Gedragscode voor de gemeenteraad van Dijk en Waard 2025

Zaaknummer: 1154657

 

Raadsvergadering: 9 december 2025

 

De raad van de gemeente Dijk en Waard;

 

  • -

    Gelezen de voordracht van het presidium dd. 15 september 2025

besluit:

 

  • -

    De gedragscode voor de gemeenteraad van Dijk en Waard 2025, inclusief bijlagen, waaronder het protocol integriteitsmeldingen, vast te stellen

Inleiding

Goed bestuur is integer bestuur. Inwoners moeten kunnen vertrouwen op rechtmatig en legitiem handelen van hun overheid, een gelijke behandeling voor iedereen en op transparantie in besluitvorming. Ook moet een overheid zich openlijk willen en kunnen verantwoorden naar de samenleving 1 . Daarmee is integriteit niet alleen een verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdragers, maar een gezamenlijk belang dat het hele bestuur en de hele gemeentelijke organisatie in al haar lagen aangaat.

 

Artikel 15, derde lid, Gemeentewet bepaalt dat de raad voor de raadsleden een gedragscode vaststelt. Dit heeft als doel de integriteit van raadsleden en de raad als geheel te waarborgen.

De code stelt de norm en is een verzameling gedragsregels waaraan de raad zich committeert en geldt als beoordelingskader bij twijfel of discussie over integriteitskwesties.

Het college en de ambtelijke organisatie hebben een eigen gedragscode voor integriteit.

In de gedragscode staan afspraken over gedrag en procedures. De meeste afspraken zijn een verdere uitwerking van wettelijke bepalingen. De artikelen in de gedragscode zijn voorzien van een wettelijk kader en een toelichting. Er zijn zes inhoudelijke hoofdstukken:

(1) Belangenverstrengeling; (2) Corruptie; (3) Faciliteiten; (4) Informatie; (5) Elkaar; (6) Naleven van de code. In de bijlage is het protocol integriteitsmeldingen opgenomen dat een integraal onderdeel is van deze gedragscode. Een samenvatting van de gedragscode en het protocol integriteitsmeldingen zijn beschikbaar als infographic.

 

Integriteit als grondhouding

De raad, zijn (burger)leden en andere fractievertegenwoordigers zijn aanspreekbaar op het naleven van de gedragscode. Bij de gedragscode hoort een protocol integriteitsmeldingen dat wordt gevolgd als iemand een melding maakt van het niet naleven van de gedragscode of een andere integriteitskwestie. Hoewel ‘integriteit’ in deze code is uitgedrukt als een verzameling regels, is het uitgangspunt dat integriteit een grondhouding is, een mentaliteit en bovenal iets waaraan je kunt werken en waarin je kunt groeien. Het gesprek blijven voeren en elkaar aanspreken zijn daarin cruciaal.

 

Rechtskarakter gedragscode

De gedragscode is een invulling van, en aanvulling op wettelijke regels. De code is in gezamenlijk debat vastgesteld door de raad. Hiermee committeert de raad zich aan het naleven ervan. Hoewel het niet naleven van de gedragscode geen rechtsgevolgen heeft, is de gedragscode niet vrijblijvend. Als je de code (onbedoeld) schendt dan kan dat gevolgen hebben voor je politieke en/of maatschappelijke positie en functioneren. Ook kan het nadelige werken op het algemene vertrouwen in de politiek.

 

Bij vragen, opmerkingen en/of onduidelijkheden kun je contact opnemen met de griffier.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Wettelijke grondslag

De gemeenteraad stelt een gedragscode vast voor zijn leden (artikel 15, derde lid, Gemeentewet).

Artikel 1.1  

  • 1.

    De gedragscode geldt voor raadsleden en de raad als bestuursorgaan.

  • 2.

    Daar waar in de gedragscode wordt gesproken over raadslid, wordt - voor zover van toepassing - ook commissielid bedoeld.

Artikel 1.2  

  • 1.

    De gedragscode is openbaar en via internet beschikbaar.

  • 2.

    Raadsleden ontvangen bij hun aantreden een exemplaar van deze code en ondertekenen deze ook.

  • 3.

    De raad en zijn leden zijn aanspreekbaar op deze code.

  • 4.

    Het protocol integriteitsmeldingen maakt integraal onderdeel uit van deze gedragscode.

Hoofdstuk 2 Voorkomen van (schijn van) belangenverstrengeling

Wettelijk kader

 

Afleggen eed of belofte (artikel 14 Gemeentewet)

Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen leggen de raadsleden in de vergadering, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:

“Ik zweer (verklaar) dat ik om tot raadslid benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als raadslid naar eer en geweten zal vervullen.”

 

Persoonlijke belangen

Een lid van een volksvertegenwoordiging neemt niet deel aan de stemming over;

  • een aangelegenheid het raadslid rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij/zij als vertegenwoordiger is betrokken;

  • de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan het raadslid rekenplichtig is of tot welks bestuur hij/zij hoort;

  • (artikel 28 Gemeentewet).

  • Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden (artikel 2:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht).

 

Incompatibiliteiten en nevenfuncties

  • Verboden overeenkomsten/handelingen: raadsleden mogen in geschillen, waar de gemeente(bestuur) partij is, niet als advocaat, adviseur of gemachtigde werkzaam zijn. Zij mogen bepaalde overeenkomsten, waar de gemeente bij betrokken is, niet rechtstreeks of middellijk aangaan. Van verboden overeenkomsten kan ontheffing worden verleend (artikel 15, eerste en tweede lid, Gemeentewet).

  • Op overtreding staat uiteindelijk de sanctie van schorsing en vervallenverklaring van het lidmaatschap van de volksvertegenwoordiging (artikelen X7, X7a en X8 Kieswet).

  • Onverenigbaarheid van functies: het zijn van volksvertegenwoordiger sluit het hebben van een aantal andere functies uit (artikel 13 en 15 gemeentewet). Dat leidt er uiteindelijk toe dat betrokkene ophoudt lid te zijn van de volksvertegenwoordiging (artikel X1 Kieswet).

