Beleidsregels Bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee

 

Gelet op:

  • -

    de Participatiewet;

  • -

    de Algemene wet bestuursrecht;

Overwegende dat:

  • -

    het college de bevoegdheid heeft om nadere regels op te stellen voor de verlening van bijzondere bijstand aan inwoners en de mogelijkheid voor de inwoners om na te kunnen gaan op grond van welke beleidsregels de gemeente de aanvragen beoordeelt;

  • -

    de Beleidsregels bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2023 uitgebreid zijn geëvalueerd en op onderdelen aanpassingen en actualiseringen nodig hebben;

Besluit:

  • -

    vast te stellen de Beleidsregels Bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2026

Index

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begrippen

Artikel 1.2 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand

 

Hoofdstuk 2 Procedures

Artikel 2.1 Aanvraag

Artikel 2.2 Inlichtingen- en medewerkingsverplichting

Artikel 2.3 Beoordelingskader

Artikel 2.4 Draagkracht algemeen

Artikel 2.5 Draagkracht inkomen

Artikel 2.6 Draagkracht vermogen

Artikel 2.7 Draagkracht problematische schulden

Artikel 2.8 Drempelbedrag

Artikel 2.9 Vormen van bijstand

Artikel 2.10 Hoogte bijzondere bijstand en indexering

Artikel 2.11 Uitgesloten kostensoorten

 

Hoofdstuk 3 Overbruggingsuitkering

Artikel 3.1 Overbruggingsuitkering levensonderhoud

 

Hoofdstuk 4 Woonkosten

Artikel 4.1 Woonkostentoeslag bij huur

Artikel 4.2 Woonkostentoeslag bij eigen woning

Artikel 4.3 Woonkostentoeslag verplichtingen

Artikel 4.4 Bijzondere woonkosten

Artikel 4.5 Woonkosten bij tijdelijk verblijf elders

 

Hoofdstuk 5 Duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en stofferingskosten

Artikel 5.1 Duurzame gebruiksgoederen

Artikel 5.2 Noodzakelijke verhuis- en stofferingskosten

 

Hoofdstuk 6 Reiskosten

Artikel 6.1 Reiskosten woon-schoolverkeer

Artikel 6.2 Reiskosten dokter ziekenhuis detentie etc.

 

Hoofdstuk 7 Rechtsbijstand en bewindvoeringskosten

Artikel 7.1 Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand

Artikel 7.2 Bewindvoeringskosten

 

Hoofdstuk 8 Uitvaartkosten

Artikel 8.1 Uitvaartkosten

 

Hoofdstuk 9 Meerkosten boven algemeen gebruik

Artikel 9.1 Meerkosten voor algemeen gebruik

Artikel 9.2 Meerkosten dieet

Artikel 9.3 Meerkosten verwarming

 

Hoofdstuk 10 Gehandicaptenparkeerkaart

Artikel 10.1 Gehandicaptenparkeerkaart

 

Hoofdstuk 11 Jongeren in een inrichting

Artikel 11.1 Jongeren in een inrichting

 

Hoofdstuk 12 Slotbepalingen

Artikel 12.1 Hardheidsclausule

Artikel 12.2 Nadere bepalingen

Artikel 12.3 Citeertitel en inwerkingtreding

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Beleidsregels

Artikel 1.1 Begrippen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      belanghebbende: iedere alleenstaande of het gezin dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in deze beleidsregels;

    • b.

      bijstandsnorm: bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c, van de Participatiewet;

    • c.

      inkomen: het totale netto-inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin als bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 van de Participatiewet. Voor zelfstandig ondernemers geldt voor het inkomen uit onderneming het inkomen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

    • d.

      bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 inclusief de verlaging van de norm op grond van artikel 27 of 28 van de Participatiewet en zonder toepassing van de kostendelersnorm;

    • e.

      vermogen: het volgens artikel 34 van de Participatiewet vastgestelde vermogen zoals dat geldt voor de algemene bijstand;

  • 2.

    De begripsbepalingen van de Participatiewet en het overige in de Participatiewet opgenomen en daaruit voortvloeiende bepalingen zijn van toepassing.

Artikel 1.2 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand

  • 1.

    Bijzondere bijstand staat open voor iedere belanghebbende met een laag inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.

  • 2.

    Indien belanghebbende een inkomen heeft hoger dan het in lid 1 genoemde inkomen, wordt er rekening gehouden met draagkracht, zoals beschreven in artikel 2.4 tot en met 2.7 van deze beleidsregels.

  • 3.

    De kostendelersnorm wordt niet toegepast.

  • 4.

    Het recht op bijzondere bijstand kan ambtshalve worden vastgesteld als het indienen van een aanvraag niet mogelijk is vanwege individuele omstandigheden.

  • 5.

    Het college kan een deskundige om advies vragen als dat voor het vaststellen van het recht en/of de hoogte van bijzondere bijstand noodzakelijk is.

  • 6.

    De Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg vormen een passende en toereikende voorliggende voorziening voor medische kosten zodat voor medische kosten geen bijzondere bijstand wordt verstrekt, tenzij deze beleidsregels anders bepalen

     

Toelichting op de beleidsregels

 

Algemeen

In de beleidsregels is opgenomen voor welke bijzonder noodzakelijke kosten door onvoorziene omstandigheden een beroep op de bijzondere bijstand kan worden gedaan.

Criteria voor vergoeding kosten door middel van bijzondere bijstand zijn:

  • Doen de kosten zich voor?

  • Zijn de kosten noodzakelijk?

  • Is er sprake van bijzondere omstandigheden?

  • Kunnen de kosten niet worden bekostigd uit een voorliggende voorziening?

  • Heeft de belanghebbende voldoende draagkracht?

Ook dient beoordeeld te worden of belanghebbende voor de kosten kon reserveren. Daarnaast zal bij iedere aanvraag indien nodig onderzocht moeten worden of het noodzakelijk is om maatwerk toe te passen. Als sprake is van een (deels) negatieve beschikking, neemt de gemeente contact op met de belanghebbende om deze in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Het is mogelijk dat uit dit contact nieuwe gegevens komen die aanleiding kunnen zijn om het voorgenomen besluit te herzien. Pas daarna volgt een gemotiveerde schriftelijke (gedeeltelijke) afwijzing.

 

Artikel 1.1 Begrippen

De begrippen spreken voor zich.

 

Artikel 1.2 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en de daarin opgenomen mogelijkheden tot het verstrekken van individuele bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand is wettelijk geregeld in artikel 35 Participatiewet. In dit artikel is bepaald dat bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de noodzakelijke kosten van bestaan die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden niet kunnen worden voldaan uit de algemene bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Als het inkomen 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag bedraagt of hoger en er onvoldoende draagkracht is om deze bijzonder noodzakelijke kosten zelf te voldoen, kan er ook recht zijn op bijzondere bijstand. Niet de aard van de kosten is bepalend, maar de omstandigheden van de belanghebbende. De beoordeling van deze bijzondere individuele omstandigheden is aan het college. De landelijk geregelde bijstandsnorm en de eventueel daarop verleende toeslag zijn in de regel toereikend zijn om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Voor het domicilie geldt artikel 40 van de Participatiewet, waarbij het feitelijk verblijf bepalend is.

Bij het vaststellen van de noodzaak en/of hoogte van de bijzondere bijstand is het college niet altijd ter zake kundig. In die gevallen heeft het college de bevoegdheid om advies van een deskundige in te winnen. De belanghebbende zal medewerking moeten verlenen aan het onderzoek (artikel 17, lid 2, Participatiewet). Een voorliggende voorziening is een voorziening die gezien haar aard en doel geacht wordt passend en toereikend te zijn voor belanghebbende. Als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 Participatiewet en het bepaalde in dit artikel wordt in ieder geval begrepen (niet limitatief):

  • Wet langdurige zorg;

  • Zorgverzekeringswet;

  • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • Wet op de Huurtoeslag;

  • Wet op de Zorgtoeslag;

  • Wet Kinderopvang.

Ook als in een voorliggende voorziening de gemaakte kosten niet volledig worden vergoed is er in beginsel sprake van een passende en toereikende voorliggende voorziening. De prestaties en vergoedingen op grond van de Zorgverzekeringswet zijn volgens vaste rechtspraak voor medische en paramedische kosten een aan de wet voorliggende, toereikende en passende voorziening. Volgens de rechtspraak is in het algemeen een bewuste keus gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten. Worden deze kosten dus niet vergoed uit de verplichte basisverzekering dan kan de aanvraag bijzondere bijstand in beginsel worden afgewezen. In verband met het vaststellen van de noodzaak van de gemaakte kosten kan zo nodig advies worden ingewonnen bij derden, bijvoorbeeld medisch advies.

Hoofdstuk 2 Procedures

Beleidsregels

Artikel 2.1 Aanvraag

  • 1.

    De belanghebbende gebruikt voor de aanvraag een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Het aanvraagformulier is zowel digitaal als in papiervorm beschikbaar.

  • 2.

    Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen tot uiterlijk zes maanden na het moment waarop de kosten zijn gemaakt, maar nog niet zijn betaald worden ingediend.

  • 3.

    Een aanvraag om bijzondere bijstand wordt in beginsel ingediend voordat de kosten zijn gemaakt.

  • 4.

    Wanneer de aanvraag achteraf wordt ingediend en de noodzaak daardoor niet meer kan worden vastgesteld wordt er geen bijzondere bijstand verstrekt.

  • 5.

    De belanghebbende levert bij de aanvraag de documenten zoals opgenomen in de “checklist bewijsstukken” aan.

  • 6.

    Het recht op bijzondere bijstand kan worden herzien, ingetrokken en beëindigd, waarbij ten onrechte verstrekte bijzondere bijstand kan worden teruggevorderd.

Artikel 2.2 Inlichtingen- en medewerkingsverplichting

  • 1.

    Belanghebbende doet aan het college uit eigen beweging of op verzoek onverwijld doch uiterlijk binnen 5 werkdagen mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een in deze beleidsregels genoemde vergoeding.

  • 2.

    Belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze beleidsregels.

Artikel 2.3 Beoordelingskader

  • 1.

    Kosten die al geheel vanuit een passende en toereikende voorliggende voorziening worden vergoed of kosten die vanuit een voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt worden binnen deze beleidsregels als niet noodzakelijk aangemerkt, tenzij anders wordt vermeld

  • 2.

    Kosten die al zijn betaald door de belanghebbende voordat de aanvraag is ingediend komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, aangezien de noodzaak tot verstrekking daarmee is komen te vervallen.

  • 3.

