Besluit van de raad van de gemeente Nissewaard, houdende regels voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026)

De raad van de gemeente Nissewaard;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 december 2025;

gelet op de artikelen 2.9, 2.11 en 8.1.1 van de Jeugdwet;

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard van 10 september 2025;

gehoord het advies van de commissie Sociaal Domein van 27 november en 4 december 2025;

besluit de Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026 vast te stellen als volgt.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Informatie, ondersteuning en doorverwijzing

  • 1.

    Het college bevordert de zelfredzaamheid en participatie van inwoners, onder meer door:

    • a.

      te helpen bij het verhelderen van de behoefte aan ondersteuning, hulp en zorg;

    • b.

      begrijpelijke informatie te verstrekken over de ondersteuning, hulp en zorg die door andere mensen en organisaties wordt geboden;

    • c.

      te verwijzen en zo nodig hulp te bieden bij de toegang naar de mensen en organisaties, bedoeld onder b.

  • 2.

    Het college voorziet inwoners van begrijpelijke informatie over het gemeentelijk beleid en de uitvoering van de wettelijke taken in het sociaal domein.

  • 3.

    Het college wijst inwoners op de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon en clientondersteuning.

Artikel 1.2 Reikwijdte van deze verordening

Deze verordening geeft regels voor de uitvoering van het plan rondom preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als bedoeld in artikel 2.2 Jeugdwet. De regels voor cliëntenparticipatie als bedoeld in artikel 2.10 Jeugdwet zijn opgenomen in de Verordening Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard en in de Inspraak- en participatieverordening Nissewaard 2020.

Artikel 1.3 Definities

  • 1.

    De definities, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die van toepassing zijn op deze verordening en de daarop berustende bepalingen, staan in bijlage 1 bij deze verordening.

  • 2.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen waarmee de jeugdige of een ouder een sociale relatie onderhoudt.

Hoofdstuk 2 Afstemming van jeugdhulp op wettelijke taken in het sociaal domein

Artikel 2.1 Afstemming met andere wetgeving

Het college stemt de hulp en ondersteuning waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:

  • a.

    de Leerplichtwet;

  • b.

    de Participatiewet;

  • c.

    de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • d.

    de Wet Inburgering 2021;

  • e.

    de Wet kinderopvang;

  • f.

    de Wet langdurige zorg;

  • g.

    de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • h.

    de Wet passend onderwijs;

  • i.

    de Wet publieke gezondheid;

  • j.

    de Wet tijdelijk huisverbod;

  • k.

    de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;

  • l.

    de Zorgverzekeringswet.

Artikel 2.2 Afstemming jeugdhulp en andere hulp aan een ouder

Het college verstrekt alleen een voorziening op het gebied van jeugdhulp. Voor zover de behoefte aan jeugdhulp haar oorsprong vindt bij een ouder en er geen directe hulpvraag van de jeugdige is, worden de ouder en zo nodig ook de jeugdige doorverwezen naar andere passende vormen van ondersteuning, hulp en zorg.

Artikel 2.3 Afstemming jeugdhulp en de Wet langdurige zorg (Wlz)

  • 1.

    Het college verstrekt geen voorziening op het gebied van jeugdhulp als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg en als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft.

  • 2.

    Er wordt in ieder geval geen voorziening op het gebied van jeugdhulp verstrekt als er een indicatie is voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, zoals voor:

    • a.

      logeeropvang voor jeugdigen;

    • b.

      verblijf in een instelling;

    • c.

      vervoer van en naar een locatie;

    • d.

      behandeling van psychische stoornissen, mits deze een integraal onderdeel uitmaakt van de geboden zorg.

  • 3.

    Het college verstrekt geen voorziening op het gebied van jeugdhulp indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in het derde lid beëindigt het college een voorziening op het gebied van jeugdhulp vanaf de datum waarop een soortgelijke voorziening op grond van de Wet langdurige zorg wordt verleend.

Artikel 2.4 Afstemming jeugdhulp en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

  • 1.

    Het college verleent geen voorziening op het gebied van jeugdhulp indien aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, zoals:

    • a.

      hulpmiddelen, woningaanpassingen of een gebarentolk;

    • b.

      een vervoersvoorziening om te kunnen reizen naar verschillende locaties, zoals sportverenigingen of recreatieplekken;

    • c.

      een maatwerkvoorziening voor opvang, indien een jeugdige met een ouder meekomt wanneer die ouder de thuissituatie moet verlaten, bijvoorbeeld vanwege huiselijk geweld, mishandeling of huisuitzetting.

Artikel 2.5 Afstemming jeugdhulp en Wet passend onderwijs

  • 1.

    Bij hulpvragen die te maken hebben met onderwijs en waarvoor geen duidelijk onderscheid te maken is tussen de verantwoordelijkheid van het onderwijs en die van de jeugdhulp, werken onderwijs en jeugdhulp altijd samen aan een passende oplossing. Dit gebeurt met behulp van een onderwijs-ontwikkelperspectiefplan en een onderwijs-jeugdhulparrangement.

  • 2.

    Het college verleent geen voorziening op het gebied van jeugdhulp:

    • a.

      voor ondersteuning die primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of het doorlopen van het onderwijsprogramma;

    • b.

      voor zover aanspraak bestaat op ondersteuning op grond van de Wet passend onderwijs;

    • c.

      voor leerlingenvervoer.

  • 3.

    Wanneer ondersteuning bijdraagt aan meerdere leefgebieden, maar ook onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt, wordt hiervoor in beginsel geen jeugdhulpvoorziening toegekend.

  • 4.

    Als een jeugdige op school begeleiding of persoonlijke verzorging nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problematiek, dan valt dit onder de Jeugdwet. Hierbij zijn algemene voorzieningen voorliggend op individuele voorzieningen.

  • 5.

    Een integrale samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is altijd uitgangspunt bij onderwijs gerelateerde jeugdhulpvragen, tenzij sprake is van een vrijstelling op grond van artikel 5a van de Leerplichtwet. Dan valt de ondersteuning die nodig is volledig onder de Jeugdwet.

Artikel 2.6 Afstemming jeugdhulp en Zorgverzekeringswet

  • 1.

    Het college verleent alleen een voorziening op het gebied van jeugdhulp:

    • a.

      voor persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen;

    • b.

      voor het verblijf van jeugdige buiten de thuissituatie, niet zijnde een ziekenhuisverblijf.

  • 2.

    Het college verleent geen voorziening op het gebied van jeugdhulp als een jeugdige medische zorg nodig heeft, zoals hulpmiddelenzorg, ziekenvervoer of zintuigelijke gehandicaptenzorg.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid verleent het college wel een voorziening als meer oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg op grond van de Zorgverzekeringswet als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen.

  • 4.

    Indien een jeugdige gebruikmaakt van medicatiecontrole binnen de Jeugdwet, eindigt de toewijzing voor jeugdhulp uiterlijk op de dag waarop de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 2.7 Vervolg na afstemming met andere wetgeving

  • 1.

    De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:

    • a.

      het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

    • c.

      een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.

  • 2.

    Het college weegt bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;

    • b.

      de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in hoofdstuk 3, en de mogelijkheden van het sociaal netwerk;

    • c.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • d.

      welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

  • 3.

    Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt en naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in artikel 2.7, is het college verantwoordelijk om:

    • a.

      voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is en een toekomstplan te maken voor de jeugdige zoals bedoeld in artikel 6.2.

  • 4.

    Indien een jeugdige of diens ouder weigert mee te werken aan de ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, is het college niet gehouden het onderzoek op grond van deze verordening voort te zetten of een individuele voorziening toe te kennen.

  • 5.

    Het tweede lid is niet van toepassing in geval van een crisissituatie waarbij de veiligheid van de jeugdige ernstig in het geding is. In een dergelijke situatie kan het college met spoed contact opnemen met de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van het inzetten van passende crisishulp.

Hoofdstuk 3 Eigen kracht en gebruikelijke hulp

Artikel 3.1 Recht jeugdhulp in relatie tot eigen kracht en gebruikelijke hulp

  • 1.

    Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van een jeugdige, opvoedingsproblemen van een ouder of adoptie gerelateerde problemen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Op basis van artikel 1:247 van het Burgerlijk wetboek zijn ouders verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kind.

  • 2.

    Op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet stemt het college de benodigde jeugdhulp onder meer af op de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder. Het gaat hier om de eigen kracht, gebruikelijke hulp en boven gebruikelijke hulp die van een jeugdige of een ouder mogen worden verwacht.

  • 3.

    Als de jeugdige en ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp deels vergoedt, wordt van de ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

Artikel 3.2 Eigen kracht

  • 1.

    De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders omvat hun mogelijkheden tot behoud of herstel van het gezinsleven en het dagelijks leven. Eigen kracht omvat daarnaast de inzet van mensen uit het sociaal netwerk en vrijwilligers en het aanspreken van de door de jeugdige en zijn ouders afgesloten aanvullende zorgverzekering.

  • 2.

    Het college onderzoekt voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van de jeugdige en zijn gezin

    • a.

      of de ouders in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, en als dat mogelijk is, welke hulp van ieder van hen wordt verwacht;

    • b.

      wat de samenstelling van het gezin en de woonsituatie is;

    • c.

      wat de draagkracht en belastbaarheid van de ouders is.

  • 3.

    Van ouders wordt verwacht dat zij de zorg en ondersteuning bieden die binnen hun eigen mogelijkheden en draagkracht ligt. De inzet van gebruikelijke hulp als bedoeld in artikel 3.3 geldt daarbij als minimumniveau.

  • 4.

    In beginsel wordt geen individuele voorziening ingezet voor het deel waarvoor ouders en jeugdige hun eigen kracht en sociaal netwerk niet inzetten, terwijl dit wel verwacht mag worden. Hierop wordt slechts een uitzondering gemaakt wanneer de jeugdige daardoor in onmiddellijk gevaar komt.

  • 5.

    Slechts voor zover de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn treft het college een voorziening van jeugdhulp.

Artikel 3.3 Gebruikelijke en boven-gebruikelijke hulp

  • 1.

    Tot de eigen mogelijkheden, als bedoeld in artikel 3.2, behoort zowel gebruikelijke als boven-gebruikelijke hulp.

  • 2.

    Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die past bij de ontwikkelingsfase van de jeugdige en die ouders geacht worden te bieden. Het ontwikkelprofiel waaruit gebruikelijke hulp blijkt, is opgenomen in bijlage 2. Indien de benodigde ondersteuning onder gebruikelijke hulp valt, wordt dit gerekend tot de eigen mogelijkheden van het gezin en wordt geen jeugdhulpvoorziening verstrekt. Indien ouders vanwege een beperking niet in staat zijn gebruikelijke hulp te bieden, komt dit naar voren in het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 6.

  • 3.

    Onder gebruikelijke hulp valt voorts dat ouders normale problemen van de tot hun gezin behorende jeugdige binnen hun eigen mogelijkheden oplossen. Het profiel waaruit normale problemen blijken, is opgenomen in bijlage 3. Voor deze problemen wordt geen jeugdhulpvoorziening verstrekt; ouders kunnen hiervoor gebruik maken van de voorliggende voorzieningen zoals bedoeld in artikel 4.1.

  • 4.

    Onder boven-gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die uitstijgt boven wat in de ontwikkelingsfase van de jeugdige redelijkerwijs van ouders kan worden verwacht. Ouders zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het bieden van boven-gebruikelijke hulp. Het college beoordeelt of en in hoeverre dit, gelet op de draagkracht en draaglast van de ouders en hun sociaal netwerk, van hen kan worden verwacht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a.

      kortdurende situaties, waarbij naar verwachting binnen maximaal drie maanden herstel optreedt;

    • b.

      langdurige situaties, waarbij naar verwachting jeugdhulp voor een periode langer dan drie maanden of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar noodzakelijk is.

  • 5.

    In kortdurende situaties wordt van ouders verwacht dat zij boven-gebruikelijke hulp bieden, tenzij dit, gelet op de aard van de hulp of een aantoonbare overbelasting, redelijkerwijs niet van hen kan worden verlangd.

  • 6.

    In langdurige situaties weegt het college bij de beoordeling van de eigen kracht in ieder geval mee:

    • a.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de intensiteit en duur van de benodigde ondersteuning;

    • c.

      de draagkracht en belastbaarheid van ouders en hun sociaal netwerk;

    • d.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • e.

      de mogelijkheden van ouders om in hun inkomen te voorzien.

  • 7.

    Het enkele feit dat ouders meer doen dan gebruikelijke hulp, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat hun eigen kracht is overschreden of dat recht bestaat op een individuele voorziening. Een individuele voorziening wordt slechts verstrekt indien is vastgesteld dat de benodigde ondersteuning de eigen mogelijkheden van de jeugdige en de ouders daadwerkelijk overstijgt.

Artikel 3.4 Overbelasting

  • 1.

    Bij uitval of overbelasting van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de jeugdige over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof. Is dit niet mogelijk, dan worden andere voorliggende voorzieningen, zoals kinderopvang, opvang op school en naschoolse opvang, ingezet. Daarbij wordt gekeken naar wat in redelijkheid door het sociaal netwerk van het gezin kan worden opgevangen. Zijn deze mogelijkheden maximaal benut of afwezig, dan kan een jeugdhulpvoorziening worden getroffen.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij uitval of overbelasting van de ouder in een éénoudergezin. In dat geval wordt eerst bekeken in hoeverre voorliggende voorzieningen of het sociaal netwerk van het gezin kunnen worden ingezet. Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende of afwezig zijn, kan een jeugdhulpvoorziening worden getroffen.

  • 3.

    Een jeugdhulpvoorziening wordt niet getroffen als de uitval of overbelasting niet wordt veroorzaakt door de hulp aan de jeugdige.

Hoofdstuk 4 Vormen van jeugdhulp

Artikel 4.1 Algemene voorzieningen

In ieder geval zijn de volgende jeugdhulpvoorzieningen vrij toegankelijk voor een jeugdige of ouders:

  • a.

    jeugdgezondheidszorg;

  • b.

    huisartsenzorg, in samenhang met de praktijkondersteuning;

  • c.

    schoolmaatschappelijk werk;

  • d.

    jongerenwerk;

  • e.

    jeugd en gezinsondersteuning.

Artikel 4.2 Individuele voorzieningen

  • 1.

    Voor zover algemene voorzieningen en overige voorzieningen ontoereikend zijn, treft het college een individuele voorziening op het gebied van jeugdhulp.

  • 2.

    Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening begeleiding jeugd. Deze voorziening wordt ingezet voor jeugdigen met vormen van gedrags- of ontwikkelingsproblemen en hierbij betrokken opvoeders, die praktische handvatten nodig hebben om om te gaan met hun gedrags- of ontwikkelingsproblemen. Daarbij is er begeleiding nodig om optimaal gebruik te maken van helpend netwerk en hulpmiddelen in de omgeving van de jeugdigen. Deze voorziening kan alleen worden gecombineerd met andere voorzieningen als deze op verschillende tijdstippen worden ingezet. Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      de jeugdige heeft al een indicatie voor individuele begeleiding;

    • b.

      de voornaamste ondersteuningsbehoefte van de jeugdige ligt op het leerproces binnen het onderwijs;

  • 3.

    Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening begeleiding complex. Deze voorziening wordt ingezet voor jeugdigen met ernstige klachten op meer leefgebieden tegelijk. Dit ten gevolge van psychische problematiek, een beperkte ontwikkelingsachterstand, een verstandelijke beperking of gedragsproblematiek, voor zover jeugdigen en het gezin onvoldoende profijt hebben van een steunend netwerk of hulpmiddelen. Bij de jeugdige is er sprake van veiligheidsrisico’s. Er zijn weinig beschermende factoren en veel risicofactoren op niveau van de jeugdige, gezin en omgeving en er is sprake zijn van escalatie van problematiek. Deze voorziening kan alleen worden gecombineerd met andere voorzieningen als deze op verschillende tijdstippen worden ingezet. Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      de jeugdige heeft al een indicatie voor individuele begeleiding;

    • b.

      de voornaamste ondersteuningsbehoefte van de jeugdige ligt op het leerproces binnen het onderwijs;

  • 4.

    Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening daghulp jeugd. Deze voorziening jeugd betreft een tijdelijk dagprogramma met intensieve begeleiding - in een groep - voor jeugdigen die zijn uitgevallen in het onderwijs. De inzet is met name gericht op een optimale ontwikkeling van de jeugdige: het versterken van de zelfredzaamheid, ontplooiing, psychosociale ontwikkeling, met als perspectief het toe leiden naar een vorm van onderwijs, of werk, of werkleertrajecten. Daghulp kan worden ingezet voor jeugdigen van 5 tot 18 jaar die vanwege een ziekte of beperking niet naar school gaan en een ontheffing van de leerplicht hebben op grond van artikel 5a van de Leerplichtwet.

  • Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      daghulp kan niet gelijktijdig worden ingezet als er ook een indicatie is vanuit de Wet langdurige zorg;

    • b.

      de jeugdige heeft geen ontheffing van de leerplicht op de grond van artikel 5a van de Leerplichtwet.

  • 5.

    Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening basis GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. De behandeling GGZ jeugd is gericht op behandelen van matige, psychische of psychiatrische problematiek waarbij eenduidige vormen van behandeling mogelijk zijn en waarvan het beloop redelijk voorspelbaar is.

    Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling;

    • b.

      ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van basis GGZ niet noodzakelijk is.

  • 6.

    Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening laagcomplex GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. De laagcomplexe GGZ is gericht op behandelen van matig tot ernstige psychische of psychiatrische problematiek waarbij eenduidige vormen van behandeling mogelijk zijn en waarvan het beloop redelijke voorspelbaar is. Ook kan het gaan om een jeugdige die eerder hoog complexe specialistische GGZ heeft gehad en waarvan de situatie is gestabiliseerd en redelijke voorspelbaar is geworden waardoor afschalen mogelijk is. Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling;

    • b.

      ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening of basis GGZ jeugd biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van laagcomplex GGZ niet noodzakelijk is.

  • 7.

    Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening hoogcomplex GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. Bij hoogcomplexe problematiek gaat het over vaak ernstige psychische problemen waarbij het niet direct duidelijk is welke behandeling of begeleiding nodig is. Vaak spelen er meerdere psychische problemen, al dan niet met somatische of psychosociale multimorbiditeit, waarbij de interactie tussen die problemen of de ontwrichtende impact van de problemen op andere levensgebieden op de voorgrond staat. Standaarden helpen onvoldoende om na de probleemanalyse te bepalen wat het best passende zorgaanbod is.

    Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling;

    • b.

      ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening, basis GGZ of laagcomplexe GGZ biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van hoogcomplexe GGZ niet noodzakelijk is.

  • 8.

    Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening HBO plus behandeling. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige voor zijn gedrags- of ontwikkelingsproblematiek. Dit kan bestaan uit een vaktherapie of een andere post-hbo therapievorm zoals systeemtherapie of psychotherapie.

    Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling;

    • b.

      ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van HBO + therapie niet noodzakelijk is.

  • 9.

    Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening groepsbehandeling jeugd. Deze voorziening betreft de behandeling van de jeugdige in groepsverband op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. Van groepsbehandeling is sprake als er verbeterdoelen zijn geformuleerd die op een gestructureerde en programmatische manier worden nagestreefd, en waarvoor specifieke deskundigheid is vereist. Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling;

    • b.

      ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van groepsbehandeling niet noodzakelijk is.

  • 10.

    Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening behandeling jeugd met een beperking. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige, gericht op het ontwikkelen en aanleren van praktische, cognitieve en emotionele vaardigheden en het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de jeugdige. Ook worden de opvoedvaardigheden, naar aanleiding van de behandeling, van ouders meegenomen om de interactie binnen het gezin en op school te verbeteren. Hierbij worden de mogelijkheden van de jeugdige optimaal benut, zodat een zo zelfstandig mogelijk niveau van functioneren bereikt kan worden.

    Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige zonder een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

  • 11.

    Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening medicatie controle. Deze voorziening betreft de consulten die nodig zijn voor het voorschrijven, het bespreken van de effecten van, of het stoppen met het nemen van medicatie. Bepaalde handelingen ten aanzien van de medicatie zoals het organiseren en het gebruik van de medicatie, vallen onder de Zorgverzekeringswet.

    Deze voorziening is alleen beschikbaar voor een jeugdige die geen aanspraak heeft op een arrangement regionale jeugdhulp van de GRJR met het tweede resultaatgebied behandeling.

  • 12.

    Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening logeren. Deze voorziening betreft kortdurend verblijf en deze wordt ingezet als respijtzorg voor ouders of als een voorziening om de jeugdige een time-out te bieden. Het is aanvullend op noodzakelijke ondersteuning en zorg thuis. In een huiselijke omgeving wordt logeeropvang geboden, waarbij ontwikkelingsgerichte begeleiding, inclusief persoonlijke verzorging indien noodzakelijk, wordt geboden en toezicht of zorg, 24 uur per dag, noodzakelijk is.

    Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige met een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

  • 13.

    Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening persoonlijke verzorging. Deze voorziening betreft het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging, voor zover dat noodzakelijk is. Het gaat hierbij om planbare hulp bij taken rondom de algemene dagelijkse levensverrichtingen, zoals zich wassen, kleden en toiletgang en hulp bij beperkingen op het vlak van zelfverzorging, zoals mond- en haarverzorging. Ook gaat het om het stimuleren van de jeugdige bij het zelfstandig uitvoeren van de persoonlijke verzorging.

    Uitsluitingsgronden zijn:

    • a.

      er kan aanspraak worden gemaakt op zorg op grond van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

    • b.

      de persoonlijke verzorging betreft taken die vallen onder de gebruikelijke hulp passend bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige;

    • c.

      er is al een andere voorziening ingezet waar persoonlijke verzorging een onderdeel van is, waaronder de persoonlijke verzorging die het onderwijs tenminste per week behoort te bieden.

  • 14.

    Het college draagt zorg voor de individuele voorziening dyslexie zorg. Deze voorziening betreft de zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie. Dyslexie zorg is alleen toegankelijk voor de jeugdige nadat de dyslexie-specialist van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs op basis van het protocol dyslexie diagnostiek en behandeling van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van ernstige dyslexie noodzakelijk is.

    Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige die ouder is dan 13 jaar.

  • 15.

    De volgende individuele voorzieningen hebben de volgende maximale looptijd:

    • a.

      begeleiding Jeugd: maximaal 1 jaar met de mogelijkheid voor het college tot 1 verlenging voor maximaal 1 jaar.

    • b.

      begeleiding Complex: maximaal 6 maanden met de mogelijkheid voor het college tot 1 verlenging voor maximaal 6 maanden.

    • c.

      daghulp Jeugd: maximaal 1 jaar;

    • d.

      basis GGZ Jeugd: maximaal 1,5 jaar;

    • e.

      laagcomplex GGZ Jeugd: maximaal 1,5 jaar;

    • f.

      hoogcomplex GGZ Jeugd: maximaal 1,5 jaar;

    • g.

      HBO plus behandeling: maximaal 1 jaar;

    • h.

      groepsbehandeling Jeugd: maximaal 1 jaar;

    • i.

      behandeling jeugd met een beperking: maximaal 1,5 jaar;

    • j.

      medicatie controle: maximaal 3 jaar;

    • k.

      logeren: maximaal 6 maanden;

    • l.

      persoonlijke verzorging: maximaal 1 jaar.

    • m.

      dyslexie; maximaal 1,5 jaar.

  • 16.

    Het college kan de looptijd, bedoeld in het vijftiende lid, alleen verlengen als de noodzaak daartoe na evaluatie van het gebruik van de voorziening wordt vastgesteld. Voor de begeleiding Jeugd en de begeleiding Complex kan dat slechts voor de maximale looptijd, bedoeld in deze onderdelen.

  • 17.

    Het college stelt, op basis van het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 6, vast welke omvang en duur van jeugdhulp noodzakelijk is. Het college maakt, in het kader van de inkoop- of subsidierelatie, met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over de individuele voorzieningen, in ieder geval met betrekking tot:

    • a.

      doelgroepen;

    • b.

      activiteiten;

    • c.

      doorlooptijd;

    • d.

      intensiteit;

    • e.

      kwaliteit;

    • f.

      beoogd resultaat; en

    • g.

      vermelding van de productcode volgens de informatiestandaard Jeugdwet (iJw).

  • 18.

    Het college biedt naast de bovengenoemde individuele voorzieningen ook collectieve voorzieningen op maat voor jeugdigen die zowel ondersteuning in het onderwijs als jeugdhulp nodig hebben.

Artikel 4.3 Vervoersvoorziening voor een jeugdige tot en met 11 jaar

  • 1.

    Een jeugdige in de leeftijd tot en met 11 jaar is niet zelfredzaam in het verkeer en heeft begeleiding nodig van ouders of een persoon die tot zijn sociale omgeving behoort. Gebruikelijke hulp omvat dus ook het vervoer van de jeugdige tussen het woonadres dan wel het adres waar hij daadwerkelijk verblijft en de locatie waar jeugdhulp aan hem wordt geboden.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen getroffen als het vervoer door een medische noodzaak bij de jeugdige de boven gebruikelijke hulp, als bedoeld in hoofdstuk 3, overtreft. Dat is alleen het geval als aangepast vervoer noodzakelijk is en de enkele reisafstand meer is dan 3 kilometer.

  • 3.

    De enkele reisafstand wordt gemeten volgens de ANWB-routeplanner voor de kortste route tussen de adressen, bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    De voorziening die kan worden getroffen, betreft groepsvervoer per taxi door gecontracteerde vervoerder. Alleen als dat niet mogelijk is, kan een individuele vervoersvoorziening worden getroffen.

  • 5.

    De hoogte van de vergoeding per kilometer wordt vastgesteld overeenkomstig de nadere regels van het college. De afstand van de retourreis wordt berekend zoals bedoeld in het derde lid. Het totaal aantal kilometers wordt afgerond op het eerstvolgende hele getal naar boven. Kosten voor veerponten worden niet vergoed.

Artikel 4.4 Vervoersvoorziening voor een jeugdige van 12 jaar tot en met 17 jaar

  • 1.

    Een jeugdige in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar kan zelfstandig reizen tussen zijn woonadres dan wel het adres waar hij daadwerkelijk verblijft en de locatie waar jeugdhulp aan hem wordt geboden.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen getroffen als het vervoer door een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid bij de jeugdige niet zelfstandig kan plaatsvinden.

  • 3.

    Indien een jeugdige niet zelfstandig kan reizen, wordt een vervoersvoorziening verstrekt:

    • a.

      als er een medische noodzaak is voor het vervoer, dan kan een vervoersvoorziening worden verstrekt overeenkomstig wat bepaald is in artikel 4.3, derde tot en met vijfde lid;

    • b.

      als er een beperking is in de zelfredzaamheid, dan wordt de goedkoopst adequate vervoersvoorziening verstrekt. Dit wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria;

      • i.

        als vervoer te voet, per fiets of brommer onder begeleiding van een volwassene mogelijk is, dan is dit vervoer adequaat bij een enkele reisafstand tot 30 minuten, gemeten volgens wat bepaald is in artikel 4.4, derde lid, naar het vervoer per fiets;

      • ii.

        als vervoer onder i niet mogelijk is, is openbaar vervoer adequaat, waarbij alleen indien noodzakelijk ook een vergoeding kan worden verstrekt voor een begeleider;

      • iii.

        als vervoer onder ii niet mogelijk is, is vervoer per auto adequaat, overeenkomstig artikel 4.4, vierde lid.

  • 4.

    Artikel 4.4, derde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5 Toegang tot jeugdhulp

Artikel 5.1 Toegang tot jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt ingediend bij het college en bevat ten minste:

    • a.

      de persoonsgegevens van de jeugdige en diens gezin;

    • b.

      een omschrijving van de ervaren problemen;

    • c.

      een overzicht van de reeds ondernomen acties om de problemen zelfstandig op te lossen.

  • 2.

    Het college stelt de jeugdige of zijn ouders in de gelegenheid om voorafgaand aan de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen als bedoeld in artikel 4.1 van de Jeugdwet, en biedt desgevraagd ondersteuning bij het opstellen daarvan.

  • 3.

    Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 4.

    In spoedeisende gevallen beslist het college direct tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Het college kan dit doen in samenwerking met de Raad van kinderbescherming en Veilig Thuis.

Artikel 5.2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Een huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan een jeugdige of ouders verwijzen naar het college voor het doen van onderzoek naar passende jeugdhulp.

  • 2.

    Deze verwijzers kunnen de jeugdige of ouders ook rechtstreeks doorverwijzen naar een jeugdhulpaanbieder voor een individuele voorziening. De wettelijke verwijzer stelt de noodzaak vast, die de jeugdhulpaanbieder overneemt.

  • 3.