  • Openbaarmaking nevenfuncties: volksvertegenwoordigers maken openbaar welke nevenfuncties zij vervullen. De lijst met nevenfuncties ligt ter inzage op het gemeentehuis (artikel 12 Gemeentewet).

Artikel 2.1  

Een raadslid voorkomt actief en uit zichzelf belangenverstrengeling en de schijn daarvan.

Artikel 2.2  

  • 1.

    Een raadslid onthoudt zich van deelname aan, beraadslagingen en stemmingen als er sprake is van een beslissing waarbij (schijn) van belangenverstrengeling dreigt; het gaat dan om kwesties waar het raadslid zelf een direct persoonlijk belang bij heeft, of om kwesties waarbij het gaat om een belang van een individu of organisatie waarbij hij/zij een substantiële betrokkenheid heeft.

  • 2.

    Een raadslid onthoudt zich bij beslissingen waarbij belangenverstrengeling dreigt, niet alleen van beraadslaging en stemming, zoals bedoeld in het eerste lid, maar ook van de beïnvloeding van de beraadslaging en besluitvorming in de eventuele andere fases van het besluitvormingsproces.

Artikel 2.3  

  • 1.

    Een raadslid maakt openbaar welke betaalde en onbetaalde functies hij/zij vervult naast het raadslidmaatschap.

  • 2.

    Een raadslid vervult geen nevenfuncties of onderneemt handelingen die een structureel risico vormen voor een integere invulling van de politieke functie (zie wettelijk kader en bijlage 2).

  • 3.

    Het raadslid levert bij de toelating tot de raad de griffier de informatie aan over de nevenfuncties die openbaar gemaakt moeten worden. Als er tijdens de raadsperiode iets verandert wat betreft zijn/haar nevenfuncties wordt dat zo snel mogelijk kenbaar gemaakt aan de griffier.

  • 4.

    De griffier draagt zorg voor een geactualiseerde openbare lijst met functies van raadsleden. Op deze lijst wordt ook de omschrijving van de werkzaamheden en de organisatie waarvoor de werkzaamheden worden verricht vermeld.

     

Toelichting

Het betreft een uitwerking van het wettelijke verbod om als raadslid in persoonlijk belang te handelen in plaats van in het algemeen belang en de wettelijke verplichting om nevenfuncties openbaar te maken.

Hoofdstuk 3 Voorkomen van (de schijn van) corruptie

Wettelijk kader

 

Afleggen eed of belofte

De eed of belofte die het raadslid op grond van artikel 14 van de Gemeentewet aflegt bij zijn/haar installatie als raadslid, heeft onder meer betrekking op het geven, aannemen of beloven van giften, gunsten en geschenken (zie ook wettelijke kader bij hoofdstuk 2).

Artikel 3.1  

  • 1.

    Een raadslid moet actief en uit zichzelf (de schijn van) corruptie tegengaan.

  • 2.

    Een raadslid mag zijn/haar invloed en zijn/haar stem niet laten kopen of beïnvloeden door geld, goederen of diensten die hem/haar zijn gegeven of hem/haar in het vooruitzicht zijn gesteld.

Artikel 3.2  

  • 1.

    Een raadslid neemt geen geschenken aan die uit hoofde van of vanwege zijn/haar functie worden aangeboden, tenzij:

    • a.

      het weigeren, teruggeven of terugsturen de gever ernstig zou kwetsen of bijzonder in verlegenheid zou brengen en/of;

    • b.

      het weigeren, teruggeven of terugsturen om praktische redenen onwerkbaar is en/of;

    • c.

      het gaat om een incidentele, kleine attentie (zoals een bloemetje of fles wijn).

Artikel 3.3  

  • 1.

    Als geschenken om een van de in artikel 3.2 genoemde redenen niet zijn geweigerd, teruggegeven of teruggestuurd, of om andere redenen toch in het bezit zijn van het raadslid, wordt dit gemeld bij de griffier, tenzij het gaat om het genoemde onder 3.2.1c.

  • 2.

    Geschenken zoals bedoeld in artikel 3.2.1.a en 3.2.1.b kunnen na melding bij de griffier worden teruggestuurd of eigendom worden van de gemeente. De griffier zorgt voor de registratie van giften en eventueel hun gemeentelijke bestemming.

Artikel 3.4  

  • 1.

    Een raadslid accepteert geen faciliteiten of diensten van anderen die uit hoofde van of vanwege zijn/haar functie worden aangeboden, tenzij: het weigeren ervan het raadswerk onmogelijk of onwerkbaar zou maken en er tegelijkertijd geen schijn van corruptie is.

  • 2.

    Een raadslid gebruikt faciliteiten of diensten van anderen die uit hoofde of vanwege de raadsfunctie worden aangeboden, niet voor privédoeleinden.

  • 3.

    Een raadslid accepteert lunches, diners, recepties en andere uitnodigingen die door anderen betaald of georganiseerd worden, alleen als dat behoort tot de uitoefening van het raadswerk, de aanwezigheid beschouwd kan worden als functioneel (protocollaire taken, formele vertegenwoordiging van de gemeente, uitnodiging met beschreven doel omtrent de wenselijkheid van de aanwezigheid) en er tegelijkertijd geen schijn van corruptie is.

  • 4.

    Een raadslid accepteert werkbezoeken waarbij reis- en verblijfkosten door anderen worden betaald alleen bij hoge uitzondering en na bespreking in het seniorenconvent. Een dergelijke uitnodiging moet aantoonbaar van groot belang zijn voor de gemeente en er mag geen schijn van corruptie ontstaan. Achteraf wordt er een verslag aan de raad aangeboden.

 

Toelichting

De regels over het aannemen van geschenken zijn geformuleerd als een ‘Nee, tenzij er goede redenen zijn om hiervan af te wijken. De afwijkingen moeten bekend worden gemaakt bij de griffier, die bepaalt of en welke vervolgstappen nodig zijn.

