Verordening van de raad van de gemeente Nissewaard, houdende regels voor de maatschappelijke ondersteuning van inwoners in beschermde woonvormen op de Zuid-Hollandse Eilanden (Verordening maatschappelijke ondersteuning in beschermde woonvormen Zuid-Hollandse Eilanden 2026)

De raad van de gemeente Nissewaard;

gelet op artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 december 2025;

 

gehoord het advies van de commissie Sociaal Domein van 27 november en 4 december 2025;

 

besluit de volgende verordening vast te stellen:

Verordening maatschappelijke ondersteuning in beschermde woonvormen Zuid-Hollandse Eilanden 2026.

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • 1.

    Onder centrumgemeente wordt in deze verordening verstaan de regionale taken van beschermd wonen door de gemeente Nissewaard voor de regiogemeenten Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard, Nissewaard en Voorne aan Zee.

  • 2.

    De intramurale regionale maatwerkvoorzieningen die onder de definitie beschermde woonvorm vallen zijn in ieder geval begeleid wonen, beschermd verblijf semimuraal, beschermd verblijf regulier, beschermd verblijf intensief, time-out, beschermd verblijf specialistisch, safehouse, zoals nader aangeduid in bijlage 1.

  • 3.

    De extramurale regionale maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval individuele begeleiding plus en uitstroombegeleiding, zoals nader aangeduid in bijlage 1.

  • 4.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die in niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 1.2 Reikwijdte

In afwijking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Nissewaard 2026 bevat deze verordening bepalingen voor de maatwerkvoorziening beschermde woonvorm.

HOOFDSTUK 2 TOEGANGSPROCEDURE

Artikel 2.1 Landelijke toegankelijkheid

  • 1.

    Een maatwerkvoorziening beschermd wonen is landelijk toegankelijk. Dat betekent dat de inwoner in elke gemeente van Nederland een melding kan doen voor beschermd wonen. Nederlandse gemeenten hebben hierover nadere afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in de Handreiking en beleidsregels landelijke toegang beschermd wonen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Deze zijn ook voor de centrumgemeente onverkort van toepassing.

  • 2.

    Indien het college van een gemeente van buiten de regio Zuid-Hollandse Eilanden een inwoner bovenregionaal wil plaatsen in een maatwerkvoorziening beschermd wonen binnen de regio Zuid-Hollandse Eilanden, dient hiervoor de procedure te worden gehanteerd zoals beschreven in de in het eerste lid genoemde Handreiking en beleidsregels. Dit betekent dat de toegang tot deze voorzieningen altijd moet verlopen via de centrumgemeente.

  • 3.

    Indien een inwoner wordt geplaatst in een maatwerkvoorziening beschermd wonen binnen de regio Zuid-Hollandse Eilanden zonder dat deze een geldige beschikking heeft van de centrumgemeente, dan kan de centrumgemeente niet verantwoordelijk worden gesteld voor de kosten van deze maatwerkvoorziening in dat jaar of daaropvolgende jaren.

  • 4.

    De maatwerkvoorzieningen begeleid wonen, beschermd verblijf semimuraal, time-out, individuele begeleiding plus, uitstroombegeleiding zijn niet landelijk toegankelijk. Deze maatwerkvoorzieningen zijn uitsluitend toegankelijk voor inwoners die op het moment van indicatiestelling, volgens de BRP, inwoner zijn van één van de vier gemeenten op de Zuid-Hollandse Eilanden.

Artikel 2.2 Melding

  • 1.

    De melding wordt gedaan door of namens de cliënt bij het college van de gemeente waar hij woont.

  • 2.

    De melding vindt plaats op de door het college van deze gemeente voorgeschreven wijze.

  • 3.

    Het college van deze gemeente bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk (per post of e-mail).

  • 4.

    In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, wordt de melding direct gedaan bij het college indien de inwoner op het moment van de melding nog aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm, residentiële jeugdzorg, intramurale WLZ, forensische zorg of klinische ggz-behandeling.

  • 5.

    Indien lid 4 van toepassing is en er toch een melding wordt gedaan bij het college van de gemeente waar de inwoner woont, dan kan de melding worden doorgestuurd naar het college voor verdere afhandeling.

Artikel 2.3 Eerste screening door gemeente waar de melding wordt gedaan

  • 1.

    Het college van de gemeente waar de melding wordt gedaan is verantwoordelijk voor het uitvoeren van een eerste screening.

  • 2.

    In deze eerste screening wordt een lichte toets uitgevoerd om te bepalen of de inwoner als gevolg van psychische of psychosociale problematiek of een licht verstandelijke beperking zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving en inwoner met voorliggende voorzieningen en lokale maatwerkvoorzieningen onvoldoende ondersteund kan worden in zijn zelfredzaamheid.

  • 3.

    Indien de situatie van de inwoner naar het oordeel van het college van de gemeente waar de melding wordt gedaan voldoet aan de omschrijving in lid 2, wordt de melding voorzien van het daarbij opgestelde verslag ingediend als een melding beschermde woonvorm bij de centrumgemeente Nissewaard.

  • 4.

    Indien de situatie van inwoner naar het oordeel van het college van de gemeente waar de melding is gedaan niet voldoet aan de omschrijving in lid 2, wordt de melding van inwoner door dit college verder afgehandeld.

  • 5.

    In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, wordt geen eerste screening uitgevoerd indien inwoner op het moment van de melding nog aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm, residentiële jeugdzorg, intramurale WLZ, forensische zorg of klinische ggz-behandeling. In die gevallen wordt direct een onderzoek uitgevoerd als omschreven in artikel 2.4.

Artikel 2.4 Onderzoek door centrumgemeente

  • 1.

    Na ontvangst van een melding beschermde woonvorm is het college van de centrumgemeente verantwoordelijk voor het uitvoeren van het onderzoek in de zin van artikel 2.3.2 van de wet.

  • 2.

    De meldingen beschermde woonvorm worden afgehandeld op volgorde van binnenkomst. Hiervan wordt alleen afgeweken indien inwoner zich bevindt in een schrijnende situatie met een risico op escalatie die niet op andere wijze kan worden opgelost dan middels een snel besluit over de aanspraak op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm. Of dit het geval is, is ter beoordeling door het college van de centrumgemeente.

  • 3.

    Het onderzoek als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een dossieronderzoek, een vraagverhelderingsgesprek en in sommige gevallen een aanvullend onderzoek.

  • 4.

    Het college van de centrumgemeente vraagt voor het dossieronderzoek aan de inwoner alle gegevens en bescheiden te verschaffen die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, tenzij het college daarover al beschikt.

  • 5.

    Het vraagverhelderingsgesprek betreft een persoonlijk gesprek met de inwoner en, indien van toepassing, de vertegenwoordiger. Daarnaast kunnen bij dit gesprek aanwezig zijn de mantelzorger(s), naaste personen uit het sociale netwerk, onafhankelijk inwonerondersteuner, huidige zorgverlener, aandachtsfunctionaris beschermde woonvormen van de gemeente waar inwoner woont.

  • 6.

    Het vraagverhelderingsgesprek als bedoeld in het vijfde lid kan ook gebruikt worden om inwoner te vragen om bescheiden zoals bedoeld in het vierde lid, die nodig zijn voor het dossieronderzoek.

  • 7.

    Een aanvullend onderzoek is nodig als het college van de centrumgemeente op basis van het dossieronderzoek en het vraagverhelderingsgesprek de aanspraak op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm niet kan beoordelen. Het kan bestaan uit het opvragen van medisch advies, het laten uitvoeren van een diagnostisch onderzoek of een multidisciplinair overleg met bij de inwoner betrokken professionals.

  • 8.

    Het college van de centrumgemeente is bevoegd om, indien dit van belang is voor het onderzoek, zich te laten adviseren door een daartoe geschikte instantie.

Artikel 2.5 Medewerking inwoner

  • 1.

    Het college is, onverminderd artikel 2.3.8 van de wet, in ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm:

    • a.

      de inwoner op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

    • b.

      de inwoner op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen of onderzoeken.

  • 2.

    De inwoner is verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.

  • 3.

    Indien de inwoner geen gehoor geeft of kan geven aan de oproep op een door het college te bepalen plaats en tijdstip te verschijnen, dan kan een huisbezoek plaatsvinden.

  • 4.

    Het college kan een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm weigeren als de cliënt in staat wordt geacht om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, of met gebruikmaking van een voorliggende voorziening, te voorzien in zijn ondersteuningsbehoefte maar de cliënt, mantelzorger of sociale netwerk dit weigert.

Artikel 2.6 Onderzoeksverslag

  • 1.

    Het college stelt een onderzoeksverslag op en verstrekt deze aan de inwoner en, indien van toepassing, de vertegenwoordiger.

  • 2.

