Gemeenteblad van Zwolle
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zwolle | Gemeenteblad 2025, 554649 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zwolle | Gemeenteblad 2025, 554649 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwolle 2026
De raad van de gemeente Zwolle,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 november 2025;
gelet op artikel 8 lid 1 aanhef en onderdelen a en d Participatiewet en de artikelen 35 van de IOAW en de IOAZ;
besluit vast te stellen de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwolle 2026.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel
Als de maatregel niet, of niet geheel, ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, dan wordt het recht op uitkering met ingang van de eerste van de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden herzien en wordt de ten onrechte verstrekte uitkering teruggevorderd.
Artikel 6. Berekeningsgrondslag
In afwijking van lid 1 van dit artikel bedraagt de hoogte van de maatregel voor een uitwonende jongere van 18-21 jaar zolang diens algemene bijstandsnorm op grond van overgangsrecht nog wordt aangevuld met bijzondere bijstand voor levensonderhoud, een percentage van die bijstandsnorm, inclusief die aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud.
Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen
Artikel 7. Hoogte en duur van de maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting
Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van wet de niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de hoogte van de maatregel 100 procent van de bijstandsnorm en de duur van de maatregel 1 maand.
Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen
Artikel 9 Gedragingen in de wet
Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaande aan de bijstandsverlening niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 lid 2, 44a, 55 en 57 van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën.
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van die registratie.
het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 lid 1 van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en lid 5 van de wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18 lid 4 van de wet;
Artikel 10. Gedragingen in de IOAW en IOAZ
Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaande aan de uitkering niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 13, 37 en 38 van de IOAW of de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën.
het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13 van de IOAW of IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van een uitkering.
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onderdeel e van de IOAW of de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onderdeel e van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37 lid 1 onderdeel e, van de IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel e van de IOAZ wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38 lid 1 van de IOAW of artikel 38 lid 1 van de IOAZ;
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onderdeel e van de IOAW en de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onderdeel e van de IOAZ voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;
Artikel 11. Hoogte en duur van de maatregel
Als belanghebbende zich verwijtbaar gedraagt als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van deze verordening wordt, onverminderd artikel 2 van deze verordening, de hoogte en duur van de maatregel als volgt vastgesteld.
Bij een eerste verwijtbare gedraging:
indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie dan wordt:
bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van dezelfde categorie binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging wordt de uitkering voor de duur van twaalf maanden verlaagd tegen het percentage dat bij recidive van toepassing is.
Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel
Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Als de algemene bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op een eerder tijdstip wordt verleend dan nodig zou zijn geweest als belanghebbende wel voldoende verantwoordelijkheidsbesef had betoond, is de duur van de periode waarin de algemene bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, gelijk aan de periode waarin belanghebbende nog van zijn geld had kunnen leven.
Artikel 13. Samenloop van gedragingen in de wet
Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de wet of artikel 18b van de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging met de zwaarste maatregel.
Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de wet of artikel 18b van de wet genoemde verplichtingen wordt voor iedere gedraging afzonderlijk een maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende niet verantwoord is.
Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 of artikel 18b van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 van de wet genoemde verplichting, wordt voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd, geen maatregel opgelegd.
Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 van de wet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging afzonderlijk een maatregel opgelegd en een boete opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende niet verantwoord is.
Hoofdstuk 6. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ
Artikel 14. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW of IOAZ
Als het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 van de IOAW of artikel 20 lid 2 van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid ook op grond van deze verordening tot een maatregel zou kunnen leiden, blijft een maatregel ter zake van die gedraging achterwege.
Rechten en plichten in de Participatiewet
De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid met betrekking tot die rechten en plichten worden vastgelegd in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering.
Als een bijstandsgerechtigde de opgelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt en een waarschuwing geen effect heeft gehad, is het college gehouden een maatregel op te leggen. Dat is alleen anders als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of als er gelet op de individuele omstandigheden van belanghebbende sprake is van een dringende reden om te besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel.
Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking waarin de maatregel is opgelegd of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven het besluit tot het opleggen van een maatregel te herzien (artikel 18 lid 3 Van de wet). Bij een dergelijke heroverweging hoeft het college niet opnieuw een besluit te nemen waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. De heroverweging heeft slechts als doel om vast te stellen of belanghebbende tussentijds, dat wil gedurende de periode waarin de maatregel ten uitvoer wordt gebracht, blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte of duur bij te stellen.
