Gemeenteblad van Voorne aan Zee
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorne aan Zee | Gemeenteblad 2025, 557029 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorne aan Zee | Gemeenteblad 2025, 557029 | beleidsregel |
Beleidsregels Bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.2 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand
Artikel 2.2 Inlichtingen- en medewerkingsverplichting
Artikel 2.4 Draagkracht algemeen
Artikel 2.5 Draagkracht inkomen
Artikel 2.6 Draagkracht vermogen
Artikel 2.7 Draagkracht problematische schulden
Artikel 2.9 Vormen van bijstand
Artikel 2.10 Hoogte bijzondere bijstand en indexering
Artikel 2.11 Uitgesloten kostensoorten
Hoofdstuk 3 Overbruggingsuitkering
Artikel 3.1 Overbruggingsuitkering levensonderhoud
Artikel 4.1 Woonkostentoeslag bij huur
Artikel 4.2 Woonkostentoeslag bij eigen woning
Artikel 4.3 Woonkostentoeslag verplichtingen
Artikel 4.4 Bijzondere woonkosten
Artikel 4.5 Woonkosten bij tijdelijk verblijf elders
Hoofdstuk 5 Duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en stofferingskosten
Artikel 5.1 Duurzame gebruiksgoederen
Artikel 5.2 Noodzakelijke verhuis- en stofferingskosten
Artikel 6.1 Reiskosten woon-schoolverkeer
Artikel 6.2 Reiskosten dokter ziekenhuis detentie etc.
Hoofdstuk 7 Rechtsbijstand en bewindvoeringskosten
Artikel 7.1 Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand
Artikel 7.2 Bewindvoeringskosten
Hoofdstuk 9 Meerkosten boven algemeen gebruik
Artikel 9.1 Meerkosten voor algemeen gebruik
Artikel 9.3 Meerkosten verwarming
Hoofdstuk 10 Gehandicaptenparkeerkaart
Artikel 10.1 Gehandicaptenparkeerkaart
Hoofdstuk 11 Jongeren in een inrichting
Artikel 11.1 Jongeren in een inrichting
Artikel 12.1 Hardheidsclausule
Artikel 12.2 Nadere bepalingen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
inkomen: het totale netto-inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin als bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 van de Participatiewet. Voor zelfstandig ondernemers geldt voor het inkomen uit onderneming het inkomen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
Artikel 1.2 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand
Toelichting op de beleidsregels
In de beleidsregels is opgenomen voor welke bijzonder noodzakelijke kosten door onvoorziene omstandigheden een beroep op de bijzondere bijstand kan worden gedaan.
Criteria voor vergoeding kosten door middel van bijzondere bijstand zijn:
Ook dient beoordeeld te worden of belanghebbende voor de kosten kon reserveren. Daarnaast zal bij iedere aanvraag indien nodig onderzocht moeten worden of het noodzakelijk is om maatwerk toe te passen. Als sprake is van een (deels) negatieve beschikking, neemt de gemeente contact op met de belanghebbende om deze in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Het is mogelijk dat uit dit contact nieuwe gegevens komen die aanleiding kunnen zijn om het voorgenomen besluit te herzien. Pas daarna volgt een gemotiveerde schriftelijke (gedeeltelijke) afwijzing.
De begrippen spreken voor zich.
Artikel 1.2 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en de daarin opgenomen mogelijkheden tot het verstrekken van individuele bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand is wettelijk geregeld in artikel 35 Participatiewet. In dit artikel is bepaald dat bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de noodzakelijke kosten van bestaan die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden niet kunnen worden voldaan uit de algemene bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Als het inkomen 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag bedraagt of hoger en er onvoldoende draagkracht is om deze bijzonder noodzakelijke kosten zelf te voldoen, kan er ook recht zijn op bijzondere bijstand. Niet de aard van de kosten is bepalend, maar de omstandigheden van de belanghebbende. De beoordeling van deze bijzondere individuele omstandigheden is aan het college. De landelijk geregelde bijstandsnorm en de eventueel daarop verleende toeslag zijn in de regel toereikend zijn om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Voor het domicilie geldt artikel 40 van de Participatiewet, waarbij het feitelijk verblijf bepalend is.
Bij het vaststellen van de noodzaak en/of hoogte van de bijzondere bijstand is het college niet altijd ter zake kundig. In die gevallen heeft het college de bevoegdheid om advies van een deskundige in te winnen. De belanghebbende zal medewerking moeten verlenen aan het onderzoek (artikel 17, lid 2, Participatiewet). Een voorliggende voorziening is een voorziening die gezien haar aard en doel geacht wordt passend en toereikend te zijn voor belanghebbende. Als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 Participatiewet en het bepaalde in dit artikel wordt in ieder geval begrepen (niet limitatief):
Ook als in een voorliggende voorziening de gemaakte kosten niet volledig worden vergoed is er in beginsel sprake van een passende en toereikende voorliggende voorziening. De prestaties en vergoedingen op grond van de Zorgverzekeringswet zijn volgens vaste rechtspraak voor medische en paramedische kosten een aan de wet voorliggende, toereikende en passende voorziening. Volgens de rechtspraak is in het algemeen een bewuste keus gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten. Worden deze kosten dus niet vergoed uit de verplichte basisverzekering dan kan de aanvraag bijzondere bijstand in beginsel worden afgewezen. In verband met het vaststellen van de noodzaak van de gemaakte kosten kan zo nodig advies worden ingewonnen bij derden, bijvoorbeeld medisch advies.
Artikel 2.2 Inlichtingen- en medewerkingsverplichting
Belanghebbende doet aan het college uit eigen beweging of op verzoek onverwijld doch uiterlijk binnen 5 werkdagen mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een in deze beleidsregels genoemde vergoeding.
Artikel 2.4 Draagkracht algemeen
De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de dag dat het recht ontstaat. Bij elke volgende aanvraag bijzondere bijstand of minimaregeling binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht. De draagkracht kan worden bijgesteld als er zodanige wijzigingen in de financiële situatie zijn dat de eerder vastgestelde draagkracht redelijkerwijs niet gehandhaafd kan blijven.
Artikel 2.6 Draagkracht vermogen
Voor een gepensioneerde belanghebbende is sprake van een extra vermogensvrijlating als er sprake is van een uitvaartreservering op een geblokkeerde spaarrekening waarvan is vastgesteld dat dit voor de uitvaart bestemd is. Als de belanghebbende evenwel een uitvaartverzekering (al dan niet in natura) heeft afgesloten waaruit de kosten van de uitvaart grotendeels of geheel bekostigd kunnen worden is deze extra vrijlating van vermogen niet van toepassing.