    Het onderzoeksverslag bevat de bevindingen uit het onderzoek als bedoeld in artikel 2.4:

    • de aanwezige problematiek op de leefgebieden naar aard, intensiteit en zwaarte

    • de ondersteuningsbehoefte op de leefgebieden naar aard, intensiteit en zwaarte

    • de resultaten die behaald moeten worden op de leefgebieden en de periode die hiervoor nodig is

    • de daarop gebaseerde conclusie ten aanzien van de noodzaak voor een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm.

  • 3.

    Indien de inwoner of vertegenwoordiger opmerkingen of aanvullingen heeft, worden deze toegevoegd aan het onderzoeksverslag. Het college verstrekt het aangepaste onderzoeksverslag aan de inwoner of vertegenwoordiger binnen een week na ontvangst van de opmerkingen of aanvullingen.

  • 4.

    De inwoner of vertegenwoordiger dient het definitieve onderzoeksverslag binnen twee weken na ontvangst ondertekend terug te sturen. Daarbij dient de inwoner of vertegenwoordiger aan te geven of hij akkoord is met het verslag en of hij een aanvraag wil indienen.

Artikel 2.7 Aanvraag

Indien de inwoner het onderzoeksverslag ondertekend heeft teruggestuurd met daarin aangegeven dat hij een aanvraag wil indienen, geldt het ondertekende onderzoeksverslag als aanvraag zoals bedoeld in artikel 2.3.5. van de wet.

Artikel 2.8 Clientondersteuning

Het college van de gemeente waar de melding wordt gedaan is verantwoordelijk voor het informeren van cliënten en hun mantelzorgers op de mogelijkheid zich gedurende de procedure desgewenst te laten bijstaan door een onafhankelijk cliëntondersteuner en het bieden van deze clientondersteuning.

HOOFDSTUK 3 BEOORDELING AANSPRAAK

Artikel 3.1. Wijze van beoordeling aanspraak

Het college beoordeelt de aanspraak op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm op basis van de inhoud van het onderzoeksverslag als bedoeld in artikel 2.6.

Artikel 3.2 Criteria voor beoordeling aanspraak op maatwerkvoorziening beschermde woonvorm

  • 1.

    Het college toetst elke aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm aan de volgende algemene criteria:

    • a.

      de cliënt is 18 jaar of ouder;

    • b.

      de cliënt heeft de Nederlandse nationaliteit of verblijft legaal in Nederland;

    • c.

      de cliënt is bekend met psychiatrische, psychische of psychosociale problematiek of een lichtverstandelijke beperking (IQ 50-85);

    • d.

      cliënt is niet in staat om, eventueel met gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van personen uit het eigen sociaal netwerk, algemene of voorliggende voorzieningen zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving of zelfstandig te wonen;

    • e.

      cliënt kan geen aanspraak maken op een voorliggende voorziening op grond van de Zorgverzekeringswet, Jeugdwet, Wet langdurige zorg, Wet forensische zorg of Wet verplichte ggz;

    • f.

      de belemmeringen die cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving of zelfstandig wonen zijn niet van kortdurende aard en er is een reëel perspectief op vergroten van de zelfredzaamheid;

    • g.

      cliënt heeft professionele ondersteuning nodig buiten kantoortijden;

    • h.

      de cliënt wil en accepteert een ondersteuningstraject uitgaande van zijn mogelijkheden, gericht op het realiseren van een situatie waarin hij weer op eigen kracht zelfstandig kan wonen en participeren in de samenleving.

  • 2.

    Specifiek voor begeleid wonen gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      de problemen die voortkomen uit de psychische, psychosociale problematiek of licht verstandelijke beperking, werken belemmerend op het functioneren en de ontwikkeling van de cliënt;

    • b.

      zelfzorg en zorgdragen van de leefomgeving is niet toereikend er is een risico op zelfverwaarlozing;

    • c.

      cliënt heeft ondersteuning nodig bij het initiëren van taken en het nemen van beslissingen;

    • d.

      cliënt heeft naast planbare zorg ook begeleiding buiten kantoortijden nodig;

    • e.

      er is sprake van een voor of door de cliënt onveilige thuissituatie/huisvesting;

    • f.

      cliënt heeft geen functionerend sociaal netwerk dat voldoende ondersteuning kan bieden en/of cliënt bevindt zich in een onveilig netwerk of een netwerk die de zelfredzaamheid belemmert;

    • g.

      cliënt heeft het perspectief om in maximaal 2 jaar uit te stromen naar een meer zelfstandigere woonsituatie.

  • 3.

    Specifiek voor begeleid wonen voor gezinnen gelden aanvullend op lid 2 de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van een gezin met minimaal één ouder en één minderjarig kind;

    • b.

      de problematiek en ondersteuningsbehoefte ligt bij de ouder en betreft niet alleen opvoedondersteuning.

  • 4.

    Specifiek voor het beoordelen van aanspraak op een aanvullende vergoeding begeleid wonen gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      Indien een inwoner aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm kan inwoner in aanmerking komen voor een aanvullende vergoeding voor begeleid wonen;

    • b.

      Het betreft een tegemoetkoming in de kosten voor intermediaire verhuur en de stoffering van de kamer of woning (vloerbedekking, wanden/plafond, raambekleding) voor de zorgaanbieder. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van de kamer/woning;

    • c.

      Het college beoordeelt of een cliënt in aanmerking komt voor een aanvullende vergoeding voor begeleid wonen op basis van de volgende criteria:

      • i.

        Er is sprake van een indicatie begeleid wonen (alleenstaanden en gezinnen);

      • ii.

        Er is sprake van intermediaire verhuur.

  • 5.

    Specifiek voor beschermd verblijf semimuraal gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van lichte tot matige psychische en/of psychosociale problematiek en/of licht verstandelijke beperking, waarbij cliënt relatief zelfstandig kan functioneren met enige begeleiding;

    • b.

      cliënt is psychisch stabiel: er is geen of beperkte kans op gedrag dat zichzelf of anderen kan schaden;

    • c.

      cliënt heeft ondersteuning nodig met beperkte intensiteit, bijvoorbeeld begeleiding bij het plannen van de dag, medicatiegebruik of sociale interacties;

    • d.

      er is sprake van enige kwetsbaarheid op het gebied van sociale vaardigheden, zelfzorg en/of emotionele stabiliteit;

    • e.

      client is grotendeels zelfstandig, maar heeft nog wel behoefte aan structuur en ondersteuning bij dagelijkse activiteiten;

    • f.

      cliënt kan in principe zonder 24-uurs toezicht, maar heeft baat bij regelmatige begeleiding en een veilige woonomgeving.

  • 6.

    Specifiek voor beschermd verblijf regulier gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van matige tot complexe psychische en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperking, waarbij cliënt niet volledig zelfstandig kan wonen en intensievere ondersteuning nodig heeft;

    • b.

      cliënt heeft behoefte aan dagelijkse, gestructureerde begeleiding en ondersteuning, inclusief hulp bij medicatie, dagbesteding en het omgaan met psychiatrische klachten;

    • c.

      er is bij cliënt regelmatig sprake van risicogedrag, zoals terugval in psychische klachten, conflicten in de woonomgeving of lichte risciovol gedrag voor zichzelf of anderen;

    • d.

      cliënt heeft ondersteuning nodig op meerdere levensgebieden, zoals zelfzorg, huishouding, financiën en sociale contacten;

    • e.

      cliënt heeft ondersteuning nodig op zowel geplande als ongeplande momenten en cliënt heeft het nodig om 24/7 terug te kunnen vallen op aanwezige begeleiding;

    • f.

      cliënt heeft ondersteuning nodig op het voeren van regie over zijn/haar leven, om verlies van zelfredzaamheid te voorkomen.

  • 7.

    Specifiek voor beschermd verblijf intensief gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      cliënt heeft ernstige, complexe psychische problematiek, eventueel in combinatie met een licht verstandelijke beperking;

    • b.

      ten aanzien van de problematiek moet sprake zijn van een diagnose, door een daartoe gekwalificeerde professional gesteld, waarbij als uitgangspunt geldt dat de diagnose op de datum van de melding beschermde woonvorm bij het college niet ouder mag zijn dan 5 jaar. Indien de diagnose ouder is, dient in de aanvraag te worden onderbouwd dat de geconstateerde problematiek of beperking sindsdien ongewijzigd is;

    • c.

      cliënt heeft ondersteuning nodig op het voeren van regie over zijn/haar leven, omdat er sprake is van zwaar regieverlies;

    • d.

      cliënt heeft behoefte aan directe nabijheid en constante aansturing;

    • e.

      er is sprake van structureel en/of acuut risico op gedrag dat zichzelf of anderen kan schaden, waardoor intensieve begeleiding en toezicht vereist is;

    • f.

      cliënt heeft continue zorg nodig, inclusief medische en psychiatrische behandeling, crisisinterventie en ondersteuning bij dagelijkse handelingen;

    • g.

      cliënt heeft een noodzaak voor outreachende begeleiding, omdat cliënt niet zelf zijn/haar hulpvraag kan formuleren en de hulpvraag ook niet uit kan stellen.

