Gemeenteblad van Tilburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2025, 553335 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2025, 553335 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat de betekenis is van bepaalde begrippen die in deze verordening worden gebruikt. Ook staat in dit hoofdstuk wat het vertrekpunt is voor de regels van deze verordening.
Ouders zijn als eerste verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Zij zetten zich ervoor in, dat hun kinderen opgroeien in een gezonde en veilige omgeving, hun talenten kunnen ontplooien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige en zelfredzame personen die volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Die verantwoordelijkheid hebben ouders ook als hun kinderen problemen, stoornissen of beperkingen hebben. Als ouders daar hulp bij nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op het college, en samen bespreken welke zorg, hulp of ondersteuning er nodig is en hoe daarin voorzien kan worden. Het college hanteert bij de verlening van jeugdhulp een gezinsgerichte aanpak, waar mogelijk gericht op herstel of versterking van de eigen kracht.
Jeugdigen en hun ouders kunnen met een hulpvraag terecht bij Toegang Tilburg. Omdat Toegang Tilburg namens het college hulpvragen behandelt, wordt verder over ‘het college’ gesproken. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste procedureregels en is aangegeven hoe het college tot een besluit over de hulpvraag komt. Verder zijn enkele regels opgenomen over doorverwijzing naar jeugdhulp door artsen.
Artikel 2.2 Jeugdhulp via de gemeente
Binnen twee weken na de melding wordt met de jeugdige en zijn ouders een afspraak gemaakt voor een gesprek over de hulpvraag. Het college wijst de jeugdige en zijn ouders erop dat zij zelf een plan kunnen maken voor een oplossing van de hulpvraag (familiegroepsplan) en dat zij daarbij hulp kunnen krijgen van een cliëntondersteuner.
Artikel 2.4 Deskundigheid en advisering
Als het college op bepaalde specifieke punten deskundigheid mist, wint het college advies in bij een adviseur, voor zover dit voor het onderzoek of de beoordeling nodig is (deskundig oordeel). Dit advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
Het college koopt samen met de regiogemeenten in Hart van Brabant voorzieningen in. In dit hoofdstuk staat welke jeugdhulp het college kan inzetten en welke voorwaarden daarvoor gelden. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de eigen kracht van de ouders en jeugdigen om zelf in de behoefte aan jeugdhulp te voorzien.
Artikel 3.1 Algemene voorzieningen - vormen
Het college biedt algemene voorzieningen aan, die het gezinsleven van de jeugdige en zijn ouders ondersteunen. Deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk. De volgende voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
Artikel 3.2 Individuele voorzieningen – vormen
Naast algemene voorzieningen kan het college individuele voorzieningen inzetten. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
Artikel 3.4 Beoordeling eigen kracht
Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedvragen. Zij komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf met de inzet van eigen kracht geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Dat vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden (zie ook artikel 1.2).
Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp geven ouders zelf, omdat het onder hun zorgplicht valt. Alleen bij (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen kan het college een voorziening inzetten, als er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Het college betrekt daarbij de capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders. De voorziening wordt in beginsel voor korte tijd ingezet, en duurt niet langer dan nodig is om de balans tussen draagkracht en draaglast te herstellen.
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of problemen nodig heeft. Het college houdt in ieder geval rekening met de volgende factoren:
Het college maakt daarbij gebruik van de uitgangspunten uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 bijlage 3, die zijn uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1.
Ook langdurige bovengebruikelijke hulp valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Van ouders wordt verwacht, dat zij deze hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast in het gezin daardoor zo verstoord raakt, dat dit niet langer van de ouders kan worden verlangd. Aan de hand van de factoren uit het vijfde lid wordt bepaald of dit het geval is.
Hoofdstuk 4 – Het persoonsgebonden budget
De gemeente kan de jeugdhulp zelf organiseren (zorg in natura), maar ook een persoonsgebonden budget (pgb) toekennen. Daarmee kunnen de jeugdige en zijn ouders zelf de jeugdhulp inkopen. In dit hoofdstuk staan regels over het pgb. Deze regels vullen de wettelijke regels aan.
Artikel 4.1 Aanvullende regels voor pgb
Als de ouders of de jeugdige een individuele voorziening zelf willen inkopen met een pgb, dan stellen zij een budgetplan op. Zij geven daarmee aan hoe het pgb wordt besteed. Op basis van het budgetplan beoordeelt het college of voldaan is aan de voorwaarden die gelden voor een pgb, zoals genoemd in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
Artikel 4.3 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp
Onder professionele hulp wordt verstaan de jeugdhulp die wordt verleend door iemand die:
werkervaring, kwalificaties of een opleiding heeft die nodig is voor de jeugdhulp die ingezet moet worden. Dat kan blijken uit een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) of bedoeld in artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet (SKJ-registratie), of uit een andere erkende registratie voor beroepsgroepen of uit specifieke diploma’s; en die
Als het tarief niet toereikend is om daarmee passende jeugdhulp in te kopen, en als het college geen aanbieder heeft gecontracteerd voor de toegekende jeugdhulp, dan wordt het tarief op een bedrag gesteld, waarmee bij ten minste één jeugdhulpverlener of organisatie de jeugdhulp ingekocht kan worden.
Het tarief voor informele hulp is gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek, behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg) die voor dezelfde periode geldt, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. De pgb’s worden geïndexeerd in overeenstemming met deze cao.
Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving
In dit hoofdstuk is de informatie- en medewerkingsplicht van jeugdigen en hun ouders geregeld. Ook is geregeld wat de gevolgen zijn als zij zich daar niet aan houden, en hoe het college misbruik en oneigenlijk gebruik van jeugdhulp tegengaat.
Artikel 5.1 Informatieplicht, intrekking en terugvordering
Degene aan wie een individuele voorziening is toegekend, is verplicht om alle feiten en omstandigheden waarvan het hem duidelijk moet zijn, dat die tot een wijziging van het besluit over die voorziening kunnen leiden, zo snel mogelijk te melden aan het college, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek.
Artikel 5.2 Bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik
Het college maakt afspraken met jeugdhulpaanbieders over facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. Het college controleert regelmatig of deze afspraken worden nagekomen. Deze controle kan steekproefsgewijs worden gedaan.
Hoofdstuk 6 – Reële tarieven jeugdhulp
Kwalitatief goede jeugdzorg staat of valt met goed functionerende jeugdhulpaanbieders. Voor een gezonde bedrijfsvoering is het nodig dat gemeenten met aanbieders reële prijzen afspreken voor te leveren diensten. In dit hoofdstuk zijn daarover enkele regels opgenomen.
