Nadere regels jeugdhulp gemeente Tilburg

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

 

gelet op artikel 9.2 van de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026,

 

b e s l u i t

  • 1.

    de Nadere regels jeugdhulp gemeente Tilburg 2025, gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, nr. 546938, per 1 januari 2026 in te trekken,

  • 2.

    vast te stellen de Nadere regels jeugdhulp gemeente Tilburg.

Hoofdstuk 1- Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd welke betekenis bepaalde woorden en begrippen in deze Nadere regels hebben.

Artikel 1.1 - Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    • -

      Budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

    • -

      CIT: Crisis Interventie Team. Verzorgt namens het college de aanvraag- en toeleidingsprocedure voor jeugdhulp in geval van een crisissituatie;

    • -

      Pgb vertegenwoordiger: een door de budgethouder gemachtigde natuurlijke persoon of rechtspersoon, of een door de rechter benoemde wettelijke vertegenwoordiger die de aan het pgb verbonden taken op zich neemt;

    • -

      Toegang Dyslexie: onafhankelijke deskundigen die bij een melding van een hulpvraag in verband met Ernstige Dyslexie (ED) beoordelen of voldaan is aan de toegangscriteria volgens het landelijk protocol Dyslexie Diagnose en behandeling 3.0;

    • -

      SVB: Sociale Verzekeringsbank;

    • -

      Verordening: Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg;

    • -

      Zorginstelling: een onderneming die meerdere personeelsleden in dienst heeft, als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten, gelet op de inschrijving van het Handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg;

    • -

      Zorg in natura: jeugdhulp die wordt gegeven door jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente Tilburg contractuele afspraken heeft gemaakt voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 2.

    Andere begrippen die in deze regeling worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht en in de Jeugdwet en de daarop gebaseerde regelingen.

Hoofdstuk 2 - Het melden van een hulpvraag, het onderzoek en het bepalen van de passende voorziening

De regels in dit hoofdstuk zijn een uitwerking van regels uit hoofdstuk 2 van de verordening. Deze uitvoeringsregels gaan over de procedurele en formele kanten van een vraag om jeugdhulp.

Artikel 2.1 – Jeugdhulp via een arts

  • 1.

    Nadat de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de ouders of de jeugdige heeft doorverwezen voor jeugdhulp, beoordeelt de jeugdhulpaanbieder op basis van de verwijzing, welke jeugdhulp wordt ingezet, in welke omvang en voor hoe lang.

  • 2.

    De jeugdhulpaanbieder dient een verzoek om toewijzing van de voorgestelde jeugdhulp in bij het college. Uit dat verzoek blijkt voor wie de jeugdhulp bedoeld is en om welke jeugdhulp het gaat. Afhankelijk van het type jeugdhulp wordt er een productcode, begin- en of einddatum en/of omvang van de jeugdhulp meegestuurd.

  • 3.

    Het college wijst de voorgestelde jeugdhulp toe die binnen de contractafspraken met de jeugdhulpaanbieder valt, en registreert de in te zetten jeugdhulp. De jeugdhulpaanbieder zorgt ervoor, dat de jeugdhulp wordt ingezet en houdt daarbij rekening met contractuele afspraken die over het verlenen van jeugdhulp met het college zijn gemaakt. De jeugdhulpaanbieder zorgt voor een correcte registratie van doorverwijzingen.

  • 4.

    Voordat er jeugdhulp wordt ingezet kan het college controle uitvoeren naar aanleiding van de verwijzing of de door de jeugdhulpaanbieder bepaalde jeugdhulp. De controle kan gericht zijn op het volgen van professionele standaarden, het volgen van de regels over het bepalen van de noodzaak en omvang van de jeugdhulp, of naleven van contractuele afspraken die met het college zijn gemaakt. Dit kan eventueel leiden tot aanpassing van de duur, omvang of aard van de jeugdhulp.

  • 5.

    Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders dat er jeugdhulp wordt ingezet en welke duur, vorm en inhoud die jeugdhulp heeft.

  • 6.

    Als de hulpvraag hoog specialistisch lijkt, verwijst de arts de jeugdige door naar het samenwerkingsverband hoogspecialistische jeugdhulp (Crossroads). Als inzet van jeugdhulp noodzakelijk is, informeert Crossroads de jeugdige en/of ouders welke jeugdhulp er wordt ingezet.

Artikel 2.2 - Melding van de hulpvraag bij Toegang Tilburg

  • 1.

    Nadat een jeugdige of ouder zich bij Toegang Tilburg heeft gemeld met een hulpvraag, beoordeelt Toegang Tilburg de strekking van de melding en voert een Quick Scan uit (een eerste vraagverkenning). Is er meer informatie nodig om een goed beeld van de hulpvraag te krijgen, dan neemt Toegang Tilburg contact op met degene die de melding heeft gedaan. Blijkt het om een hulpvraag te gaan die tot het taakveld van een andere organisatie behoort, dan verwijst Toegang Tilburg door naar die organisatie.

  • 2.

    Toegang Tilburg bevestigt schriftelijk de ontvangst van de hulpvraag en verstrekt informatie over de gang van zaken na de melding van de hulpvraag, de geldende rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 3.

    Als de melding bedoeld is om eerder ingezette jeugdhulp na de einddatum voort te zetten, dan vult de jeugdhulpaanbieder het Formulier Onderbouwing Aanvraag (FOA) in en stuurt dit naar Toegang Tilburg, die deze vervolgaanvraag beoordeelt.

Artikel 2.3 - Inhoud en procedure van het gesprek

  • 1.

    In het kader van een onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp, nodigt Toegang Tilburg de jeugdige en/of zijn ouders uit voor een gesprek. Dit gesprek heeft tot doel de hulpvraag te verduidelijken en te bepalen of en welke jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Bij het gesprek kan in ieder geval aanwezig zijn,

    • a.

      als het gaat om een jeugdige tot 12 jaar: de ouders;

    • b.

      als het gaat om een jeugdige tussen 12 en 16 jaar: de jeugdige en de ouders;

    • c.

      als het gaat om een jeugdige vanaf 16 jaar of ouder: de jeugdige zelf.