Geüniformeerde arbeidsverplichtingen
Artikel 18 lid 3 Van de wet is niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18 lid 4 Van de wet). Ten aanzien van die geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18 lid 11 Van de wet van toepassing. Verschil tussen artikel 18 lid 3 en artikel 18 lid 11 Van de wet is dat artikel 18 lid 11 pas wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.
Punitieve sanctie - zeer ernstig misdragen
Een maatregel op grond van de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor zover de maatregel wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze maatregel en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Een voorbeeld van juridisch te onderscheiden feiten: het bezit van en het niet melden van een hennepplantage. De boete wordt opgelegd vanwege het niet verstrekken van relevante informatie voor de vaststelling van het recht op een uitkering. Strafvervolging is aan de orde wegens overtreding van de Opiumwet.
In artikel 18b Van de wet staat de taaleis. Dit artikel bevat een inspanningsverplichting voor bijstandsgerechtigden om de Nederlandse taal te beheersen, voor zover dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel 18b Van de wet kent een eigen afstemmingsregime waardoor de afstemmingsverordening niet van toepassing is. Het gaat hier om de schending van de inspanningsverplichting. Voor het niet meewerken aan de taaltoets is wel een apart artikel opgenomen in de afstemmingsverordening.
Afstemmen in de IOAW en de IOAZ
Het college heeft de mogelijkheid een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ te verlagen of te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW/IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel van de 35 IOAW/IOAZ). Deze verordening voorziet daarin.
Schenden van de inlichtingenplicht
De bestuurlijke boete, artikel 18a Van de wet, moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de maatregel.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Begrippen die al zijn omschreven in de Van de wet, de IOAW, de IOAZ en de Awb worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.
Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een maatregel
Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een besluit waartegen de mogelijkheid van bezwaar en beroep. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen komen voort uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en is voorzien van een deugdelijke motivering.
Artikel 3. Horen van belanghebbende
Het vooraf horen door het college van belanghebbende is wettelijk niet verplicht. Het betreft namelijk een besluit over een financiële aanspraak en die zijn op grond van artikel 4:12 lid 1 Awb uitgezonderd van de hoorplicht bij de voorbereiding van een besluit, dit omdat bezwaar tegen dit besluit mogelijk is en nadelige gevolgen na bezwaar volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. Echter, hoewel niet wettelijk verplicht, komt het de zorgvuldigheid van het besluit ten goede als belanghebbende wel wordt gehoord.
Artikel 4. Afzien van maatregel
Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt
Het afzien van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt is overgenomen uit artikel 18, lid 9 Van de wet, respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW en IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat belanghebbende geen enkel verwijt treft, rust op belanghebbende. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van artikel 18 lid 9 Van de wet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1939) waarin belanghebbende er wel in geslaagd is aannemelijk te maken dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Als het college van oordeel is dat elke vorm verwijtbaarheid ontbreekt en daardoor wordt afgezien van een maatregel dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging alsnog mee te tellen. Zie ook artikel 11 lid 2 van deze verordening. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1 van de wet van een maatregel afgezien, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.
De gedraging heeft meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college plaatsgevonden
Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig volgt nadat de verwijtbare gedraging heeft plaatsgehad.
Om deze reden regelt deze verordening dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Behalve dat het niet effectief is, is het niet opportuun de uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid te houden over de vraag of het college overgaat tot het opleggen van een maatregel.
Dringende redenen in individuele gevallen
De invulling van het begrip dringende redenen in individuele gevallen is een andere dan het begrip dringende redenen in artikel 18a lid 7 Van de wet en artikel 58 lid 8 Van de wet.
De invulling is ruimer en omvat mede een beoordeling van de omstandigheden, de mogelijkheden en middelen van belanghebbende. Dit betekent dat het college bevoegd is om in individuele gevallen te besluiten de maatregel op nul vast te stellen of de hoogte of duur van de maatregel lager vast te stellen. De bijzondere omstandigheden die tot dringende redenen leiden, kunnen gelegen zijn in maatschappelijk belang (marginalisering van mensen, vergroting schuldenproblematiek, huisuitzettingen), de zorgplicht van de overheid in relatie tot individuele omstandigheden en kinderen in het gezin. Dit is van toepassing op zowel geüniformeerde als de niet-geüniformeerde verplichtingen. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn. Relatief kleine vergrijpen van belanghebbende kunnen ook aanleiding zijn voor toepassing van artikel 18 lid 10 Van de wet.