Hoofdstuk 7 - Afstemming met andere domeinen en overgang 18+
Jeugdhulp van de gemeente moet worden afgestemd met andere vormen van hulp, zorg of ondersteuning, zodat het effect van de jeugdhulp optimaal is. In dit hoofdstuk staan regels over de manier waarop die afstemming wordt gezocht.
Hoofdstuk 8 – Klachtregeling, vertrouwenspersoon en inspraak
In dit hoofdstuk is geregeld dat jeugdigen en ouders klachten kunnen indienen, een vertrouwenspersoon kunnen inschakelen en dat inwoners inspraak kunnen leveren op het gemeentelijk beleid.
Het college zorgt voor een goed toegankelijke en heldere procedure voor de afhandeling van klachten van een jeugdige of ouder over gedragingen van medewerkers van het college.
In dit slothoofdstuk staan regels over het gebruik van de hardheidsclausule, de bevoegdheid van het college om op onderdelen invulling te geven aan bepalingen uit deze verordening, en regels rondom de inwerkingtreding.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening naar het oordeel van het college onredelijke uitkomsten heeft.
Artikel 9.2 Nadere regels jeugdhulp
Het college kan Nadere regels jeugdhulp vaststellen. In deze regels kan verdere invulling worden gegeven aan de volgende artikelen uit deze verordening:
‘Alle kinderen moeten gezond en veilig kunnen opgroeien, hun talenten ontwikkelen en naar vermogen participeren in de samenleving. Ouders zijn hiervoor eerst verantwoordelijk. De overheid komt in beeld als dit niet het vanzelf gaat. Dan moet het jeugdstelsel snel, goed en op maat functioneren. Deze inzet vloeit mede voort uit het VN-verdrag betreffende de rechten van het kind.’ Daarmee begint de memorie van Toelichting bij de Jeugdwet. Doel van deze wet is om jeugdproblemen beter te kunnen aanpakken, de hulpverlening te de-medicaliseren, ouders te bekrachtigen, maatwerk te kunnen leveren en ruimte te geven aan de professional, vanuit het credo: één gezin, één plan, één regisseur. Dat doel is nog ongewijzigd. Wel zijn inmiddels op onderdelen verbetervoorstellen in ontwikkeling (de zgn. Hervormingsagenda Jeugd). Er worden echter niet op afzienbare termijn belangrijke aanpassingen in het jeugdstelsel verwacht.
In de Jeugdwet worden o.a. de gemeenteraad en het college aangewezen om aan de Jeugdwet uitvoering te geven. Het is de taak van het college om jeugdhulp in te zetten als de jeugdige of ouders dit nodig hebben vanwege problemen bij de opvoeding, de groei naar zelfredzaamheid of de deelname aan de maatschappij (dit is de zgn. jeugdhulpplicht). De gemeenteraad moet regels stellen, zodat richting gegeven wordt aan de uitvoering van de jeugdhulpplicht door het college. De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad in de verordening in ieder geval regels opstelt over:
Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en geeft ruimte om, rekening houdend met wat in de Jeugdwet staat, nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan inkopen bij een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. In deze verordening stelt de gemeenteraad kaders, die het college richting geven bij het verlenen van jeugdhulp. De verordening is opgedeeld in hoofdstukken. Ieder hoofdstuk begint met een korte samenvatting van de regels uit dat hoofdstuk.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Enkele begrippen nader toegelicht:
Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening. Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig. De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. Maar in de Memorie van toelichting spreekt de wetgever over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en ook binnen de Wmo2015 gebruikt wordt, is deze overgenomen in de verordening.
Lid 1 onderdeel b: cliëntondersteuner. Het college wijst jeugdigen en ouders op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. De definitie is ontleend aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo2015 - artikel 1.1.1). Daar is cliëntondersteuning geregeld en omvat ook ondersteuning aan ouders en jeugdigen. Cliëntondersteuning wordt in Tilburg vormgegeven door ‘meedenkers’ vanuit de maatschappelijke organisaties MEE en ContourDetwern.
Lid 1 onderdeel d: eigen kracht. Zowel bij degenen die beroepsmatig betrokken zijn bij jeugdhulp als bij de doelgroep, zal het begrip ‘eigen kracht’ een bekendere klank hebben, dan het in de Jeugdwet gebruikte ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’, zoals in bijv. artikel 2.3 lid 1 wordt genoemd. Er wordt wel hetzelfde bedoeld.
Lid 1 onderdeel f: individuele voorziening. Een individuele voorziening is niet vrij toegankelijk. Hiervoor is een individuele – op de jeugdige of zijn ouders toegesneden - beoordeling door of namens het college voor nodig.
Lid 1 onderdeel g: nadere regels. Nadere regels hebben dezelfde functie als regels uit de verordening: het zijn algemene regels die bindend zijn voor ouders en jeugdigen (algemeen verbindende voorschriften), die door het college zijn vastgesteld. Ze geven meer detail en duidelijkheid over hoe een bestaande regel moet worden toegepast.
Lid 1 onderdeel j: Samenwerkingsverband hoogspecialistische jeugdhulp. Hoog specialistische jeugdhulp is intensieve hulp bij zeer complexe en/of meervoudige problematiek. Ook verblijfsvoorzieningen met behandelgroepen, waar een jeugdige buiten het eigen gezin opgevangen wordt, vallen onder de hoog specialistische jeugdhulp. Deze hoogspecialistische jeugdhulp wordt ingezet na doorverwijzing door Toegang Tilburg of artsen naar Crossroads, een samenwerkingsverband van jeugdhulpaanbieders. Crossroads is een zorgcombinatie van specialistische organisaties in de regio’s West Brabant West, Hart van Brabant en West Brabant Oost. Na doorverwijzing koppelt Crossroads een geschikte hulpverlener aan de jeugdige.
Lid 1 onderdeel k: sociale netwerk. Om te verduidelijken wat onder sociale netwerk wordt verstaan is hier een omschrijving opgenomen. Het gaat om mensen die een betekenisvolle sociale relatie hebben met de jeugdige of zijn ouders. Het gaat dus niet om personen die een zakelijke/commerciële relatie met de jeugdige/ouders hebben, bijv. een huisgenoot met een huurcontract. Het begrip komt overeen met het sociaal netwerk in de Wmo2015.
Lid 1 onderdeel l: Toegang Tilburg. Toegang Tilburg is een samenwerking van de afdelingen Dienstverlening en Werk & Inkomen van de gemeente Tilburg, IMW regio Tilburg, MEE De Meent Groep en GGD Hart voor Brabant. Toegang Tilburg helpt inwoners die met een vraag of probleem zitten over thema’s als opvoeding, werk en inkomen, en wonen, en neemt namens het college meldingen voor hulpvragen in behandeling, maar neemt geen besluiten. De dienstverlening van Toegang Tilburg is o.a. georganiseerd via meerdere wijkteams.