    In het geval van blijkend tekortschietend besef van eigen verantwoordelijkheid of verwijtbaar nalatig gedrag kan de bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand worden verstrekt of volledig geweigerd worden.

Artikel 2.4 Draagkracht algemeen

  • 1.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk hebben de personen, die een inkomen hebben tot 120% van de voor hen van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag en die geen vermogen hebben boven de voor hen in artikel 34, lid 3 Participatiewet genoemde vermogensgrens geen draagkracht.

  • 2.

    Inkomen gelijk of hoger dan 120% van de geldende bijstandsnorm wordt beschouwd als volledige draagkracht.

  • 3.

    De kostendelersnorm is niet van toepassing bij de vaststelling van de draagkracht.

  • 4.

    De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de dag dat het recht ontstaat. Bij elke volgende aanvraag bijzondere bijstand of minimaregeling binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht. De draagkracht kan worden bijgesteld als er zodanige wijzigingen in de financiële situatie zijn dat de eerder vastgestelde draagkracht redelijkerwijs niet gehandhaafd kan blijven.

  • 5.

    Niet tot het draagkrachtinkomen wordt eveneens gerekend het persoonsgebonden budget vanuit de maatwerkregeling op grond van de geldende beleidsregels over de Jeugdwet of de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, behalve als de aanvraag betrekking heeft op deze kosten.

Artikel 2.5 Draagkracht inkomen

  • 1.

    Het inkomen van de belanghebbende wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 32 en 33 Participatiewet.

  • 2.

    Middelen genoemd in artikel 31, lid 2, Participatiewet worden niet tot het draagkrachtinkomen van de belanghebbende gerekend.

  • 3.

    Bij de berekening van het inkomen wordt geen rekening gehouden met schulden.

Artikel 2.6 Draagkracht vermogen

  • 1.

    Het vermogen wordt vastgesteld overeenkomst artikel 34 Participatiewet.

  • 2.

    Vermogen boven de vermogensgrenzen, zoals bedoeld in artikel 34, lid 3, Participatiewet wordt volledig meegerekend bij de berekening van draagkracht.

  • 3.

    Een uitvaartverzekering in natura wordt in beginsel vrijgelaten.

  • 4.

    Het vermogen van de belanghebbende waarop een executoriaal beslag rust moet buiten beschouwing worden gelaten voor de duur van het beslag.

  • 5.

    Voor een gepensioneerde belanghebbende is sprake van een extra vermogensvrijlating als er sprake is van een uitvaartreservering op een geblokkeerde spaarrekening waarvan is vastgesteld dat dit voor de uitvaart bestemd is. Als de belanghebbende evenwel een uitvaartverzekering (al dan niet in natura) heeft afgesloten waaruit de kosten van de uitvaart grotendeels of geheel bekostigd kunnen worden is deze extra vrijlating van vermogen niet van toepassing.

  • 6.

    De waarde van een auto, motor, bromfiets of scooter wordt voor het vaststellen van het vermogen als volgt in aanmerking genomen en vastgesteld:

    • a.

      bij een waarde tot een bedrag van € 3.500,- wordt het vervoersmiddel als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten van de vermogensvaststelling;

    • b.

      als het vervoersmiddel medisch noodzakelijk is, wordt de waarde van het vervoersmiddel vrijgelaten;

    • c.

      de waarde van de elektrische fiets wordt niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen;

    • d.

      caravans, campers, vrachtwagens, tractoren en boten/ jachten worden niet als algemeen gebruikelijk aangemerkt en dienen volledig te worden meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

Artikel 2.7 Draagkracht problematische schulden

Indien een belanghebbende is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of als een minnelijk schuldhulpverleningstraject loopt wordt de belanghebbende geacht niet over draagkracht te beschikken.

Artikel 2.8 Drempelbedrag

Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd.

Artikel 2.9 Vormen van bijstand

  • 1.

    Bij individuele bijzondere bijstand wordt uitgegaan van een uitkering in natura of ‘om niet’.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 wordt op basis van artikel 48 en 51 Participatiewet bepaald of de bijzondere bijstand als geldlening of borgstelling wordt verstrekt:

    • a.

      de aflossingscapaciteit wordt bepaald op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag;

    • b.

      de aflossingstermijn van een geldlening is ten hoogte 36 maanden.

    • c.

      Na 36 maanden wordt het restant van de lening omgezet in bijstand om niet tenzij de belanghebbende binnen de 36 maanden niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

    • d.

      in afwijking van sub b, wordt de aflossingstermijn op meer dan 36 maanden gesteld, ingeval de duurzame gebruiksgoederen dienen te worden vervangen ten gevolge van moedwillige vernieling of nalatige verwijtbaarheid, onachtzaamheid of verkeerde handelingen waardoor de goederen verloren zijn gegaan;

    • e.

      de bepalingen die bij de terugvordering van niet-fraudeschulden in de geldende beleidsregels over terugvordering en verhaal zijn opgenomen zijn hier eveneens van toepassing, tenzij anders wordt vermeld in deze beleidsregels;

    • f.

      als een belanghebbende meerdere bijstandsleningen heeft, dan wordt de bijstandslening die volgt uit het oudste toekenningsbesluit als eerste afgelost. Als een bijstandslening samenloopt met een terugvordering, kan de gemeente nader bepalen op welke schuld het eerste wordt afgelost;

    • g.

      als de belanghebbende op het moment van verstrekking aflost op een eerder verstrekte bijstandslening, wordt de toegekende bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen om niet verstrekt zonder terugbetaalverplichting.

Artikel 2.10 Hoogte bijzondere bijstand en indexering

  • 1.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt in beginsel vastgesteld op basis van de werkelijk te maken kosten.

  • 2.

    Indien nodig kan voor de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand gebruik gemaakt worden van de actuele Nibud-prijzengids. Hierbij dient rekening gehouden te worden met eventuele bijzondere bepalingen in deze beleidsregels.

Artikel 2.11 Uitgesloten kostensoorten

  • 1.

    De volgende kostensoorten worden aangemerkt als algemeen gebruikelijke kosten waarvoor in geen bijzondere bijstand wordt verleend:

    • a.

      legeskosten en kosten in verband met het verlenen en verlengen van een vergunning tot verblijf in Nederland en naturalisatie;

    • b.

      premiekosten voor een aanvullende ziektekostenverzekering (niet zijnde de gemeentelijke bijdrage aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering);

    • c.

      premiekosten voor overige afgesloten algemeen gebruikelijke verzekeringen;

    • d.

      niet-medische kosten in verband met of voortvloeiend uit zwangerschap en geboorte van een kind;

    • e.

      gemeentelijke belastingen of heffingen;

    • f.

      leges identiteitsbewijs.

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 2.1 Aanvraag

Een aanvraag wordt bij voorkeur digitaal ingediend. Belanghebbende kan gevraagd worden bij een eerste gesprek met een klantmanager zich met een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, Wet op de identificatieplicht te identificeren. Een aanvraag voor ontstane kosten wordt niet in behandeling genomen als de aanvraagdatum een halfjaar plus één dag of meer later is dan de datum op de originele factuur. In beginsel komen kosten die al betaald zijn, niet meer voor bijzondere bijstand in aanmerking. Als het voor de belanghebbende onvermijdelijk was om deze kosten te betalen voordat de aanvraag is ingediend, kan hier gemotiveerd van afgeweken worden en kunnen de kosten alsnog door middel van bijzondere bijstand vergoed worden. Op grond van de Participatiewet mogen alle benodigde en toegankelijke gegevens met betrekking tot de belanghebbende en zijn (financiële) situatie worden verzameld om te beoordelen of er recht is op bijzondere bijstand.

Welke documenten bij de aanvraag moeten worden ingediend is opgenomen in de “checklist bewijsstukken”. Op terugvordering van bijzondere bijstand zijn de geldende beleidsregels over terugvordering en verhaal van toepassing.

 

Artikel 2.2 Inlichtingen- en medewerkingsverplichting

De termijn van 5 werkdagen is in lijn met artikel 3.1 Beleidsregels Participatiewet IOAW en IOAZ Voorne aan Zee 2026.

 

Artikel 2.3 Beoordelingskader

Er is geen recht op (bijzondere) bijstand als een belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening (artikel 15, lid 1, Participatiewet). Het college zal daarom bij iedere aanvraag bijzondere bijstand moeten beoordelen of sprake is van een voorliggende voorziening. Als er een beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan is er dus geen recht op (bijzondere) bijstand.

Het vooraf aanvragen van de bijzondere bijstand is noodzakelijk. Dit wil zeggen dat belanghebbende eerst een aanvraag moet indienen en pas daarna kan het gewenste kopen of aanschaffen. De noodzaak kan namelijk niet meer worden vastgesteld als belanghebbende bijvoorbeeld het oude toestel, apparaat en meubelstuk al heeft weggegooid en een nieuwe heeft gekocht. Om die reden zal de aanvraag in de regel dan worden afgewezen.

 

Artikel 2.4 Draagkracht algemeen

Bij het bepalen van de draagkracht gaat het college uit van de inkomsten en het vermogen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In beginsel wordt slechts éénmaal per draagkrachtjaar een draagkrachtberekening uitgevoerd. De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld. De periode van een jaar start op de toekenningsdatum. Op het moment dat gedurende het draagkrachtjaar een nieuwe aanvraag minimaregeling of bijzondere bijstand wordt ingediend wordt er geen nieuwe draagkrachtberekening gemaakt, maar wordt er gebruik gemaakt van de al aanwezige draagkrachtberekening. Er kan echter aanleiding zijn om de vastgestelde draagkracht aan te passen als er zich wijzigingen voordoen in het inkomen of vermogen die een hogere of lagere draagkracht tot gevolg zouden kunnen hebben. Ook een wijziging in de gezinsomstandigheden, zoals huwelijk, echtscheiding of overlijden, kan aanleiding zijn voor een aanpassing.

 

Artikel 2.5 Draagkracht inkomen

Bij de beoordeling van het inkomen wordt uitgegaan van het inkomen inclusief vakantietoeslag. De gehanteerde norm is dat inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Uitgangspunt is het periodieke inkomen over de maand direct voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Niet tot het inkomen wordt gerekend, het Kindgebonden budget, inkomsten van kinderen – 18 jaar, PGB, toeslagen (huur-, zorg- en kinderopvang), rente over vermogen/spaargeld, teruggave inkomensbelasting of teruggave premie volksverzekering. Wanneer de inkomsten maandelijks wisselen wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie maanden direct voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Het (periodieke) inkomen wordt omgerekend naar een netto jaarinkomen inclusief vakantietoeslag. Bij onregelmatig inkomen wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen over drie maanden voorafgaand aan de eerste dag van de draagkrachtperiode (de dag van de aanvraag). Bij zelfstandigen wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van de draagkrachtperiode. Dit wordt bepaald op basis van de jaarrekening. De bijzondere bijstand wordt achteraf definitief vastgesteld op basis van de jaarrekening van het jaar waarop de bijzondere bijstand betrekking heeft.

