bestemmingsreserve is gevormd dan wanneer de gelden uit de lopende exploitatie moeten worden gehaald. Enerzijds kan het een terechte constatering zijn dat de bestemmingsreserve voor dat doel gevormd is en dat het dus terecht is dat de gelden besteed worden. Anderzijds kan het zijn dat een integrale afweging op het moment van besteding tot andere keuzes zou leiden omdat de omstandigheden gewijzigd zijn in vergelijking met het moment waarop de reserve gevormd is. In dit verband wordt de term “mental accounting” wel eens gebezigd.

Koppeling tussen lasten en nut: een algemeen uitgangspunt onder de gemeentelijke financiën is dat de lasten gedragen worden door de generatie die daar nut van heeft. Daarom kennen gemeenten het stelsel van baten en lasten en niet bijvoorbeeld het kasstelsel. Deze lijn volgend, ligt het minder voor de hand om nu reserves te vormen voor voorzieningen die pas later worden gerealiseerd. Dan betalen de huidige inwoners immers voor voorzieningen, waarvan zij nu geen nut hebben.

De voorgaande zaken afwegende, is het een logische conclusie om het aantal (en de hoogte van) bestemmingsreserves zoveel mogelijk te beperken, want:

  • Hoe meer middelen vastgelegd zijn in bestemmingsreserves hoe minder breed die middelen inzetbaar zijn;

  • De aanwezigheid van bestemmingsreserves beperkt de integrale afweging bij de besteding van middelen.

 

Echter, er zijn ook situaties waar een bestemmingsreserve een goed middel kan zijn om doelen te bereiken. Bijvoorbeeld als subsidies of bijdragen van derden verkregen worden, kan het vastleggen van die middelen in een bestemmingsreserve een goed middel zijn om te borgen dat de middelen ook besteed worden conform het doel van degene die de middelen heeft verstrekt. Dat zou ook kunnen zijn in de vorm van een bestemmingsreserve voor de afschrijvingslast van een actief, waarvoor ooit een eenmalige bijdrage is verkregen. Met een bestemmingsreserve kan dan de afschrijving op het actief conform het afschrijvingsbeleid plaatsvinden, maar kan het beslag op de begrotingsruimte worden beperkt door die lasten te dekken uit een bestemmingsreserve afschrijving.

 

De commissie BBV adviseert om geen rente toe te voegen aan (bestemmings)reserves. Dat is ook de lijn die in onze gemeente al jaren wordt gehanteerd. Veelal zal dit betekenen dat bij de bepaling van de hoogte van bestemmingsreserves, die meerdere jaren lopen, gerekend moet worden met inflatie.

 

Voorgesteld wordt om bij het instellen van bestemmingsreserves de volgende criteria te hanteren:

  • Een bestemmingsreserve wordt ingesteld voor een concreet, in principe binnen een vooraf bepaalde

  • tijd te realiseren en door de raad vast te stellen doel.

  • Het instellen van reserves dient bij raadsbesluit plaats te vinden.

  • Behoudens uitzonderingen wordt voor iedere bestemmingsreserve door de raad vastgesteld:

    • Het doel waarvoor de reserve wordt gevormd.

    • Het motief voor instelling.

    • De maximale omvang van de bestemmingsreserve.

    • De omvang en de wijze van stortingen en onttrekkingen, inclusief onderbouwing daarvan, bijvoorbeeld op basis van een (meerjaren)planning 1).

    • De einddatum van de reserve 2).

    • Er wordt geen rente toegevoegd aan reserves.

 

  • Bij de instelling van bestemmingsreserves geldt het uitgangspunt dat het aantal, looptijd en hoogte van bestemmingsreserves tot een minimum wordt beperkt. Dus geen bestemmingsreserve instellen tenzij daar bijzondere reden toe is (ter beoordeling door de raad).

 

  • 1.

    In beginsel kunnen onttrekkingen aan een bestemmingsreserve alleen plaatsvinden op basis van een raadsbesluit. Om praktische redenen kan ervoor gekozen worden de bestedingsbevoegdheid in eerste aanleg bij burgemeester en wethouders te beleggen met de verplichting tot expliciete verantwoording achteraf in de jaarrekening (en eventueel tussentijds in bestuursrapportages).

