Beleidskader toezicht en handhaving kinderopvang Gemeente Helmond

Toezicht

Heeft u vragen over het toezicht of wilt u een melding doen?

Neem dan contact op met de Toezichthouder Kinderopvang. U kunt bellen tussen 09.00 en 17.00 uur: 088-0031377. Of stuur een e-mail naar: kinderopvang@ggdbzo.nl

 

Handhaving

Heeft u vragen over handhaving?

Neem dan contact op met Team Kinderopvang. De gemeente is bereikbaar tussen 09.00 en 17.00 uur: 14-0492. Of stuur een e-mail naar: kinderopvang@helmond.nl of gastouderopvang@helmond.nl

 

HOOFDSTUK 1 - Kwaliteit kinderopvang

Kinderopvang heeft een belangrijke plaats in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij. In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen (denk aan sociale emotionele-, cognitieve- en taalontwikkeling). Het gaat daarbij om een brede ontwikkeling met aandacht voor sociale activiteiten zoals samen spelen, samenwerken en leren van en met elkaar.

 

Zo draagt kinderopvang bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving. Dit volgt ook uit één van de doelen die de wetgever heeft gesteld bij het opstellen van de Wet kinderopvang:

 

“Het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen. De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct vanaf de start van een opvanglocatie verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) staan alle organisaties die toestemming hebben gekregen om kinderopvang aan te bieden. In het register staan de contactgegevens van de organisaties, de onderzoeksrapporten van de toezichthouder en de handhavingsmaatregelen die het college heeft genomen. Het andere doel is arbeidsparticipatie. Hierop wordt in dit handhavingsbeleid niet apart ingegaan.”

 

Dit beleidskader is in lijn met de afspraken tussen de gemeenten in regio Zuidoost Brabant, GGD Brabant-Zuidoost en de VNG. Gemeente Helmond heeft daarnaast toevoegingen gedaan waarin haar eigen beleid en doelstellingen zijn verwerkt.

 

Goede kinderopvang:

 

Waar kinderen zich veilig voelen en hun ontwikkeling wordt bevorderd.

 

1.1 Jaarlijkse rapportage kwaliteit kinderopvang

Het college brengt jaarlijks een rapportage toezicht en handhaving kinderopvang uit. Belangrijke onderdelen in dit verslag zijn het aantal keren dat het college handhavingsinstrumenten, zoals een aanwijzing, boete, last onder dwangsom en exploitatieverbod inzet. Het college houdt zo zicht op de staat van de kwaliteit van de kinderopvang. Het college kan de jaarlijkse rapportage ook gebruiken om de doeltreffendheid van de werkwijze te monitoren en waar nodig aan te passen. Daarbij kijkt het college ook naar de aard van de overtredingen waarop handhaving is ingezet. De resultaten van inspectieonderzoeken kunnen, naast aanscherpingen in de eigen werkwijze en het vaststellen van speerpunten, ook leiden tot aanbevelingen richting de wetgever, de sector of tot de inzet van extra toezicht- en handhavingscapaciteit.

 

1.2 Visie en ambitie

De eerste jaren van een kind hebben grote invloed op de latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk. Voorzieningen voor jonge kinderen leveren daaraan een belangrijke bijdrage, naast het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Goede kwaliteit is daarbij een essentiële factor.

 

Daarom wil het college in Helmond dat kinderen toegang hebben tot kwalitatief goede kinderopvang waarin zij zich optimaal kunnen ontwikkelen. Het college ziet het ook als haar rol en taak houders te stimuleren de kwaliteit van de geboden opvang daar waar mogelijk te verbeteren en de veiligheid van kinderopvang te waarborgen. Het college vertrouwt erop dat houders zich uit eigen beweging houden aan alle kwaliteitseisen zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. Gemeente Helmond spreekt kinderopvanghouders aan op hun eigen verantwoordelijkheid.

 

Kwalitatief goede kinderopvang:

 

  • voldoet structureel aan de gestelde kwaliteitseisen;

  • vindt plaats in een veilige en gezonde omgeving;

  • wordt geboden door vaste en vertrouwde personen in vaste groepen;

  • draagt bij aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen;

  • geeft belangrijke normen en waarden mee aan kinderen;

  • betreft niet alleen de opvang van de kinderen, maar ook de administratieve processen.

 

HOOFDSTUK 2 - Wettelijk kader en gemeentelijke invulling

2.1 Wettelijk kader

Om de kwaliteit in de kinderopvang te waarborgen heeft de Rijksoverheid kwaliteitseisen vastgesteld waar kinderopvangorganisaties zich aan moeten houden. Bijvoorbeeld eisen aan het pedagogisch klimaat (ook in de voorschoolse educatie), personeel en groepen, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting en de omgang met ouders. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan de administratie van een kinderopvangvoorziening.

 

Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet kinderopvang. Daarnaast zijn deze kwaliteitseisen verder uitgewerkt in nadere regelgeving zoals:

 

  • -

    Besluit kwaliteit kinderopvang;

  • -

    Regeling Wet kinderopvang;

  • -

    Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang;

  • -

    Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorziening voor gastouderopvang;

  • -

    Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie; en

  • -

    Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.

Direct vanaf de start van een opvanglocatie moet aan deze kwaliteitseisen worden voldaan.

 

Ook stelt de wet eisen aan de manier waarop de toestemming tot exploitatie, registratie van voorzieningen, wijzigingen in deze registratie, het toezicht en de handhaving plaatsvindt. Het college is verantwoordelijk voor het geven of intrekken van toestemming, de registratie, het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit en kan binnen de wettelijke kaders haar taken invullen. De GGD is de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. De toezichthouder doet onderzoek naar de kwaliteit en beoordeelt of kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang, houders, gastouders en ouderparticipatiecrèches aan de eisen voldoen.

 

Daarnaast is de procedure bij aanvragen en wijzigingen van locaties vastgelegd en is het college in beginsel verplicht te handhaven wanneer de toezichthouder een overtreding op deze kwaliteitseisen heeft vastgesteld.

 

In dit richtinggevende beleidskader leest u hoe het college haar bevoegdheid gebruikt, waarbij er ruimte is voor maatwerk.

 

In dit beleidskader het over kinderopvang bij:

 

  • -

    kinderdagverblijven met of zonder voorschoolse educatie;

  • -

    buitenschoolse opvang;

  • -

    gastouderopvang via gastouderbureaus;

  • -

    Ouderparticipatiecrèches.

2.2 Begrippen

De belangrijkste begrippen en wat daaronder wordt verstaan zijn opgenomen in de Wet- en regelgeving. In onderstaande tabel staan de belangrijkste begrippen.

 

Begrip

Wat het college daaronder verstaat

Afwegingsmodel

In het afwegingsmodel is vastgelegd welke bestuurlijke handhavingsmaatregel(en) het college doorgaans oplegt. Per domein staat de hersteltermijn waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld en de hoogte van financiële sancties.

BSO

Buitenschoolse Opvang

College

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond.

Gemeente

Helmond

GGD

GGD Brabant-Zuidoost

GOB

Gastouderbureau

Houder

De aanbieder van kinderopvang, te onderscheiden in

a. degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert;

b. de gastouder die een voorziening voor gastouderopvang exploiteert.

Inspectieonderzoek

Een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid Wet kinderopvang

KDV

Kinderdagverblijf

LRK

Landelijk Register Kinderopvang

Toezichthouder

De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

VE

Voorschoolse Educatie

VGO

Voorziening voor gastouderopvang

Wko

Wet Kinderopvang

 

HOOFDSTUK 3 - Starten en mutaties

Voordat een kinderopvangvoorziening daadwerkelijk kinderen mag opvangen of een gastouderbureau met haar werkzaamheden mag starten is toestemming nodig van het college. Voor verwerking van wijzigingen in de registratie kan aanvullende toestemming nodig zijn.

 

De gemeente communiceert te allen tijde via de contactpersoon en de contactgegevens van de houder die geregistreerd staan in het LRK. Houders zijn verantwoordelijk voor het doorgeven van de juiste contactgegevens aan de gemeente voor de verwerking ervan in het LRK

 

3.1 De aanvraag voor toestemming tot exploitatie

Een kinderopvangvoorziening mag pas starten met haar werkzaamheden als zij daarvoor toestemming heeft gekregen van het college. Deze toestemming staat in een brief (een besluit). Daarin staat ook de datum waarop de voorziening mag starten. Dit besluit heet: de toestemming tot exploitatie. Het aanvragen hiervan kan met een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier. Deze is te vinden op rijksoverheid.nl en ook op landelijkregisterkinderopvang.nl.

