Gemeenteblad van Nissewaard
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nissewaard | Gemeenteblad 2025, 557701 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nissewaard | Gemeenteblad 2025, 557701 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van de raad van de gemeente Nissewaard, houdende regels voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026)
De raad van de gemeente Nissewaard;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 december 2025;
gelet op de artikelen 2.9, 2.11 en 8.1.1 van de Jeugdwet;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard van 10 september 2025;
gehoord het advies van de commissie Sociaal Domein van 27 november en 4 december 2025;
besluit de Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026 vast te stellen als volgt.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.2 Reikwijdte van deze verordening
Deze verordening geeft regels voor de uitvoering van het plan rondom preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als bedoeld in artikel 2.2 Jeugdwet. De regels voor cliëntenparticipatie als bedoeld in artikel 2.10 Jeugdwet zijn opgenomen in de Verordening Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard en in de Inspraak- en participatieverordening Nissewaard 2020.
Hoofdstuk 2 Afstemming van jeugdhulp op wettelijke taken in het sociaal domein
Artikel 2.1 Afstemming met andere wetgeving
Het college stemt de hulp en ondersteuning waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
Artikel 2.2 Afstemming jeugdhulp en andere hulp aan een ouder
Het college verstrekt alleen een voorziening op het gebied van jeugdhulp. Voor zover de behoefte aan jeugdhulp haar oorsprong vindt bij een ouder en er geen directe hulpvraag van de jeugdige is, worden de ouder en zo nodig ook de jeugdige doorverwezen naar andere passende vormen van ondersteuning, hulp en zorg.
Artikel 2.3 Afstemming jeugdhulp en de Wet langdurige zorg (Wlz)
Het college verstrekt geen voorziening op het gebied van jeugdhulp als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg en als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft.
Het college verstrekt geen voorziening op het gebied van jeugdhulp indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.
Artikel 2.5 Afstemming jeugdhulp en Wet passend onderwijs
Bij hulpvragen die te maken hebben met onderwijs en waarvoor geen duidelijk onderscheid te maken is tussen de verantwoordelijkheid van het onderwijs en die van de jeugdhulp, werken onderwijs en jeugdhulp altijd samen aan een passende oplossing. Dit gebeurt met behulp van een onderwijs-ontwikkelperspectiefplan en een onderwijs-jeugdhulparrangement.
Artikel 2.7 Vervolg na afstemming met andere wetgeving
Hoofdstuk 3 Eigen kracht en gebruikelijke hulp
Artikel 3.1 Recht jeugdhulp in relatie tot eigen kracht en gebruikelijke hulp
Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van een jeugdige, opvoedingsproblemen van een ouder of adoptie gerelateerde problemen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Op basis van artikel 1:247 van het Burgerlijk wetboek zijn ouders verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kind.
Op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet stemt het college de benodigde jeugdhulp onder meer af op de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder. Het gaat hier om de eigen kracht, gebruikelijke hulp en boven gebruikelijke hulp die van een jeugdige of een ouder mogen worden verwacht.
Als de jeugdige en ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp deels vergoedt, wordt van de ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders omvat hun mogelijkheden tot behoud of herstel van het gezinsleven en het dagelijks leven. Eigen kracht omvat daarnaast de inzet van mensen uit het sociaal netwerk en vrijwilligers en het aanspreken van de door de jeugdige en zijn ouders afgesloten aanvullende zorgverzekering.
Artikel 3.3 Gebruikelijke en boven-gebruikelijke hulp
Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die past bij de ontwikkelingsfase van de jeugdige en die ouders geacht worden te bieden. Het ontwikkelprofiel waaruit gebruikelijke hulp blijkt, is opgenomen in bijlage 2. Indien de benodigde ondersteuning onder gebruikelijke hulp valt, wordt dit gerekend tot de eigen mogelijkheden van het gezin en wordt geen jeugdhulpvoorziening verstrekt. Indien ouders vanwege een beperking niet in staat zijn gebruikelijke hulp te bieden, komt dit naar voren in het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 6.
Onder gebruikelijke hulp valt voorts dat ouders normale problemen van de tot hun gezin behorende jeugdige binnen hun eigen mogelijkheden oplossen. Het profiel waaruit normale problemen blijken, is opgenomen in bijlage 3. Voor deze problemen wordt geen jeugdhulpvoorziening verstrekt; ouders kunnen hiervoor gebruik maken van de voorliggende voorzieningen zoals bedoeld in artikel 4.1.
Onder boven-gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die uitstijgt boven wat in de ontwikkelingsfase van de jeugdige redelijkerwijs van ouders kan worden verwacht. Ouders zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het bieden van boven-gebruikelijke hulp. Het college beoordeelt of en in hoeverre dit, gelet op de draagkracht en draaglast van de ouders en hun sociaal netwerk, van hen kan worden verwacht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:
Het enkele feit dat ouders meer doen dan gebruikelijke hulp, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat hun eigen kracht is overschreden of dat recht bestaat op een individuele voorziening. Een individuele voorziening wordt slechts verstrekt indien is vastgesteld dat de benodigde ondersteuning de eigen mogelijkheden van de jeugdige en de ouders daadwerkelijk overstijgt.
Bij uitval of overbelasting van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de jeugdige over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof. Is dit niet mogelijk, dan worden andere voorliggende voorzieningen, zoals kinderopvang, opvang op school en naschoolse opvang, ingezet. Daarbij wordt gekeken naar wat in redelijkheid door het sociaal netwerk van het gezin kan worden opgevangen. Zijn deze mogelijkheden maximaal benut of afwezig, dan kan een jeugdhulpvoorziening worden getroffen.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij uitval of overbelasting van de ouder in een éénoudergezin. In dat geval wordt eerst bekeken in hoeverre voorliggende voorzieningen of het sociaal netwerk van het gezin kunnen worden ingezet. Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende of afwezig zijn, kan een jeugdhulpvoorziening worden getroffen.
Hoofdstuk 4 Vormen van jeugdhulp
Artikel 4.1 Algemene voorzieningen
In ieder geval zijn de volgende jeugdhulpvoorzieningen vrij toegankelijk voor een jeugdige of ouders:
Artikel 4.2 Individuele voorzieningen
Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening begeleiding jeugd. Deze voorziening wordt ingezet voor jeugdigen met vormen van gedrags- of ontwikkelingsproblemen en hierbij betrokken opvoeders, die praktische handvatten nodig hebben om om te gaan met hun gedrags- of ontwikkelingsproblemen. Daarbij is er begeleiding nodig om optimaal gebruik te maken van helpend netwerk en hulpmiddelen in de omgeving van de jeugdigen. Deze voorziening kan alleen worden gecombineerd met andere voorzieningen als deze op verschillende tijdstippen worden ingezet. Uitsluitingsgronden zijn:
Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening begeleiding complex. Deze voorziening wordt ingezet voor jeugdigen met ernstige klachten op meer leefgebieden tegelijk. Dit ten gevolge van psychische problematiek, een beperkte ontwikkelingsachterstand, een verstandelijke beperking of gedragsproblematiek, voor zover jeugdigen en het gezin onvoldoende profijt hebben van een steunend netwerk of hulpmiddelen. Bij de jeugdige is er sprake van veiligheidsrisico’s. Er zijn weinig beschermende factoren en veel risicofactoren op niveau van de jeugdige, gezin en omgeving en er is sprake zijn van escalatie van problematiek. Deze voorziening kan alleen worden gecombineerd met andere voorzieningen als deze op verschillende tijdstippen worden ingezet. Uitsluitingsgronden zijn:
Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening daghulp jeugd. Deze voorziening jeugd betreft een tijdelijk dagprogramma met intensieve begeleiding - in een groep - voor jeugdigen die zijn uitgevallen in het onderwijs. De inzet is met name gericht op een optimale ontwikkeling van de jeugdige: het versterken van de zelfredzaamheid, ontplooiing, psychosociale ontwikkeling, met als perspectief het toe leiden naar een vorm van onderwijs, of werk, of werkleertrajecten. Daghulp kan worden ingezet voor jeugdigen van 5 tot 18 jaar die vanwege een ziekte of beperking niet naar school gaan en een ontheffing van de leerplicht hebben op grond van artikel 5a van de Leerplichtwet.
Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening basis GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. De behandeling GGZ jeugd is gericht op behandelen van matige, psychische of psychiatrische problematiek waarbij eenduidige vormen van behandeling mogelijk zijn en waarvan het beloop redelijk voorspelbaar is.
Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening laagcomplex GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. De laagcomplexe GGZ is gericht op behandelen van matig tot ernstige psychische of psychiatrische problematiek waarbij eenduidige vormen van behandeling mogelijk zijn en waarvan het beloop redelijke voorspelbaar is. Ook kan het gaan om een jeugdige die eerder hoog complexe specialistische GGZ heeft gehad en waarvan de situatie is gestabiliseerd en redelijke voorspelbaar is geworden waardoor afschalen mogelijk is. Uitsluitingsgronden zijn:
Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening hoogcomplex GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. Bij hoogcomplexe problematiek gaat het over vaak ernstige psychische problemen waarbij het niet direct duidelijk is welke behandeling of begeleiding nodig is. Vaak spelen er meerdere psychische problemen, al dan niet met somatische of psychosociale multimorbiditeit, waarbij de interactie tussen die problemen of de ontwrichtende impact van de problemen op andere levensgebieden op de voorgrond staat. Standaarden helpen onvoldoende om na de probleemanalyse te bepalen wat het best passende zorgaanbod is.
Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening HBO plus behandeling. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige voor zijn gedrags- of ontwikkelingsproblematiek. Dit kan bestaan uit een vaktherapie of een andere post-hbo therapievorm zoals systeemtherapie of psychotherapie.
Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening groepsbehandeling jeugd. Deze voorziening betreft de behandeling van de jeugdige in groepsverband op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. Van groepsbehandeling is sprake als er verbeterdoelen zijn geformuleerd die op een gestructureerde en programmatische manier worden nagestreefd, en waarvoor specifieke deskundigheid is vereist. Uitsluitingsgronden zijn:
Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening behandeling jeugd met een beperking. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige, gericht op het ontwikkelen en aanleren van praktische, cognitieve en emotionele vaardigheden en het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de jeugdige. Ook worden de opvoedvaardigheden, naar aanleiding van de behandeling, van ouders meegenomen om de interactie binnen het gezin en op school te verbeteren. Hierbij worden de mogelijkheden van de jeugdige optimaal benut, zodat een zo zelfstandig mogelijk niveau van functioneren bereikt kan worden.
Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige zonder een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.
Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening medicatie controle. Deze voorziening betreft de consulten die nodig zijn voor het voorschrijven, het bespreken van de effecten van, of het stoppen met het nemen van medicatie. Bepaalde handelingen ten aanzien van de medicatie zoals het organiseren en het gebruik van de medicatie, vallen onder de Zorgverzekeringswet.
Deze voorziening is alleen beschikbaar voor een jeugdige die geen aanspraak heeft op een arrangement regionale jeugdhulp van de GRJR met het tweede resultaatgebied behandeling.
Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening logeren. Deze voorziening betreft kortdurend verblijf en deze wordt ingezet als respijtzorg voor ouders of als een voorziening om de jeugdige een time-out te bieden. Het is aanvullend op noodzakelijke ondersteuning en zorg thuis. In een huiselijke omgeving wordt logeeropvang geboden, waarbij ontwikkelingsgerichte begeleiding, inclusief persoonlijke verzorging indien noodzakelijk, wordt geboden en toezicht of zorg, 24 uur per dag, noodzakelijk is.
Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige met een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.
Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening persoonlijke verzorging. Deze voorziening betreft het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging, voor zover dat noodzakelijk is. Het gaat hierbij om planbare hulp bij taken rondom de algemene dagelijkse levensverrichtingen, zoals zich wassen, kleden en toiletgang en hulp bij beperkingen op het vlak van zelfverzorging, zoals mond- en haarverzorging. Ook gaat het om het stimuleren van de jeugdige bij het zelfstandig uitvoeren van de persoonlijke verzorging.
Het college draagt zorg voor de individuele voorziening dyslexie zorg. Deze voorziening betreft de zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie. Dyslexie zorg is alleen toegankelijk voor de jeugdige nadat de dyslexie-specialist van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs op basis van het protocol dyslexie diagnostiek en behandeling van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van ernstige dyslexie noodzakelijk is.
Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige die ouder is dan 13 jaar.
Het college stelt, op basis van het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 6, vast welke omvang en duur van jeugdhulp noodzakelijk is. Het college maakt, in het kader van de inkoop- of subsidierelatie, met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over de individuele voorzieningen, in ieder geval met betrekking tot:
Artikel 4.3 Vervoersvoorziening voor een jeugdige tot en met 11 jaar
Een jeugdige in de leeftijd tot en met 11 jaar is niet zelfredzaam in het verkeer en heeft begeleiding nodig van ouders of een persoon die tot zijn sociale omgeving behoort. Gebruikelijke hulp omvat dus ook het vervoer van de jeugdige tussen het woonadres dan wel het adres waar hij daadwerkelijk verblijft en de locatie waar jeugdhulp aan hem wordt geboden.
De hoogte van de vergoeding per kilometer wordt vastgesteld overeenkomstig de nadere regels van het college. De afstand van de retourreis wordt berekend zoals bedoeld in het derde lid. Het totaal aantal kilometers wordt afgerond op het eerstvolgende hele getal naar boven. Kosten voor veerponten worden niet vergoed.
Hoofdstuk 5 Toegang tot jeugdhulp
Artikel 5.2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Indien sprake is van een verwijzing zoals bedoeld in het tweede lid, stelt de jeugdhulpaanbieder, met inachtneming van zijn contractuele of subsidierelatie met het college, aard en omvang van de te verlenen jeugdhulp vast. De aanbieder verstrekt deze gegevens aan het college ten behoeve van het opstellen van een deugdelijk gemotiveerde beschikking.
De jeugdhulpaanbieder kan pas overgaan tot het verlenen van de voorziening nadat het afschrift van de beschikking is ontvangen, tenzij sprake is van een situatie waarin onmiddellijke inzet van jeugdhulp noodzakelijk is. In dat geval wordt de inzet van jeugdhulp zo spoedig mogelijk bevestigd in een beschikking.
Als de verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts betrekking heeft op een aanbieder die niet onder verantwoordelijkheid van het college werkzaam is, verstrekt het college slechts een individuele voorziening indien uit onderzoek blijkt dat de benodigde jeugdhulp niet kan worden geleverd door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder.
Hoofdstuk 6 Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente
Artikel 6.1 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp, zorg en het vergroten van de eigen mogelijkheden van een jeugdige en ouders.
Artikel 6.2 Verslag van het onderzoek: het gezinsplan
Artikel 6.3 Criteria voor toekenning, verstrekking en beëindiging van een individuele voorziening
Als de ondersteuning zich in hoofdzaak richt op ouders vanwege eigen maatschappelijke, psychische of relationele problemen, en geen sprake is van een jeugdhulpbehoefte bij de jeugdige zelf, wordt geen individuele voorziening toegekend op grond van deze verordening. Dit is anders indien sprake is van meervoudige problematiek binnen het gezin en parallel daaraan een hulpvraag van de jeugdige.
Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget
Artikel 7.1 Aanvraag met behulp van een pgbplan
Als uit het onderzoek, bedoeld in hoofdstuk 6, blijkt dat jeugdhulp als individuele voorziening noodzakelijk is, kan de jeugdige of ouders het college verzoeken om verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb) waarmee hij de benodigde jeugdhulp van een derde kan inkopen. Een aanvraag van een pgb kan alleen worden gedaan met behulp van een pgbplan, dat tenminste het volgende bevat:
Als de jeugdige of ouders zelf niet beschikt over de benodigde vaardigheden om de regie te voeren over een pgb, kan toch een pgb worden verstrekt als een daartoe gevolmachtigde persoon uit zijn sociale netwerk of zijn wettelijk vertegenwoordiger de regie kan voeren. Deze persoon is in dat geval ook bij de aanvraaggesprekken aanwezig en zal aan de criteria voor de aanvraag en het beheer van het pgb moeten voldoen.
Artikel 7.2 Pgbbeheer en vaardigheden
Een pgb kan alleen worden beheerd als de jeugdige of ouders dan wel zijn vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, over de nodige vaardigheden beschikt. De vaardigheden worden getoetst aan de hand van de volgende criteria:
uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger inhoudelijk in staat is om te overleggen met de zorgverlener, huisgenoten, mantelzorgers, het sociale netwerk en andere professionals en om de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg ook door kan gaan bij verlof en ziekte van de zorgverlener;
uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank en zorgverleners, waaronder in ieder geval wordt begrepen het beheersen van de Nederlandse taal in woord en geschrift, het voldoende digitaal vaardig zijn en het beschikken over een DigiD;
uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger voldoende juridische kennis heeft over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weet te vergaren, zodat hij in staat is om als werk- of opdrachtgever op te treden, een redelijk uurloon overeen te komen met de zorgverleners, de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren, loon door te betalen bij ziekte, een redelijke opzegtermijn te hanteren.
Artikel 7.3 Motivatie voor een pgb
Een persoonsgebonden budget kan worden verstrekt als de jeugdige of ouders in het pgbplan gemotiveerd aangeeft dat het door de gemeente aangeboden zorg in natura niet passend is, en het persoonsgebonden budget hen in staat stelt om de noodzakelijke jeugdhulp te organiseren. Deze hulp kan bestaan uit professionele hulp, verleend door een zelfstandig werkende (zzp’er) professional of informele hulp uit het sociaal netwerk. De motivering dient te zijn gebaseerd op een of meer van de volgende feiten of omstandigheden:
Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
Artikel 7.7 Opschorting betaling uit het pgb
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als ten aanzien van een jeugdige een ernstig vermoeden is gerezen dat de beslissing aangaande het pgb wordt herzien op een grond als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
Artikel 7.8 Waaraan het pgb mag worden besteed
Artikel 7.9 Weigerings- en herzieningsgronden voor het pgb
Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving
Artikel 9.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s en aanwijzing toezichthouder
Artikel 9.2 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet
Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een jeugdige of ouders aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening of pgb.
Hoofdstuk 10 Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 10.2 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nissewaard op
10 december 2025.
De griffier,
De voorzitter,
Bijlage 1, bedoeld in artikel 1.1: begripsbepalingen
Artikel 1.1 van de Jeugdwet bevat op 1 januari 2025 de volgende begripsbepalingen die voor deze verordening en de daarop berustende bepalingen van toepassing zijn:
geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee, door iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling, of door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in opdracht van de aanbieder of gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of door een andere jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel bij de aanbieder verblijft;
inlichtingenbureau: als zodanig door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen instelling die is belast met de coördinatie en dienstverlening ten behoeve van de colleges bij de verwerking van gegevens, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van taken van de colleges op het gebied van de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;
het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en
het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;
jeugdhulpverantwoordelijke: degene die behoort tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie van deskundigen en die door de jeugdhulpaanbieder als jeugdhulpverantwoordelijke is aangewezen, verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdhulp en de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen in een gesloten accommodatie;
jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen;
kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel;
medisch specialist: geneeskundig specialist die als specialist is ingeschreven in een door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde register als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
strafrechtelijke beslissing: beslissing van de officier van justitie of van de rechter met toepassing van titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht, met toepassing van de vijfde titel van Hoofdstuk 2 of de vijfde titel van Hoofdstuk 6 van Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering, of een beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering;
persoon die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt bij de uitoefening van hun rechten jegens het college, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, voor zover deze rechten samenhangen met de in deze wet geregelde onderwerpen;
ingeval een jeugdige verblijft bij een jeugdhulpaanbieder, pleegouder, in een instelling voor opvang of beschermd wonen als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in een instelling voor verblijf als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onder a, van de Wet langdurige zorg, in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of ingeval van jeugdhulp of jeugdreclassering in verband met het verblijf in een justitiële jeugdinrichting: de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, had;
ingeval de woonplaats niet op grond van de onderdelen 1° en 2° kan worden vastgesteld of ingeval bij het in de basisregistratie personen opgenomen woonadres een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 2.26 van de Wet basisregistratie personen: de gemeente waar de moeder van de jeugdige ten tijde van diens geboorte als ingezetene was ingeschreven in de basisregistratie personen, of, indien dit niet kan worden vastgesteld, de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag;
Bijlage 2, bedoeld in artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp
Herken ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen
De opvoedvragen, -problemen en -zorgen van ouders variëren per gezin, tijdsbestek en sociale omstandigheden. De ontwikkelings- leeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde problemen in de opvoeding. Professionals moeten hiervan op de hoogte zijn om ouders goed te kunnen begeleiden. In onderstaande tabel is aan de hand van ontwikkelingsfasen een overzicht weergegeven van ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen.
Overgenomen uit: Nederlands Jeugdinstituut (z.j.). Allemaal opvoeders: weet wat werkt bij opvoedvragen.
https://www.nji.nl/system/files/2021-05/Allemaal-opvoeders.pdf
Bijlage 3, bedoeld in artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp
Ontwikkelingstaken voor kinderen van 0 tot 2 jaar
De belangrijkste ontwikkelingstaak voor het kind is in deze periode het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie met een of meer volwassenen. Veilig gehechte kinderen kunnen hun opvoeder gebruiken als veilige basis van waaruit zij hun omgeving kunnen verkennen. In de loop van het tweede jaar worden autonomie en individuatie steeds belangrijker. Het kind gaat steeds meer initiatief nemen en kan onafhankelijk van de opvoeder succes en bevrediging bereiken. In deze periode wordt de basis gelegd voor vertrouwen in anderen en voor vertrouwen in de eigen competentie.
Taken en vaardigheden van 0 tot 2 jaar:
Ontwikkelingstaken voor kinderen van 2 tot 4 jaar
In deze periode ontwikkelt het kind het vermogen zich iets voor te stellen dat er niet meer is, even- als het vermogen tot imitatie. Ook komt de taalontwikkeling op gang. Er is sprake van een duidelijke opbouw van kennisstructuren en symbolische of representationele vaardigheden (begin van ‘alsof- spel’, probleemoplossend spel, oog voor verhaaltjes en dagelijkse routines). In de loop van het derde jaar beginnen leeftijdgenootjes een rol te spelen (begin van samenspelen). De peuter moet in staat zijn constructief met leeftijdgenootjes om te gaan en niet voortdurend in conflict met of afzondering van hen te zijn. Dit vereist ook communicatieve vaardigheden. In deze periode ontwikkelt het kind ook het vermogen om zich aan te passen aan de eisen die opvoeders stellen (socialisatie), eerst op grond van externe regulatie en vervolgens door middel van zelfcontrole van het kind (zindelijkheid, impulscontrole, afblijven van sommige dingen). De zelfredzaamheid neemt toe (bijvoorbeeld zelf eten, aankleden, smartphone of tablet bedienen). Tenslotte is ook de identificatie met de sekserol als jongen en meisje een centraal thema in deze periode.
