Participatieverordening Mook en Middelaar 2025

De raad van de gemeente Mook en Middelaar;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november;

gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet;

artikel 2.10 van de Jeugdwet, artikel 47 van de Participatiewet en artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gezien het Beleidskader Participatieaanpak inwonersparticipatie en bestuursstijl, dat de raad op 15 december 2022 heeft vastgesteld;

 

besluit vast te stellen de volgende:

 

Participatieverordening Mook en Middelaar 2025.

 

 

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    participatie: het deelnemen van inwoners en belanghebbenden aan de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid en gemeentelijke plannen (= inwoner-participatie) en het deelnemen van de gemeente aan maatschappelijke initiatieven (= overheidsparticipatie). Participatie is ook het door een andere initiatiefnemer dan de gemeente betrekken van belanghebbenden bij de voorbereiding van een activiteit met betrekking tot de fysieke leefomgeving;

  • b.

    inwonerparticipatie: het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid en gemeentelijke plannen. Dit kan in de vorm van informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen;

  • c.

    cliëntparticipatie: het betrekken van personen of hun vertegenwoordigers die gebruik maken van voorzieningen die vallen onder de jeugdwet, WMO of participatiewet bij het beleid en de uitvoering van deze wetten en daarop rustende bepalingen;

  • d.

    overheidsparticipatie: het door de gemeente ondersteunen van maatschappelijke initiatieven;

  • e.

    maatschappelijk initiatief: een initiatief van inwoner(s) en/of belanghebbende(n) met een lokaal maatschappelijk doel;

  • f.

    inspraak: een door de gemeente georganiseerde mogelijkheid voor inwoners en belanghebbenden om concrete gemeentelijke beleidsvoornemens te bespreken en hun mening daarover te geven;

  • g.

    beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid.

  • h.

    bestuursorgaan: afhankelijk van de situatie wordt hiermee bedoeld de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester van Mook en Middelaar, die of dat bevoegd is om de beslissing te nemen.

  • i.

    beleidskader: het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid in het beleidskader ‘Participatieaanpak inwonersparticipatie en bestuursstijl’.

  • j.

    uitdaagrecht: het verzoek van een inwoner van onze gemeente of een groep inwoners van onze gemeente om een (gedeelte van een) gemeentelijke taak in zijn geheel van de gemeente over te nemen tegen de werkelijke kosten en maximaal de daarvoor door de gemeente begrote kosten.

 

Artikel 2 Doelstelling en reikwijdte

  • 1.

    Het doel van deze verordening is:

    • a.

      Duidelijkheid te geven over het proces van participatie en de voorwaarden waaronder toepassing van het uitdaagrecht mogelijk is;

    • b.

      Regels vaststellen over de wijze waarop personen of hun vertegenwoordigers die gebruik maken van voorzieningen vallend onder de jeugdwet, WMO of participatiewet worden betrokken bij de uitvoering van deze wetten en daarop rustende bepalingen.

    • c.

      De samenwerking tussen een bestuursorgaan enerzijds en inwoners en maatschappelijke partijen anderzijds te versterken;

    • d.

      De kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten;

    • e.

      De samenleving binnen de gemeente te versterken;

  • 2.

    Deze verordening is opgesteld met het gemeentelijke beleidskader ‘Participatieaanpak inwonersparticipatie en bestuursstijl’ als kader.

  • 3.

    Deze verordening is niet van toepassing op participatiemogelijkheden voor zover die in andere regelingen staan.

 

Paragraaf 2 Inwonerparticipatie

 

Artikel 3 Onderwerp inwonerparticipatie

  • 1.

    Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inwonerparticipatie wordt toegepast.

  • 2.

    Inwonerparticipatie vindt altijd plaats als de wet daartoe verplicht.

  • 3.

    Inwonerparticipatie wordt niet toegepast:

    • a.

      Bij ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;

    • b.

      Als er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • c.

      Bij de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de gemeentewet;

    • d.

      Als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht.

    • e.

      Als het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

 

Artikel 4 Plan voor inwonerparticipatie

  • 1.

    Vóór de start van een proces voor vaststelling van een visie, beleid, plan, programma of project neemt het bestuursorgaan een beslissing over de keuze om wel of niet te starten met een traject van inwonerparticipatie aan de hand van één of meer van de volgende randvoorwaarden:

    • a.

      Voldoende juridische en financiële beleidsruimte;

    • b.

      Geschikt onderwerp voor inwoners dat inwoners direct raakt;

    • c.

      Voldoende tijd, capaciteit en middelen beschikbaar;

    • d.

      Er is ruimte voor inwoners om iets te kiezen.

  • 2.

    Wanneer de gemeente kiest voor inwonerparticipatie, verder dan informeren, stelt het bestuursorgaan een participatieplan op. In dit participatieplan wordt ten minste antwoord gegeven op de volgende kernvragen:

    • a.

      Wat is het doel van participatie?;

    • b.

      Wie moet er betrokken worden?;

    • c.

      Wie is er verantwoordelijk voor het participatieproces en uitvoering?;

    • d.

      Wat doen we met de uitkomsten van de participatie?

  • 3.

    Het bestuursorgaan kan op verschillende manieren omgaan met de uitkomsten van het participatieproces. Afhankelijk van de aard van het onderwerp, het gekozen participatieniveau en de vooraf gestelde kaders, kiest het bestuursorgaan één van de volgende benaderingen:

    • a.

      Raadplegen: Het bestuursorgaan neemt kennis van de uitkomsten van het participatietraject en weegt af of, en in welke mate, deze worden meegenomen in de verdere beleids- of besluitvorming;

    • b.

      Adviseren: Het bestuursorgaan hanteert de adviezen en conclusies uit het participatieproces als een zwaarwegend uitgangspunt bij de politieke en bestuurlijke besluitvorming;

    • c.

      Coproduceren: Het bestuursorgaan neemt de uitkomsten van het participatieproces over, mits deze passen binnen de vooraf vastgestelde inhoudelijke, financiële en procedurele kaders;

    • d.

      Meebeslissen: Indien van toepassing, treedt de gemeente in overleg met inwoners en betrokken organisaties om de uitkomsten van het participatieproces te vertalen naar een convenant of samenwerkingsovereenkomst waarin de gemaakte afspraken worden vastgelegd.

  • 4.

    Bij omvangrijke, gevoelige of complexe trajecten die aanzienlijke maatschappelijke impact kunnen hebben, vraagt het college de raad in een vroeg stadium om participatiekaders vast te stellen via een startnotitie en participatieplan. Het participatieplan bevat ten minste:

    • a.