 

De gemeente Helmond brengt leges in rekening voor het in behandeling nemen van een nieuwe aanvraag. De kosten zijn vastgelegd in de Verordening op de heffing en de invordering van leges Helmond. De meest recente versie van deze verordening is gepubliceerd in het Gemeenteblad, op Overheid.nl én vindt u op de website van de gemeente Helmond.

 

Het Landelijk Register Kinderopvang (LRK)

 

Alle kindercentra, gastouders en gastouderbureaus staan geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang. Het LRK is openbaar en te vinden op landelijkregisterkinderopvang.nl.

 

Alleen als een kinderopvangvoorziening is opgenomen in het LRK, hebben ouders recht op kinderopvangtoeslag.

 

3.2 Streng aan de poort

Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen vanaf de eerste dag van een kinderopvangvoorziening in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Het college vindt het daarom van groot belang dat een kinderopvangvoorziening al bij de start voldoet aan de kwaliteitseisen vanuit de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving. Het college geeft dan ook alleen toestemming voor exploitatie als de toezichthouder van oordeel is dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden. Deze werkwijze staat bekend als ‘Streng aan de poort’.

 

Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de gastouders die zij begeleidt, aan de kwaliteitseisen voldoen.

 

Een kinderopvangvoorziening moet vanaf registratie voldoen aan alle kwaliteitseisen en verantwoorde opvang aanbieden.

 

Binnen drie maanden na registratie beoordeelt de toezichthouder of de voorziening in de praktijk ook aan de kwaliteitseisen voldoet.

 

Het college laat alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de toezichthouder. Daarbij beoordeelt de toezichthouder alle kwaliteitsaspecten vooraf, waaronder de kwaliteit van het beleid, de accommodatie en het personeel. De toezichthouder betrekt de organisatie-inrichting, het interne kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering van een houder bij de beoordeling. Het is tenslotte niet alleen van belang dat de houder bij de start aan de kwaliteitseisen voldoet, maar ook dat die structureel blijft voldoen aan de kwaliteitseisen en voldoende kwaliteit kan bieden. Tenslotte neemt de toezichthouder bij haar beoordeling ook de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van dezelfde houder mee.

 

Goede kwaliteit bij andere voorzieningen van de houder kan ertoe leiden dat het college sneller een positief besluit neemt. Handhaving bij een andere voorziening van de houder, kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld en de houder kan aantonen dat preventieve maatregelen ondernomen zijn om overtredingen in de toekomst (zo goed als mogelijk) te voorkomen. Dit sluit aan bij ons beleid m.b.t. ‘risico gestuurde toezicht en handhaving’. Hierover leest u meer in 4.2.

 

Andere vergunningen bij de start:

De houder moet niet alleen voldoen aan de eisen vanuit de Wet kinderopvang bij een nieuwe aanvraag, maar ook andere vergunningen die van belang zijn, op orde hebben. Zoals het voldoen aan alle relevante eisen met betrekking tot bouw- en brandveiligheid. Niet voldoen aan bouwtechnische - en brandveiligheidseisen kan directe gevolgen hebben voor de veiligheid van de kinderopvang. Daarnaast moet de kinderopvang ook passen in het bestemmingsplan.

 

Bij een aanvraag voor een nieuwe kinderopvang en bij verhuizing van een bestaande kinderopvang naar een nieuwe (of tijdelijke) locatie, meldt de houder dit bij het omgevingsloket (conform het Besluit Omgevingsrecht) van gemeente Helmond via e-mail: omgevingsvergunningen@helmond.nl. Na het verkrijgen van schriftelijke toestemming, kan de houder er vanuit gaan dat de locatie voldoet aan, dan wel niet in strijd is met:

 

  • -

    de horecawet/drankenwet;

  • -

    de omgevingswet;

  • -

    het bestemmingsplan

  • -

    de eisen BBL (besluit bouwwerken leefomgeving);

  • -

    de brandveiligheidseisen

  • -

    de verkeersveiligheidseisen

  • -

    de lokale regelgeving m.b.t. leefomgeving milieu, programma Geluid en Licht, etc.

Daarna kan de exploitatietoestemming aangevraagd worden bij kinderopvang@helmond.nl.

 

Een uitzondering hierop vormt de VGO (voorziening voor gastouders). Dit wordt gezien als een kleinschalig beroep aan huis. Dit hoeft niet gemeld te worden bij het omgevingsloket op voorwaarde dat het pand waarin de kinderen opgevangen worden valt onder “woonbestemming”. Wanneer de aanvrager twijfelt over de bestemming, dan dient dit vooraf getoetst te worden bij het omgevingsloket van gemeente Helmond.

 

Voor alle houders van een kinderopvangorganisatie (KDV, BSO, GOB, maar ook VGO) geldt dat er voldaan moet worden aan de regels die vastgelegd zijn in het Bbl (Besluit Bouwwerken Leefomgeving), de opvolger van het Bouwbesluit. Hierin zijn o.a. verplichtingen vastgelegd m.b.t. het aanwezig zijn van voldoende werkende rookmelders. Ondanks dat de aanwezigheid van rookmelders bij VGO’s mogelijk na 2026 niet meer als kwaliteitseis in de Wko opgenomen zal zijn, verplicht de gemeente Helmond alle houders (inclusief VGO’s) te allen tijde te voldoen aan de wettelijke regels vastgelegd in het Bbl in het belang van de veiligheid van de op te vangen kinderen.

 

3.3 Voorschoolse Educatie (VE) starten

Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie. Zij doet dit via subsidie aan kinderopvangorganisaties voor het realiseren van dit aanbod in de gemeente.

 

Diverse kinderdagverblijven in Helmond bieden voorschoolse educatie aan. Welke kinderdag-verblijven dat zijn, staat vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod waarin op een gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling en de kinderen voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Ontwikkelkansenbeleid (OKB).

 

Voor zowel nieuwe als reeds bestaande kinderdagverblijven die willen starten met Voorschoolse Educatie (VE), gelden dezelfde regels en procedures. Er moet aan een aantal kwaliteitsvereisten worden voldaan alvorens er een toestemmingsbeschikking door de gemeente wordt afgegeven. Deze toestemmingsbeschikking stelt u in staat om VE-subsidie aan te vragen bij de gemeente Helmond.

 

Voor de aanvullende wettelijke kwaliteitseisen verwijzen wij naar de volgende websites van de Rijksoverheid:

 

Daarnaast hanteert Gemeente Helmond aanvullende lokale kwaliteitseisen om voor subsidie in aanmerking te komen. Hiervoor verwijzen wij naar de Nadere Regels Subsidie Peuteropvang en Voorschoolse Educatie Helmond:

Ten behoeve van een aanvraag, kan bij de gemeente Helmond het mutatieformulier (vergezeld door het pedagogisch beleidsplan waarin beschreven staat hoe de voorschoolse educatie vorm gaat krijgen) ingediend worden via kinderopvang@helmond.nl. Wanneer de aanvraag compleet is, krijgt de GGD opdracht voor een inspectie. Na het ontvangen van een positief advies van de GGD, stuurt de gemeente u een toestemmingsbeschikking en zal er met u een afspraak ingepland worden waarin u geïnformeerd wordt over de procedures m.b.t. de gemeentelijke VE-subsidie. In dit gesprek hoort u vanaf wanneer u VE-subsidie kunt aanvragen. In beginsel verstrekt de gemeente subsidie voor een geheel kalenderjaar.

 

In de Algemene Subsidieverordening van de gemeente Helmond, als ook in de subsidieregeling Nadere Regels Subsidie Peuteropvang en Voorschoolse Educatie Gemeente Helmond, staan additionele gemeentelijke eisen beschreven waaraan de subsidieaanvragers moeten voldoen:

In het LRK zal vanaf het moment dat er sprake is van gesubsidieerde VE, het “VE-vinkje” aangezet worden. Vanaf dat moment, is het aanbod Voorschoolse Educatie een vast onderdeel van de jaarlijkse kwaliteitsinspecties door de GGD.