Taken en vaardigheden van 2 tot 4 jaar:
Ontwikkelingstaken voor kinderen van 4 tot 6 en 6 tot 12 jaar
In deze periode neemt de autonomie verder toe. Dit uit zich in de kleuterperiode ook in het snel toenemend vermogen van het kind om voor zichzelf te zorgen (zichzelf wassen en aan- en uitkleden, eten). Bij kleuters komt de gewetensontwikkeling en ontwikkeling van schaamtegevoelens op gang. Verder begint vanaf circa 7 jaar het vermogen tot decentratie (andermans perspectief leren zien) zich te ontwikkelen. In de omgang met leeftijdgenoten moet het kind leren zijn egocentrische houding steeds meer te laten varen. Het vermogen om wederkerige relaties op te bouwen met vriendjes en vriendinnetjes en het geaccepteerd worden door de groep is dan een belangrijke ontwikkelingstaak. Tot slot wordt het kind in deze periode geconfronteerd met de maatschappelijke eis om te leren lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast moet het zich in de schoolse situatie een taakhouding eigen maken om zich gedurende (steeds) langere tijd te concentreren op schoolse taken. In de omgang met de leerkracht is het noodzakelijk om de leerling rol aan te nemen. Met toenemende cognities en sociaal- emotionele ervaringen kunnen kinderen steeds beter een moreel standpunt innemen over wat goed, slecht, eerlijk of onrechtvaardig is. Hun vermogen om fantasie en werkelijkheid van elkaar te onder- scheiden wordt steeds genuanceerder. Vanaf circa 9 jaar zijn kinderen in staat om hun eigen ideeën, fantasieën en gedachten te beschouwen en daar emotioneel afstand van te nemen.
Taken en vaardigheden van 4 tot 6 jaar:
Taken en vaardigheden van 6 tot 12 jaar:
Ontwikkelingstaken voor jongeren van 12 tot 16 jaar
In deze periode staat een verdergaande emotionele zelfstandigheid van het kind centraal. De over- gang naar het voortgezet onderwijs geeft daarvoor een belangrijke aanzet. Ook treden er in deze periode lichamelijke veranderingen op, die het begin van de puberteit markeren. Het kind moet ten opzichte van het eigen lichaam, ten opzichte van leeftijdgenoten en ten opzichte van de ouders een nieuwe eigen positie gaan innemen. Het kind wordt minder afhankelijk van de ouders en de vriendengroep wordt zijn referentiekader. Seksualiteit gaat een steeds grotere rol spelen in de omgang met leeftijdgenoten. Het (leren) aangaan en onderhouden van sociale contacten en vriendschappen staan in deze periode centraal. Een en ander leidt tot een nieuw waardensysteem en een nieuw gevoel van persoonlijke identiteit en het ontwikkelen van een positieve houding ten opzichte van opleiding, beroepskeuze en samenleving.
Taken en vaardigheden van 12 tot 16 jaar:
Ontwikkelingstaken voor jongeren van 16 tot 23 jaar
In deze periode vindt de overgang van jeugd naar volwassenheid plaats. De jongere komt los van het ouderlijk gezag en zoekt zijn weg naar onafhankelijkheid, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De jongere ontwikkelt zijn eigen identiteit met eigen waarden en normen, duidelijke meningen en standpunten. Emotionele stabiliteit neemt in deze periode ook toe. Studie- en beroepskeuze, werk en op eigen benen leren staan (financieel onafhankelijk worden, op kamers gaan en zelfstandig huishouden voeren) staat in deze periode centraal. Ook worden duurzame vriendschappen en (intieme)relaties aangegaan.
Taken en vaardigheden van 16 tot 23 jaar:
Overgenomen uit rapportage NJI 4 december 2020, Opgroeien en opvoeden, normalen uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders.
Bijlage 4, bedoeld in artikel 8.2, derde lid: Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieder en -verlener op basis van het Kwaliteitskader: Jeugdwet, WMO gemeente Nissewaard d.d. 1 januari 2023 versie 1.1
Werken aan kwaliteit in het Sociaal Domein is werken aan verbetering, een voortdurende zoektocht van cliënt, aanbieder en gemeente naar wat goed is en wat beter kan, wat hiervoor nodig is en hoe een verbetering standhoudt. Kwaliteit moet merkbaar zijn voor de jeugdige of de ouder. Onze professionals zijn bevlogen en hebben kennis van zaken.
De zorgaanbieder dient bij voorkeur methodieken en interventies in te zetten die onafhankelijk zijn onderzocht en daarbij effectief zijn bevonden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van interventies en methodieken die zijn opgenomen en beschreven in een van volgende databanken, of vergelijkbaar.
Met vergelijkbaar wordt bedoeld een databank of erkenningsregeling die op een met de werkwijze van Movisie, NJI of Trimbos instituut overeenkomstig protocol tot een onafhankelijke, goed geborgde en deskundige beoordeling komt van interventies en deze kenbaar maakt door middel van een actueel, transparant en goed toegankelijk openbaar register.
Het werken met erkende methodieken, of vergelijkbaar, houdt onder meer in dat de zorgaanbieder de ondersteuning uitvoert op een doelgerichte, planmatige en geordende wijze. De zorgaanbieder plant en bewaakt de voortgang van de ondersteuning en is op verzoek van de gemeente bereid en in staat om te rapporteren over de voortgang van de ondersteuning en de mate waarin stappen zijn gezet naar de te bereiken resultaten.
De gemeente behoudt zich het recht voor om interventies die niet zijn opgenomen in een van de genoemde databanken, of vergelijkbaar, te beoordelen op de vraag of deze een voldoende en aantoonbare bijdrage leveren aan het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie.
Bij het inzetten van ondersteuning gelden de volgende algemene uitgangspunten.
Kwaliteit van de ondersteuning
De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. Een voorziening wordt in elk geval:
Kwaliteit vormgeven binnen een Open House – aanbod
Een Open House – aanbod betekent dat de jeugdige of ouder de aanbieder kiest die bij hem past. Bij keuze uit meerdere aanbieders wordt de aanbieder gestimuleerd om zich te onderscheiden op kwaliteit. Een belangrijke voorwaarde bij dit kenmerk is dat jeugdige en ouder de kwaliteit kunnen inschatten en ernaar handelen.
Een Open House – aanbod betekent dat je kunt inspelen op ontwikkelingen en kunt sturen op ambities. De mogelijkheid tot aanpassen stimuleert dat de gemeente haar ambities meetbaar wil maken en dit wil matchen met het aanbod dat wordt aangeboden. Een belangrijke voorwaarde bij dit kenmerk is dat vanuit de drie-eenheid (cliënt, gemeente, aanbieder) gesproken wordt over kwaliteit en dat we daar gezamenlijk van leren. De focus ligt op vanuit samenwerking verbeteren.
De zorgaanbieder heeft een brede signaleringsfunctie. Hieronder wordt verstaan dat de zorgaanbieder zo snel als redelijkerwijs mogelijk is overlegd met de gemeente of andere verwijzers als de zorgaanbieder op basis van zijn eigen professionele oordeel constateert dat sprake is van een of meer van de volgende situaties.
Signalering inzake huiselijk geweld en kindermishandeling
De zorgaanbieder voert de opdracht uit met in achtneming van de actuele Meldcode voor Huiselijk Geweld en Kinderminshandeling. De zorgaanbieder maakt gebruik van het voor de sector waarin hij werkzaam is toepasselijke afwegingskader. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond is het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld of kindermishandeling voor onder andere de gemeente Nissewaard. Veilig Thuis is 24/7 gratis bereikbaar op telefoonnummer 0800-2000 of via de website.