      De antwoorden op de vier kernvragen zoals genoemd in lid 2;

    • b.

      Of inspraak wettelijk verplicht is, en indien niet, of er voor inspraak wordt gekozen;

    • c.

      Een kalender op hoofdlijnen met daarin de formele inspraakprocedure, beslismomenten als communicatie –en participatiemomenten richting bewoners en belanghebbenden;

    • d.

      De in te zetten participatiemiddelen en het communicatieplan;

    • e.

      Het beschikbare budget en bijbehorende dekkingsbron;

    • f.

      De rol van de gemeenteraad tijdens de verschillende fases van het traject;

    • g.

      Een voorstel voor inhoudelijke kaders die de raad vooraf stelt in de vorm van een startnotitie.

  • 5.

    Het college en de raad bepalen in afstemming welke trajecten onder artikel 4.4 vallen.

  • 6.

    Na vaststelling van het participatieplan door de gemeenteraad draagt het bestuursorgaan zorg voor de verdere uitvoering en invulling van het participatieproces overeenkomstig het vastgestelde plan.

  • 7.

    Het bestuursorgaan nodigt de doelgroepen uit om te participeren op de voor die doelgroepen meest geschikte wijze. In de kennisgeving worden de doelgroepen in begrijpelijke taal geïnformeerd over de onderwerpen die in het tweede lid staan.

  • 8.

    Indien tijdens de participatieprocedure blijkt dat aanpassing van de kaders of de inrichting noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan deze wijzigen, mits dit gemotiveerd gebeurt en de deelnemers hier tijdig, duidelijk en via passende communicatiekanalen over worden geïnformeerd. Waar mogelijk worden deelnemers betrokken bij het bepalen van de aangepaste werkwijze.

  • 9.

    In uitzonderlijke gevallen kan het bestuursorgaan na afloop gemotiveerd afwijken van de vooraf gekozen participatievorm of -uitkomst, uitsluitend wanneer nieuwe inzichten of zwaarwegende belangen dit noodzakelijk maken. Een dergelijke afwijking wordt schriftelijk onderbouwd, en transparant gecommuniceerd aan de deelnemers en andere betrokkenen, met toelichting op de redenen en de gevolgen voor het vervolg van het proces.

 

Artikel 5 Procedure inspraak

  • 1.

    Elk bestuursorgaan besluit voor eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij een gemeentelijk beleidsvoornemen.

  • 2.

    Op inwonerparticipatie in de vorm van inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan het bestuursorgaan voor een beleidsvoornemen een andere inspraakprocedure vaststellen.

  • 4.

    Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.

  • 5.

    Geen inspraak wordt verleend:

    • a.

      Ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen.

    • b.

      Indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten.

    • c.

      Indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft.

    • d.

      Inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet.

    • e.

      Indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht.

    • f.

      Indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

  • 6.

    Om de doelgroep zo goed mogelijk te bereiken, kan het bestuursorgaan, naast de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, een andere geschikte wijze van informeren toepassen.

  • 7.

    Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een zienswijzenota op. In deze zienswijze nota staat in elk geval:

    • a.

      Een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure.

    • b.

      Een weergave van de inspraakreacties of zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht.

    • c.

      Een reactie op deze inspraakreacties of zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.

  • 8.

    Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar.

 

Artikel 6 Eindverslag inwonerparticipatie

  • 1.

    Nadat inwonerparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een verslag van de participatie op en maakt dit openbaar.

  • 2.

    Deze verplichting geldt niet als (alleen) voor het participatieniveau ‘informeren’ is gekozen.

  • 3.

    In het eindverslag staat in ieder geval:

    • a.

      Een overzicht van de gevolgde participatieprocedure op hoofdlijnen;

    • b.

      Een overzicht van de opmerkingen die tijdens de participatieprocedure mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;

    • c.

      De reactie van het bestuursorgaan op deze opmerkingen, waarbij wordt aangegeven wat het bestuursorgaan heeft gedaan met de opmerkingen van de mensen die hebben meegedacht en waarbij wordt aangegeven welke punten al dan niet worden overgenomen.

 

Artikel 7 Experimenteerprogramma

  • 1.

    Het college stelt tweejaarlijks een experimenteerprogramma ter vaststelling aan de raad voor om de ontwikkeling van participatie te bevorderen.

  • 2.

    Voor de uitvoering van het experimenteerprogramma stelt de raad jaarlijks een budget beschikbaar. Indien dit budget in een kalenderjaar is uitgeput, kunnen geen nieuwe experimenten meer worden uitgevoerd, tenzij de gemeenteraad aanvullende middelen beschikbaar stelt.

  • 3.

    Het programma omvat:

    • a.

      De keuze van de te beproeven nieuwe vorm(en) van participatie;

    • b.

      De keuze van de te bereiken nieuwe doelgroepen;

    • c.

      Een overzicht van de benodigde middelen en capaciteit;

    • d.

      Een overzicht van de toetsingscriteria voor de evaluatie na het experiment.

 

Paragraaf 3 Cliëntparticipatie sociaal domein

 

Artikel 8 Algemeen cliëntparticipatie

  • Op cliëntparticipatie in het sociaal domein zijn de artikelen 1, 2, 3, 5, 6 van deze verordening van toepassing. Wanneer in artikel 3, 5 en 6 inwonerparticipatie staat, omvat dit ook cliëntparticipatie.

 

Artikel 9 Wijze van cliëntparticipatie/ advisering

  • 1.

    Om cliënten of hun vertegenwoordigers als bedoeld in artikel 47 van de Participatiewet, artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 2.10 van de Jeugdwet te betrekken bij het beleid en de uitvoering van deze wetten wordt gewerkt met een flexibele participatieaanpak;

  • 2.

    Vóór de start van elk traject waarbij aanpassingen in beleid of uitvoering in het kader van de participatiewet, jeugdwet en Wet Maatschappelijke ondersteuning plaatsvinden wordt een afweging gemaakt over de toepassing van cliëntparticipatie;

  • 3.

    Voor ieder traject waarvoor participatie wenselijk is wordt een participatieplan opgesteld waarin de maatschappelijke opgave, het doel, de doelgroep(en) en de manier van betrekken worden uitgewerkt. De gekozen participatievorm sluit aan bij de opgave of het onderwerp en de doelgroep;

  • 4.

    Cliënten en hun vertegenwoordigers worden vroegtijdig betrokken bij de voorbereiding van beleidsvoorstellen en uitvoeringsmaatregelen. Dit is in ieder geval op een zodanig tijdstip dat inbreng of advies nog kan worden betrokken bij het besluit dat door het college wordt genomen;

  • 5.