 

3.4 Aanvragen voor nieuwe exploitaties tijdig indienen

Een nieuwe aanvraag moet op tijd worden ingediend. Het college heeft wettelijk 10 weken de tijd om een beslissing over de aanvraag te nemen. De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment dat de aanvraag in behandeling kan worden genomen. Dat wil zeggen wanneer de aanvraag correct en compleet bij de gemeente is binnengekomen. De beslistermijn kan worden verlengd 1 . Als er toestemming is gegeven, registreert het college de voorziening direct in het Landelijk Register Kinderopvang.

 

3.5 Niet gemelde kinderopvang

Als een kinderopvangvoorziening toch start zonder hiervoor schriftelijke toestemming te hebben gevraagd of verkregen, is sprake van niet gemelde oftewel illegale kinderopvang. Dit is een ernstige overtreding. In dat geval kan het college niet instaan voor verantwoorde en veilige opvang voor kinderen. Het college treedt hiertegen dan ook streng op. De locatie moet meteen sluiten en de houder kan een bestuurlijke boete krijgen, ook kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie.

 

Het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming van het college is strafbaar gesteld.

 

Dit is een economisch delict

 

(artikel 1 lid 2 Wet op de economische delicten).

 

3.6 Wijzigingen registratiegegevens LRK

Na het verkrijgen van de toestemming kunnen er wijzigingen in de geregistreerde gegevens plaatsvinden. Het is van belang elke wijziging direct door te geven aan het college d.m.v. een wijzigingsformulier. Het college kan dan bepalen of er voorafgaand aan het besluit op de gevraagde wijziging een onderzoek moet plaatsvinden door de toezichthouder. Zo moet bijvoorbeeld duidelijk zijn waar en hoeveel kinderen worden opgevangen, wie verantwoordelijk is voor deze opvang en hoe de opvang bereikbaar is. Het college kan een boete opleggen als een doorgevoerde wijziging niet of te laat is doorgegeven.

 

Het kan bij wijzigingen bijvoorbeeld gaan om:

  • -

    de toekenning van een KvK-vestigingsnummer;

  • -

    het (correspondentie)adres; bezoekadres en telefoonnummer, contactpersoon, e-mailadres of URL van de website;

  • -

    de beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening.

Maar ook de wijzigingen moeten worden gemeld zoals hieronder weergegeven bij de nummers 3.7 t/m 3.11.

 

3.7 Wijziging van houder, rechtsvorm, KvK-nummer

Als een houder een andere kinderopvangvoorziening wil overnemen moet deze nieuwe houder een wijzigingsformulier indienen. Dit geldt ook als een kinderopvangorganisatie een andere rechtsvorm krijgt, ook dit is een houderwijziging (zelfs als de bestuurder hetzelfde blijft). Dit is vastgelegd in het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang, artikel 7 lid 3.

 

Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe exploitatieaanvraag. Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder. Het college heeft het recht om hiervoor leges in rekening te brengen die gelijk staan aan leges voor het in behandeling nemen van een nieuwe exploitatieaanvraag.

 

Bij dit onderzoek zijn het college en de toezichthouder ook ‘Streng aan de poort’. Want ook als een andere houder een kinderopvangvoorziening voortzet, is het van belang dat de voorziening aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Dit betekent dat voor deze wijziging een afhandelingstermijn van 10 weken geldt. Het college houdt zo veel mogelijk rekening met het belang van de continuïteit van de opvang. Het is voor deze continuïteit van opvang van groot belang dat de houder de aanvraag tijdig indient en alle benodigde stukken zijn bijgevoegd.

 

3.8 Wijziging aantal kindplaatsen

Bij de toestemming tot exploitatie is het maximumaantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximumaantal kindplaatsen neemt de toezichthouder ook mee in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen in het domein accommodatie en groepen.

 

Wanneer dit aantal later wijzigt, is het van belang dat de houder dit als wijziging doorgeeft. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig. Het college geeft toestemming voor de wijziging als de houder daarmee aan de kwaliteitseisen blijft voldoen.

 

3.9 Wijziging extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie

Als een gastouder zich wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, dan moet dit nieuwe gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aanvragen via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet tijdig worden gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders.

 

3.10 Verhuizing

Verhuizing van een kinderopvangvoorziening is een nieuwe aanvraag. Het college heeft het recht om hiervoor leges in rekening te brengen die gelijk staan aan leges voor het in behandeling nemen van een nieuwe exploitatieaanvraag.

 

Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven. Hiervoor worden geen leges in rekening gebracht.

 

3.11 Wijziging VGO: tijdelijk geen opvang

Wanneer een gastouder tijdelijk geen kinderen opvangt (bijvoorbeeld vanwege een verbouwing aan de woning; zwangerschapsverlof of medische redenen) dan geeft de gastouder dit tijdig door aan het gastouderbureau. Het gastouderbureau is verplicht te melden bij de gemeente waarin de gastouder actief is wat de (verwachte) periode is dat de gastouder tijdelijk geen kinderen opvangt. Er zal gedurende deze periode geen inspectie plaatsvinden. De gastouder is verplicht door te geven aan het gastouderbureau wanneer de voorziening voor gastouder weer start met kinderen opvangen.

 

Het gastouderbureau is verplicht de datum waarop opvang hervat tijdig te melden bij de gemeente waar de gastouder actief is. Het melden bij de gemeente gaat via het emailadres: gastouderopvang@helmond.nl.

 

Als de gastouder drie maanden of langer geen kinderen heeft opgevangen, zal er binnen 2 maanden na de herstart van de gastouder een inspectie door de toezichthouder plaatsvinden. Van een tijdelijke stopzetting van kinderopvang bij een gastouder wordt geen melding gedaan in het LRK.

 

Wanneer het bemiddelende gastouderbureau niet tijdig doorgegeven heeft aan gemeente Helmond dat het gastouderschap tijdelijk is stopgezet, kan de gemeente het gastouderbureau een boete opleggen met een maximum van € 300,-.

 

Onder een “tijdige melding” verstaat het college een melding die gemaakt wordt minimaal 3 werkdagen voorafgaand aan het stilleggen van de werkzaamheden door de gastouder, dan wel minimaal 3 werkdagen voorafgaand aan het hervatten van de werkzaamheden van de gastouder.

 

3.12 Wijzigingsformulier tijdig indienen

Wijzigingen moeten worden ingediend met een wijzigingsformulier. Dit is te vinden op rijksoverheid.nl en ook op landelijkregisterkinderopvang.nl.

 

De houder moet het wijzigingsverzoek minimaal 8 weken vóór de gewenste wijzigingsdatum indienen2 . Het college beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet plaatsvinden. Het college besluit binnen 8 weken of de wijziging kan plaatsvinden en kan worden geregistreerd. De verwerkingstijd loopt vanaf het moment dat alle benodigde stukken zijn aangeleverd bij de gemeente. Wanneer er door omstandigheden geen besluit genomen kan worden binnen de wettelijke termijn, kan de gemeente verlenging van de beslistermijn aanvragen voor de periode zolang de overmachtssituatie speelt of voor een vooraf overeengekomen periode.

 

Voor sommige wijzigingen (zoals het wijzigen van een telefoonnummer of correspondentieadres) wordt geen besluit afgegeven. Het college informeert de houder zodra de wijziging is opgenomen in het LRK.

 

Een gastouder moet wijzigingen bij het gastouderbureau melden. Het gastouderbureau is ervoor verantwoordelijk dat de gemeente tijdig wordt geïnformeerd. Onder “tijdig” verstaan: vóór de implementatiedatum waarop de wijziging ingaat.

HOOFDSTUK 4 - Toezicht

Jonge kinderen zijn kwetsbaar. Toezicht op de kwaliteitseisen waarborgt dat de kinderopvang voor alle kinderen verantwoord en veilig is. Ook heeft toezicht een belangrijke functie in het scheppen van vertrouwen voor goede en veilige opvang van kinderen. Daarnaast levert toezicht een belangrijke impuls tot kwaliteitsbewaking in de kinderopvang.

 

In het toezicht ligt de nadruk op de dialoog tussen houder en toezichthouder en daarbij concentreert de toezichthouder zich op de kwaliteitsbeoordeling. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke omstandigheden een rol spelen. Deze omstandigheden blijken uit het rapport van de toezichthouder. Dit zijn de zogeheten “verzwarende of verzachtende omstandigheden”, zoals vastgelegd in de VNG “nieuwe denklijn: verzachtende en verzwarende omstandigheden”.

