Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2026 Beuningen

De raad van de gemeente Beuningen in openbare vergadering bijeen;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Beuningen van 11 november 2025;

 

gelet op artikel 227 van de Gemeentewet;

 

B E S L U I T:

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2026 Beuningen

(Verordening reclamebelasting 2026 Beuningen)

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    reclameobject: een openbare aankondiging in letters, cijfers, tekens, symbolen, kleuren of een reclamevoorwerp, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg;

  • b.

    Wet WOZ: de Wet waardering onroerende zaken;

  • c.

    waarde: de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ voor het kalenderjaar, voor de onroerende zaak vastgestelde waarde.

    Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ is vastgesteld, is de waarde de met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet WOZ vastgestelde waarde;

  • d.

    onroerende zaak: de onroerende zaak zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, of een deel van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, onderdeel b van de Wet WOZ.

  • e.

    voorziening: specifiek hulpmiddel bestemd voor het aanbrengen van één of meer (al dan niet wisselende) openbare aankondigingen;

  • f.

    jaar: een kalenderjaar.

  • g.

    Openbare weg:

    • 1.

      De weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

    • 2.

      de al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

    • 3.

      de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

    • 4.

      andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.

  • h.

    eerstelijns zorgdienstverlening: de zorg die toegankelijk is zonder verwijzing van een andere zorgverlener, verleend door een zelfstandig bevoegd zorgverlener. In ieder geval wordt hieronder verstaan: huisartsen, tandartsen, fysiotherapeuten, verloskundigen, apothekers, diëtisten, logopedisten, wijkverpleegkundigen, en overige beroepsbeoefenaren zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), voor zover zij zorg leveren die valt onder de Zorgverzekeringswet als eerstelijnszorg. De zorg dient in hoofdzaak gericht te zijn op directe patiëntenzorg, preventie of behandeling, en mag geen overwegend commercieel karakter dragen.

Artikel 2 Gebiedsomschrijving

Deze verordening is van toepassing binnen het gebied zoals aangegeven in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart (bijlage 1).

Artikel 3 Belastbaar feit

Onder de naam ‘reclamebelasting’ wordt binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage 1, een directe belasting geheven op openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg door middel van een reclameobject als bedoeld in artikel 1, onderdeel a.

Artikel 4 Belastingplicht

De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie het reclameobject wordt aangetroffen op, aan of bij een onroerende zaak of een deel van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, onderdeel b van de Wet WOZ.

Artikel 5 Belastingobject

De reclamebelasting wordt geheven per onroerende zaak , waarop, waaraan, waarin of waarbij één of meer reclameobjecten zijn aangebracht dan wel zijn geplaatst.

Artikel 6 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De heffingsmaatstaf is een vast bedrag per onroerende zaak en een bedrag dat afhankelijk is van de waarde van de onroerende zaak.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt de reclamebelasting, indien het reclameobject zich niet bevindt op, aan of bij een onroerende zaak zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, maar op, aan of bij een deel van een onroerende zaak, als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, onderdeel b van de Wet WOZ, geheven naar de maatstaf als bedoeld in het eerste lid van artikel 7.

  • 3.

    Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt de waarde van delen van de vestiging die in hoofdzaak voor woondoeleinden gebruikt worden buiten beschouwing gelaten.

Artikel 7 Belastingtarief

  • 1.

    Het vaste bedrag voor de reclamebelasting bedraagt € 419,00 per onroerende zaak.

  • 2.

    Voor zover de waarde van de onroerende zaak meer bedraagt dan € 159.400,- wordt het in het vorige lid genoemde bedrag vermeerderd met € 2,56 per € 1.000,- waarde.

  • 3.

    De reclamebelasting bedraagt maximaal € 1.380,- per onroerende zaak

Artikel 8 Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De reclamebelasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van de belastingplichtige verminderd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 10 Wijze van heffing

De reclamebelasting wordt geheven door middel van een aanslag.

Artikel 11 Vrijstellingen

De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen:

  • a.

    die korter dan 13 weken aanwezig zijn, tenzij deze openbare aankondigingen zijn aangebracht in een voorziening waarin, waaraan of waarop wisselende openbare aankondigingen worden aangebracht, die individueel korter dan 13 weken aanwezig zijn, maar waarbij de verschillende openbare aankondigingen gezamenlijk 13 weken of meer aanwezig zijn;

  • b.

    die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt die door of namens de gemeente zijn aangebracht;

  • c.

    in de vorm van voorwerpen die geplaatst worden bij evenementen die overwegend door vrijwilligers worden georganiseerd en die geen direct of indirect oogmerk hebben om hieruit voor eigen gewin inkomsten te verwerven;

  • d.

    aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement;

  • e.

    aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden;

  • f.

    die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen;

  • g.

    bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak;

  • h.

    behorend tot een eerstelijns zorgdienstverlener, en die uitsluitend bestemd zijn voor het informeren van patiënten of overige gebruikers, zoals naam, openingstijden, bereikbaarheid, adresgegevens, zonder uitingen voor producten en diensten buiten de reguliere eerstelijns zorg.

Artikel 12 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9 eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt - ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 45,- met een maximum van € 3.000,- én een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag -, dat:

    • a.

      aanslagen, waarvan de dagtekening ligt tussen 1 januari en 1 oktober van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden geïncasseerd in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar overblijven met een maximum van acht;

    • b.

      aanslagen, waarvan de dagtekening ligt na 30 september van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden geïncasseerd in drie gelijke termijnen.

      Bij het van toepassing zijn van het vorenstaande vervalt de eerste incassotermijn een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid geldt, voor aanslagen waarvan het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen € 45,- of minder bedraagt en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag, dat het totaalbedrag van de aanslag in één keer wordt geïncasseerd twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 4.

    Voor aanslagen, waarvan het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 3.000,-, is geen automatische incasso mogelijk en is de betalingstermijn als onder lid 1 van toepassing.

  • 5.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 13 Kwijtschelding

Van de invordering van reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 14 Overgangsrecht

De ‘Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2025 Beuningen’, vastgesteld bij raadsbesluit van 17 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 15, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 15 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 16 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening reclamebelasting 2026 Beuningen’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Beuningen 16 december 2025,

De raad voornoemd,

de griffier,

de voorzitter,

Bijlage 1 Verordening reclamebelasting 2026 Beuningen

 

 

Gewaarmerkt als behorende bij het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 16 december 2025

 

De griffier.

Naar boven