  • 3.

    Toegang Tilburg gaat na, of iemand uit het sociale netwerk van de jeugdige of van een ander gezinslid betrokken kan worden bij het gesprek.

  • 4.

    Toegang Tilburg vraagt de jeugdige en zijn ouders toestemming om persoonsgegevens te verwerken.

  • 5.

    De jeugdige en zijn ouders identificeren zich met een geldig ID-bewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht. Als de identiteit op een andere manier kan worden geverifieerd, of als deze bij Toegang Tilburg bekend is, kan van verplichte identificatie worden afgezien.

  • 6.

    Toegang Tilburg ziet af van een gesprek, als:

    • a.

      de jeugdige en zijn ouders aangeven geen gesprek te willen. In dat geval informeert Toegang Tilburg hen dat dan een besluit wordt genomen op basis van de aanwezige informatie; of als

    • b.

      de hulpvraag bij het college voldoende bekend is, zoals bij een vervolgaanvraag (die is onderbouwd met een FOA) of een verlenging bij ongewijzigde omstandigheden, en de jeugdige en zijn ouders daarmee instemmen.

  • 7.

    Toegang Tilburg maakt zoveel mogelijk gebruik van informatie, advies en expertise van hulpverleners die al bekend zijn met de jeugdige of ouders. Aan de jeugdige en/of ouders wordt toestemming gevraagd om informatie op te vragen bij de betreffende hulpverleners.

  • 8.

    De jeugdige en zijn ouders die een familiegroepsplan willen opstellen krijgen van Toegang Tilburg informatie over het opstellen van zo’n plan. Een familiegroepsplan is vormvrij maar Toegang Tilburg heeft wel een format daarvoor beschikbaar. Toegang Tilburg stimuleert jeugdigen en ouders om met hun sociale netwerk na te denken over een oplossing voor de hulpvraag, en wijst hen op hulp van ‘meedenkers’ (cliëntondersteuners van ContourDeTwern) bij het maken van een familiegroepsplan.

  • 9.

    Toegang Tilburg informeert de jeugdige en zijn ouders tijdens het gesprek over de rol van het plan van aanpak, en het verschil tussen het ondertekenen van het plan van aanpak 'voor akkoord' en 'voor gezien'. 'Voor gezien' betekent: de jeugdige en/of ouder heeft het plan van aanpak ontvangen, begrijpt wat er onder wordt verstaan en is het niet eens met het voorstel. 'Voor akkoord' betekent: de jeugdige en/of ouder heeft het plan van aanpak ontvangen, begrijpt wat er onder wordt verstaan en is het eens met het voorstel.

  • 10.

    Toegang Tilburg betrekt waar nodig bij het gesprek en het onderzoek professionals met verschillende expertises, om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de situatie en de behoefte aan jeugdhulp, en om eventueel een passend voorstel voor ondersteuning te kunnen doen.

Artikel 2.4 - Het plan van aanpak

  • 1.

    Op basis van het gesprek maakt Toegang Tilburg een plan van aanpak. In het plan van aanpak legt Toegang Tilburg vast welke resultaten nagestreefd worden en hoe deze resultaten bereikt kunnen worden.

  • 2.

    Toegang Tilburg legt het plan van aanpak binnen tien werkdagen na het gesprek voor aan de jeugdige en/of ouders.

  • 3.

    De jeugdige en de ouders kunnen opmerkingen of aanvullingen aan het plan van aanpak toevoegen. Zij kunnen het plan van aanpak binnen tien werkdagen na ontvangst 'voor gezien' of 'voor akkoord' ondertekenen en opsturen naar het college.

  • 4.

    Als de jeugdige of ouders tekent 'voor gezien', dan kan hierbij worden aangegeven waarom het plan van aanpak niet akkoord is. Ook kunnen de jeugdige en/of de ouders op het plan van aanpak aangeven dat zij in aanmerking willen komen voor een andere voorziening dan Toegang Tilburg voorstelt.

  • 5.

    Toegang Tilburg neemt contact op met de jeugdige en/of de ouders die hebben getekend 'voor gezien'. In een vervolggesprek neemt Toegang Tilburg met de jeugdige en/of de ouders door wat de bezwaren zijn en of/hoe het plan van aanpak hierop kan worden aangepast.

  • 6.

    De opmerkingen op het plan van aanpak en de ondertekening merkt het college aan als zienswijze op het voorstel van Toegang Tilburg over de aanvraag voor jeugdhulp, en wordt betrokken bij het nemen van een besluit.

  • 7.

    Toegang Tilburg kan andere deskundigen, waaronder het Multi Expert Team (MET), raadplegen bij het opstellen van het plan van aanpak.

  • 8.

    Toegang Tilburg levert het plan van aanpak aan bij het college, ondertekend door de jeugdige en/of ouder en voorzien van naam, Burgerservicenummer en geboortedatum van de jeugdige, en dagtekening. Het plan van aanpak wordt doorgestuurd naar Crossroads, als Toegang Tilburg de jeugdige en/of ouders doorverwijst voor hoog specialistische jeugdhulp.

Artikel 2.5 – Besluit

  • 1.

    Het college neemt een besluit over de inzet van jeugdhulp en stuurt een beschikking naar de jeugdige en/of ouders, als een individuele voorziening wordt toegekend of afgewezen. Bij hoog specialistische jeugdhulp stuurt Crossroads de beschikking aan de jeugdige en/of ouders.

  • 2.

    In de beschikking tot toekenning van een individuele voorziening staat in ieder geval:

    • a.

      de ingangsdatum en duur van de voorziening;

    • b.

      of de voorziening als zorg in natura of als pgb wordt verstrekt;

    • c.

      de termijn waarbinnen de jeugdige zich kan melden bij een jeugdhulpaanbieder, of het pgb moet besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt;

    • d.

      hoe bezwaar kan worden gemaakt.