Artikel 2.7 Draagkracht problematische schulden
Indien een belanghebbende is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of als een minnelijk schuldhulpverleningstraject loopt wordt de belanghebbende geacht niet over draagkracht te beschikken.
Artikel 2.11 Uitgesloten kostensoorten
Toelichting op de beleidsregels
Een aanvraag wordt bij voorkeur digitaal ingediend. Belanghebbende kan gevraagd worden bij een eerste gesprek met een klantmanager zich met een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, Wet op de identificatieplicht te identificeren. Een aanvraag voor ontstane kosten wordt niet in behandeling genomen als de aanvraagdatum een halfjaar plus één dag of meer later is dan de datum op de originele factuur. In beginsel komen kosten die al betaald zijn, niet meer voor bijzondere bijstand in aanmerking. Als het voor de belanghebbende onvermijdelijk was om deze kosten te betalen voordat de aanvraag is ingediend, kan hier gemotiveerd van afgeweken worden en kunnen de kosten alsnog door middel van bijzondere bijstand vergoed worden. Op grond van de Participatiewet mogen alle benodigde en toegankelijke gegevens met betrekking tot de belanghebbende en zijn (financiële) situatie worden verzameld om te beoordelen of er recht is op bijzondere bijstand.
Welke documenten bij de aanvraag moeten worden ingediend is opgenomen in de “checklist bewijsstukken”. Op terugvordering van bijzondere bijstand zijn de geldende beleidsregels over terugvordering en verhaal van toepassing.
Artikel 2.2 Inlichtingen- en medewerkingsverplichting
De termijn van 5 werkdagen is in lijn met artikel 3.1 Beleidsregels Participatiewet IOAW en IOAZ Voorne aan Zee 2026.
Er is geen recht op (bijzondere) bijstand als een belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening (artikel 15, lid 1, Participatiewet). Het college zal daarom bij iedere aanvraag bijzondere bijstand moeten beoordelen of sprake is van een voorliggende voorziening. Als er een beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan is er dus geen recht op (bijzondere) bijstand.
Het vooraf aanvragen van de bijzondere bijstand is noodzakelijk. Dit wil zeggen dat belanghebbende eerst een aanvraag moet indienen en pas daarna kan het gewenste kopen of aanschaffen. De noodzaak kan namelijk niet meer worden vastgesteld als belanghebbende bijvoorbeeld het oude toestel, apparaat en meubelstuk al heeft weggegooid en een nieuwe heeft gekocht. Om die reden zal de aanvraag in de regel dan worden afgewezen.
Artikel 2.4 Draagkracht algemeen
Bij het bepalen van de draagkracht gaat het college uit van de inkomsten en het vermogen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In beginsel wordt slechts éénmaal per draagkrachtjaar een draagkrachtberekening uitgevoerd. De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld. De periode van een jaar start op de toekenningsdatum. Op het moment dat gedurende het draagkrachtjaar een nieuwe aanvraag minimaregeling of bijzondere bijstand wordt ingediend wordt er geen nieuwe draagkrachtberekening gemaakt, maar wordt er gebruik gemaakt van de al aanwezige draagkrachtberekening. Er kan echter aanleiding zijn om de vastgestelde draagkracht aan te passen als er zich wijzigingen voordoen in het inkomen of vermogen die een hogere of lagere draagkracht tot gevolg zouden kunnen hebben. Ook een wijziging in de gezinsomstandigheden, zoals huwelijk, echtscheiding of overlijden, kan aanleiding zijn voor een aanpassing.
Artikel 2.5 Draagkracht inkomen
Bij de beoordeling van het inkomen wordt uitgegaan van het inkomen inclusief vakantietoeslag. De gehanteerde norm is dat inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Uitgangspunt is het periodieke inkomen over de maand direct voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Niet tot het inkomen wordt gerekend, het Kindgebonden budget, inkomsten van kinderen – 18 jaar, PGB, toeslagen (huur-, zorg- en kinderopvang), rente over vermogen/spaargeld, teruggave inkomensbelasting of teruggave premie volksverzekering. Wanneer de inkomsten maandelijks wisselen wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie maanden direct voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Het (periodieke) inkomen wordt omgerekend naar een netto jaarinkomen inclusief vakantietoeslag. Bij onregelmatig inkomen wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen over drie maanden voorafgaand aan de eerste dag van de draagkrachtperiode (de dag van de aanvraag). Bij zelfstandigen wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van de draagkrachtperiode. Dit wordt bepaald op basis van de jaarrekening. De bijzondere bijstand wordt achteraf definitief vastgesteld op basis van de jaarrekening van het jaar waarop de bijzondere bijstand betrekking heeft.
Artikel 2.6 Draagkracht vermogen
Bij het vaststellen van vermogen voor de bijzondere bijstand wordt de Participatiewet gevolgd. Het in aanmerking te nemen vermogen is gelijk aan (de som van) alle netto vermogensbestanddelen waarover redelijkerwijs kan worden beschikken (artikel 34 Participatiewet). Het vermogen mag niet meer zijn dan de in artikel 34 Participatiewet norm. Alles boven de voor belanghebbende toepasselijke norm wordt als draagkracht aangemerkt. Bij de vaststelling van de waarde van de auto wordt in beginsel altijd de koerslijst van Independer gebruikt. In bijzondere gevallen kan eventueel de koerslijst BOVAG/ANWB (inruil bij een autobedrijf) worden geraadpleegd. Hiervoor is het hebben van de kilometerstand en mogelijk bijzondere specificaties van de auto een voorwaarde, deze kunnen eventueel met een hersteltermijn worden opgevraagd dan wel worden gehaald uit de RDW-gegevens in Suwinet. Als de dagwaarde van de auto niet beschikbaar is in deze bronnen vanwege de leeftijd van de auto, is het aankoopbedrag van de auto in beginsel bepalend. Bij auto’s ouder dan 15 jaar kan de waardebepaling buiten beschouwing worden gelaten en wordt het vervoersmiddel – mits er geen sprake is van een oldtimer of ander bijzonder model – als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten van de vermogensvaststelling.
De waarde van de motor wordt vastgesteld met behulp de verkoopsite van motoren: www.motoroccasion.nl. Voor het bepalen van de waarde van de brommer/scooter wordt de volgende rekenmethode gehanteerd:
De waarde van een brommer/scooter ouder dan 5 jaar en 6 maanden wordt niet meer meegenomen in de vaststelling van het vermogen. De waarde van caravans, campers, vrachtwagens, tractoren en boten/ jachten dient belanghebbende zelf te worden aangetoond, bijvoorbeeld door middel van de verzekeringswaarde van het betreffende vermogensbestanddeel.