Het accepteren van faciliteiten of diensten kan de onafhankelijke positie van raadsleden en daarmee de zuiverheid van het besluitvormingsproces aantasten, dan wel de schijn van oneigenlijke beïnvloeding of corruptie wekken. De verplichting actief (de schijn van) corruptie tegen te gaan, betekent dat lunches, diners of recepties op kosten van anderen waar mogelijk moeten worden vermeden, tenzij de redenen van art. 3.4.4 van toepassing zijn.

Er is in Dijk en Waard budget gereserveerd voor raadsleden om deel te nemen aan lunches, diners, recepties en werkbezoeken die voor het raadswerk functioneel zijn.

 

Wat voor lunches en diners geldt, geldt in sterkere mate voor het reizen op kosten van derden (zoals bedrijven of belangenverenigingen). Het bovengenoemde budget kan hiervoor worden aangewend.

Hoofdstuk 4 Omgang met gemeentelijke faciliteiten

Wettelijk kader

 

Gemeentewet

Artikel 95 lid 1 van de Gemeentewet bepaalt dat raadsleden een vergoeding ontvangen voor hun werkzaamheden, zoals een tegemoetkoming in gemaakt kosten voor hun raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 97) of van gemaakte reiskosten (Gemeentewet artikel 98).

In artikel 95 lid 3 wordt verder bepaald dat de raad regels en afspraken nader uitwerkt in een verordening; zie de vigerende Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Dijk en Waard voor de regels rondom vergoedingen en declaraties.

Artikel 4.1  

  • 1.

    Een raadslid gebruikt ter beschikking gestelde gemeentelijke faciliteiten en financiële middelen alleen voor raadswerk en niet voor andere doeleinden.

  • 2.

    Een raadslid houdt zich aan het beleid dat is vastgesteld voor het gebruik van interne voorzieningen van algemene aard, zoals fractie-vergaderruimte, printerapparatuur.

  • 3.

    Een raadslid houdt zich aan de regelgeving en het beleid dat is vastgesteld met betrekking tot onkostenvergoedingen en declaraties.

 

Toelichting

De gemeentelijke organisatie stelt faciliteiten, zoals fractieruimten, printmogelijkheden en computerapparatuur ter beschikking. Er zijn financiële middelen beschikbaar. Deze zijn bedoeld om het werk als raadslid te kunnen uitoefenen. Het aanwenden van deze faciliteiten en middelen anders dan voor het raadswerk is niet toegestaan en wordt gezien als fraude.

Hoofdstuk 5 Omgang met informatie

Wettelijk kader

 

Informatieplicht

Het college van burgemeester en wethouders is verplicht alle inlichtingen te geven die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het betreft zowel een actieve als een passieve informatieplicht. Ook als individuele raadsleden informatie vragen moet die informatie aan de raad worden verstrekt. De informatie kan alleen worden geweigerd als het verstrekken in strijd is met het openbaar belang (artikel 169 Gemeentewet). Deze bepaling is verder uitgewerkt en toegelicht in artikel 25 van het Reglement van Orde van de gemeenteraad van Dijk en Waard.

 

Geheimhouding

  • Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan het vertrouwelijke karakter bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn/haar taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit (artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht).

  • Als de raad met gesloten deuren vergadert, geldt een verplichting tot geheimhouding ten aanzien van de informatie die in die vergadering wordt gedeeld totdat de raad deze opheft (artikel 23, vierde lid, Gemeentewet).

  • De raad, het college, de burgemeester en een commissie kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, geheimhouding opleggen (artikel 87 Gemeentewet). Het college en de burgemeester kunnen informatie, waarover geheimhouding is opgelegd, verstrekken aan de raad (artikel 88, tweede en derde lid, Gemeentewet).

  • De geheimhouding duurt voort totdat deze wordt opgeheven door het orgaan dat de geheimhouding oplegde of, indien de geheime informatie aan de raad is verstrekt, totdat de raad de geheimhouding opheft (artikel 89, derde en vierde lid, Gemeentewet).

  • Een verplichting tot geheimhouding wordt in acht genomen door allen die van de informatie kennis dragen (artikel 89, tweede lid, Gemeentewet). Een raadslid, of een lid van een door de raad ingestelde commissie, dat hiermee in strijd handelt kan bij besluit van de raad voor ten hoogste drie maanden worden uitgesloten van het ontvangen van informatie waarvan een verplichting tot geheimhouding geldt (artikel 89, vijfde lid, Gemeentewet).

  • Het schenden van de geheimhoudingsplicht is een misdrijf (artikel 272 Wetboek van Strafrecht).

Wet open overheid (Woo)

De Wet open overheid regelt dat overheidsinformatie openbaar is tenzij er een goede reden (privacy of veiligheid) om informatie niet openbaar te maken. Inwoners hebben recht op een transparante overheid en inzicht in besluitvorming, onderliggende redeneringen en de positie die raadsleden en/of de gemeentelijke organisatie hierin innemen.

Artikel 5.1  

  • 1.

    Een raadslid is maximaal transparant over beleid, beslissingen en beweegredenen. Hij/zij handelt in overeenstemming met de Gemeentewet en met de Wet open overheid.

  • 2.

    Een raadslid dat de beschikking krijgt over gegevens waarvan het geheime of vertrouwelijke karakter bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behalve als de wet het raadslid tot mededeling verplicht.

  • 3.

    Een raadslid gebruikt de door het raadswerk verkregen informatie niet in eigen belang.

  • 4.

    Een raadslid gaat bedachtzaam om met mondelinge en schriftelijke informatie die hij/zij ontvangt. Bij twijfel maakt hij/zij die niet openbaar c.q. geeft die niet door aan anderen zonder zich over de bedoeling van de afzender te vergewissen.

 

Toelichting

Het verkrijgen van informatie is fundamenteel voor het uitoefenen van de functie van raadslid. Tegelijkertijd rust er een grote verantwoordelijkheid op het raadslid in de omgang met deze informatie. Bijvoorbeeld als het om persoonsgegevens gaat of om informatie die onder geheimhouding is verstrekt. Het is belangrijk de juiste maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden vertrouwelijke en/of geheime gegevens kunnen bezitten, raadplegen of beschadigen. In het digitale informatie tijdsperk moeten computers, tablets, smartphones e.d. met wachtwoorden worden beveiligd, deze wachtwoorden moeten regelmatig worden gewijzigd en mogen niet herhaald worden voor verschillende apparaten. Ook moet men terughoudend zijn in het verbinden met openbare wifi-netwerken.