  • 2.

    De einddatum van een reserve kan geduid worden door een expliciete datum, maar kan ook bepaald worden door het moment waarop het onderliggende doel is bereikt (bijv. bij een bestemmingsreserve afschrijving is het logisch dat de reserve vervalt nadat de laatste afschrijving heeft plaatsgevonden).

Het aantal bestemmingsreserves alsmede de hoogte en de looptijd daarvan wordt zo klein mogelijk gehouden.

Bij het instellen van bestemmingsreserves worden de volgende criteria gehanteerd:

  • Een bestemmingsreserve wordt ingesteld voor een concreet, in principe binnen een vooraf bepaalde tijd te realiseren en door de raad vast te stellen doel.

  • Het instellen van reserves dient bij raadsbesluit plaats te vinden.

  • Behoudens uitzonderingen wordt voor iedere bestemmingsreserve door de raad vastgesteld:

Het doel waarvoor de reserve wordt gevormd.

Het motief voor instelling.

De maximale omvang van de bestemmingsreserve.

De omvang en de wijze van stortingen en onttrekkingen, inclusief onderbouwing daarvan, bijvoorbeeld op basis van een (meerjaren)planning.

De einddatum van de reserve.

  • Een minimumbedrag bij instellen van de reserve van € 80.000,-.

  • Een minimumbedrag gedurende de looptijd van € 20.000,- waaronder de reserve in principe vrijvalt op balansdatum. (behalve bij reserves voor afschrijvingslasten)

Er wordt geen rente toegevoegd aan reserves.

 

4. Voorzieningen

 

 

4.1 Voorschriften BBV

Ten aanzien van voorzieningen is er in beperkte mate beleidsvrijheid voor de gemeente. In een aantal gevallen moeten voorzieningen worden getroffen als een daarvoor bepalende situatie zich voordoet.

Artikel 44 van het BBV zegt daarover:

  • 1.

    Voorzieningen worden gevormd wegens:

    • a.

      verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;

    • b.

      op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

    • c.

      kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;

    • d.

      de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.

  • 2.

    Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b.

  • 3.

    Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.

 

Voorbeelden bij dit artikel zijn:

  • de voorziening wachtgelden (lid 1 onder a);

  • de voorziening nadelige saldi grondexploitatie (lid 1 onder b);

  • de voorziening onderhoud gebouwen (lid 1 onder c);

  • geen voorbeelden in begroting van onze gemeente (artikel 1 onder d).

In deze gevallen schrijft het BBV dus voor dat een voorziening moet worden gevormd en dat de voorziening gelijk moet zijn aan de hoogte van de berekende c.q. ingeschatte verplichtingen, verliezen en/of kosten.

Onze gemeente kent geen voorzieningen als bedoeld in lid 2 van artikel 44 BBV.

 

Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn op basis van artikel 45 BBV niet toegestaan.

 

4.2 Onderbouwing voorzieningen

De beleidsruimte die een gemeente heeft, ligt in de keuze om in sommige gevallen wel of geen voorziening te hanteren. Zo is er op zichzelf geen verplichting om een voorziening onderhoud wegen of een voorziening onderhoud gebouwen aan te houden. De enige plicht die de gemeente heeft, is om voldoende onderhoudsmiddelen in de begroting op te nemen. De reden om dat via dotaties aan een onderhoudsvoorziening vorm te geven, is gelegen in het feit dat op deze wijze schommelingen in de ramingen worden voorkomen. Zonder voorziening zou bijvoorbeeld het onderhoudsbudget voor een gemeentehuis een piek vertonen in een jaar dat het gebouw volledig geschilderd dient te worden. Ook als niet gewerkt wordt met onderhoudsvoorzieningen, zal de gemeente aantoonbaar moeten maken hoe hoog de noodzakelijke onderhoudsbudgetten moeten zijn (door middel van bijvoorbeeld een meerjarig onderhoudsplan). Ook als niet met een (reguliere) onderhoudsvoorziening wordt gewerkt, kan er dus tóch een verplichting ontstaan voor een voorziening achterstallig onderhoud.