  • 3.

    Bij het verstrekken van zorg in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke jeugdhulp toegekend is;

    • b.

      wie de jeugdhulp biedt;

    • c.

      wat de gestelde doelen zijn;

    • d.

      de aard, de omvang en de duur van de in te zetten jeugdhulp en vanaf welke datum de jeugdhulp start.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval naast de in lid 2 en 3 genoemde zaken vastgelegd:

    • a.

      de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald;

    • b.

      de periode waarvoor de pgb wordt toegekend (in beginsel maximaal twee jaar);

    • c.

      hoe de besteding van het pgb moet worden verantwoord;

    • d.

      informatie over de dienstverlening van de SVB en de taken van de budgethouder (al dan niet met de hulp van een pgb-vertegenwoordiger) richting de SVB.

  • 5.

    In de beschikking kan worden verwezen naar het plan van aanpak voor de motivering van het besluit. Ook kan het plan van aanpak als bijlage bij de beschikking worden gevoegd.

  • 6.

    De beschikking wordt gericht aan de jeugdige. De jeugdige ontvangt zelf een beschikking vanaf 12 jaar. Totdat een jeugdige 16 jaar is, ontvangt ook de gezaghebbende ouder of gemachtigde de beschikking. Vanaf 16 jaar ontvangt alleen de jeugdige een beschikking, tenzij het om beschermd wonen gaat.

  • 7.

    Het college kan incidenteel of periodiek onderzoeken of er een reden is een besluit over jeugdhulp te heroverwegen.

Artikel 2.6 – Ingangsdatum individuele voorziening

  • 1.

    De ingangsdatum van een individuele voorziening ligt op of na de datum waarop het besluit is genomen.

  • 2.

    Bij zorg in natura ligt de ingangsdatum in beginsel na de besluitdatum, zodra de jeugdhulp ingezet kan worden.

  • 3.

    Bij jeugdhulp in de vorm van een pgb is de besluitdatum de ingangsdatum van de voorziening.

  • 4.

    Bij verwijzing van een arts komt jeugdhulp die is geleverd vóór de verwijsdatum niet voor vergoeding in aanmerking.

  • 5.

    Als er volgens het college sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan een individuele voorziening met terugwerkende kracht worden toegekend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een voorziening met instemming van het college vóór de besluitdatum is ingezet vanwege een dringende noodzaak, of als een verlenging van een individuele voorziening is aangevraagd vóór de einddatum, maar pas na die datum een besluit is genomen.

Hoofdstuk 3 – Individuele voorzieningen, eigen kracht en gebruikelijke hulp, vervoer

In dit hoofdstuk staan uitvoeringsregels die de bepalingen uit hoofdstuk 3 van de verordening verder uitwerken. Het gaat om regels over individuele voorzieningen en eigen kracht van jeugdigen en ouders, en een aantal bijzondere voorschriften voor specifieke voorzieningen.

Artikel 3.1 – Doeltreffendheid individuele voorziening

Het college zet voorzieningen in die geschikt zijn om het beoogde resultaat van de jeugdhulp te bereiken. Dit is het geval als het college vaststelt dat de voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag, en de hulpverlener werkt met een effectieve interventie. Het is niet mogelijk een individuele voorziening in te zetten door middel van een bewezen niet-effectieve interventie. Om te bepalen of een interventie effectief is, kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, de Databank Effectieve sociale interventies van MOVISIE, het Loket Gezond Leven van het RIVM, of van een andere organisatie die het college als deskundig ziet. Als een interventie niet in een van deze databanken is erkend, kan het college een deskundige vragen om een advies uit te brengen over de effectiviteit of toegevoegde waarde.

Artikel 3.2 - Eigen kracht en gebruikelijke hulp

  • 1.

    Het college neemt als uitgangspunt dat ouders over voldoende eigen kracht beschikken wanneer de benodigde inzet voor hun kind kan worden aangemerkt als gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp gaat over de verzorging, begeleiding en opvoeding van kinderen die zich op een gebruikelijke manier ontwikkelen in verschillende levensfases (kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel).

  • 2.

    In de bijlage is weergegeven, welke hulp kinderen die zich normaal ontwikkelen in verschillende leeftijdsfases nodig hebben van hun ouders. Dit overzicht is gebaseerd op de uitgangspunten uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. Ze vormen het startpunt om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp.

  • 3.

    Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in hoe ze zich kunnen ontwikkelen. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding door de tijd heen verschillen. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen.

  • 4.

    Bij (dreigende) overbelasting of uitval van één van de ouders neemt de andere ouder zo mogelijk de gebruikelijke hulp voor de jeugdige over. Dat kan ook de ouder zijn die ergens anders woont. Van de zorgouder die werkt wordt verwacht dat die de mogelijkheden van (zorg)verlof benut, in combinatie met andere voorzieningen van de werkgever of van andere organisaties (kinderopvang, opvang op school, naschoolse opvang e.d.).

  • 5.

    Het college onderzoekt op basis van signalen van de jeugdige of de ouders of er sprake is van (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen voor het verlenen van hulp bij de ouders. Het college betrekt daarbij de draagkracht en draaglast van de ouders, de jeugdige en het gezin. Als de ouder beperkingen in de belastbaarheid aanvoert vanwege medische klachten, dan wordt dit beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts.

  • 6.

    Voor bovengebruikelijke hulp in kortdurende situaties geldt dezelfde benadering als bij gebruikelijke hulp. In beginsel wordt daarvoor geen jeugdhulp ingezet. Onder kortdurende situaties wordt verstaan: op afzienbare termijn is er uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Uitgangspunt is dat het om een aaneengesloten eenmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar gaat. Binnen die termijn moet er perspectief op herstel zijn, zodat de ouder de zorg voor het kind weer op zich kan nemen, eventueel met behulp van het sociale netwerk en andere voorzieningen.

  • 7.