Artikel 2.7 Draagkracht problematische schulden
Dit artikel spreekt voor zich.
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 2.9 Vormen van bijstand
Zie ook de artikelen en toelichting in Hoofdstuk 5 Duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en stofferingskosten van deze beleidsregels
Artikel 2.10 Hoogte bijzondere bijstand en indexering
Met dit artikel wordt geregeld dat de bijzondere bijstand wordt bepaald op de werkelijke kosten, zoals deze op basis van artikel 3 van de beleidsregels moet worden overlegd. Als de hoogte van de kosten niet duidelijk is, kan op basis van de Nibud-prijzengids de bijzondere bijstand worden vastgesteld, waarbij rekening gehouden wordt met specifieke bepalingen in deze beleidsregels, zoals bij duurzame gebruiksgoederen en verhuis- en stofferingskosten. Als gebruikt wordt gemaakt van zogenaamde “inboedelpakketten” wordt in beginsel uitgegaan van 1 volwassene. Als er meer nodig is (bijvoorbeeld voor kinderen), zal dit – bij voorkeur met een huisbezoek – worden beoordeeld.
Artikel 2.11 Uitgesloten kostensoorten
Uit de jurisprudentie volgt dat legeskosten voor een identiteits- of verblijfsdocument behoort tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten komen dan ook niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Voor het overige spreekt het artikel voor zich.
Hoofdstuk 3 Overbruggingsuitkering
Artikel 3.1 Overbruggingsuitkering
De zelfstandig wonende belanghebbende die over geen of onvoldoende middelen beschikt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien vanaf de aanvang van de bijstandsverlening tot de eerste uitbetaling van het volledige maandbedrag van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, komt in aanmerking voor een overbruggingsuitkering levensonderhoud.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 3.1 Overbruggingsuitkering
Een overbruggingsuitkering levensonderhoud kan worden versterkt om de betaalperiode tot de eerste betaling van de algemene uitkering levensonderhoud te overbruggen, omdat daarvoor geen middelen beschikbaar zijn. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een statushouder die zich vanuit een opvangcentrum zelfstandig vestigt binnen de gemeente, of iemand die na een verbroken relatie andere huisvesting moet betrekken. In die gevallen waarin de belanghebbende door de betaling achteraf in de problemen dreigt te raken kan een overbruggingsuitkering levensonderhoud worden verstrekt. Een overbruggingsuitkering levensonderhoud mag niet in de plaats komen van het verstrekken van een voorschot voor levensonderhoud, zoals neergelegd in artikel 52 Participatiewet. Als de belanghebbende tot de ingangsdatum van het recht op algemene bijstand inkomsten ontving, bestaat er geen recht op een overbruggingsuitkering levensonderhoud. De overbruggingsuitkering levensonderhoud is bijzondere bijstand. Het is een onbelaste uitkering.
Op het moment dat een belanghebbende geen middelen meer heeft om boodschappen te doen, kan de belanghebbende een overbruggingsuitkering broodnood aanvragen. De belanghebbende moet aantonen dat er onvoldoende middelen zijn om boodschappen te doen. De overbruggingsuitkering broodnood is enkel bedoeld om boodschappen te doen. De hoogte van de overbruggingsuitkering broodnood is maatwerk, maar het betreft een beperkt bedrag met het doel om voor een korte periode boodschappen te kunnen doen. Gezien de spoedeisendheid kan deze overbruggingsuitkering als (kas)voorschot worden verstrekt. De overbruggingsuitkering broodnood is in beginsel een lening, welke op de gebruikelijke wijze kan worden verrekend met de uitkering Participatiewet dan wel via een betalingsregeling bij geen recht op bijstand. Mede gezien de spoedeisendheid die bij de overbruggingsuitkering broodnood regelmatig speelt, kan volstaan worden met een ambtshalve toekenning als de omstandigheden hierom vragen.
Artikel 4.3 Woonkostentoeslag verplichtingen
Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheden van bestaan op het gebied van woonkosten wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd, tenzij er sprake is van bijzondere redenen die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van belanghebbende of diens gezin.
Artikel 4.4 Woonkostentoeslag bijzondere situaties
Artikel 4.5 Woonkostentoeslag bij tijdelijk verblijf elders
De betaling van de strikt noodzakelijke kosten voor de hoofdwoning bij belanghebbende als de belanghebbende als enige verantwoordelijk is voor de huurbetaling en:
maximaal twaalf maanden in een inrichting verblijft voor behandeling en/of zorg, onder voorwaarde dat het aanhouden van de woning noodzakelijk is. Als blijkt dat de belanghebbende langer dan twaalf maanden in een inrichting verblijft, wordt de doorbetaling stopgezet. In dat geval kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de opslag van de inboedel.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 4.1 Woonkostentoeslag bij huur
Als hoofdregel geldt dat de Wet op de huurtoeslag als een aan de bijstand voorliggende passende en toereikende voorziening wordt aangemerkt (CRVB:2011:BT1740). Ook in geval de rekenhuur te hoog is geldt de Wet op de huurtoeslag als voorliggende passende en toereikende voorziening (CRVB:2016:77). De Wet op de huurtoeslag kan niet in alle gevallen als passende en toereikende voorliggende voorziening worden aangemerkt omdat de huurtoeslag bijvoorbeeld wordt verstrekt met ingang van de eerste van de maand (CRVB:2014:1945). De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningssystematiek van de Wet op de huurtoeslag. Eventueel door de Belastingdienst eerder toegekende huurtoeslag wordt in mindering gebracht op de woonkostentoeslag. Als belanghebbende nog geen huurtoeslag heeft aangevraagd dient dit te worden opgelegd als een aanvullende verplichting volgens artikel 55 Participatiewet bij de toekenning. Als het inkomen plotseling is gedaald buiten de schuld van belanghebbende om, kan de belanghebbende in aanmerking komen voor een tijdelijke woonkostentoeslag. Dit is alleen mogelijk als er sprake is van omstandigheden, die belanghebbende niet te verwijten zijn, zie ook lid 8 van dit artikel.
Bij een huur hoger dan de maximale huurgrens voor huurtoeslag wordt de duur van de woonkostentoeslag in principe afgebakend op 12 maanden, tenzij er sprake is van dringende redenen die zich hiertegen verzetten. In dat geval kan er worden verlengd met 12 maanden. De duur van verlening en voorwaarden waaronder blijft altijd maatwerk. Denk bij dringende redenen bijvoorbeeld aan sociale of medische omstandigheden. Als er sprake is van een tekortschietend besef in de verantwoordelijkheden van het bestaan, bijvoorbeeld door het aangaan van een huurovereenkomst met een hogere huur dan met het inkomen van belanghebbende kan worden betaald, bestaat er geen recht op woonkostentoeslag.