Samenwerking met andere professionals
De zorgaanbieder zorgt voor een goede samenwerking met andere professionals. De zorgaanbieders zijn verplicht om samen te werken op basis van de volgende principes.
Toelichting op de Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026
Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk).
De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:
Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt daarom ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of op grond van de Jeugdwet nog andere regels te stellen.
Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Informatie, ondersteuning en doorverwijzing
De afzonderlijke wetten in het sociaal domein voorzien niet in een uniforme en integrale toegang. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om inwoners zo veel mogelijk integraal te ondersteunen, is in dit artikel een zorgplicht voor het college opgenomen.
Het college bevordert de zelfredzaamheid en participatie van inwoners door hen laagdrempelig te ontvangen en te ondersteunen bij het verhelderen van hun ondersteuningsvraag. Dit proces van vraagverheldering heeft tot doel om samen met de inwoner duidelijk te krijgen welke behoefte er speelt en bij welk domein of welke voorziening een passende oplossing gezocht kan worden. Daarmee wordt onderscheid gemaakt tussen vraagverheldering enerzijds en het meer verdiepende onderzoek binnen een specifiek domein anderzijds.
Het is belangrijk dat inwoners op begrijpelijke wijze geïnformeerd worden over het gemeentelijk beleid en de uitvoering van de wettelijke taken in het sociaal domein. Daarmee wordt beoogd dat inwoners – ongeacht hun specifieke ondersteuningsvraag – weten waar zij terecht kunnen, welke rechten en mogelijkheden er zijn en hoe het vervolgtraject eruit kan zien.
Het college heeft op grond van diverse wettelijke bepalingen een informatieplicht met betrekking tot onafhankelijke ondersteuning. Zo volgt uit artikel 2.5 van de Jeugdwet dat jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig geïnformeerd moeten worden over de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Artikel 4.1.1 van het Besluit Jeugdwet schrijft voor dat deze informatie in ieder geval betrekking heeft op:
Daarnaast bepaalt artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 dat het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar stelt. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 moet het college inwoners actief wijzen op de mogelijkheid om hiervan gebruik te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet uitsluitend tot de Wmo, maar kan ook betrekking hebben op andere wetten in het sociaal domein. Om die reden is deze informatieverplichting in dit derde lid van het artikel expliciet benoemd.
Artikel 1.3 Wettelijke begripsbepalingen
De begripsbepalingen uit artikel 1.1 van de Jeugdwet zijn opgenomen in bijlage 1, waardoor ze bij het raadplegen van de verordening bij de hand zijn.
Hoofdstuk 2 Afstemming van jeugdhulp op wettelijke taken in het sociaal domein
Artikelen 2.2 tot en met 2.7 Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning
Wanneer een jeugdige of ouder ondersteuning vraagt van de gemeente, zal afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming op basis van de gezinssystematiek en problematiek. Afstemming betekent samenwerking om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet volstaat, dan zal ook de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar beide wetten niet in elkaar overlopen. De gemeente moet dit voorkomen door samen te werken.
Naast afstemming op bepaalde wetten is er ook een afbakening van de zorg- en dienstverlening binnen de reikwijdte van deze wetten. De afbakening geeft de grenzen aan tussen de wetten en waar deze bepaalde zorglichten van elkaar overnemen. De betreffende artikelen beogen duidelijk te maken welke hulp geboden kan worden op grond van de Jeugdwet en welke hulp op grond van een andere wet.
Langs de weg van afstemming en afbakening wordt inzichtelijk welke jeugdhulp noodzakelijk is en hoe deze zo efficiënt mogelijk verleend kan worden. Het gaat om maatwerk, om een tijdelijke ruggensteun, met het doel om zo snel als maar enigszins verantwoord is weer zelfstandig verder te gaan.
Artikel 2.5 Afbakening jeugdhulp en Wet passend onderwijs
Persoonlijke verzorging op school kan binnen verschillende wetten vallen:
In 2014 is door het CIZ de AWBZ-indicatiewijzer 7.1 opgesteld. Daarin staat wat onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt (sinds invoering van de Wet passend onderwijs op 1 augustus 2014). De bekostiging van deze vorm van zorg binnen het onderwijs is sindsdien aangepast, maar de grens met de andere wetgeving is niet veranderd. Op grond van artikel 1.2, ld 1, onder b van de Jeugdwet, mag de gemeente een aanvraag voor jeugdhulp weigeren als er hulp kan worden verkregen op grond van een andere wet. Omdat in 2014 is bepaald welk gedeelte van persoonlijke verzorging onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt, zal dat door de gemeente als een voorliggende voorziening worden beschouwd. De tabel hieronder laat zien welk deel van de persoonlijke zorg onder verantwoordelijkheid van de school valt. Als er hulp nodig is die niet in deze tabel staat én als er geen recht is op hulp op basis van de Zvw of de Wlz, kan er een beroep worden gedaan op de Jeugdwet.
Hoofdstuk 3. Eigen Kracht en Gebruikelijke hulp
De inzet van jeugdhulp is in eerste instantie bedoeld voor situaties waarin jeugdigen of hun ouders niet meer zelfstandig of met hulp van hun netwerk kunnen voorzien in de benodigde ondersteuning. Deze bepaling sluit aan op de Jeugdwet, die stelt dat hulp eerst afgestemd moet worden op de eigen mogelijkheden van het gezin.
‘Eigen kracht’ omvat de capaciteiten van ouders en jeugdigen om problemen zelf op te lossen, eventueel met hulp uit hun omgeving. Het gaat daarbij ook om het aanspreken van bijvoorbeeld vrijwilligers, mantelzorgers en aanvullende zorgverzekeringen.
Het college onderzoekt daarom eerst wat het gezin zelf kan doen. Alleen als deze mogelijkheden ontoereikend zijn, kan jeugdhulp worden ingezet. Daarbij wordt rekening gehouden met zaken als de draagkracht van ouders, hun belastbaarheid, en de gezinssituatie.
Van ouders wordt verwacht dat zij in elk geval gebruikelijke hulp bieden. Dit is zorg die van ouders mag worden verwacht als onderdeel van hun opvoedende rol. Wanneer ouders méér doen dan gebruikelijk is, betekent dat niet automatisch dat zij recht hebben op een voorziening. Ook dan moet eerst beoordeeld worden of hun eigen kracht echt is overschreden.
Individuele jeugdhulp wordt alleen verstrekt als de benodigde ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt én het gezin dit niet zelf of met hulp uit het netwerk kan bieden. De hulp is bedoeld om de ontwikkeling en veiligheid van kinderen te bevorderen wanneer deze in gevaar komen, niet voor normale ontwikkelingsfasen. Geen voorziening wordt verstrekt voor het deel waarvoor eigen kracht of netwerk niet wordt ingezet, tenzij het kind hierdoor direct in gevaar komt.
Artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp
Ouders zijn in principe verantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning van hun kinderen. Dit geldt zowel voor gebruikelijke hulp als, in veel gevallen, ook voor boven gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp gaat om de dagelijkse zorg die normaal is en past bij de leeftijd en ontwikkeling van een kind, zoals eten geven, naar school brengen of toezicht houden. Deze zorg hoort bij het ouderschap en is geen reden om jeugdhulp te krijgen. In de bijlage bij de verordening staat uitgewerkt wat precies onder gebruikelijke hulp wordt verstaan.