 

Van belang is verder nog een zgn. “stellige uitspraak” van de commissie BBV, inhoudende: “Voorzieningen die vooraf worden gevormd om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen over meerdere begrotingsjaren, kunnen alleen met instemming van de raad ingesteld en gevoed worden op basis van een recent beheerplan.”

Een stellige uitspraak moet verplicht opgevolgd worden en heeft dus dezelfde status als wet- en regelgeving.

 

Voorgesteld wordt om, voor zover er beleidsvrijheid bestaat, voor voorzieningen een gelijksoortige lijn te volgen als bij bestemmingsreserves, te weten geen niet verplichte voorzieningen tenzij daar een goede reden voor is, zoals het egaliseren van sterk fluctuerende (onderhouds)budgetten, waarvan de hoogte goed kan worden onderbouwd. Dit betekent dat géén voorziening wordt ingesteld indien de hoogte slechts op basis van zeer algemene uitgangspunten kan worden benaderd. Instelling geschiedt met instemming van de raad.

 

  • Het instellen van een niet verplichte voorziening vindt uitsluitend plaats door c.q. met instemming van de raad ter egalisering van sterk fluctuerende (onderhouds)budgetten of om andere zeer dringende reden.

  • De hoogte van elke voorziening dient deugdelijk te worden onderbouwd.

 

 

 

5. Weerstandsvermogen en risicoprofiel

 

 

5.1 Weerstandsratio’s

Tot dusverre heeft onze gemeente altijd een minimumniveau voor de algemene reserve gehanteerd gelijk aan de hoogte van de gekwantificeerde risico’s. Dat is ook een wettelijke eis.

 

Veel gemeenten hanteren echter een weerstandsratio, zijnde de weerstandscapaciteit gedeeld door de som van de gekwantificeerde risico’s. De Universiteit van Twente heeft daar ooit normen voor opgesteld, welke binnen Nederlandse overheidsorganisaties inmiddels breed gedragen worden. De gangbare kwalificaties zijn in onderstaande tabel weergegeven, waarbij een ratio tussen 1,0 en 1,4 als voldoende wordt gekwalificeerd.

 

Waardering

Ratio weerstandsvermogen

Kwalificatie

A

Groter dan 2,0

Uitstekend

B

1,4 tot 2,0

Ruim voldoende

C

1,0 tot 1,4

Voldoende

D

0,8 tot 1,0

Matig

E

0,6 tot 0,8

Onvoldoende

F

Kleiner dan 0,6

Ruim onvoldoende

 

Deze ratio’s krijgen nog méér betekenis, door daar een eigen normering aan te koppelen. Die normering is dan ingegeven vanuit de zorg voor een gezond financieel beleid, ook op de langere termijn. Daarmee wordt bedoeld dat er op zichzelf niks op tegen is om in goede tijden reserves op te bouwen en die vervolgens in te zetten in tijden waarin dat nodig is. Maar het inzetten van reserves moet ook een beetje binnen de perken blijven omdat ook op de langere termijn sprake moet blijven van een gezonde financiële huishouding. Reserves met een zeer minimale omvang passen in dat kader dan minder goed. Daarbij moet altijd bedacht worden dat er een bepaald verband is tussen de weerstandsratio en de solvabiliteitsratio. Een matige solvabiliteit is minder erg in combinatie met een ruim voldoende weerstandsratio. Anders en sterk vereenvoudigd samengevat zou je kunnen stellen dat een hoge leningenportefeuille minder kwalijk is in combinatie met een hoog reserveniveau.