 

Wat u kunt verwachten van een onderzoek van de toezichthouder

 

De toezichthouder is onafhankelijk en beoordeelt of een kinderopvangvoorziening voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen. Vervolgens adviseert de toezichthouder het college op basis van de bevindingen.

 

De toezichthouder vormt een oordeel aan de hand van onder andere:

 

  • observaties;

  • de inrichting en het gebruik van alle ruimtes waar kinderen gebruik van maken;

  • gesprekken met medewerkers;

  • een gesprek met de houder;

  • documentenonderzoek;

  • schriftelijk of persoonlijk contact met de oudercommissie.

Een bezoek van de toezichthouder vindt doorgaans onaangekondigd plaats. Meer informatie leest u in de folder: Toezicht en handhaving kinderopvang van GGD GHOR Nederland*.

* link naar de folder: Toezicht kinderopvang - GGD GHOR Nederland

 

4.1 Dialooggericht werken

Toezichthouden is meer dan ‘controleren op basis van wetten, regels en normen’. Het gaat om de naleving van de kwaliteitseisen door de houder en de kwaliteit van opvang die wordt aangeboden. Ook de wijze waarop een organisatie is ingericht, hoe een houder het personeel inzet en aanstuurt en hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie zijn verdeeld, bepalen het kwaliteitsniveau van de geboden kinderopvang.

 

Om een goed beeld te krijgen van de organisatie gaat de toezichthouder in gesprek met de houder. De toezichthouder gaat daarbij in op de wijze waarop een houder zijn organisatie, met alles wat daarbij hoort, heeft ingericht om te kunnen nagaan of de kwaliteit van de geboden opvang daadwerkelijk is gewaarborgd. Daarbij speelt ook het interne kwaliteitsbeleid van de houder een belangrijke rol.

 

In het belang van een goede dialoog zal de toezichthouder:

 

  • -

    zonder oordeel luisteren en observeren;

  • -

    open vragen stellen en doorvragen en

  • -

    controleren of de toezichthouder zaken goed heeft geïnterpreteerd.

De toezichthouder stimuleert kinderopvangorganisaties om te werken aan de kwaliteit en veiligheid van hun opvang en risico’s te verminderen. Daar waar nodig worden verbeterpunten besproken en zet de toezichthouder houders er toe aan om de kwaliteit van hun opvang te verbeteren. Wanneer er sprake blijkt van een tekortkoming is het van belang om te weten wat de omstandigheden zijn en wat de inbreuk was op de geboden kwaliteit van opvang. Dit weegt de toezichthouder mee in zijn oordeel en advies aan het college.

 

Houders hebben het recht om bij de toezichthouder kenbaar te maken wanneer ze het niet eens zijn met de inhoud van het inspectierapport of klachten hebben over de verloop van de inspectie. Dit kan al tijdens het inspectiebezoek, en/of achteraf bij de hoor- en wederhoor en/of tot slot in de vorm van een zienswijze op het inspectierapport. De zienswijze wordt letterlijk overgenomen in het inspectierapport maar wordt niet meer meegewogen in het handhavingsadvies. De gemeente zal vanuit haar vergewisplicht onderzoek doen en de bevindingen meewegen in haar handhavings-besluit. In het handhavingsbesluit zal gemotiveerd worden hoe de zienswijze meegewogen heeft bij het handhavingsbesluit.

 

4.2 Risico gestuurd

De toezichthouder houdt risico gestuurd toezicht op de geboden kwaliteit van kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen. Dat betekent dat toezichthouders minder intensief kunnen inspecteren op locaties waar geen zorgen over bestaan en intensiever bij locaties waar wél zorgen over zijn. Kortom: “minder waar mogelijk, meer waar nodig”. Deze werkwijze van de toezichthouder past bij de uitgangspunten in dit beleidskader er is meer en steviger toezicht op de locaties waar de kwaliteit niet vanzelfsprekend hoog is. De toezichthouder heeft vertrouwen in een houder als deze in alle informatie kan voorzien die nodig is om een oordeel te vormen over de kinderopvangvoorziening. Een houder die niet transparant is en onbetrouwbaar blijkt, is reden tot zorg. Ook een reactieve houding, niet open staan voor zelfreflectie of het niet nemen van (structurele) verbetermaatregelen is reden tot zorg.

 

De toezichthouder stelt na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast van de voorziening te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren.

 

Overtredingen bij één of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau.

 

Op de website van de GGD GHOR Nederland vindt u meer informatie over het risicomodel voor toezicht kinderopvang.

 

4.3 Onderzoeken

De toezichthouder voert diverse onderzoeken uit, te weten:

 

  • -

    onderzoeken voor registratie (OVR)

  • -

    onderzoeken na registratie (ONR)

  • -

    reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken

  • -

    incidentele onderzoeken (IO)

  • -

    nader onderzoek (NO) (ter inspectie op naleving van handhavingsopdrachten na geconstateerde overtreding(en))

Ook kan de toezichthouder thema-onderzoeken uitvoeren.

 

Vanaf 1 maart 2013 vindt continue screening plaats van medewerkers in de kinderopvang en van huisgenoten van 18 jaar en ouder wonende op het adres waarop een gastouder is geregistreerd. Wanneer een dergelijk persoon in aanraking komt met Justitie en er sprake is van een strafbaar feit, stuurt Dienst Justis van het Ministerie van Veiligheid en Justitie een signaal naar de GGD dat de betrokken medewerker niet meer voldoet aan de eisen voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). De GGD treedt in overleg met de gemeente om passende actie te ondernemen.

 

Minimaal 1 keer per jaar bezoekt de toezichthouder onaangekondigd ieder kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. De gastouderbureaus krijgen jaarlijks een inspectie die in de meeste gevallen vooraf wordt aangekondigd. Het kan echter voorkomen dat er een onaangekondigde inspectie plaatsvindt bij een gastouderbureau.

 

Daarnaast bezoekt de toezichthouder ook jaarlijks ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere gastouderlocatie ten minste eens per 3 jaar bezocht wordt. Dit conform de wettelijke norm.

 

4.4 Verplichting tot toegang verlening

De toezichthouder voert onafhankelijke kwaliteitsinspecties uit bij kinderopvangorganisaties (KDV’s; BSO’s; GOB’s; VGO’s). Ze doet dit in opdracht van de gemeente. Deze inspecties zijn noodzakelijk om te beoordelen of de kwaliteit van de kinderopvang voldoet aan de wettelijke eisen. Kinderopvangorganisaties zijn verplicht om tijdens openingstijden mee te werken aan deze inspecties en om toezichthouders toegang te verlenen tot de locatie, op voorwaarde dat de toezichthouders zich kunnen legitimeren (identificatieplicht) als toezichthouder. Bij twijfel kan de houder contact opnemen met de GGD-Brabant Zuidoost op telefoonnummer: 088-0031 377. Bij niet naleving van de toegangsverplichting door de houder, zal de toezichthouder direct en passend handelen.

 

4.5 Flexibele inspectieactiviteit

Door de flexibele inspectieactiviteit kunnen inspecties meer op maat worden uitgevoerd. De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die betrekking hebben op:

 

  • -

    Verklaringen Omtrent het Gedrag;

  • -

    registratie in het Personenregister kinderopvang;

  • -

    pedagogische kwaliteit;

  • -

    voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is).

Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en de bepaalde speerpunten onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen.

 

4.6 Herstelaanbod

De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert aan de gemeente. Bij overtredingen kan de toezichthouder, onder voorwaarden, de mogelijkheid aanbieden om aan te tonen hoe de houder deze oplost, nog tijdens de onderzoeksperiode. Dit is het herstelaanbod. Uitgangspunt van de toezichthouder daarvoor is altijd dat er sprake is van structureel blijvend herstel.

 

Het herstelaanbod is een mogelijkheid die de toezichthouder kan inzetten voor een snel herstel van een tekortkoming. Een herstelaanbod is een aanbod van de toezichthouder dat de houder kan aanvaarden. Binnen de door de toezichthouder gestelde tijd moeten maatregelen worden genomen om de gewenste kwaliteit te bereiken en een vastgestelde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport is vastgesteld en wordt gedeeld met de gemeente.