Het college stelt belanghebbende op de hoogte van de in lid 1 en 2 bedoelde besluiten. Dat kan schriftelijk of mondeling.
Het besluit zoals bedoeld in lid 1 heeft geen rechtsgevolg. Bezwaar en beroep is niet mogelijk.
Het besluit zoals bedoeld in lid 2 heeft wel rechtsgevolg en moet door middel van een beschikking worden bekendgemaakt bij belanghebbende. Hiertegen bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Dit moet omdat als een maatregel op grond van artikel 18 lid 10 Van de wet op nul wordt vastgesteld, de nul-maatregel wel meetelt bij recidive1.
Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel
Het gemakkelijkste is om de maatregel toe te passen op de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt. In dat geval hoeft het college niet over te gaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag zoals beschreven in lid 3 van dit artikel. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin het maatregelbesluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de maatregel moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.
Als een maatregel niet kan worden opgelegd in de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de maatregel is genomen, dan wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende betaling van de uitkering nadat het besluit tot het opleggen van de verlaging is genomen. Een maatregel kan niet worden toegepast in de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de maatregel is genomen als er in die maand al een maatregel is toegepast.
Een maatregel kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen van een maatregel is lastiger als belanghebbende geen recht op bijstand (meer) heeft. Als de maatregel niet kan worden toegepast zoals bedoeld in lid 1 en 2 van dit artikel omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, is het ook mogelijk om de maatregel, voor zover nog niet toegepast, door het recht op bijstand vanaf de eerste van de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden te herzien en terug te vorderen.
Artikel 6. Berekeningsgrondslag
In lid 1 is het uitgangspunt vastgelegd dat de hoogte van de maatregel een percentage bedraagt van de bijstandsnorm in de maand waarin de maatregel wordt toegepast. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ.
In lid 2 is bepaald dat een maatregel ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende naast de algemene bijstand ook nog bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt verleend met toepassing van artikel 12 Van de wet (oud). Vanaf 1 januari 2026 wordt deze bijzonder bijstand alleen nog op grond van overgangsrecht verleend aan jongeren die dat voor 1 januari 2026 hadden aangevraagd. Deze jongeren tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk, wordt aangevuld door aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een maatregel uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is bepaald dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand voor levensonderhoud.
De verordening biedt geen grondslag voor een maatregel op een individuele inkomenstoeslag.
Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen
Artikel 7 Hoogte en duur van de maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting
Destijds zijn met de Wet Maatregelen WWB geüniformeerde arbeidsverplichtingen en bijbehorende maatregelen geïntroduceerd. Deze systematiek is overgenomen in de wet. Het betreft de artikelen 18 lid 4 en 5 van de wet. De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de hoogte van de maatregel honderd procent van de bijstandsnorm voor de duur van een bij deze verordening vastgestelde periode, te weten één maand.
Artikel 8 Uitsmeren van de maatregel
Het college heeft op grond van artikel 18 lid 5 van de wet de mogelijkheid bij schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting de maatregel uit te smeren over drie maanden. Dit kan over de maand van oplegging van de maatregel en dan nog ten hoogste over de twee maanden die volgen. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de maatregel worden verrekend.
In dit lid is bepaald dat als sprake is van een maatregel op grond van artikel 18 lid 4 onderdeel a van de wet de maatregel niet mag worden uitgesmeerd zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Hier is voor gekozen vanwege de grote ernst van de gedraging.
Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen
Artikel 9 Gedragingen in de wet
In dit artikel worden de mogelijke gedragingen die een schending opleveren van de niet geüniformeerde verplichtingen met tot arbeidsinschakeling geformuleerd. Als het college constateert dat belanghebbende zich schuldig maakt aan één of meerdere van de hier genoemde niet geüniformeerde gedragingen dan zal het college overwegen om een maatregel op te leggen.
De genoemde gedragingen zijn ondergebracht in vier categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 11 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet behouden of verkrijgen van betaald werk.
Op belanghebbende rust de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17 lid 2 van de wet. Als het college constateert dat belanghebbende de medewerkingsplicht schendt en daarna de opschortingsprocedure toepast, is het mogelijk dat belanghebbende alsnog de gevraagde medewerking binnen de hersteltermijn levert. In dat geval is er voor het college geen aanleiding om de bijstand in te trekken, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand zou zijn verleend. Er is voor het college echter wel aanleiding een maatregel op te leggen.