    Cliënten of hun vertegenwoordigers kunnen tevens ongevraagd advies uitbrengen over de gemeentelijke uitvoering van deze wetten;

  • 6.

    Cliënten en hun vertegenwoordigers krijgen terugkoppeling over wat er met hun inbreng wordt gedaan. De wijze van terugkoppeling is passend bij het (gekozen) participatietraject.

 

Artikel 10 Ondersteuning cliëntparticipatie

Het college zorgt voor adequate ondersteuning van cliëntparticipatie, dit gebeurt in ieder geval door:

  • 1.

    Tijdig alle informatie te verstrekken die nodig is om te kunnen participeren;

  • 2.

    Dit betreft in ieder geval het, voor zover van toepassing, via de website verstrekken van informatie over de resultaten van termijnrapportages, klanttevredenheidsonderzoeken, enquêtes en klachtenrapportages;

  • 3.

    Ambtenaren van de gemeente in de gelegenheid te stellen toelichting of uitleg te bieden ten bate van cliëntparticipatie;

  • 4.

    Het aanwijzen van een contactpersoon cliëntparticipatie;

  • 5.

    Indien noodzakelijk, het verzorgen van een locatie voor overleg.

 

Paragraaf 4 Overheidsparticipatie

 

Artikel 11 Onderwerp overheidsparticipatie

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van inwoner(s) en/of belanghebbende(n) een maatschappelijk initiatief ondersteunen als naar de mening van burgemeester en wethouders het initiatief bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid of op een andere manier een positieve bijdrage levert aan de lokale samenleving.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen afzien van overheidsparticipatie als het maatschappelijk initiatief:

    • a.

      Vooral privébelangen van initiatiefnemer(s) dient;

    • b.

      Commerciële, politieke of religieuze activiteiten betreft:

    • c.

      Onvoldoende draagvlak heeft onder de betrokken inwoners;

    • d.

      Over een onderwerp gaat dat niet bij de taak of bevoegdheid van de gemeente hoort of waar de gemeente geen ruimte heeft om eigen keuzes te maken;

    • e.

      Naar de mening van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is;

    • f.

      Doelstellingen beoogt die in strijd zijn met de wet, het gemeentelijk beleid of het algemeen belang;

    • g.

      Over een onderwerp gaat waartegen een bezwaarprocedure of een procedure bij de rechter loopt.

 

Artikel 12 Procedure en besluitvorming overheidsparticipatie

  • 1.

    Het bestuursorgaan informeert inwoners en belanghebbenden actief over de mogelijkheid van overheidsparticipatie.

  • 2.

    Als indieners dit willen, helpt een medewerker van de gemeente bij het opstellen van een verzoek om ondersteuning van het inwonersinitiatief.

  • 3.

    Het bestuursorgaan informeert indieners gemotiveerd over het besluit om wel of niet overheidsparticipatie toe te passen.

  • 4.

    De raad stelt jaarlijks een budget ter beschikking voor ideeën en initiatieven uit de samenleving.

  • 5.

    Indien het jaarlijkse budget is uitgeput, kunnen geen nieuwe initiatieven meer financieel worden ondersteund door de gemeente, tenzij de gemeenteraad aanvullende middelen beschikbaar stelt.

  • 6.

    Het college besluit over de uitvoering van een initiatief, tenzij het initiatief:

    • a.

      leidt tot een wijziging van vastgesteld beleid; of

    • b.

      financiële gevolgen heeft die leiden tot inzet van niet-begrote middelen boven het resterende jaarlijkse budget.

  • 7.

    Als overheidsparticipatie wordt toegepast, staat in dat besluit in ieder geval:

    • a.

      Een omschrijving van het inwonersinitiatief, de wijze waarop het wordt gerealiseerd en een raming van de kosten;

    • b.

      De gemeentelijke ondersteuning in de vorm van: ambtelijke deskundigheid, administratieve of praktische ondersteuning, subsidie of andere financiële middelen, huisvesting, materiaal en materieel, regelgeving en vergunningen en/of andere vormen van ondersteuning;

    • c.

      De vaste contactpersoon die de initiatiefnemer(s) vanuit de gemeente begeleidt.

  • 8.

    Het bestuursorgaan neemt het besluit of de gemeente het inwonersinitiatief ondersteunt en informeert de indieners.

 

Paragraaf 5 Uitdaagrecht

 

Artikel 13 Verzoek toepassing uitdaagrecht

  • 1.

    Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij de gemeente een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht indienen.

  • 2.

    Het verzoek bevat een omschrijving van de taak die de indiener voor ogen heeft, de reden dat de indiener het verzoek indient en het resultaat dat de indiener beoogt.

  • 3.

    De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan:

    • a.

      Wat de betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener met de taak is;

    • b.

      Wat de indicatie is van het draagvlak onder de betrokken inwoners;

    • c.

      Welke kosten of middelen er volgens de indiener aan de uitvoering van de taak verbonden zijn;

    • d.

      Hoe initiatiefnemer met de gemeente wil samenwerken of welke ondersteuning van de gemeente nodig is;

    • e.

      Hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak op langere termijn kan garanderen.

 

Artikel 14 Ondersteuning indiener verzoek toepassing uitdaagrecht

  • 1.

    Het college zorgt voor ondersteuning van degene die een verzoek om toepassing van uitdaagrecht wil indienen of een verzoek om het uitdaagrecht heeft ingediend. De gemeente kan op verschillende manieren ondersteunen:

    • a.

      Materieel: menskracht, locaties, geld, praktische ondersteuning.

    • b.

      Formeel: regelgeving, vergunningen, richtlijnen, monitoren en meten.

    • c.

      Informeel: verbinden, inspireren, aandacht geven en communiceren.

  • 2.

    Het college zorgt dat er op een laagdrempelige manier om deze ondersteuning kan worden gevraagd.

 

Artikel 15 Procedure en besluitvorming uitdaagrecht

  • 1.

    Het college zendt een ingediend verzoek en een voorbereide reactie op het verzoek door aan de gemeenteraad om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

  • 2.

    Het bestuursorgaan wijst een verzoek af als:

    • a.

      Het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van het uitdaagrecht verzet;

    • b.

      Het verzoek in strijd is met wettelijke voorschriften en procedures, gemeentelijk beleid of het algemeen belang;

    • c.

      Het verzoek niet voldoet aan de in artikel 13, derde lid gestelde eisen;

    • d.