    Bij langdurige bovengebruikelijke hulp gaat het om situaties waarbij (nog) geen uitzicht is op herstel. Daaronder vallen ook chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Ook dan geldt dat de ouders deze hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast zo verstoord is dat dat niet van de ouders kan worden gevergd. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn, als zij niet in staat en beschikbaar (kunnen) zijn om die hulp te geven, door overbelasting, aantoonbare belemmeringen of als er door het bieden van hulp problemen ontstaan om te kunnen voorzien in voldoende inkomen, en er geen andere oplossingen mogelijk zijn.

Artikel 3.3 - Beschermd wonen

  • 1.

    De voorziening Beschermd wonen is bedoeld voor jeugdigen in de leeftijdscategorie 16 tot 18 jaar. Het doel van beschermd wonen is om jongeren te ondersteunen bij het ontwikkelen van zelfstandigheid, zelfredzaamheid en het vergroten van hun sociale en emotionele vaardigheden. Hierbij wordt intensieve individuele begeleiding geboden die afgestemd wordt op de behoeften van de jeugdigen, en gericht is op het opbouwen van een dagstructuur, het aanleren van praktische vaardigheden zoals koken en schoonmaken, het omgaan met emoties en het bevorderen van gezonde relaties.

  • 2.

    Het gesprek over beschermd wonen wordt gevoerd met de jeugdige en de ouder. Bij de beoordeling of deze voorziening aan de orde is toetst Toegang Tilburg samen met Toegang Beschermd Wonen of deze voorziening passend en noodzakelijk is.

Artikel 3.4 - Ernstige dyslexie zorg (ED)

  • 1.

    Jeugdigen met lees- en spellingsproblemen, waarbij de klachten zo ernstig en hardnekkig zijn dat specialistische ondersteuning en behandeling nodig is, kunnen beroep doen op jeugdhulp voor de diagnose en behandeling ED.

  • 2.

    Een individuele voorziening in de vorm van ED-zorg is alleen mogelijk, als de jeugdige aan de volgende voorwaarden voldoet:

    • a.

      de jeugdige volgt primair onderwijs, en;

    • b.

      de jeugdige is 7 jaar of ouder, en;

    • c.

      de behandeling is voor de 13e verjaardag gestart, en;

    • d.

      de school van de jeugdige heeft een leerling-dossier opgesteld waaruit blijkt dat het daarvoor opgestelde dyslexieprotocol is doorlopen en dat er een toestemmingsverklaring is van de ouder(s) en/of gemachtigde om dit dossier door te geleiden naar de Toegang dyslexie van de Regio Hart van Brabant.

  • 3.

    Voor de inzet van ED-zorg geldt een toelatingsprocedure die is afgestemd met het onderwijs en de jeugdhulpaanbieders. De toelatingsprocedure is te vinden op: https://www.zorginregiohartvanbrabant.nl. Toegang Dyslexie beoordeelt of aan bovenstaande voorwaarden is voldaan.

  • 4.

    Als het leerling-dossier niet voldoet aan de voorwaarden van het landelijk protocol Dyslexie Prognose en behandeling 3.0 dan maakt Toegang Dyslexie hiervan melding aan de school van de jeugdige en ouders. Zo lang niet aan de voorwaarden is voldaan, wordt geen ED-zorg ingezet.

Artikel 3.5 - Vaktherapie

  • 1.

    Vaktherapie is een behandelvorm voor jeugdigen met een psychische aandoening of psychosociale problematiek, en is de overkoepelende naam voor beeldende therapie, dans- en bewegingstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie. Bij vaktherapie ligt de nadruk meer op het doen en ervaren en minder op het praten.

  • 2.

    Vaktherapie wordt uitgevoerd door een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft afgerond. Een erkende opleiding is een door de NVAO-geaccrediteerde opleiding, een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding.

  • 3.

    Vaktherapie kan alleen worden ingezet als het college vaststelt, dat daarmee een noodzakelijke bijdrage aan de behoefte aan jeugdhulp wordt geleverd en er geen passend alternatief beschikbaar is.

Artikel 3.6 - Vervoer

  • 1.

    Het college beoordeelt of een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.5 van de verordening kan worden ingezet, met behulp van een afwegingskader vervoer dat regionaal is vastgelegd. Zie www.zorginregiohartvanbrabant.nl.

  • 2.

    Afwegingsfactoren die bij de beoordeling een rol kunnen spelen zijn:

    • a.

      of de jeugdige in staat is om zelf te reizen;

    • b.

      de aanwezigheid van een auto of de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer;

    • c.

      de tijd die nodig is voor het vervoer en de vraag of er jeugdhulp dichterbij is die ook geschikt is;

    • d.

      het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden;

    • e.

      het aantal dagen dat vervoer nodig is;

    • f.

      draagkracht en draaglast in het gezin.

  • 3.

    Als de inzet van vervoer door de gemeente noodzakelijk is, dan wordt dat opgenomen in het plan van aanpak als onderdeel van de manier waarop het beoogde resultaat behaald wordt. Gekozen wordt voor het inzetten van de minst kostbare vervoersvoorziening, waarbij het uitgangspunt is dat groepsvervoer voorgaat op individueel vervoer, en collectief vervoer op particulier vervoer.

  • 4.

    Als geen vervoersvoorziening van de gemeente wordt ingezet (taxi-vervoer), omdat de ouder(s) de jeugdige zelf kunnen vervoeren of begeleiden bij het vervoer, dan worden de reiskosten vergoed op basis van de goedkoopste passende manier van reizen, als de ouder(s) door de reiskosten niet langer in hun bestaanskosten kunnen voorzien.

  • 5.

    Vervoersvoorzieningen kunnen in de vorm van een pgb, in zorg in natura of als onkostenvergoeding beschikbaar worden gesteld.

  • 6.

    Bij reizen met de (brom)fiets of auto, wordt aangesloten bij de betreffende belastingvrije reiskostenvergoeding per kilometer. Bij reizen met het OV wordt de goedkoopste manier van reizen vergoed. De vergoeding wordt afgestemd op de kortste reisafstand tussen de woning en de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.