  • 8.

    Specifiek voor time-out gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      cliënt verblijft in een thuissituatie met een indicatie voor Individuele Begeleiding Plus en/of een wachtlijsbeschikking voor Beschermd Verblijf;

    • b.

      cliënt kan na de time-out terug naar de plek waar hij/zij vandaan kwam;

    • c.

      cliënt heeft tijdelijk (10 tot 14 dagen) extra rust, structuur en begeleiding nodig om te herstellen of ontregeling te voorkomen;

    • d.

      er is sprake van decompensatie op de psychische stabiliteit in de thuissituatie. Dit kan zijn:

      • i.

        decompensatie op de ADL/daginvulling;

      • ii.

        decompensatie op het sociaal netwerk;

      • iii.

        decompensatie op huiselijke relaties met risico op verwaarlozing/escalatie;

    • e.

      Wanneer er sprake is van acute (psychische) crisis, er direct gevaar voor zichzelf en voor anderen aanwezig is en onmiddellijke interventie nodig is, is een Time-out voorziening niet van toepassing.

  • 9.

    Specifiek voor beschermd verblijf specialistisch gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van triple-diagnostiek; dit betekent een combinatie van psychiatrische problematiek, een licht verstandelijke beperking en verslavingsproblematiek;

    • b.

      ten aanzien van de problematiek moet sprake zijn van een diagnose, door een daartoe gekwalificeerde professional gesteld, waarbij als uitgangspunt geldt dat de diagnose op de datum van de melding beschermde woonvorm bij het college niet ouder mag zijn dan 5 jaar. Indien de diagnose ouder is, dient in de aanvraag te worden onderbouwd dat de geconstateerde problematiek of beperking sindsdien ongewijzigd is;

    • c.

      cliënt heeft 24/7 ondersteuning en toezicht nodig;

    • d.

      cliënt heeft geen stabiele/toereikende huisvesting en/of veroorzaakt woonoverlast;

    • e.

      er is sprake van overlastgevend middelengebruik door cliënt;

    • f.

      er is perspectief op (ambulante) behandeling aanwezig;

    • g.

      cliënt vertoont regelmatig of continu gedrag dat zichzelf of anderen kan schaden, waarbij crisisinterventie en gespecialiseerde zorg noodzakelijk zijn;

    • h.

      cliënt is gemotiveerd, maar is vanuit zijn/haar problematiek niet altijd in staat om zich aan de voorwaarden te houden.

  • 10.

    Specifiek voor individuele begeleiding plus gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      cliënt voldoet aan criteria voor Beschermd Verblijf Regulier of intensief en heeft betreffende ondersteuning nodig in de huidige situatie:

      • i.

        of ter ondersteuning van het behouden van de eigen woonsituatie (zelfstandig of inwonend);

      • ii.

        of ter ondersteuning in het Sociaal Hostel;

      • iii.

        of ter overbrugging, in afwachting van plaatsing binnen Beschermd Verblijf.

    • b.

      de inzet van ambulante begeleiding, vanuit de lokale Wmo is niet toereikend, omdat cliënt naast planbare zorg ook begeleiding buiten kantoortijden nodig heeft;

    • c.

      cliënt heeft behoefte aan 24/7 bereikbaarheid van begeleiding, omdat cliënt niet altijd zijn/haar hulpvraag kan uitstellen;

    • d.

      cliënt heeft het nodig dat de aanbieder ongevraagd contact zoekt en actief signaleert.

  • 11.

    Specifiek voor uitstroombegeleiding gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      cliënt verblijft in een voorziening voor Begeleid Wonen of Beschermd Verblijf met uitzondering van Time Out;

    • b.

      er is een datum vastgesteld waar op de verhuizing plaatsvindt.

  • 12.

    Specifiek voor safehouse gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      cliënt heeft een klinische (detox)behandeling positief doorlopen, gericht op verslavingsproblematiek (zoals middelengebruik, gokken of gamen);

    • b.

      cliënt heeft te maken met complexe multiproblematiek (zoals schulden, justitiële achtergrond, beperkt/niet aanwezig steunend sociaal netwerk en/of huiselijke relaties) die duurzaam herstel belemmert;

    • c.

      er is sprake van noodzaak tot inzet van een safehouse wanneer een beschermde en gestructureerde omgeving essentieel is om terugval te voorkomen en de kans op duurzaam herstel en succesvolle re-integratie te vergroten;

    • d.

      voor een positieve re-integratie in de maatschappij is cliënt gebaat bij een veilige, gestructureerde omgeving, zonder de verleiding van het oude netwerk;

    • e.

      cliënt heeft het perspectief om binnen een jaar uit te kunnen stromen naar (meer) zelfstandigere woonsituatie.

  • 13.

    Specifiek voor het beoordelen van aanspraak op een aanvullende vergoeding safehouse 24/7 gelden aanvullend de volgende criteria:

    • a.

      indien een inwoner aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm kan inwoner in aanmerking komen voor een aanvullende vergoeding safehouse 24/7;

    • b.

      het betreft een aanvullende vergoeding voor het inzetten van 24/7 toezicht op locatie;

    • c.

      het college beoordeelt of een cliënt in aanmerking komt voor een aanvullende vergoeding safehouse 24/7 op basis van de volgende criteria:

      • i.

        er is sprake van een indicatie Safehouse;

      • ii.

        er is een aantoonbare noodzaak voor de aanwezigheid van 24/7 toezicht op locatie.

    • d.

      de inzet van de aanvullende vergoeding wordt afgestemd op de specifieke begeleidingsbehoefte van de cliënt en dient onderbouwd te worden bij de aanvraag.

Artikel 3.3 Criteria voor beoordeling aanspraak op dagbesteding

  • 1.

    Het college beoordeelt of een cliënt aanvullend in aanmerking komt voor dagbesteding op basis van de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van een indicatie beschermd verblijf of beschermd verblijf specialistisch;

    • b.

      de inwoner is niet in staat tot het verrichten van reguliere arbeid of het volgen van een opleiding;

    • c.

      de inwoner heeft geen vrijwilligerswerk, daginvulling of dagstructurering;

    • d.

      de inwoner heeft baat bij dagbesteding voor het vergroten van zijn zelfredzaamheid op bepaalde leefgebieden.

Artikel 3.4 Criteria voor beoordelen aanspraak op vervoer dagbesteding

  • 1.

    Het college beoordeelt of een cliënt aanvullend op dagbesteding in aanmerking komt voor vervoer op basis van de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van een indicatie beschermd verblijf of beschermd verblijf specialistisch;

    • b.

      er is sprake van een indicatie dagbesteding;

    • c.

      inwoner heeft geen mogelijkheden en middelen om zich te vervoeren van en naar de locatie van dagbesteding;

    • d.

      er is een vastgestelde noodzaak voor door de aanbieder georganiseerd vervoer van en naar de locatie van dagbesteding.

Artikel 3.5 Criteria voor beoordelen aanspraak op aanvullende vergoeding voor gezinnen

  • 1.

    Indien een cliënt aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm en één of meer kinderen tot 18 jaar heeft die elke week (gedeeltelijk) inwonend zijn, kan cliënt in aanmerking komen voor een aanvullende vergoeding voor gezinnen.

  • 2.

    Het betreft een vaste tegemoetkoming voor de zorgaanbieder van een maatwerkvoorziening beschermde woonvormen die is bedoeld voor het faciliteren van de afstemming tussen zorgaanbieder en de jeugdhulpprofessional(s) die actief betrokken is/zijn bij de ondersteuning van de jeugdige(n) in het gezin van de inwoner.

  • 3.

    Het college beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor een aanvullende vergoeding voor gezinnen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van een indicatie begeleid wonen, beschermd verblijf, beschermd verblijf specialistisch of time-out plek;

    • b.

      kind(eren) van de inwoner maken onderdeel uit van het ondersteuningsplan;

    • c.

      er zijn één of meer jeugdhulpverleners actief in het gezin van de inwoner.

Artikel 3.6 Criteria voor beoordelen aanspraak aanvullende vergoeding wakende wacht

  • 1.

    Indien een inwoner aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm kan inwoner in aanmerking komen voor een aanvullende vergoeding wakende wacht.

  • 2.

    Het betreft een tegemoetkoming in het organiseren van een wakende wacht.

  • 3.

    Het college beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor een aanvullende vergoeding wakende wacht op basis van de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van een indicatie Beschermd verblijf intensief of Time-out plek;

    • b.

      er is sprake van complexiteit van de inwoner en de daarbij behorende context waarbij er noodzaak is tot het inzetten van een wakende wacht omdat er sprake is van zware ontregeling, agressie of een dusdanige zorgvraag waarbij een slapende wacht niet volstaat.