      Het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de toepassing van het uitdaagrecht niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn;

    • e.

      Als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomst;

    • f.

      De overname vooral privébelangen van initiatiefnemer(s) dient;

  • 3.

    Het bestuursorgaan beslist binnen 12 weken of het voorstel wordt overgenomen.

  • 4.

    Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing openbaar.

 

Artikel 16 Uitvoering taak

  • 1.

    Als burgemeester en wethouders het voorstel overnemen, maken zij met de indiener afspraken en leggen deze vast in een overeenkomst. Hierin staat in ieder geval:

    • a.

      Het proces, het resultaat en de looptijd van de uitvoering van de taak;

    • b.

      Het budget en de financieringswijze van de uitvoering van de taak;

    • c.

      Het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende de uitvoering van de taak;

    • d.

      De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de uitvoering van de taak;

    • e.

      De stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de uitvoering van de taak;

    • f.

      De evaluatie van de uitvoering van de taak.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders maken het besluit dat de uitvoering van een gemeentelijke taak is overgenomen op de daarvoor geschikte wijze openbaar.

 

Paragraaf 6 Participatie Omgevingswet

 

Artikel 17 Participatie Omgevingswet

  • 1.

    Op inwonerparticipatie bij de omgevingsvisie, het (omgevings)programma, het omgevingsplan (als de gemeente initiatiefnemer is) en de omgevingsvergunning (als de gemeente aanvrager is) zijn de artikelen 4, 5 en 6 van deze verordening van toepassing voor zover in de Omgevingswet en daarbij behorende regelingen niet anders is bepaald.

  • 2.

    In gevallen dat participatie bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht is gesteld (zie delegatiebesluit), stelt de initiatiefnemer een participatieplan op en voert dit uit. Bij de beoordeling van de aanvraag zal de uitvoering van het participatietraject worden meegenomen.

 

Paragraaf 7 Evaluatie en monitoring

 

Artikel 18 Evaluatie

  • 1.

    Het college neemt elk jaar een paragraaf in de begroting op waarin de speerpunten voor participatie in het komend jaar benoemd worden en legt deze paragraaf ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor.

  • 2.

    Het college neemt elk jaar een paragraaf in de jaarrekening op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening en legt deze ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor.

  • 3.

    Het college evalueert de uitvoering van deze verordening eenmaal per raadsperiode in een jaarverslag. In dit verslag gaat het college in op:

    • a.

      De wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd;

    • b.

      De rolinvulling door de gemeenteraad en het college;

    • c.

      De gebruikte instrumenten, resultaten en kosten van de participatieprocessen;

    • d.

      De belangrijkste ervaringen en aanbevelingen die hieruit voortvloeien.

 

Paragraaf 8 Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 19 Intrekking oude regeling en overgangsbepaling

  • 1.

    De Inspraakverordening Mook en Middelaar en de verordening cliëntparticipatie sociaal domein worden ingetrokken op de dag dat deze verordening van kracht wordt.

  • 2.

    Op inspraakprocedures die zijn gestart voor de inwerkingtreding van deze verordening blijft de Inspraakverordening Mook en Middelaar van toepassing.

 

Artikel 20 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na haar bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Mook en Middelaar 2025.

 

 

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 11 december 2025,

De griffier,

W. Huberts

De burgemeester,

I.M. van Dijk

TOELICHTING Participatieverordening Mook en Middelaar 2025

 

De visie van de gemeente op participatie

 

 

In december 2022 is het ‘Beleidskader inwonerparticipatie en bestuursstijl’ vastgesteld. Hierin staat dat de gemeente voor uitdagingen staat die de gemeente niet alleen kan oplossen. Zo willen steeds meer burgers, ondernemers en organisaties invloed hebben of een bijdrage leveren aan de kwaliteit van hun fysieke of sociale leefomgeving. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving bij het proces van besluitvorming over een project of activiteit zorgt ervoor dat verschillende perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. Wat zorgt voor meer draagvlak en betere besluiten.

 

Met betrekking tot participatie is sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de raad, het college en de ambtelijke organisatie. Het college van B&W gelooft dat er veel kennis en kunde in de samenleving aanwezig is en wil daar gebruik van maken, met als doel beter beleid en een prettige leefomgeving. Inwonerparticipatie is daarbij geen doel, maar een middel om burgers meer te betrekken bij de veranderingen in hun eigen leefomgeving.

 

Er zijn verschillende vormen van participatie: inwonerparticipatie en overheidsparticipatie. Bij inwonerparticipatie zet de gemeente de eerste stap. De gemeente nodigt de inwoners uit om mee te denken over de plannen van de gemeente. Bij overheidsparticipatie komt het idee voor het verbeteren van de buurt, wijk, stad of dorp van de inwoners zelf. Zij komen als eerste met plannen en voeren deze ook zoveel mogelijk zelf uit. De gemeente geeft daarbij ‘alleen’ hulp en ondersteuning. (Ook) deze ontwikkeling past bij de veranderende relatie tussen gemeente en samenleving. Inwoners wachten niet tot de gemeente actie neemt, maar komen zelf met plannen die passen bij hun wensen. Bij overheidsparticipatie draait de relatie tussen gemeente en inwoners dus om.

 

Waarom een participatieverordening?

In het ‘Beleidskader inwonerparticipatie en bestuursstijl’ staat waar een goed participatieproces aan moet voldoen. In de Participatieverordening is dit vertaald naar duidelijke afspraken. Deze afspraken gelden voor inwonerparticipatie (zoals inspraak) én overheidsparticipatie. De afspraken zorgen voor duidelijkheid, logische opbouw en handvatten voor een goed participatietraject. Zo is vooraf duidelijk hoe het participatieproces wordt ingericht.

 

Het bestuursorgaan is bij de start van ieder inwonerparticipatieproces duidelijk over de volgende onderwerpen: het doel van participatie; de mensen voor wie de participatie is bedoeld (doelgroepen); wie er verantwoordelijk is voor het participatieproces; wat we doen met de uitkomsten van de participatie. De Participatieverordening maakt het mogelijk dat voor elk geval de meest geschikte aanpak kan worden gekozen. De Participatieverordening is de juridische vertaling van het beleidskader.