    Indien sprake is van een verwijzing zoals bedoeld in het tweede lid, stelt de jeugdhulpaanbieder, met inachtneming van zijn contractuele of subsidierelatie met het college, aard en omvang van de te verlenen jeugdhulp vast. De aanbieder verstrekt deze gegevens aan het college ten behoeve van het opstellen van een deugdelijk gemotiveerde beschikking.

  • 4.

    Het college neemt, op basis van de aangeleverde gegevens, een beschikking tot toekenning van een individuele voorziening. Een afschrift van deze beschikking wordt verstrekt aan zowel de jeugdhulpaanbieder als de jeugdige of ouders.

  • 5.

    De jeugdhulpaanbieder kan pas overgaan tot het verlenen van de voorziening nadat het afschrift van de beschikking is ontvangen, tenzij sprake is van een situatie waarin onmiddellijke inzet van jeugdhulp noodzakelijk is. In dat geval wordt de inzet van jeugdhulp zo spoedig mogelijk bevestigd in een beschikking.

  • 6.

    Als de verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts betrekking heeft op een aanbieder die niet onder verantwoordelijkheid van het college werkzaam is, verstrekt het college slechts een individuele voorziening indien uit onderzoek blijkt dat de benodigde jeugdhulp niet kan worden geleverd door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder.

Artikel 5.3 Verwijzing en beschikking door gecertificeerde instellingen

  • 1.

    De gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.

  • 2.

    Het overleg tussen de gecertificeerde instelling en het college heeft tot doel afstemming te waarborgen over de inzet van passende jeugdhulp, rekening houdend met het beschikbare aanbod, contractuele afspraken en lokale beleidsuitgangspunten.

  • 3.

    Als de gecertificeerde instelling een voorziening noodzakelijk acht die buiten het reguliere gecontracteerde of gesubsidieerde aanbod valt, wordt voorafgaand aan het afgeven van de beschikking overleg gevoerd met het college.

  • 4.

    De gecertificeerde instelling verstrekt een beschikking aan het college en aan de jeugdhulpaanbieder. De betreffende jeugdhulp wordt pas ingezet nadat de beschikking is afgegeven, tenzij sprake is van spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 6.1.2 van de Jeugdwet.

Hoofdstuk 6 Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente

Artikel 6.1 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1.

    Het college stelt in samenspraak met een jeugdige en ouders de hulpvraag vast, in samenhang met de hulp en ondersteuning en de daarbij verzamelde gegevens.

  • 2.

    Het college onderzoekt;

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van een jeugdige en ouders, de veiligheid en ontwikkeling van een jeugdige en de gezinssituatie;

    • b.

      de aanwezigheid van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van een jeugdige, opvoedingsproblemen van ouders of adoptie gerelateerde problemen, en als deze er zijn:

      • i.

        welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • ii.

        welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor een jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

    • c.

      in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige, ouders en de personen die tot hun sociaal netwerk behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, zoals beschreven in hoofdstuk 3; en

    • d.

      voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp, zorg en het vergroten van de eigen mogelijkheden van een jeugdige en ouders.

  • 3.

    Als een jeugdige of ouders een familiegroepsplan heeft opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoeksverslag.

  • 4.

    Een jeugdige en ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

  • 5.

    Een jeugdige en ouders zijn verplicht om medewerking te verlenen aan het college voor de uitvoering van de Jeugdwet, waaronder ook wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een of meerdere deskundigen als het college dit noodzakelijk acht voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 6.2 Verslag van het onderzoek: het gezinsplan

  • 1.

    Na het onderzoek verstrekt het college aan een jeugdige of ouders een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen worden aan het gezinsplan toegevoegd.

  • 2.

    In het gezinsplan wordt opgenomen welke inspanningen de jeugdhulpaanbieder verricht, overeenkomstig de professionele standaard, bedoeld in artikel 8.2, die van hem verwacht mag worden, om de jeugdhulp doelgericht en doelmatig te verlenen.

  • 3.

    In dit gezinsplan wordt de evaluatie van het traject opgenomen. Hierin staat ten minste:

    • a.

      het tijdpad voor de evaluatie, afhankelijk van de beschikte duur van de zorg;

    • b.

      dat de verlening van jeugdhulp wordt geëvalueerd met de jeugdige, de ouders en de jeugdhulpaanbieder en anderen die bij de jeugdhulp zijn betrokken, zoals personen uit het sociaal netwerk, van de betrokken onderwijsinstantie of een andere betrokken zorgaanbieder;

    • c.

      de inspanningen en daardoor te behalen concrete doelen die geëvalueerd moet worden;

    • d.

      de manier waarop wordt bepaald dat aan de kwaliteitseisen wordt voldaan.

  • 4.

    Evaluatie kan ook plaats vinden buiten het tijdspad als het college daar aanleiding toe ziet, naar aanleiding van signalen van de jeugdige of ouders, of vanuit de jeugdhulpaanbieder.

  • 5.

    Wanneer een jeugdige 16,5 jaar is wordt er een toekomstplan gemaakt door het college, in samenwerking met de jeugdige en betrokken zorgaanbieder. Het toekomstplan geeft richting aan hetgeen wat de jeugdige nodig heeft na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Hierin staat ten minste:

    • a.

      huidige stand van zaken op de leefgebieden wonen, werken, school, inkomen, vrije tijd, vrienden en support;

    • b.

      welke doelen de jeugdige nog wenst en dient te behalen om voldoende zelfstandig te worden;

    • c.

      welke inspanningen er nodig zijn om de doelen te behalen.

Artikel 6.3 Criteria voor toekenning, verstrekking en beëindiging van een individuele voorziening

  • 1.

    Een jeugdige of ouder komt in aanmerking voor een individuele voorziening, als het college vaststelt dat:

    • a.

      er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen; én

    • b.

      dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn; én

    • c.

      dat de hulpvraag niet kan worden opgelost of verminderd door:

      • i.

        gebruik te maken van een verzekering die is afgesloten;

      • ii.

        gebruik te maken van een algemene voorziening;

      • iii.

        gebruik te maken van andere hulp, ondersteuning, activiteiten, diensten of middelen op grond van andere wetgeving, zoals bedoeld in hoofdstuk 2;

      • iv.

        ondersteuning binnen het sociaal netwerk.

  • 2.

    Er wordt geen individuele voorziening verstrekt voor ondersteuning voor normale ontwikkelingsbehoeften van jeugdigen, passend bij hun leeftijd en ontwikkelingsfase.

  • 3.

    Als een jeugdige of ouder een voorziening op eigen initiatief heeft gerealiseerd of geaccepteerd tussen de melding en het besluit van het college, wordt hiervoor geen vergoeding verstrekt, tenzij:

    • a.

      het college vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven; of

    • b.

      het college achteraf kan vaststellen dat de voorziening noodzakelijk en passend was, en de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

  • 4.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate en tijdig beschikbare voorziening.

  • 5.

    Het college kent een individuele voorziening alleen toe als deze naar verwachting doeltreffend is. De doeltreffendheid wordt beoordeeld op basis van:

    • a.

      de bijdrage aan het oplossen van de hulpvraag; en

    • b.

      waar mogelijk, het gebruik van een bewezen effectieve interventie, en nooit een aantoonbaar ineffectieve interventie.

  • 6.

    Een interventie geldt als bewezen effectief indien de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie is erkend in ten minste één van de volgende databanken:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank interventies gehandicaptenzorg.

  • 7.

    Als de ondersteuning zich in hoofdzaak richt op ouders vanwege eigen maatschappelijke, psychische of relationele problemen, en geen sprake is van een jeugdhulpbehoefte bij de jeugdige zelf, wordt geen individuele voorziening toegekend op grond van deze verordening. Dit is anders indien sprake is van meervoudige problematiek binnen het gezin en parallel daaraan een hulpvraag van de jeugdige.

  • 8.

    Het college kan een besluit tot toekenning van een individuele voorziening herzien, wijzigen, intrekken of beëindigen als:

    • a.

      de jeugdige of ouders onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en juiste gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of ouders niet langer op de voorziening is aangewezen;

    • c.

      de voorziening niet meer toereikend wordt geacht;

    • d.

      niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan de voorziening zijn verbonden; of

    • e.

      de voorziening wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verstrekt.

Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget

Artikel 7.1 Aanvraag met behulp van een pgbplan

  • 1.

    Als uit het onderzoek, bedoeld in hoofdstuk 6, blijkt dat jeugdhulp als individuele voorziening noodzakelijk is, kan de jeugdige of ouders het college verzoeken om verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb) waarmee hij de benodigde jeugdhulp van een derde kan inkopen. Een aanvraag van een pgb kan alleen worden gedaan met behulp van een pgbplan, dat tenminste het volgende bevat:

    • a.

      de doelen en resultaten van de in te kopen hulp of ondersteuning;

    • b.

      hoe de jeugdige of zijn ouders de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

    • c.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is;

    • d.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • e.

      op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; en

    • f.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in uren, uurtarief en frequentie.

  • 2.

    Als de jeugdige of ouders zelf niet beschikt over de benodigde vaardigheden om de regie te voeren over een pgb, kan toch een pgb worden verstrekt als een daartoe gevolmachtigde persoon uit zijn sociale netwerk of zijn wettelijk vertegenwoordiger de regie kan voeren. Deze persoon is in dat geval ook bij de aanvraaggesprekken aanwezig en zal aan de criteria voor de aanvraag en het beheer van het pgb moeten voldoen.

  • 3.

    Ouders krijgen tijdens een gesprek alle informatie die nodig is voor het opstellen van een pgbplan. De gemeente biedt geen ondersteuning bij het invullen van het pgbplan.

Artikel 7.2 Pgbbeheer en vaardigheden

  • 1.

    Bij de verstrekking van een pgb is de jeugdige of ouders verantwoordelijk voor de besteding van het pgb.

  • 2.

    Een pgb kan alleen worden beheerd als de jeugdige of ouders dan wel zijn vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, over de nodige vaardigheden beschikt. De vaardigheden worden getoetst aan de hand van de volgende criteria:

    • a.

      de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger overziet de situatie van de zorgvrager en heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag;

    • b.

      de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of weet deze informatie zelf bij de desbetreffende instanties te vinden;

    • c.

      uit de aanvraag blijkt wat het doel is van de ondersteuning en welke prestaties er worden geleverd in relatie tot de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of ouders in samenhang met de thuissituatie, huisgenoten, mantelzorgers, vrijwilligers, het sociaal netwerk of andere professionals;

    • d.

      uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger in staat is om te beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • e.

      uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger inhoudelijk in staat is om te overleggen met de zorgverlener, huisgenoten, mantelzorgers, het sociale netwerk en andere professionals en om de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg ook door kan gaan bij verlof en ziekte van de zorgverlener;

    • f.

      uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger in staat is om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • g.

      de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger is in staat om afspraken te maken met de zorgverlener, die vast te leggen in een zorgovereenkomst en om dit te verantwoorden aan de verstrekkers van het pgb;

    • h.

      uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger voldoende budgetvaardig is om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden waardoor hij inzicht heeft in de bestedingen van het pgb;

    • i.

      uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank en zorgverleners, waaronder in ieder geval wordt begrepen het beheersen van de Nederlandse taal in woord en geschrift, het voldoende digitaal vaardig zijn en het beschikken over een DigiD;

    • j.

      uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger voldoende juridische kennis heeft over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weet te vergaren, zodat hij in staat is om als werk- of opdrachtgever op te treden, een redelijk uurloon overeen te komen met de zorgverleners, de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren, loon door te betalen bij ziekte, een redelijke opzegtermijn te hanteren.

Artikel 7.3 Motivatie voor een pgb

  • 1.

    Een persoonsgebonden budget kan worden verstrekt als de jeugdige of ouders in het pgbplan gemotiveerd aangeeft dat het door de gemeente aangeboden zorg in natura niet passend is, en het persoonsgebonden budget hen in staat stelt om de noodzakelijke jeugdhulp te organiseren. Deze hulp kan bestaan uit professionele hulp, verleend door een zelfstandig werkende (zzp’er) professional of informele hulp uit het sociaal netwerk. De motivering dient te zijn gebaseerd op een of meer van de volgende feiten of omstandigheden:

    • a.

      de benodigde ondersteuning is niet goed vooraf in te plannen;

    • b.

      de benodigde ondersteuning moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

    • c.

      de benodigde ondersteuning moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

    • d.

      de benodigde ondersteuning moet op verschillende locaties geleverd worden;

    • e.

      het is noodzakelijk om 24-uurs ondersteuning op afroep te organiseren;

    • f.

      het is door de aard van de beperking noodzakelijk dat de hulp door een vaste hulpverlener wordt geboden;

    • g.

      de voorzieningen in natura passen niet bij de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouder.

Artikel 7.4 Onderscheid professionele hulp ten opzichte van hulp uit het sociaal netwerk

  • 1.

    Onder professionele hulp wordt verstaan;

    • a.

      professionele jeugdhulp verleend door:

      • i.

        personen in dienst van een instelling die voor de uit te voeren taken is ingeschreven in het Handelsregister op grond van artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007;

      • ii.

        zelfstandig professionals (zzp’ers) die zijn ingeschreven in het Handelsregister en werkzaam zijn als zorgaanbieder;

      • iii.

        hulpverleners met een registratie op grond van artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register), op grond van artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (SKJ-register), of een registratie op het Registerplein of in het Register Vaktherapie;

    • b.

      een professional die jeugdhulp verleent:

      • i.

        beschikt over een door de overheid erkende, afgeronde zorg gerelateerde opleiding gericht op mensgerichte dienstverlening;

      • ii.

        heeft een opleiding die, naar het oordeel van het college, passend is bij de aard van de activiteiten én aansluit op de persoonlijke kenmerken, de complexiteit en de problematiek van de jeugdige en diens gezinssysteem;

      • iii.

        is bij een hbo- of wo-niveau, indien van toepassing, geregistreerd in het BIG-register, het SKJ-register of het Registerplein;

      • iv.

        is in het geval van vaktherapie geregistreerd in het Register Vaktherapie; voor vaktherapeuten is een SKJ-registratie niet vereist.

    • c.

      personen die behoren tot het sociaal netwerk van de jeugdige of ouder, en die professional zijn, mits zij de hulp kunnen verlenen met voldoende professionele afstand.

  • 2.

    Er wordt geen pgb verstrekt voor hulp uit het sociaal netwerk indien, op basis van het afwegingskader uit het Kwaliteitskader Jeugd, professionele hulp noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1.

    Iedere uitvoerder van jeugdhulp die wordt ingezet via een pgb, ongeacht of sprake is van professionele hulp of hulp uit het sociaal netwerk, voldoet aan de volgende algemene eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie, tenzij deze uitvoerder eenuuders is;

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of ouders;

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouders en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid;

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2.