Pas wanneer er sprake is van ernstige of langdurige problemen, kan jeugdhulp aan de orde zijn. Daarbij wordt gekeken of het gezin de situatie zelf aankan. Als ouders door een lichamelijke of verstandelijke beperking de gebruikelijke zorg niet (volledig) kunnen bieden, komt dat naar voren in het onderzoek.
Voor boven gebruikelijke hulp geldt dat ouders in beginsel ook verantwoordelijk zijn. Alleen als deze hulp structureel en intensief is, en de draagkracht van ouders onvoldoende blijkt, kan het college een voorziening toekennen.
Het college maakt daarbij onderscheid tussen:
Alleen als blijkt dat ouders de zorg niet zelf kunnen bieden, ondanks redelijke inspanningen, kan jeugdhulp worden ingezet. Daarbij worden alle omstandigheden van het gezin meegewogen, zoals gezinssamenstelling, inkomen, sociaal netwerk en de specifieke behoeften van het kind.
Wat in redelijkheid van ouders en hun netwerk verwacht mag worden, gaat verder dan de normale of gangbare ondersteuning. Toch kan het voorkomen dat ouders de gebruikelijke hulp niet kunnen leveren, bijvoorbeeld bij jeugdigen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek, of wanneer ouders zelf een licht verstandelijke beperking hebben. Ook in zulke gevallen geldt dat eerst een beroep wordt gedaan op de eigen kracht en gebruikelijke hulp, voordat jeugdhulp wordt ingezet.
Overbelasting van ouders wordt serieus genomen, maar vormt niet zonder meer een reden voor jeugdhulp.
Bij tijdelijke uitval van een ouder wordt verwacht dat de andere ouder de zorg overneemt, zo nodig met inzet van zorgverlof of kinderopvang. Ook het sociaal netwerk kan een rol spelen.
In eenoudergezinnen wordt gekeken naar beschikbare voorliggende voorzieningen. Alleen als deze onvoldoende zijn en de uitval direct samenhangt met de zorg voor de jeugdige, kan jeugdhulp overwogen worden.
Bij langdurige uitval wordt een meer duurzame oplossing gezocht, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg — jeugdhulp is dan niet aan de orde.
Het college maakt expliciet onderscheid tussen overbelasting door de zorg voor het kind en overbelasting door andere factoren (zoals werkdruk of nevenactiviteiten). In dat laatste geval ligt de verantwoordelijkheid voor een oplossing bij de ouders zelf, bijvoorbeeld door het aanpassen van hun levensstijl of werk.
Bij overbelasting door een drukke baan of nevenactiviteiten, zijn de ouders zelf verantwoordelijk voor een oplossing, bijvoorbeeld in aanpassingen in de leefsituatie, op het werk of in de nevenactiviteiten.
Hoofdstuk 4. Vormen van jeugdhulp
Artikel 4.1 en 4.2 Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen
Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.
Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de aanbieder van de algemene voorziening wenden.
Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 4.1 en 4.2.
In dit artikel wordt ook vastgelegd dat individuele voorzieningen altijd tijdelijk en doelgericht worden ingezet. De maximale looptijd verschilt per voorziening, passend bij de aard en intensiteit van de ondersteuning. Kortdurende en intensieve voorzieningen, zoals begeleiding complex of logeren, kennen een kortere looptijd. Voor voorzieningen met een meer structureel karakter, zoals medicatiecontrole of behandeling bij een beperking, is een langere termijn opgenomen.
Door vaste termijnen te hanteren wordt planmatig gewerkt, vindt tijdige evaluatie plaats en blijft de inzet in lijn met het uitgangspunt van de Jeugdwet: hulp zo licht en kort mogelijk.
Het college kan de looptijd alleen verlengen na evaluatie, als blijkt dat voortzetting noodzakelijk is. Hiermee wordt voorkomen dat voorzieningen automatisch worden doorgezet, en wordt steeds bekeken of lichtere of andere vormen van ondersteuning passend zijn.
Hoofdstuk 5 Toegang tot jeugdhulp
De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:
In deze toelichting lichten we de routes toe, die kunnen leiden naar toegang tot jeugdhulp. De in artikel 5.1 en 5.2 benoemde routes tot toegang zijn vormen waarvoor het college verplicht is een beschikking af te geven. In de routes die hieronder nog beschreven worden naast artikel 5.1 en 5.2 en 5.3, geeft de jeugdwet geen gemeentelijke invulling voor deze toegang. Om die reden is het ook niet apart benoemd in de verordening. Maar voor de volledigheid zijn deze routes wel in de toelichting opgenomen.
Artikel 5.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af. Bij spoedeisende situaties wordt direct gehandeld en snel besloten. Dit gebeurt in afstemming met betrokken organisaties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis. In dergelijke gevallen geldt: eerst de noodzakelijke zorg, daarna zorgvuldig onderzoek.
Artikel 5.2 Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist
De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke dienst van de jeugdhulpaanbieder passend is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. De jeugdhulpaanbieder dient het plan in bij gemeente, de gemeente beoordeelt vervolgens het plan en legt deze naast de afspraken die zijn gemaakt met de jeugdhulpaanbieder in contract- of subsidieafspraken. Daarin is het belangrijk dat de gemeente geen oordeelt velt over de noodzaak van de hulp, maar wel of de hulp die beoogd wordt ook daadwerkelijk de beste zorg is voor de jeugdige. De gemeente stelt vervolgens een beschikking op, waarna de hulp kan starten.
Artikel 5.3 Verwijzing en beschikking door gecertificeerde instellingen
In het kader van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering heeft de gecertificeerde instelling (GI) de wettelijke bevoegdheid om te bepalen of jeugdhulp noodzakelijk is en welke vorm passend is (artikel 3.5, eerste lid, Jeugdwet). Bij jeugdreclassering kunnen ook andere instanties, zoals de rechter, de officier van justitie, de directeur of selectiefunctionaris van een justitiële jeugdinrichting, besluiten dat jeugdhulp nodig is.
De gemeente heeft in deze situaties een leveringsplicht (artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, Jeugdwet): zij moet ervoor zorgen dat de door de GI of andere bevoegde instantie noodzakelijk geachte jeugdhulp beschikbaar komt. Dit laat onverlet dat de gemeente haar verantwoordelijkheid behoudt voor de organisatie, inkoop en financiering van jeugdhulp.
Het voorgeschreven overleg tussen de GI en het college waarborgt dat de inzet van jeugdhulp wordt afgestemd op het beschikbare gecontracteerde aanbod en de lokale beleidsuitgangspunten. Wanneer de GI een voorziening noodzakelijk acht die buiten dit reguliere aanbod valt, wordt dit vooraf besproken met het college. Dit voorkomt onduidelijkheid en zorgt voor transparantie in de uitvoering en financiering.
Tot slot is bepaald dat jeugdhulp pas wordt ingezet nadat een beschikking is afgegeven door de GI en verstrekt aan zowel het college als de aanbieder. Alleen in spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 6.1.2 Jeugdwet kan hiervan worden afgeweken, zodat de veiligheid van het kind altijd voorop staat.
Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.
Hoofdstuk 6. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente
Artikel 6.1. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Bij het onderzoek ter beoordeling van een aanvraag zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Een zorgvuldig onderzoek vereist het doorlopen van de volgende stappen:
Stap 1 - inventariseer de vraag
Wat is de jeugdhulpvraag of opvoedvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1 van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Ook uit andere wettelijke kaders kan de hulp voortvloeien, zoals uit de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Wmo.
Bij het inventariseren van de vraag (en bij de volgende stappen) betrekt het college het familiegroepsplan indien aanwezig.
Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart
Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, beperkingen, psychosociale problemen of psychische stoornissen zijn er?
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast
Welke hulp is noodzakelijk, en in welke omvang? Deze vraag moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren (artikel 2.3 Jeugdwet)
Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is
Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de toereikende van de eigen kracht. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.