Artikel 3.7 - Crisishulp

In crisissituaties, zoals bedoeld in artikel 2.2 lid 5 van de verordening, verloopt de aanmelding voor jeugdhulp via het CIT. Het CIT neemt de aanvraag in behandeling en verzorgt ook de verwijzing en de toeleiding naar jeugdhulp. Als er sprake is van dergelijke crisishulp wordt de jeugdhulp zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vijf dagen, ingezet.

Artikel 3.8 - Zorg in onderwijs

  • 1.

    Het college zorgt ervoor, dat een algemene voorziening beschikbaar is, die jeugdigen in staat stelt gebruik te maken van zorg in de onderwijsomgeving (zorg in onderwijs).

  • 2.

    Jeugdigen die scholier zijn op de scholen Onderwijscentrum Leijpark in Tilburg of De Bodde in Tilburg, kunnen voor zorg in onderwijs gebruik maken van een binnen de school georganiseerde algemene voorziening. Omdat door een jeugdige gebruik gemaakt kan worden van deze voorziening, vervalt de aanspraak op een individuele voorziening jeugdhulp voor zorg in onderwijs op één van de twee genoemde scholen.

Hoofdstuk 4 – Persoonsgebonden budget (pgb)

In dit hoofdstuk staan aanvullende bepalingen over het toekennen en verstrekken van pgb’s. Deze regels vullen de regels uit hoofdstuk 4 van de verordening aan.

Artikel 4.1 – Het budgetplan

  • 1.

    Het college beoordeelt of een individuele voorziening in de vorm van een pgb kan worden verstrekt, met behulp van een gemotiveerd budgetplan. Het budgetplan maakt in ieder geval duidelijk:

    • a.

      welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders wil inkopen met het pgb;

    • b.

      welk resultaat ze daarmee willen bereiken;

    • c.

      waarom de jeugdige of zijn ouders zorg in natura niet passend vindt;

    • d.

      hoe de jeugdige of zijn ouders de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uitvoeren, of wie hiervoor is gemachtigd;

    • e.

      hoe de kwaliteit van de zelf in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • f.

      een onderbouwde begroting, bestaande uit het uurtarief van de jeugdhulpverlener en eventueel aanvullende kosten, voor zover deze voor vergoeding in aanmerking komen.

  • 2.

    Het budgetplan wordt opgesteld met behulp van een door het college vastgesteld aanvraagformulier ‘formulier budgetplan’. De aanvrager levert binnen een door het college gestelde termijn een ingevuld formulier aan, en voegt de daarbij behorende bewijsstukken bij.

Artikel 4.2 – Bepalingen over het kunnen uitvoeren van de pgb-taken

  • 1.

    Het college beoordeelt of de aanvrager voldoende pgb-vaardig is. Daarmee wordt bedoeld, dat de budgethouder in staat is de pgb-taken op een verantwoorde manier uit te voeren, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, onderdeel a van de Jeugdwet. Dat is in ieder geval niet zo, als:

    • a.

      de aanvrager handelingsonbekwaam is en onvoldoende hulp krijgt om de pgb-taken goed te kunnen uitvoeren;

    • b.

      de aanvrager onvoldoende inzicht heeft in de eigen financiële situatie, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke beperking of psychische problemen;

    • c.

      de aanvrager onvoldoende Nederlands spreekt of schrijft. Uitgangspunt is dat de budgethouder minimaal op taalniveau A2 uit het Europees referentiekader de Nederlandse taal beheerst;

    • d.

      de aanvrager een ernstige verslavingsproblematiek heeft;

    • e.

      de aanvrager schulden heeft die naar verwachting niet meer afgelost kunnen worden (problematische schulden); of als

    • f.

      aan de jeugdige en/of ouder in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een pgb, een pgb is verleend, en daarna is vastgesteld, dat de jeugdige en/of ouder niet voldeed aan de voorwaarden of verplichtingen voor dit pgb.

  • 2.

    Onder de aan het pgb verbonden taken vallen in ieder geval:

    • a.

      het beheren van het pgb;

    • b.

      het inkopen van passende ondersteuning;

    • c.

      het opstellen van het budgetplan;

    • d.

      het bijhouden van een overzichtelijke administratie;

    • e.

      het aansturen van een hulpverlener; en

    • f.

      het bewaken van de kwaliteit van de in te zetten zorg.

  • 3.

    De pgb-taken kunnen door een ander dan de budgethouder (een pgb-vertegenwoordiger) worden uitgevoerd, als het college heeft vastgesteld, dat:

    • a.

      die persoon in staat is om de pgb-taken op een verantwoorde manier uit te voeren;

    • b.

      de uitsluitingsgronden van het eerste lid niet op die persoon of organisatie aanwezig zijn; en

    • c.

      de pgb-taken niet worden uitgevoerd door de persoon of organisatie die bedrijfs- of beroepsmatig ook de jeugdhulp verleent.

Artikel 4.3 - Bepalingen over kwaliteit jeugdhulp

  • 1.

    Het college beoordeelt of de kwaliteit van de jeugdhulp die de aanvrager wil inkopen met een pgb, gewaarborgd is. Het college doet dat aan de hand van het budgetplan. In aansluiting op de kwaliteitseisen uit artikel 4.2 van de verordening geldt het volgende:

    • a.

      Het college kent geen pgb toe voor de voorziening dyslexiezorg, pleegzorg en crisiszorg.

    • b.

      Het college kent geen pgb toe voor beschermd wonen, als de budgethouder deze voorziening wil betrekken van een informeel hulpverlener.

    • c.

      Ouders en andere personen uit het sociale netwerk kunnen alleen uit een pgb worden bekostigd, als:

      • zij meerderjarig zijn; en

      • het niet om handelingen gaat die alleen maar door een professionele hulpverlener mogen worden verricht; en

      • de jeugdhulp die verleend moet worden, niet leidt tot overbelasting van de hulpverlener.