 

Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij:

 

  • aard en ernst van de overtreding zich niet leent voor het herstelaanbod;

  • er te veel overtredingen zijn;

  • de geconstateerde overtreding een recidive betreft;

  • de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk acht;

  • herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode.

 

De afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt, ligt bij de toezichthouder. Daarmee is een herstelaanbod geen vooraf vaststaand recht. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven. Dit aanbod leidt tot snellere inzet van het herstel en een betere inschatting van de nalevingsbereidheid.

 

De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is nagekomen en de kwaliteit structureel verbeterd is. Na afloop van de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies aan het college, welke is opgenomen in het inspectierapport.

 

De tekortkoming, ondanks hersteld bij herstelaanbod, staat administratief te boek als overtreding. Dit heeft geen juridische consequenties voor betreffende houder, tenzij een dergelijke overtreding bij een volgende jaarlijkse inspectie wederom wordt geconstateerd: dan is er sprake van recidive. De gemeente Helmond kan bij recidive een zwaardere handhavingsmaatregel inzetten dan op een overtreding die voor de eerste keer begaan is en daarnaast een bestraffende sanctie opleggen zoals een bestuurlijke boete.

 

4.7 Schriftelijk bevel

Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding is, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen.

 

Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, treedt het college op, bijvoorbeeld door het bevel te verlengen. Onder 5.6 wordt hierop dieper ingegaan.

 

Het college stimuleert ouders, beroepskrachten, professionals, omwonenden of andere betrokkenen om meldingen en signalen over de kwaliteit te delen.

 

4.8 Signalen

Het college vindt veilige en verantwoorde kinderopvang van groot belang. Met toezicht hierop door de GGD geeft gemeente Helmond hier invulling aan. Echter, er kunnen signalen en situaties zijn die de toezichthouder bij het toezicht niet direct constateert, maar ouders, beroepskrachten en andere betrokkenen wel. Meldingen als signalen over de kinderopvang kunnen gedeeld worden met de GGD Brabant-Zuidoost op telefoonnummer: 088-0031377 of email: kinderopvang@ggdbzo.nl.

 

Met signaal-gestuurd-toezicht reageert de toezichthouder op signalen uit de samenleving. Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor het toezicht een belangrijke bron van informatie. Ze kunnen een signaal zijn dat ergens sprake is van onveilige of kwalitatief niet goede kinderopvang. Ook informatie van de politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder belangrijk zijn. Na elk signaal wordt bepaald welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht aan de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek.

 

De toezichthouder deelt ook zelf signalen met andere toezichthouders in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Ook kan de toezichthouder signalen delen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio.

 

4.9 Gastouderopvang

Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of in de woning van de vraagouder. Het is kleinschalig en persoonlijk (er mogen maximaal 6 kinderen opgevangen worden. Dit is inclusief eventuele eigen kinderen). De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. Dit betreft bijvoorbeeld de kwalificatie-eis. Ook is er geen vierogenprincipe (eis dat de gastouder altijd gezien of gehoord moet kunnen worden door een andere volwassene) en dus minder zicht op de dagelijkse praktijk. Ook zijn de verantwoordelijkheden anders verdeeld: niet alleen de gastouder is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt. In de gemeente kunnen ook gastouders actief zijn die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten de GGD-regio. Hierdoor heeft de toezichthouder minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. De risico’s die hierdoor ontstaan, probeert de gemeente Helmond zo veel mogelijk te waarborgen door intensief toezicht op de veiligheid en de kwaliteit van de opvang.

 

De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten de gemeente. Zoveel mogelijk inspecties bij gastouders zijn onaangekondigd. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt, dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Signalen die de toezichthouder ontvangt van andere toezichthouders over gastouderbureaus worden altijd onderzocht.

 

Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de gastouderopvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders aantoonbaar meerdere keren per jaar te bezoeken.

 

Naast het minimale aantal uren dat staat opgenomen voor begeleiding en bemiddeling in de Regeling kwaliteit gastouderbureaus*, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang, adviseert de Gemeente Helmond de bemiddelende gastouderbureaus om de gastouders minimaal 4x per jaar op het opvangadres te bezoeken, ter voorkoming van onvoorziene afwijkingen tussen opvangpraktijk en beschreven beleid en risico’s.

 

* wetten.nl - Regeling - Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang - BWBR0031613

 

4.10 Voorschoolse educatie

Zodra een voorziening in het LRK geregistreerd is als VE-aanbieder, maken zowel de wettelijke als de aanvullende lokale gemeentelijke kwaliteitseisen voor de Voorschoolse Educatie onderdeel uit van de jaarlijkse kwaliteitsinspecties uitgevoerd door toezichthouder GGD. Onder 3.3 wordt verwezen naar de kwaliteitseisen.

 

De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve).

HOOFDSTUK 5 - Handhaving

Houders zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun aanbod. Ouders moeten er op kunnen vertrouwen dat het college adequate maatregelen neemt als de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet. Of de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet blijkt doorgaans uit inspectierapporten van de toezichthouder. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan echter ook door het college zelf worden vastgesteld.

 

Het college verwacht van houders in de kinderopvang dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en te voorkomen. Daarnaast verwacht het college van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen, indien van toepassing, op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding niet wordt herhaald op één van de andere locaties. Daar waar dat nodig is grijpt het college in via handhaving.

 

Het college gebruikt daarbij verschillende handhavingsinstrumenten om, waar nodig, kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen en heeft daarbij de volgende uitgangspunten:

 

  • -

    vasthouden van kwalitatief goede kinderopvang;

  • -

    verbeteren van minder goede kinderopvang;

  • -

    snel structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet;

  • -

    (tijdelijke) sluiting van locaties waar de kwaliteit ernstig en/of structureel tekortschiet.

Gezien het algemene belang van handhaving kan het college besluiten om in uitzonderlijke gevallen af te zien van handhaving (het zogeheten “beredeneerd niet handhaven”). Het college weegt bij elke handhaving die zij inzet af welke maatregel het meest geschikt, passend en noodzakelijk is. Daarmee is handhaving maatwerk. Immers, de omstandigheden bij iedere houder, locatie en overtreding zijn verschillend en daarom kan ook de aanpak bij overtredingen verschillen. Het college streeft ernaar voor iedere situatie passende maatregelen te treffen die leiden tot een spoedig herstel van de overtreding(en). De specifieke omstandigheden waarmee rekening gehouden is, zullen worden toegelicht in het handhavingsbesluit.

 

5.1 Preventief handhaven

In het belang van kwalitatief goede kinderopvang en om het naleven van kwaliteitseisen te stimuleren, onderhoudt het college ook buiten het traject van bestuurlijke handhaving contact met kinderopvanghouders in de gemeente.

 

Kinderopvanghouders worden geïnformeerd via de website www.helmond.nl over het beleid en de werkwijze van het college of via de zoekfunctie op https://lokaleregelgeving.overheid.nl.

 

Bij wijzigingen in het gemeentelijk beleid op toezicht en handhaving in de kinderopvang, krijgen de kinderopvangorganisaties en gastouders het nieuwe beleidskader toegestuurd per post en per e-mail. Wijzigingen in landelijke wet- en regelgeving worden niet door de gemeente gecommuniceerd; hierbij doen we een beroep op uw eigen verantwoordelijkheid.

 

Wanneer de gemeente Helmond een aanvraag ontvangt van een houder die nog niet in de gemeente actief is, wordt er namens het college met de aspirant-houder een kennismakingsgesprek gepland waarin o.a. gewezen wordt op dit beleidskader en waarin (indien van toepassing) de procedures en werkwijze m.b.t. Voorschoolse Educatie toegelicht worden. Ook wordt aangegeven wat de verwachtingen en eisen zijn bij het starten van een kinderopvangvoorziening.

 

Bij het herhaaldelijk begaan van overtredingen, kan de gemeente in het handhavingsbesluit opnemen dat de houder verplicht wordt een plan van aanpak te maken (en naar de gemeente te sturen) waarin beschreven wordt welke maatregelen getroffen worden ter voorkoming van overtredingen in de toekomst. Het college beoordeelt of dit voldoende overtuigend is om over te gaan tot nader onderzoek naar herstel van de lopende overtredingen.