 

Aan de andere kant ligt er ook een verantwoordelijkheid bij raadsleden (en de gemeentelijke organisatie) om (politieke) besluitvorming en de overwegingen daarachter inzichtelijk en openbaar te houden voor inwoners, zodat inwoners goed op de hoogte kunnen zijn welke beslissingen er door hun overheid worden genomen en waarom.

Hoofdstuk 6 Omgang met elkaar

Artikel 6.1  

  • 1.

    Raadsleden gaan respectvol met elkaar, bestuurders en ambtenaren om.

  • 2.

    Raadsleden bejegenen elkaar correct in woord, gebaar en geschrift.

  • 3.

    Raadsleden bejegenen bestuurders correct in woord, gebaar en geschrift.

  • 4.

    Raadsleden bejegenen de griffie en andere ambtenaren correct in woord, gebaar en geschrift.

Artikel 6.2  

  • 1.

    Raadsleden houden zich tijdens de raadsvergadering aan het reglement van orde en volgen de aanwijzingen van de voorzitter op.

  • 2.

    Raadsleden onthouden zich in woord, gebaar en geschrift (elektronische berichten inbegrepen) van persoonlijke aanvallen op bestuurders en/of individuele ambtenaren, in raadsvergaderingen en daarbuiten.

 

Toelichting

In het Reglement van Orde van de Raad van Dijk en Waard staan onder meer de afspraken over hoe er tijdens een raadsvergadering met elkaar, het college en ambtenaren wordt omgegaan. Zo wordt er altijd gesproken via de voorzitter en dienen de aanwijzingen van de voorzitter te worden opgevolgd (zie RvO Paragraaf 1 Orde van de vergadering).

Hoofdstuk 7 Naleving van de gedragscode en protocol integriteitsmeldingen

Artikel 7.1  

De raad bevordert de eenduidige interpretatie van deze gedragscode en ziet toe op de naleving ervan. In geval van tekortkomingen en onduidelijkheden voorziet de raad hierin.

Artikel 7.2  

  • 1.

    De griffier is het eerste aanspreekpunt voor raadsleden over integriteit.

  • 2.

    Er is een door de raad vastgesteld protocol hoe om te gaan met (vermoedens van) integriteitsschendingen. Dit protocol (bijlage) is een integraal onderdeel van deze gedragscode.

  • 3.

    Als een raadslid vermoedt dat een regel van de gedragscode wordt overtreden door een ander raadslid, een wethouder of de burgemeester, dan rust op hem/haar de verplichting hieraan gevolg te geven in overeenstemming met het ‘protocol integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers’.

Artikel 7.3  

  • 1.

    De raad legt jaarlijks een verklaring af over het functioneren van de gedragscode in de praktijk. De griffier ondersteunt hierbij.

  • 2.

    Jaarlijks is er een voorlichting door de burgemeester en de politie over de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit.

  • 3.

    Jaarlijks vindt er een bijeenkomst voor raads-, en commissieleden plaats over ondermijning en de risico’s en kwetsbaarheden.

Artikel 7.4  

Als is komen vast te staan dat er sprake is van overtreding van een regel van de gedragscode, kan dit leiden tot een sanctie.

 

Toelichting

De gedragscode bevat in aanvulling op wettelijke regels afspraken over transparant handelen van raadsleden en omgang met faciliteiten en elkaar. Het niet naleven van de gedragscode heeft geen rechtsgevolgen, tenzij het gaat om een schending die tegelijkertijd een strafbaar feit is. De afspraken in de code worden vastgesteld door de raad. Hiermee is er sprake van zelfbinding. De gedragscode is niet vrijblijvend. Raadsleden verplichten zich om erop toe te zien dat de gedragscode wordt nageleefd en moeten zich kunnen verantwoorden over de naleving ervan. Het bespreekbaar maken en houden van lastige integriteitskwesties is hier onderdeel van. Bij het niet naleven van de gedragscode kan het protocol integriteitsmeldingen worden ingezet en de casus kan onderwerp worden van politiek debat. Dit kan politieke gevolgen en/of reputatieschade hebben. Ook kan er door de raad een sanctie worden ingesteld.

In het kader van het programma ‘weerbaar bestuur, integriteit en agressie’ worden er jaarlijks bijeenkomsten georganiseerd, om de weerbaarheid en integriteit te vergroten en kwetsbaarheden in kaart te brengen en te reduceren.

 

Er zijn verschillende maatregelen mogelijk: aanspreken, publiek excuus, afkeuring door partijen, motie van treurnis, motie van wantrouwen uit de fractie verwijderen door de eigen partij en royement van het lidmaatschap van de eigen partij.

 

Ook zijn er een aantal formele sancties mogelijk op grond van de kies-, gemeentewet en het wetboek van Strafrecht.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 9 december 2025.

De griffier,

M. (Menno) Horjus

De voorzitter,

M.F. (Maarten) Poorter

Protocol Integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers Gemeente Dijk en Waard 2025 (Bijlage bij de gedragscode gemeenteraad 2025)

 

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

 

Artikel 1.1 Algemene bepalingen

  • 1.

    Dit protocol geldt voor politieke ambtsdragers van de gemeente Dijk en Waard.

  • 2.

    In gevallen waarin dit protocol niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is, wordt de handelwijze bepaald door het presidium.

  • 3.

    Uitgangspunt bij het gebruik van dit protocol zijn de door de raad vastgestelde ‘Gedragscode gemeenteraad Dijk en Waard’, ‘Gedragscode voor de wethouders van Dijk en Waard’ en ‘Gedragscode voor de burgemeester van Dijk en Waard’, alsmede de gedragingen genoemd in artikel 1.2 derde lid van deze regeling.

  • 4.