  • 2.

    Als de jeugdige of ouder een pgb besteedt bij een professioneel hulpverlener, dan voldoet deze hulpverlener aan de onderstaande kwaliteitseisen, in aansluiting op de eisen uit artikel 4.2 van de verordening. De hulpverlener verklaart in het budgetplan dat hij aan de volgende eisen voldoet:

  • 3.

    De jeugdhulpverlener beschikt over werkervaring, kwalificaties en/of opleidingen die nodig zijn voor de hulpverlening. Dat kan blijken uit één of meer van de volgende registraties, afhankelijk van de vorm en inhoud van de jeugdhulp:

    • a.

      een BIG- of SKJ-registratie;

    • b.

      een registratie bij het Registerplein (register GGZ-agogen, register Kinderwerkers & Jongerenwerkers, register Maatschappelijk werkers, register Psychodiagnostisch werkenden en register Sociaal werkers);

    • c.

      een registratie in het SRVB voor vak-therapeuten of het kwaliteitsregister voor Hoogbegaafdheid;

    • d.

      een door Crebo erkend diploma van een relevante MBO-opleiding niveau 3 of 4; of omdat

    • e.

      een SKJ of BIG geregistreerde gedragsdeskundige eindverantwoordelijk is voor de behandeling van jeugdhulp- en opvoedhulp; of

    • f.

      een BIG geregistreerde hoofdbehandelaar eindverantwoordelijk is voor een GGZ-behandeling. De rol van de hoofdbehandelaar is beschreven in een kwaliteitsstatuut, dat is geregistreerd bij het Zorginstituut Nederland; en

    • g.

      als vrijwilligers, ervaringsdeskundigen, stagiaires of niet geregistreerde medewerkers worden ingezet, zijn zij een aanvulling en worden begeleid en werken onder de verantwoordelijkheid van gekwalificeerd personeel.

  • 4.

    De jeugdhulpverlener werkt met een systematische kwaliteitsbewaking en kan dat aantonen.

  • 5.

    De organisatie waarvoor de jeugdhulpverlener werkzaam is, beschikt over een verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen die niet ouder is dan vier jaren.

  • 6.

    De jeugdhulpverlener in loondienst beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag, screeningsprofiel gezondheidszorg en welzijn van mens en dier, die is afgegeven vanaf drie maanden voordat de jeugdhulpverlener bij die organisatie is gaan werken.

  • 7.

    Degene die als zelfstandige de jeugdhulp verleent, beschikt over een verklaring omtrent het gedrag, screeningsprofiel gezondheidszorg en welzijn van mens en dier, die niet ouder is dan drie jaar.

  • 8.

    De jeugdhulpverlener kent de verplichte meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en is in staat om deze toe te passen.

  • 9.

    De jeugdhulpverlener voldoet aan de meldplicht bij een calamiteit.

  • 10.

    Werkt de jeugdhulpverlener voor een zorginstelling, dan heeft deze een klachtencommissie. Een zorginstelling met meer dan 10 personeelsleden heeft een cliëntenraad en stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn/haar taak uit te oefenen. Is de jeugdhulpverlener een zzp'er dan heeft deze een duidelijke klachtenprocedure voor de jeugdige en de ouder en informeert hen daarover.

  • 11.

    De jeugdhulpverlener in loondienst werkt voor een organisatie die een voor de bedrijfstak relevante landelijke CAO volgt of daarbij is aangesloten. Dit geldt ook voor organisaties die als onderaannemer jeugdhulp verlenen.

  • 12.

    De jeugdhulpverlener heeft zich niet schuldig gemaakt aan het leveren van ondeskundige jeugdhulp, handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding of fraude.

  • 13.

    De jeugdhulpverlener stelt de budgethouder en de gemeente direct op de hoogte van een onderzoek, dat ingesteld wordt, is of is geweest door organisaties zoals de Inspectie Gezondheidszorg en jeugd, de Nederlandse Zorgautoriteit, zorgverzekeraars, gemeenten of organisaties die belast zijn met toezicht.

  • 14.

    Is de jeugdhulpverlener in dienst van een organisatie, dan hanteert die organisatie de Governance Code Zorg 2022. Als de jeugdige, zijn ouders of gemeente hierom vraagt, licht de jeugdhulpverlener toe hoe de Governance Code wordt toegepast in de organisatie.

  • 15.

    De jeugdhulpverlener of de organisatie waarbij de jeugdhulpverlener in dienst is, voert een deugdelijke administratie, die in ieder geval inzicht geeft in de inkomsten, uitgaven en financiële verplichtingen, gestructureerde cliëntdossiers bevat en de mogelijkheid beidt voor financiële verantwoording naar bron en bestemming.

  • 16.

    Organisaties en zelfstandigen die toetreden tot de markt van jeugdhulp melden zichzelf aan bij het Inspectieloket Sociaal domein en Jeugd.

  • 17.

    Bij controle door het college is de jeugdhulpverlener of de organisatie waarbij deze in dienst is, verplicht om kosteloos daaraan medewerking te verlenen. De controles kunnen zich onder meer richten op de inhoudelijke kwaliteit, feitelijke levering en doel- en rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdhulp. De jeugdhulpverlener/organisatie levert alle gevraagde gegevens en is verplicht inzage te geven in bijvoorbeeld de personele en financiële administratie. De controles en evaluaties mogen de voortgang van de dienstverlening niet verstoren. De gemeente beoordeelt dit.

  • 18.

    De jeugdhulpverlener geeft de jeugdige, ouders, en de gemeente te allen tijde inzage in de bewijsstukken van bovenstaande kwaliteitseisen.

  • 19.

    De jeugdhulpverlener evalueert tussentijds op basis van het budgetplan de verleende ondersteuning en stelt deze waar nodig bij. Als een evaluatie leidt tot bijstelling wordt dit vastgelegd in het budgetplan.

  • 20.