    Voor professionele hulpverleners, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, onder a en b, gelden naast de algemene eisen de volgende aanvullende kwaliteitseisen:

    • a.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • b.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • c.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • d.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • e.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3.

    Voor professionele hulpverleners, als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, onder c, gelden naast de algemene eisen de volgende aanvullende kwaliteitseisen:

    • a.

      de geboden hulp is passend en toereikend, gelet op de problematiek, ontwikkelingsdoelen en situatie van de jeugdige of ouder;

    • b.

      de hulp wordt uitsluitend ingezet als deze niet kan worden aangemerkt als gebruikelijke hulp of mantelzorg;

    • c.

      de hulp wordt uitsluitend ingezet als dit, naar het oordeel van het college, geen overbelasting oplevert voor de hulpverlener;

    • d.

      de hulp wordt verleend met voldoende professionele afstand tot de jeugdige of ouders, als het personen betreft die beschikken over relevante diploma’s.

Artikel 7.6 Hoogte pgb

  • 1.

    Het pgb bedraagt maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate en tijdig beschikbare individuele voorziening in natura binnen de gemeente. Als de jeugdige of ouders een duurder aanbod wensen dan deze voorziening, komen de extra kosten voor eigen rekening.

  • 2.

    De hoogte van een pgb voor een jeugdige ten behoeve van een dienst wordt vastgesteld op basis van het door het college gecontracteerde tarief in natura dat voor alle diensten geldt, overeenkomstig de door het college vast te stellen nadere regels, waarbij wordt uitgegaan van:

    • a.

      100% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake gediplomeerde werknemer in dienst van een rechtspersoon;

    • b.

      80% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake gediplomeerde persoon die niet in dienst is van een rechtspersoon en die niet behoort tot het sociaal netwerk van de jeugdige of ouders.

    • c.

      het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld wanneer de ondersteuning wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk;

  • 3.

    Indien het tarief in natura hoger is dan het tarief dat wordt gevraagd door de pgb-aanbieder, wordt het lagere tarief gehanteerd.

Artikel 7.7 Opschorting betaling uit het pgb

  • 1.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als ten aanzien van een jeugdige een ernstig vermoeden is gerezen dat de beslissing aangaande het pgb wordt herzien op een grond als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 2.

    Het college stelt de jeugdige of zijn ouders schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste lid.

Artikel 7.8 Waaraan het pgb mag worden besteed

  • 1.

    Het pgb mag enkel worden besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt, volgens het pgb-plan.

  • 2.

    Het pgb mag niet worden besteed aan kosten of betalingen voor:

    • a.

      bemiddeling of administratie;

    • b.

      een tussenpersoon of belangenbehartiging;

    • c.

      coördinatie;

    • d.

      pleegzorg;

    • e.

      een vrij besteedbaar bedrag of vrijwilligersvergoeding;

    • f.

      reiskosten van de formele of informele zorgverlener;

    • g.

      hulpmiddelen of aanpassingen die door progressiviteit van het ziektebeeld of voor kinderen in de groei snel vervangen dienen te worden;

    • h.

      voorzieningen waarvoor een algemene of collectieve voorziening aanwezig is;

    • i.

      feestdagenuitkeringen aan de formele of informele zorgverlener.

  • 3.

    Alleen na voorafgaande toestemming, van het college, kan het pgb in het buitenland of anders dan de woonplaats besteed worden. Aan de besteding van pgb in het buitenland worden de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      de ondersteuning die in het buitenland wordt geleverd draagt bij aan de doelstellingen van het pgb-plan en is aannemelijk en controleerbaar;

    • b.

      de ondersteuning is noodzakelijk om tijdens het buitenlands verblijf te functioneren;

    • c.

      het pgb mag niet worden ingezet voor het verblijf.

  • 4.

    De inzet van logeeropvang wordt vastgelegd in het pgb-plan, met ruimte voor variatie in de duur en het moment van inzet.

Artikel 7.9 Weigerings- en herzieningsgronden voor het pgb

  • 1.

    Het college kan een aanvraag voor een persoonsgebonden budget weigeren indien:

    • a.

      de aanvrager of diens vertegenwoordiger in het verleden een pgb heeft ontvangen dat is ingetrokken of beëindigd wegens misbruik of het niet naleven van pgb-voorwaarden;

    • b.

      het pgb wordt beheerd door de zorgverlener zelf; alleen als de zorgverlener familie is in de eerste of tweede graad en het college vindt dat deze persoon voldoende onafhankelijk is, mag de zorgverlener het pgb beheren;

    • c.

      de vertegenwoordiger van de jeugdige:

      • i.

        een bloed- of aanverwant is in de eerste tot en met de vierde graad van de zorgverlener of diens hiërarchisch meerdere;

      • ii.

        onder bewind, mentorschap of curatele staat;

      • iii.

        kampt met schulden- of verslavingsproblematiek, voor zover deze problematiek naar het oordeel van het college het verantwoord beheren van het pgb belemmert;

      • iv.

        zelf een indicatie heeft waaruit blijkt dat hij of zij niet pgb-vaardig is.

    • d.

      de aanvrager de voorziening wil inkopen bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder van zorg in natura;

    • e.

      de beoogde hulpverlener onvoldoende deskundig of niet geschikt wordt geacht op basis van de kwaliteitseisen in deze verordening;

    • f.

      sprake is van een aanvraag voor jeugdhulp vanuit het sociale netwerk voor een GGZ-behandeling, tenzij naar het oordeel van het college zwaarwegende omstandigheden anders rechtvaardigen;

    • g.

      er ernstige aanwijzingen zijn dat de aanvrager of diens vertegenwoordiger niet in staat is op verantwoorde wijze met het pgb om te gaan of de daaraan verbonden taken adequaat uit te voeren.

  • 2.

    Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning door een jeugdhulpaanbieder als er gegronde twijfel bestaat over diens integriteit. Daarvan is in elk geval sprake als de aanbieder of diens directie, of daarmee gelieerde personen:

    • a.

      betrokken is of is geweest bij strafbare feiten of overtredingen die de veiligheid of kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen;

    • b.

      veroordeeld is voor strafbare feiten;

    • c.

      bestuursrechtelijke of fiscale boetes heeft ontvangen die verband houden met de uitvoering van zorg of de bedrijfsvoering daarvan;

    • d.

      bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen zijn opgelegd zoals een last onder dwangsom of bestuursdwang;

    • e.

      een aantoonbare zakelijke relatie onderhoudt met personen of organisaties die rechtstreeks in verband zijn gebracht met strafbare feiten of concrete verdenkingen daarvan, voor zover deze relatie gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de zorg of de bedrijfsvoering;

    • f.

      herhaaldelijk betrokken is geweest bij incidenten binnen de uitvoering van jeugdhulp.

  • 3.

    Het college kan een besluit tot verstrekking van een pgb intrekken of herzien, op wijze als bedoeld in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet.

Artikel 7.10 Controle en verantwoording

  • 1.

    Aan de hand van een periodiek gesprek met de budgethouder wordt bezien of de jeugdhulp wordt uitgevoerd conform het gezinsplan en de pgbbeschikking en of de jeugdhulp nog voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen. Bij het onderzoek kan advies worden gevraagd aan een deskundige.

  • 2.

    De jeugdige en zijn ouders, dan wel de budgethouder, zijn verplicht de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van hetgeen bepaald is bij of op basis van de Jeugdwet.

  • 3.

    Bij de evaluatie van het pgbplan overlegt de jeugdige of ouders en de jeugdhulpaanbieder een evaluatieverslag waarin in ieder geval het volgende wordt beschreven:

    • a.

      wat de algemene situatie is op dat moment;

    • b.

      wat de doelen waren die gesteld zijn met de indicatie;

    • c.

      hoe de afgelopen periode aan de doelen is gewerkt;

    • d.

      welke doelen en resultaten zijn behaald;

    • e.

      welke doelen zijn nog niet behaald;

    • f.

      waardoor deze doelen niet zijn behaald;

    • g.

      of er tussentijds nieuwe doelen bij zijn gekomen en welke dit zijn;

    • h.

      aan welke doelen de komende periode wordt gewerkt;

    • i.

      op welke manier aan de doelen wordt gewerkt;

    • j.

      hoeveel tijd nodig is om de doelen te behalen;

    • k.

      welke afspraken er zijn gemaakt met de zorgverlener.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit

Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

    • a.

      de aard en omvang van de te verrichten taken;

    • b.

      de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

    • c.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • d.

      kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • e.

      kosten voor bijscholing van het personeel.

Artikel 8.2 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieder en -verlener.

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet worden de volgende eisen gesteld aan de jeugdhulpaanbieder:

    • a.

      de jeugdhulpaanbieder biedt hulp die veilig, doeltreffend en jeugdige-en oudergericht wordt verleend;

    • b.

      de jeugdhulpaanbieder werkt actief en integraal samen met andere zorgverleners in het belang van de jeugdige en ouders;

    • c.

      de jeugdhulpaanbieder werkt aantoonbaar aan de doelen van het ondersteunings- en pgbplan;

    • d.

      de jeugdhulpaanbieder is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding of fraude.

  • 2.

    De jeugdhulpaanbieder doet wat volgens de professionele standaard van hem verwacht mag worden om jeugdhulp doelgericht en doelmatig te verlenen.

  • 3.

    Het college kan aan de hand van de in bijlage 4 genoemde kwaliteitseisen bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de jeugdige en ouders ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

  • 2.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder.

  • 3.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening, conform de in het vorige lid bedoelde regeling.

Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving

Artikel 9.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s en aanwijzing toezichthouder

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 2.

    Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht.

  • 3.

    Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

Artikel 9.2 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een jeugdige of ouders aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening of pgb.

  • 2.

    In geval van terugvordering stuurt het college een factuur naar de pgb-aanbieder, die binnen vier weken moet worden voldaan.

  • 3.

    De hoogte van de terugvordering is de gehele of de gedeeltelijke geldwaarde van het pgb dat in afwijking van de beschikking is besteed.

Hoofdstuk 10 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 10.1 Evaluatie

Het college evalueert periodiek het gevoerde beleid.

Artikel 10.2 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 10.3 Nadere regels

Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening.

Artikel 10.4 Overgangsrecht

Een jeugdige of ouders houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in artikel 10.5 genoemde regeling, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

Artikel 10.5 Intrekking oude regeling

De Verordening jeugdhulp Nissewaard 2024 wordt ingetrokken.

Artikel 10.6 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

Artikel 10.7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nissewaard op

10 december 2025.

De griffier,

De voorzitter,

Bijlage 1, bedoeld in artikel 1.1: begripsbepalingen

 

Artikel 1.1 van de Jeugdwet bevat op 1 januari 2025 de volgende begripsbepalingen die voor deze verordening en de daarop berustende bepalingen van toepassing zijn:

  • -

    accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een jeugdhulpaanbieder;

  • -

    bijzondere categorieën van persoonsgegevens: bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in paragraaf 3.1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming;

  • -

    burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

  • -

    calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige of een ouder heeft geleid;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • -

    dossier: geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan een jeugdige of ouder of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

  • -

    familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

  • -

    gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert;

  • -

    gekwalificeerde gedragswetenschapper: gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie;

  • -

    gesloten accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar gesloten jeugdhulp wordt verleend;

  • -

    gesloten jeugdhulp: opname, verblijf en jeugdhulp op basis van een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4;

  • -

    geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee, door iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling, of door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in opdracht van de aanbieder of gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of door een andere jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel bij de aanbieder verblijft;

  • -

    huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    hulpverleningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6;

  • -

    inlichtingenbureau: als zodanig door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen instelling die is belast met de coördinatie en dienstverlening ten behoeve van de colleges bij de verwerking van gegevens, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van taken van de colleges op het gebied van de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    jeugdarts: arts die als jeugdarts KNMG is ingeschreven in het door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde profielregister jeugdgezondheidszorg;

  • -

    jeugdgezondheidszorg: jeugdgezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet publieke gezondheid;

  • -

    jeugdhulp:

    • i.

      ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

    • ii.

      het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

    • iii.

      het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;

  • -

    jeugdhulpaanbieder:

    • i.

      natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college;

    • ii.

      solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college;

  • -

    jeugdhulpverantwoordelijke: degene die behoort tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie van deskundigen en die door de jeugdhulpaanbieder als jeugdhulpverantwoordelijke is aangewezen, verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdhulp en de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen in een gesloten accommodatie;

  • -

    jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent

  • -

    jeugdige: persoon die:

    • i.

      de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;

    • ii.

      de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht;

    • iii.

      de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt voor zover de te verlenen jeugdhulp uit pleegzorg bestaat, indien:

      • -

        de pleegzorg was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, of

      • -

        de pleegzorg die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar binnen een termijn van een half jaar na beëindiging wordt hervat, of

    • iv.

      onverminderd onderdeel iii., de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet:

      • -

        is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1° van de begripsbepaling van jeugdhulp, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is;

      • -

        vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of

      • -

        is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;

  • -

    jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen;

  • -

    kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

  • -

    kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel;

  • -

    maatschappelijke ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    medisch specialist: geneeskundig specialist die als specialist is ingeschreven in een door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde register als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

  • -

    onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Veiligheid en Justitie tezamen;

  • -

    opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen:

    • i.

      psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

    • ii.

      beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en

    • iii.

      een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;

  • -

    ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;

  • -

    persoonsgegevens, gegevens over gezondheid, verwerking, bestand, onderscheidenlijk verwerkingsverantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming;

  • -

    persoonsgegevens van strafrechtelijke aard: persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming;

  • -

    plan van aanpak: plan betreffende de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld in artikel 4.1.3;

  • -

    pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder;

  • -

    pleegoudervoogd: pleegouder die tevens belast is met voogdij als bedoeld in boek 1 Burgerlijk Wetboek;

  • -

    pleegzorg: vorm van jeugdhulp waarbij een pleegouder een jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt;

  • -

    pleegzorgaanbieder: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg biedt;

  • -

    preventie: op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met of jeugdigen met een risico op psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders met of met een risico op opvoedingsproblemen;

  • -

    strafrechtelijke beslissing: beslissing van de officier van justitie of van de rechter met toepassing van titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht, met toepassing van de vijfde titel van Hoofdstuk 2 of de vijfde titel van Hoofdstuk 6 van Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering, of een beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering;

  • -

    Veilig Thuis: Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    vertrouwenspersoon:

    • i.

      persoon die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt bij de uitoefening van hun rechten jegens het college, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, voor zover deze rechten samenhangen met de in deze wet geregelde onderwerpen;

    • ii.

      die onafhankelijk is van het college, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling waarmee de jeugdige, zijn ouders of zijn pleegouders te maken hebben, en

    • iii.

      voor wie een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is afgegeven;

  • -

    verwijsindex: verwijsindex risicojongeren als bedoeld in artikel 7.1.2.1;

  • -

    woonplaats:

    • i.

      de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, heeft;

    • ii.

      ingeval een jeugdige verblijft bij een jeugdhulpaanbieder, pleegouder, in een instelling voor opvang of beschermd wonen als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in een instelling voor verblijf als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onder a, van de Wet langdurige zorg, in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of ingeval van jeugdhulp of jeugdreclassering in verband met het verblijf in een justitiële jeugdinrichting: de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, had;

    • iii.

      ingeval de woonplaats niet op grond van de onderdelen 1° en 2° kan worden vastgesteld of ingeval bij het in de basisregistratie personen opgenomen woonadres een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 2.26 van de Wet basisregistratie personen: de gemeente waar de moeder van de jeugdige ten tijde van diens geboorte als ingezetene was ingeschreven in de basisregistratie personen, of, indien dit niet kan worden vastgesteld, de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag;

    • iv.

      ingeval de woonplaats buiten Nederland is: de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag.