Artikel 4.2 Woonkostentoeslag bij eigen woning
Het college sluit bij het verlenen van een woonkostentoeslag aan eigen woningbezitters aan op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. Uit CRVB:2014:4242 blijkt dat de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college voor de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag in redelijkheid heeft mogen aansluiten bij het systeem van de Wet op de huurtoeslag. Ook voor woningeigenaren geldt dat zij niet te duur moeten blijven wonen (CRVB:2012:BX1676). Aangenomen kan worden dat, bezien van uit de systematiek van de Wet op de huurtoeslag, de te hoge woonkosten voor woningeigenaren niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten aangemerkt hoeven te worden. Net als bij huurders kan daar toch een uitzondering voor gelden. De bijstandsverlening is in voorkomende gevallen wel beperkt tot een maximale periode. De voorlopige teruggave inkomstenbelasting wordt op grond van artikel 32, lid 1, Participatiewet als inkomen toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. Bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag dient alleen rekening gehouden te worden met de voorlopige teruggave hypotheekrente voorzover belanghebbende geen Participatiewet uitkering ontvangt.
Immers, in dat geval wordt dit als middel verrekend met de bijstandsuitkering. Het college betrekt deze bij de berekening van de bijzondere bijstand en brengt deze in mindering op de totale woonkostentoeslag (CRVB:2014:2384). Ook hier geldt dat als er sprake is van een tekortschietend besef in de verantwoordelijkheden van het bestaan, bijvoorbeeld door het aangaan van een koopovereenkomst met een hogere hypotheek dan met het inkomen van belanghebbende kan worden betaald, er geen recht op woonkostentoeslag bestaat.
Artikel 4.3 Woonkostentoeslag verplichtingen
Het college heeft op grond van artikel 55 Participatiewet een discretionaire bevoegdheid om nadere verplichtingen op te leggen die zijn verbonden aan het recht op bijstand. Deze verplichtingen strekken in dit geval tot vermindering of beëindiging van bijstand. Bij het verlenen van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag maakt het college in principe gebruik van deze bevoegdheid omdat betrokkenen, in relatie tot de hoogte van hun inkomen, niet te duur mogen wonen. Dat geldt voor huurders (CRVB:2016:190 en CRVB:2016:77) maar ook voor ook woningeigenaren (CRVB:2013:1957 en CRVB:2014:4242). Om de inkomenssituatie te normaliseren ten opzichte van de woonsituatie, maar ook omgekeerd, kan het college de in dit artikel genoemde aanvullende verplichtingen opleggen. Belanghebbende kan desgevraagd of uit eigen beweging een beroep doen op bijzondere omstandigheden waarom hij niet aan de verplichtingen heeft voldaan of kan voldoen. Het college heeft de plicht om belanghebbende te bevragen naar bijzondere omstandigheden. Belanghebbende zal een beroep op bijzondere omstandigheden zelf nader moeten onderbouwen. Het college kan bij de beoordeling van de aanvraag ook feitelijk tot de conclusie komen dat hier (impliciet) een beroep op wordt gedaan. Het moet in voorkomende gevallen gaan om specifieke feitelijke omstandigheden van de belanghebbende of diens gezin die het college vaststelt. Gedacht kan worden aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject, een aanvraag om jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of individuele begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het niet honoreren van de woonkostentoeslag zou in voorkomende gevallen onredelijk kunnen zijn omdat het college daarmee de noodzaak van de (te bieden) ondersteuning zou miskennen of (de voortzetting, dan wel het welslagen van) die ondersteuning juist ondermijnen. In deze situatie kan het college de woonkostentoeslag toekennen in de vorm van een geldlening onder toepassing van de verplichtingen genoemd in dit artikel. Let wel, deelname aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject betekent niet dat het college de bijzondere bijstand niet als lening zou mogen verstrekken. Verder worden, naast de reguliere verhuisplicht, extra nadere verplichtingen verbonden aan de bijzondere bijstand, namelijk dat belanghebbende zich in voorkomende gevallen houdt aan de voorwaarden die verbonden (kunnen) zijn aan de hier bedoelde ondersteuning. Dat gebeurt dan ook onder toepassing van artikel 55 Participatiewet. Bij een volgende aanvraag om woonkostentoeslag (verlenging) zal het college ook moeten beoordelen of aan deze voorwaarde(n) is voldaan. Is dat niet het geval, dan ligt het niet voor de hand dat wederom met succes een beroep kan worden gedaan op bijzondere omstandigheden.
Artikel 4.4 Woonkostentoeslag bijzondere situaties
In dit artikel worden een aantal uitzonderingen beschreven waarin het wel mogelijk woonkostentoeslag te verstrekken in de situatie dat de woonkosten hoger zijn dan dat passend is bij de inkomenssituatie. Hiermee worden ouderen en inwoners met een handicap ondersteund bij het langer zelfstandig wonen. Het kan namelijk voorkomen dat deze groep, door hun leeftijd of beperking, genoodzaakt is om in een duurdere woning te blijven wonen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als gevolg van jaarlijkse huurverhogingen, waardoor de huur boven de minimale huurgrens voor huurtoeslag uitkomt. Om te voorkomen dat belanghebbenden gedwongen worden te verhuizen naar een minder geschikte woning, verstrekt het college in dergelijke situaties bijzondere bijstand voor de woonkosten. Met deze ondersteuning wordt beoogd dat belanghebbenden in een passende woonomgeving kunnen blijven wonen, wat bijdraagt aan hun zelfstandigheid en welzijn.
Om meer mogelijkheden te creëren in de realisatie huisvesting taakstelling statushouders is lid 2 toegevoegd. Hiermee kunnen aanvankelijk niet passende woningen alsnog worden aangeboden in de genoemde situaties om zo een betere doorstroom van deze doelgroep te realiseren. Ook in de situatie dat er sprake is van een integraal hulpverleningstraject, waarbij huisvesting een wezenlijk onderdeel is, maar er alleen duurdere huisvesting beschikbaar is, kan de woonkostentoeslag worden toegekend. Deze woonkostentoeslag genoemd in dit lid 2 eindigt in alle gevallen uiterlijk 12 maanden nadat de genoemde omstandigheden zijn beëindigd, zodat er voldoende tijd is om een nieuwe passende woonsituatie in te regelen.