Als uit onderzoek naar de factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.
Stap 5 – Bepaling van de passende voorziening
Tot slot wordt vastgesteld welke voorziening nodig is om het verschil (de discrepantie) tussen de noodzakelijke hulp en de eigen mogelijkheden van het gezin te overbruggen. Deze afweging vormt de kern van de jeugdhulpplicht van het college: het bieden van passende ondersteuning waar de eigen kracht tekortschiet.
Artikel 6.2 Verslag van het onderzoek: het gezinsplan
Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een transparante en navolgbare besluitvorming. Na afronding van het onderzoek stelt het college een schriftelijke weergave op van de uitkomsten van het onderzoek: het gezinsplan. Dit plan wordt opgesteld in samenspraak met de jeugdige en diens ouders of wettelijke vertegenwoordiger.
Het gezinsplan bevat geen volledige transcriptie van de gevoerde gesprekken, maar een beknopte en doelgerichte weergave van gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders. De mate van detaillering in het gezinsplan is afhankelijk van de complexiteit van de situatie. Bij een eenvoudige hulpvraag, waarbij geen individuele voorziening nodig is, kan een beperkte weergave volstaan. In meer complexe situaties zal een uitgebreider verslag noodzakelijk zijn.
Een heldere en zorgvuldige verslaglegging maakt het voor het college mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag. Daarnaast draagt het bij aan begrijpelijke en transparante communicatie met de jeugdige en diens ouders.
In dit gezinsplan wordt ook de evaluatie van het traject opgenomen, hierin moet minimaal komen te staan:
Artikel 6.3 Criteria voor toekenning, verstrekking en beëindiging van een individuele voorziening
Artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Dit betreft onder andere de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. In dit artikel is uitvoering gegeven aan deze bepalingen, met de kanttekening dat bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd maatwerk noodzakelijk is.
Dit kan anders liggen wanneer er sprake is van meervoudige problematiek binnen het gezin en tegelijkertijd een hulpvraag van de jeugdige bestaat. In dergelijke gevallen wordt de situatie in samenhang beoordeeld om te bepalen welke ondersteuning passend is.
Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden Budget
Artikel 7.1 Aanvraag met behulp van een pgbplan
Wanneer uit het onderzoek in hoofdstuk 6 blijkt dat jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening nodig is, kan gekozen worden voor hulp via een persoonsgebonden budget (pgb). De jeugdige of ouder moet daarvoor een volledig ingevuld en ondertekend pgb-plan (zorg- en budgetplan) inleveren. Dit plan kan al tijdens de onderzoeksfase worden ingediend, maar moet uiterlijk worden ingeleverd bij de officiële aanvraag van de voorziening.
In Nissewaard wordt gebruikgemaakt van een standaardformulier voor het pgb-plan. Hierin worden niet alleen de aard en omvang van de zorg benoemd, maar ook de momenten waarop deze nodig is én hoe deze bijdraagt aan zelfredzaamheid en participatie. De doelen in het plan moeten concreet zijn, zodat bij evaluatie kan worden vastgesteld of deze zijn bereikt. De gemeente verstrekt tijdens het gesprek de benodigde informatie (mondeling, schriftelijk en digitaal) voor het opstellen en beheren van het pgb.
Indien de jeugdige of ouder niet in staat is zelf de regie te voeren over een pgb, kan een vertegenwoordiger uit het sociale netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger dit op zich nemen, mits deze voldoet aan de gestelde criteria en ook actief deelneemt aan de gesprekken.
Artikel 7.2 Pgbbeheer en vaardigheden
Het college beoordeelt of de jeugdige, de ouder of diens vertegenwoordiger voldoende pgb-vaardig is. Dit gebeurt aan de hand van criteria die gebaseerd zijn op de tien toetsingspunten pgb-vaardigheid van het Ministerie van VWS, zoals vermeld in artikel 2.3.6 lid 2a Jeugdwet. Deze criteria zijn expliciet opgenomen in het artikel en gaan onder andere over het kunnen overzien van de zorgsituatie, communiceren met instanties, administratief vaardig zijn, en kennis hebben van het werkgeverschap. Deze toets is een randvoorwaarde voor het verantwoord inzetten van een pgb.
Artikel 7.3 Motivatie voor een pgb
Een pgb wordt alleen toegekend wanneer de aanvrager gemotiveerd onderbouwt waarom het aanbod in natura niet passend is. Deze motieven zijn nader gespecificeerd (zoals ongebruikelijke tijden of 24-uurs zorg), en zijn essentieel om vast te stellen dat een pgb de beste manier is om passende zorg te realiseren. De motivatie moet helder blijken uit het pgb-plan.
Artikel 7.4 Onderscheid professionele hulp en hulp uit het sociale netwerk
Pgb-hulp vanuit het sociaal netwerk is alle hulp die wordt geboden door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad. Wanneer bloed of aanverwanten werkzaam zijn bij een professionele instelling of professionele ondersteuning bieden als zelfstandige zonder personeel, valt dit onder Pgb-hulp uit het sociaal netwerk.
Wanneer een bloed- of aanverwant geen diploma heeft voor het bieden van de juiste hulp, maar wegens persoonlijke factoren wel van meerwaarde is voor de ondersteuning van de jeugdige dan behoort deze tot hulp vanuit het sociale netwerk zonder diploma.
Een van de voorwaarden voor toekenning van een pgb is dat de hulp die wordt geboden van goede kwaliteit is. Als een persoon uit het sociaal netwerk wordt ingezet, dan hoeft deze niet te voldoen aan de algemene kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Zoals de ‘Verantwoorde werktoedeling’, waaronder registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd.
Het college moet vaststellen of de kwaliteit van de hulp die de persoon uit het sociaal netwerk biedt passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de jeugdige.
De jeugdhulp die wordt ingezet moet ervoor zorgen dat de jeugdige zijn doelen kan realiseren. Er moet dus worden onderzocht of de hulpverlener bekwaam is en of de hulpverlening bijdraagt aan de doelen zoals opgenomen in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet. Verder wordt onderzocht of deze hulp past bij de achtergrond en problematiek van de jeugdige.
Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
Iedere zorgverlener die via een pgb wordt ingezet, moet aan minimale kwaliteitseisen voldoen. Bij hulp uit het sociale netwerk wordt minder nadruk gelegd op formele eisen zoals registratie, maar wordt wel beoordeeld of de hulp kwalitatief toereikend is.
Professionele hulpverleners moeten daarnaast werken volgens een hulpverleningsplan en een systeem van kwaliteitsbewaking hanteren. Voor personen uit het sociaal netwerk gelden aanvullende eisen, afhankelijk van of zij wel of niet gediplomeerd zijn. Er mag nooit sprake zijn van overbelasting van de hulpverlener, en de geboden hulp moet effectief bijdragen aan de doelen van de jeugdige.
Het persoonsgebonden budget (pgb) is bedoeld om jeugdigen en hun ouders de mogelijkheid te geven om zelf de benodigde zorg en ondersteuning in te kopen. De hoogte van het pgb wordt altijd afgestemd op de goedkoopste adequate en tijdig beschikbare individuele voorziening in natura binnen de gemeente. Dit betekent dat het pgb niet hoger is dan wat de gemeente normaal gesproken aan een gecontracteerde aanbieder zou betalen.
Kiezen de jeugdige of ouders voor een duurdere aanbieder dan het door het college aangeboden alternatief, dan komen de extra kosten voor eigen rekening. Het is dus mogelijk om een specifieke aanbieder te kiezen, mits de aanvullende kosten zelf worden betaald.