 

Een norm zou kunnen zijn dat gestreefd wordt naar een ratio van 1,8. Zodra de gemeente onder die grens zakt, kunnen géén voorstellen meer worden gedaan waarbij dekking plaatsvindt vanuit de algemene reserve. Op die manier wordt een eigen norm afgedwongen, welke ook in het kader van het rechtmatigheidsoordeel van de accountant een rol gaat spelen. Vanuit een voorzichtig financieel beleid is een ratio van 1,8 goed te verdedigen. Daarbij moet worden bedacht dat de inschatting en kwantificering van risico’s geen exacte wetenschap is. Daardoor is een zekere mate van “bandbreedte” vanuit een oogpunt van gezond en voorzichtig financieel beleid zeker aan te bevelen. Ook omdat nieuwe risico’s zeer plotseling kunnen ontstaan, is een bepaalde bandbreedte aan te bevelen. Een ratio van 1,8 komt daaraan tegemoet.

 

5.2 Wijze van risicoberekening

Risico’s moeten zoveel mogelijk gekwantificeerd worden. Dat is niet altijd mogelijk, maar in het algemeen zou bij risico’s enerzijds een inschatting kunnen worden gemaakt van het (maximale) bedrag wat aan het risico verbonden is en anderzijds een inschatting van de kans waarop het risico zich zal voordoen. De weerstandscapaciteit kan dan berekend worden door: bedrag van het risico x kans = weerstandscapaciteit.

 

Voor de weerstandscapaciteit te werken met weerstandsratio’s

A

groter dan 2,0

Uitstekend

B

1,4 tot 2,0

Ruim voldoende

C

1,0 tot 1,4

Voldoende

D

0,8 tot 1,0

Matig

E

0,6 tot 0,8

Onvoldoende

F

lager dan 0,6

Ruim onvoldoende

 

Bepalen dat voor de minimale omvang van de algemene reserves wordt uitgegaan van een ratio van 1,8, waarbij tevens wordt bepaald dat wanneer de weerstandscapaciteit zakt onder de ratio van 1,8 het niet meer toegestaan is om voorstellen te doen die voorzien in dekking ten laste van de algemene reserve.

 

Bij de berekening van risico’s zoveel mogelijk uit te gaan van inschattingen ten aanzien het

(maximale) bedrag van het risico vermenigvuldigd met de kans op voordoen.

6. Afschrijving investeringen

 

 

6.1 Algemeen

 

Artikel 59 van het BBV stelt dat alle investeringen worden geactiveerd (met uitzondering van kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde). Daarmee ligt de basis vast, te weten dat wil zeggen dat op alle investeringen moet worden afgeschreven.

 

Investering: Een investering is een bedrijfsmiddel waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.

Activering: De investering wordt boekhoudkundig geregistreerd als een vast actief (zoals materiële of immateriële vaste activa).

Afschrijving: De waarde van het bedrijfsmiddel neemt in de loop van de tijd af, wat boekhoudkundig wordt bijgehouden door middel van afschrijvingen

 

Het BBV stelt dat afgeschreven wordt op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs is de inkoopprijs plus de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Ook een redelijk deel van de indirecte kosten kan aan de vervaardiging worden toegerekend.

 

Artikel 64 BBV stelt dat afschrijving geschiedt ongeacht het resultaat van het boekjaar en dat afschrijving behoudens gegronde, in de balans toe te lichten redenen, moet plaatsvinden op basis van dezelfde grondslagen als in het voorafgaande jaar. Op activa met een beperkte gebruiksduur wordt afgeschreven op basis van een stelsel dat is afgestemd op verwachte toekomstige gebruiksduur. Om die reden wordt op gronden niet afgeschreven (de waarde van grond verandert niet door de gebruiksduur).

 

De notitie “Raamwerk BBV: stelsel van baten en lasten” (de grondslag voor het BBV) geeft aan dat de grondslagen stelselmatig moeten worden toegepast (stelselmatigheidsvereiste).

 

Hoewel in het BBV en in de daarop gebaseerde notities veel meer is bepaald over activeren, waarderen en afschrijven, zijn de belangrijkste zaken in relatie tot deze nota weergegeven.