    Verslagen van evaluatiegesprekken, waarmee de budgethouder of pgb-vertegenwoordiger hebben ingestemd, legt de jeugdhulpverlener vast en bewaart deze zolang dat wettelijk gezien moet (15 jaar na begeleiding).

  • 21.

    Jeugdhulpverleners en hun medewerkers houden zich aan de voor hen geldende beroepscodes.

  • 22.

    De jeugdhulpverlener Is bekend met en handelt volgens de Nederlandse wet – en regelgeving, internationale verdragen en de geldende Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg.

  • 23.

    In geval van een melding aan de toezichthoudende ambtenaar, verstrekt de jeugdhulpverlener de gegevens die voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn. Het kan daarbij o.a. gaan over persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens (als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming).

  • 24.

    De jeugdhulpverlener kan Nederlands schrijven en spreken op niveau A2 van het Europees Referentiekader.

Artikel 4.4 - De hoogte van een pgb

  • 1.

    Het college bepaalt de hoogte van het pgb op basis van het product (de specifieke voorziening) en het benodigde volume (bijvoorbeeld uren), die toegekend zouden zijn, als de aanvrager om zorg in natura had verzocht.

  • 2.

    Voor het pgb gelden de pgb-tarieven, genoemd in de Tarieven persoonsgebonden budgetten gemeente Tilburg 2026 als maximaal te verstrekken pgb. In de beschikking geeft het college het specifieke aantal uren of dagdelen van het toegekende product aan. Het maximale pgb wordt bepaald op basis van de formule: p x q (product x benodigd volume). In de beschikking wordt de maximale hoogte van het pgb in het actuele kalenderjaar vastgelegd, op basis van deze formule. Het kalenderjaar hoeft niet gelijk te zijn aan de geldigheidsduur van de beschikking.

  • 3.

    Als het maximaal aangevraagde bedrag in het budgetplan lager is dan het maximaal te verstrekken bedrag bedoeld in lid 2, dan is het budgetplan bepalend voor de hoogte van het pgb.

  • 4.

    Als een hulpverlener (formeel of informeel) gelijktijdig jeugdhulp verleent aan meerdere jeugdigen uit een gezin, dan wordt de omvang van het pgb daarop afgestemd.

Artikel 4.5 - Samenloop pgb en zorg in natura

Een voorziening in de vorm van een pgb kan worden verstrekt in combinatie met een voorziening in natura, tenzij het om meerdere voorzieningen gaat voor hoog specialistische jeugdhulp. Dan wordt slechts zorg in natura ingezet uit een oogpunt van effectiviteit van de jeugdhulp.

Artikel 4.6 - De besteding van het pgb door budgethouder

  • 1.

    Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij en vrij besteedbaar bedrag.

  • 2.

    Een eenmalige uitkering kan worden toegekend aan een professionele of informele hulpverlener die werknemer of opdrachtnemer is van de budgethouder en die onvoorzien zonder werk komt, door de beëindiging van een contract met budgethouder. Voorwaarde is wel, dat er een geldige arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht met de hulpverlener is gesloten. De eenmalige uitkering is niet bedoeld voor zorginstellingen en mag daarvoor niet worden ingezet.

  • 3.

    Een feestdagenuitkering bedraagt maximaal € 272,- en kan alleen worden verstrekt aan hulpverleners (professioneel en informeel) die werknemer of opdrachtnemer zijn van de budgethouder. Een feestdagenuitkering kan niet worden uitbetaald aan zorginstellingen.

  • 4.

    Een pgb mag alleen na schriftelijke toestemming van het college besteed worden in het buitenland.

  • 5.

    Als een pgb niet volledig benut wordt, kan een budgethouder met meerdere pgb’s die budgettaire ruimte niet benutten voor andere pgb’s, tenzij hierover afwijkende schriftelijke afspraken zijn gemaakt met het college.

Artikel 4.7 - Uitbetaling van het pgb, trekkingsrecht

  • 1.

    Nadat het college een pgb heeft toegekend, sluit de budgethouder een zorgovereenkomst met de jeugdhulpverlener. De budgethouder is verplicht hiervoor de modelzorgovereenkomsten van de SVB te gebruiken. Bij elke betaalopdracht controleert de SVB of de betaling klopt met deze zorgovereenkomst.

  • 2.

    Uitbetaling en verantwoording van het pgb vindt plaats via de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd. De SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de hulpverlener. De niet bestede pgb-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.

Artikel 4.8 - Beëindiging, herziening, intrekking of terugvordering van het pgb

  • 1.

    In aanvulling op artikel 5.1 van de verordening wordt een pgb beëindigd wanneer:

    • a.

      uit de gegevens van de SVB blijkt dat het pgb niet binnen zes maanden na toekenning is besteed;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouders verhuist naar een andere gemeente, en het college daardoor niet langer verantwoordelijk is voor het verstrekken van jeugdhulp;

    • c.

      de persoon voor wie het pgb was bedoeld, is overleden;

    • d.

      de situatie van de jeugdige of zijn ouders is veranderd en de gemeente vaststelt dat de voorziening daardoor niet meer voldoet;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouders een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling of voorziening die in de behoefte aan jeugdhulp voorziet, zoals de Wet langdurige zorg;

    • f.

      het pgb wordt omgezet in zorg in natura; of als

    • g.

      de budgethouder geen of onvoldoende verantwoording aflegt aan de SVB of het college.

  • 2.

    Het pgb kan in de gevallen uit het eerste lid ook met terugwerkende kracht worden ingetrokken vanaf de datum waarop de reden van intrekking zich heeft voorgedaan.

Hoofdstuk 5 – Verplichtingen

In dit hoofdstuk staan enkele bepalingen over verplichtingen die jeugdigen en ouders hebben. Deze bepalingen vullen de bepalingen uit hoofdstuk 5 van de verordening aan.

Artikel 5.1 - Medewerkingsplicht

  • 1.