Lid 2. Het aantal definities is beperkt, omdat de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dat geldt ook voor definities die in het Besluit Jeugdwet, de regeling Jeugdwet en in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn opgenomen en in deze verordening worden gebruikt. Denk aan de begrippen ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘besluit’ (artikel 1:2 van de Awb).
In dit artikel is het uitgangspunt van de gemeentelijke jeugdhulp verwoord. Daarbij wordt nauw aangesloten bij het startpunt van de wetgever, zoals hierboven in het algemene deel is weergegeven. Centraal staat de zorg- en opvoedingsplicht van ouders voor hun kinderen, die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek. Zij hebben de regie in het gezin. De gemeente komt in beeld als ouders er, evt. met behulp van het sociaal netwerk, niet uitkomen. De ondersteuning van de gemeente is aanvullend en versterkend, en zo kort mogelijk, uiteraard afhankelijk van de situatie van de jeugdige en zijn ouders. Bij een blijvende lichamelijke of psychische beperking kan de ondersteuning van de gemeente voor langere tijd nodig zijn. Aangesloten wordt bij de ‘eigen kracht’ van het gezin. Vanuit deze startpositie wordt beoordeeld of jeugdhulp nodig is en ingezet wordt. De regels in de verordening, en in het bijzonder die van artikel 3.3 en 3.4 worden als het ware ingekleurd vanuit het geschetste perspectief.
Anders dan in de Wmo is in de Jeugdwet niet bepaald dat in de verordening geregeld moet worden hoe het onderzoek naar de gevraagde inzet van jeugdhulp moet worden ingericht. Omdat dit onderzoeksproces zo’n cruciale rol speelt bij het bepalen of en hoe er jeugdhulp kan worden ingezet, zijn er in aansluiting op de Wmo-verordening regels over gesteld.
Artikel 2.1 Jeugdhulp via een arts
Lid 1. Op grond van artikel 2.6 Jeugdwet kunnen huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen direct doorverwijzen naar jeugdhulp. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks melden bij de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder stelt zelf vast welke jeugdhulp ingezet wordt, maar is bij het bepalen van de vorm van jeugdhulp, de frequentie en duur, gebonden aan wat er in de verordening is opgenomen. Gaat het om hoog specialistische hulp (intensieve hulp, dan verwijst de arts door naar Crossroads.
Lid 2. De gemeente kan voorwaarden stellen aan de vorm van de hulp. Eén van die voorwaarden is dat doorverwezen wordt naar door het college gecontracteerde hulp. Artsen verwijzen in beginsel niet door naar (niet-gecontracteerde) hulp.
Lid 3. De gemeente heeft met een aantal jeugdhulpaanbieders contractuele afspraken gemaakt over de inzet van jeugdhulp, en daaraan voorwaarden en verplichtingen verbonden. De jeugdhulp die wordt ingezet na doorverwijzing door artsen, behoort binnen deze afspraken te blijven. Het college kan controleren of jeugdhulpaanbieders/Crossroads zich houden aan de afspraken. Dat is veelal contractueel geregeld en volgt ook uit artikel 5.2 lid 3 van deze verordening.
Artikel 2.2 Jeugdhulp via de gemeente
Leden 1 t/m 3. Een melding voor een hulpvraag kan bij Toegang Tilburg – namens het college – worden gedaan. In dit artikel zijn de belangrijkste elementen van de procedure beschreven: de verschillende manieren waarop de melding kan worden gedaan, de ontvangstbevestiging, vraagverheldering, het gesprek over de hulpvraag, het familiegroepsplan en de hulp van een cliëntondersteuner. In Nadere regels of beleidsregels kan de procedure meer in detail worden uitgewerkt. Uitgangspunt is, dat meldingen op allerlei manieren kunnen worden gedaan. Toegang Tilburg checkt vervolgens of het een vraag is over jeugdhulp of een ander/breder type vraag, en waar de vraag het beste kan worden beantwoord. Vervolgens kan een aanvraag worden ingediend. Toegang Tilburg kan daarvoor een schriftelijk of digitaal formulier gebruiken in de zin van artikel 4:4 Awb. De procedure m.b.t. het indienen van aanvragen wordt beheerst door de Awb. Een melding die voldoende concreet is, kan een aanvraag zijn, waarop een besluit moet volgen (met bezwaarclausule), en waarvoor bepaalde behandelvoorschriften gelden.
Lid 4. Toegang Tilburg zorgt ervoor dat meldingen op korte termijn in behandeling worden genomen. De eerstvolgende stap is dan een gesprek met de jeugdige en zijn ouders. Het college wijst op de mogelijkheid om een familiegroepsplan te maken. Dat is een plan dat ouders samen met de jeugdige en het sociale netwerk maken om de problematiek het hoofd te bieden. Ouders houden daarmee de regie over het proces om de situatie te verbeteren. Het familiegroepsplan wordt dan betrokken bij de hulpvraag. Cliëntondersteuners – meedenkers van MEE of ContourDeTwern - kunnen ouders ondersteunen om het familiegroepsplan vorm te geven.
Lid 5. Voor het nemen van een passend besluit op de hulpvraag is het noodzakelijk dat ouders en jeugdigen tijdig de juiste gegevens doorgeven én meewerken aan het onderzoek waar dat nodig is (zie ook artikel 8.1.2 lid 3 Jeugdwet). Dat is hier vastgelegd. Ontbreekt het aan die gegevens of medewerking, dan kan niet beoordeeld worden of er jeugdhulp ingezet moet worden, en kan een aanvraag worden afgewezen.
Lid 6. In spoedeisende situaties moet snel hulp ingezet kunnen worden. Dat is hier beschreven. Het gaat altijd om hulp die voor een beperkte periode wordt ingezet, totdat een meer definitief besluit over jeugdhulp kan worden genomen.
Leden 1 t/m 3. Namens het college verricht Toegang Tilburg onderzoek naar de hulpvraag. Dat onderzoek wordt in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is in de regel persoonlijk contact (een gesprek) nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een deskundige, zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Als het nodig is vinden er meer gesprekken plaats.