 

De Participatieverordening geeft meer participatiemogelijkheden dan de Inspraakverordening die er nu is. Volgens de Inspraakverordening is het mogelijk om een mening te geven over uitgewerkte beleidsvoornemens. Inspraak komt dus pas in het laatste deel van het proces om een besluit te nemen. Maar vaak is het beter om mensen eerder in het proces om hun mening te vragen. Soms al vanaf het allereerste idee, om dit samen verder uit te werken. Inwonerparticipatie is in de Participatieverordening daarom ruim omschreven: ‘het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid en gemeentelijke plannen’. In het huidige artikel 150 Gemeentewet staat dat een (Inspraak-)verordening verplicht is voor ‘de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken’. Maar in het wetsvoorstel is deze verplichting uitgebreid tot een (Participatie-)verordening, waarin ook regels staan over participatie bij de uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid.

 

Opbouw van de participatieverordening

 

In paragraaf 1 staan de algemene bepalingen, zoals de begripsomschrijvingen en de doelstelling en reikwijdte van de verordening.

 

In paragraaf 2 staat wat inwonerparticipatie betekent en hoe participatieprocessen worden doorlopen.

 

In paragraaf 3 staat wat cliëntparticipatie in het sociaal domein betekent en welke werkwijze wordt doorlopen.

 

In paragraaf 4 staat wat overheidsparticipatie betekent en op welke manier de gemeente inwonersinitiatieven wel of niet ondersteunt.

 

In paragraaf 5 staat hoe wordt omgegaan met het uitdaagrecht.

 

In paragraaf 6 wordt uitgelegd hoe wordt omgegaan met participatie binnen de Omgevingswet.

 

In paragraaf 7 wordt uitgelegd op welke manier participatie wordt geëvalueerd en gemonitord.

 

In paragraaf 8 staan de overgangs- en slotbepalingen

 

Uitleg per artikel

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

 

onderdeel a: participatie

De omschrijving van participatie is dezelfde als in het voorstel ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’. Dit wetsvoorstel zegt dat in een verordening regels moeten staan over hoe inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid worden betrokken. Artikel 150, zoals dat nu in de Gemeentewet staat, gaat over inspraak bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Maar bij participatie gaat het ook over de uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid.

 

Participatie kan gaan over gemeentelijke plannen waar inwoners en belanghebbenden bij betrokken worden (inwonerparticipatie). Maar het kan ook gaan over plannen en ideeën uit de samenleving, waar de gemeente bij betrokken wordt (overheidsparticipatie).

 

Inwoners zijn de ingezetenen in de gemeente, dat betekent: iedereen die met een adres in de gemeente Mook en Middelaar in de basisadministratie is ingeschreven. Een belanghebbende is volgens artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht: iemand die een rechtstreeks belang heeft bij een besluit. Denk aan bedrijven en maatschappelijke organisaties die lokaal actief zijn of een lokaal belang hebben.

 

Naast inwonerparticipatie en overheidsparticipatie staat in de omschrijving nog een vorm van participatie. Het is van toepassing als een andere initiatiefnemer dan de gemeente omwonenden en belanghebbenden betrekt bij de voorbereiding van een activiteit die niet van de gemeente is. Deze vorm is toegevoegd, omdat in de Omgevingsregeling staat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning moet laten weten óf en hoe hij de omgeving heeft betrokken bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.

 

onderdeel b: inwonerparticipatie

Bij inwonerparticipatie start de gemeente de participatie over gemeentelijk beleid of gemeentelijke plannen. Hoeveel invloed de deelnemers hebben dat verschilt. Deelnemers (participanten) kunnen de rol krijgen van (alleen) ontvanger van informatie, adviseur eindspraak (raadplegen), adviseur beginspraak (adviseren), samenwerkingspartner (ook wel: coproducent) en/of medebeslisser. Deze rollen van invloed worden gedefinieerd door de participatieladder.

 

onderdeel c. cliëntparticipatie

Cliëntparticipatie betekent dat mensen die gebruikmaken van ondersteuning via de Wmo, de Jeugdwet of de Participatiewet kunnen meedenken en meepraten over beleid en uitvoering van deze wetten. Zij delen hun ervaringen en ideeën, zodat de gemeente beter begrijpt wat cliënten nodig hebben.

 

onderdeel d: overheidsparticipatie

Bij overheidsparticipatie begint het bij de inwoners en belanghebbenden en de gemeente sluit daarbij dan aan. De gemeente kan bij een maatschappelijk idee of plan op verschillende manieren helpen. De gemeente kan het plan loslaten en helemaal overlaten aan de initiatiefnemers, maar kan het ook stimuleren, faciliteren, regisseren of reguleren. Bij loslaten geeft de gemeente de minste hulp en bij reguleren de meeste hulp. Wanneer de gemeente faciliteert biedt de gemeente ondersteuning, maar laat de planvorming geheel over aan de burgers.

 

onderdeel e: maatschappelijk initiatief

Een lokaal maatschappelijk doel is een activiteit die van positieve invloed is op de leefomgeving van de inwoners. Inwoners kennen hun straat, wijk, dorp of stad, weten wat er leeft en wat belangrijk voor hen is. En kunnen met een idee komen wat daarbij past.

 

onderdeel f: inspraak

Inspraak is een vorm van inwonerparticipatie die gaat over al duidelijke beleidsvoornemens. Het gaat om officiële inspraak. Inspraak gebeurt in de laatste fase van de voorbereiding van een besluit. Daardoor is er niet zoveel ruimte meer om gemeentelijk beleid of gemeentelijke plannen aan te passen.

 

Artikel 2 Doelstelling en reikwijdte

De verordening geldt niet voor participatiemogelijkheden die in andere regelingen staan. Maar als de gemeente volgens die andere regelingen zelf kan kiezen hoe participatie wordt aangepakt, dan is deze Participatieverordening van toepassing. Dat geldt bijvoorbeeld voor participatie onder de Omgevingswet. In deze wet staat voor verschillende onderdelen een motiveringsplicht voor participatie, maar in de Omgevingswet staat niet hoe de participatie moet worden ingevuld. De invulling van participatie gebeurt dan volgens de Participatieverordening.

 

Paragraaf 2 (dat zijn de artikelen 3 tot en met 6) gaat over inwonerparticipatie.

 

Artikel 3 Onderwerp inwonerparticipatie

De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders bepalen voor de eigen bevoegdheden of inwonerparticipatie gewenst is. De bedoeling is dat inwonerparticipatie wordt ingezet als gemeentelijk beleid en gemeentelijke plannen (grote) gevolgen hebben voor inwoners en andere belanghebbenden. Als inwonerparticipatie wettelijk verplicht is, is de keuze natuurlijk niet vrij. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor participatie: inwonerparticipatie is niet mogelijk of wenselijk in de gevallen die staan in het derde lid van dit artikel.