 

Artikel 2.6 Draagkracht vermogen

Bij het vaststellen van vermogen voor de bijzondere bijstand wordt de Participatiewet gevolgd. Het in aanmerking te nemen vermogen is gelijk aan (de som van) alle netto vermogensbestanddelen waarover redelijkerwijs kan worden beschikken (artikel 34 Participatiewet). Het vermogen mag niet meer zijn dan de in artikel 34 Participatiewet norm. Alles boven de voor belanghebbende toepasselijke norm wordt als draagkracht aangemerkt. Bij de vaststelling van de waarde van de auto wordt in beginsel altijd de koerslijst van Independer gebruikt. In bijzondere gevallen kan eventueel de koerslijst BOVAG/ANWB (inruil bij een autobedrijf) worden geraadpleegd. Hiervoor is het hebben van de kilometerstand en mogelijk bijzondere specificaties van de auto een voorwaarde, deze kunnen eventueel met een hersteltermijn worden opgevraagd dan wel worden gehaald uit de RDW-gegevens in Suwinet. Als de dagwaarde van de auto niet beschikbaar is in deze bronnen vanwege de leeftijd van de auto, is het aankoopbedrag van de auto in beginsel bepalend. Bij auto’s ouder dan 15 jaar kan de waardebepaling buiten beschouwing worden gelaten en wordt het vervoersmiddel – mits er geen sprake is van een oldtimer of ander bijzonder model – als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten van de vermogensvaststelling.

De waarde van de motor wordt vastgesteld met behulp de verkoopsite van motoren: www.motoroccasion.nl. Voor het bepalen van de waarde van de brommer/scooter wordt de volgende rekenmethode gehanteerd:

  • Stap 1: bepaal de cataloguswaarde van het type brommer/scooter via internet of dealer;

  • Stap 2: Bereken wat 1,5% van de cataloguswaarde is;

  • Stap 3: bepaal aan de hand van het bouwjaar hoe oud de brommer/scooter in maanden is;

  • Stap 4: vermenigvuldig het aantal maanden x 1,5 % van de cataloguswaarde = A;

  • Stap 5: cataloguswaarde brommer/scooter -/- A = waarde die meegenomen wordt in de vermogensvaststelling.

De waarde van een brommer/scooter ouder dan 5 jaar en 6 maanden wordt niet meer meegenomen in de vaststelling van het vermogen. De waarde van caravans, campers, vrachtwagens, tractoren en boten/ jachten dient belanghebbende zelf te worden aangetoond, bijvoorbeeld door middel van de verzekeringswaarde van het betreffende vermogensbestanddeel.

 

Artikel 2.7 Draagkracht problematische schulden

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 2.8 Drempelbedrag

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 2.9 Vormen van bijstand

Zie ook de artikelen en toelichting in Hoofdstuk 5 Duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en stofferingskosten van deze beleidsregels

 

Artikel 2.10 Hoogte bijzondere bijstand en indexering

Met dit artikel wordt geregeld dat de bijzondere bijstand wordt bepaald op de werkelijke kosten, zoals deze op basis van artikel 3 van de beleidsregels moet worden overlegd. Als de hoogte van de kosten niet duidelijk is, kan op basis van de Nibud-prijzengids de bijzondere bijstand worden vastgesteld, waarbij rekening gehouden wordt met specifieke bepalingen in deze beleidsregels, zoals bij duurzame gebruiksgoederen en verhuis- en stofferingskosten. Als gebruikt wordt gemaakt van zogenaamde “inboedelpakketten” wordt in beginsel uitgegaan van 1 volwassene. Als er meer nodig is (bijvoorbeeld voor kinderen), zal dit – bij voorkeur met een huisbezoek – worden beoordeeld.

 

Artikel 2.11 Uitgesloten kostensoorten

Uit de jurisprudentie volgt dat legeskosten voor een identiteits- of verblijfsdocument behoort tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten komen dan ook niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Voor het overige spreekt het artikel voor zich.

Hoofdstuk 3 Overbruggingsuitkering

Beleidsregels

Artikel 3.1 Overbruggingsuitkering

  • 1.

    In afwijking van artikel 2.4, lid 1 geldt dat inkomen boven de 100% van de geldende bijstandsnorm wordt gerekend als volledige draagkracht.

  • 2.

    De zelfstandig wonende belanghebbende die over geen of onvoldoende middelen beschikt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien vanaf de aanvang van de bijstandsverlening tot de eerste uitbetaling van het volledige maandbedrag van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, komt in aanmerking voor een overbruggingsuitkering levensonderhoud.

  • 3.

    In afwijking van lid 2 kan aan een belanghebbende die voor een korte periode over geen of onvoldoende middelen beschikt voor boodschappen in aanmerking komen voor een overbruggingsuitkering broodnood.

  • 4.

    Een overbruggingsuitkering levensonderhoud wordt verstrekt in de vorm van bijzondere bijstand om niet, tenzij de noodzaak tot het verstrekken van een overbruggingsuitkering levensonderhoud het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

  • 5.

    Een overbruggingsuitkering broodnood is in beginsel een lening.

  • 6.

    De hoogte van de overbruggingsuitkering levensonderhoud bedraagt maximaal de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm voor één maand, exclusief vakantietoeslag, hierop wordt in mindering gebracht:

    • a.

      beschikbaar inkomen;

    • b.

      vermogen dat meer is dan anderhalf maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm en waarover de belanghebbende redelijkerwijs direct kan beschikken.

  • 7.

    De overbruggingsuitkering kan – als de omstandigheden daarom vragen – ambtshalve worden toegekend.

 

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 3.1 Overbruggingsuitkering

Een overbruggingsuitkering levensonderhoud kan worden versterkt om de betaalperiode tot de eerste betaling van de algemene uitkering levensonderhoud te overbruggen, omdat daarvoor geen middelen beschikbaar zijn. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een statushouder die zich vanuit een opvangcentrum zelfstandig vestigt binnen de gemeente, of iemand die na een verbroken relatie andere huisvesting moet betrekken. In die gevallen waarin de belanghebbende door de betaling achteraf in de problemen dreigt te raken kan een overbruggingsuitkering levensonderhoud worden verstrekt. Een overbruggingsuitkering levensonderhoud mag niet in de plaats komen van het verstrekken van een voorschot voor levensonderhoud, zoals neergelegd in artikel 52 Participatiewet. Als de belanghebbende tot de ingangsdatum van het recht op algemene bijstand inkomsten ontving, bestaat er geen recht op een overbruggingsuitkering levensonderhoud. De overbruggingsuitkering levensonderhoud is bijzondere bijstand. Het is een onbelaste uitkering.

Op het moment dat een belanghebbende geen middelen meer heeft om boodschappen te doen, kan de belanghebbende een overbruggingsuitkering broodnood aanvragen. De belanghebbende moet aantonen dat er onvoldoende middelen zijn om boodschappen te doen. De overbruggingsuitkering broodnood is enkel bedoeld om boodschappen te doen. De hoogte van de overbruggingsuitkering broodnood is maatwerk, maar het betreft een beperkt bedrag met het doel om voor een korte periode boodschappen te kunnen doen. Gezien de spoedeisendheid kan deze overbruggingsuitkering als (kas)voorschot worden verstrekt. De overbruggingsuitkering broodnood is in beginsel een lening, welke op de gebruikelijke wijze kan worden verrekend met de uitkering Participatiewet dan wel via een betalingsregeling bij geen recht op bijstand. Mede gezien de spoedeisendheid die bij de overbruggingsuitkering broodnood regelmatig speelt, kan volstaan worden met een ambtshalve toekenning als de omstandigheden hierom vragen.

Hoofdstuk 4 Woonkosten

Beleidsregels

Artikel 4.1 Woonkostentoeslag bij huur

  • 1.

    Huurtoeslag wordt geacht een voorliggende voorziening te zijn die in het algemeen passend en toereikend is als tegemoetkoming in de huurkosten.

  • 2.

    Woonkostentoeslag bij huur wordt als noodzakelijk gezien als:

    • a.

      de huurtoeslag is vastgesteld op basis van een inkomen dat hoger is dan het huidige structurele inkomen van belanghebbende;

    • b.

      door redenen die belanghebbende niet te verwijten zijn over een bepaalde periode geen huurtoeslag kan worden aangevraagd.

  • 3.

    Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van huurtoeslag rekening houdend met het huidige structurele inkomen en eventueel vermogen boven de vermogensgrens genoemd in artikel 34 Participatiewet.

  • 4.

    Woonkostentoeslag voor een huur tot de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 Wet op de huurtoeslag wordt verstrekt tot de eerstvolgende datum waarop huurtoeslag kan worden aangevraagd.

  • 5.

    Woonkostentoeslag voor een huur boven de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 Wet op de huurtoeslag wordt voor maximaal 12 maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten.

  • 6.

    De woonkostentoeslag wordt nooit langer dan 24 maanden verstrekt.

  • 7.

    De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in lid 5 wordt bepaald op het bedrag aan huurtoeslag bij een huur ter hoogte van de maximale huurgrens, plus het verschil tussen de maximale huurgrens en de kale huur volgens de huurovereenkomst.

  • 8.

    Indien belanghebbende een huurcontract is aangegaan voor een huur boven de maximale huurgrens en hij ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst een inkomen heeft dat recht geeft op huurtoeslag, bestaat er in beginsel geen recht op woonkostentoeslag, zie artikel 4.4 lid 2 voor uitzonderingen.

  • 9.

    In afwijking van artikel 2.4 lid 1 geldt bij de woonkostentoeslag dat het inkomen van belanghebbende boven de 100% van de geldende bijstandsnorm wordt gerekend als volledige draagkracht.

Artikel 4.2 Woonkostentoeslag bij eigen woning

  • 1.

    Woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt als noodzakelijk gezien als:

    • a.

      belanghebbende eigenaar is van de woning;

    • b.

      belanghebbende de woning zelf bewoond

    • c.

      belanghebbende de woning redelijkerwijs niet kan verkopen of verder kan bezwaren met geldleningen;

    • d.

      Het inkomen van belanghebbende niet toereikend is om de woonkosten te voldoen.

  • 2.