Tijdens het gesprek komt een groot aantal aandachtspunten langs. In de in lid 1 genoemde factoren zijn de vijf stappen herkenbaar die de Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld als kaders voor een zorgvuldig onderzoek. Het is uiteraard niet zo, dat alle stappen altijd doorlopen moeten worden en alle factoren onderzocht moeten worden. Het kan zijn dat het onderzoek vroegtijdig kan worden afgerond, bijvoorbeeld omdat vastgesteld wordt dat het gezin de problemen zelf kan oplossen (onderdeel b) vanwege de ‘eigen kracht’ van de ouders en de jeugdige. Daarvoor is een goede ‘scan’ van het gezinssysteem van belang, en vooral de draagkracht (in de betekenis van de belastbaarheid) en draaglast (belasting). Andere factoren waarmee rekening moet worden houden, zijn o.a. de mate waarin het wijkteam in de behoefte aan jeugdhulp kan voorzien, de inzet van het sociale netwerk, en de afstemming met andere domeinen. Als het gaat om de vorm van de jeugdhulp, dan let het college op de culturele achtergrond van het gezin en eventuele wensen en voorkeuren van de jeugdige en de ouders. Is er een familiegroepsplan opgesteld, dan wordt dit bij het onderzoek betrokken.
Lid 4. Soms is een gesprek niet nodig, bijvoorbeeld als de hulpvraag voldoende bekend is, als duidelijk is dat er een voorziening buiten de Jeugdwet kan worden ingezet, of als de situatie zich heeft gewijzigd waardoor jeugdhulp niet langer nodig is.
Leden 5 en 6. Bij een zorgvuldige procedure hoort een zorgvuldige weergave van het gesprek en het onderzoek, en een zorgvuldige dossiervorming. Het schriftelijk verslag van gesprek en onderzoek, wordt opgenomen in een plan van aanpak. Dat is feitelijk een uitgewerkt verslag, voorzien van een conclusie en een voorstel over de hulpvraag. In dat plan worden ook evt. afspraken met de jeugdige en zijn ouders, en verplichtingen die daarmee samenhangen, vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de jeugdige en/of ouders dit plan ondertekenen. Daarvoor staat een termijn van tien werkdagen. Duurt het langer voordat het Plan van aanpak wordt teruggestuurd, dan wordt het minder zeker dat de conclusies en voorstellen nog passend zijn. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden is vormvrij. De opmerkingen en de ondertekening van het Plan van aanpak kunnen worden aangemerkt als een zienswijze op het voorgestelde besluit en een formalisering van het verzoek om een besluit te nemen.
Artikel 2.4 Deskundigheid en advisering
Eén van de uitgangspunten van de Jeugdwet is het principe van verantwoorde werktoedeling. Dit betekent dat het college de juiste professional inzet voor de juiste taken en op de juiste plek. De professional moet goed zijn opgeleid en de juiste kennis en vaardigheden hebben voor het doen van onderzoek en het beoordelen van de hulpvraag. Dat is verwoord in lid 1. Is de benodigde expertise in een concrete situatie niet beschikbaar, dan kan gebruik gemaakt worden van de diensten van externe adviseurs (lid 2). Zij moeten wel beschikken over een kwaliteitskeurmerk. Is dat kenmerk niet in de verordening geregeld, dan is ‘een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzetten van de aangewezen voorziening, zoals in artikel 2.3 van de Jeugdwet vereist, onvoldoende in wettelijke maatstaven gewaarborgd.’, aldus de Centrale Raad van Beroep (29 mei 2024 - ECLI:NL:CRVB:2024:1097). De hier genoemde registraties vormen daarvoor een voldoende basis.
Eindpunt van het onderzoek naar de hulpvraag vormt het besluit van het college. Besluitvorming is niet gemandateerd aan Toegang Tilburg. Dat is voorbehouden aan het college zelf. De minimale vereisten voor de inhoud van een toekenningsbesluit zijn hier genoemd, om helderheid te geven over de inhoud van dergelijke beschikkingen. Deze vloeien ook al voort uit de artikelen 4:50 en 4:51 Awb, maar zijn hier voor de duidelijkheid genoemd. Voor de motivering van het besluit kan worden verwezen naar het Plan van aanpak, dat als bijlage kan worden bijgevoegd.
Als blijkt dat er een noodzaak is voor hoog specialistische jeugdhulp wordt door Toegang Tilburg zo snel mogelijk contact opgenomen met Crossroads. Crossroads bepaalt de aard van de hoog specialistische jeugdhulp en neemt namens de gemeente een besluit. Crossroads informeert via een beschikking de ouders/jeugdige.
Artikel 2.9 onderdeel a Jeugdwet verplicht de gemeenteraad om regels te stellen over de inzet van individuele en overige voorzieningen. Die regels hebben betrekking op het verduidelijken welke voorzieningen beschikbaar zijn, en wat de voorwaarden zijn voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
Artikel 3.1 Algemene voorzieningen – vormen
In dit artikel is een beknopt overzicht gegeven van algemene voorzieningen die de gemeente kan inzetten. Gekozen is voor het begrip ‘algemene voorziening’ als synoniem van het in de Jeugdwet gebruikte ‘overige voorziening’, omdat dit meer zeggingskracht heeft en dit begrip bovendien gebruikt wordt in de Wmo2015 en daar dezelfde betekenis heeft: het gaat het om een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is, zonder dat een aanvraagprocedure nodig is. Het is overigens wel denkbaar dat door de gemeente verlangd wordt dat de aanvrager voldoet aan een beperkt aantal algemeen geformuleerde maatstaven. Zo zouden bijvoorbeeld alleen personen die ouder of verzorger zijn in aanmerking kunnen komen voor een bepaalde voorziening die aangeboden wordt in verband met opvoedkundige problemen.
De in dit artikel opgesomde algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar. Het is denkbaar dat daarnaast nog andere worden ontwikkeld. Die kunnen bijvoorbeeld door de wijkteams van Toegang Tilburg beschikbaar worden gesteld. Naast informatie en advies, kan het bijvoorbeeld om (veel voorkomende) lichtere vormen van jeugdhulp gaan, denk aan begeleiding, persoonlijke verzorging of lichte specialistische behandelingen. Is er een geschikte algemene voorziening beschikbaar, dan gaat deze voor op een individuele voorziening, en hoeft het college geen individuele voorziening in te zetten.
Artikel 3.2 Individuele voorzieningen - vormen
Als algemene voorzieningen niet/onvoldoende in de behoefte aan jeugdhulp kunnen voorzien, kan een individuele voorziening op zijn plaats zijn. Dat vraagt altijd een individuele beoordeling. In dit artikel staan een aantal vormen genoemd die kunnen worden ingezet. Blijkt in een uitzonderlijk geval de inzet van andere – niet genoemde – voorzieningen nodig, dan is het college verplicht te regelen dat die ingezet worden, ook al is die vorm niet gecontracteerd.