 

Artikel 4 Plan voor inwonerparticipatie

 

Lid 1

Duidelijkheid is belangrijk voor een goed participatietraject. Vóór de start van een participatietraject moet gekeken worden of aan de randvoorwaarden uit het ‘Beleidskader inwonerparticipatie en bestuursstijl’ is voldaan. Zo kiest de gemeente voor inwonerparticipatie, verder dan informeren, wanneer a. er voldoende juridische beleidsruimte is; b. het onderwerp geschikt is voor inwoners en inwoners direct raakt; c. er voldoende tijd is, capaciteit en middelen beschikbaar zijn; d. er ruimte is voor inwoners om iets te kiezen.

In lid 1 staat dat het bestuursorgaan al deze randvoorwaarden bij het begin van het participatietraject moet toetsen om de afweging te maken om wel of niet voor inwonerparticipatie te kiezen.

 

Onderdeel a.

het beleid moet voldoende ruimte bieden voor uiteenlopende opties.

 

Onderdeel b.

Het moet een begrijpelijk onderwerp zijn en voor een groep direct van belang zijn.

 

Onderdeel c.

Participatie neemt tijd in beslag, vooral in het voortraject. Een voorwaarde is dat die tijd beschikbaar is en dat besluitvorming niet zoveel haast heeft dat het niet mogelijk is om participatie zorgvuldig in te zetten. Het organiseren en begeleiden van participatie is arbeidsintensief. Er moet voldoende capaciteit en geld beschikbaar gesteld worden.

 

Onderdeel d.

Er moet binnen het onderwerp genoeg ruimte zijn voor inwoners om te kiezen.

 

Lid 2

Wanneer de gemeente kiest voor inwonerparticipatie, die verder gaat dan informeren, moet het bestuursorgaan een participatieparagraaf en participatieplan opstellen. Op deze manier wordt een open en duidelijk participatieproces op maat gemaakt. In de participatieparagraaf staat a. doel van participatie; b. wie erbij te betrekken; c. wie er verantwoordelijk is voor het participatieproces; d. wat we doen met de uitkomsten van de participatie.

 

Onderdeel a.

Het doel wat je met participatie wilt bereiken, geeft richting aan wie je erbij gaat betrekken, wie verantwoordelijk is en wat je met de uitkomsten gaat doen. Doelen van participatie kunnen bijvoorbeeld zijn: inzicht in belangen en wensen van betrokkenen; inzicht in mogelijkheden om tegemoet te komen aan wensen of belangen; deskundigheid betrekken; betrokkenheid/eigenaarschap creëren; draagvlak peilen.

 

Onderdeel b.

Om te bepalen wie je bij het participatieproces wil betrekken, maak je een omgevingsanalyse. Je brengt alle direct belanghebbenden in beeld, inclusief hun belangen, hun invloed, hun mening over het project en hoe belangrijk zij zijn voor het laten doen slagen van het project. Het is belangrijk om ook stil te staan bij de representativiteit van de deelnemers. Is deze groep een goede afspiegeling van de samenleving? Denk aan: bewoners, ondernemers, leerlingen, projectontwikkelaar, actiegroepen, maatschappelijke organisaties, advies- en dorpsraden.

 

Onderdeel c.

De gemeente is verantwoordelijk voor het participatieproces bij ieder proces waar zij initiatiefnemer is. Initiatiefnemers zijn verantwoordelijk voor het participatieproces, wanneer inwoners of een ondernemer wil uitbreiden. Inwoners en gemeente zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het participatieproces, wanneer inwoners een initiatief hebben dat gemeentelijk beleid ondersteunt, maar waarbij de gemeente primair een ondersteunende rol heeft en het initiatief niet overneemt. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het participatieproces wanneer initiatiefnemer met een initiatief komt dat gemeentelijk beleid niet ondersteunt. De samenleving, wijk of buurt is verantwoordelijk bij bijvoorbeeld inrichting van een openbare speeltuin.

 

Onderdeel d.

De mate waarin de uitkomsten van het participatieproces meewegen bij de besluitvorming, bepaalt ook de participatietrede op de ‘participatieladder’. Deze treden staan beschreven onder lid 4. Wanneer de participatietrede raadplegen is, dan neemt het bestuursorgaan kennis van de uitkomsten van het participatietraject en weegt af of, en in welke mate, deze worden meegenomen in de verdere beleids- of besluitvorming. Wanneer de participatietrede adviseren is, dan hanteert het bestuursorgaan de adviezen en conclusies uit het participatieproces als een zwaarwegend uitgangspunt bij de politieke en bestuurlijke besluitvorming. Wanneer de participatietrede co-creëren is, dan neemt het bestuursorgaan de uitkomsten van het participatieproces over, mits deze passen binnen de vooraf vastgestelde inhoudelijke, financiële en procedurele kaders. Wanneer de participatietrede meebeslissen is, dan treedt de gemeente in overleg met inwoners en betrokken organisaties om de uitkomsten van het participatieproces te vertalen naar een convenant of samenwerkingsovereenkomst waarin de gemaakte afspraken worden vastgelegd.

‘Informeren‘ is de laagste trede op de ‘participatieladder’. Als voor dit participatieniveau gekozen wordt, is het niet nodig om over alle onderwerpen van het eerste lid een beslissing te nemen.

 

Lid 9 en 8

In uitzonderlijke gevallen kan het bestuursorgaan na afloop van de participatieprocedure afwijken van de keuze, genoemd in het eerste lid. Participatietrajecten vinden vaak plaats in een dynamische context, waarin nieuwe feiten, wetgeving of belangen naar voren kunnen komen. Het is niet wenselijk dat het proces dan formeel vastzit aan eerder gemaakte keuzes. De deelnemers moeten over deze wijziging duidelijke informatie krijgen. Deze wijziging wordt nadrukkelijk gemotiveerd en gecommuniceerd aan de deelnemers.

 

Artikel 5 Procedure inspraak

Inspraak is een vorm van inwonerparticipatie over concrete beleidsvoornemens in de laatste fase van de procedure om een besluit te nemen. In deze fase is geen ruimte meer voor meedenken of meebeslissen. In artikel 150 Gemeentewet staat dat inspraak wordt gegeven door de zienswijzeprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht te gebruiken, behalve als in de verordening daar iets anders over staat. In de Participatieverordening is voor inspraak deze hoofdregel overgenomen (lid 1), maar kan hiervan wel worden afgeweken (lid 2). Door de aard van deze vorm van inwonerparticipatie zal de officiële procedure van afdeling 3.4 vaak ook het meest geschikt zijn.