 

5.2 Handhavingsafwegingen

Vanuit de eigen taak en verantwoordelijkheid besluit het college welke handhavingsmaatregel passend en geboden is. Aangezien handhaving maatwerk is, wordt dit per overtreding, locatie en houder afgewogen. Het college stelt handhavingsbesluiten zo duidelijk mogelijk op.

 

Ook combineert het college zoveel mogelijk handhavingsbesluiten, zoals meerdere aanwijzingen, in één brief aan de houder met een duidelijke toelichting, zodat minder verwarring ontstaat over wat het college verwacht van de ontvanger.

 

Het college betrekt bij de voorbereiding van elk besluit alle feiten en weegt alle belangen af. Hierbij kunnen ook de handhavingsgeschiedenis bij andere vestigingen van de houder vallen en/of de nalevingsbereidheid van de houder meegewogen worden. De “verzachtende en verzwarende omstandigheden” staan beschreven in de Denklijn verzachtende en verzwarende omstandigheden* van de VNG en GGD GHOR. *denklijn_vvo_doorontwikkeling_met_logos.pdf

 

Bij iedere casus beoordeelt het college of evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de zwaarte van de op te leggen sanctie. Daarbij wordt tevens afgewogen welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.

 

Het college hecht grote waarde aan het oordeel van de toezichthouder en betrekt dit in de besluitvorming. Echter kan ze ook afwijken van het advies van de toezichthouder. Reacties (zienswijze) van de houder op een inspectierapport betrekt het college bij het nemen van een handhavingsbesluit. Hoe dit meegewogen is, wordt toegelicht in het handhavingsbesluit.

 

In beginsel beoordeelt het college iedere overtreding afzonderlijk en wordt handhaving per overtreding ingezet. Wanneer naar het oordeel van de toezichthouder blijkt dat een houder voldoende maatregelen heeft getroffen om een overtreding structureel te herstellen, kan het college besluiten om af te zien van handhaving.

 

Als blijkt uit een inspectieonderzoek dat een voorschrift meerdere keren is overtreden (zogeheten ‘recidive’) dan weegt dit mee in de bepaling van de handhavingsmaatregel die hierop ingezet wordt. Dit uit zich in een kortere hersteltermijn of een (zwaardere) sanctie die proportioneel is aan de ernst van de overtreding. Zie voor verdere uitwerking van handhaving bij “recidive” onder punt 5.4.

 

Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval:

 

  • het inspectierapport, met daarin:

    • -

      gerapporteerde overtreding(en);

    • -

      bevindingen en conclusies van de toezichthouder;

    • -

      indien van toepassing, de beschrijving van de omstandigheden;

    • -

      het advies van de toezichthouder;

    • -

      de reactie van de houder in het inspectierapport;

  • reacties van de houder aan het college;

  • de handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

  • de inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

  • alle betrokken belangen waaronder het zwaarwegende belang van ouders en kinderen.

 

5.3 Herstellend en bestraffend handhaven

Het college heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven. Beide bestaan naast elkaar en kunnen daarom tegelijkertijd worden opgelegd.

 

Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is de kwaliteit van opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt, en kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden en verantwoorde kinderopvang krijgen.

 

Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn. Naast dat het college herstellend handhaaft kan tegelijkertijd voor dezelfde overtreding ook bestraffend worden gehandhaafd.

 

5.4 Recidive

Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan en/of handhaving is ingezet, is recidive. Het kan ook gaan om een overtreding die bij een eerdere inspectie tijdens het herstelaanbod is opgelost.

 

Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder en/of bestraffend handhavingsmiddel in. In principe kijkt de gemeente hierbij tot 4 jaar inspectiegeschiedenis terug. Wanneer het college van mening is dat de kwaliteit van de opvang structureel te kort schiet, kan het college - afhankelijk van de ernst van de overtreding(en) - een (tijdelijk) exploitatieverbod opleggen of in het uiterste geval direct overgaan tot intrekking van de exploitatietoestemming. Bij de twee laatstgenoemde handhavingsmaatregelen weegt het college de handhavingsgeschiedenis mee die verder teruggaat dan 4 jaar.

 

5.5 Organisatieniveau

Het college voert handhaving in beginsel op locatieniveau uit, waarbij het college wel rekening houdt met overtredingen bij andere locaties van de houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen. Bij constateringen op één locatie verwacht het college van de houder dat ze de verbeteringen organisatie-breed doorvoert. Tekortkomingen moeten voor de gehele organisatie worden hersteld en niet slechts op de locatie waar de overtreding vastgesteld is. Dit heeft een positieve weerslag op de kwaliteit en draagt bij aan efficiëntie, omdat dit sneller leidt tot herstel van overtredingen op andere locaties.

 

Ouders en kinderen kunnen er op die manier eerder op vertrouwen dat de houder de vastgestelde overtredingen herstelt, maar ook dat de houder voorkomt op andere locaties dezelfde overtreding te maken.

 

5.6 Handhavingsmiddelen

Het college kiest bij de inzet van handhavingsinstrumenten voor dié instrumenten die het snelst en meest effect zullen hebben.

 

Het college spreekt houders aan op de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun aanbod. Zodra de kwaliteit tekortschiet, spoort het college de houder aan om deze tekortkoming(en) snel en structureel te herstellen. Het resultaat van bijvoorbeeld een herstelaanbod kan voor het college reden zijn om niet direct bestuurlijk te handhaven. Door kinderopvanghouders hiertoe in de gelegenheid te stellen, worden tekortkomingen eerder hersteld en kan het college onnodig handhaven voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld passend zijn als overtredingen zijn hersteld of als uit het inspectierapport blijkt dat een overtreding redelijkerwijs binnen afzienbare periode is hersteld.

 

Deze werkwijze kan worden toegepast wanneer de houder eerder voldoende nalevingsbereidheid heeft getoond en direct is begonnen met het nemen van verbetermaatregelen. Ook is het van belang dat sprake is van een kwalitatief goede en transparante bedrijfs- en beleidsvoering, waarbij geen twijfel bestaat over de naleving. Daarvoor zijn onder andere een inzichtelijke en transparante organisatie, beleidsvoering en administratie van belang. De houder moet het college op de hoogte houden van de genomen verbetermaatregelen. Ook kan de toezichthouder (nader) onderzoek uitvoeren om te beoordelen in hoeverre de houder daadwerkelijk zelf zorgdraagt voor kwaliteitsverbetering. Wanneer blijkt dat dit niet of onvoldoende het geval is, dan zet het college alsnog bestuurlijke handhaving in om de naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen.

 

Het herstelaanbod heeft invloed op de inzet van handhaving. In het rapport is feitelijke informatie opgenomen over de mate van herstel en de nalevingsbekwaamheid en -bereidheid van de houder. De handhaver weegt dit mee in het handhavingsbesluit en blijft altijd bevoegd om een herstelmaatregel op te leggen. Ook kan het college na herstel een bestuurlijke boete opleggen voor de overtreding die in het verleden is begaan.

 

Het college kan de volgende handhavingsmaatregelen inzetten met het oog op herstel:

 

5.6.1 De schriftelijke aanwijzing

Met de schriftelijke aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, moet nemen om aan de wet te voldoen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

 

De aanwijzing is doorgaans de meest passende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die te allen tijde aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.

 

5.6.2 De last onder dwangsom

Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, legt het college in principe een last onder dwangsom op. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. Met een last onder dwangsom legt het college de houder de plicht op om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen.

 

Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is hersteld, dan moet de houder de dwangsom betalen. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen worden gehandhaafd.

 

Met de oplegging van een last onder dwangsom is de overtreding niet “afgekocht” of hersteld. Daarom wordt naast een last onder dwangsom altijd een aanwijzing gegeven waaraan voldaan moet worden om de overtreding te herstellen en/of om de dwangsom niet te laten verbeuren.

 

De last onder dwangsom is de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na de aanwijzing, als een exploitatieverbod of sluiting van de opvanglocatie (nog) niet proportioneel is. Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom niet hersteld, dan heeft dat financiële gevolgen, maar zonder dat de exploitatie wordt onderbroken. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen.

 

5.6.3 Verlengen van een schriftelijk bevel

Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd (zie 4.7) en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan verlengt het college het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.

 

5.6.4 De last onder bestuursdwang

De manier waarop de houder de kinderopvang wil vormgeven is aan de houder om te bepalen. Bij een last onder bestuursdwang neemt het college zelf bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dat maakt dat de last onder bestuursdwang doorgaans geen geschikt handhavingsmiddel is. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld wel geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden door de gemeente bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder.