 

 

6.2 Afschrijvingsmethoden en -termijnen

Alle investeringen worden geactiveerd. Aan de basis van dit uitgangspunt ligt de gedachte dat de waarde van een actief (bezitting, investering) doorgaans zal verminderen naarmate de tijd verstrijkt en het langer gebruikt wordt. Door middel van afschrijving wordt die waardevermindering tot uitdrukking gebracht en ten laste gebracht van de exploitatie.

 

Afschrijvingsmethode

Er zijn twee methoden van afschrijving, te weten lineair of annuïtair. Omdat er een consistente afschrijvingsmethodiek dient te worden gehanteerd, moet dus gekozen worden voor óf lineaire afschrijving óf annuïtaire afschrijving.

Bij lineaire afschrijving wordt periodiek (bijv. jaarlijks) een gelijk bedrag afgeschreven (de annuïteit). Per periode dalen de kapitaallasten omdat de rente berekend wordt over de boekwaarde, die steeds afneemt.

Bij de annuïtaire methode is de som van rente en afschrijving per periode gelijk. Ook hier wordt de rente berekend over de boekwaarde, maar de hoogte van de afschrijving wordt bepaald door het verschil tussen de annuïteit en de rente. De rente neemt dus af naarmate de tijd vordert, terwijl de afschrijving met dezelfde bedrag toeneemt.

 

Onze gemeente hanteert de lineaire methode.

Afschrijvingstermijnen

Afschrijving geschiedt op basis van de verwachte toekomstige gebruiksduur. Per soort investering wordt één afschrijvingstermijn gehanteerd (stelselmatigheidsvereiste). Om redenen van eenvoud kiezen wij ervoor om het aantal verschillende afschrijvingstermijnen te beperken. De volgende afschrijvingstermijnen gelden op dit moment:

 

Soort investering

Termijn in jaren

Soort investering

Termijn in jaren

Groenareaal lange levensduur

80

Groenareaal gemiddelde levensduur

40

Gebouwen (permanent)

40

Kunststof (gras)velden/banen

20

Gebouwen (semipermanent)

15

Machines

10

Technische installaties (waaronder gemalen drukriolering)

15

Vervoermiddelen

10

Inrichting

15

Aanleg/reconstructie wegen/waterkundige werken

40

Straatverlichting: masten

40

Riolering (excl. gemalen drukriolering)

60

Straatverlichting: armaturen

20

Software

6

Straatmeubilair

25

Hardware

4

Speeltoestellen, sportattributen

15

 

 

 

De afschrijvingstermijnen worden consequent gehanteerd. Desalniettemin zijn er situaties denkbaar, waarin de vastgestelde termijn niet als passend wordt gezien. In bijzondere gevallen zijn afwijkende afschrijvingstermijnen denkbaar, mits daartoe vooraf en gemotiveerd door de raad wordt besloten.

 

Bij investeringen wordt in beginsel voor één afschrijvingstermijn gekozen, maar in sommige situaties is een componentenbenadering denkbaar. Dat kan zich voordoen bij een investering, die te splitsen zou zijn in componenten met verschillende afschrijvingstermijnen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning. Daarin zit ook een cv-ketel. Dan zou ervoor gekozen kunnen worden om de woning in 40 jaren af te schrijven en de cv-ketel als technische installatie in 15 jaren. Het geniet de voorkeur om zoveel mogelijk één afschrijvingstermijn te hanteren (dus geen componentenbenadering). De vervanging van componenten dient dan via onderhoudsbudgetten te verlopen. Als de componentenbenadering wel wordt toegepast, dient dat goed gemotiveerd bij de vaststelling van het krediet te worden besloten.

 

Indien de aanschaf- of vervaardigingsprijs lager is dan € 20.000, wordt op een investering niet afgeschreven.

 

De praktijk leert dat het de voorkeur verdient om ten aanzien van kunststof sportvelden en -banen onderscheid aan te brengen in ondergronden en toplagen.

 

Start afschrijving

De volledige kapitaallasten wordt verwerkt in de begroting vanaf het jaar na beschikbaar stellen van krediet.

Werkelijke afschrijving geschiedt vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt, dan wel verworven wordt.