Artikel 4.5 Woonkostentoeslag bij tijdelijk verblijf elders
Dit artikel is bedoeld om kwetsbare inwoners tijdelijk financieel te ondersteunen bij het behouden van hun hoofdwoning wanneer zij door bijzondere omstandigheden (zoals opname in een inrichting of detentie) tijdelijk niet in staat zijn om deze kosten zelf te dragen. Het doel is om te voorkomen dat zij tijdens hun afwezigheid hun woning kwijtraken en hierdoor in een onstabiele woonsituatie terechtkomen. De ondersteuning geldt onder specifieke voorwaarden:
bij opname in een inrichting wordt de huur maximaal 12 maanden doorbetaald, mits het aanhouden van de woning noodzakelijk is. Als blijkt dat het verblijf langer duurt, stopt de doorbetaling en kan in plaats daarvan bijzondere bijstand worden verleend voor de opslag van de inboedel.
bij detentie wordt de huur maximaal 6 maanden doorbetaald, op voorwaarde dat de belanghebbende bereid is mee te werken aan een zorg- of re-integratietraject. Als de detentie langer blijkt te duren stopt de doorbetaling direct.
De regeling is beperkt tot de strikt noodzakelijke kosten voor de woning, zijnde huur en vastrecht voor energie- en waterkosten. Hiermee wordt beoogd om, binnen redelijke grenzen, bij te dragen aan stabiliteit en een soepele terugkeer naar een zelfstandige woonsituatie.
Hoofdstuk 5 Duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en stofferingskosten
Artikel 5.1 Duurzame gebruiksgoederen
De afschrijvingstermijn voor de verstrekte duurzame gebruiksgoederen is 10 jaar. Binnen deze tijd kan, met uitzondering van bijzondere individuele omstandigheden, niet voor een tweede maal bijzondere bijstand worden verstrekt voor dezelfde kosten. Bij de aanschaf van tweedehands gebruiksgoederen wordt maatwerk toegepast.
De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand bedraagt in beginsel maximaal 50% van de richtprijzen voor een alleenstaande, zoals die zijn vermeld in de Nibud-prijzengids. Voor een (nareizende) partner bedraagt de bijzondere bijstand € 250,-. Voor een (nareizend) inwonend kind tot 18 jaar bedraagt de bijzondere bijstand € 500,- en voor het (nareizende) inwonende kind van 18 jaar en ouder kan bijzondere bijstand € 500,- worden verstrekt.
Artikel 5.2 Noodzakelijke verhuis- en stofferingskosten
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 5.1 Duurzame gebruiksgoederen
De belanghebbende wordt voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen altijd eerst verwezen naar tweedehandswinkels of weggeef-initiatieven. Slechts in uitzonderlijke situaties als de belanghebbende niet zelf de kosten kan betalen, niet heeft kunnen reserveren of lenen en geen beroep kan doen op het eigen netwerk, de sociale omgeving en/of voorliggende voorzieningen, zoals individuele inkomenstoeslag, kan bijzondere bijstand worden verleend. Uit jurisprudentie volgt dat onder bepaalde omstandigheden een gebrek aan reserveringscapaciteit als gevolg van schulden een bijzondere omstandigheid is die tot verlening van bijzondere bijstand moet leiden, zie ECLI:NL:CRVB:2023:2263.
Bij het vaststellen van de noodzaak gaat het om 2 punten:
Wat is een noodzakelijk gebruiksgoed en wat niet? Noodzakelijk zijn in elk geval die duurzame gebruiksgoederen die het functioneren van een huishouden mogelijk maken. Dit begrip is niet statisch, maar verandert voortdurend door gewijzigde inzichten. De noodzaak wordt vastgesteld aan de hand van de individuele omstandigheden.
Er is in ieder geval sprake van noodzakelijke kosten als er sprake is van:
woonurgentie, zie https://www.voorneaanzee.nl/sociale-huurwoning-urgentieverklaring
In alle andere gevallen moet aanvullend gemotiveerd worden waarom er in het specifieke geval sprake is van bijzondere noodzakelijke kosten en omstandigheden.
Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt als het vervangen van het gebruiksgoed een gevolg is van moedwillige vernieuwing of nalatige verwijtbaarheid, onachtzaamheid of verkeerde handelingen.
Het in lid 4 genoemde percentage van 50% is niet van toepassing bij een volledige inventaris, aangezien de bijzondere bijstand meestal hoger is dan in 36 maanden kan worden afgelost op basis van de geldende bijstandsnorm. In dit geval geldt het gestelde in lid 5. Uitgangspunt blijft dat een lening in 36 maanden kan worden afgelost. In uitzonderlijke omstandigheden kan gemotiveerd een hogere leenbijstand worden toegekend. De regels voor kwijtschelding zijn onverkort van toepassing, zie de gelende beleidsregels over terugvordering en verhaal.
Voor de inrichting van zijn eigen kamer kan aan een inwonend kind van 18 jaar of ouder een bedrag tot € 500,- aan bijzondere bijstand worden verstrekt. Een (nareizend) inwonend kind van 18 jaar en ouder dient zelf hiervoor een aanvraag in te dienen. In geval van gezinshereniging kan de situatie ontstaan dat er een hogere afloscapaciteit ontstaat binnen de genoemde 36 maanden.
Als het noodzakelijk verstrekken van een volledige inventaris voortvloeit uit een verhuizing naar een eigen kamer waarbij sprake is van kamerbewoning door verschillende personen die geen gezamenlijke huishouding voeren, wordt volstaan met de inrichtingskosten voor de eigen kamer en een evenredig deel van de inrichtingskosten voor de gemeenschappelijke ruimten.
Voor het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand duurzame gebruiksgoederen wordt de Nibud-prijzengids gebruikt. Voor duurzame gebruiksgoederen die niet op de Nibud-prijzengids vermeld staan, kan alleen op grond van de aanwezigheid van zeer bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand worden verleend, op basis van door de belanghebbende verstrekte pro-forma nota. Ook hier blijft het uitgangspunt dat we in beginsel maximaal 50% van de gemiddelde prijs vergoeden, tenzij dit leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Maatwerk blijft altijd het uitgangspunt als er sprake is bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in bijzondere omstandigheden, mits goed gemotiveerd, om niet kunnen worden verstrekt.
Artikel 5.2 Noodzakelijke verhuis- en stofferingskosten
Bij het beoordelen of iemand in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor verhuizing of inrichting van de nieuwe woning, dienen de volgende 5 vragen te worden beantwoord:
Er is in ieder geval sprake van noodzakelijke kosten als er sprake is van:
woonurgentie, zie https://www.voorneaanzee.nl/sociale-huurwoning-urgentieverklaring
In alle andere gevallen moet aanvullend gemotiveerd worden waarom er in het specifieke geval sprake is van bijzondere noodzakelijke kosten en omstandigheden.