    Het protocol is openbaar en voor iedereen te raadplegen via de gemeentelijke website.

  • 5.

    Politiek ambtsdragers ontvangen (bij hun aantreden) een exemplaar van het protocol.

Artikel 1.2 Definities

  • 1.

    Politieke ambtsdragers: burgemeester, wethouders, raadsleden en commissieleden.

  • 2.

    Melder: eenieder die een vermoeden van integriteitsschending heeft gemeld op grond van deze regeling.

  • 3.

    Integriteitsschending: een gedraging van een politiek ambtsdrager die in strijd is met het handelen als ‘goed volksvertegenwoordiger’ of ‘goed bestuurder’. Het kan gaan om strafbare feiten, overtredingen van een bepaling van de gedragscode, maar ook om handelingen die in strijd zijn met overig geschreven of ongeschreven regels.

  • 4.

    Externe onderzoeker: de onderzoeker of het onderzoeksbureau die in opdracht van de burgemeester onderzoek doet naar (de ontvankelijkheid van) een integriteitsmelding of –schending.

Hoofdstuk 2 Procesbepalingen

 

Artikel 2.1 Aangifte

  • 1.

    Als er op enig moment een vermoeden is van een strafbaar feit doet de burgemeester, naar bevind van zaken na overleg met het presidium en/of het college, aangifte bij de politie.

  • 2.

    Vanaf dat moment wordt alle beschikbare informatie voorgelegd aan de politie, eventueel na overleg met de officier van justitie.

  • 3.

    Het bestaan van een strafrechtelijk onderzoek naar een strafbaar feit laat onverlet dat de burgemeester een feitenonderzoek, zoals bedoeld in artikel 3.3, kan instellen of een juridische procedure tegen de betrokken politieke ambtsdrager kan instellen.

Artikel 2.2 Communicatie

  • 1.

    De burgemeester draagt zorg voor de interne en externe communicatie in de verschillende stappen van het proces.

  • 2.

    Voor de interne en externe communicatie worden de verschillende belangen, in het bijzonder het belang van het onderzoek, het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de melder en van de betrokken politieke ambtsdrager en het belang van transparantie nauwkeurig afgewogen.

Artikel 2.3 Vermoeden van een opzettelijk valse beschuldiging

  • 1.

    Als er op enig moment een vermoeden is van een opzettelijk valse beschuldiging doet de burgemeester, indien naar zijn oordeel sprake is van een strafbaar feit, aangifte bij de politie.

  • 2.

    De gemeente kan bij een opzettelijk valse beschuldiging de betreffende melder aansprakelijk stellen voor eventuele door de gemeente geleden schade (o.a. gemaakte onderzoekskosten).

Hoofdstuk 3 Processtappen integriteitsmeldingen

 

Artikel 3.1 Integriteitsmelding

  • 1.

    Een melding van een vermeende integriteitsschending door een politieke ambtsdrager kan door eenieder worden gedaan. De melding dient schriftelijk of digitaal ingediend te worden.

  • 2.

    Een melder kan desgewenst anoniem een melding doen.

  • 3.

    Een melding van een vermoeden van integriteitsschending van een politiek ambtsdrager (niet zijnde de burgemeester), wordt gedaan bij de burgemeester.

  • 4.

    Meldingen over de burgemeester worden gedaan bij de plaatsvervangend voorzitter van de raad. In dat geval dient in de volgende bepalingen voor “burgemeester” gelezen te worden “de plaatsvervangend voorzitter van de raad”.

  • 5.

    Nadat de burgemeester de melding heeft ontvangen over het vermoeden van een integriteitsschending begaan door een politieke ambtsdrager, bevestigt hij de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder.

  • 6.

    De burgemeester wordt in het hele proces van melden tot en met afronding bijgestaan door de griffier voor meldingen over raadsleden en commissieleden en door de gemeentesecretaris voor meldingen over collegeleden.

  • 7.

    Nadat de ontvangst van de melding is bevestigd, laat de burgemeester bij een externe onderzoeker de melding toetsen tegen de achtergrond van de vraag of zij zodanig concreet is dat een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 3.3 noodzakelijk is. Een integriteitsmelding wordt in ieder geval getoetst op:

    • De aard van het feit;

    • De ontvankelijkheid van de melding;

    • De ernst van de zaak;

    • De valideerbaarheid van feiten en omstandigheden;

    • De positie of persoon van de bron;

    • De persoon van het lid van de raad, de fractievertegenwoordiger of het lid van het college in kwestie;

    • De geloofwaardigheid/waarschijnlijkheid van signalen;

    • De spoedeisendheid/actualiteit van de melding;

    • Of er sprake is van een vermoeden van feiten die moeten leiden tot het doen van aangifte bij de politie door of namens de burgemeester.

  • 8.

    De burgemeester vraagt bij de externe onderzoeker daarnaast om advies over eventuele geheimhouding rondom de inhoud van de melding.

Artikel 3.2 Afhandeling melding na eerste toets

  • 1.

    Op basis van de toets zoals opgenomen in artikel 3.1 besluit de burgemeester de melding ofwel niet verder te behandelen ofwel nader feitenonderzoek te laten doen.

  • 2.

    Als de burgemeester naar aanleiding van de toets vaststelt dat de melding niet ziet op een integriteitschending, onvoldoende concreet is dan wel een onvoldoende ernstig karakter heeft, besluit hij geen verder onderzoek in te zetten. Van deze beslissing worden de melder en de politieke ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk in kennis gesteld. De politieke ambtsdrager wordt dan alsnog op de hoogte gesteld van de inhoud van de melding.

  • 3.

    Indien de burgemeester naar aanleiding van de toets vaststelt dat de melding voldoende concreet is en een voldoende ernstig karakter heeft, besluit hij een feitenonderzoek, als bedoeld in artikel 3.3, in te stellen.

  • 4.

    Als de melding over de burgemeester gaat, neemt de plaatsvervangend voorzitter van de raad het besluit als bedoeld in lid 2 en 3 van dit artikel, maar niet voordat hij/zij de commissaris van de Koning van de melding in kennis heeft gesteld

Artikel 3.3 Feitenonderzoek

  • 1.