De hoogte van het pgb is afhankelijk van de aard van de ondersteuning en van de professionaliteit van degene die de ondersteuning verleent. Hierbij wordt onderscheid gemaakt ten opzichte van het tarief voor zorg in natura:
Gedeeltelijke vergoeding (80%): wanneer de ondersteuning wordt geleverd door een gediplomeerde professional die niet in dienst is van een organisatie en ook geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de jeugdige of ouder. Voor deze situatie geldt een lager tarief, omdat wordt verondersteld dat er geen overheadkosten zijn die doorberekend hoeven te worden.
Op deze manier wordt de hoogte van het pgb afgestemd op de aard van de ondersteuning, de kwalificaties van de zorgverlener en het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding, terwijl er ruimte blijft voor maatwerk.
Artikel 7.7 Opschorting betaling uit het pgb
Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.9, aanhef en onderdeel d, van de Jeugdwet, in combinatie met artikel 8b, vierde lid, aanhef en onder f, van de Regeling Jeugdwet, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 8b, vierde lid, van de Regeling Jeugdwet) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet). Met opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.
Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kunnen een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat:
Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doelmatig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.
Verder kan ervoor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de WLZ.
Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van een opname. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stellen de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.
Artikel 7.8 Weigeringsgronden en herzieningsgronden voor het pgb
De gronden waarop een jeugd-pgb kan worden geweigerd zijn gebaseerd op artikel 8.1.1, lid 2 van de Jeugdwet. Daarin zijn de voorwaarden opgenomen waaraan een aanvraag moet voldoen om voor een pgb in aanmerking te komen.
Om te waarborgen dat er een professionele afstand bestaat tussen zorgverlener en zorgaanvrager, is in artikel 6.8, eerste lid, onder a, opgenomen dat een pgb niet wordt toegekend wanneer de relatie tussen vertegenwoordiger en zorgverlener leidt tot financiële afhankelijkheid.
Een pgb-aanvraag kan daarnaast worden geweigerd indien de kosten van het gewenste pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening zoals door het college vastgesteld (artikel 8.1.1, vierde lid, onder a, van de wet). Dit betekent echter niet dat een pgb volledig kan worden geweigerd als de door de jeugdige of ouder gekozen aanbieder duurder is. De jeugdige of ouder kan het verschil zelf bijbetalen, zodat het pgb wordt toegekend voor het bedrag dat overeenkomt met het door het college voorgestelde aanbod.
Voor logeeropvang geldt dat de ouder deze op regelmatige basis kan inzetten voor korte perioden, bijvoorbeeld een weekend. Indien passend, kunnen de toegekende uren ook aaneengesloten worden ingezet voor een langere periode, bijvoorbeeld twee weken tijdens de schoolvakantie. De inzet van logeeropvang wordt altijd vastgelegd in het pgb-plan, zodat duidelijk is hoe en wanneer de ondersteuning wordt ingezet.
Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college mag bepaalde taken uit de Jeugdwet laten uitvoeren door zorgaanbieders. Dat geldt bijvoorbeeld voor jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Alleen het vaststellen van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders mag het college niet uitbesteden (volgens artikel 2.11 van de Jeugdwet).
Om ervoor te zorgen dat de prijs voor deze zorg of ondersteuning in verhouding staat tot de kwaliteit, is in de wet vastgelegd dat de gemeenteraad hierover regels moet opstellen (artikel 2.12 Jeugdwet). Daarbij moet onder andere gekeken worden naar de deskundigheid van het personeel en de arbeidsvoorwaarden die voor hen gelden.
Het is belangrijk dat bij het bepalen van de tarieven niet alleen gekeken wordt naar wie de goedkoopste is. In dit artikel staat daarom dat het college ook andere factoren mee moet nemen, zoals de kwaliteit van het werk en de professionaliteit van het personeel. Zo ontstaat een beter beeld van wat een eerlijke, ‘reële’ prijs is voor het werk dat een aanbieder levert.
Het uitgangspunt is dat aanbieders goed opgeleid personeel inzetten, dat wordt betaald volgens de juiste arbeidsvoorwaarden. Daarvoor moet duidelijk zijn welke werkzaamheden nodig zijn en wat daarbij hoort aan beloning. Dit zorgt ervoor dat medewerkers eerlijk behandeld worden en dat de kwaliteit van zorg gewaarborgd blijft.
Artikel 8.2 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieders en verlener
De kwaliteitseisen voor de jeugdhulpaanbieder en verlener staan beschreven in het Besluit Jeugdwet hoofdstuk 5. Kwaliteitseisen die daarbij nog aanvullend zijn voor de gemeente, zijn opgenomen in bijlage 4 kwaliteitseisen zorgaanbieder. Deze worden in de contracten met de zorgaanbieder ook beschreven. De accountmanagers van de zorgaanbieder zullen tijdens de gesprekken zich ook richten op de geleverde kwaliteit.
Het Toezicht Sociaal Domein (TSD) houdt onder andere in de gaten of organisaties zich houden aan de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. In het TSD werken de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen.
De Jeugdwet bepaalt dat de samenwerkende inspecties toezicht houden op de volgende organisaties (art. 9.1):
Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Onder een calamiteit wordt verstaan:
De zorgaanbieder is verplicht calamiteiten direct bij de gemeente te melden.
Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving
Artikel 9.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s
Dit hoofdstuk betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Op grond van artikel 8.1.3 van de Jeugdwet moeten het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing over een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3 biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is dit artikel toegevoegd, dat bovendien ook ziet op beslissingen over de verlening van individuele voorzieningen. Op grond van deze bepaling moeten het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte individuele voorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de jeugdige, de ouders of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.
De toezichthouder heeft verschillende wettelijke en in de verordening vastgelegde bevoegdheden om goed toezicht te kunnen houden op de uitvoering van de jeugdhulp en het gebruik van persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Deze bevoegdheden zijn noodzakelijk om te kunnen beoordelen of voorzieningen rechtmatig, doelmatig en cliëntgericht worden ingezet en uitgevoerd.
De toezichthouder kan onder meer dossiers en administraties inzien, zowel bij aanbieders als bij cliënten of pgb-beheerders. Ook kan de toezichthouder inlichtingen vorderen, inzage vragen in identificatiebewijzen en andere documenten, en toegang krijgen tot relevante gegevens. Daarnaast heeft de toezichthouder de bevoegdheid plaatsen te betreden (met uitzondering van woningen) en te controleren of (pgb-)aanbieders hun verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of uit de overeenkomst met het college nakomen.
Verder kan de toezichthouder inhoudelijk nagaan of de overeenkomsten die cliënten of pgb-beheerders met aanbieders sluiten aansluiten bij de gegevens en informatie die bij de aanvraag zijn verstrekt. Ook kan worden gecontroleerd of de individuele voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd en kunnen (pgb-)aanbieders vooraf worden gescreend.
Artikel 9.2 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Het eerste en tweede lid zijn waar het betreft pgb’s in hoofdzaak een herhaling van de regeling zoals deze is neergelegd in de artikelen 8.1.2 en 8.1.4 van de Jeugdwet. Deze is hier echter uitgebreid naar individuele voorzieningen (in natura).
Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, hebben het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder f (dat ook op individuele voorzieningen (in natura) ziet).
Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om te veel of ten onrechte verstrek pgb terug te vorderen.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 10 Overgangsrecht en slotbepalingen
De gemeente evalueert het jeugdbeleid. Deze staat los van de landelijke evaluatie, die de lokaal verzamelde gegevens daarvoor kan benutten.
Artikel 10.2 Hardheidsclausule
Juist omdat het in de jeugdwet om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.
In dit artikel is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. Inhoudelijk blijft de voorziening behouden ook al wordt de grond van de verstrekking vervangen door deze verordening.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-557701.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.