Als de belanghebbende niet heeft kunnen reserveren, dan moet onderzocht worden of er mogelijk sprake is van een voorliggende voorziening (denk aan een lening/sociaal krediet bij een (krediet)bank). Bij deze beoordeling dient altijd de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende te worden betrokken, wat kan leiden tot het verstrekken van de bijzondere bijstand als lening wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen is geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandverlening rechtvaardigt. Schulden, dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand. Dit is vaste rechtspraak: ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd uitgegaan van de meest goedkope en adequate passende oplossing. Voor wat betreft de transportkosten is het uitgangspunt verhuizen door het eigen netwerk. Als een eigen netwerk ontbreekt is de meest goedkope en adequate passende oplossing bijvoorbeeld het huren van een bus of aanhanger. De kosten van een erkende verhuizer kunnen wel worden vergoed, als er geen andere opties zijn of als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Alvorens tot vergoeding van de kosten door een verhuisbedrijf wordt overgegaan moet de belanghebbende minimaal twee offertes van verschillende verhuisbedrijven kunnen overleggen. In principe wordt de bijzondere bijstand verhuis- en stofferingskosten altijd om niet verstrekt, tenzij er sprake is van tekortschietend besef in de verantwoordelijkheid van het bestaan. In dat geval kan een leenbijstand worden overwogen.
Uitgangspunt blijft dan dat een lening in 36 maanden kan worden afgelost. In uitzonderlijke omstandigheden kan gemotiveerd een hogere leenbijstand worden toegekend. De regels voor kwijtschelding zijn onverkort van toepassing, zie beleidsregels terugvordering en verhaal. Voor stofferingskosten die niet op de NIBUD-lijst vermeld staan, kan alleen op grond van de aanwezigheid van zeer bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand worden verleend, op basis van door de belanghebbende verstrekte pro-forma nota. Ook hier blijft het uitgangspunt dat we in beginsel maximaal 50% van de gemiddelde prijs vergoeden, tenzij dit leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Maatwerk blijft altijd het uitgangspunt als er sprake is bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in bijzondere omstandigheden, mits goed gemotiveerd, om niet kunnen worden verstrekt.
Artikel 6.1 Reiskosten woon- en schoolverkeer
Reiskosten voor een minderjarige scholier naar de meest geschikte onderwijslocatie binnen Voorne aan Zee komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij er sprake is van tijdelijke bijzondere omstandigheden, waardoor de minderjarige scholier niet zelf zelfstandig naar school kan reizen.
Artikel 6.2 Reiskosten dokter, ziekenhuis, detentie etc.
Wanneer met het openbaar vervoer gereisd wordt, is de bijzondere bijstand gelijk aan de noodzakelijke kosten voor het openbaar vervoer. Wanneer met de (brom)fiets of auto gereisd wordt, is de bijzondere bijstand gelijk aan de onbelaste vergoeding reiskosten, zoals wordt gehanteerd door de belastingdienst.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 6.1 Reiskosten woon- en schoolverkeer
Uitgangspunt is dat de minderjarige scholier binnen Voorne aan Zee zelfstandig naar een onderwijslocatie kan reizen, bijvoorbeeld op de fiets of lopend. Er is daarom geen vergoeding van reiskosten mogelijk. Ligt de onderwijslocatie buiten Voorne aan Zee dan kunnen de reiskosten wel vergoed worden als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid van dit artikel. De op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school wordt op basis van de toepasselijke wetgeving rondom scholing gerespecteerd. Ook als dit betekent dat de leerling niet naar de meest nabijgelegen onderwijslocatie gaat. Als erkende richtingen binnen het zogenaamde bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs. Voorts het joods onderwijs, (orthodox), islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc.
De reiskosten voor woon- en schoolverkeer van de minderjarige scholier komen niet voor vergoeding in aanmerking als het leerlingenvervoer of een vergoeding vanuit de Jeugdwetgeving een voorliggende voorziening is. Dit geldt zowel binnen als buiten Voorne aan Zee.
Bij tijdelijke bijzondere omstandigheden kunnen reiskosten binnen Voorne aan Zee worden vergoed als de minderjarige scholier niet zelfstandig naar de onderwijslocatie kan reizen, bijvoorbeeld als er tijdelijke medische omstandigheden spelen, waardoor zelfstandig reizen niet mogelijk is. De kosten van de begeleider kunnen alleen worden vergoed als de minderjarige scholier niet in staat is om zelfstandig te reizen. Hiervan kan sprake zijn als de scholier op de basisschool zit. Voor de minderjarige scholier die voortgezet onderwijs volgt, geldt dat een bewijsstuk moet worden overlegd waaruit blijkt dat de scholier niet in staat is zelfstandig te reizen.
Vergoeding vindt plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand op basis van onbelaste kilometervergoeding, wordt voor het bepalen van de kortste route de ANWB-routeplanner gebruikt. Mocht er voor de gemaakte reiskosten een bewijsdocument voorhanden zijn, kan de bijzondere bijstand worden verstrekt op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Bij hoge uitzondering kan, mits goed gemotiveerd, kunnen tijdelijk reiskosten worden verstrekt op basis van de daadwerkelijk gemaakte taxikosten. Dit is alleen toegestaan als reizen via openbaar vervoer of eigen vervoer niet tot de mogelijkheden behoort, bijvoorbeeld vanwege medische redenen.
Artikel 6.2 Reiskosten dokter, ziekenhuis, detentie etc.
Reiskosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan en in beginsel uit het inkomen te worden voldaan, tenzij dat er sprake is van bijzondere noodzakelijke omstandigheden en er geen sprake is van een voorliggende voorziening volgens artikel 15 Participatiewet (Zorgverzekering of Wet maatschappelijke ondersteuning). Mocht er sprake zijn van bijzondere omstandigheden, blijft het uitgangspunt dat belanghebbende binnen Voorne aan Zee zelfstandig naar de locatie kan reizen.
Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken als er sprake is van (medische) omstandigheden, waardoor zelfstandig reizen niet mogelijk is. Ligt de locatie buiten Voorne aan Zee, dan kunnen de reiskosten wel vergoed worden als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in dit artikel. Bij bezoek aan gezinsleden gaat het om familieleden in de eerste en tweede graad, partner, stief- en pleegkinderen en stief- en pleegouders. Als het noodzakelijk is dat belanghebbende met een begeleider reist kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen als belanghebbende deze kosten voor de begeleider ook geacht wordt te betalen. Deze situatie kan zich voordoen als belanghebbende door iemand met de auto gebracht wordt of gezamenlijk met het openbaar vervoer wordt gereisd.