Bijlage 2, bedoeld in artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp

 

Herken ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen

De opvoedvragen, -problemen en -zorgen van ouders variëren per gezin, tijdsbestek en sociale omstandigheden. De ontwikkelings- leeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde problemen in de opvoeding. Professionals moeten hiervan op de hoogte zijn om ouders goed te kunnen begeleiden. In onderstaande tabel is aan de hand van ontwikkelingsfasen een overzicht weergegeven van ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen.

 

Leeftijd

Ontwikkelingsopgave kind

Opvoedingsopgave ouder

‘Normale’ problemen

Ernstige problemen

± 0 – 2 jaar

- Fysiologische zelfregulatie

- Veilige hechting

- Exploratie

-Autonomie/individuatie

- Soepele verzorging

- Sensitieve responsieve interactie bieden

- Beschikbaarheid

- Ruimte en steun geven

- Voedingsproblemen

- Slaapproblemen

- Scheidingsangst

- Angst voor vreemden, donker, geluiden

- Eet-/slaapstoornis

- Reactieve hechtingsstoornis

- Huilbaby

± 2 – 4 jaar

- Uitdrukkingsvaardigheden (o.a. taal)

- Constructieve omgang met leeftijdsgenoten

- Internaliseren van eisen (w.o. zindelijkheid)

- Sensitiviteit voor cognitief niveau

- Positieve bevestigende omgang

- Omgaan met ambiguïteit kind

- Gehoorzamen

- Angst voor vreemden, donker, geluiden

- Koppigheid

- Driftbuien

- Agressie

- Ongehoorzaamheid

- Druk gedrag/overactiviteit

- Sekserol-/identiteitsangst

- Niet zindelijk

- Scheidingsangst

- Fobische/sociale angst

- Taal-, spraak-, motoriekstoornis

- Onzindelijkheid

- ADHD

- Gedragsstoornis gezin

- Oppositionele gedragsstoornis jonge kind

± 5 – 12 jaar

- Inlevingsvermogen

- Schoolvaardigheden

- IJver (‘industry’)

- Acceptatie door leeftijdsgenoten

- Ruimte geven voor omgang leeftijdsgenoten

- Schools onderricht

- Waardering voor schoolwerk

- Democratische en warme opvoedingsstijl

- Ruzies

- Concentratieproblemen

- Laag prestatieniveau

- Schoolweigering

- Incidenteel stelen/vandalisme

- Ritualistisch gedrag

- Bedplassen

- Leerstoornissen

- Sociale terugtrekking

- Schoolweigering

- Geslachtsidentiteitsstoornis

- Vroege delinquentie

- Neurose, somatoforme stoornis

± 12 – 19 jaar

- Emotionele/praktische zelfstandigheid

- Omgaan met eigen/andere sekse

- Ontwikkeling waardesysteem (persoonlijkheid, school, beroep, samenleving)

- Emotionele steun bieden

- Tolerantie voor experimenten

- Leeftijdsadequate grenzen stellen

- Voorbeeldfunctie vervullen

- Meer gelijkwaardige relatie aangaan

- (Alcohol, drugs)

- Twijfels over identiteit/toekomst

- Zorgen over uiterlijk - Problemen met autoriteiten

- Incidenteel spijbelen

- Misbruik alcohol, drugs

- Stoornis in identiteit

- Anorexia/boulimia (nerv.)

- Seksuele oriëntatie stoornis

- Suïcide

- Oppositionele gedragsstoornis

- Gedragsstoornis in groepsverband

- Delinquentie

- Schooluitval

 

Overgenomen uit: Nederlands Jeugdinstituut (z.j.). Allemaal opvoeders: weet wat werkt bij opvoedvragen. 

https://www.nji.nl/system/files/2021-05/Allemaal-opvoeders.pdf

 

Bijlage 3, bedoeld in artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp

 

Ontwikkelingstaken voor kinderen van 0 tot 2 jaar

De belangrijkste ontwikkelingstaak voor het kind is in deze periode het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie met een of meer volwassenen. Veilig gehechte kinderen kunnen hun opvoeder gebruiken als veilige basis van waaruit zij hun omgeving kunnen verkennen. In de loop van het tweede jaar worden autonomie en individuatie steeds belangrijker. Het kind gaat steeds meer initiatief nemen en kan onafhankelijk van de opvoeder succes en bevrediging bereiken. In deze periode wordt de basis gelegd voor vertrouwen in anderen en voor vertrouwen in de eigen competentie.

 

Taken en vaardigheden van 0 tot 2 jaar:

  • -

    Veilige hechting: het zoeken van nabijheid bij een ouder of opvoeder, het ervaren van continuïteit, het gebruiken van ouders en opvoeders als veilige basis;

  • -

    Lichaamsbeheersing en fysiologische zelfregulatie: zindelijkheid, zien, horen, eten, drinken, objecten vastpakken, zitten, kruipen, lopen en klauteren;

  • -

    Omgaan met ouder(s) en familie: onderscheid maken tussen ouder en een vreemde, zonder paniek alleen kunnen zijn;

  • -

    Exploratie en spelen: doelgericht spelen met voorwerpen, spelen naast andere kinderen;

  • -

    Autonomie & individuatie: dingen zelf doen, weten dat je een individu bent met eigen wensen en voorkeuren, verschuiving van externe regulatie (door opvoeders) naar zelfsturing/zelfregulatie.

Ontwikkelingstaken voor kinderen van 2 tot 4 jaar

In deze periode ontwikkelt het kind het vermogen zich iets voor te stellen dat er niet meer is, even- als het vermogen tot imitatie. Ook komt de taalontwikkeling op gang. Er is sprake van een duidelijke opbouw van kennisstructuren en symbolische of representationele vaardigheden (begin van ‘alsof- spel’, probleemoplossend spel, oog voor verhaaltjes en dagelijkse routines). In de loop van het derde jaar beginnen leeftijdgenootjes een rol te spelen (begin van samenspelen). De peuter moet in staat zijn constructief met leeftijdgenootjes om te gaan en niet voortdurend in conflict met of afzondering van hen te zijn. Dit vereist ook communicatieve vaardigheden. In deze periode ontwikkelt het kind ook het vermogen om zich aan te passen aan de eisen die opvoeders stellen (socialisatie), eerst op grond van externe regulatie en vervolgens door middel van zelfcontrole van het kind (zindelijkheid, impulscontrole, afblijven van sommige dingen). De zelfredzaamheid neemt toe (bijvoorbeeld zelf eten, aankleden, smartphone of tablet bedienen). Tenslotte is ook de identificatie met de sekserol als jongen en meisje een centraal thema in deze periode.

 

Taken en vaardigheden van 2 tot 4 jaar:

  • -

    Taalvaardigheden: gesproken taal begrijpen, zinnen maken, een boodschap overbrengen, iets vertellen; voor kinderen met migrantenachtergrond Nederlands als tweede taal leren.

  • -

    Zelfsturing/zelfregulatie; kunnen beheersen van emoties en gedrag, bijvoorbeeld behoeften uitstellen, impulsen controleren, irrelevante of onaangepaste prikkels onderdrukken (inhibitie) en omgaan met frustratie.

  • -

    Constructieve omgang met leeftijdgenoten: samen spelen, initiatief nemen, iets delen.

  • -

    Zelfredzaamheid: met bestek eten, zichzelf wassen, jezelf aan- en uitkleden.

  • -

    Sekserol: identificatie met de rol als jongen en meisje.

Ontwikkelingstaken voor kinderen van 4 tot 6 en 6 tot 12 jaar

In deze periode neemt de autonomie verder toe. Dit uit zich in de kleuterperiode ook in het snel toenemend vermogen van het kind om voor zichzelf te zorgen (zichzelf wassen en aan- en uitkleden, eten). Bij kleuters komt de gewetensontwikkeling en ontwikkeling van schaamtegevoelens op gang. Verder begint vanaf circa 7 jaar het vermogen tot decentratie (andermans perspectief leren zien) zich te ontwikkelen. In de omgang met leeftijdgenoten moet het kind leren zijn egocentrische houding steeds meer te laten varen. Het vermogen om wederkerige relaties op te bouwen met vriendjes en vriendinnetjes en het geaccepteerd worden door de groep is dan een belangrijke ontwikkelingstaak. Tot slot wordt het kind in deze periode geconfronteerd met de maatschappelijke eis om te leren lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast moet het zich in de schoolse situatie een taakhouding eigen maken om zich gedurende (steeds) langere tijd te concentreren op schoolse taken. In de omgang met de leerkracht is het noodzakelijk om de leerling rol aan te nemen. Met toenemende cognities en sociaal- emotionele ervaringen kunnen kinderen steeds beter een moreel standpunt innemen over wat goed, slecht, eerlijk of onrechtvaardig is. Hun vermogen om fantasie en werkelijkheid van elkaar te onder- scheiden wordt steeds genuanceerder. Vanaf circa 9 jaar zijn kinderen in staat om hun eigen ideeën, fantasieën en gedachten te beschouwen en daar emotioneel afstand van te nemen.

 

Taken en vaardigheden van 4 tot 6 jaar:

  • -

    Schoolse vaardigheden/deelname basisonderwijs: concentratie, taalvaardigheid, opdrachten leren uitvoeren, in groepsverband functioneren;

  • -

    Taakgerichtheid: langere tijd met een taak bezig zijn, actieve leerhouding;

  • -

    Gebruik van digitale apparaten die meer motorische vaardigheden verlangen en van de digitale wereld;

  • -

    Zich gezinsnormen eigen maken, leren je aan regels te houden;

  • -

    Omgang met leeftijdgenoten: vriendschappen sluiten, samen spelen, initiatief nemen, voor jezelf opkomen.

  • -

    Gewetensontwikkeling;

  • -

    Ontwikkeling van schaamtegevoelens;

  • -

    Nemen van deelverantwoordelijkheden thuis: uitvoeren van kleine taakjes, zorgen voor huis- dieren.

Taken en vaardigheden van 6 tot 12 jaar:

  • -

    Vergroten zelfstandigheid ten opzichte van ouders/opvoeders: privacy, een eigen mening en verantwoordelijkheid;

  • -

    Gebruik van basale infrastructuren: vervoer, geld, vrije tijdsvoorzieningen, digitale apparaten en de digitale wereld (internet en sociale media);

  • -

    Zelfsturing/zelfregulatie: herkennen en bijsturen van emoties: herkennen en benoemen van eigen gevoelens, risicovolle impulsen opmerken, beheersen of bijsturen;

  • -

    Schoolse vaardigheden: taal- en communicatievaardigheden, in groepsverband functioneren, concentreren op taken, schoolse vaardigheden (lezen, schrijven, rekenen) eigen maken;

  • -

    Relaties met leeftijdgenoten: aanknopen en onderhouden van wederkerig vriendschappen, geven en nemen in spel, eenvoudige conflicten oplossen, laten merken dat je de ander aardig vindt, vanaf ongeveer 8 jaar sociale media benutten voor contacten;

  • -

    Zich verplaatsen in anderen: je inleven in situaties die je niet zelf meemaakt, de bedoelingen en belangen kunnen inschatten van andere kinderen en van volwassenen, rekening houden met wensen/belangen van anderen.

Ontwikkelingstaken voor jongeren van 12 tot 16 jaar

In deze periode staat een verdergaande emotionele zelfstandigheid van het kind centraal. De over- gang naar het voortgezet onderwijs geeft daarvoor een belangrijke aanzet. Ook treden er in deze periode lichamelijke veranderingen op, die het begin van de puberteit markeren. Het kind moet ten opzichte van het eigen lichaam, ten opzichte van leeftijdgenoten en ten opzichte van de ouders een nieuwe eigen positie gaan innemen. Het kind wordt minder afhankelijk van de ouders en de vriendengroep wordt zijn referentiekader. Seksualiteit gaat een steeds grotere rol spelen in de omgang met leeftijdgenoten. Het (leren) aangaan en onderhouden van sociale contacten en vriendschappen staan in deze periode centraal. Een en ander leidt tot een nieuw waardensysteem en een nieuw gevoel van persoonlijke identiteit en het ontwikkelen van een positieve houding ten opzichte van opleiding, beroepskeuze en samenleving.

 

Taken en vaardigheden van 12 tot 16 jaar:

  • -

    Cognitieve flexibiliteit: regels kunnen toepassen in nieuwe situaties;

  • -

    Positie ten opzichte van de ouders: minder afhankelijk worden van de ouders en het bepalen van een eigen plaats binnen de veranderende relaties in het gezin en de familie, risico’s durven nemen en eigen grenzen leren trekken;

  • -

    Onderwijs of werk: kennis en vaardigheden opdoen om later een beroep te kunnen uitoefenen en een keuze maken ten aanzien van werk;

  • -

    Vrije tijd: zelfstandig activiteiten in de vrije tijd kunnen ondernemen en de tijd zinvol kunnen doorbrengen (op tijd kunnen stoppen, compulsief gedrag weten te vermijden);

  • -

    Autoriteit en instanties: accepteren dat er instanties en personen boven je gesteld zijn, binnen geldende regels en codes opkomen voor eigen belang;

  • -

    Gezondheid en uiterlijk: zorgen voor goede voeding en een goede lichamelijke conditie, een uiterlijk waar je je prettig bij voelt en het inschatten en vermijden van risico’s.