    Als voor de woonkostentoeslag in aanmerking te nemen woonkosten worden gezien:

    • a.

      hypotheekrente minus de voorlopige teruggave hypotheekrenteaftrek;

    • b.

      eigenaarsdeel onroerendezaakbelasting;

    • c.

      waterschapslasten;

    • d.

      premie opstalverzekering;

    • e.

      erfpachtcanon;

    • f.

      forfaitair bedrag voor normale periodieke onderhoudskosten tot maximaal € 532,-per jaar;

    • g.

      rioolheffing;

    • h.

      andere zakelijke lasten die op de onroerende zaak drukken waaronder de noodzakelijke administratiekosten voor een vereniging van huiseigenaren tot een maximum van € 12,67 per maand.

  • 3.

    Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van huurtoeslag rekening houdend met het huidige structurele inkomen en eventueel vermogen boven de vermogensgrens genoemd in artikel 34 Participatiewet.

  • 4.

    De woonkostentoeslag als bedoeld in dit artikel wordt maximaal twaalf maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten.

  • 5.

    De woonkostentoeslag wordt nooit langer dan 24 maanden verstrekt.

  • 6.

    Als uit onderzoek blijkt dat belanghebbende ten tijde van de aankoop van de woning, gezien de kosten en de aanwezige draagkracht, al behoefte had aan financiële ondersteuning via de woonkostentoeslag, bestaat er geen recht op woonkostentoeslag.

  • 7.

    In afwijking van artikel 2.4 lid 1 geldt bij de woonkostentoeslag dat het inkomen van belanghebbende boven de 100% van de geldende bijstandsnorm wordt gerekend als volledige draagkracht.

Artikel 4.3 Woonkostentoeslag verplichtingen

  • 1.

    Aan belanghebbende kunnen aanvullende verplichtingen worden opgelegd gericht op het normaliseren van de inkomenssituatie in relatie tot de woonkosten:

    • a.

      een inspanningsverplichting gericht op het verkrijgen van voldoende inkomen om de woonkosten te kunnen betalen;

    • b.

      een inspanningsverplichting gericht op het (tijdelijk) verlagen van de woonkosten;

    • c.

      een verhuisverplichting 6 maanden na toekenning van de woonkostentoeslag als belanghebbende er niet in is geslaagd zijn inkomenssituatie in relatie tot de woonkosten te normaliseren;

    • d.

      een verhuisverplichting direct bij toekenning als verwacht kan worden dat de verplichtingen genoemd onder a. en b. van dit lid onvoldoende resultaat zullen opleveren.

  • 2.

    Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheden van bestaan op het gebied van woonkosten wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd, tenzij er sprake is van bijzondere redenen die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van belanghebbende of diens gezin.

  • 3.

    Als er sprake is van bijzondere redenen genoemd in lid 2, wordt de woonkostentoeslag toegekend als lening op grond van artikel 48 lid 2 Participatiewet echter niet langer dan 12 maanden.

Artikel 4.4 Woonkostentoeslag bijzondere situaties

  • 1.

    Voor de woonkosten die betrekking hebben op het langer zelfstandig laten wonen van ouderen en mensen met een handicap, wordt bijzondere bijstand verleend voor zover wordt voldaan aan beide onderstaande voorwaarden:

    • a.

      de woonkosten worden voor belanghebbende noodzakelijk geacht, waarbij de noodzaak in ieder geval aanwezig wordt geacht bij personen van 75 jaar en ouder, en;

    • b.

      de totale woonkosten bedragen meer dan de maximale huurgrens waarvoor huurtoeslag mogelijk is.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4.1 lid 8 kan er in de volgende situaties wel woonkostentoeslag worden verstrekt gedurende de periode dat deze omstandigheden zich voordoen met een uitloop van maximaal 12 maanden na beëindiging van deze omstandigheden:

    • a.

      In geval van de realisatie van de taakstelling huisvesting statushouders:

      • i.

        bij grote huishoudens van 7 personen of meer.

      • ii.

        bij alleenstaanden in afwachting van een aanstaande gezinshereniging.

    • b.

      belanghebbende in een integraal hulpverleningstraject, waarbij tijdelijke duurdere huisvesting onderdeel is.

Artikel 4.5 Woonkostentoeslag bij tijdelijk verblijf elders

  • 1.

    De betaling van de strikt noodzakelijke kosten voor de hoofdwoning bij belanghebbende als de belanghebbende als enige verantwoordelijk is voor de huurbetaling en:

    • a.

      maximaal twaalf maanden in een inrichting verblijft voor behandeling en/of zorg, onder voorwaarde dat het aanhouden van de woning noodzakelijk is. Als blijkt dat de belanghebbende langer dan twaalf maanden in een inrichting verblijft, wordt de doorbetaling stopgezet. In dat geval kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de opslag van de inboedel.

    • b.

      gedetineerd is en de detentie maximaal zes maanden duurt, onder voorwaarde dat de belanghebbende bereidt is mee te werken aan een zorgtraject of re-integratietraject. Als het vonnis na voorarrest langer dan zes maanden blijkt te zijn, wordt de doorbetaling per direct stopgezet.

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 4.1 Woonkostentoeslag bij huur

Als hoofdregel geldt dat de Wet op de huurtoeslag als een aan de bijstand voorliggende passende en toereikende voorziening wordt aangemerkt (CRVB:2011:BT1740). Ook in geval de rekenhuur te hoog is geldt de Wet op de huurtoeslag als voorliggende passende en toereikende voorziening (CRVB:2016:77). De Wet op de huurtoeslag kan niet in alle gevallen als passende en toereikende voorliggende voorziening worden aangemerkt omdat de huurtoeslag bijvoorbeeld wordt verstrekt met ingang van de eerste van de maand (CRVB:2014:1945). De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningssystematiek van de Wet op de huurtoeslag. Eventueel door de Belastingdienst eerder toegekende huurtoeslag wordt in mindering gebracht op de woonkostentoeslag. Als belanghebbende nog geen huurtoeslag heeft aangevraagd dient dit te worden opgelegd als een aanvullende verplichting volgens artikel 55 Participatiewet bij de toekenning. Als het inkomen plotseling is gedaald buiten de schuld van belanghebbende om, kan de belanghebbende in aanmerking komen voor een tijdelijke woonkostentoeslag. Dit is alleen mogelijk als er sprake is van omstandigheden, die belanghebbende niet te verwijten zijn, zie ook lid 8 van dit artikel.

Bij een huur hoger dan de maximale huurgrens voor huurtoeslag wordt de duur van de woonkostentoeslag in principe afgebakend op 12 maanden, tenzij er sprake is van dringende redenen die zich hiertegen verzetten. In dat geval kan er worden verlengd met 12 maanden. De duur van verlening en voorwaarden waaronder blijft altijd maatwerk. Denk bij dringende redenen bijvoorbeeld aan sociale of medische omstandigheden. Als er sprake is van een tekortschietend besef in de verantwoordelijkheden van het bestaan, bijvoorbeeld door het aangaan van een huurovereenkomst met een hogere huur dan met het inkomen van belanghebbende kan worden betaald, bestaat er geen recht op woonkostentoeslag.

 

Artikel 4.2 Woonkostentoeslag bij eigen woning

Het college sluit bij het verlenen van een woonkostentoeslag aan eigen woningbezitters aan op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. Uit CRVB:2014:4242 blijkt dat de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college voor de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag in redelijkheid heeft mogen aansluiten bij het systeem van de Wet op de huurtoeslag. Ook voor woningeigenaren geldt dat zij niet te duur moeten blijven wonen (CRVB:2012:BX1676). Aangenomen kan worden dat, bezien van uit de systematiek van de Wet op de huurtoeslag, de te hoge woonkosten voor woningeigenaren niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten aangemerkt hoeven te worden. Net als bij huurders kan daar toch een uitzondering voor gelden. De bijstandsverlening is in voorkomende gevallen wel beperkt tot een maximale periode. De voorlopige teruggave inkomstenbelasting wordt op grond van artikel 32, lid 1, Participatiewet als inkomen toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. Bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag dient alleen rekening gehouden te worden met de voorlopige teruggave hypotheekrente voorzover belanghebbende geen Participatiewet uitkering ontvangt.

Immers, in dat geval wordt dit als middel verrekend met de bijstandsuitkering. Het college betrekt deze bij de berekening van de bijzondere bijstand en brengt deze in mindering op de totale woonkostentoeslag (CRVB:2014:2384). Ook hier geldt dat als er sprake is van een tekortschietend besef in de verantwoordelijkheden van het bestaan, bijvoorbeeld door het aangaan van een koopovereenkomst met een hogere hypotheek dan met het inkomen van belanghebbende kan worden betaald, er geen recht op woonkostentoeslag bestaat.

 

Artikel 4.3 Woonkostentoeslag verplichtingen

Het college heeft op grond van artikel 55 Participatiewet een discretionaire bevoegdheid om nadere verplichtingen op te leggen die zijn verbonden aan het recht op bijstand. Deze verplichtingen strekken in dit geval tot vermindering of beëindiging van bijstand. Bij het verlenen van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag maakt het college in principe gebruik van deze bevoegdheid omdat betrokkenen, in relatie tot de hoogte van hun inkomen, niet te duur mogen wonen. Dat geldt voor huurders (CRVB:2016:190 en CRVB:2016:77) maar ook voor ook woningeigenaren (CRVB:2013:1957 en CRVB:2014:4242). Om de inkomenssituatie te normaliseren ten opzichte van de woonsituatie, maar ook omgekeerd, kan het college de in dit artikel genoemde aanvullende verplichtingen opleggen. Belanghebbende kan desgevraagd of uit eigen beweging een beroep doen op bijzondere omstandigheden waarom hij niet aan de verplichtingen heeft voldaan of kan voldoen. Het college heeft de plicht om belanghebbende te bevragen naar bijzondere omstandigheden. Belanghebbende zal een beroep op bijzondere omstandigheden zelf nader moeten onderbouwen. Het college kan bij de beoordeling van de aanvraag ook feitelijk tot de conclusie komen dat hier (impliciet) een beroep op wordt gedaan. Het moet in voorkomende gevallen gaan om specifieke feitelijke omstandigheden van de belanghebbende of diens gezin die het college vaststelt. Gedacht kan worden aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject, een aanvraag om jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of individuele begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het niet honoreren van de woonkostentoeslag zou in voorkomende gevallen onredelijk kunnen zijn omdat het college daarmee de noodzaak van de (te bieden) ondersteuning zou miskennen of (de voortzetting, dan wel het welslagen van) die ondersteuning juist ondermijnen. In deze situatie kan het college de woonkostentoeslag toekennen in de vorm van een geldlening onder toepassing van de verplichtingen genoemd in dit artikel. Let wel, deelname aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject betekent niet dat het college de bijzondere bijstand niet als lening zou mogen verstrekken. Verder worden, naast de reguliere verhuisplicht, extra nadere verplichtingen verbonden aan de bijzondere bijstand, namelijk dat belanghebbende zich in voorkomende gevallen houdt aan de voorwaarden die verbonden (kunnen) zijn aan de hier bedoelde ondersteuning. Dat gebeurt dan ook onder toepassing van artikel 55 Participatiewet. Bij een volgende aanvraag om woonkostentoeslag (verlenging) zal het college ook moeten beoordelen of aan deze voorwaarde(n) is voldaan. Is dat niet het geval, dan ligt het niet voor de hand dat wederom met succes een beroep kan worden gedaan op bijzondere omstandigheden.