Onderscheid is gemaakt tussen voorzieningen die aan een jeugdige in de thuissituatie kunnen worden verstrekt, en voorzieningen die kunnen worden ingezet als de jeugdige in het kader van jeugdhulp elders verblijft, bijvoorbeeld in een instelling of een beschermde woonvorm. Een korte toelichting op enkele vormen:
Artikel 3.3 Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp
In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is dit vormgegeven.
Lid 1. Het college stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Vervolgens moet het college concreet maken om welke problemen of stoornissen het gaat. Daarna beoordeelt het college welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Vervolgens beoordeelt het college wat de jeugdige en zijn ouders zelf kunnen doen (eigen kracht – zie ook artikel 3.4). Tot slot kijkt het college of er andere mogelijkheden zijn om in de behoefte aan jeugdhulp te voorzien, zoals een voorliggende voorziening, dwz. een voorziening op grond van een andere wet als de Jeugdwet die een oplossing geeft voor de hulpvraag (artikel 1.2 Jeugdwet). Deze stappen volgen al uit artikel 2.3 Jeugdwet, maar zijn hier als voorwaarden voor individuele voorzieningen opgenomen.
Lid 2. Belangrijk uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen, is dat het college het beschikbare budget doelmatig besteed. Daarom kiest het college, rekening houdend met alle relevante factoren (zie artikel 2.3), voor de voorziening die de gemeente het minste kost, als er een keus gemaakt kan worden uit meerdere voorzieningen.
Artikel 3.4 Beoordeling eigen kracht
De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 on een drietal uitspraken vastgesteld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe invulling wordt gegeven aan de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht) van ouders. Die invulling staat in dit artikel. De afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht.
Lid 1. In lid 1 staat dat ouders en jeugdigen primair zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van een antwoord op de opgroei- en opvoedingsvragen die zij hebben. Zij zetten hun eigen kracht daarvoor in. Artikel 1.2 is onverminderd van toepassing: voor ouders geldt dat zij een zorgplicht hebben voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 1:82 BW en 1:247 BW, en omvat o.a. ouderlijk toezicht, verzorging, begeleiding en opvoeding.
Lid 2. Hier worden vier situaties genoemd waarin sprake is van eigen kracht. Activiteiten, handelingen e.d. die als gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp van ouders kunnen worden aangemerkt, vallen onder het begrip ‘eigen kracht’ (zie de definitie uit artikel 1 lid 1 onderdeel d). De inzet van sociaal netwerk en het benutten van andere passende voorzieningen vallen daar ook onder. Bij dergelijke voorzieningen gaat het niet alleen over wettelijke voorzieningen, zoals op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, maar ook diensten die maatschappelijke organisaties aanbieden, zoals coaching, schuldhulpverlening, opvoedondersteuning e.d. Die inzet moet dan wel concreet beschikbaar zijn. Het college moet dat onderzoeken. Deze bepaling moet ook worden gelezen in samenhang met artikel 1.2 (Uitgangspunt). Daar is verwoord, dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Dat geldt in principe ook als de zorg verder gaat dan wat in het algemeen verwacht mag worden van ouders, bijvoorbeeld omdat ze omvangrijker, intensiever of langduriger is dan wat gebruikelijk is (bovengebruikelijke hulp).
Lid 3. Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp vallen onder de zorgplicht/verantwoordelijkheid van ouders voor hun kinderen, en daarmee de ‘eigen kracht’ van ouders. Van ouders wordt in beginsel verwacht dat zij hun gezins- en maatschappelijk leven zo organiseren, dat ze hun kinderen de zorg en opvoeding kunnen geven die nodig is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan voor handelingen en activiteiten die onder gebruikelijke hulp vallen, een individuele voorziening worden gegeven. De ‘eigen kracht’ van ouders schiet dan tekort. Er moet dan wel echt iets bijzonders aan de hand zijn, waardoor de zorg niet door de ouders geleverd kan worden. (dreigende) Overbelasting en aantoonbare belemmeringen aan de kant van de ouders kunnen daarvoor een aanleiding vormen. Het is aan ouders om dat aan te tonen. De capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders spelen daarbij een belangrijke rol (afwegingsfactoren). Van ouders wordt verwacht dat zij overbelasting voorkomen (zie ook lid 7) en werken aan versterken van hun belastbaarheid. Dit geldt ook voor kortdurende bovengebruikelijke hulp (voor een kortere, afgebakende periode, max. drie maanden). De gemeente kan dan bijspringen om ouders te ondersteunen. Die ondersteuning is in principe tijdelijk, totdat ouders weer zelf de zorg en opvoeding op zich kunnen nemen. Uiteindelijk gaat het erom dat draagkracht en draaglast van het gezin weer in balans komen. Voor langdurige bovengebruikelijke hulp (in de regel structureel, langer dan drie maanden) geldt een iets genuanceerdere toets (zie verder lid 5).
Lid 4. Om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp, geldt een aantal factoren waarmee rekening moet worden gehouden. Die zijn hier beschreven. Het komt er kortgezegd op neer, dat aan de hand van deze factoren onderzocht wordt of de hulp past bij een kind dat zich op een gangbare manier ontwikkelt. Is dat het geval, dan kunnen we spreken van gebruikelijke hulp. Omdat we echter niet zonder meetlat kunnen bij het bepalen wat in het algemeen een normaal ontwikkelingsprofiel is, maken we gebruik van de uitgangspunten, genoemd in de CIZ-indicatiewijzer 2014, Richtlijnen voor Gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel bij verschillende leeftijden in relatie tot AWBZ-zorg (Paragraaf 3 van bijlage 3 bij de Beleidsregels: Gebruikelijke zorg). Dit wordt verder uitgewerkt in beleidsregels. Het gaat om een richtlijn en uitgangspunten, dus maatwerk is mogelijk. Daarbij kan bijv. ook de culturele achtergrond betrokken worden.
Lid 5. Bij langdurige of structurele hulpvragen onderzoekt het college een aantal zaken. Dat onderzoek gaat verder dan alleen maar de vraag of er (dreigende) overbelasting is of bepaalde belemmeringen in de gezinssituatie, zoals een verstandelijke beperking bij de ouders. Doorslaggevend is of de bovengebruikelijke hulp nog kan worden verlangd van ouders. Dat vraagt een totaalbeoordeling op basis van de genoemde afwegingsfactoren. Deze zijn bepalend voor de vraag of ouders uitdrukking moeten geven aan hun zorgplicht, of dat aanvullende jeugdhulp ingezet kan worden. Daaronder valt ook het belang om te voorzien in een inkomen. Leidt de zorg voor kinderen ertoe dat ouders niet langer kunnen rondkomen en in de bestaanskosten kunnen voorzien, dan is dit een belangrijke afwegingsfactor en een belangrijke aanwijzing dat jeugdhulp op zijn plaats kan zijn. De hier genoemde afwegingsfactoren komen inhoudelijk overeen met de factoren uit artikel 3.12 lid 7 van de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2025, maar zijn hier kernachtiger weergegeven. Zo wordt onder het begrip ‘mogelijkheden’ niet alleen vaardigheden verstaan, maar ook de situatie waarin de jeugdige of ouders zich bevindt.