  • -

    Sociale contacten en vriendschappen: contacten leggen en onderhouden, oog hebben voor wat contacten met anderen kunnen opleveren, je openstellen voor vriendschap, vertrouwen geven en nemen, wederzijdse acceptatie;

  • -

    Sociale media en internet: zelfstandig (zonder hulp van ouders) informatie vinden en delen, informatie en berichten wegen, onderscheid maken tussen de virtuele en de reële werkelijkheid, gevaren onderkennen;

  • -

    Intimiteit en seksualiteit: seksualiteit integreren in je persoonlijkheid, ontdekken wat moge- lijkheden, wensen en grenzen zijn bij jezelf en bij anderen.

Ontwikkelingstaken voor jongeren van 16 tot 23 jaar

In deze periode vindt de overgang van jeugd naar volwassenheid plaats. De jongere komt los van het ouderlijk gezag en zoekt zijn weg naar onafhankelijkheid, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De jongere ontwikkelt zijn eigen identiteit met eigen waarden en normen, duidelijke meningen en standpunten. Emotionele stabiliteit neemt in deze periode ook toe. Studie- en beroepskeuze, werk en op eigen benen leren staan (financieel onafhankelijk worden, op kamers gaan en zelfstandig huishouden voeren) staat in deze periode centraal. Ook worden duurzame vriendschappen en (intieme)relaties aangegaan.

 

Taken en vaardigheden van 16 tot 23 jaar:

  • -

    Cognitieve flexibiliteit: regels kunnen toepassen in nieuwe situaties;

  • -

    Onderwijs of werk: een opleiding afronden met een diploma/arbeidskwalificatie, een baan vinden, omgaan met collega’s en leidinggevende;

  • -

    Eigen woonsituatie: zorgdragen voor je eigen kamer en spullen, omgaan met huisgenoten, zoeken van en zorgdragen voor een plek waar je goed kunt wonen, zorgdragen voor voldoende financiële middelen;

  • -

    Emotionele zelfstandigheid: vanuit zelfstandigheid contact met ouders en andere familieleden opnieuw vormgeven;

  • -

    Leren omgaan met andere of tegenstrijdige verwachtingen van gezin en omgeving (geldt m.n. voor jeugd met niet-westerse migratieachtergrond) en inschatten welke vaardigheden in welke culturele context passend zijn;

  • -

    Sociale contacten en vriendschappen: contacten opbouwen en onderhouden, duurzame vriendschappen aangaan waarbij de kwaliteit van de vriendschappen belangrijker is dan het aantal (online) vrienden;

  • -

    Intimiteit en seksualiteit: aangaan van en ervaring opdoen met (duurzame) Relaties;

  • -

    Vrije tijd: ondernemen van activiteiten in de vrije tijd en het zinvol en prettig doorbrengen van de tijd waarin je geen verplichtingen hebt;

  • -

    Zelfredzaamheid: de weg weten en voor jezelf opkomen ten aanzien van allerlei instanties en regels waarmee je als meerderjarige te maken krijgt;

  • -

    Gezondheid en uiterlijk: zelfstandig zorgdragen voor een goede lichamelijke conditie, goede voeding en het inschatten en vermijden van risico’s.

Overgenomen uit rapportage NJI 4 december 2020, Opgroeien en opvoeden, normalen uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders.

Bijlage 4, bedoeld in artikel 8.2, derde lid: Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieder en -verlener op basis van het Kwaliteitskader: Jeugdwet, WMO gemeente Nissewaard d.d. 1 januari 2023 versie 1.1

 

Werken aan kwaliteit in het Sociaal Domein is werken aan verbetering, een voortdurende zoektocht van cliënt, aanbieder en gemeente naar wat goed is en wat beter kan, wat hiervoor nodig is en hoe een verbetering standhoudt. Kwaliteit moet merkbaar zijn voor de jeugdige of de ouder. Onze professionals zijn bevlogen en hebben kennis van zaken.

 

Inzet erkende methodieken

De zorgaanbieder dient bij voorkeur methodieken en interventies in te zetten die onafhankelijk zijn onderzocht en daarbij effectief zijn bevonden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van interventies en methodieken die zijn opgenomen en beschreven in een van volgende databanken, of vergelijkbaar.

  • Movisie: Databank Effectieve Sociale Interventies.

  • Nederlands Jeugd Instituut: Databank Effectieve Jeugdinterventies.

  • Trimbos Instituut: Databank Erkende interventies GGZ.

Met vergelijkbaar wordt bedoeld een databank of erkenningsregeling die op een met de werkwijze van Movisie, NJI of Trimbos instituut overeenkomstig protocol tot een onafhankelijke, goed geborgde en deskundige beoordeling komt van interventies en deze kenbaar maakt door middel van een actueel, transparant en goed toegankelijk openbaar register.

Het werken met erkende methodieken, of vergelijkbaar, houdt onder meer in dat de zorgaanbieder de ondersteuning uitvoert op een doelgerichte, planmatige en geordende wijze. De zorgaanbieder plant en bewaakt de voortgang van de ondersteuning en is op verzoek van de gemeente bereid en in staat om te rapporteren over de voortgang van de ondersteuning en de mate waarin stappen zijn gezet naar de te bereiken resultaten.

De gemeente behoudt zich het recht voor om interventies die niet zijn opgenomen in een van de genoemde databanken, of vergelijkbaar, te beoordelen op de vraag of deze een voldoende en aantoonbare bijdrage leveren aan het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie.

 

Algemene uitgangspunten.

Bij het inzetten van ondersteuning gelden de volgende algemene uitgangspunten.

  • 1.

    Het realiseren van zoveel mogelijk integrale begeleiding of behandeling.

  • 2.

    Het waar mogelijk realiseren van afschaling, dat wil zeggen overgang naar een lichtere vorm van ondersteuning zodra dit verantwoord is.

  • 3.

    De zorgaanbieder maakt gebruik van de eigen kracht van de cliënt, de ouder of de mantelzorger en probeert deze eigen kracht zo veel mogelijk te bevorderen.

  • 4.

    De zorgaanbieder hanteert een systeemgerichte aanpak en zet in op de versterking van het systeem rondom de jeugdige of de ouder.

  • 5.

    Ondersteuning vindt zo veel mogelijk plaats in de vertrouwde omgeving van gezin, school en buurt.

Kwaliteit van de ondersteuning

De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. Een voorziening wordt in elk geval:

  • 1.

    veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt;

  • 2.

    afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en ouder en op andere vormen van ondersteuning of hulp die de jeugdig of ouder ontvangt.

  • 3.

    verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard.

  • 4.

    verstrekt met respect voor en inachtneming van de (wettelijke) rechten van de jeugdige of ouder zoals onder andere het recht op privacy, het recht op vrijheid van meningsuiting et cetera.

Kwaliteit vormgeven binnen een Open House – aanbod

  • 1.

    Een Open House – aanbod betekent dat de jeugdige of ouder de aanbieder kiest die bij hem past. Bij keuze uit meerdere aanbieders wordt de aanbieder gestimuleerd om zich te onderscheiden op kwaliteit. Een belangrijke voorwaarde bij dit kenmerk is dat jeugdige en ouder de kwaliteit kunnen inschatten en ernaar handelen.

  • 2.

    Een Open House – aanbod betekent dat je kunt inspelen op ontwikkelingen en kunt sturen op ambities. De mogelijkheid tot aanpassen stimuleert dat de gemeente haar ambities meetbaar wil maken en dit wil matchen met het aanbod dat wordt aangeboden. Een belangrijke voorwaarde bij dit kenmerk is dat vanuit de drie-eenheid (cliënt, gemeente, aanbieder) gesproken wordt over kwaliteit en dat we daar gezamenlijk van leren. De focus ligt op vanuit samenwerking verbeteren.

Signaleringsfunctie

De zorgaanbieder heeft een brede signaleringsfunctie. Hieronder wordt verstaan dat de zorgaanbieder zo snel als redelijkerwijs mogelijk is overlegd met de gemeente of andere verwijzers als de zorgaanbieder op basis van zijn eigen professionele oordeel constateert dat sprake is van een of meer van de volgende situaties.

  • 1.

    Het systeem van de jeugdige of ouder kan op een intensievere manier een rol spelen bij het behalen van de doelen of resultaten zoals opgenomen in het ondersteuningsplan van de jeugdige of ouder.

  • 2.

    Het geboden segment is niet voldoende dan wel te uitgebreid om de doelen of resultaten vastgesteld in het ondersteuningsplan van de jeugdige of ouder te bereiken.

  • 3.

    De doelen opgenomen in het zorgplan van de jeugdige of ouder zijn niet passend bij de behoefte, situatie, omgeving of mogelijkheden van de jeugdige of ouder.

  • 4.

    Er is een ondersteuningsvraag van andere aard, zoals schulden, werk of verslaving.

  • 5.

    De jeugdige of ouder vermijdt noodzakelijke ondersteuning.

Signalering inzake huiselijk geweld en kindermishandeling

De zorgaanbieder voert de opdracht uit met in achtneming van de actuele Meldcode voor Huiselijk Geweld en Kinderminshandeling. De zorgaanbieder maakt gebruik van het voor de sector waarin hij werkzaam is toepasselijke afwegingskader. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond is het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld of kindermishandeling voor onder andere de gemeente Nissewaard. Veilig Thuis is 24/7 gratis bereikbaar op telefoonnummer 0800-2000 of via de website.

 

Samenwerking met andere professionals

De zorgaanbieder zorgt voor een goede samenwerking met andere professionals. De zorgaanbieders zijn verplicht om samen te werken op basis van de volgende principes.

  • 1.

    In de samenwerking ligt de focus op het in het ondersteuningsplan geformuleerde doel of resultaat. Dit overstijgt de eigen belangen van de zorgaanbieder.

  • 2.

    Het belang van de cliënten staat voorop in de samenwerking.

  • 3.

    De zorgaanbieders verdiepen zich in elkaars ervaring, kennis, vaardigheden.

  • 4.

    Bij onvrede, onduidelijkheid, frustratie, onenigheid of een vergelijkbare situatie gaan zorgaanbieders proactief een open gesprek aan om te achterhalen wat de wederzijds beweegredenen en belangen zijn en streven gezamenlijk naar een bevredigende oplossing.

Toelichting op de Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026

Algemene toelichting

Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk).

 

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:

  • -

    over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen

  • -

    met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening

  • -

    over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen

  • -

    over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld

  • -

    voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet

  • -

    over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet

  • -

    ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan

Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt daarom ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of op grond van de Jeugdwet nog andere regels te stellen.

 

Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Informatie, ondersteuning en doorverwijzing

De afzonderlijke wetten in het sociaal domein voorzien niet in een uniforme en integrale toegang. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om inwoners zo veel mogelijk integraal te ondersteunen, is in dit artikel een zorgplicht voor het college opgenomen.

 

Het college bevordert de zelfredzaamheid en participatie van inwoners door hen laagdrempelig te ontvangen en te ondersteunen bij het verhelderen van hun ondersteuningsvraag. Dit proces van vraagverheldering heeft tot doel om samen met de inwoner duidelijk te krijgen welke behoefte er speelt en bij welk domein of welke voorziening een passende oplossing gezocht kan worden. Daarmee wordt onderscheid gemaakt tussen vraagverheldering enerzijds en het meer verdiepende onderzoek binnen een specifiek domein anderzijds.

 

Het is belangrijk dat inwoners op begrijpelijke wijze geïnformeerd worden over het gemeentelijk beleid en de uitvoering van de wettelijke taken in het sociaal domein. Daarmee wordt beoogd dat inwoners – ongeacht hun specifieke ondersteuningsvraag – weten waar zij terecht kunnen, welke rechten en mogelijkheden er zijn en hoe het vervolgtraject eruit kan zien.

 

Het college heeft op grond van diverse wettelijke bepalingen een informatieplicht met betrekking tot onafhankelijke ondersteuning. Zo volgt uit artikel 2.5 van de Jeugdwet dat jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig geïnformeerd moeten worden over de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Artikel 4.1.1 van het Besluit Jeugdwet schrijft voor dat deze informatie in ieder geval betrekking heeft op:

  • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon;

  • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon;

  • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning;

  • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en

  • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.

Daarnaast bepaalt artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 dat het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar stelt. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 moet het college inwoners actief wijzen op de mogelijkheid om hiervan gebruik te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet uitsluitend tot de Wmo, maar kan ook betrekking hebben op andere wetten in het sociaal domein. Om die reden is deze informatieverplichting in dit derde lid van het artikel expliciet benoemd.

 

Artikel 1.3 Wettelijke begripsbepalingen

De begripsbepalingen uit artikel 1.1 van de Jeugdwet zijn opgenomen in bijlage 1, waardoor ze bij het raadplegen van de verordening bij de hand zijn.

 

Hoofdstuk 2 Afstemming van jeugdhulp op wettelijke taken in het sociaal domein

Artikelen 2.2 tot en met 2.7 Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning

Wanneer een jeugdige of ouder ondersteuning vraagt van de gemeente, zal afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming op basis van de gezinssystematiek en problematiek. Afstemming betekent samenwerking om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet volstaat, dan zal ook de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar beide wetten niet in elkaar overlopen. De gemeente moet dit voorkomen door samen te werken.

 

Naast afstemming op bepaalde wetten is er ook een afbakening van de zorg- en dienstverlening binnen de reikwijdte van deze wetten. De afbakening geeft de grenzen aan tussen de wetten en waar deze bepaalde zorglichten van elkaar overnemen. De betreffende artikelen beogen duidelijk te maken welke hulp geboden kan worden op grond van de Jeugdwet en welke hulp op grond van een andere wet.

 

Langs de weg van afstemming en afbakening wordt inzichtelijk welke jeugdhulp noodzakelijk is en hoe deze zo efficiënt mogelijk verleend kan worden. Het gaat om maatwerk, om een tijdelijke ruggensteun, met het doel om zo snel als maar enigszins verantwoord is weer zelfstandig verder te gaan.

 

Artikel 2.5 Afbakening jeugdhulp en Wet passend onderwijs

Persoonlijke verzorging op school kan binnen verschillende wetten vallen:

  • -

    Als persoonlijke verzorging (op school) nodig is door gevolgen van ziekte e.d. valt dit onder de Zorgverzekeringswet (ZvW);

  • -

    Als de leerling een Wlz-beschikking heeft valt dit onder de Wet langdurige zorg (Wlz);

  • -

    Persoonlijke verzorging (op school) kan ook onder de Jeugdwet of het (passend) onderwijs vallen.