 

Artikel 4.4 Woonkostentoeslag bijzondere situaties

In dit artikel worden een aantal uitzonderingen beschreven waarin het wel mogelijk woonkostentoeslag te verstrekken in de situatie dat de woonkosten hoger zijn dan dat passend is bij de inkomenssituatie. Hiermee worden ouderen en inwoners met een handicap ondersteund bij het langer zelfstandig wonen. Het kan namelijk voorkomen dat deze groep, door hun leeftijd of beperking, genoodzaakt is om in een duurdere woning te blijven wonen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als gevolg van jaarlijkse huurverhogingen, waardoor de huur boven de minimale huurgrens voor huurtoeslag uitkomt. Om te voorkomen dat belanghebbenden gedwongen worden te verhuizen naar een minder geschikte woning, verstrekt het college in dergelijke situaties bijzondere bijstand voor de woonkosten. Met deze ondersteuning wordt beoogd dat belanghebbenden in een passende woonomgeving kunnen blijven wonen, wat bijdraagt aan hun zelfstandigheid en welzijn.

Om meer mogelijkheden te creëren in de realisatie huisvesting taakstelling statushouders is lid 2 toegevoegd. Hiermee kunnen aanvankelijk niet passende woningen alsnog worden aangeboden in de genoemde situaties om zo een betere doorstroom van deze doelgroep te realiseren. Ook in de situatie dat er sprake is van een integraal hulpverleningstraject, waarbij huisvesting een wezenlijk onderdeel is, maar er alleen duurdere huisvesting beschikbaar is, kan de woonkostentoeslag worden toegekend. Deze woonkostentoeslag genoemd in dit lid 2 eindigt in alle gevallen uiterlijk 12 maanden nadat de genoemde omstandigheden zijn beëindigd, zodat er voldoende tijd is om een nieuwe passende woonsituatie in te regelen.

 

Artikel 4.5 Woonkostentoeslag bij tijdelijk verblijf elders

Dit artikel is bedoeld om kwetsbare inwoners tijdelijk financieel te ondersteunen bij het behouden van hun hoofdwoning wanneer zij door bijzondere omstandigheden (zoals opname in een inrichting of detentie) tijdelijk niet in staat zijn om deze kosten zelf te dragen. Het doel is om te voorkomen dat zij tijdens hun afwezigheid hun woning kwijtraken en hierdoor in een onstabiele woonsituatie terechtkomen. De ondersteuning geldt onder specifieke voorwaarden:

bij opname in een inrichting wordt de huur maximaal 12 maanden doorbetaald, mits het aanhouden van de woning noodzakelijk is. Als blijkt dat het verblijf langer duurt, stopt de doorbetaling en kan in plaats daarvan bijzondere bijstand worden verleend voor de opslag van de inboedel.

bij detentie wordt de huur maximaal 6 maanden doorbetaald, op voorwaarde dat de belanghebbende bereid is mee te werken aan een zorg- of re-integratietraject. Als de detentie langer blijkt te duren stopt de doorbetaling direct.

De regeling is beperkt tot de strikt noodzakelijke kosten voor de woning, zijnde huur en vastrecht voor energie- en waterkosten. Hiermee wordt beoogd om, binnen redelijke grenzen, bij te dragen aan stabiliteit en een soepele terugkeer naar een zelfstandige woonsituatie.

Hoofdstuk 5 Duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en stofferingskosten

Beleidsregels

Artikel 5.1 Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    De kosten van duurzame gebruiksgoederen behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. In beginsel dienen deze kosten uit het eigen inkomen worden betaald door middel van reservering of gespreide betaling achteraf.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 kan er bijzondere bijstand worden verstrekt als er sprake is van noodzaak, bijzondere omstandigheden en als er geen reservering mogelijk is geweest.

  • 3.

    De afschrijvingstermijn voor de verstrekte duurzame gebruiksgoederen is 10 jaar. Binnen deze tijd kan, met uitzondering van bijzondere individuele omstandigheden, niet voor een tweede maal bijzondere bijstand worden verstrekt voor dezelfde kosten. Bij de aanschaf van tweedehands gebruiksgoederen wordt maatwerk toegepast.

  • 4.

    De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand bedraagt in beginsel maximaal 50% van de richtprijzen voor een alleenstaande, zoals die zijn vermeld in de Nibud-prijzengids. Voor een (nareizende) partner bedraagt de bijzondere bijstand € 250,-. Voor een (nareizend) inwonend kind tot 18 jaar bedraagt de bijzondere bijstand € 500,- en voor het (nareizende) inwonende kind van 18 jaar en ouder kan bijzondere bijstand € 500,- worden verstrekt.

  • 5.

    De bijzondere bijstand wordt in beginsel verstrekt in de vorm van een lening. De lening is in beginsel gemaximeerd op een bedrag dat overeenkomt met de afloscapaciteit van een alleenstaande over een periode van 36 maanden, tenzij dat dit leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 5.2 Noodzakelijke verhuis- en stofferingskosten

  • 1.

    De kosten van een verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. In beginsel wordt hier geen bijzondere bijstand voor verstrekt.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 kan er bijzondere bijstand worden verstrekt als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing als gevolg van bijzondere omstandigheden.

  • 3.

    Bijzondere bijstand is niet mogelijk als er sprake van de volgende situatie:

    • a.

      de belanghebbende gaat voor het eerst zelfstandig wonen;

    • b.

      de verhuizing kan worden uitgesteld;

    • c.

      de nieuwe woning biedt geen passende oplossing voor de oorzaak die de verhuizing noodzakelijk maakt;

    • d.

      er voldoende reserveringsmogelijkheden aanwezig zijn.

  • 4.

    Bij een noodzakelijke verhuizing kan er bijzondere bijstand worden verstrekt voor verhuis- en stofferingskosten.

  • 5.

    Als verhuiskosten worden aangemerkt:

    • a.

      eerste maand huur;

    • b.

      administratiekosten;

    • c.

      transportkosten.

  • 6.

    Verhuiskosten bij een noodzakelijke verhuizing genoemd in lid 5 worden om niet verstrekt in beginsel door de vertrekkende gemeente.

  • 7.

    Als stofferingskosten worden aangemerkt:

    • a.

      verf.

    • b.

      behang.

    • c.

      vloerbedekking/ laminaat;

    • d.

      raambekleding.

  • 8.

    Stofferingskosten bij een noodzakelijke verhuizing als genoemd in lid 7 worden om niet verstrekt door de ontvangende gemeente.

  • 9.

    De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand bedraagt in beginsel maximaal 100% van de richtprijzen, zoals die zijn vermeld in de Nibud-prijzengids.

 

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 5.1 Duurzame gebruiksgoederen

De belanghebbende wordt voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen altijd eerst verwezen naar tweedehandswinkels of weggeef-initiatieven. Slechts in uitzonderlijke situaties als de belanghebbende niet zelf de kosten kan betalen, niet heeft kunnen reserveren of lenen en geen beroep kan doen op het eigen netwerk, de sociale omgeving en/of voorliggende voorzieningen, zoals individuele inkomenstoeslag, kan bijzondere bijstand worden verleend. Uit jurisprudentie volgt dat onder bepaalde omstandigheden een gebrek aan reserveringscapaciteit als gevolg van schulden een bijzondere omstandigheid is die tot verlening van bijzondere bijstand moet leiden, zie ECLI:NL:CRVB:2023:2263.

Bij het vaststellen van de noodzaak gaat het om 2 punten:

  • 1.

    is het hebben van het betreffende gebruiksgoed noodzakelijk? en

  • 2.

    is de aanschaf of vervanging ervan noodzakelijk?

Wat is een noodzakelijk gebruiksgoed en wat niet? Noodzakelijk zijn in elk geval die duurzame gebruiksgoederen die het functioneren van een huishouden mogelijk maken. Dit begrip is niet statisch, maar verandert voortdurend door gewijzigde inzichten. De noodzaak wordt vastgesteld aan de hand van de individuele omstandigheden.

Er is in ieder geval sprake van noodzakelijke kosten als er sprake is van:

  • Verhuisverplichting. Als een verhuizing plaatsvindt naar een woning beneden de huurtoeslaggrens, bij de belanghebbende aan wie een verhuisverplichting is opgelegd vanwege de woonkostentoeslag;

  • medisch/sociaal noodzakelijke verhuizing betreft waarbij geen beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan;

  • statushouders die aan de gemeente gekoppeld zijn vanuit de taakstelling.

  • Verhuizing vanuit een crisisopvang;

  • het huisvesten van dak-/en thuislozen in het kader van een lopend hulpverleningstraject (bijvoorbeeld vanuit procesregie).

In alle andere gevallen moet aanvullend gemotiveerd worden waarom er in het specifieke geval sprake is van bijzondere noodzakelijke kosten en omstandigheden.

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt als het vervangen van het gebruiksgoed een gevolg is van moedwillige vernieuwing of nalatige verwijtbaarheid, onachtzaamheid of verkeerde handelingen.

Het in lid 4 genoemde percentage van 50% is niet van toepassing bij een volledige inventaris, aangezien de bijzondere bijstand meestal hoger is dan in 36 maanden kan worden afgelost op basis van de geldende bijstandsnorm. In dit geval geldt het gestelde in lid 5. Uitgangspunt blijft dat een lening in 36 maanden kan worden afgelost. In uitzonderlijke omstandigheden kan gemotiveerd een hogere leenbijstand worden toegekend. De regels voor kwijtschelding zijn onverkort van toepassing, zie de gelende beleidsregels over terugvordering en verhaal.