 

Artikel 6 Eindverslag Inwonerparticipatie

Artikel 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht zegt ‘alleen’ dat een verslag moet worden gemaakt van wat tijdens de procedure gezegd is. De verslaglegging in deze Participatieverordening gaat verder. Lid 3 geeft aan wat in ieder geval in het eindverslag moet staan. In het eindverslag moeten alle mondelinge en schriftelijke participatiereacties staan. Dat hoeft niet heel uitgebreid opgeschreven te worden. Een korte samenvatting van wat gezegd en geschreven is, is voldoende. Om werk te besparen, mogen de schriftelijke reacties ook aan het eindverslag worden ‘geniet’. Het is belangrijk om alle deelnemers te informeren over het eindverslag. De manier waarop dit gebeurt moet volgens artikel 4, lid 2, onderdeel d, al duidelijk zijn bij de start van het participatietraject.

 

Artikel 7 Experimenteerprogramma

 

Lid 1

Het Experimenteerprogramma is bedoeld om ruimte te bieden voor het beproeven van nieuwe vormen van participatie. De praktijk leert dat er geen standaardaanpak bestaat voor participatie: verschillende doelgroepen vragen om verschillende benaderingen. Wat werkt voor de ene wijk of doelgroep, is niet automatisch toepasbaar op een andere. Daarom is het belangrijk dat de gemeente flexibel kan inspelen op wat er lokaal nodig is, en tegelijkertijd leert van de praktijk. Met het Experimenteerprogramma wordt hier structureel vorm aan gegeven. Het college stelt dit programma tweejaarlijks vast en legt het ter besluitvorming voor aan de raad. Op die manier wordt het experimenteren met participatievormen niet incidenteel of vrijblijvend, maar ingebed in de reguliere werkwijze van de gemeente.

 

Voorbeelden van experimenteerprogramma's zijn buurtbudgetten, jongerenparticipatie, burgerberaden of co-creatiesessies.

 

Paragraaf 3 (artikelen 8, 9 en 10) gaat over cliëntparticipatie in het sociaal domein.

 

Artikel 8 Toepasselijkheid algemene bepalingen op cliëntparticipatie

In dit artikel wordt verduidelijkt dat de bepalingen uit de algemene paragrafen van deze verordening (artikelen 1, 2, 3, 5 en 6) ook van toepassing zijn op cliëntparticipatie binnen het sociaal domein. Waar in deze artikelen wordt gesproken over ‘inwonerparticipatie’, wordt dat breder geïnterpreteerd: dit omvat óók de betrokkenheid van cliënten van de Participatiewet, de Wmo en de Jeugdwet. Dit voorkomt dubbelingen in de verordening en maakt duidelijk dat voor deze doelgroep dezelfde uitgangspunten voor participatie gelden, met waar nodig aanvullende afspraken.

 

Artikel 9 Wijze van cliëntparticipatie en advisering

Dit artikel beschrijft hoe cliëntparticipatie, in lijn met de wettelijke verplichtingen uit de Participatiewet, de Wmo 2015 en de Jeugdwet, vorm krijgt in beleid en uitvoering binnen het sociaal domein. Er wordt gewerkt met een flexibele benadering. De reden hiervoor is dat het sociaal domein een breed en divers werkveld is, waarin per onderwerp en doelgroep een andere aanpak nodig kan zijn. De participatievorm wordt daarom telkens afgestemd op het specifieke onderwerp en de doelgroep(en).

 

Voor ieder traject waarbij participatie gewenst of wettelijk verplicht is, wordt vooraf een participatieplan opgesteld. In dit plan worden het doel van de participatie, de doelgroep en de manier van betrekken uitgewerkt. Daarbij wordt gezocht naar passende vormen, zoals groepsgesprekken, digitale peilingen of individuele gesprekken met ervaringsdeskundigen.

 

Vroegtijdige betrokkenheid is essentieel: de input van cliënten of hun vertegenwoordigers moet nog van invloed kunnen zijn op beleidsontwikkeling of uitvoering. Daarom is in dit artikel opgenomen dat participatie plaatsvindt vóórdat het college een besluit neemt. Daarnaast wordt geborgd dat cliënten ook ongevraagd advies mogen uitbrengen over de uitvoering van beleid, waarmee hun rol als kritische gesprekspartner wordt erkend.

 

Tot slot is het uitgangspunt dat participatie pas waarde krijgt als deelnemers ook terugkoppeling krijgen. Afhankelijk van de vorm van participatie, wordt daarom op passende wijze teruggegeven wat er met de inbreng is gedaan.

 

Artikel 10 – Ondersteuning van cliëntparticipatie

Zonder goede ondersteuning is volwaardige participatie niet mogelijk. In dit artikel is vastgelegd hoe het college zorgdraagt voor die ondersteuning. Deze ondersteuning draagt bij aan de toegankelijkheid en kwaliteit van cliëntparticipatie, en onderstreept het belang dat de gemeente hecht aan de betrokkenheid van cliënten bij beleid en uitvoering in het sociaal domein.

 

Paragraaf 4 (artikelen 11 en 12) gaat over overheidsparticipatie.

 

Artikel 11 Onderwerp overheidsparticipatie

Bij overheidsparticipatie komt het idee voor het verbeteren van de buurt, wijk, stad of dorp van de inwoners en belanghebbenden zelf. Zij vragen de gemeente om hun initiatief te ondersteunen. Deze vorm van participatie past bij de veranderende relatie tussen gemeente en samenleving. Inwoners wachten niet tot de gemeente actie neemt, maar komen zelf met plannen die passen bij hun wensen. Regel is dat de gemeente daarbij een oplossingsgerichte en opbouwende houding heeft. Hoeveel ondersteuning een idee krijgt, verschilt. Het kan gaan van loslaten, stimuleren, faciliteren, regisseren tot reguleren. De hulp kan financieel zijn, maar het kan ook gaan om hulp van medewerkers van de gemeente. Of het beschikbaar stellen van (kantoor)ruimte of spullen van de gemeente. Of het geven van een vergunning.

 

Lid 2

In dit lid staat in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen besluiten om niet te participeren in een maatschappelijk initiatief. Maar er kunnen ook nog andere redenen zijn om niet mee te doen. De onder a t/m g genoemde situaties zijn soms nog niet duidelijk bij het indienen van een participatieverzoek. Dan is verder overleg en onderzoek nodig. Eén reden om een maatschappelijk initiatief niet te ondersteunen, is het gebrek aan draagvlak onder betrokken inwoners (onderdeel c). Het is niet altijd even makkelijk om te bepalen of de initiatiefnemers de buurt, wijk, stad of dorp echt vertegenwoordigen. Het gaat namelijk niet alleen om het aantal inwoners. Maar het gaat er ook om of die inwoners voldoende representatief zijn voor de buurt. Dat wil zeggen dat zij ook echt namens de buurt spreken.