De renteberekening vindt plaats over de boekwaarde per 31 december van elk boekjaar.

 

Dit betreft een stelselwijziging ten opzichte van de vorige nota en moet volgens een stellige uitspraak van BBV uiterlijk vastgesteld worden voor 31 december van het desbetreffende begrotingsjaar door de raad.

De financiële gevolgen van een stelsel- of schattingswijziging dienen, tezamen met de vaststelling van de gewijzigde financiële verordening in de begroting, verwerkt te worden.

 

Voor zover in deze nota nieuwe afschrijvingsmethoden zijn bepaald, worden deze uitsluitend toegepast op nieuwe investeringen en hebben deze dus geen invloed op investeringen uit het verleden.

  • Afschrijving vindt plaats op lineaire basis.

  • De volgende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd:

 

Groenareaal lang

80 jaren

Groenareaal gemiddeld

40 jaren

Gebouwen (permanent)

40 jaren

Gebouwen (semipermanent)

15 jaren

Technische installaties (w.o. pompen/gemalen drukriolering)

15 jaren

Inrichting

15 jaren

Wegen (aanleg/reconstructie), waterkundige werken

40 jaren

Riolering (excl. Gemalen/pompen drukriolering)

60 jaren

Openbare verlichting masten

40 jaren

Openbare verlichting armaturen

20 jaren

Straatmeubilair

25 jaren

Speeltoestellen, sportattributen

15 jaren

Kunststofbanen, kunstgrasvelden ondergrond

40 jaren

Kunststofbanen, kunstgrasvelden toplaag

20 jaren

Machines

10 jaren

Vervoermiddelen

10 jaren

Software

6 jaren

Hardware

4 jaren

 

  • Afwijkende afschrijvingstermijnen zijn toegestaan mits goed gemotiveerd en bij raadsbesluit bepaald.

  • Op investeringen van € 20.000,- of lager wordt niet afgeschreven.

  • In beginsel geldt per investering één afschrijvingstermijn; in uitzonderingsgevallen kan de componentenbenadering worden toegepast, mits goed gemotiveerd en besloten bij de vaststelling van het krediet.

  • De volledige kapitaallasten wordt geraamd vanaf het jaar na beschikbaar stellen van het krediet. Werkelijke afschrijving geschiedt vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt dan wel verworven wordt.

  • Nieuwe afschrijvingsmethodes zijn uitsluitend van toepassing op nieuwe investeringen

7. Beslispunten

 

 

Algemene reserve

 

  • 1.

    De algemene reserve bestaat uit een niet besteedbare risicoreserve ter hoogte van de gekwantificeerde risico’s vermenigvuldigd met de vastgestelde ratio en uit een vrij besteedbare algemene reserve.

  • 2.

    De minimale en de gewenste omvang van de algemene reserve wordt bepaald op basis van weerstandsratio’s (zie hoofdstuk 5), waarbij de gekwantificeerde risico’s blijken uit de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing in de meest recente jaarrekening of begroting.

 

Bestemmingsreserves

 

  • 3.

    Het aantal bestemmingsreserves alsmede de hoogte en de looptijd daarvan wordt zo klein mogelijk gehouden.

  • 4.

    Bij het instellen van bestemmingsreserves worden de volgende criteria gehanteerd:

  • Een bestemmingsreserve wordt ingesteld voor een concreet, in principe binnen een vooraf bepaalde tijd te realiseren en door de raad vast te stellen doel.

  • Het instellen van reserves dient bij raadsbesluit plaats te vinden.

  • Behoudens uitzonderingen wordt voor iedere bestemmingsreserve door de raad vastgesteld:

    • Het doel waarvoor de reserve wordt gevormd.

    • Het motief voor instelling.

    • De maximale omvang van de bestemmingsreserve.

    • De omvang en de wijze van stortingen en onttrekkingen, inclusief onderbouwing daarvan, bijvoorbeeld op basis van een (meerjaren)planning.

    • De einddatum van de reserve.

  • Een minimumbedrag bij instellen van de reserve van € 80.000,-.