    De jeugdige en zijn ouders zijn op verzoek van het college verplicht mee te werken aan de uitvoering van de wet. Die medewerking is nodig om te kunnen vaststellen of jeugdhulp ingezet moet worden, en welke vorm en inhoud die hulp moet hebben. Onder de medewerkingsplicht wordt in ieder geval verstaan, het op verzoek:

    • a.

      meewerken aan het onderzoek naar de inzet van jeugdhulp, als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening;

    • b.

      verstrekken van een identiteitsbewijs;

    • c.

      meewerken aan een evaluatie van de ingezette jeugdhulp, als het college hierom vraagt;

    • d.

      deelnemen aan een medisch onderzoek of een onderzoek naar de persoonlijke of gezinssituatie;

    • e.

      indienen van een ingevuld budgetplan met de daarbij behorende bewijsstukken;

    • f.

      toestemming geven voor het opvragen en gebruiken van informatie van andere organisaties, als dat nodig is voor het bepalen van het recht op jeugdhulp en de invulling daarvan.

  • 2.

    Als het college niet kan vaststellen of voldaan is aan de voorwaarden voor een individuele voorziening of een pgb, omdat de jeugdige of ouders onvoldoende medewerking geeft, dan weigert het college de voorziening of het pgb, voor zover het college door die weigering de noodzaak voor jeugdhulp niet kan vaststellen.

Hoofdstuk 6 - Slotbepalingen

In dit hoofdstuk staan de slotbepalingen, die betrekking hebben op klachten, gegevensuitwisseling, hardheidsclausule en inwerkingtreding van deze regels. Deze regels vullen de bepalingen uit de hoofdstukken 8 en 9 van de verordening aan.

Artikel 6.1 - Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen uit deze nadere regels, als het college vaststelt, dat toepassing van de regels onredelijke uitkomsten heeft voor de jeugdige of de ouders.

Artikel 6.2 - Klachtenregeling

Het college en Toegang Tilburg registeren afzonderlijk alle ingediende klachten (ook mondeling ingediende en informeel afgehandelde klachten). Over elke klacht blijven gedurende minimaal één jaar de volgende gegevens beschikbaar bij het college of bij Toegang Tilburg:

  • a.

    naam en adres van de klager;

  • b.

    datum ontvangst klacht;

  • c.

    aard van de klacht (bijvoorbeeld bejegening, fout, termijnoverschrijding /wachttijd, informatievoorziening);

  • d.

    datum afhandeling klacht;

  • e.

    wijze van afhandeling (telefonisch, schriftelijk/email, doorgezonden naar klachtencoördinator);

  • f.

    oordeel: gegrond, gedeeltelijk gegrond, ongegrond, niet ontvankelijk, geen uitspraak, anders (bemiddeld, doorverwezen, informatie).

Artikel 6.3 - Privacy en vastlegging van gegevens in een dossier

  • 1.

    Het uitwisselen van persoonsgegevens van een jeugdige tussen gemeente, verwijzer en hulpverlener(s) is mogelijk, als:

    • a.

      de jongere en/of ouder hiervoor toestemming geeft;

    • b.

      de wet het expliciet verplicht;

    • c.

      er sprake is van een crisissituatie;

    • d.

      het noodzakelijk is voor de uitvoering van een (behandel)overeenkomst waarbij de jongere en/of ouder partij is;

    • e.

      dit noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag (hier de Jeugdwet).

  • 2.

    Hulpvragen, de afhandeling daarvan, de bouwstenen voor een plan van aanpak, en een aanvraag voor een individuele voorziening (QuickScan, integrale vraaganalyse en plan van aanpak) worden voor zover nodig vastgelegd in het dossier van Toegang Tilburg en van het college.

  • 3.

    De beoogde doelen, voortgang en resultaten van de individuele voorziening zoals teruggekoppeld door de jeugdhulpaanbieder worden verwerkt in het dossier van Toegang Tilburg en van het college.

  • 4.

    De gegevens van de jeugdige, de ouder en overige betrokkenen worden in het dossier van Toegang Tilburg verwerkt conform het privacy protocol voor Toegang Tilburg.

  • 5.

    Het college deelt de gegevens die vermeld staan in de beschikking met de jeugdhulpaanbieder ten behoeve van het declaratieproces.

Artikel 6.4 – Intrekking en inwerkingtreding

  • 1.

    De Nadere regels jeugdhulp gemeente Tilburg 2025 worden ingetrokken.

  • 2.

    De Nadere regels jeugdhulp gemeente Tilburg treden in werking op 1 januari 2026.

  • 3.

    Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels jeugdhulp gemeente Tilburg.

Aldus besloten op 9 december 2025,

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

de gemeentesecretaris

de burgemeester

Bijlage - Richtlijn gebruikelijke hulp

 

Deze bijlage behoort bij artikel 3.4 lid 4 van de Verordening en artikel 3.2 lid 2 van de Nadere regels.

 

Bij het bepalen van gebruikelijke hulp wordt gekeken naar de gemiddelde tijdsbesteding die bij die activiteit bij een jeugdige met een normale ontwikkeling van dezelfde leeftijd gebruikelijk is. Voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind zijn ouder(s) verantwoordelijk voor:

  • een veilige en beschermende woonomgeving (hiermee bedoelen we fysieke en sociale veiligheid);

  • een passend pedagogisch klimaat en stimulans in de ontwikkeling van de jeugdige;

  • verzorging, begeleiding en opvoeding.

Richtlijnen om de (omvang van de) gebruikelijke hulp te bepalen

Het is gebruikelijk dat ouders hun kind de dagelijkse zorg, hulp en ondersteuning bieden die past bij de levensfase van het kind. Hier volgen algemene richtlijnen voor gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel per leeftijdscategorie. Deze worden gebruikt om te beoordelen of jeugdhulp nodig is.

 

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

  • ouderlijk toezicht is 24 uur per dag zeer nabij nodig;

  • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

  • hebben hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

  • hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

  • hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

  • hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

  • zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische, geestelijke en emotionele ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

  • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Naar boven