 

Artikel 11 Onderwerp overheidsparticipatie

 

Lid 2

In lid 2 van artikel 11 staat een aantal redenen om het maatschappelijk initiatief niet te ondersteunen. In deze opsomming staan niet alle mogelijke redenen. Er kunnen ook nog andere redenen zijn voor de gemeente om niet mee te doen met een plan of idee van inwoners en belanghebbenden.

 

Artikel 12 Procedure en besluitvorming overheidsparticipatie

 

Lid 2

De participatiecoördinator kan bij het schrijven van het verzoek helpen. Of regelen dat een andere medewerker van de gemeente initiatiefnemer(s) hierbij helpt.

 

Lid 8

Als burgemeester en wethouders besluiten om te participeren in een maatschappelijk initiatief, moet een aantal dingen duidelijk zijn. Zo moet duidelijk zijn wat het initiatief precies is, hoe en door wie het wordt uitgevoerd en wat de kosten zijn. In het besluit staat ook hoeveel ondersteuning de gemeente geeft: loslaten, stimuleren, faciliteren, regisseren of reguleren. Dit kan op verschillende manieren worden vormgegeven (zie onderdeel b). Het is in ieder geval belangrijk om de gekozen vorm(en) goed te beschrijven. Initiatiefnemers weten dan precies wat zij van de gemeente mogen verwachten. Maar ook wat de gemeente van de initiatiefnemers mag verwachten.

 

Paragraaf 5 Uitdaagrecht

 

Artikel 13 Verzoek toepassing uitdaagrecht

 

Lid 1

Bij het overnemen van gemeentelijke taken gaat het bijna altijd om de uitvoering van taken van (het college van) burgemeester en wethouders. Dit college beslist daarom of het de uitdaging aanneemt. Burgemeester en wethouders blijven uiteindelijk verantwoordelijk voor het uitvoeren van die gemeentelijke taken.

 

Artikel 15 Procedure en besluitvorming uitdaagrecht

 

Lid 2

In dit lid staat wanneer het uitdaagrecht in ieder geval niet kan worden gebruikt. Zo moet het overnemen van een taak passen binnen de bestaande regels. Bijvoorbeeld de regels die gelden voor inkoop en aanbesteding. De keuze om wel of niet op een uitdaging in te gaan is maatwerk. De verordening laat daarvoor voldoende ruimte.

 

Initiatiefnemers hoeven zich niet in een rechtspersoon (bijvoorbeeld een stichting) te organiseren om een taak over te nemen. Maar vaak is het wel gewenst dat er een rechtspersoon is. Bijvoorbeeld in verband met aansprakelijkheid. Daarom zal deze voorwaarde meestal wel worden gebruikt.

 

Artikel 16 Uitvoering taak

 

Lid 3

De afspraken over de precieze uitvoering van de gemeentelijke taak staan in een schriftelijke overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer(s). In lid 3 staat welke onderwerpen in ieder geval in de overeenkomst moeten staan.

 

Paragraaf 6 Participatie Omgevingswet

 

Artikel 17 Participatie Omgevingswet

In het nieuwe omgevingsrecht wordt participatie sterk aangemoedigd. In de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling is participatie per instrument uitgewerkt. Bij gemeenten gaat het dan om de instrumenten: omgevingsvisie, (omgevings)programma, omgevingsplan en omgevingsvergunning.

 

Zo moet de gemeente, als zij een omgevingsplan gaat maken, bij het begin al laten weten hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen erbij worden betrokken.

 

En als het omgevingsplan, de omgevingsvisie of het programma worden vastgesteld, moet de gemeente uitleggen hoe belanghebbenden erbij zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe de gemeente haar participatiebeleid heeft ingevuld.

 

Ook bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet de aanvrager laten weten of en, zo ja, hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En wat de resultaten daarvan zijn.

 

Opgemerkt wordt wel dat bij een aanvraag van een omgevingsvergunning participatie niet verplicht is. Behalve als het gaat om gevallen waarbij de raad participatie bij de aanvraag voor omgevingsvergunning verplicht heeft gesteld (zie delegatiebesluit).

 

Lid 1 gaat over participatie in het omgevingsrecht als de gemeente initiatiefnemer is. Lid 2 gaat over verplichte participatie in de gevallen die de gemeenteraad heeft aangewezen.

 

Lid 1

In dit lid gaat het om de situatie dat de gemeente een plan heeft. Als de gemeente initiatiefnemer is, dan staat in de ‘Beleidskader inwonerparticipatie en bestuursstijl’ en in deze Participatieverordening hoe de gemeente participatie invult. Het beleidskader en de verordening vormen samen het gemeentelijke participatiebeleid. In lid 1 staat daarom dat wanneer de gemeente de instrumenten van de Omgevingswet wil gebruiken, de artikelen over inwonerparticipatie van toepassing zijn. Het gaat dan om het vaststellen of veranderen van de omgevingsvisie, het (omgevings)programma of het omgevingsplan door de gemeente of het geval dat de gemeente een omgevingsvergunning aanvraagt. Hiervoor gelden dus artikel 4, 5 en 6 van de Participatieverordening.

 

Lid 2

In gevallen dat participatie bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht is gesteld (zie delegatiebesluit van de raad), stelt de initiatiefnemer een participatieplan op en voert dit uit. Hieraan stellen we dezelfde eisen als wanneer wij als gemeente een participatieplan opstellen.

 

Conform de Omgevingswet is het voor initiatiefnemers verplicht om te laten zien hoe de omgeving en of andere belanghebbenden zijn meegenomen in de totstandkoming van het initiatief. Hoe zij dit doen is vormvrij. Dit kan variëren van een gesprek met de buren, tot een volledig participatieplan, afhankelijk van de grootte en impact van het initiatief. In elk voortraject denkt de gemeente mee en adviseert de initiatiefnemer hierover. Daarbij kan wel worden gewezen naar onze eigen beleidsregels over participatie.

 

Paragraaf 7 Evaluatie en monitoring

De adviseur participatie van de gemeente maakt een keer raadsperiode een evaluatieverslag. De adviseur participatie gebruikt hiervoor informatie over de participatietrajecten in die periode.

 

Paragraaf 8 Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 20 Inwerkingtreding

 

Naar boven