    Tenzij het belang van het onderzoek zich hiertegen verzet, wordt de betrokken politiek ambtsdrager van de beslissing een feitenonderzoek in te stellen met inachtneming van artikel 3.4 in kennis gesteld. Ook worden de melder en het presidium in kennis gesteld.

    De plaatsvervangend voorzitter van de raad stelt ook de commissaris van de Koning van de beslissing in kennis, in het geval de melding over de burgemeester gaat.

  • 2.

    Als informeren van de betrokken politiek ambtsdrager niet in het belang van het onderzoek is, wordt deze alleen geïnformeerd wanneer het onderzoeksbelang hierdoor niet meer wordt geschaad.

  • 3.

    De burgemeester kan een schriftelijke opdracht voor het feitenonderzoek aan een onafhankelijke externe onderzoeker verstrekken. De opdracht wordt voorbereid door de externe deskundige als adviseur van de burgemeester. Als de melding over de burgemeester gaat, verstrekt de plaatsvervangend voorzitter van de raad de opdracht. In de opdracht is in ieder geval opgenomen:

    • de aanleiding van het feitenonderzoek;

    • de onderzoeksopdracht met duidelijk omschreven onderzoeksvragen en -methoden;

    • dat betrokkenen en getuigen worden gehoord en dat hoor en wederhoor wordt toegepast;

    • de verwachte duur van het feitenonderzoek;

    • de overeengekomen kosten van het feitenonderzoek;

    • van welke bevoegdheden de externe partij gebruik mag maken;

    • dat de externe partij werkt met inachtneming van dit protocol.

  • 4.

    De bevindingen uit het feitenonderzoek worden vastgelegd in een onderzoeksrapportage.

Artikel 3.4 Kennisgeving aan de betrokkene

  • 1.

    In de kennisgeving als bedoeld in artikel 3.3 is in ieder geval opgenomen:

    • een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot het instellen van het onderzoek;

    • de melding dat betrokkene, melder en eventuele getuigen kunnen worden gehoord;

    • de melding dat de betrokken politieke ambtsdrager zich kan laten bijstaan door een raadsman of vertrouwenspersoon;

    • de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsschending, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden.

  • 2.

    De betrokken politieke ambtsdrager ontvangt bij de brief zoals genoemd in het vorige lid als bijlage:

    • het protocol ‘Protocol Integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers Gemeente Dijk en Waard’;

    • de geldende gedragscode.

Artikel 3.5 Horen van betrokkenen

  • 1.

    De betrokken politieke ambtsdrager, de melder en eventuele getuigen kunnen worden gehoord.

  • 2.

    De gesprekken worden gehouden door minimaal twee personen.

  • 3.

    Er wordt een gespreksverslag opgemaakt en ondertekend door de onderzoekers en de gehoorde.

  • 4.

    De gehoorde krijgt de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op het verslag.

  • 5.

    Als de gehoorde weigert te tekenen wordt daarvan melding gemaakt in het verslag. Als de gehoorde dat wil, wordt er een schriftelijke weergave van de afwijkende mening van de gehoorde bij het verslag gedaan.

Artikel 3.6 Onderzoeksrapportage

  • 1.

    Van de resultaten van het onderzoek wordt een rapportage opgesteld. De onderzoeksrapportage bevat alle informatie die nodig is om een oordeel te kunnen vormen over de aannemelijkheid en mate van verwijtbaarheid van het vermoeden van de integriteitsschending.

  • 2.

    De politieke ambtsdrager wordt in beginsel altijd geïnformeerd over het vervolgtraject.

  • 3.

    Met inachtneming van de bepalingen uit de Gemeentewet bepaalt de burgemeester om al dan niet geheimhouding op te leggen op de onderzoeksrapportage en andere op de zaak betrekking hebbende stukken. De burgemeester kan hierover advies vragen aan het presidium, of aan het college, in het geval de melding betrekking heeft op een wethouder. Daarna biedt de burgemeester de onderzoeksrapportage al dan niet onder geheimhouding aan de gemeenteraad aan.

  • 4.

    Als het rapport onder geheimhouding is aangeboden aan de raad, wordt het rapport behandeld in een besloten raadsvergadering.

  • 5.

    Als op de onderzoeksrapportage geheimhouding berust, wordt de melder geïnformeerd met een versie van het rapport, welke is ontdaan van informatie die niet openbaar mag worden gemaakt.

  • 6.

    Indien de melding betrekking heeft op de burgemeester handelt de plaatsvervangend voorzitter van de raad als bepaald in lid 3 van dit artikel, en hij stelt hier ook de commissaris van de Koning van in kennis.

Artikel 3.7 Besluitvorming

  • 1.

    Na kennisname van de onderzoeksrapportage besluit de raad over de consequenties van het onderzoeksrapport of dat het rapport aanleiding geeft om nader onderzoek te doen of een ander middel in te zetten.

  • 2.

    Met inachtneming van de bepalingen uit de Gemeentewet wordt door het bevoegde orgaan een besluit genomen over (een voortzetting van) geheimhouding van de onderzoeksrapportage en andere op de zaak betrekking hebbende stukken.

Artikel 3.8 Registratie en evaluatie

  • 1.

    De gemelde vermoedens van integriteitsschendingen, de aard van de daaropvolgende onderzoeken en de afdoeningen worden vastgelegd.

  • 2.

    De burgemeester kan periodiek een rapportage opstellen over de uitvoering van deze regeling.

  • 3.

    De rapportage bevat in ieder geval de informatie over het aantal integriteitsmeldingen in een bepaalde periode, een indicatie van de aard van de integriteitsmeldingen en de uitkomsten van de onderzoeken.

  • 4.

    Het protocol wordt binnen twee jaar na inwerkingtreding geëvalueerd, of zoveel eerder als de gemeenteraad dit wenst.

  • 5.