Voor de inrichting van zijn eigen kamer kan aan een inwonend kind van 18 jaar of ouder een bedrag tot € 500,- aan bijzondere bijstand worden verstrekt. Een (nareizend) inwonend kind van 18 jaar en ouder dient zelf hiervoor een aanvraag in te dienen. In geval van gezinshereniging kan de situatie ontstaan dat er een hogere afloscapaciteit ontstaat binnen de genoemde 36 maanden.

Als het noodzakelijk verstrekken van een volledige inventaris voortvloeit uit een verhuizing naar een eigen kamer waarbij sprake is van kamerbewoning door verschillende personen die geen gezamenlijke huishouding voeren, wordt volstaan met de inrichtingskosten voor de eigen kamer en een evenredig deel van de inrichtingskosten voor de gemeenschappelijke ruimten.

Voor het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand duurzame gebruiksgoederen wordt de Nibud-prijzengids gebruikt. Voor duurzame gebruiksgoederen die niet op de Nibud-prijzengids vermeld staan, kan alleen op grond van de aanwezigheid van zeer bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand worden verleend, op basis van door de belanghebbende verstrekte pro-forma nota. Ook hier blijft het uitgangspunt dat we in beginsel maximaal 50% van de gemiddelde prijs vergoeden, tenzij dit leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Maatwerk blijft altijd het uitgangspunt als er sprake is bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in bijzondere omstandigheden, mits goed gemotiveerd, om niet kunnen worden verstrekt.

 

Artikel 5.2 Noodzakelijke verhuis- en stofferingskosten

Bij het beoordelen of iemand in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor verhuizing of inrichting van de nieuwe woning, dienen de volgende 5 vragen te worden beantwoord:

  • 1.

    is de verhuizing noodzakelijk?

  • 2.

    was de verhuizing voorzienbaar?

  • 3.

    is er sprake van bijzondere omstandigheden?

  • 4.

    had iemand kunnen reserveren?

  • 5.

    Is er een voorliggende voorziening?

Er is in ieder geval sprake van noodzakelijke kosten als er sprake is van:

  • verhuisverplichting. Als een verhuizing plaatsvindt naar een woning beneden de huurtoeslaggrens, bij de belanghebbende aan wie een verhuisverplichting is opgelegd vanwege de woonkostentoeslag.

  • medisch/sociaal noodzakelijke verhuizing betreft waarbij geen beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan.

  • statushouders die aan de gemeente gekoppeld zijn vanuit de taakstelling.

  • verhuizing vanuit een crisisopvang.

  • het huisvesten van dak-/en thuislozen in het kader van een lopend hulpverleningstraject (bijvoorbeeld vanuit procesregie).

In alle andere gevallen moet aanvullend gemotiveerd worden waarom er in het specifieke geval sprake is van bijzondere noodzakelijke kosten en omstandigheden.

Als de belanghebbende niet heeft kunnen reserveren, dan moet onderzocht worden of er mogelijk sprake is van een voorliggende voorziening (denk aan een lening/sociaal krediet bij een (krediet)bank). Bij deze beoordeling dient altijd de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende te worden betrokken, wat kan leiden tot het verstrekken van de bijzondere bijstand als lening wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen is geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandverlening rechtvaardigt. Schulden, dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand. Dit is vaste rechtspraak: ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd uitgegaan van de meest goedkope en adequate passende oplossing. Voor wat betreft de transportkosten is het uitgangspunt verhuizen door het eigen netwerk. Als een eigen netwerk ontbreekt is de meest goedkope en adequate passende oplossing bijvoorbeeld het huren van een bus of aanhanger. De kosten van een erkende verhuizer kunnen wel worden vergoed, als er geen andere opties zijn of als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Alvorens tot vergoeding van de kosten door een verhuisbedrijf wordt overgegaan moet de belanghebbende minimaal twee offertes van verschillende verhuisbedrijven kunnen overleggen. In principe wordt de bijzondere bijstand verhuis- en stofferingskosten altijd om niet verstrekt, tenzij er sprake is van tekortschietend besef in de verantwoordelijkheid van het bestaan. In dat geval kan een leenbijstand worden overwogen.

Uitgangspunt blijft dan dat een lening in 36 maanden kan worden afgelost. In uitzonderlijke omstandigheden kan gemotiveerd een hogere leenbijstand worden toegekend. De regels voor kwijtschelding zijn onverkort van toepassing, zie beleidsregels terugvordering en verhaal. Voor stofferingskosten die niet op de NIBUD-lijst vermeld staan, kan alleen op grond van de aanwezigheid van zeer bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand worden verleend, op basis van door de belanghebbende verstrekte pro-forma nota. Ook hier blijft het uitgangspunt dat we in beginsel maximaal 50% van de gemiddelde prijs vergoeden, tenzij dit leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Maatwerk blijft altijd het uitgangspunt als er sprake is bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in bijzondere omstandigheden, mits goed gemotiveerd, om niet kunnen worden verstrekt.

Hoofdstuk 6 Reiskosten

Beleidsregels

Artikel 6.1 Reiskosten woon- en schoolverkeer

  • 1.

    Reiskosten voor een minderjarige scholier naar meest geschikte onderwijslocatie buiten Voorne aan Zee kan voor een vergoeding bijzondere bijstand in aanmerking komen als:

    • a.

      de minderjarige scholier geen recht op studiefinanciering heeft;

    • b.

      er aantoonbaar geen geschikte school binnen Voorne aan Zee aanwezig is;

    • c.

      er geen mogelijkheid bestaat tot gebruikmaking van leerlingenvervoer;

  • 2.

    Reiskosten voor een minderjarige scholier naar de meest geschikte onderwijslocatie binnen Voorne aan Zee komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij er sprake is van tijdelijke bijzondere omstandigheden, waardoor de minderjarige scholier niet zelf zelfstandig naar school kan reizen.

  • 3.

    Als er sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij er sprake is van een noodzakelijke begeleiding van de minderjarige scholier, kunnen de reiskosten van deze begeleider ook worden vergoed.

  • 4.

    Er dient een bewijs te worden overlegd van:

    • a.

      de reiskosten;

    • b.

      het soort onderwijs dat de minderjarige scholier volgt;

    • c.

      de locatie van de onderwijsinstelling;

    • d.

      in geval van lid 2 van dit artikel een verklaring van onderwijsinstelling dan wel arts.

  • 5.

    De vergoeding reiskosten vindt plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer. Als reizen met het openbaar vervoer vanwege bijzondere omstandigheden niet mogelijk is, wordt het geldende tarief van de onbelaste kilometervergoeding van de Belastingdienst gehanteerd.

Artikel 6.2 Reiskosten dokter, ziekenhuis, detentie etc.

  • 1.

    Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarin men geacht wordt zelf te kunnen voorzien. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden kan voor de reis- en daarmee eventueel samenhangende kosten bijzondere bijstand worden verleend.

  • 2.

    Reiskosten binnen Voorne aan Zee komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.

  • 3.

    Wanneer met het openbaar vervoer gereisd wordt, is de bijzondere bijstand gelijk aan de noodzakelijke kosten voor het openbaar vervoer. Wanneer met de (brom)fiets of auto gereisd wordt, is de bijzondere bijstand gelijk aan de onbelaste vergoeding reiskosten, zoals wordt gehanteerd door de belastingdienst.

  • 4.

    Onder uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke reiskosten worden in ieder geval kosten verstaan in verband met:

    • a.

      bezoek aan zorginstelling medische zorg door belanghebbende;

    • b.

      bezoek aan gezinsleden in een zorginstelling;

    • c.

      bezoek aan gezinsleden in detentie in Nederland.

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 6.1 Reiskosten woon- en schoolverkeer

Uitgangspunt is dat de minderjarige scholier binnen Voorne aan Zee zelfstandig naar een onderwijslocatie kan reizen, bijvoorbeeld op de fiets of lopend. Er is daarom geen vergoeding van reiskosten mogelijk. Ligt de onderwijslocatie buiten Voorne aan Zee dan kunnen de reiskosten wel vergoed worden als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid van dit artikel. De op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school wordt op basis van de toepasselijke wetgeving rondom scholing gerespecteerd. Ook als dit betekent dat de leerling niet naar de meest nabijgelegen onderwijslocatie gaat. Als erkende richtingen binnen het zogenaamde bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs. Voorts het joods onderwijs, (orthodox), islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc.

 

De reiskosten voor woon- en schoolverkeer van de minderjarige scholier komen niet voor vergoeding in aanmerking als het leerlingenvervoer of een vergoeding vanuit de Jeugdwetgeving een voorliggende voorziening is. Dit geldt zowel binnen als buiten Voorne aan Zee.

Bij tijdelijke bijzondere omstandigheden kunnen reiskosten binnen Voorne aan Zee worden vergoed als de minderjarige scholier niet zelfstandig naar de onderwijslocatie kan reizen, bijvoorbeeld als er tijdelijke medische omstandigheden spelen, waardoor zelfstandig reizen niet mogelijk is. De kosten van de begeleider kunnen alleen worden vergoed als de minderjarige scholier niet in staat is om zelfstandig te reizen. Hiervan kan sprake zijn als de scholier op de basisschool zit. Voor de minderjarige scholier die voortgezet onderwijs volgt, geldt dat een bewijsstuk moet worden overlegd waaruit blijkt dat de scholier niet in staat is zelfstandig te reizen.

Vergoeding vindt plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand op basis van onbelaste kilometervergoeding, wordt voor het bepalen van de kortste route de ANWB-routeplanner gebruikt. Mocht er voor de gemaakte reiskosten een bewijsdocument voorhanden zijn, kan de bijzondere bijstand worden verstrekt op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Bij hoge uitzondering kan, mits goed gemotiveerd, kunnen tijdelijk reiskosten worden verstrekt op basis van de daadwerkelijk gemaakte taxikosten. Dit is alleen toegestaan als reizen via openbaar vervoer of eigen vervoer niet tot de mogelijkheden behoort, bijvoorbeeld vanwege medische redenen.

 

Artikel 6.2 Reiskosten dokter, ziekenhuis, detentie etc.

Reiskosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan en in beginsel uit het inkomen te worden voldaan, tenzij dat er sprake is van bijzondere noodzakelijke omstandigheden en er geen sprake is van een voorliggende voorziening volgens artikel 15 Participatiewet (Zorgverzekering of Wet maatschappelijke ondersteuning). Mocht er sprake zijn van bijzondere omstandigheden, blijft het uitgangspunt dat belanghebbende binnen Voorne aan Zee zelfstandig naar de locatie kan reizen.

Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken als er sprake is van (medische) omstandigheden, waardoor zelfstandig reizen niet mogelijk is. Ligt de locatie buiten Voorne aan Zee, dan kunnen de reiskosten wel vergoed worden als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in dit artikel. Bij bezoek aan gezinsleden gaat het om familieleden in de eerste en tweede graad, partner, stief- en pleegkinderen en stief- en pleegouders. Als het noodzakelijk is dat belanghebbende met een begeleider reist kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen als belanghebbende deze kosten voor de begeleider ook geacht wordt te betalen. Deze situatie kan zich voordoen als belanghebbende door iemand met de auto gebracht wordt of gezamenlijk met het openbaar vervoer wordt gereisd.

Richtlijn voor de frequentie van vergoeding reiskosten bij bezoek aan gezinsleden genoemd in lid 4 onder b:

  • 1 keer per week bij bezoek aan gezinslid in een zorginstelling.

  • 2 keer per week als het gezinslid ook een huisgenoot is.

  • Bij zeer bijzondere omstandigheden worden de bezoeken gemotiveerd vergoed op basis van maatwerk.

Richtlijn voor de frequentie van vergoeding bij bezoek aan gezinsleden genoemd in lid 4 onder c:

  • 1 keer in 2 weken.

  • Bij zeer bijzondere omstandigheden worden de bezoeken gemotiveerd vergoed op basis van maatwerk.

  • Als gedetineerde recht heeft op (weekend)verlof is er in alle gevallen geen recht op vergoeding van reiskosten.

Vergoeding vindt plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand op basis van onbelaste kilometervergoeding, wordt voor het bepalen van de kortste route de ANWB-routeplanner gebruikt. Mocht er voor de gemaakte reiskosten een bewijsdocument voorhanden zijn kan de bijzondere bijstand worden verstrekt op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Bij hoge uitzondering kan, mits goed gemotiveerd, tijdelijk reiskosten worden verstrekt van de daadwerkelijk gemaakte taxikosten. Dit is alleen toegestaan als reizen via openbaar vervoer of eigen vervoer niet tot de mogelijkheden behoort.

Hoofdstuk 7 Rechtsbijstand en bewindvoeringskosten

Beleidsregels

Artikel 7.1 Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand

  • 1.

    De kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen als er een toevoeging is afgegeven door de Raad voor de rechtsbijstand.

  • 2.

    Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt als:

    • a.

      de Raad voor de rechtsbijstand de procedure niet noodzakelijk acht;

    • b.

      geen toevoeging is aangevraagd bij de Raad voor de rechtsbijstand, terwijl de belanghebbende hier wel gebruik van het kunnen maken;

    • c.

      het kosten betreffen die betrekking hebben op een procedure ten behoeve van een niet-rechthebbende echtgenoot.

  • 3.

    Het recht op de korting op de eigen bijdrage wanneer gebruik wordt gemaakt van het Juridisch Loket is een voorliggende voorziening. Dit gedeelte van de kosten komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Artikel 7.2 Bewindvoeringskosten

  • 1.

    Er kan bijzondere bijstand voor kosten beschermingsbewind worden verstrekt.

  • 2.

    Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten zoals opgenomen in de uitspraak/machtiging van de rechtbank.

  • 3.

    Op aanvraag kan de bewindvoerder één keer per jaar per belanghebbende extra bankkosten vergoed krijgen.

  • 4.

    Aanvragen voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering kunnen tot maximaal zes maanden na de datum van de beschikking van de rechtbank voor bijzondere bijstand worden ingediend. Een verlengingsaanvraag kan met terugwerkende kracht worden toegekend, mits deze binnen zes maanden na het aflopen van de vorige toekenningsperiode is ingediend.

  • 5.

    Als beschermingsbewind onderdeel is van een lopend schuldentraject, ook als er nog geen minnelijke dan wel wettelijke schuldregeling tot stand is gekomen, kan bijzondere bijstand worden verstrekt als de kosten van beschermingsbewind niet uit het besteedbaar inkomen kunnen worden betaald.

 

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 7.1 Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als er een beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan, zoals een rechtsbijstandverzekering. Ook het Juridisch loket wordt gezien als voorliggende voorziening. Op de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand wordt een korting gegeven als belanghebbende eerst gebruik heeft gemaakt van het Juridisch loket. Het mislopen van de korting als belanghebbende zich niet eerst bij het juridisch loket heeft gemeld wordt niet vergoed, met andere woorden dit gedeelte van de kosten komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Kosten voor procedures die voortvloeien uit de uitoefening van een (voormalig) zelfstandig beroep of beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. Om in aanmerking te kunnen komen voor bijzondere bijstand dient een door de Raad voor de rechtsbijstand afgegeven diagnosedocument te worden overlegd. De vergoeding van proceskosten aan de tegenpartij komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt als de kosten betrekking hebben op een procedure ten behoeve van een niet-rechthebbende partner. Als blijkt dat de belanghebbende door middel van peiljaarverlegging een lagere eigen bijdrage verschuldigd is, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een verzoek tot peiljaarverlegging in te dienen.

Gedurende de behandeling van het verzoek om peiljaarverlegging wordt het verzoek om bijzondere bijstand aangehouden. Voorwaarde voor verstrekking van bijzondere bijstand is dat wanneer de kosten via de gerechtelijke procedure aan belanghebbende worden vergoed, de verstrekte bijzondere bijstand voor dezelfde kosten dient te worden terugbetaald.

 

Artikel 7.2 Bewindvoeringskosten

Beschermingsbewind wordt ingesteld om personen te ondersteunen die niet in staat zijn hun financiële belangen zelfstandig te behartigen. De noodzaak voor beschermingsbewind kan voortkomen uit verschillende situaties, die in drie categorieën kunnen worden onderverdeeld:

  • Financiële problemen: beschermingsbewind kan worden ingesteld bij problematische schulden of situaties waarin sprake is van onverantwoord financieel gedrag, bijvoorbeeld door een verslaving. Het doel is om de financiële situatie te stabiliseren en schulden af te lossen.

  • Persoonlijke beperkingen: beschermingsbewind is ook mogelijk voor mensen die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen niet in staat zijn hun financiën te beheren. Dit geldt ook voor ouderen met dementie of vergelijkbare aandoeningen.

  • Tijdelijke situaties: in sommige gevallen kan beschermingsbewind tijdelijk worden ingesteld, bijvoorbeeld na een ongeval, operatie of andere tijdelijke omstandigheden waarin de betrokkene niet in staat is zijn of haar financiële zaken te regelen.

Bij de beoordeling van een aanvraag voor beschermingsbewind wordt altijd gekeken naar de specifieke omstandigheden van de betrokkene. Het beschermingsbewind wordt ingesteld door de kantonrechter, die ook toezicht houdt op de bewindvoerder.

Als er sprake is van deze situaties kan er bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van de bewindvoering. Bij financiële problemen zal dit zijn voor de duur van het schuldentraject. Er kan in dit geval een beschikking voor de duur van de onder bewindstelling worden afgegeven. Jaarlijks wordt dan de hoogte van de bijzondere bijstand bepaald aan de hand van de rekening van de bewindvoerder. De intentie van deze bepaling is dat gedurende het gehele schuldenbewind en indien nodig voorliggende traject bijzondere bijstand kan worden verstrekt, mits er een rechterlijke uitspraak aan deze vorm van bewind ten grondslag ligt. Bij persoonlijke beperkingen zal dit meestal een blijvende situatie zijn en kan de bijzondere bijstand voor 5 jaar worden toegekend, met de optie deze iedere keer met eenzelfde termijn te verlengen. Bij een tijdelijke situatie is de duur van de bijzondere bijstand afhankelijk van de duur van de tijdelijkheid.

Bewindvoerder mag één keer per jaar extra bankkosten voor belanghebbende declareren. Dit bedrag is ongeacht het aantal bankrekeningen dat bewindvoerder voor belanghebbende beheert. Het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM bepaalt hoeveel de bewindvoerder voor de bankkosten in rekening mag brengen.

De noodzaak van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de rechterlijke beschikking. Als er sprake is van een lopend schuldentraject (stabilisatiefase, maar ook het minnelijke dan wel wettelijke traject) wordt aangenomen dat bij een inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm er geen sprake is van het zelf kunnen voldoen van de kosten van het beschermingsbewind en is er in principe altijd recht op bijzondere bijstand. Bij een inkomen gelijk of hoger dan 120% dient nader onderzocht te worden of belanghebbende deze bewindvoeringskosten uit het eigen besteedbaar inkomen (eventueel na vaststellen van het vrij te laten bedrag) kan voldoen. Als dat zo is, is er geen sprake van bijzondere omstandigheden en dient de aanvraag te worden afgewezen (zie ook lid 5).

Mocht dit niet duidelijk zijn of leiden tot een onredelijke uitkomst, dient altijd het belang van belanghebbende te prevaleren.

Griffiekosten komen ook in aanmerking voor bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand bedraagt nooit meer dan in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentors is vastgestelde bedragen.

Uit de uitspraak van de rechter blijkt of belanghebbende een eigen bijdrage verschuldigd is. Is dit het geval dan kan als aan de overige voorwaarden wordt voldaan bijzondere bijstand worden verstrekt. De gemeente is aan de beschikking van de kantonrechter gebonden. De bijzondere noodzaak voor de vergoeding van de eigen bijdrage blijkt uit de beschikking van de kantonrechter. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat de reden is van het beschermingsbewind. Deze informatie is van belang voor de wijze waarop de bijzondere bijstand wordt toegekend. Uit de uitspraak van de rechter blijkt ook dat de bewindvoerder deze kosten in rekening mag brengen bij belanghebbende.

Uitgangspunt bij schuldenbewind is dat belanghebbende altijd beroep kan doen op bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten zowel in de voorbereidende fase als tijdens het lopende schuldhulptraject, ongeachte de looptijd van dit traject. Deze kosten moeten dan wel binnen 6 maanden na datum beschikking van de rechter worden aangevraagd. Uiteraard blijft maatwerk altijd mogelijk.

Hoofdstuk 8 Uitvaartkosten

Beleidsregels

Artikel 8.1 Uitvaartkosten

  • 1.

    Indien de belanghebbende als erfgenaam wordt of kan worden aangemerkt kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke uitvaartkosten, zover de nalatenschap hiervoor geen of onvoldoende middelen bevat.

  • 2.

    In de situatie dat belanghebbende als erfgenaam geen opdracht geeft voor de lijkbezorging is de Wet op de Lijkbezorging van toepassing en is er geen recht op bijzondere bijstand.

  • 3.

    De Wet op de lijkbezorging is geen voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van de Participatiewet.

  • 4.

