Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2026

De raad van de gemeente Heerenveen;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025 met registratienummer Z.25.516170;

 

gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

 

besluit

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2026

(Verordening toeristenbelasting 2026)

 

De Verordening toeristenbelasting is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Daarmee bevat de verordening de noodzakelijke bepalingen om te voldoen aan de eisen die de Gemeentewet er aan stelt.

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    groepsaccommodatie: een accommodatie met minimaal twintig slaapplaatsen die logies overwegend aan personen in groepsverband (geen gezinsverband zijnde) verstrekt, met slaapgelegenheid in kamers, zalen, huisjes, tenthuisjes, appartementen en/of tenten, die gasten mogelijk met ‘vreemden’ moeten delen;

  • b.

    vaste jaarplaats: een gehuurd terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, dat bestemd is voor het gedurende een jaar hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen dat gebruikt wordt door één en hetzelfde gezin of echtpaar en, dat doorgaans na afloop van het jaar niet wordt verwijderd;

  • c.

    vaste seizoenplaats: een gehuurd terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, dat bestemd is voor het gedurende een seizoen hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat gebruikt wordt door één en hetzelfde gezin of echtpaar en, dat doorgaans na afloop van het seizoen niet wordt verwijderd en waarin het gedurende de winterperiode niet toegestaan is om te overnachten;

  • d.

    seizoenplaats: een gehuurd terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, waar gedurende het seizoen een zelfde mobiel kampeeronderkomen is geplaatst, dat gebruikt wordt door één en hetzelfde gezin of echtpaar en, en dat na afloop van het seizoen van de plaats wordt verwijderd;

  • e.

    toeristische plaats: een terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, dat bestemd is voor het gedurende een jaar of seizoen plaatsen van steeds wisselende mobiele kampeeronderkomens;

  • f.

    kampeerterrein: terrein of terreingedeelte, geheel of gedeeltelijk ingericht, en volgens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van mobiele onderkomens, vakantieonderkomens en/of stacaravans geheel of nagenoeg geheel worden gebezigd ten behoeve van recreatief nachtverblijf”;

  • g.

    arrangement: een reservering op een toeristische plaats voor een gezin, echtpaar of samen reizende personen gedurende een vooraf vastgelegde periode van minimaal vier weken voor een vast huurbedrag;

  • h.

    verhuuraccommodatie: een particulier verhuurde (recreatie)woning, vakantieonderkomen of overige accommodatie - niet deel uitmakend van een kampeerterrein - welke door een particulier of een verhuurder niet zijnde een particulier ter beschikking wordt gesteld voor het houden van verblijf met overnachting;

  • i.

    particulier: een natuurlijk persoon die buiten de uitoefening van een bedrijf of beroep gelegenheid biedt tot verblijf met overnachting.

  • j.

    jaar: een kalenderjaar;

  • k.

    seizoen: de periode lopende van 1 april tot 1 oktober.

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam ‘toeristenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.

Artikel 3. Belastingplicht

  • 1.

    Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen.

  • 2.

    De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.

  • 3.

    Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot verblijf, is degene belastingplichtig die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.

  • 4.

    De belastingplichtige die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2, in hem daartoe ter beschikking staande ruimten, dan wel ter beschikking staande terreinen kan ter zake van elk van die ruimten en/of terreinen afzonderlijk in de heffing worden betrokken.

Artikel 4. Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven voor het verblijf:

  • 1.

    van degene die verblijft in een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet Toelating Zorginstellingen;

  • 2.

    van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet en voor zover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in artikel 1 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers.

  • 3.

    van degene die verblijf houdt in een gemeubileerde woning voor welk verblijf forensenbelasting is verschuldigd.

  • 4.

    aan boord van een (plezier)vaartuig, motor- en zeilboten, bestemd voor (de eigen) vakantie- of (de eigen) andere recreatieve doeleinden.

Artikel 5. Maatstaf van heffing

De belasting wordt met inachtneming van het hierna in artikel 6 bepaalde geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten.

Artikel 6. Belastingtarieven en berekeningswijze

  • 1.