  • 4.

    De inzet van de aanvullende vergoeding wakende wacht wordt afgestemd op de specifieke begeleidingsbehoefte van de cliënt en wordt aangevraagd binnen zes weken na plaatsing van cliënt.

  • 5.

    In geval van toekenning is dit met terugwerkende kracht.

  • 6.

    Er vindt na 3 of 6 maanden een evaluatiemoment plaats waarbij wordt getoetst of inzet nog nodig is.

HOOFDSTUK 4 VASTSTELLEN ONDERSTEUNINGSBEHOEFTE EN ZORGTOEWIJZING

Artikel 4.1 Maatstaf voor vaststellen ondersteuningsbehoefte

  • 1.

    Indien een inwoner aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm en eventuele toeslagen, stelt het college vervolgens de ondersteuningsbehoefte vast aan de hand van drie objectieve maatstaven:

    • a.

      de belemmeringen die de inwoner verhinderen zich te handhaven in de samenleving of zelfstandig te wonen;

    • b.

      de met behulp van de maatwerkvoorziening en eventuele toeslagen door de inwoner te bereiken resultaten;

    • c.

      ce mate van voorspelbaarheid en risico van het gedrag van de inwoner.

Artikel 4.2 Wijze van vaststellen ondersteuningsbehoefte

  • 1.

    De ondersteuningsbehoefte wordt per leefgebied vastgesteld. De leefgebieden zijn:

    • a.

      Inkomen

    • b.

      Dagbesteding of werk

    • c.

      Huisvesting

    • d.

      Gezinsrelaties

    • e.

      Geestelijke gezondheid

    • f.

      Fysieke gezondheid

    • g.

      Zelfzorg

    • h.

      Sociaal netwerk

    • i.

      Maatschappelijke participatie

    • j.

      Contact met justitie

  • 2.

    Bij het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte wordt gebruik gemaakt van de zelfredzaamheidmatrix (ZRM) als instrument:

    • a.

      per leefgebied wordt in het ondersteuningsplan aangegeven welke belemmering de inwoner ervaart, welk gedrag hij laat zien en welke vorm van ondersteuning daarbij past: stimuleren, oefenen, aanleren, toezicht houden op, begeleiden bij, reguleren of overnemen.

    • b.

      per leefgebied wordt in het ondersteuningsplan aangegeven welke resultaten bereikt moeten worden binnen welke periode. In de beleidsregels behorend bij deze verordening zijn per leefgebied de te bereiken resultaten vastgesteld. De resultaten zijn dusdanig beschreven dat duidelijk is wat het specifieke doel is.

  • 3.

    Op basis hiervan wordt bepaald welke maatwerkvoorziening beschermde woonvorm in welke intensiteit en omvang met welke eventuele toeslagen nodig is, evenals de duur van de af te geven beschikking.

  • 4.

    Een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm kan op grond van de wet géén behandeling bieden. Als een bewoner ook behandeling nodig heeft, moet hij daarvoor aanspraak maken op de Zorgverzekeringswet, eventueel met behulp van de zorgaanbieder.

Artikel 4.3 Zorgtoewijzing

  • 1.

    Na het bepalen van de best passende plek voor een inwoner op de wijze zoals beschreven in de beleidsregels artikel 3.12, wordt een beschikking afgegeven.

  • 2.

    Als de best passende plek niet beschikbaar is ten gevolge van een gebrek aan plek in de beoogde accommodatie of het cluster, dan ontvangt de inwoner een wachtlijstbeschikking. De inwoner wordt hiermee op de wachtlijst geplaatst voor de betreffende aanbieder en locatie.

  • 3.

    Indien een inwoner al gebruik maakt van een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm maar wil veranderen van zorgaanbieder en de gewenste zorgaanbieder heeft een tekort aan plekken, dan komt de inwoner op de wenswachtendenlijst.

  • 4.

    Gedurende de periode dat de inwoner op de wachtlijst staat, is de huidige zorgaanbieder van de inwoner verantwoordelijk voor het continueren van de ondersteuning en het eventuele verblijf. Indien het zorg betreft op grond van de Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg of Wet forensische zorg geschiedt dit conform de in het betreffende kader gemaakte landelijke afspraken voor continuering van zorg.

  • 5.

    Indien de ondersteuning, bedoeld in lid 4, verstrekt wordt door het college van de gemeente waar de inwoner woont, dan wordt door de colleges overlegd over welke ondersteuningsomvang nodig is totdat de inwoner geplaatst kan worden in een beschermde woonvorm.

  • 6.

    Indien de inwoner op het moment van melding zoals bedoeld in artikel 2.2 nergens in zorg is, dan is het college van de gemeente waar de inwoner woont verantwoordelijk voor het bieden van eventueel benodigde ambulante ondersteuning totdat de inwoner geplaatst is in een beschermde woonvorm.

  • 7.

    Is plaatsing van de inwoner op de best passende plek niet realiseerbaar binnen een termijn die door het college voor deze inwoner aanvaardbaar wordt geacht, dan wordt in overleg met de inwoner overgegaan tot:

    • a.

      plaatsing op een eveneens passende plek bij een aanbieder die geen wachtlijst heeft, of

    • b.

      tijdelijke plaatsing op een minder passende plek die wel beschikbaar is waarna inwoner later alsnog geplaatst wordt op de best plassende plek, of

    • c.

      plaatsing op een passende plek in een accommodatie buiten de regio, indien de situatie van de inwoner dat noodzakelijk maakt of

    • d.

      inzet van individuele begeleiding plus.

  • 8.

    Wanneer een inwoner aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm en bij de zorgtoewijzing de aan hem toegekende passende voorziening weigert, dan geeft het college alsnog een beschikking af zodat de inwoner hiertegen in bezwaar kan gaan.

Artikel 4.4 Ondersteuningsplan

  • 1.

    Het ondertekende onderzoeksverslag als bedoeld in artikel 2.6 vormt deel 1 van het ondersteuningsplan van de inwoner.

  • 2.

    Deel 2 van het ondersteuningsplan wordt opgesteld door de beoogde zorgaanbieder en beschrijft welke activiteiten op welke locatie(s) zullen worden verricht om de resultaten te bereiken die zijn benoemd in deel 1 van het ondersteuningsplan evenals de tijdsspanne die daaraan door de aanbieder wordt verbonden. Deel 2 van het ondersteuningsplan is alleen geldig als het voor akkoord is ondertekend door de inwoner.

  • 3.

    Na goedkeuring van het door de inwoner ondertekende deel 2 van het ondersteuningsplan, wordt de beschikking door het college afgegeven. Deel 1 en deel 2 van het ondersteuningsplan maken onlosmakelijk onderdeel uit van de beschikking.

  • 4.

    De zorgaanbieder kan alleen zorg declareren op grond van een geldige beschikking.

HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 5.1 Wijze van aanvraag leveringsvorm Pgb

  • 1.

    Een aanvraag voor leveringsvorm Pgb kan pas worden ingediend nadat uit de onderzoeksfase is gebleken dat de inwoner aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm en dient te worden ingediend vóórdat de beschikking wordt afgegeven aangezien hierin ook de leveringsvorm wordt gespecificeerd.

  • 2.

    Voorafgaand aan het beoordelen van een aanvraag voor leveringsvorm Pgb wordt er door de centrale Toegang altijd een gesprek gevoerd met de inwoner of wettelijk vertegenwoordiger waarin wordt toegelicht welke rechten en plichten zijn verbonden aan het verkrijgen van een Pgb.

  • 3.

    De inwoner of wettelijk vertegenwoordiger kan bij het college een aanvraag doen voor leveringsvorm Pgb door het opstellen en indienen van een Pgb-plan op de manier zoals in de beleidsregels is vastgesteld.

Artikel 5.2 Criteria voor toekenning van leveringsvorm Pgb

  • 1.

    In verbijzondering van artikel 2.3.6, lid 2 van de wet dient de inwoner of wettelijk vertegenwoordiger in zijn aanvraag het volgende te motiveren om in aanmerking te komen voor een Pgb:

    • a.

      op welke voorziening in natura de inwoner zich heeft georiënteerd en waarom deze niet passend zijn bij zijn situatie;

    • b.

      welke zorg de inwoner gaat inkopen met het Pgb, bij welke zorgaanbieder en tegen welke kosten;

    • c.

      welke resultaten hiermee op de door de centrale Toegang bepaalde leefgebieden worden gerealiseerd tijdens de looptijd van de indicatie;

    • d.

      een onderbouwing dat deze zorg veilig, doeltreffend, inwonergericht zal worden verstrekt én van goede kwaliteit is.

  • 2.

    Een Pgb informele hulp is alleen mogelijk bij uitstroombegeleiding, individuele begeleiding plus.