    Als in de eerste twee jaar na inwerkingtreding geen integriteitsmeldingen zijn behandeld, wordt de evaluatie opgeschort naar een tijdstip waarop in ieder geval twee integriteitsmeldingen zijn behandeld.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

 

Artikel 4.1 Inwerkingtreding

Dit protocol treedt in werking op de eerste dag na die der bekendmaking.

 

Artikel 4.2 Overgangsrecht

Integriteitsmeldingen die zijn ingediend vóór inwerkingtredingsdatum van dit protocol – en nog niet in behandeling zijn genomen door de burgemeester – worden beoordeeld op basis van dit protocol.

 

Artikel 4.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als ‘Protocol Integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers, gemeente Dijk en Waard 2025’

 

Toelichting

 

Inleiding

Goed bestuur is integer bestuur. Daarmee is integriteit niet alleen een verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdragers, maar ook een gezamenlijk belang, een collectieve verantwoordelijkheid, dat het hele bestuur in al zijn geledingen aangaat. Commitment naar de vereisten voor een integer bestuur van alle politieke ambtsdragers is van groot belang, omdat het aanzien van de politiek van het grootste belang is voor onze democratie. Dat betekent ook dat een integriteitsdiscussie nooit over de partijpolitieke band mag worden gespeeld, immers het hoger belang van het aanzien van de politiek wordt daarmee geen dienst bewezen. Een belangrijk instrument en hulpmiddel om een open, transparante en integere bestuurs- en organisatiecultuur te realiseren is een gedragscode.

De Gemeentewet verplicht de gemeenteraad om voor zichzelf en voor hun bestuurders, een gedragscode vast te stellen. Met heldere regels en afspraken waaraan politieke ambtsdragers houvast hebben.

In aanvulling op de gedragscode, zijn in dit protocol de te nemen processtappen bij een integriteitsmelding over politieke ambtsdragers en fractievertegenwoordigers opgenomen. Commissieleden zijn door de raad benoemd om de fractie te ondersteunen en deel te nemen aan voorbereidende vergaderingen van de raad.

 

Rol van de burgemeester

In de Gemeentewet is in artikel 170, tweede lid van de Gemeentewet vastgelegd dat de burgemeester de taak heeft de bestuurlijke integriteit van de gemeente te bevorderen. In het protocol is vastgelegd dat de burgemeester het onderzoeksproces coördineert. Hiermee is voor alle betrokkenen duidelijk waar de regierol voor het onderzoek van een integriteitsmelding is belegd.

 

Rol griffier

De griffier is eerste adviseur van de raad en adviseert en ondersteunt in de werkzaamheden die voortvloeien uit dit protocol.

 

Integriteitsnormen in Gemeentewet

Integriteitsnormen staan in diverse wet- en regelgeving geborgd, zoals de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb),Het Wetboek van Strafrecht (WvSR) en de verschillende gedragscodes voor de gemeenteraad, wethouders en burgemeester. In de Gemeentewet zijn specifiek de volgende bepalingen opgenomen voor politieke ambtsdragers:

  • met het ambt onverenigbare functies (incompatibiliteiten);

  • verboden handelingen zoals aannemen van werk ten behoeve van de gemeente, adviseren aan derden, het verhuren van zaken aan de gemeente etc.;

  • stemmen zonder last;

  • verbod op deelname stemming in zaken die een raadslid of bestuurder persoonlijk aangaan;

  • verplichte gedragscode voor raadsleden, burgemeester en wethouders (artikel 15, 41c en 69);

  • verbod op nevenfuncties die ongewenst zijn met het oog op het wethouderschap of burgemeesterschap;

  • plicht tot openbaarmaking nevenfuncties voor alle politieke ambtsdragers;

  • geen vergoedingen buiten hetgeen in wet of verordening is vastgelegd.

Afleggen eed of belofte

De politieke ambtsdragers leggen voordat zij hun functie kunnen uitoefenen de eed of belofte af. Met het afleggen van de eed of belofte beloven politieke ambtsdragers onder andere dat zij de wet zullen nakomen en de plichten als politieke ambtsdrager naar eer en geweten zullen vervullen. Zij beloven hun taken onbevooroordeeld en objectief te vervullen. Door het afleggen van de eed of belofte wordt het belang van onafhankelijkheid van de politieke ambtsdrager, tijdens de uitoefening van het ambt en het belang van integriteit in het algemeen benadrukt.

 

Wat is een integriteitsschending?

Een integriteitsschending gaat over een gedraging van een politiek ambtsdrager die in strijd is met het handelen als ‘goed bestuurder’ of ‘goed volksvertegenwoordiger’. Het kan gaan om feiten die strafbaar zijn, maar ook om handelingen die in strijd zijn met geschreven of ongeschreven regels, waaronder de gedragscode. Een vermoeden is voldoende om een melding te doen. Het moet echter wel om een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden gaan. Dat wil zeggen op eigen kennis of waarneming en niet op basis van bijvoorbeeld horen zeggen. Niet elke schending is hetzelfde van gewicht. Ook de intentie kan verschillen. Er kan sprake zijn van een opzettelijke schending, maar ook van een schending uit onbekendheid of naïviteit. Elke schending wordt dan ook apart beoordeeld. Een melding verschilt van een klacht. Bij een klacht gaat het om een gedraging van een bestuurder of bestuurders die niet ook een schending is. Bij een klacht wordt dit protocol niet gevolgd. Hiervoor is een klachtenprovedure.

 

Ontvangst meldingen

Van de melder wordt verwacht dat hij zijn integriteitsmelding schriftelijk indient. Hij ontvangt daarop een ontvangstbevestiging waarin de melder ook wordt gevraagd niet de publiciteit te zoeken om de persoonlijke levenssfeer van de betrokken politieke ambtsdrager te beschermen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek.

 

Anonieme meldingen

Anonieme meldingen hebben hun beperkingen. Het feit dat de identiteit van de melder niet bekend is, vormt een complicerende factor bij de beoordeling en behandeling van de melding. Zo is het bijvoorbeeld voor onderzoekers niet mogelijk om nadere vragen te stellen aan de melder wanneer dat noodzakelijk zou zijn. Als een politieke ambtsdrager aarzelt om een vermoeden van een schending bij de burgemeester te melden, kan hij ook terecht bij de griffier (in geval van raads- of commissieleden) of de gemeentesecretaris (in geval van collegeleden) voor advies.