Onder de geüniformeerde verplichting mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling valt niet het zich onderwerpen aan een door het college verplicht gestelde behandeling van medische aard. Dit is expliciet opgenomen in de wet. Zie TK 2013–2014, 33 801, nr. 28. Het college kan deze verplichting vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44 lid 2 van de wet opleggen op grond van artikel 55 van de wet. Bij een schending van deze verplichting is dit voor het college aanleiding een maatregel op te leggen.
Het college legt geen maatregel op als belanghebbende weigert mee te werken aan de budgettering op grond van artikel 57 onderdeel a van de wet. In dat geval kan het college besluiten over te gaan tot het verlenen van bijstand in natura op grond van artikel 57 onderdeel b van de wet. Hierdoor wordt voorkomen dat de financiële situatie van belanghebbende verergert, terwijl de budgetteringsplicht is bedoeld om dreigend afglijden van belanghebbende te voorkomen. Met bijstandsverlening in natura kan het beoogde doel worden bereikt.
Deze gedraging spreekt voor zich.
Als het college de tegenprestatie naar vermogen oplegt aan belanghebbende, geldt de tegenprestatie als een verplichting. Dat staat in artikel 9 lid 1 onderdeel c van de wet. Deze verplichting geldt voor een belanghebbende van 18 jaar of ouder die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. De verplichting geldt vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44 lid 2 van de wet. Bij schending van deze verplichting is dit voor het college aanleiding een maatregel op te leggen.
Op grond van artikel 9 lid 1 van de wet geldt de plicht tot arbeidsinschakeling vanaf de datum van de eerste melding. Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding. Dat staat in artikel 43 lid 4 en 5 van de wet. Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13 lid 2, onderdeel d van de wet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan wordt een maatregel opgelegd.
Een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een kind dat de leeftijd van 5 jaar nog niet heeft bereikt, moet als de alleenstaande ouder daarom verzoekt door het college worden ontheven van de arbeidsplicht. Dit is een speciale ontheffing. Ook een pleegkind wordt in dit geval aangemerkt als kind (zie Kind). De ontheffing ziet op de arbeidsplicht. De ontheffing wordt alleen gegeven als belanghebbende daarom vraagt. De ontheffing van de arbeidsplicht ontslaat de alleenstaande ouder niet van de re-integratieplicht van artikel 9 lid 1 onderdeel b van de wet. Het college is verplicht de ontheven alleenstaande ouder een traject aan te bieden tot behoud of versterking van de arbeidsmarktpositie. Het gaat dan meestal om een scholing of opleidingstraject. De ontheffing van de arbeidsplicht wordt ingetrokken als het college concludeert dat de alleenstaande ouder zijn re-integratieverplichtingen niet wil nakomen. Dit moet ondubbelzinnig blijken uit het gedrag en de houding van belanghebbende, Dat staat in artikel 9a lid 5 onderdeel d van de wet. Ook moet het college de bijstand in dat geval verlagen, Dat staat in artikel 9a lid 12 van de wet.
Deze gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 van de wet. In artikel 18 lid 4 van de wet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart maatregelregime: verlaging van de bijstand met 100% gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste één maand en ten hoogste drie maanden. Dit staat in artikel 18 lid 5 van de wet. In deze verordening is de hoogte en duur van de maatregel vastgelegd in artikel 11.
Er is dus geen sprake van een gedraging zoals bedoeld in dit artikel onder a, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 van de wet zoals:
Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en bespreken van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet is een niet geüniformeerde verplichting. Voor bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar stelt het college een plan van aanpak op. Daarin wordt de ondersteuning en de verplichtingen van de jongere verder uitgewerkt. Het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren of bespreken van dit plan leidt op grond van artikel 18 lid 2 van de wet leidt tot een maatregel.
Onder de term 'zeer ernstige misdraging' moet in elk geval worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de betreffende personen en instanties (het college, ambtenaren en andere uitvoerders van de wet) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Dus als er uitvoering gegeven wordt aan de betreffende wetten. Het is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen; dan is alleen het strafrecht van toepassing.
Artikel 10 Gedragingen in de IOAW en IOAZ
In dit artikel worden de mogelijke gedragingen die een schending van de verplichtingen opleveren zoals in die in de IOAW en IOAZ worden geformuleerd. De gedragingen zijn ondergebracht in vier categorieën. De categorieën zijn evenals in artikel 9 gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.