Richtlijn voor de frequentie van vergoeding reiskosten bij bezoek aan gezinsleden genoemd in lid 4 onder b:
Richtlijn voor de frequentie van vergoeding bij bezoek aan gezinsleden genoemd in lid 4 onder c:
Vergoeding vindt plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand op basis van onbelaste kilometervergoeding, wordt voor het bepalen van de kortste route de ANWB-routeplanner gebruikt. Mocht er voor de gemaakte reiskosten een bewijsdocument voorhanden zijn kan de bijzondere bijstand worden verstrekt op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Bij hoge uitzondering kan, mits goed gemotiveerd, tijdelijk reiskosten worden verstrekt van de daadwerkelijk gemaakte taxikosten. Dit is alleen toegestaan als reizen via openbaar vervoer of eigen vervoer niet tot de mogelijkheden behoort.
Hoofdstuk 7 Rechtsbijstand en bewindvoeringskosten
Artikel 7.2 Bewindvoeringskosten
Aanvragen voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering kunnen tot maximaal zes maanden na de datum van de beschikking van de rechtbank voor bijzondere bijstand worden ingediend. Een verlengingsaanvraag kan met terugwerkende kracht worden toegekend, mits deze binnen zes maanden na het aflopen van de vorige toekenningsperiode is ingediend.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 7.1 Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand
Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als er een beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan, zoals een rechtsbijstandverzekering. Ook het Juridisch loket wordt gezien als voorliggende voorziening. Op de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand wordt een korting gegeven als belanghebbende eerst gebruik heeft gemaakt van het Juridisch loket. Het mislopen van de korting als belanghebbende zich niet eerst bij het juridisch loket heeft gemeld wordt niet vergoed, met andere woorden dit gedeelte van de kosten komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
Kosten voor procedures die voortvloeien uit de uitoefening van een (voormalig) zelfstandig beroep of beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. Om in aanmerking te kunnen komen voor bijzondere bijstand dient een door de Raad voor de rechtsbijstand afgegeven diagnosedocument te worden overlegd. De vergoeding van proceskosten aan de tegenpartij komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt als de kosten betrekking hebben op een procedure ten behoeve van een niet-rechthebbende partner. Als blijkt dat de belanghebbende door middel van peiljaarverlegging een lagere eigen bijdrage verschuldigd is, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een verzoek tot peiljaarverlegging in te dienen.
Gedurende de behandeling van het verzoek om peiljaarverlegging wordt het verzoek om bijzondere bijstand aangehouden. Voorwaarde voor verstrekking van bijzondere bijstand is dat wanneer de kosten via de gerechtelijke procedure aan belanghebbende worden vergoed, de verstrekte bijzondere bijstand voor dezelfde kosten dient te worden terugbetaald.
Artikel 7.2 Bewindvoeringskosten
Beschermingsbewind wordt ingesteld om personen te ondersteunen die niet in staat zijn hun financiële belangen zelfstandig te behartigen. De noodzaak voor beschermingsbewind kan voortkomen uit verschillende situaties, die in drie categorieën kunnen worden onderverdeeld:
Bij de beoordeling van een aanvraag voor beschermingsbewind wordt altijd gekeken naar de specifieke omstandigheden van de betrokkene. Het beschermingsbewind wordt ingesteld door de kantonrechter, die ook toezicht houdt op de bewindvoerder.
Als er sprake is van deze situaties kan er bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van de bewindvoering. Bij financiële problemen zal dit zijn voor de duur van het schuldentraject. Er kan in dit geval een beschikking voor de duur van de onder bewindstelling worden afgegeven. Jaarlijks wordt dan de hoogte van de bijzondere bijstand bepaald aan de hand van de rekening van de bewindvoerder. De intentie van deze bepaling is dat gedurende het gehele schuldenbewind en indien nodig voorliggende traject bijzondere bijstand kan worden verstrekt, mits er een rechterlijke uitspraak aan deze vorm van bewind ten grondslag ligt. Bij persoonlijke beperkingen zal dit meestal een blijvende situatie zijn en kan de bijzondere bijstand voor 5 jaar worden toegekend, met de optie deze iedere keer met eenzelfde termijn te verlengen. Bij een tijdelijke situatie is de duur van de bijzondere bijstand afhankelijk van de duur van de tijdelijkheid.
Bewindvoerder mag één keer per jaar extra bankkosten voor belanghebbende declareren. Dit bedrag is ongeacht het aantal bankrekeningen dat bewindvoerder voor belanghebbende beheert. Het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM bepaalt hoeveel de bewindvoerder voor de bankkosten in rekening mag brengen.
De noodzaak van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de rechterlijke beschikking. Als er sprake is van een lopend schuldentraject (stabilisatiefase, maar ook het minnelijke dan wel wettelijke traject) wordt aangenomen dat bij een inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm er geen sprake is van het zelf kunnen voldoen van de kosten van het beschermingsbewind en is er in principe altijd recht op bijzondere bijstand. Bij een inkomen gelijk of hoger dan 120% dient nader onderzocht te worden of belanghebbende deze bewindvoeringskosten uit het eigen besteedbaar inkomen (eventueel na vaststellen van het vrij te laten bedrag) kan voldoen. Als dat zo is, is er geen sprake van bijzondere omstandigheden en dient de aanvraag te worden afgewezen (zie ook lid 5).
Mocht dit niet duidelijk zijn of leiden tot een onredelijke uitkomst, dient altijd het belang van belanghebbende te prevaleren.
Griffiekosten komen ook in aanmerking voor bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand bedraagt nooit meer dan in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentors is vastgestelde bedragen.
Uit de uitspraak van de rechter blijkt of belanghebbende een eigen bijdrage verschuldigd is. Is dit het geval dan kan als aan de overige voorwaarden wordt voldaan bijzondere bijstand worden verstrekt. De gemeente is aan de beschikking van de kantonrechter gebonden. De bijzondere noodzaak voor de vergoeding van de eigen bijdrage blijkt uit de beschikking van de kantonrechter. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat de reden is van het beschermingsbewind. Deze informatie is van belang voor de wijze waarop de bijzondere bijstand wordt toegekend. Uit de uitspraak van de rechter blijkt ook dat de bewindvoerder deze kosten in rekening mag brengen bij belanghebbende.
Uitgangspunt bij schuldenbewind is dat belanghebbende altijd beroep kan doen op bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten zowel in de voorbereidende fase als tijdens het lopende schuldhulptraject, ongeachte de looptijd van dit traject. Deze kosten moeten dan wel binnen 6 maanden na datum beschikking van de rechter worden aangevraagd. Uiteraard blijft maatwerk altijd mogelijk.