    Het tarief bedraagt per persoon per overnachting € 2,65.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief € 1,15 per persoon per overnachting voor verblijf op toeristische plaatsen en (vaste) jaar- en seizoenplaatsen en in groepsaccommodaties, als bedoeld in artikel 1.

  • 3.

    Voor verblijf in onderkomens op vaste jaar- en seizoenplaatsen geldt in afwijking van het eerste en tweede lid een vast tarief van € 225,00 per onderkomen per jaar.

  • 4.

    Op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedaan verzoek wordt de maatstaf van heffing als bedoeld in het derde lid vastgesteld op het werkelijk aantal overnachtingen als bedoeld in artikel 5, als blijkt dat dit resulteert in een lager aanslagbedrag.

Artikel 7. Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Aanslaggrens

Een belastingaanslag wordt niet opgelegd als het aantal overnachtingen, waartoe gelegenheid is gegeven, tijdens het belastingjaar minder dan tien heeft belopen.

Artikel 10. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste werkdag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden later op de laatste werkdag van de betreffende maand.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 11. Aanmeldingsplicht

  • 1.

    De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 232, vierde lid, onderdelen a en c, van de Gemeentewet.

  • 2.

    De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de toeristenbelasting betrokken is.

Artikel 12. Aangifteplicht

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, indien hij niet binnen vier weken naafloop van het belastingjaar een uitnodiging heeft ontvangen tot het doen van aangifte, binnen twee weken na afloop van deze termijn schriftelijk aan de aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 231,tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, te verzoeken tot een uitnodiging tot het doen van aangifte.

 

De gemeente behoudt zich te allen tijde het recht voor alsnog een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzenden, dan wel, bij gebrek aan een (tijdige) aangifte door belastingplichtige, de grondslag voor de berekening van de toeristenbelasting te schatten en de belasting middels een aanslag met ambtshalve geschatte grondslag op te leggen zoals vastgelegd in artikel 14.

Artikel 13. Registratieplicht

De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, verblijfhoudende personen te registreren in een eigen nachtverblijfregister.

Artikel 14. Vaststellen ambtshalve aanslag

  • 1.

    Indien, ook na een herhaaldelijk verzoek, niet voldaan is aan de aangifteverplichting wordt de aanslag toeristenbelasting ambtshalve vastgesteld. Daarbij wordt de volgende werkwijze gehanteerd:

    • a.

      Bij de ambtshalve vaststelling van een aanslag toeristenbelasting wordt als uitgangspunt genomen de hoogte van de aanslag toeristenbelasting van het betreffende belastingobject waarvoor in het voorafgaande belastingjaar toeristenbelasting verschuldigd was. Deze aanslag wordt 50% verhoogd.

  • 2.

    Indien, ook na een herhaaldelijk verzoek, niet volledig voldaan is aan de overhandiging van nadere inlichtingen zoals genoemd in artikel 13, wordt de aanslag toeristenbelasting ambtshalve vastgesteld. Daarbij wordt de volgende werkwijze gehanteerd:

    • a.

      Bij de ambtshalve vaststelling van een aanslag toeristenbelasting wordt als uitgangspunt genomen de hoogte van de aanslag toeristenbelasting van het betreffende belastingobject waarvoor in het voorafgaande belastingjaar toeristenbelasting verschuldigd was. Dit aantal wordt met 25% verhoogd.

  • 3.

    Wanneer het belastingobject in het voorafgaande jaar niet in de toeristenbelasting is betrokken, wordt het aantal overnachtingen bepaald op basis van een redelijk te schatten aantal overnachtingen, een en ander in vergelijking met andere gelijkwaardige belastingobjecten.

  • 4.

    Indien de heffingsambtenaar gegronde redenen heeft kan afgeweken worden van het genoemde in lid 1a en 2a.

Artikel 15. Overgangsbepaling

De ‘Verordening toeristenbelasting 2025’ laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 19 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 16, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 16. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 17. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening toeristenbelasting 2026’.

Ondertekening

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 december 2025.

De griffier,

Mevrouw L. Roest - Jonkers

De voorzitter,

Mevrouw M.A. Fokkens - Kelder

Naar boven