 

5.6.5 Sluiting van de kinderopvang: het exploitatieverbod (tijdelijk)

Zodra uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt.

 

Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven, zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit structureel verbeterd is en dit schriftelijk bevestigd is door het college mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.

 

Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, de op te vangen kinderen en hun ouders. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is.

 

Bij een gastouder kan het college sneller over gaan tot het opleggen van een tijdelijk exploitatieverbod. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de betreffende gastouder en het college kan daarom minder snel verbetering na herhaling van overtredingen verwachten.

 

Als het college een kinderopvanglocatie (tijdelijk of definitief) sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting.

 

Het college maakt gebruik van bestraffende handhavingsmaatregelen wanneer de overtreding eenmalig in het verleden heeft plaatsgevonden of wanneer er logischerwijze geen vooruitzicht meer is op (tijdig) herstel.

 

Het college kan de volgende handhavingsmaatregelen inzetten als bestraffende sanctie:

 

5.6.7 De bestuurlijke boete

Naast de handhaving gericht op herstel kan het college ook gebruik maken van de mogelijkheid bestuurlijke boetes op te leggen als bestraffende sanctie. Een boete bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een aanwijzing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod. Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald.

 

Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed. Een boete kan door het college worden opgelegd bij:

 

  • -

    Overtredingen waarbij sprake is van recidive;

  • -

    Het overtreden van de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving;

  • -

    Het niet opvolgen van een bevel of aanwijzing;

  • -

    Niet meewerken aan een verzoek van een toezichthouder of het bewust verkeerd informeren van een toezichthouder;

  • -

    Het starten van de exploitatie of het implementeren van een wijziging, voordat hier schriftelijk toestemming voor is gegeven door het college;

  • -

    Het overtreden van een exploitatieverbod.

5.6.8 Intrekken exploitatietoestemming (definitief)

Lukt het de houder na een tijdelijk exploitatieverbod niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen dan kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel overtreedt en aanwijzingen niet naleeft; na verbetering opnieuw overtredingen begaat; of overtredingen begaat die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, dan sluit het college de kinderopvang definitief. Dit doet zij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK. De motivatie voor een dergelijke maatregel wordt uiteengezet in het handhavingsbesluit.

 

Dit is een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt.

 

Het college kan de toestemming ook direct intrekken als bijvoorbeeld:

 

  • -

    niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatiecrèche, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;

  • -

    er sprake is van (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden.

Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Pas bij een definitieve sluiting, publiceert het college dit besluit in het (digitale) Gemeenteblad alsook in het lokale huis-aan-huisblad De Loop.

 

5.7 Hoogte bedragen last onder dwangsom en bestuurlijke boete

De Wet kinderopvang geeft het college de bevoegdheid om wanneer een aanwijzing, bevel of een vordering tot medewerking niet wordt opgevolgd een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste € 45.000. Voor de hoogte van boetes en dwangsommen zijn in het afwegingsmodel (in de bijlage van dit document) maximum sanctiebedragen opgesteld. Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving.

 

Het college stemt de hoogte van de dwangsom en boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen beweert dat bepaalde (bijzondere; verzachtende) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.

 

Als met één feitelijke gedraging twee of meer overtredingen zijn begaan, dan legt het college alleen een dwangsom en/of bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste sanctiebedrag.

 

Als de overtreder kan aantonen dat hij een dwangsom en/of boete niet in één keer kan betalen zonder dat de continuïteit van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een dwangsom en/of boete te matigen of van het opleggen van een dwangsom en/of boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling te treffen. Ook het (vrijwillig) sluiten van een locatie is geen reden om van het opleggen van een boete af te zien.

 

Het college hanteert vier categorieën van houders waar de bedragen op worden afgestemd:

 

  • -

    Grote houders: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een grote houder geldt als richtlijn het volledige sanctiebedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel.

  • -

    Middelgrote houders: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een middelgrote houder is twee derde deel (2/3) van het sanctiebedrag de richtlijn.

  • -

    Kleine houders: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een kleine houder is de richtlijn één derde deel (1/3) van het sanctiebedrag.

  • -

    Voorzieningen voor gastouderopvang. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is dat één vijfde deel (1/5) van het sanctiebedrag.

 

Bij de bepaling van de grootte van de houder is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt op houderniveau over locatie- en gemeentegrenzen heen gekeken. Na bepaling van de categorie en het bijbehorende sanctiebedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk van de ernst van het feit, de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval en de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden. Wanneer er meerdere overtredingen zijn waar een boete of een dwangsom voor wordt opgelegd, worden de bedragen bij elkaar opgeteld tot één bedrag.

 

5.8 Handhaving bij een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente

De toezichthouder kan bij een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen de gemeente een overtreding vaststellen, begaan door een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente.

 

Aan gastouderbureaus gevestigd buiten de gemeente kan het college geen aanwijzing of een last onder dwangsom opleggen. Immers, het college is doorgaans niet zelf verantwoordelijk voor het toezicht op deze bureaus. Een last onder dwangsom is alleen een effectief handhavingsmiddel als deze ook kan worden ingevorderd bij constatering van herhaling van een overtreding. Nu het college hierop buiten haar gemeentegrenzen geen toezicht kan houden, vervalt de effectiviteit van dit handhavingsmiddel.

 

Het enige handhavingsmiddel dat geschikt en daarmee noodzakelijk voor handhaving bij deze bureaus is het opleggen van een bestuurlijke boete.

 

5.9 Voorschoolse educatie (VE)

Het college verstrekt subsidie aan VE-geregistreerde kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een aanvullend kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt op naleving van de wettelijke kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie, kan ze een herstelaanbod geven. Wanneer de overtreding niet (tijdig) wordt hersteld, handhaaft het college. Hierbij worden dezelfde handhavingsmiddelen ingezet als zijn beschreven onder 5.6.

 

Daarnaast mag het college ook handhavend acteren binnen de subsidierelatie: in beginsel handhaaft het college met het oog op herstel. Als een aanwijzing niet opgevolgd wordt, kan dit grond zijn voor het weigeren van een volgende subsidieaanvraag of voor een lagere vaststelling van het lopende subsidiebedrag.

 

Conform de Nadere Regels Subsidie Peuteropvang en Voorschoolse Educatie 2025 Helmond kan een subsidieaanvraag voor voorschoolse educatie door het college geweigerd worden wanneer er een handhavingstraject loopt op één of meerdere overtredingen bij betreffende kinderopvangorganisatie/ -locatie, dan wel een voornemen bestaat een handhavingsbesluit op een overtreding te nemen. Het kan hierbij ook gaan om overtredingen niet betreffende VE.

 

5.10 Communicatie en publicatie m.b.t. handhavingsbesluiten

Correspondentie m.b.t. handhavingsbesluiten, geschiedt zowel per post als per e-mail. Een uitzondering hierop vormt het besluit “kwaliteit op orde na jaarlijkse inspectie”: dit wordt enkel per e-mail gecommuniceerd.

 

Het college maakt een handhavingsbesluit openbaar in het LRK zodra deze onherroepelijk is. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In het besluit staat hoe in bezwaar en/of beroep kan worden gegaan.

 

In geval van een intrekking van exploitatietoestemming, heeft de gemeente een wettelijk plicht dit te publiceren in het (digitale) Gemeenteblad alsook in een lokaal dag- nieuws- of huis-aan-huisblad. De gemeente Helmond publiceert dergelijke besluiten in weekblad De Loop.

 

5.11 Zienswijze op een handhavingsbesluit

Houders hebben het (wettelijke) recht om bij de gemeente bezwaar te maken wanneer ze het oneens zijn met een handhavingsbesluit. Bij elk besluit wordt informatie over de procedure bijgesloten.

 

Wanneer een besluit nadelige gevolgen voor de houder heeft, wordt voorafgaand aan het besluit het voornemen kenbaar gemaakt door het college. Op dit voornemen kan een houder een zienswijze indienen. Dergelijke zienswijze gaat in op eventuele onzorgvuldigheden bij het nemen van het handhavingsbesluit, zoals bijvoorbeeld niet meewegen van verzachtende omstandigheden of het onterecht meewegen van verzwarende omstandigheden.