Lid 6. Ook bij langer durende bovengebruikelijke hulp geldt het uitgangspunt dat ouders verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Ook die hulp valt onder de zorgplicht en de ‘eigen kracht’ van de ouders. Toch kunnen er omstandigheden zijn waaronder dat niet langer van de ouders kan worden gevraagd. Dat wordt beoordeeld op basis van de afwegingsfactoren uit het vijfde lid. Uiteindelijk gaat het bij langer durende bovengebruikelijke hulp om de vraag hoe de balans in het gezin hersteld kan worden en welke rol de gemeente daarin kan spelen. Enige verstoring van die balans moet in de regel ook worden geaccepteerd door de ouders. Dan kan extra inzet van de ouders nodig zijn. Duurt dat langer en is de balans ernstig verstoord, dan komt aanvullende inzet van de gemeente in beeld.
Lid 7. Van ouders wordt verwacht dat zij zich – binnen hun mogelijkheden – inzetten om zelf de problemen bij de opvoeding en het opgroeien op te lossen, zodat de ondersteuning van de gemeente zo kort mogelijk is. Het is uiteindelijk hun taak kinderen te verzorgen en op te voeden, niet die van de gemeente. Dat kan soms bijvoorbeeld door aanpassing van werkritme en -patroon, of door beperking van andere activiteiten buiten het gezin. Maar ook andere opties kunnen in beeld komen.
Artikel 3.5 Vervoer naar jeugdhulpaanbieder
De zorgplicht van de gemeente omvat ook het vervoer van de jeugdige naar de jeugdhulpaanbieder, als de jeugdige door een (fysieke, psychisch of psychosociale) beperking in de zelfredzaamheid niet daartoe in staat is, én de ouders het vervoer niet kunnen verzorgen, al dan niet met de inzet van het sociaal netwerk, of met behulp van andere voorzieningen. Dat vloeit voort uit artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet, en is hier concreter geregeld om daarover geen misverstand te laten bestaan.
Het jeugdvervoer is voor de zwaardere vormen van jeugdhulp geregeld in de regio Hart van Brabant. Het vervoer voor lichtere vormen van jeugdhulp is in principe aan de ouders zelf overgelaten, maar zijn zij daar niet toe in staat en zijn er geen andere opties, dan geldt ook voor die vormen een vervoersplicht van de gemeente als de jeugdige door een beperking niet zelf bij de jeugdhulpaanbieder kan komen.
Een verdergaande verantwoordelijkheid van de gemeente is er niet. Het college is dus niet verplicht om het vervoer te regelen van jeugdigen die om andere redenen niet of lastig (bijv. vanwege de afstand) bij de jeugdhulpaanbieder kunnen komen. Als ouders het vervoer kunnen regelen (zelf of op andere manier), dan wordt dat van ze verwacht. Bij het onderzoek naar de eigen mogelijkheden van de ouders speelt het afwegingskader van de regio Hart van Brabant een grote rol (lid 3). Met toepassing van de daarin opgenomen beslistappen en afwegingsfactoren kan worden nagegaan of er een vervoersvoorziening moet worden ingezet en zo ja welke.
Hoofdstuk 4 – Het persoonsgebonden budget
In artikel 8.1.1 van de Jeugdwet zijn in algemene bewoordingen de voorwaarden genoemd om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb, kortweg: 1. De jeugdige of zijn ouders moet in staat zijn een pgb te beheren (regievaardig zijn), 2. de jeugdhulp moet van goede kwaliteit zijn en 3. de jeugdige/ouders moeten motiveren waarom zij jeugdhulp in natura niet passend vinden. In dit hoofdstuk worden de eerste twee voorwaarden verder ingekleurd. Tevens worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder een pgb kan worden toegekend voor iemand uit het sociale netwerk (zie artikel 8.1.1 lid 3 Jeugdwet), en regels over de manier waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c Jeugdwet).
Artikel 4.1 Aanvullende regels voor pgb
Lid 1. Om te kunnen bepalen of de jeugdhulp die wordt ingekocht met een pgb van voldoende kwaliteit is, en of de jeugdige/ouders voldoende ‘regievaardig’ zijn, wordt in de praktijk gewerkt met een budgetplan. De jeugdige of zijn ouders is verplicht om dit budgetplan op te stellen (er is een format beschikbaar), op basis waarvan wordt beoordeeld of aan de voorwaarden is voldaan. In Nadere regels kan verder worden uitgewerkt aan welke voorwaarden het budgetplan moet voldoen.
Lid 2. Hier staan de voorwaarden om een pgb in te kopen bij iemand uit het sociale netwerk. De ‘kwaliteits-eis’ wordt verder uitgewerkt in artikel 4.2. Vormen van jeugdhulp die specifieke kennis en vaardigheden vragen, zoals specialistische behandelingen, zijn uitgesloten.
Lid 3. Het pgb is alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp, niet van bijkomende kosten. Een vrij besteedbaar deel van het pgb is ook niet aan de orde.
Lid 4. Ook samenhangend met kwaliteit: als de zorgverlener ook de pgb-beheerder is, dan is er sprake van belangenverstrengeling en kan in dergelijke situaties geen pgb worden toegekend. Dat doet zich voor, als de jeugdige en zijn ouders niet in staat zijn het pgb zelf te beheren en dit uitbesteden aan bijv. iemand uit het sociale netwerk, die zelf ook de jeugdhulp verleent.
Artikel 4.2 Kwaliteitseisen jeugdhulp
Lid 1. In dit artikel staan de algemene kwaliteitseisen die worden gesteld aan degene die feitelijk de jeugdhulp verleent, concreter verwoord. Deze eisen zijn in regionaal verband opgesteld. Kernwoorden zijn: samenwerking, gestructureerd en doelgericht werken, integriteit en betrouwbaarheid, administratieve correctheid, en alertheid op signalen. De kwaliteitseisen uit hoofdstuk 4 hebben betrekking op professionele jeugdhulpaanbieders en betreffen o.a.: kwaliteitsmonitoring, meldcode huiselijk geweld en planmatig werken.
Lid 2. Dit spreekt voor zichzelf.
Artikel 4.3 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp
Lid 1. Afhankelijk van de hulpvraag kan het college professionele hulp en andere vormen van hulp (informele hulp) inzetten via een pgb. Het onderscheid is van belang voor de tariefstelling. De gemeente kan voor informele hulp een ander tarief hanteren. Dit sluit aan bij de systematiek uit de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Wanneer het professionele en wanneer het informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen.