  • 3.

    Een Pgb informele hulp wordt alleen verstrekt indien de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt én de inwoner of wettelijk vertegenwoordiger onderbouwd heeft gemotiveerd dat dit tot betere, effectievere ondersteuning leidt die aantoonbaar doelmatiger is.

Artikel 5.3 Criteria voor afwijzing leveringsvorm Pgb

  • 1.

    Een inwoner of wettelijk vertegenwoordiger die niet in staat is om zijn hulpvraag en belangen te behartigen of niet in staat is om, eventueel met behulp van zijn sociaal netwerk, de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren komt niet aanmerking voor een Pgb. Dat is het geval indien sprake is van minimaal één van onderstaande omstandigheden:

    • een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

    • een vastgestelde verstandelijke beperking;

    • een vastgestelde blijvende cognitieve stoornis;

    • een actieve verslaving, zoals alcohol, drugs en gokken;

    • de Nederlandse taal in woord of geschrift onvoldoende machtig zijn;

    • vastgestelde fraude of onrechtmatigheid met een Pgb in het verleden;

    • problematische schulden waarvoor nog geen betalingsregeling is getroffen;

    • langdurig verblijf in het buitenland;

    • de wettelijk vertegenwoordiger kan geen Verklaring Omtrent Gedrag overleggen op minimaal de functieaspecten ‘Geld’ en ‘Zakelijke transacties’.

  • 2.

    Naast de in lid 1 genoemde afwijzingscriteria kunnen er in individuele gevallen andere redenen zijn een Pgb niet toe te kennen. Het toekennen van een Pgb vereist altijd een individuele afweging. Om een Pgb af te wijzen op contra-indicatie, moet er een feitelijke onderbouwing zijn waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.

Artikel 5.4 Bepalen hoogte van het Pgb

  • 1.

    De hoogte van een Pgb formele zorg is gelijk aan het tarief wat aan inwoner in rekening wordt gebracht door de door hem gecontracteerde zorgaanbieder, tot maximaal het tarief dat de gemeente hanteert voor de gecontracteerde voorziening in natura.

  • 2.

    Voor het bepalen van de hoogte van een Pgb informele zorg wordt uitgegaan van het minimumuurloon inclusief vakantiebijslag en vakantie-uren zoals bedoeld in de Wet minimumloon voor een persoon van 21 jaar of ouder bij een werkweek van 36 uur.

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Artikel 6.1 Eigen bijdrage

  • 1.

    De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm.

  • 2.

    De bijdrage is gelijk aan het maximumbedrag uit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

HOOFDSTUK 7 VOORTIJDIGE BEËINDIGING VAN DE BESCHIKKING

Artikel 7.1 Afwezigheid inwoner in beschermd verblijf of begeleid wonen

  • 1.

    Geplande en ongeplande afwezigheid gedurende minimaa vijf etmalen van een cliënt met een maatwerkvoorziening beschermd verblijf of begeleid wonen moeten door de zorgaanbieder worden gemeld aan het college. De melding gebeurt uiterlijk vijf etmalen na afwezigheid, tenzij de afwezigheid herstelgericht is.

  • 2.

    Wanneer een inwoner met een maatwerkvoorziening beschermd verblijf of begeleid wonen als gevolg van opname in een andere zorginstelling of verblijf in detentie langer dan 42 aangesloten dagen (6 weken) afwezig is, wordt zijn beschikking opgeschort. Dat wil zeggen dat zijn plek in de accommodatie niet langer hoeft te worden vrijgehouden.

  • 3.

    Indien inwoner binnen 14 dagen wederom afwezig is zoals bedoeld in lid 2, wordt deze tweede periode van afwezigheid opgeteld bij de eerste periode.

  • 4.

    Indien een inwoner buiten zijn schuld zijn plek in een accommodatie voor beschermd verblijf of begeleid wonen kwijt raakt als gevolg van het bepaalde in lid 1 t/m 3, dan kan deze bovenaan de wachtlijst geplaatst worden mits zijn indicatie op het moment van terugkeer nog geldig is.

  • 5.

    Een inwoner met een maatwerkvoorziening beschermd verblijf of begeleid wonen mag in totaal maximaal 28 dagen (4 weken) per kalender jaar afwezig zijn in verband met vakantie. Als deze maximale periode wordt overschreden, dan wordt zijn beschikking opgeschort. Dat wil zeggen dat zijn plek niet langer hoeft te worden vrijgehouden.

  • 6.

    Een inwoner met een maatwerkvoorziening beschermd verblijf of begeleid wonen wordt geacht minimaal vijf etmalen per week in de accommodatie van de instelling te verblijven. Als blijkt dat de inwoner structureel, gedurende minimaal 10 weken, minder dan vijf etmalen in de accommodatie verblijft, dan leidt dit tot het opnieuw toetsen op de noodzaak voor beschermd verblijf of begeleid wonen.

Artikel 7.2 Wijziging in ondersteuning

  • 1.

    De zorgaanbieder dan wel de inwoner of vertegenwoordiger meldt zo spoedig mogelijk aan het college alle wijzigingen in de benodigde of geboden ondersteuningsvorm, -intensiteit of arrangementsonderdelen (bijvoorbeeld stopzetten dagbesteding). De inwoner wordt dan opnieuw geïndiceerd, dit kan leiden tot aanpassing van of beëindiging van de beschikking.

  • 2.

    Indien de wijziging een gevolg is van structurele weigering door de inwoner van de geboden ondersteuning, kan dit leiden tot toeleiding naar een andere aanbieder of stopzetting van de indicatie.

HOOFDSTUK 8 BESTRIJDING MISBRUIK EN ONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 8.1 Fraudepreventie

  • 1.

    Het college informeert cliënten over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik daarvan.

  • 2.

    Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen beschermde woonvormen en Pgb’s met het oog op de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan.

Artikel 8.2 Controle

  • 1.

    Het college kan onderzoek doen naar de rechtmatigheid van een verstrekte maatwerkvoorziening beschermde woonvorm en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college kan daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor de aanspraak op deze maatwerkvoorziening onderzoeken.

  • 2.

    Het college kan onderzoek doen naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een verstrekte maatwerkvoorziening beschermde woonvorm en op basis daarvan besluiten nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van deze maatwerkvoorziening en de wederzijds tussen het college en de inwoner resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

  • 3.

    Periodiek wordt, al dan niet steekproefsgewijs, onderzocht of de verstrekte maatwerkvoorzieningen beschermde woonvorm in natura en Pgb’s worden gebruikt respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een inwoner of wettelijk vertegenwoordiger, als op de ondersteuning door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de inwoner, bezoek aan de locatie waar de inwoner ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.

  • 4.

    Voor de onderzoeken als bedoeld in dit artikel geldt zowel voor de aanbieder als voor de inwoner een verplichting tot het verlenen van medewerking. Indien er niet meegewerkt wordt kan dit gevolgen hebben voor de verstrekking.

Artikel 8.3 Handhaven

  • 1.

    Het college kan handhavend optreden na een inspectierapport van de verantwoordelijke inspectie zoals de Inspectie gezondheidzorg en jeugd (IGJ) of de GGD Rotterdam-Rijnmond of na een rechtmatigheidsonderzoek door de door het college op grond van de wet aangewezen toezichthouder.

  • 2.

    Indien er plaatselijke regelgeving van kracht is omtrent handhaving, vindt handhaving door het college conform deze regelgeving plaats.

Artikel 8.4 Terugvordering

Het college kan bij geconstateerd misbruik of oneigenlijk gebruik overgaan tot terugvordering.