Toelichting op de beleidsregels
Het uitgangspunt is dat iedereen tijdens zijn leven dient te zorgen voor voldoende vermogen of een verzekering voor de kosten van een uitvaart. Er kunnen zich twee situaties voordoen:
In het geval dat de erfgenamen geen opdracht geven voor de lijkbezorging, is de burgemeester verplicht om op grond van de Wet op de lijkbezorging opdracht te geven tot cremeren of begraven. De kosten van de lijkbezorging komen ten laste van het college (artikel 22 Wet op de lijkbezorging). Het college kan deze kosten weer verhalen op de nalatenschap en de nabestaanden. In van geval van meerdere erven zijn alle erfgenamen naar rato verantwoordelijk voor de uitvaartkosten. De erfgenaam kan voor haar deel van de uitvaartkosten bijzondere bijstand aanvragen in de gemeente waar zij woonachtig is. Het college mag gemotiveerd afwijken van het vastgestelde bedrag als daar gegronde redenen voor zijn. Zo zullen de kosten van begraven altijd hoger zijn dan cremeren. In dat geval kan een hoger bedrag dan in lid 3 is opgenomen aan bijzondere bijstand worden verstrekt, bijvoorbeeld als deze kosten in een regio gemiddeld hoger zijn. Er dient bewijs te worden overlegd waaruit de kosten van de uitvaart blijkt, de eventueel aanwezige uitvaartverzekering en bewijs dat de kosten niet uit de aanwezige nalatenschap van de overledene kunnen worden betaald. Als de bijstandsnorm wijzigt als gevolg van het overlijden van een gezinslid, maar er blijft wel recht op bijstand, dan wordt de bijstand aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen of de gewezen alleenstaande ouder tot en met één maand na de dag van het overlijden betaald naar de norm die van toepassing was op het moment van overlijden. Deze overlijdensuitkering is een voorliggende voorziening net als een begrafenisverzekering (in natura) en of een erfenis.
Hoofdstuk 9 Meerkosten boven algemeen gebruik
Artikel 9.3 Meerkosten verwarming
Bijzondere bijstand voor verwarming kan worden versterkt als de verwarming vanwege een chronische medische aandoening voor de berekening van het algemeen gebruikelijke deel wordt het gemiddelde gebruik van een vergelijkbaar huishouden in een vergelijkbaar woningtype als algemeen gebruikelijk beschouwd.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 9.1 Meerkosten voor algemeen gebruik
Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook kosten van bewassing, slijtage van kleding en voeding. In het beginsel kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor deze kosten. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Dit is het geval wanneer er door lichamelijke gebreken of door extra wassen, bijvoorbeeld door het noodzakelijk gebruik van zalf, sprake is van meer dan normale slijtage. Het vaststellen van de noodzaak is afhankelijk van de omstandigheden en zal per situatie moeten worden beoordeeld aan de hand van bijvoorbeeld waarneming door een consulent, aangeleverde informatie of advies van een deskundige.
Het recht en hoogte van de meerkosten dieet wordt in beginsel vastgesteld op basis van een deskundigenadvies of een advies van (huis)arts.
Artikel 9.3 Meerkosten verwarming
Er dient te zijn vastgesteld dat er een noodzaak is om de verwarming hoog te zetten. De gemiddelde uitgaven van een vergelijkbaar huishouden kunnen op basis van het Nibud-prijzengids worden bepaald. Het gemiddelde gebruik van belanghebbende wordt op basis van het gebruik van drie voorafgaande jaren vastgesteld. Op het moment dat er sprake is van variabele energieprijzen zal er per maand gekeken moeten worden wat de meerkosten zijn.
Hoofdstuk 10 Gehandicaptenparkeerkaart
Artikel 10.1 Gehandicaptenparkeerkaart
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 10.1 Gehandicaptenparkeerkaart
De kosten voor een medische keuring ten behoeve van een gehandicaptenparkeerkaart kunnen als noodzakelijk worden aangemerkt indien de keuring vereist is om de aanvraag te kunnen indienen of te laten beoordelen. De beoordeling of de kosten noodzakelijk zijn vindt plaats op grond van de individuele omstandigheden van de belanghebbende, volgens artikel 35 Participatiewet.
De toekenning van bijzondere bijstand mag niet afhankelijk worden gesteld van de uitkomst van de aanvraag van de gehandicaptenparkeerkaart. Daarmee wordt gewaarborgd dat noodzakelijke kosten ook als zodanig worden erkend, ook indien de aanvraag niet leidt tot verstrekking van de kaart. Dit sluit aan bij het individualiseringsbeginsel en uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.
Hoofdstuk 11 Jongeren in een inrichting
Artikel 11.1 Jongeren in een inrichting
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 11.1 Jongeren in een inrichting
Er kan alleen bijzondere bijstand worden verstrekt als er onderzoek heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 3:395a BW (onderhoudsplicht) en/of er geen recht bestaat op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 Participatiewet.
Het niet kunnen voldoen aan de onderhoudsplicht, zoals neergelegd in artikel 3:395a Burgerlijk Wetboek wordt in ieder geval aangenomen als:
Als er sprake is dat belanghebbende wel zijn ouders kan aanspreken op hun onderhoudsplicht, kan dit een grond zijn om de bijzondere bijstand af te wijzen zijnde een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet). Eén en ander dient wel goed gemotiveerd te worden mede gezien de kwetsbare positie van belanghebbende.
Artikel 12.1 Hardheidsclausule
Het college kan, gelet op alle omstandigheden, afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels ten gunste van de belanghebbende als de toepassing hiervan leidt tot bijzonder onredelijke gevolgen of als zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 12.3 Citeertitel en inwerkingtreding
Deze beleidsregels worden aangehaald als de Beleidsregels Bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2026 en treden na vaststelling door het college inwerking per 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2023.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 12.1 Hardheidsclausule
Individualisering blijft altijd het uitgangspunt. Deze beleidsregels bieden hiervoor samen met de Participatiewet de kaders. Maar als deze toepassing leidt tot zeer onredelijke gevolgen of als dringende redenen hiertoe noodzaken, kan gemotiveerd worden afgeweken ten gunste van belanghebbende.
Artikel 12.2 Nadere bepalingen
Voor de uitvoering van deze beleidsregels kunnen nadere uitvoeringsregels worden opgesteld. Deze uitvoeringsregels mogen nooit in strijd zijn met het in deze beleidsregels gestelde en de Participatiewet. In de gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing van de beleidsregels niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels beslist het college gemotiveerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-557029.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.