    De bijzondere bijstand bedraagt ten hoogste € 5.000,-. In aanvulling op dit bedrag kan het college bijzondere bijstand verstrekken voor de mortuariumkosten tot ten hoogste € 750,-.

 

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 8.1 Uitvaartkosten

Het uitgangspunt is dat iedereen tijdens zijn leven dient te zorgen voor voldoende vermogen of een verzekering voor de kosten van een uitvaart. Er kunnen zich twee situaties voordoen:

  • Een naaste, bijvoorbeeld een erfgenaam, geeft opdracht voor de lijkbezorging.

  • De erfgenamen geven geen opdracht voor de lijkbezorging. In dat geval heeft de Burgemeester op grond van de Wet op de lijkbezorging de verplichting om opdracht te geven tot begraven of cremeren.

In het geval dat de erfgenamen geen opdracht geven voor de lijkbezorging, is de burgemeester verplicht om op grond van de Wet op de lijkbezorging opdracht te geven tot cremeren of begraven. De kosten van de lijkbezorging komen ten laste van het college (artikel 22 Wet op de lijkbezorging). Het college kan deze kosten weer verhalen op de nalatenschap en de nabestaanden. In van geval van meerdere erven zijn alle erfgenamen naar rato verantwoordelijk voor de uitvaartkosten. De erfgenaam kan voor haar deel van de uitvaartkosten bijzondere bijstand aanvragen in de gemeente waar zij woonachtig is. Het college mag gemotiveerd afwijken van het vastgestelde bedrag als daar gegronde redenen voor zijn. Zo zullen de kosten van begraven altijd hoger zijn dan cremeren. In dat geval kan een hoger bedrag dan in lid 3 is opgenomen aan bijzondere bijstand worden verstrekt, bijvoorbeeld als deze kosten in een regio gemiddeld hoger zijn. Er dient bewijs te worden overlegd waaruit de kosten van de uitvaart blijkt, de eventueel aanwezige uitvaartverzekering en bewijs dat de kosten niet uit de aanwezige nalatenschap van de overledene kunnen worden betaald. Als de bijstandsnorm wijzigt als gevolg van het overlijden van een gezinslid, maar er blijft wel recht op bijstand, dan wordt de bijstand aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen of de gewezen alleenstaande ouder tot en met één maand na de dag van het overlijden betaald naar de norm die van toepassing was op het moment van overlijden. Deze overlijdensuitkering is een voorliggende voorziening net als een begrafenisverzekering (in natura) en of een erfenis.

Hoofdstuk 9 Meerkosten boven algemeen gebruik

Beleidsregels

Artikel 9.1 Meerkosten voor algemeen gebruik

  • 1.

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de volgende meerkosten:

    • a.

      Bewassing, slijtage van kleding. Als extra kledingslijtage voortkomt uit ziekte of handicap, wordt in de meerkosten van kleding bijzondere bijstand verleend.

    • b.

      Een algemeen toegankelijke maaltijdvoorziening voor gepensioneerden.

    • c.

      Een eenmalige aanschaf van een kledinggarderobe vanwege een acute noodsituatie, bijvoorbeeld door ziekte, ongeval of een redelijkerwijs niet- verzekerbare calamiteit, wordt bijzondere bijstand verleend. In dit geval wordt slechts kleding verstrekt voor zover het in dat seizoen passend is.

    • d.

      eenmalige aanschaf van een passende kledinggarderobe, vanwege flinke schommeling in gewicht van ten minste 2 maten in zeer korte tijd na ziekte, revalidatie of het volgen van een op medisch advies gevolgd dieet.

    • e.

      De kosten voor speciale bh’s en/of badkleding, vanwege een mamma- (borst)prothese. Waarbij de vergoeding voor een bh 3 keer per jaar kan worden toegekend en de vergoeding voor badkleding 1 keer per 2 jaar kan worden toegekend.

  • 2.

    Voor de bepaling van de meerkosten wordt uitgegaan van extra kosten ten opzichte van de normbedragen en normaantallen zoals deze zijn vastgesteld in de Nibud-prijzengids, zie ook artikel 2.10 van deze beleidsregels.

Artikel 9.2 Meerkosten dieet

  • 1.

    Voor zover belanghebbende of een gezinslid een medisch noodzakelijk dieet moet volgen, worden de meerkosten van dit dieet ten opzichte van reguliere voeding, bijzondere bijstand verleend.

  • 2.

    De hoogte van de meerkosten van een dieet wordt vastgesteld aan de hand van de dieetkostentabel van de Nibud -prijzengids, zie ook artikel 2.10 van deze beleidsregels.

Artikel 9.3 Meerkosten verwarming

Bijzondere bijstand voor verwarming kan worden versterkt als de verwarming vanwege een chronische medische aandoening voor de berekening van het algemeen gebruikelijke deel wordt het gemiddelde gebruik van een vergelijkbaar huishouden in een vergelijkbaar woningtype als algemeen gebruikelijk beschouwd.

 

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 9.1 Meerkosten voor algemeen gebruik

Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook kosten van bewassing, slijtage van kleding en voeding. In het beginsel kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor deze kosten. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Dit is het geval wanneer er door lichamelijke gebreken of door extra wassen, bijvoorbeeld door het noodzakelijk gebruik van zalf, sprake is van meer dan normale slijtage. Het vaststellen van de noodzaak is afhankelijk van de omstandigheden en zal per situatie moeten worden beoordeeld aan de hand van bijvoorbeeld waarneming door een consulent, aangeleverde informatie of advies van een deskundige.

 

Artikel 9.2 Meerkosten dieet

Het recht en hoogte van de meerkosten dieet wordt in beginsel vastgesteld op basis van een deskundigenadvies of een advies van (huis)arts.

 

Artikel 9.3 Meerkosten verwarming

Er dient te zijn vastgesteld dat er een noodzaak is om de verwarming hoog te zetten. De gemiddelde uitgaven van een vergelijkbaar huishouden kunnen op basis van het Nibud-prijzengids worden bepaald. Het gemiddelde gebruik van belanghebbende wordt op basis van het gebruik van drie voorafgaande jaren vastgesteld. Op het moment dat er sprake is van variabele energieprijzen zal er per maand gekeken moeten worden wat de meerkosten zijn.

Hoofdstuk 10 Gehandicaptenparkeerkaart

Beleidsregels

Artikel 10.1 Gehandicaptenparkeerkaart

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een medische keuring in het kader van de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart als deze kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze kunnen worden voldaan.

  • 2.

    De noodzaak van de medische keuring wordt beoordeeld onafhankelijk van de uitkomst van de aanvraag van de gehandicaptenparkeerkaart.

 

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 10.1 Gehandicaptenparkeerkaart

De kosten voor een medische keuring ten behoeve van een gehandicaptenparkeerkaart kunnen als noodzakelijk worden aangemerkt indien de keuring vereist is om de aanvraag te kunnen indienen of te laten beoordelen. De beoordeling of de kosten noodzakelijk zijn vindt plaats op grond van de individuele omstandigheden van de belanghebbende, volgens artikel 35 Participatiewet.

De toekenning van bijzondere bijstand mag niet afhankelijk worden gesteld van de uitkomst van de aanvraag van de gehandicaptenparkeerkaart. Daarmee wordt gewaarborgd dat noodzakelijke kosten ook als zodanig worden erkend, ook indien de aanvraag niet leidt tot verstrekking van de kaart. Dit sluit aan bij het individualiseringsbeginsel en uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.

Hoofdstuk 11 Jongeren in een inrichting

Beleidsregels

Artikel 11.1 Jongeren in een inrichting

  • 1.

    Aan een jongere tot 21 jaar die, zoals bedoeld in artikel 13, lid 2 onder a van de Participatiewet, in een inrichting verblijft zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel f van de Participatiewet, kan periodiek bijzondere bijstand worden verstrekt.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is de norm zoals neergelegd in artikel 23 Participatiewet.

 

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 11.1 Jongeren in een inrichting

Er kan alleen bijzondere bijstand worden verstrekt als er onderzoek heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 3:395a BW (onderhoudsplicht) en/of er geen recht bestaat op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 Participatiewet.

 

Het niet kunnen voldoen aan de onderhoudsplicht, zoals neergelegd in artikel 3:395a Burgerlijk Wetboek wordt in ieder geval aangenomen als:

  • a.

    de belanghebbende gedurende een periode langer dan 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag niet in gezinsverband met zijn ouders heeft gewoond;

  • b.

    de belanghebbende met een partner en/of kind een gezin vormt;

  • c.

    er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de belanghebbende en zijn ouders;

  • d.

    beide ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;

  • e.

    één van de ouders is overleden en de andere ouder in het buitenland woont.

Als er sprake is dat belanghebbende wel zijn ouders kan aanspreken op hun onderhoudsplicht, kan dit een grond zijn om de bijzondere bijstand af te wijzen zijnde een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet). Eén en ander dient wel goed gemotiveerd te worden mede gezien de kwetsbare positie van belanghebbende.

Hoofdstuk 12 Slotbepalingen

Beleidsregels

Artikel 12.1 Hardheidsclausule

Het college kan, gelet op alle omstandigheden, afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels ten gunste van de belanghebbende als de toepassing hiervan leidt tot bijzonder onredelijke gevolgen of als zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Artikel 12.2 Nadere bepalingen

  • 1.

    Ter uitvoering van deze beleidsregels kunnen nadere uitvoeringsregels worden opgesteld.

  • 2.

    In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

Artikel 12.3 Citeertitel en inwerkingtreding

Deze beleidsregels worden aangehaald als de Beleidsregels Bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2026 en treden na vaststelling door het college inwerking per 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2023.

 

Toelichting op de beleidsregels

 

Artikel 12.1 Hardheidsclausule

Individualisering blijft altijd het uitgangspunt. Deze beleidsregels bieden hiervoor samen met de Participatiewet de kaders. Maar als deze toepassing leidt tot zeer onredelijke gevolgen of als dringende redenen hiertoe noodzaken, kan gemotiveerd worden afgeweken ten gunste van belanghebbende.

 

Artikel 12.2 Nadere bepalingen

Voor de uitvoering van deze beleidsregels kunnen nadere uitvoeringsregels worden opgesteld. Deze uitvoeringsregels mogen nooit in strijd zijn met het in deze beleidsregels gestelde en de Participatiewet. In de gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing van de beleidsregels niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels beslist het college gemotiveerd.

 

Artikel 12.3 Citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Voorne aan Zee op 9 december 2025.

Hellevoetsluis 9 december 2025

Burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee,

L. Mans MSc

gemeentesecretaris

A.R.C. Scheepers RA MSc

burgemeester

Naar boven