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT EN EFFECTIVITEIT

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen aan de zorgaanbieder

Naar het oordeel van het college is de kwaliteit van een zorgaanbieder gewaarborgd indien aan de volgende eisen wordt voldaan:

  • a.

    de zorgaanbieder levert verantwoorde ondersteuning op basis van goed zorgverlenerschap. Als norm van goed zorgverlenerschap gelden de leveringsvoorwaarden, kwaliteitskaders en beroepscodes van de betreffende beroepsgroep (bijvoorbeeld GGZ, VG, welzijn, zorgboerderijen);

  • b.

    de zorgaanbieder is ingeschreven in het AGB-register en de informatie in deze registratie is juist en actueel;

  • c.

    de zorgaanbieder staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of handelsregister in het land waar de formele zorgverlener is gevestigd en een BTW nummer heeft;

  • d.

    de zorgaanbieder voldoet aan een kwaliteitsbeleid dat minimaal voldoet aan de eisen die het Keurmerkinstituut stelt aan ISO 9001 voor de Ondersteuning of HKZ gehandicaptenondersteuning of HKZ geestelijke gezondheidsondersteuning of HKZ Kleine organisaties of het keurmerk Federatie Landbouw en Ondersteuning of Kwaliteitsregister Jeugd;

  • e.

    de zorgaanbieder voorziet in en handelt conform de landelijke minimale eisen voor het waarborgen van veilige ondersteuning. Dit betreffen: een veiligheidsmanagementsysteem, een systeem ter waarborging van een veilig medicatiebeleid, een geïmplementeerd calamiteitenplan, meldingen incidenten patiënten (MIP), meldingen Incidenten Medewerkers en de meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld;

  • f.

    de zorgaanbieder werkt volgens de landelijk geldende professionele standaarden, gericht op de benodigde deskundigheid in relatie tot de inwoneren;

  • g.

    de zorgaanbieder werkt met voldoende gekwalificeerd personeel om de continuïteit van ondersteuning te garanderen. Het personeel is minimaal MBO niveau 4 of HBO geschoold in Zorg en Welzijn. Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG) geregistreerde medewerkers (of zelfstandigen) zijn ingeschreven in het landelijk register;

  • h.

    de zorgaanbieder hanteert de Governance code zorg;

  • i.

    alle door de zorgaanbieder ingezette personeelsleden en vrijwilligers zijn in het bezit van een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) en medewerkers worden bij hun aanstelling getoetst op de vergewisplicht en het tuchtrecht;

  • j.

    alle door de zorgaanbieder ingezette personeelsleden en vrijwilligers hebben aan de gemeente een actieve signaleringsplicht ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de inwoner aan meer of andere zorg;

  • k.

    alle door de zorgaanbieder ingezette personeelsleden en vrijwilligers houden alles geheim wat hij weet over degene aan wie hij ondersteuning levert, behoudens datgene wat uit wettelijk voorschrift of vanuit zijn taak noodzaakt tot het doen van mededelingen.

Artikel 9.2 Kwaliteitseisen aan de maatwerkvoorziening beschermde woonvorm

  • 1.

    Naar het oordeel van het college is de kwaliteit van een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm gewaarborgd indien aan de volgende eisen wordt voldaan:

    • a.

      de voorziening is doelmatig, doeltreffend en inwonergericht

    • b.

      de voorziening is afgestemd op de reële behoefte van de inwoner en andere vormen van zorg of hulp

    • c.

      de voorziening is veilig

    • d.

      de voorziening wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid o.b.v de professionele standaard

    • e.

      de voorziening wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de inwoner

  • 2.

    Voor de uitwerking van de eisen a t/m e uit het eerste lid houdt het college het actuele Toezichtskader Wmo van de GGD Rotterdam Rijnmond aan.

Artikel 9.3 Aanvullende kwaliteitseisen aan maatwerkvoorzieningen beschermd wonen

Aanvullend op artikel 9.2 is naar het oordeel van het college de kwaliteit van een geleverd arrangement beschermd wonen gewaarborgd indien aan de volgende eisen wordt voldaan:

  • a.

    Inwoneren zijn gehuisvest in een accommodatie van de zorgaanbieder, welke voldoet aan zowel de lokale gemeentelijke ruimtelijke en veiligheidseisen, als aan de landelijk gestelde huisvestingseisen van zorgvoorzieningen, rekening houdend met de ondersteuningsintensiteit van de inwoneren.

  • b.

    Brandpreventieve maatregelen zijn door zorgaanbieder aantoonbaar genomen en er dient een brandmeldinstallatie (BMI) aanwezig te zijn.

  • c.

    Er is sprake van een kwalitatief verantwoorde woonsituatie die voldoet aan bouwkundige en functionele maatstaven en bereikbaarheid. Bij aanwezigheid van gemeenschappelijke ruimten betreft dit een gezamenlijke woonkamer, keuken of sanitair.

  • d.

    Cliënten hebben minimaal een eigen slaap- en leefkamer die wat betreft oppervlakte, veiligheid en functionaliteit voldoen aan de minimale wettelijke normen.

  • e.

    Cliënten zijn niet gehuisvest in vakantiehuizen, caravans, chalets of andere onderkomens waar geen toestemming is voor permanente bewoning.

Artikel 9.4 Controle op kwaliteit en effectiviteit

  • 1.

    Periodiek onderzoekt de toezichthouder, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte maatwerkvoorzieningen beschermde woonvorm in natura en Pgb’s voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de inwoner, bezoek aan de locatie waar de inwoner ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.

  • 2.

    Het college beoordeelt aan de hand van het ingevulde Pgb-plan, of desgevraagd aan de hand van de door het college opgevraagde bescheiden, of de kwaliteit en veiligheid van de maatwerkvoorziening beschermde woonvorm voldoende is gegarandeerd.

  • 3.

    Het college maakt met de zorgaanbieder afspraken over de invulling van de zorg in een ondersteuningsplan per inwoner. Dit plan wordt door de aanbieder op een met het college afgesproken frequentie tussentijds geëvalueerd. Op basis van de resultaten beoordeelt het college of de voorziening voldoet aan de in deze verordening gestelde kwaliteitseisen.

  • 4.

    De zorgaanbieder meet periodiek de inwonertevredenheid en het college en de inwoner desgevraagd inzicht in de resultaten van dit onderzoek.

  • 5.

    Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde, laten toetsen of een middels een Pgb bekostigde zorgverlener en de door deze zorgverlener conform het Pgb-plan geboden ondersteuning, voldoen aan de in deze verordening gestelde kwaliteitseisen.

HOOFDSTUK 10 KLACHTENAFHANDELING EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 10.1 Regeling voor klachtenafhandeling

  • 1.

    Iedere aanbieder van een voorziening heeft een regeling voor afhandeling van klachten van inwoneren.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders.

Artikel 10.2 Regeling voor medezeggenschap

  • 1.

    Iedere aanbieder van een voorziening organiseert medezeggenschap voor inwoneren via het instellen van een inwonerenraad. De inwonerenraad heeft hierbij de rechten, zoals vastgelegd in de Wet medezeggenschap inwoneren zorginstellingen.

  • 2.

    Iedere aanbieder van een voorziening betrekt de inwonerraad aantoonbaar bij de voorbereiding, de uitvoering, evaluatie van de kwaliteitsmeting en het vervolgtraject in de kwaliteitsverbeteringen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders.

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan in bijzondere gevallen bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening en de daarop gebaseerde regels, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

  • 2.

    Het college kan ten aanzien van het bepaalde in deze verordening nadere regels stellen.

Artikel 11.2 Evaluatie

Evaluatie van het door het college gevoerde beleid vindt plaats via de reguliere P&C-cyclus van het college, middels twee tussenrapportages en de jaarrekening.

Artikel 11.3 Overgangsrecht

  • 1.

    Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning in beschermde woonvormen Zuid-Hollandse Eilanden 2022.

  • 2.

    Voor cliënten die vóór 1 januari 2026 een besluit op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning in beschermde woonvormen ZHE 2022 hebben ontvangen, blijft dit besluit van kracht tot de einddatum van de afgegeven beschikking, tot uiterlijk 31 december 2026.

  • 3.

    Indien de geldigheidsduur van het besluit doorloopt na 31 december 2026, wordt het besluit uiterlijk in 2026 herzien en zo nodig omgezet naar een besluit op grond van deze verordening.

  • 4.

    Indien de geldigheidsduur van het besluit eindigt in 2026, vindt omzetting naar een besluit op grond van deze verordening plaats op het moment dat de bestaande indicatie afloopt.

  • 5.

    Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning in beschermde woonvormen Zuid-Hollandse Eilanden 2022, worden afgehandeld op grond van diezelfde verordening.

Artikel 11.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

Artikel 11.5 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke ondersteuning in beschermde woonvormen Zuid-Hollandse Eilanden 2026”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nissewaard op

10 december 2025.

De griffier,

De voorzitter,

BIJLAGE 1 Nadere uitwerking van de maatwerkvoorzieningen

 

1. Begeleid Wonen

Begeleid Wonen heeft als doel inwoners woonvaardigheden aan te leren in een zo zelfstandig mogelijke situatie. Dit wordt aangeboden in een geclusterde of groepsgerichte setting, met uitzondering van gezinnen met kinderen. Het traject is gericht op uitstroom naar zelfstandig wonen binnen maximaal twee jaar. Het perceel omvat twee producten begeleid wonen alleenstaanden en begeleid wonen gezinnen (een alleenstaande of stel met 1 of meer minderjarige kinderen). De doelgroep heeft te maken (gehad) met belemmeringen in hun leven die hun ontwikkeling of kansen beperken of hebben beperkt.

 

Afhankelijk van de doelgroep biedt de woonvorm (gedeeltelijk) zelfstandig wonen in een woonomgeving met een gemeenschappelijke ruimte. Het woonaanbod is afgestemd op de leeftijd en behoeften van de inwoners en omvat een mix van verschillende soorten woningen. Inwoners dragen zelf de kosten van hun verblijf d.m.v intermediaire verhuur. De begeleiding vormt een integraal onderdeel van het wonen.