 

Behandeling van de melding

Een integriteitsmelding wordt in ieder geval getoetst op:

De aard van het feit Waar gaat het precies om?

Is het wel een integriteitsschending, is het een strafbaar feit, wat voor soort integriteitsschending is het? Is het signaal concreet? Is het nodig de commissaris van de Koning hierbij te betrekken?

 

De ontvankelijkheid van de melding

Valt de gedraging binnen de sfeer van het bestuursorgaan? Is het bestuursorgaan in staat om hier een oordeel over te geven of een onderzoek naar uit te voeren? Zijn er procedures voor? Bevat de melding feiten die op een integriteitsschending wijzen of gedragingen of uitspraken die geen schending inhouden?

 

De ernst van de zaak

Hoe ernstig is het voorval, gelet op het feit zelf, de omstandigheden, de (functie van de) persoon op wie het signaal betrekking heeft of de maatschappelijke/politieke gevoeligheid. Ook speelt de afweging mee of een onderzoek opweegt tegen de eventuele gevolgen ervan. Is het op een andere manier op te lossen om daarmee de schade zoveel mogelijk te beperken?

 

De valideerbaarheid van feiten en omstandigheden

Zijn de relevante feiten en omstandigheden goed controleerbaar? Zijn er goede onderzoeksmogelijkheden? Zijn er voldoende aanknopingspunten, is de informatie voldoende gedetailleerd?

 

De positie of persoon van de bron

Belangrijk is het afwegen van de bron zelf. Heeft deze voldoende kennis? Hoe betrouwbaar is het signaal? Spelen er politieke belangen mee? Staat dit signaal op zich of zijn er uit meerdere bronnen vergelijkbare signalen gekomen?

 

De persoon van het lid van de raad, de commissie, of collegelid in kwestie

Had de politieke ambtsdrager redelijkerwijs de mogelijkheid om de schending te plegen? Sluit dit aan bij de melding (was de ambtsdrager bijvoorbeeld niet op vakantie op het moment van de schending)?

 

De geloofwaardigheid/waarschijnlijkheid van het signaal

Is er een logisch verband tussen de feiten uit het signaal en andere bekende feiten.

 

De spoedeisendheid/actualiteit van de melding

Hoe spoedeisend is de melding? En hoe actueel? Betreft het een zittende politieke ambtsdrager of een uit het verleden? Zijn er media bij betrokken?

 

Resultaten van de beoordeling van de melding

Naar aanleiding van de beoordeling van de melding zijn verschillende uitkomsten denkbaar:

  • het gaat om een te gering feit om onderzoek te rechtvaardigen (maar eventueel wel serieus genoeg om te reageren);

  • er zijn onvoldoende aanwijzingen of het vermoeden is onvoldoende waarschijnlijk voor onderzoek;

  • er is een ander traject van toepassing (bijvoorbeeld de klachtenprocedure voor ongewenste omgangsvormen of een bezwaarprocedure);

  • er volgt aangifte bij de officier van justitie in verband met een vermoedelijk strafbaar feit;

  • er volgt een feitenonderzoek.

Besluit tot feitenonderzoek

De burgemeester beslist of er voldoende aanleiding is om een onderzoek in te (laten) stellen. Een onderzoek heeft als doel te beoordelen of signalen en/of vermoedens op redelijke grond zijn gebaseerd. Concreet betekent dit dat de opdrachtgever een onderzoek instelt naar de handelswijze van betrokkene(n), om alle relevante feiten die met het vermoeden samenhangen in kaart te brengen.

 

Kennisgeving aan betrokkene

De burgemeester stelt de betrokken politieke ambtsdrager schriftelijk op de hoogte van het voorgenomen feitenonderzoek. Het kan zijn dat het onderzoeksbelang zich hiertegen verzet, bijvoorbeeld als de betrokkene naar aanleiding van de kennisgeving mogelijk bewijsmateriaal kan of zal vernietigen. In dat geval kan de kennisgeving achterwege blijven.

 

Onderzoeksrapportage

Het onderzoeksrapport behoort binnen de reikwijdte van het onderzoek alle informatie te bevatten die de volksvertegenwoordiging uiteindelijk nodig heeft om zich een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van een integriteitsschending. Dit betreft ook informatie die ontlastend is voor de betrokken politieke ambtsdrager. Denk daarbij aan informatie die ook nadelig kan zijn voor anderen in het bestuur of in de organisatie, bijvoorbeeld informatie over de bestuurscultuur of het handelen van de burgemeester. De volksvertegenwoordiging moet hiervan kennis kunnen nemen. Het kunnen immers relevante feiten en omstandigheden zijn voor de uiteindelijke beslissing over het rapport. Ook de betrokken ambtsdrager moet zich op basis van het onderzoeksrapport een oordeel over het onderzoek kunnen vormen.

 

Besluitvorming

De burgemeester heeft een wettelijke rol bij integriteitsbevordering, geduid in de Gemeentewet. Het oordelen over bestuurlijke integriteit is aan het hoogste bestuursorgaan in de gemeente: de raad. Dat betekent dat besluiten over de resultaten van onderzoeken naar de bestuurlijke integriteit worden genomen door de gemeenteraad. Een zorgvuldige rapportage moet dan ook altijd zodanig worden opgesteld zijn dat de raad zich een helder beeld kan vormen van wat er is gebeurd. Er is op verschillende manieren onderscheid aan te brengen in de behandeling van bestuurlijke integriteitsincidenten. Allereerst is het onderscheid tussen de strafrechtelijke en de politiek-bestuurlijke behandeling. Daarnaast is het onderscheid tussen de gekozen en de benoemde bestuurders relevant. Een zorgvuldige behandeling betekent te allen tijde rekening houden met de menselijke maat. Het is aan de burgemeester om, met ondersteuning van de griffier, hiervoor zorg te dragen.

Naar boven