Artikel 11. Hoogte en duur van de maatregel
Bij een eerste verwijtbare gedraging
Ondanks het feit dat enkele van de in de artikelen 9 en 10 van deze verordening genoemde (verwijtbare) gedragingen verwant zijn aan de wettelijke bepaalde geüniformeerde arbeidsverplichtingen is voor de in de artikelen 9 en 10 genoemde gedragingen gekozen voor een lichter regime van hoogte en duur van de maatregel dan het wettelijke regime dat geldt voor de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Het lichtere regime wordt in de meeste gevallen beschouwd als een voldoende zware prikkel voor gedragsverandering, zeker als de maatregel voor de eerste keer wordt opgelegd. Zwaardere prikkels hebben niet zonder meer een groter effect voor het bereiken van het doel, namelijk dat belanghebbende snel aan het werk gaat. Integendeel, een te zware maatregel kan ertoe leiden dat belanghebbende in dusdanige financiële problemen komt waardoor de re-integratie wordt belemmerd. Financiële problemen zijn met een laag inkomen vaal moeilijk op te lossen. Er is rekening gehouden met het feit dat de wet en de IOAW en IOAZ een sluitstukfunctie vervullen
Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging nogmaals sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting, inclusief een geüniformeerde arbeids-verplichting, wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte. De hoogte van de maatregel kan nooit hoger zijn dan honderd procent van de bijstandsnorm. Daarom is bij gedragingen van categorie vier gekozen voor een verdubbeling van de duur van de verlaging in plaats van de hoogte.
Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van het opleggen van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.
Ook in het geval dat belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling in dit artikel van toepassing.
Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt dat de hoogte van de maatregel gelijk blijft als bij de recidive en de duur wordt vastgesteld op 12 maanden.
Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel
Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Aan de wet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaanskosten moet voorzien. Pas als dat niet mogelijk is kan men een beroep doen op bijstand. Belanghebbende zal in redelijkheid alles moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Als belanghebbende door verwijtbaar gedrag toch eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan kan belanghebbende worden verweten dat er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, een term die meermalen voorkomt in de wet.
Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen:
Op grond van deze verordening kan het college in geval van door belanghebbende betoond tekortschietend besef van verantwoordelijkheid een maatregel worden opgelegd dat ingeval uitstel van bijstandsverlening niet verantwoord is, de bijstand bij wijze van maatregel wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Deze mogelijkheid volgt uit artikel 48 lid 2 onderdeel b van de wet.
Als belanghebbende voorafgaande aan de verlening van algemene bijstand, wetende dat hij in de nabije toekomst is aangewezen op bijstand, te snel is ingeteerd op zijn vermogen, is dit belanghebbende aan te rekenen als tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef. Voor wat betref de norm voor te snel interen wordt aangesloten bij de in de rechtspraak geaccepteerde norm van anderhalf keer de bijstandsnorm. Dat betekent dat van belanghebbende wordt verwacht de maanden voorafgaande aan de bijstandsverlening niet meer in te teren dan het bedrag dat overeenkomt met anderhalf keer de voor hem geldende bijstandsnorm. De duur van de periode waarin de algemene bijstand als renteloze lening wordt verleend wordt vastgesteld op het aantal maanden waarin aan belanghebbende eerder dan nodig bijstand moest worden verleend.
Artikel 13. Samenloop van gedragingen in de wet
Dit lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18 lid 4 van de wet of in beide regelingen. In dat geval wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld.
Dit lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18 lid 4 van de wet of in beide regelingen. Dit wordt meerdaadse samenloop genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden in beginsel gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren als de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De maatregel wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.
In lid 3 en 4 is geregeld in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is.
Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht leidt tot een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid).
Bij een samenloop van meerdere afzonderlijke gedragingen ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de maatregel zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid).
Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18 lid 4 van de wet van de benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.
In dit lid is bepaald dat als het college voor dezelfde gedraging een maatregel op grond van artikel 18 of 18b van de wet of een boete op grond van de Wet inburgering 2021 op kan leggen het college moet kiezen voor een maatregel in plaats van een boete.
Hoofdstuk 6. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ
Artikel 14. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW of IOAZ
Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert geen sprake is van een weigering wordt op grond van deze verordening een maatregel opgelegd. Dit artikel is dus bedoeld om samenloop te voorkomen.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-554649.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.