 

2. Beschermd Verblijf

 

2.1 Beschermd Verblijf Semimuraal

Beschermd Verblijf Semimuraal heeft als doel om cliënten zo zelfstandig mogelijk te laten wonen waarbij er nog wel 24/7 zorg in de nabijheid is, waarna zij zo mogelijk doorstromen naar volledig zelfstandig wonen (met of zonder ambulante begeleiding). Deze woonvorm is bedoeld voor inwoners met een psychische/psychosociale problemen of licht verstandelijke beperking die geen 24/7 toezicht op locatie nodig hebben, maar wel op afroep in de nabijheid.

 

Beschermd Verblijf Semimuraal biedt een tussenoplossing waarbij cliënten verblijven in een woning in eigendom van of gehuurd door de aanbieder, binnen een wooncomplex of buurt met andere cliënten. Begeleiding en ondersteuning worden op afspraak en ongepland aangeboden. De aanbieder verzorgt de volledige huisvesting en inrichting, inclusief maaltijden, nutsvoorzieningen, schoonmaak en hotelmatige dienstverlening. Deze vorm van beschermd verblijf kan ook worden ingezet als afschaling van Beschermd Verblijf regulier of intensief.

 

2.2 Beschermd Verblijf Regulier

Beschermd Verblijf Regulier heeft als doel de zelfredzaamheid van inwoners te bevorderen. Waar mogelijk wordt toegewerkt naar uitstroom richting meer zelfstandige woonvormen, maar ook stabilisatie van de problematiek kan centraal staan. Deze woonvorm is bedoeld voor inwoners met psychische of psychosociale problematiek en voor inwoners met een licht verstandelijke beperking en (zware) regieproblemen. Zij zijn niet in staat zelfstandig hulp in te roepen en kunnen daardoor niet zonder toezicht wonen. Inwoners hebben behoefte aan toezicht op de locatie en een slapende wacht gedurende de nacht.

 

Beschermd Verblijf Regulier is een vorm van groepswonen in een intramurale setting, waarbij de bewoners beschikken over een eigen kamer, studio of appartement. In deze veilige, beschermende en gestructureerde woonomgeving kunnen zij 24/7 rekenen op professioneel toezicht en gespecialiseerde begeleiding. De ondersteuning bestaat uit zowel geplande als ongeplande begeleiding, afgestemd op de complexe zorgbehoeften van de bewoners. De aanbieder verzorgt de volledige huisvesting en inrichting, inclusief maaltijden, nutsvoorzieningen en schoonmaak (hotelmatige dienstverlening).

 

2.3 Beschermd Verblijf Intensief

Beschermd Verblijf Intensief is in de basis gelijk aan Beschermd Verblijf Regulier. Het doel van Beschermd Verblijf Intensief is het voorkomen van crisis en decompensatie, het bevorderen van maatschappelijk en persoonlijk herstel en het vergroten van de eigen regie.

 

2.4 Beschermd verblijf Specialistisch

Beschermd Verblijf Specialistisch komt op een aantal punten overeen met het perceel Beschermd Verblijf, zoals het leveren van intensieve 24/7 ondersteuning, het bieden van individuele maatwerk per client en de aandacht voor het signaleren en voorkomen van crisis. Beschermd Verblijf Specialistisch onderscheidt zich van het perceel Beschermd Verblijf door de aard van de problematiek, het gedrag van cliënten en de daaruit volgende aard van de begeleiding.

 

Er is sprake van zeer complexe problematiek op het gebied van psychiatrie en/of psychosociaal en (licht) verstandelijke beperking en verslaving (triple diagnose) en ernstige, structurele en cumulatieve gedragsproblematiek en veelal overlastgevend middelengebruik met als gevolg veelvuldig contact met politie en justitie. Extra aandacht nodig voor de veiligheid van bewoners, medewerkers en omgeving.

 

3. Time out plek

Een time-out voorziening is in de basis vergelijkbaar met Beschermd Verblijf Intensief, maar richt zich op kortdurend verblijf met begeleiding. Het doel van de time-out voorziening is om in een gestructureerde setting rust en stabiliteit te bieden, zodat de inwoner kan herstellen en veilig kan terugkeren naar de eigen woning.

 

De time-out voorziening is bedoeld voor inwoners die volledig zelfstandig wonen met intensieve ambulante begeleiding plus en bij wie sprake is van een psychische kwetsbaarheid. Door verergering van hun problematiek zijn zij uit balans geraakt en hebben zij behoefte aan een tijdelijke, gestructureerde omgeving om verdere ontregeling te voorkomen. Deze voorziening biedt een verblijf aan voor een periode van 10 tot 14 dagen in een prikkelarme en veilige omgeving.

 

4. Individuele Begeleiding Plus (IB+)

Individuele Begeleiding Plus is een intensieve en flexibele vorm van ondersteuning door geplande en ongeplande begeleiding te bieden aan inwoners in diverse woon- en leefsituaties. Deze begeleiding kan worden ingezet tijdens het verblijf in een Sociaal Hostel, bij zelfstandig wonen of inwonen, bij een traject waar eerst een woning wordt aangeboden en later passende begeleiding (Housing First), bij een escalatiewoning, een laatste kans-traject of ter overbrugging naar Beschermd Verblijf. De begeleiding richt zich op het stabiliseren van de situatie, het vergroten van de zelfredzaamheid en het ondersteunen bij praktische en psychosociale belemmeringen. Naast planbare zorg is er buiten kantooruren een bereikbaarheidsdienst beschikbaar die ook in acute situaties passende hulp kan bieden op locatie van de inwoner. Flexibiliteit en maatwerk staan centraal in deze vorm van ondersteuning.

 

5. Uitstroombegeleiding

Uitstroombegeleiding heeft als doel om inwoners die succesvol uitstromen uit beschermd verblijf of begeleid wonen te ondersteunen bij de overgang naar een zelfstandige woonsituatie. Het product is gericht op het begeleiden bij uitdagingen die zich voordoen tijdens de overgang naar een zelfstandige woonsituatie en om zo de kans op duurzame uitstroom zo groot mogelijk te maken. Uitstroombegeleiding biedt ondersteuning om deze overgang soepel en verantwoord te laten verlopen. De begeleiding is flexibel en afgestemd op de specifieke hulpvragen van de cliënt. Uitstroombegeleiding is in voorkomende gevallen gericht op het sluiten van een woonzorgcontract. Indien de begeleiding stagneert dient er contact opgenomen te worden met zowel de woningcorporatie als de woongemeente. Daarnaast is Uitstroombegeleiding gericht op een warme overdracht naar de lokale Wmo, zodat de cliënt tijdig toegang krijgt tot passende ondersteuning binnen de woongemeente.

 

6. Safe House

Een Safehouse heeft als doel om inwoners met een verslavingsachtergrond te ondersteunen bij hun herstel en hen voor te bereiden op een zelfstandig leven. Dit gebeurt door een prikkelvrije omgeving waar cliënten kunnen herstellen zonder blootstelling aan triggers die een terugval kunnen veroorzaken. Het programma richt zich op het ontwikkelen van vaardigheden voor een abstinent en stabiel leven, ondersteund door een herstel gericht programma en persoonlijke begeleiding.

 

Een Safehouse is een vorm van groepswonen, waarin cliënten samenleven in een gestructureerde omgeving. Overdag volgen zij een gestructureerd programma, aangevuld met individuele begeleiding die is afgestemd op persoonlijke behoeften. Het verblijf is tijdelijk en beperkt tot maximaal een jaar. Halverwege wordt gewerkt aan de uitstroom naar passende huisvesting, zodat de overgang naar zelfstandig wonen zorgvuldig en effectief wordt voorbereid.

 

TOELICHTING OP DE VERORDENING

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

Lid 2 en 3:

De regio Zuid-Hollandse Eilanden heeft per 1 januari 2026 een nieuw regionaal zorglandschap voor beschermd wonen hieronder vallen intramurale maatwerkvoorzieningen en extramurale maatwerkvoorzieningen. De intramurale regionale maatwerkvoorzieningen die onder de definitie beschermde woonvorm vallen zijn in ieder geval begeleid wonen, beschermd verblijf semimuraal, beschermd verblijf regulier, beschermd verblijf intensief, time-out, beschermd verblijf specialistisch, safehouse. De extramurale regionale maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval individuele begeleiding plus en uitstroombegeleiding. Dit biedt een breder palet aan ondersteuning, waardoor het lokale en regionale zorglandschap beter op elkaar aansluit. In bijlage 1 zijn de maatwerkvoorzieningen nader toegelicht.