Lid 2. Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep én als voldaan wordt aan een aantal kwaliteitscriteria. De hulp moet worden verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van professionele hulp is sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ- of andere erkende registratie heeft. Dat kan verder worden ingekleurd in Nadere regels.
Lid 3. Onder informele hulp wordt alle hulp verstaan die geboden wordt door personen die niet aan de gestelde criteria voor beroeps- of bedrijfsmatige jeugdhulp voldoen. Personen die jeugdhulp bedrijfs- of beroepsmatig verlenen, maar niet aan de gestelde kwaliteitscriteria uit het tweede lid voldoen, worden daarom ook aangemerkt als informele hulpverlener.
Lid 4. Bij de hier genoemde groep personen is er altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een sociale relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Lid 1. Het budgetplan vormt de basis om vast te stellen of aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan en zo ja, wat dan de hoogte van het tarief voor het pgb wordt. Als het budgetplan onvoldoende informatie bevat, kan het college om aanvulling vragen. Geeft het budgetplan uiteindelijk nog onvoldoende zekerheid, dan kan het pgb worden afgewezen en wordt zorg in natura ingezet. Het college kan over het budgetplan nadere regels stellen.
Lid 2. Het tarief voor professionele jeugdhulp wordt gesteld op een percentage (85%) van de zorg in natura tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden (lid 6). Het tarief is lager dan de zorg in natura-tarieven, gelet op het ontbreken van een aantal kosten voor de budgethouder.
Lid 3. Ook voor de tarieven voor professionele jeugdhulp geldt, dat deze wijzigen vanaf de datum waarop de tarieven voor zorg in natura wijzigen.
Lid 4. Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, is in beginsel aan deze voorwaarde voldaan. Blijkt dat in een individueel geval niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).
Lid 5. In aansluiting op de jurisprudentie over individuele begeleiding binnen de Wmo2015 (CRvB 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580) is in lid 5 geregeld dat het tarief voor een pgb voor informele hulp afgeleid wordt van de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT).
Lid 6. In aansluiting op het uitgangspunt, dat voor de minst kostbare oplossing wordt gekozen om aan de hulpvraag tegemoet te komen, als er verschillende passende oplossingen zijn, geldt ook voor de tariefstelling, dat uitgegaan wordt van een lager tarief dan de norm, als degene die jeugdhulp verleent, bereid is om dat voor een lager bedrag te doen.
Lid 7. Om duidelijkheid te geven over de actuele tarieven, neemt het college in Nadere regels de geldende tarieven op.
Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving
Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden opgenomen over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit hoofdstuk is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
Artikel 5.1 Informatieplicht, intrekking en terugvordering
Lid 1. Voor een juiste besluitvorming over jeugdhulp is het noodzakelijk dat het college over juiste informatie beschikt. Een algemene informatieplicht kent de Jeugdwet niet. Wel is dit voor pgb’s geregeld (artikel 8.1.2 van de Jeugdwet). In lid 1 wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura.
Lid 2. In lid 2 is geregeld, wanneer een individuele voorziening kan worden beëindigd of gewijzigd (naar de toekomst toe, of herzien of ingetrokken (naar het verleden). Dit is in de Jeugdwet alleen geregeld als het gaat om herziening en intrekking van pgb’s (artikel 8.1.4) en wordt hier uitgebreid voor jeugdhulp in natura. Het gaat in de opsomming van gevallen om situaties waarin de behoefte aan jeugdhulp niet langer aanwezig is, niet langer kan worden vastgesteld, of waarin onvoldoende zeker is dat jeugdhulp passend of doelmatig is.
Lid 3. Hier is specifiek de bevoegdheid geregeld om de kosten van een individuele voorziening terug te vorderen als niet voldaan is aan de informatieplicht. Voor pgb’s is dit al geregeld in artikel 8.1.4 Jeugdwet, maar hier wordt die bevoegdheid uitgebreid naar zorg in natura. Daaraan wordt toegevoegd de bevoegdheid om de kosten (geldswaarde) van de voorziening in te vorderen, dwz. de incasso te starten.
Artikel 5.2 Bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik
Lid 1. Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke gevolgen het kan hebben als zij zich niet houden aan deze verplichtingen.
Lid 2. In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat wordt gedaan door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Het gaat hier o.a. over het toezicht op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders.
Lid 3. Het college is belast met het toezicht op de naleving van verplichtingen op grond van de regels uit de Jeugdwet, de daarop berustende regelingen, en de verordening en daarop beruste regelingen. Daarnaast houdt het college ook toezicht op de overeenkomsten die met jeugdhulpaanbieders zijn gesloten. Dat geldt ook voor de inzet van jeugdhulp via doorverwijzing vanuit het medisch domein. De controle kan allerlei vormen hebben, bijvoorbeeld n.a.v. incidenten, periodiek d.m.v. een steekproef, of per doelgroep. Als het om controle gaat waarvoor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bevoegd is, is er geen rol voor de gemeente.
Lid 4. Het tegengaan van misbruik of oneigenlijk gebruik van voorzieningen is niet exclusief een zaak van de gemeente. Ook voor organisaties als de SVB, Belastingdienst, CIZ e.a. is dit een belangrijke taak. In lid 4 is de opdracht aan het college vastgelegd om met dergelijke organisaties samen te werken.
Lid 5. Specifiek met jeugdhulpaanbieders zijn afspraken gemaakt over te leveren prestaties en een passende administratieve organisatie. Het college krijgt in lid 5 de opdracht om regelmatig te controleren of die afspraken worden nagekomen.
Hoofdstuk 6 – Reële tarieven jeugdhulp
De gemeente moet regels maken over het waarborgen van een goede prijs en kwaliteitverhouding. Dit is opgenomen in artikel 2.11 van de Jeugdwet. Doel is dat de kwaliteit en continuïteit van de jeugdhulp gewaarborgd blijft, door middel van reële tarieven voor jeugdhulpaanbieders. In dit hoofdstuk staat met welke kostprijselementen het college rekening moet houden bij het vaststellen van tarieven, in samenhang met artikel 2.3 Besluit Jeugdwet.
Artikel 6.1 Prijs-kwaliteitverhouding jeugdhulp, kinderbescherming en jeugdreclassering
Lid 1. Hier staan de kostprijselementen genoemd waarmee het college rekening houdt. Belangrijk element wordt gevormd door de kosten van beroepskrachten. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten verbonden aan wettelijke verplichtingen. Uitgangspunt is dat de aanbieder personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet rekening houden met een aantal aspecten, zoals de mate van deskundigheid van de beroepskrachten, de arbeidsvoorwaarden, waaronder de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs in ieder geval gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs. De kostprijselementen gelden ook voor onderaannemers.