 

De gemeente geeft aan binnen welke termijn de zienswijze dient te worden aangeleverd. Wanneer deze informatie ontbreekt, mag de houder ervan uitgaan dat er een standaard termijn van twee weken geldt.

 

De gemeente verantwoordt hoe ze de informatie uit een zienswijze op een voornemen heeft betrokken in haar definitieve besluit.

 

Een definitief besluit wordt te allen tijde vergezeld door een uiteenzetting van de procedure hoe formeel bezwaar aangetekend kan worden.

HOOFDSTUK 6 - Inwerkingtreding en communicatie

Het beleidskader toezicht en handhaving kinderopvang 2026 wordt na vaststelling door het college bekend gemaakt via publicatie in het (elektronisch) gemeenteblad.

 

Het beleidskader toezicht en handhaving kinderopvang 2026 treedt in werking per 1 januari 2026 in het gemeenteblad.

 

Met de inwerkingtreding van dit beleidskader toezicht en handhaving kinderopvang 2026 komt het regionaal beleidskader toezicht en handhaving kinderopvang 2018 en Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang gemeente Helmond te vervallen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Helmond van 9 december 2025.

De houders van kinderopvangvoorzieningen in de gemeente Helmond worden via een informatiebrief op de hoogte gebracht van het aangepaste beleid.

Helmond, 9 december 2025

Burgemeester en wethouders van Helmond,

mr. S.C.C.M. Potters

burgemeester

E.P.H. Koop, MSc

gemeentesecretaris

BIJLAGE - Het afwegingsmodel

Handhaving samengevat

Het college treedt in beginsel handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In beginsel handhaaft het college met het oog op herstel. Bij gegronde redenen kan het college echter besluiten om bestraffend te handhaven. Dit zal gemotiveerd worden in het handhavingsbesluit.

 

In het onderstaande afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen. Het college kan zowel sanctieverzwarend als -verlagend afwijken. Dit zal gemotiveerd worden in het handhavingsbesluit.

 

In de tabel op de volgende bladzijden is het maximum sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen.

 

Hersteltermijnen

Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel direct of binnen maximaal 7 dagen worden beëindigd.

 

Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen maximaal 14 dagen worden hersteld.

 

Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen een gemiddelde termijn van maximaal 21 dagen worden hersteld.

 

Welke overtredingen tot de categorieën ‘grote’/’gemiddelde’/’lichte tot matige consequenties’ behoren, is terug te vinden in het afwegingsmodel op volgende bladzijden.

 

Bij elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is. Het college kan afwijken van de hierboven gestelde hersteltermijnen. Dit zal onderbouwd worden in het handhavingsbesluit.

 

Tabel 1: Sancties voor overtredingen op naleving; registratie en wijzigingen

 

Diversen m.b.t. naleving, registratie en wijzigingen

Maximale herstel

termijn

Bestuurlijke boete*

Last onder dwangsom per constatering*

Categorie

Niet voldoen aan de definitie van kinderopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau.

N.v.t, intrekken toestemming tot exploitatie is aan de orde.

n.v.t.

n.v.t.

 

Start exploitatie voor ontvangst toestemming college3 of voor de datum waarop college bepaald heeft dat exploitatie mag aanvangen.

n.v.t.

Gelijk aan bedrag boete 4e categorie

(per 1 januari 2024 € 25.750)

Gelijk aan bedrag boete 4e categorie4

 

Houder geeft wijziging van in het LRK opgenomen gegevens later door/niet door terwijl dit zou moeten gebeuren zodra de houder bekend is met deze wijziging.

21 dagen

€ 2.000

€ 2.000

Overtreding met lichte tot matige consequenties

Gastouderbureau geeft niet vooraf aan de gemeente door wanneer een gastouder het gastouderschap tijdelijk stop zet.

n.v.t.

€ 300,-

n.v.t.

 

Niet nakomen van een vordering tot medewerking van de toezichthouder.

n.v.t.

Gelijk aan bedrag boete 2e categorie

(per 1 januari 2024 : € 5.150)

Gelijk aan bedrag boete 2e categorie

 

Niet opvolgen van een aanwijzing / bevel.

7 dagen

€ 4.000

n.v.t.

Overtreding met grote consequenties

Niet opvolgen van exploitatieverbod gegeven opgelegd op grond van art. 1.66 Wko.

n.v.t.

€ 20.750

n.v.t.

 

Niet nakomen van een afspraak zoals genoemd in art. 160 Wet op het primair onderwijs (Afspraken voor- en vroegschoolse educatie).

n.v.t.

€ 4.000

n.v.t

 

 

Tabel 2: Sancties m.b.t. overtredingen op praktijk / uitvoering

 

Praktijk/uitvoering

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete*

Last onder dwangsom per constatering*

Categorie:

De houder biedt geen verantwoorde opvang.

7 dagen

€ 8.000

€ 8.000

Overtreding met grote consequenties

Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht

14 dagen

€ 4.000

€ 4.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

De houder voldoet niet aan zijn informatieplicht.

21 dagen

€ 1.000

€ 1.000

Overtreding met lichte tot matige consequenties

De houder zorgt er niet voor dat conform het pedagogisch beleid en/of het veiligheids- en gezondheidsbeleid gehandeld wordt

14 dagen

€ 2.000

€ 2.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

De houder voldoet niet aan de eisen gesteld aan veilige en gezonde kinderopvang5 .

14 dagen

€ 3.000

€ 3.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. stabiliteit

VGO: groepsgrootte.

KDV + BSO: vaste stamgroep(ruimtes) en beroepskracht, mentor, groepsgrootte; meedelen stamgroep + beroepskracht.

14 dagen

€ 3.000

€ 3.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. formatie en/of beroepskwalificatie.

14 dagen

€ 5.000

 

€ 5.000

 

Overtreding met gemiddelde consequenties

De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. de VOG’s en het personenregister kinderopvang.

14 dagen

€ 3.000

€ 3.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

De houder voldoet niet aan de eis m.b.t. de voertaal, taaleis VE en de taaleis BSO.

14 dagen

€ 3.000 (voertaal)

€ 1.500

(overige)

€ 2.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

De binnen- en buitenspeelruimtes voldoen niet aan de eisen.

De VGO voldoet niet aan de eisen.

14 dagen

€ 2.000

€ 2.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

De houder voldoet niet aan het ouderadviesrecht / klachtrecht.

21 dagen

€ 1.000

€ 1.000

Overtreding met lichte tot matige consequenties

De houder van het gastouderbureau voert aantoonbaar de kassiersfunctie en/of de verplicht gestelde gesprekken niet uit.

14 dagen

€ 3.000

€ 3.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

De houder voldoet niet aan de urennorm voor VE.

14 dagen

€ 2.000

€ 2.000

Overtreding met gemiddelde consequenties

 

Tabel 3: Sancties m.b.t. overtredingen op documenten

 

Documenten

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete*

Last onder dwangsom per constatering*

Categorie:

De houder heeft beleidsdocumenten die onvolledig zijn en/of niet alle verplicht te beschrijven onderwerpen bevatten en/of niet actueel zijn.

21 dagen

€ 3.000 voor het ontbreken van het document

 

€ 750 voor iedere (sub)eis waaraan niet is voldaan

€ 3.000 voor het ontbreken van het document

 

€ 750 voor iedere (sub)eis waaraan niet is voldaan

Overtreding met lichte tot matige consequenties

De administratie van de houder bevat niet alle verplicht op te nemen documenten en/of is op verzoek van de toezichthouder niet onverwijld te raadplegen.

21 dagen

€ 3.000

per ontbrekend document

€ 3.000

per ontbrekend document

Overtreding met lichte tot matige consequenties

De houder gebruikt geen VE programma dat voldoet aan de eisen.

21 dagen

€ 1.000

€ 1.000

Overtreding met lichte tot matige consequenties

 

* Zoals onder 5.7 is beschreven, vindt er een correctie plaats afhankelijk van de grootte van de organisatie:

 

  • -

    voor grote houders is de richtlijn: het volledige sanctiebedrag;

  • -

    voor middelgrote houders is de richtlijn: twee derde van het sanctiebedrag

  • -

    voor kleine houders is de richtlijn: één derde van het sanctiebedrag

  • -

    voor voorzieningen voor gastouderopvang is de richtlijn: één vijfde deel van het sanctiebedrag

Naar boven