 

Hoofdstuk 2 Toegangsprocedure

Artikel 2.3 Eerste screening door gemeente waar de melding wordt gedaan

De cliënt van de Zuid-Hollandse Eilanden meldt zich bij de gemeente waar deze volgens de BRP woont. De regiogemeente onderzoekt of lokale Wmo ondersteuning in de hulpbehoefte kan voorzien. Indien dit niet het geval is wordt het toetsingsformulier door de regiogemeente ingevuld, samen met de cliënt. Dit toetsingsformulier bevat:

  • 1.

    Welke beperkingen cliënt ondervindt die voortkomen uit een psychiatrische aandoening, licht-verstandelijke beperking en/of een verslaving en of hier ook (recent) diagnostiek op is uitgevoerd;

  • 2.

    De conclusie waarom lokale Wmo-voorzieningen niet toereikend zijn (als bijlage de onderbouwing via een aanwezig dossier);

  • 3.

    Een omschrijving van concrete voorbeelden, waaruit blijkt dat de inwoner 24-uurs toezicht en/of onplanbare zorg nodig heeft (gehad).

Na ondertekening van het toetsingsformulier door de cliënt, wordt er door de regiogemeente een telefonische melding bij de centrumgemeente. De regiogemeente stuurt het ondertekende formulier via e-mail naar de centrumgemeente. Dit bevat ook een toestemmingsformulier welke een jaar geldig is na ondertekening zoals de AVG eist.

 

Artikel 2.4 Onderzoek door de centrumgemeente

Nadat de centrumgemeente de melding heeft ontvangen, start de centrumgemeente het onderzoek. Daarvoor maakt de centrumgemeente een afspraak met de cliënt om de melding toe te lichten. Eventueel wordt verzocht extra stukken aan te leveren, die onderbouwen dat een regionale maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Cliënt bepaalt of en door wie hij/zij zich bij dit gesprek laat begeleiden. De centrumgemeente wijst de cliënt nogmaals op de mogelijkheid tot onafhankelijke clientondersteuning.

 

Artikel 2.5 Medewerking inwoner

Lid 4:

Indien de inwoner geen gebruik wenst te maken van voorliggende voorzieningen, terwijl die wel wettelijk verankerd of feitelijk aanwezig zijn, kan dat leiden tot het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening.

 

Hoofdstuk 3 Beoordeling aanspraak

Artikel 3.2 Criteria voor beoordeling aanspraak op maatwerkvoorziening beschermde woonvorm

Lid 1, d en e:

De wet verplicht gemeenten ervoor zorg te dragen dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Het begrip maatwerkvoorziening geeft al aan dat deze voorziening op de individuele persoon is toegesneden, er wordt naar gestreefd om iedere inwoner op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past.

 

De wet is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Onder de eigen verantwoordelijkheid wordt verstaan het vermogen van een inwoner om op eigen kracht dan wel met de hulp van mantelzorgers, personen uit het sociale netwerk en gebruikelijke hulp de problemen zelf op te lossen. Oplossingen die een inwoner zelf redelijkerwijs kan realiseren op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid gaan vóór op de verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook als de benodigde resultaten kunnen worden bereikt met voorliggende oplossingen zoals bijvoorbeeld individuele begeleiding zonder verblijf, begeleiding groep zonder verblijf, of algemene voorzieningen, is een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm of één van de hieraan gekoppelde toeslagen niet nodig.

 

Een voorliggende voorziening is een voorziening op grond van een andere wet die voor gaat op verstrekking van een maatwerkvoorziening voor zover deze:

  • een passende en toereikende oplossing biedt of

  • de kosten van een bepaalde voorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt.

Bij voorliggende voorzieningen kan onder andere gedacht worden aan toegekende voorzieningen op grond van de Wet langdurige zorg, Wet forensische zorg, Jeugdwet en Zorgverzekeringswet. Er moet in elke individuele situatie wel beoordeeld worden of de voorliggende voorziening toereikend en passend is. Is dat niet het geval, dan moet alsnog een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm worden geboden. Als de kosten van een bepaalde voorziening in een andere wet als niet noodzakelijk zijn aangemerkt, dan wordt daarbij aangesloten en geen voorziening verstrekt op grond van de wet.

 

Lid 1, f:

Het gaat bij beschermde woonvormen om het bieden van een veilige en stabiele woonomgeving, met als doel de inwoner weer in staat te stellen zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven. Het is een maatwerkvoorziening die tijdelijk van aard is en die gericht is op duurzame uitstroom naar zelfstandig wonen of wonen met lichtere vormen van ondersteuning. De ondersteuning is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid, woonvaardigheden, participatie en het sociaal functioneren, alsook op het voorkomen van verwaarlozing, overlast en gevaar voor zichzelf en anderen.

 

Hoofdstuk 4 Vaststellen ondersteuningsbehoefte

Artikel 4.3 Zorgtoewijzing

Maatwerkvoorzieningen dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend als de meest goedkope maatwerkvoorziening te zijn. Wel geldt daarbij dat het gaat om in aanvaardbare mate compenseren. De ondersteuning gaat dus niet zo ver dat de gemeente rekening kan en moet houden met alle wensen van de inwoner. Als er naast een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm ook een andere maatwerkvoorziening passend wordt geacht, dan zal door de gemeente gekozen worden voor het verstrekken van de goedkoopste passsende maatwerkvoorziening. Indien de inwoner toch de duurdere voorziening wil, komen de meerkosten van die duurdere voorziening voor rekening van de inwoner. In dergelijke situaties kan de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een persoonsgebonden budget.

 

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget

Artikel 5.2 en 5.3 Criteria voor toekenning en afwijzing van leveringsvorm Pgb

Een Pgb voor een maatwerkvoorziening beschermde woonvorm wordt alleen verstrekt indien een inwoner of wettelijk vertegenwoordiger voldoet aan de criteria voor Pgb én er geen contra-indicaties zijn voor het verstrekken van een Pgb. Indien de inwoner en/of vertegenwoordiger naar het oordeel van de centrale Toegang niet voldoet aan de criteria of er sprake is van één of meerdere contra-indicaties, wordt er geen Pgb verstrekt maar ontvangt de inwoner de beschikte zorg in de vorm van zorg in natura.

 

Hoofdstuk 8 Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik

Artikel 8.4 Terugvordering

Die beslissing tot terugvordering vereist een belangenafweging, bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Welke belangen precies een rol spelen en hoe die dienten te worden afgewogen tegen het algemeen belang van een rechtmatige besteding van gemeenschapsgelden is sterk afhankelijk van de te beoordelen situatie.

 

Het besluit tot herziening c.q. intrekking en beëindiging van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt geen executoriale titel, met uitzondering van de terugvordering op grond van artikel 2.4.1. van de wet (als inwoner opzettelijke onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt). Er is sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldige betaling, voor welke het Burgerlijk Wetboek, boek 6, artikel 203 en verder, de wettelijke basis biedt.

 

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

De individuele omstandigheden van de inwoner, zoals zijn persoonskenmerken en behoeften, kunnen het in bijzondere gevallen noodzakelijk maken om ten gunste van de inwoner gemotiveerd af te wijken van de verordening of hieraan verbonden beleidsregels. Er kan worden afgeweken van de regels, als toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze regels te dienen doelen, volgens artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 11.3 Overgangsrecht

Met dit artikel wordt geregeld hoe wordt omgegaan met lopende indicaties bij de invoering van nieuwe zorglandschap per 1 januari 2026. Voor 1 januari 2026 waren de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en geclusterd wonen. Per 1 januari 2026 zijn de maatwerkvoorzieningen van beschermd wonen: begeleid wonen, beschermd verblijf semimuraal, beschermd verblijf regulier, beschermd verblijf intensief, time-out, beschermd verblijf specialistisch, individuele begeleiding plus, uitstroombegeleiding en safehouse. Dit biedt een breder palet aan ondersteuning. Het uitgangspunt is continuïteit van ondersteuning voor cliënten. Daarom blijven bestaande indicaties van kracht gedurende de looptijd van de beschikking, met een maximum van één jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe inkoop. De nieuwe inkoop is per 1 januari 2026 in gegaan.

 

De overgangstermijn van één jaar biedt cliënten en aanbieders de tijd om zich aan te passen aan de gewijzigde structuur van maatwerkvoorzieningen. Wanneer een indicatie doorloopt tot na 2026, wordt deze in 2026 herzien zodat de ondersteuning aansluit bij de nieuwe indeling van voorzieningen. Loopt een indicatie in 2026 af, dan vindt omzetting plaats op het moment van afloop. Zo worden dubbele herindicaties en administratieve lasten voorkomen, terwijl gelijktijdig de overgang naar het nieuwe zorglandschap wordt gewaarborgd.

 

Deze regeling waarborgt dat niemand abrupt wordt geconfronteerd met wijzigingen in de aard of omvang van ondersteuning, maar dat de overgang zorgvuldig en planmatig verloopt.

Naar boven