Lid 2. De verplichting om een reële prijs voor ingekochte jeugdhulp te rekenen, geldt ook als de jeugdhulp wordt bekostigd via een subsidierelatie. Het moet dan wel gaan om subsidie die bedoeld is om de jeugdhulp volledig te financieren.
Hoofdstuk 7 - Afstemming met andere domeinen en overgang 18+
Voor een optimaal resultaat van de jeugdhulp moet de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening worden afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. In de verordening moeten daarover regels worden vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel b Jeugdwet).
Artikel 7.1 Afstemming met andere voorzieningen
Lid 1. In lid 1 zijn drie manieren beschreven waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere vormen van hulp en zorg. Onderdeel a beschrijft het attent maken op en doorverwijzen naar andere vormen van hulp en zorg, en de begeleiding daarbij, al dan niet met ondersteuning van een ‘meedenker’ van MEE of ContourDeTwern. Onderdeel b beschrijft de beleidsmatige component: het college zorgt ervoor, dat het belang van jeugdigen betrokken wordt bij beleidsvorming op andere vlakken, zoals onderwijs, werk en inkomen en wonen. Dat is geheel in lijn met de wens van de Kinderombudsman (zie het jaarverslag 2024). De Kinderombudsman pleit ervoor om bij het maken van regels een kinderrechtentoets uit te voeren. Deze toets helpt beleidsmakers om bij nieuw én bestaand beleid steeds te checken: “Hoe raakt dit kinderen?” Onderdeel c legt een zorgplicht op het college om voorzieningen echt op elkaar af te stemmen, zodat een optimaal effect voor jeugdhulp én jeugdigen wordt bereikt. Denk daarbij aan het inzetten van Wmo- en jeugdhulpvoorzieningen door dezelfde aanbieder (waar mogelijk).
Lid 2. Gaat het om de inzet van jeugdhulp via de genoemde organisaties, dan is overleg over de inzet van jeugdhulp belangrijk, om ervoor te zorgen dat de jeugdigen zo goed mogelijk ondersteund worden. Daarover zijn afspraken gemaakt.
Artikel 7.2 Overgang 18- naar 18+
Lid 1. Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert meestal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. Als de jeugdige vanaf dat moment nog hulp nodig heeft, informeert het college de jeugdige over de overgang naar een andere wet, of dat tijdig verlengde jeugdhulp wordt ingezet. Voor een soepele overgang wordt de jeugdige vóór de 18e verjaardag op de hoogte gesteld welke veranderingen er op komst zijn en wat er nodig is om de ondersteuning aan de jeugdige zo goed mogelijk door te laten lopen.
Lid 2. Een belangrijke rol bij een soepele overgang naar een ander wettelijk zorg-kader is weggelegd voor jeugdhulpaanbieders. Zij stellen een ‘perspectiefplan 18+’ op. In dat plan staat wat er nodig is op de verschillende leefgebieden: zorg, onderwijs, werk, vrije tijd, gezondheid en financiën en hoe dat kan worden geregeld.
Lid 3. Het perspectiefplan wordt niet solo geschreven door de jeugdhulpaanbieder, maar de betrokkenen (jeugdige, ouders en college) krijgen daarbij ook een rol. De regie ligt echter bij de jeugdhulpaanbieder.
Hoofdstuk 8 – Klachtregeling, vertrouwenspersoon en inspraak
De gemeente is op grond van de Awb verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten. Het gaat dan over klachten m.b.t. gedrag van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn, zoals Toegang Tilburg in het kader van deze verordening. In Hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoerig geregeld. Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.
Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouders zich richten tot de jeugdhulpaanbieder. Dat is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. Jeugdwet.
Artikel 8.2 Vertrouwenspersoon
Met de vertrouwenspersoon wordt een vertrouwenspersoon van ‘Jeugdstem’ bedoeld, de organisatie van vertrouwenspersonen binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor deze functie. Het is aan de gemeente om de inzet van vertrouwenspersonen waar mogelijk te faciliteren.
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap/inspraak bij de gemeente. Daarmee wordt voldaan aan de verplichting om in de verordening daarover regels te stellen. Het betreft de inspraak van inwoners op de voorbereiding van besluiten. Besloten is om die inspraak langs de lijn van de Sociale Raad Tilburg te laten verlopen. Zij zijn in dit kader het aangewezen orgaan om het geluid van de inwoners te vertolken. De mogelijkheid tot inspraak/medezeggenschap tegenover de jeugdhulpaanbieder is geregeld in artikel 4.2.4 e.v. Jeugdwet.
Niet alle situaties kunnen in een verordening ‘geregeld’ worden. Omdat de Jeugdwet een maatwerk-karakter heeft, is het van belang dat er een hardheidsclausule is. Daarop kan een beroep worden gedaan als in bijzondere gevallen toepassing van de regels voor de jeugdige of zijn ouders onredelijk uitwerkt.
Artikel 9.2 Nadere regels jeugdhulp
In deze verordening zijn kaderstellende regels opgenomen, ter uitvoering van wettelijke verplichtingen, op grond van een aantal artikelen uit de Jeugdwet. Soms is het praktisch om meer op uitvoeringsniveau regels te maken die de kaderstellende regels verder invullen. Denk bijvoorbeeld aan regels over de functie en inhoud van het budgetplan (zie artikel 4.4). Dergelijke regels worden ‘nadere regels’ genoemd en zijn een verantwoordelijkheid van het college. De gemeenteraad moet echter wel in de verordening daarvoor de grondslag scheppen. Dat is in dit artikel gedaan voor wat betreft een aantal thema’s die verder door het college kunnen worden ingeregeld.
Artikel 9.3 Intrekking oude verordening
Lid 1. Dit spreekt voor zichzelf
Lid 2. Uitgangspunt van regelgeving is, dat bij de inwerkingtreding van een nieuwe regeling is die regeling direct van toepassing is op alle besluiten die vanaf dat moment worden genomen. Om voor zgn. doorlopende voorzieningen onduidelijkheid te voorkomen, is in dit lid bepaald dat dergelijke voorzieningen hun rechtskracht behouden, totdat anders is beslist.
Lid 3. Deze - nieuwe – verordening is direct van toepassing op alle aanvragen waarop nog niet is beslist op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Lid 4. Op de behandeling van bezwaarschriften blijft de ‘oude’ regeling van toepassing, tenzij de nieuwe gunstiger is voor de jeugdige of zijn ouders.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-553335.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.