In 2014 is door het CIZ de AWBZ-indicatiewijzer 7.1 opgesteld. Daarin staat wat onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt (sinds invoering van de Wet passend onderwijs op 1 augustus 2014). De bekostiging van deze vorm van zorg binnen het onderwijs is sindsdien aangepast, maar de grens met de andere wetgeving is niet veranderd. Op grond van artikel 1.2, ld 1, onder b van de Jeugdwet, mag de gemeente een aanvraag voor jeugdhulp weigeren als er hulp kan worden verkregen op grond van een andere wet. Omdat in 2014 is bepaald welk gedeelte van persoonlijke verzorging onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt, zal dat door de gemeente als een voorliggende voorziening worden beschouwd. De tabel hieronder laat zien welk deel van de persoonlijke zorg onder verantwoordelijkheid van de school valt. Als er hulp nodig is die niet in deze tabel staat én als er geen recht is op hulp op basis van de Zvw of de Wlz, kan er een beroep worden gedaan op de Jeugdwet.

 

 

Hoofdstuk 3. Eigen Kracht en Gebruikelijke hulp

De inzet van jeugdhulp is in eerste instantie bedoeld voor situaties waarin jeugdigen of hun ouders niet meer zelfstandig of met hulp van hun netwerk kunnen voorzien in de benodigde ondersteuning. Deze bepaling sluit aan op de Jeugdwet, die stelt dat hulp eerst afgestemd moet worden op de eigen mogelijkheden van het gezin.

 

Artikel 3.2 Eigen kracht

‘Eigen kracht’ omvat de capaciteiten van ouders en jeugdigen om problemen zelf op te lossen, eventueel met hulp uit hun omgeving. Het gaat daarbij ook om het aanspreken van bijvoorbeeld vrijwilligers, mantelzorgers en aanvullende zorgverzekeringen.

 

Het college onderzoekt daarom eerst wat het gezin zelf kan doen. Alleen als deze mogelijkheden ontoereikend zijn, kan jeugdhulp worden ingezet. Daarbij wordt rekening gehouden met zaken als de draagkracht van ouders, hun belastbaarheid, en de gezinssituatie.

 

Van ouders wordt verwacht dat zij in elk geval gebruikelijke hulp bieden. Dit is zorg die van ouders mag worden verwacht als onderdeel van hun opvoedende rol. Wanneer ouders méér doen dan gebruikelijk is, betekent dat niet automatisch dat zij recht hebben op een voorziening. Ook dan moet eerst beoordeeld worden of hun eigen kracht echt is overschreden.

 

Individuele jeugdhulp wordt alleen verstrekt als de benodigde ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt én het gezin dit niet zelf of met hulp uit het netwerk kan bieden. De hulp is bedoeld om de ontwikkeling en veiligheid van kinderen te bevorderen wanneer deze in gevaar komen, niet voor normale ontwikkelingsfasen. Geen voorziening wordt verstrekt voor het deel waarvoor eigen kracht of netwerk niet wordt ingezet, tenzij het kind hierdoor direct in gevaar komt.

 

Artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp

Ouders zijn in principe verantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning van hun kinderen. Dit geldt zowel voor gebruikelijke hulp als, in veel gevallen, ook voor boven gebruikelijke hulp.

Gebruikelijke hulp gaat om de dagelijkse zorg die normaal is en past bij de leeftijd en ontwikkeling van een kind, zoals eten geven, naar school brengen of toezicht houden. Deze zorg hoort bij het ouderschap en is geen reden om jeugdhulp te krijgen. In de bijlage bij de verordening staat uitgewerkt wat precies onder gebruikelijke hulp wordt verstaan.

Pas wanneer er sprake is van ernstige of langdurige problemen, kan jeugdhulp aan de orde zijn. Daarbij wordt gekeken of het gezin de situatie zelf aankan. Als ouders door een lichamelijke of verstandelijke beperking de gebruikelijke zorg niet (volledig) kunnen bieden, komt dat naar voren in het onderzoek.

Voor boven gebruikelijke hulp geldt dat ouders in beginsel ook verantwoordelijk zijn. Alleen als deze hulp structureel en intensief is, en de draagkracht van ouders onvoldoende blijkt, kan het college een voorziening toekennen.

Het college maakt daarbij onderscheid tussen:

  • Kortdurende situaties (bijvoorbeeld herstel na een ongeluk of operatie, maximaal drie maanden): ouders worden geacht deze hulp zelf te bieden;

  • Langdurige situaties (bijvoorbeeld een chronische aandoening): het college beoordeelt de draaglast, de draagkracht en het netwerk van de ouders.

Alleen als blijkt dat ouders de zorg niet zelf kunnen bieden, ondanks redelijke inspanningen, kan jeugdhulp worden ingezet. Daarbij worden alle omstandigheden van het gezin meegewogen, zoals gezinssamenstelling, inkomen, sociaal netwerk en de specifieke behoeften van het kind.

 

Wat in redelijkheid van ouders en hun netwerk verwacht mag worden, gaat verder dan de normale of gangbare ondersteuning. Toch kan het voorkomen dat ouders de gebruikelijke hulp niet kunnen leveren, bijvoorbeeld bij jeugdigen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek, of wanneer ouders zelf een licht verstandelijke beperking hebben. Ook in zulke gevallen geldt dat eerst een beroep wordt gedaan op de eigen kracht en gebruikelijke hulp, voordat jeugdhulp wordt ingezet.

 

Artikel 3.4 Overbelasting

Overbelasting van ouders wordt serieus genomen, maar vormt niet zonder meer een reden voor jeugdhulp.  

 

Bij tijdelijke uitval van een ouder wordt verwacht dat de andere ouder de zorg overneemt, zo nodig met inzet van zorgverlof of kinderopvang. Ook het sociaal netwerk kan een rol spelen.

 

In eenoudergezinnen wordt gekeken naar beschikbare voorliggende voorzieningen. Alleen als deze onvoldoende zijn en de uitval direct samenhangt met de zorg voor de jeugdige, kan jeugdhulp overwogen worden.

 

Bij langdurige uitval wordt een meer duurzame oplossing gezocht, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg — jeugdhulp is dan niet aan de orde.

Het college maakt expliciet onderscheid tussen overbelasting door de zorg voor het kind en overbelasting door andere factoren (zoals werkdruk of nevenactiviteiten). In dat laatste geval ligt de verantwoordelijkheid voor een oplossing bij de ouders zelf, bijvoorbeeld door het aanpassen van hun levensstijl of werk.

Bij overbelasting door een drukke baan of nevenactiviteiten, zijn de ouders zelf verantwoordelijk voor een oplossing, bijvoorbeeld in aanpassingen in de leefsituatie, op het werk of in de nevenactiviteiten.

 

Hoofdstuk 4. Vormen van jeugdhulp

 

Artikel 4.1 en 4.2 Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen

Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.

 

In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.

 

Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de aanbieder van de algemene voorziening wenden.

 

Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 4.1 en 4.2.

 

In dit artikel wordt ook vastgelegd dat individuele voorzieningen altijd tijdelijk en doelgericht worden ingezet. De maximale looptijd verschilt per voorziening, passend bij de aard en intensiteit van de ondersteuning. Kortdurende en intensieve voorzieningen, zoals begeleiding complex of logeren, kennen een kortere looptijd. Voor voorzieningen met een meer structureel karakter, zoals medicatiecontrole of behandeling bij een beperking, is een langere termijn opgenomen.

 

Door vaste termijnen te hanteren wordt planmatig gewerkt, vindt tijdige evaluatie plaats en blijft de inzet in lijn met het uitgangspunt van de Jeugdwet: hulp zo licht en kort mogelijk.

 

Het college kan de looptijd alleen verlengen na evaluatie, als blijkt dat voortzetting noodzakelijk is. Hiermee wordt voorkomen dat voorzieningen automatisch worden doorgezet, en wordt steeds bekeken of lichtere of andere vormen van ondersteuning passend zijn.

 

Hoofdstuk 5 Toegang tot jeugdhulp

De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:

  • -

    via de gemeente

  • -

    na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • -

    via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI)

  • -

    via Veilig Thuis

In deze toelichting lichten we de routes toe, die kunnen leiden naar toegang tot jeugdhulp. De in artikel 5.1 en 5.2 benoemde routes tot toegang zijn vormen waarvoor het college verplicht is een beschikking af te geven. In de routes die hieronder nog beschreven worden naast artikel 5.1 en 5.2 en 5.3, geeft de jeugdwet geen gemeentelijke invulling voor deze toegang. Om die reden is het ook niet apart benoemd in de verordening. Maar voor de volledigheid zijn deze routes wel in de toelichting opgenomen.

 

Artikel 5.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente

Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af. Bij spoedeisende situaties wordt direct gehandeld en snel besloten. Dit gebeurt in afstemming met betrokken organisaties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis. In dergelijke gevallen geldt: eerst de noodzakelijke zorg, daarna zorgvuldig onderzoek.

 

Artikel 5.2 Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist

De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke dienst van de jeugdhulpaanbieder passend is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. De jeugdhulpaanbieder dient het plan in bij gemeente, de gemeente beoordeelt vervolgens het plan en legt deze naast de afspraken die zijn gemaakt met de jeugdhulpaanbieder in contract- of subsidieafspraken. Daarin is het belangrijk dat de gemeente geen oordeelt velt over de noodzaak van de hulp, maar wel of de hulp die beoogd wordt ook daadwerkelijk de beste zorg is voor de jeugdige. De gemeente stelt vervolgens een beschikking op, waarna de hulp kan starten.

 

Artikel 5.3 Verwijzing en beschikking door gecertificeerde instellingen

In het kader van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering heeft de gecertificeerde instelling (GI) de wettelijke bevoegdheid om te bepalen of jeugdhulp noodzakelijk is en welke vorm passend is (artikel 3.5, eerste lid, Jeugdwet). Bij jeugdreclassering kunnen ook andere instanties, zoals de rechter, de officier van justitie, de directeur of selectiefunctionaris van een justitiële jeugdinrichting, besluiten dat jeugdhulp nodig is.

 

De gemeente heeft in deze situaties een leveringsplicht (artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, Jeugdwet): zij moet ervoor zorgen dat de door de GI of andere bevoegde instantie noodzakelijk geachte jeugdhulp beschikbaar komt. Dit laat onverlet dat de gemeente haar verantwoordelijkheid behoudt voor de organisatie, inkoop en financiering van jeugdhulp.

 

Het voorgeschreven overleg tussen de GI en het college waarborgt dat de inzet van jeugdhulp wordt afgestemd op het beschikbare gecontracteerde aanbod en de lokale beleidsuitgangspunten. Wanneer de GI een voorziening noodzakelijk acht die buiten dit reguliere aanbod valt, wordt dit vooraf besproken met het college. Dit voorkomt onduidelijkheid en zorgt voor transparantie in de uitvoering en financiering.

 

Tot slot is bepaald dat jeugdhulp pas wordt ingezet nadat een beschikking is afgegeven door de GI en verstrekt aan zowel het college als de aanbieder. Alleen in spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 6.1.2 Jeugdwet kan hiervan worden afgeweken, zodat de veiligheid van het kind altijd voorop staat.

 

Toegang via Veilig Thuis

Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.

 

Hoofdstuk 6. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente

 

Artikel 6.1. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Bij het onderzoek ter beoordeling van een aanvraag zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.

 

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.

 

Een zorgvuldig onderzoek vereist het doorlopen van de volgende stappen:

 

Stap 1 - inventariseer de vraag

Wat is de jeugdhulpvraag of opvoedvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1 van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Ook uit andere wettelijke kaders kan de hulp voortvloeien, zoals uit de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Wmo.

 

Bij het inventariseren van de vraag (en bij de volgende stappen) betrekt het college het familiegroepsplan indien aanwezig.

 

Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart

Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, beperkingen, psychosociale problemen of psychische stoornissen zijn er?

 

Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast

Welke hulp is noodzakelijk, en in welke omvang? Deze vraag moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren (artikel 2.3 Jeugdwet)

 

Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is

Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de toereikende van de eigen kracht. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.

 

Als uit onderzoek naar de factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.

 

Stap 5 – Bepaling van de passende voorziening

Tot slot wordt vastgesteld welke voorziening nodig is om het verschil (de discrepantie) tussen de noodzakelijke hulp en de eigen mogelijkheden van het gezin te overbruggen. Deze afweging vormt de kern van de jeugdhulpplicht van het college: het bieden van passende ondersteuning waar de eigen kracht tekortschiet.

 

Artikel 6.2 Verslag van het onderzoek: het gezinsplan

Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een transparante en navolgbare besluitvorming. Na afronding van het onderzoek stelt het college een schriftelijke weergave op van de uitkomsten van het onderzoek: het gezinsplan. Dit plan wordt opgesteld in samenspraak met de jeugdige en diens ouders of wettelijke vertegenwoordiger.

 

Het gezinsplan bevat geen volledige transcriptie van de gevoerde gesprekken, maar een beknopte en doelgerichte weergave van gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders. De mate van detaillering in het gezinsplan is afhankelijk van de complexiteit van de situatie. Bij een eenvoudige hulpvraag, waarbij geen individuele voorziening nodig is, kan een beperkte weergave volstaan. In meer complexe situaties zal een uitgebreider verslag noodzakelijk zijn.

 

Een heldere en zorgvuldige verslaglegging maakt het voor het college mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag. Daarnaast draagt het bij aan begrijpelijke en transparante communicatie met de jeugdige en diens ouders.

 

In dit gezinsplan wordt ook de evaluatie van het traject opgenomen, hierin moet minimaal komen te staan:

  • -

    Het tijdspad voor de evaluatie, dit is afhankelijk van de beschikte duur van de zorg. Evaluatie kan ook plaats vinden buiten het tijdspad als het college daar aanleiding tot ziet, naar aanleiding van signalen van jeugdige of ouders, of vanuit de jeugdhulpaanbieder.

  • -

    Met wie er geëvalueerd wordt. Dit is altijd de jeugdige en ouder en jeugdhulpaanbieder. Hier kan ook het sociale netwerk, onderwijsinstantie of andere zorgaanbieder bij betrokken worden.

Artikel 6.3 Criteria voor toekenning, verstrekking en beëindiging van een individuele voorziening

Artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Dit betreft onder andere de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. In dit artikel is uitvoering gegeven aan deze bepalingen, met de kanttekening dat bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd maatwerk noodzakelijk is.