  • Een minimumbedrag gedurende de looptijd van € 20.000,- waaronder de reserve in principe vrijvalt op balansdatum. (behalve bij reserves voor afschrijvingslasten)

  • 5.

    Er wordt geen rente toegevoegd aan reserves.

 

 

Voorzieningen

 

  • 6.

    Het instellen van een niet verplichte voorziening vindt uitsluitend plaats door c.q. met instemming van de raad ter egalisering van sterk fluctuerende (onderhouds)budgetten of om andere zeer dringende reden.

  • 7.

    De hoogte van elke voorziening dient deugdelijk te worden onderbouwd.

 

 

 

Weerstandscapaciteit

 

  • 8.

    Voor de weerstandscapaciteit te werken met weerstandsratio’s:

 

A

groter dan 2,0

Uitstekend

B

1,4 tot 2,0

Ruim voldoende

C

1,0 tot 1,4

Voldoende

D

0,8 tot 1,0

Matig

E

0,6 tot 0,8

Onvoldoende

F

lager dan 0,6

Ruim onvoldoende

 

  • 9.

    Bepalen dat voor de minimale omvang van de algemene reserves wordt uitgegaan van een ratio van 1,8, waarbij tevens wordt bepaald dat wanneer de weerstandscapaciteit zakt onder de ratio van 1,8 het niet meer toegestaan is om voorstellen te doen die voorzien in dekking ten laste van de algemene reserve.

  • 10.

    Bij de berekening van risico’s zoveel mogelijk uit te gaan van inschattingen ten aanzien het (maximale) bedrag van het risico vermenigvuldigd met de kans op voordoen.

 

Afschrijvingsbeleid

 

  • 11.

    Afschrijving vindt plaats op lineaire basis.

  • 12.

    De volgende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd:

 

Gebouwen (permanent)

40 jaren

Gebouwen (semipermanent)

15 jaren

Groenareaal lange levensduur

80 jaren

Groenareaal gemiddelde levensduur

40 jaren

Technische installaties (w.o. pompen/gemalen drukriolering)

15 jaren

Inrichting

15 jaren

Wegen (aanleg/reconstructie), waterkundige werken

40 jaren

Riolering (excl. Gemalen/pompen drukriolering)

60 jaren

Openbare verlichting masten

40 jaren

Openbare verlichting armaturen

20 jaren

Straatmeubilair

25 jaren

Speeltoestellen, sportattributen

15 jaren

Kunststofbanen, kunstgrasvelden ondergrond

40 jaren

Kunststofbanen, kunstgrasvelden toplaag

20 jaren

Machines

10 jaren

Vervoermiddelen

10 jaren

Software

6 jaren

Hardware

4 jaren

 

  • 13.

    Afwijkende afschrijvingstermijnen zijn toegestaan mits goed gemotiveerd en bij raadsbesluit bepaald.

  • 14.

    Op investeringen van € 20.000,- of lager wordt niet afgeschreven.

  • 15.

    In beginsel geldt per investering één afschrijvingstermijn; in uitzonderingsgevallen kan de componentenbenadering worden toegepast, mits goed gemotiveerd en besloten bij de vaststelling van het krediet.

  • 16.

    De volledige kapitaallasten wordt geraamd vanaf het jaar na beschikbaar stellen van het krediet. Werkelijke afschrijving geschiedt vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt dan wel verworven wordt.

  • 17.

    Nieuwe afschrijvingsmethoden zijn uitsluitend van toepassing op nieuwe investeringen.

 

Intrekken oude nota, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze nota treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

  • 2.

    De nota reserves, voorzieningen en afschrijvingsbeleid 2020 wordt per gelijke datum ingetrokken.

  • 3.

    Deze nota wordt aangehaald als “nota reserves, voorzieningen en afschrijvingsbeleid 2025”.

 

 

 

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering de raad van de gemeente Reusel-De Mierden van 16 december 2025.

De raad voornoemd,

de griffier,

mw. I.A.C. de Groot

de voorzitter,

mw. A.J.M.H. van de Ven

Naar boven