 

Dit kan anders liggen wanneer er sprake is van meervoudige problematiek binnen het gezin en tegelijkertijd een hulpvraag van de jeugdige bestaat. In dergelijke gevallen wordt de situatie in samenhang beoordeeld om te bepalen welke ondersteuning passend is.

 

Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden Budget

 

Artikel 7.1 Aanvraag met behulp van een pgbplan

Wanneer uit het onderzoek in hoofdstuk 6 blijkt dat jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening nodig is, kan gekozen worden voor hulp via een persoonsgebonden budget (pgb). De jeugdige of ouder moet daarvoor een volledig ingevuld en ondertekend pgb-plan (zorg- en budgetplan) inleveren. Dit plan kan al tijdens de onderzoeksfase worden ingediend, maar moet uiterlijk worden ingeleverd bij de officiële aanvraag van de voorziening.

 

In Nissewaard wordt gebruikgemaakt van een standaardformulier voor het pgb-plan. Hierin worden niet alleen de aard en omvang van de zorg benoemd, maar ook de momenten waarop deze nodig is én hoe deze bijdraagt aan zelfredzaamheid en participatie. De doelen in het plan moeten concreet zijn, zodat bij evaluatie kan worden vastgesteld of deze zijn bereikt. De gemeente verstrekt tijdens het gesprek de benodigde informatie (mondeling, schriftelijk en digitaal) voor het opstellen en beheren van het pgb.

 

Indien de jeugdige of ouder niet in staat is zelf de regie te voeren over een pgb, kan een vertegenwoordiger uit het sociale netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger dit op zich nemen, mits deze voldoet aan de gestelde criteria en ook actief deelneemt aan de gesprekken.

 

Artikel 7.2 Pgbbeheer en vaardigheden

Het college beoordeelt of de jeugdige, de ouder of diens vertegenwoordiger voldoende pgb-vaardig is. Dit gebeurt aan de hand van criteria die gebaseerd zijn op de tien toetsingspunten pgb-vaardigheid van het Ministerie van VWS, zoals vermeld in artikel 2.3.6 lid 2a Jeugdwet. Deze criteria zijn expliciet opgenomen in het artikel en gaan onder andere over het kunnen overzien van de zorgsituatie, communiceren met instanties, administratief vaardig zijn, en kennis hebben van het werkgeverschap. Deze toets is een randvoorwaarde voor het verantwoord inzetten van een pgb.

 

Artikel 7.3 Motivatie voor een pgb

Een pgb wordt alleen toegekend wanneer de aanvrager gemotiveerd onderbouwt waarom het aanbod in natura niet passend is. Deze motieven zijn nader gespecificeerd (zoals ongebruikelijke tijden of 24-uurs zorg), en zijn essentieel om vast te stellen dat een pgb de beste manier is om passende zorg te realiseren. De motivatie moet helder blijken uit het pgb-plan.

 

Artikel 7.4 Onderscheid professionele hulp en hulp uit het sociale netwerk

Pgb-hulp vanuit het sociaal netwerk is alle hulp die wordt geboden door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad. Wanneer bloed of aanverwanten werkzaam zijn bij een professionele instelling of professionele ondersteuning bieden als zelfstandige zonder personeel, valt dit onder Pgb-hulp uit het sociaal netwerk.

 

Wanneer een bloed- of aanverwant geen diploma heeft voor het bieden van de juiste hulp, maar wegens persoonlijke factoren wel van meerwaarde is voor de ondersteuning van de jeugdige dan behoort deze tot hulp vanuit het sociale netwerk zonder diploma.

 

Een van de voorwaarden voor toekenning van een pgb is dat de hulp die wordt geboden van goede kwaliteit is. Als een persoon uit het sociaal netwerk wordt ingezet, dan hoeft deze niet te voldoen aan de algemene kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Zoals de ‘Verantwoorde werktoedeling’, waaronder registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd.

 

Het college moet vaststellen of de kwaliteit van de hulp die de persoon uit het sociaal netwerk biedt passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de jeugdige.

 

De jeugdhulp die wordt ingezet moet ervoor zorgen dat de jeugdige zijn doelen kan realiseren. Er moet dus worden onderzocht of de hulpverlener bekwaam is en of de hulpverlening bijdraagt aan de doelen zoals opgenomen in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet. Verder wordt onderzocht of deze hulp past bij de achtergrond en problematiek van de jeugdige.

 

Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

Iedere zorgverlener die via een pgb wordt ingezet, moet aan minimale kwaliteitseisen voldoen. Bij hulp uit het sociale netwerk wordt minder nadruk gelegd op formele eisen zoals registratie, maar wordt wel beoordeeld of de hulp kwalitatief toereikend is.

 

Professionele hulpverleners moeten daarnaast werken volgens een hulpverleningsplan en een systeem van kwaliteitsbewaking hanteren. Voor personen uit het sociaal netwerk gelden aanvullende eisen, afhankelijk van of zij wel of niet gediplomeerd zijn. Er mag nooit sprake zijn van overbelasting van de hulpverlener, en de geboden hulp moet effectief bijdragen aan de doelen van de jeugdige.

 

Artikel 7.6 Hoogte pgb

Het persoonsgebonden budget (pgb) is bedoeld om jeugdigen en hun ouders de mogelijkheid te geven om zelf de benodigde zorg en ondersteuning in te kopen. De hoogte van het pgb wordt altijd afgestemd op de goedkoopste adequate en tijdig beschikbare individuele voorziening in natura binnen de gemeente. Dit betekent dat het pgb niet hoger is dan wat de gemeente normaal gesproken aan een gecontracteerde aanbieder zou betalen.

Kiezen de jeugdige of ouders voor een duurdere aanbieder dan het door het college aangeboden alternatief, dan komen de extra kosten voor eigen rekening. Het is dus mogelijk om een specifieke aanbieder te kiezen, mits de aanvullende kosten zelf worden betaald.

 

De hoogte van het pgb is afhankelijk van de aard van de ondersteuning en van de professionaliteit van degene die de ondersteuning verleent. Hierbij wordt onderscheid gemaakt ten opzichte van het tarief voor zorg in natura:

  • -

    Volledige vergoeding (100%): wanneer de ondersteuning wordt geleverd door een gediplomeerde professional die in dienst is van een rechtspersoon, zoals een jeugdhulporganisatie.

  • -

    Gedeeltelijke vergoeding (80%): wanneer de ondersteuning wordt geleverd door een gediplomeerde professional die niet in dienst is van een organisatie en ook geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de jeugdige of ouder. Voor deze situatie geldt een lager tarief, omdat wordt verondersteld dat er geen overheadkosten zijn die doorberekend hoeven te worden.

  • -

    Informele vergoeding (minimumloon): wanneer de ondersteuning wordt geleverd door een natuurlijk persoon uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouder. In dat geval wordt het pgb vastgesteld op het niveau van het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld.

Op deze manier wordt de hoogte van het pgb afgestemd op de aard van de ondersteuning, de kwalificaties van de zorgverlener en het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding, terwijl er ruimte blijft voor maatwerk.

 

Artikel 7.7 Opschorting betaling uit het pgb

Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.9, aanhef en onderdeel d, van de Jeugdwet, in combinatie met artikel 8b, vierde lid, aanhef en onder f, van de Regeling Jeugdwet, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 8b, vierde lid, van de Regeling Jeugdwet) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet). Met opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.

 

Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kunnen een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat:

  • 1.

    de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,

  • 2.

    de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of

  • 3.

    de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doelmatig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

 

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.

 

Verder kan ervoor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de WLZ.

 

Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van een opname. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stellen de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

 

Artikel 7.8 Weigeringsgronden en herzieningsgronden voor het pgb

De gronden waarop een jeugd-pgb kan worden geweigerd zijn gebaseerd op artikel 8.1.1, lid 2 van de Jeugdwet. Daarin zijn de voorwaarden opgenomen waaraan een aanvraag moet voldoen om voor een pgb in aanmerking te komen.

 

Om te waarborgen dat er een professionele afstand bestaat tussen zorgverlener en zorgaanvrager, is in artikel 6.8, eerste lid, onder a, opgenomen dat een pgb niet wordt toegekend wanneer de relatie tussen vertegenwoordiger en zorgverlener leidt tot financiële afhankelijkheid.

 

Een pgb-aanvraag kan daarnaast worden geweigerd indien de kosten van het gewenste pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening zoals door het college vastgesteld (artikel 8.1.1, vierde lid, onder a, van de wet). Dit betekent echter niet dat een pgb volledig kan worden geweigerd als de door de jeugdige of ouder gekozen aanbieder duurder is. De jeugdige of ouder kan het verschil zelf bijbetalen, zodat het pgb wordt toegekend voor het bedrag dat overeenkomt met het door het college voorgestelde aanbod.

 

Voor logeeropvang geldt dat de ouder deze op regelmatige basis kan inzetten voor korte perioden, bijvoorbeeld een weekend. Indien passend, kunnen de toegekende uren ook aaneengesloten worden ingezet voor een langere periode, bijvoorbeeld twee weken tijdens de schoolvakantie. De inzet van logeeropvang wordt altijd vastgelegd in het pgb-plan, zodat duidelijk is hoe en wanneer de ondersteuning wordt ingezet.

 

Hoofstuk 8 Kwaliteit

 

Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college mag bepaalde taken uit de Jeugdwet laten uitvoeren door zorgaanbieders. Dat geldt bijvoorbeeld voor jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Alleen het vaststellen van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders mag het college niet uitbesteden (volgens artikel 2.11 van de Jeugdwet).

 

Om ervoor te zorgen dat de prijs voor deze zorg of ondersteuning in verhouding staat tot de kwaliteit, is in de wet vastgelegd dat de gemeenteraad hierover regels moet opstellen (artikel 2.12 Jeugdwet). Daarbij moet onder andere gekeken worden naar de deskundigheid van het personeel en de arbeidsvoorwaarden die voor hen gelden.

 

Het is belangrijk dat bij het bepalen van de tarieven niet alleen gekeken wordt naar wie de goedkoopste is. In dit artikel staat daarom dat het college ook andere factoren mee moet nemen, zoals de kwaliteit van het werk en de professionaliteit van het personeel. Zo ontstaat een beter beeld van wat een eerlijke, ‘reële’ prijs is voor het werk dat een aanbieder levert.

 

Het uitgangspunt is dat aanbieders goed opgeleid personeel inzetten, dat wordt betaald volgens de juiste arbeidsvoorwaarden. Daarvoor moet duidelijk zijn welke werkzaamheden nodig zijn en wat daarbij hoort aan beloning. Dit zorgt ervoor dat medewerkers eerlijk behandeld worden en dat de kwaliteit van zorg gewaarborgd blijft.

 

Artikel 8.2 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieders en verlener

De kwaliteitseisen voor de jeugdhulpaanbieder en verlener staan beschreven in het Besluit Jeugdwet hoofdstuk 5. Kwaliteitseisen die daarbij nog aanvullend zijn voor de gemeente, zijn opgenomen in bijlage 4 kwaliteitseisen zorgaanbieder. Deze worden in de contracten met de zorgaanbieder ook beschreven. De accountmanagers van de zorgaanbieder zullen tijdens de gesprekken zich ook richten op de geleverde kwaliteit.

 

Het Toezicht Sociaal Domein (TSD) houdt onder andere in de gaten of organisaties zich houden aan de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. In het TSD werken de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen.

 

De Jeugdwet bepaalt dat de samenwerkende inspecties toezicht houden op de volgende organisaties (art. 9.1):

  • jeugdhulpaanbieders

  • gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering

  • certificerende instelling voor jeugdbescherming en jeugdreclassering

  • Veilig Thuis

  • Raad voor de Kinderbescherming

  • justitiële jeugdinrichtingen.

Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Onder een calamiteit wordt verstaan:

  • een gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van ondersteuning en die tot de dood of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt heeft geleid;

  • een gebeurtenis tijdens het ondersteuningsproces die tot schade aan de cliënt of medewerker heeft geleid, had kunnen leiden of (nog) zou kunnen leiden.

De zorgaanbieder is verplicht calamiteiten direct bij de gemeente te melden.

 

Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving

 

Artikel 9.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s

Dit hoofdstuk betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Op grond van artikel 8.1.3 van de Jeugdwet moeten het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing over een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3 biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is dit artikel toegevoegd, dat bovendien ook ziet op beslissingen over de verlening van individuele voorzieningen. Op grond van deze bepaling moeten het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte individuele voorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de jeugdige, de ouders of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.

 

De toezichthouder heeft verschillende wettelijke en in de verordening vastgelegde bevoegdheden om goed toezicht te kunnen houden op de uitvoering van de jeugdhulp en het gebruik van persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Deze bevoegdheden zijn noodzakelijk om te kunnen beoordelen of voorzieningen rechtmatig, doelmatig en cliëntgericht worden ingezet en uitgevoerd.

 

De toezichthouder kan onder meer dossiers en administraties inzien, zowel bij aanbieders als bij cliënten of pgb-beheerders. Ook kan de toezichthouder inlichtingen vorderen, inzage vragen in identificatiebewijzen en andere documenten, en toegang krijgen tot relevante gegevens. Daarnaast heeft de toezichthouder de bevoegdheid plaatsen te betreden (met uitzondering van woningen) en te controleren of (pgb-)aanbieders hun verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of uit de overeenkomst met het college nakomen.

 

Verder kan de toezichthouder inhoudelijk nagaan of de overeenkomsten die cliënten of pgb-beheerders met aanbieders sluiten aansluiten bij de gegevens en informatie die bij de aanvraag zijn verstrekt. Ook kan worden gecontroleerd of de individuele voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd en kunnen (pgb-)aanbieders vooraf worden gescreend.

 

Artikel 9.2 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Het eerste en tweede lid zijn waar het betreft pgb’s in hoofdzaak een herhaling van de regeling zoals deze is neergelegd in de artikelen 8.1.2 en 8.1.4 van de Jeugdwet. Deze is hier echter uitgebreid naar individuele voorzieningen (in natura).

 

Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, hebben het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder f (dat ook op individuele voorzieningen (in natura) ziet).

 

Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om te veel of ten onrechte verstrek pgb terug te vorderen.

 

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

 

Hoofdstuk 10 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 10.1 Evaluatie

De gemeente evalueert het jeugdbeleid. Deze staat los van de landelijke evaluatie, die de lokaal verzamelde gegevens daarvoor kan benutten.

 

Artikel 10.2 Hardheidsclausule

Juist omdat het in de jeugdwet om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.

 

Artikel 10.4 Overgangsrecht

In dit artikel is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. Inhoudelijk blijft de voorziening behouden ook al wordt de grond van de verstrekking vervangen door deze verordening.

Naar boven