Gemeenteblad van Mook en Middelaar
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Mook en Middelaar | Gemeenteblad 2025, 553213 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Mook en Middelaar | Gemeenteblad 2025, 553213 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Participatieverordening Mook en Middelaar 2025
De raad van de gemeente Mook en Middelaar;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november;
gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet;
artikel 2.10 van de Jeugdwet, artikel 47 van de Participatiewet en artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
gezien het Beleidskader Participatieaanpak inwonersparticipatie en bestuursstijl, dat de raad op 15 december 2022 heeft vastgesteld;
besluit vast te stellen de volgende:
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
participatie: het deelnemen van inwoners en belanghebbenden aan de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid en gemeentelijke plannen (= inwoner-participatie) en het deelnemen van de gemeente aan maatschappelijke initiatieven (= overheidsparticipatie). Participatie is ook het door een andere initiatiefnemer dan de gemeente betrekken van belanghebbenden bij de voorbereiding van een activiteit met betrekking tot de fysieke leefomgeving;
Artikel 4 Plan voor inwonerparticipatie
Indien tijdens de participatieprocedure blijkt dat aanpassing van de kaders of de inrichting noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan deze wijzigen, mits dit gemotiveerd gebeurt en de deelnemers hier tijdig, duidelijk en via passende communicatiekanalen over worden geïnformeerd. Waar mogelijk worden deelnemers betrokken bij het bepalen van de aangepaste werkwijze.
In uitzonderlijke gevallen kan het bestuursorgaan na afloop gemotiveerd afwijken van de vooraf gekozen participatievorm of -uitkomst, uitsluitend wanneer nieuwe inzichten of zwaarwegende belangen dit noodzakelijk maken. Een dergelijke afwijking wordt schriftelijk onderbouwd, en transparant gecommuniceerd aan de deelnemers en andere betrokkenen, met toelichting op de redenen en de gevolgen voor het vervolg van het proces.
Artikel 8 Algemeen cliëntparticipatie
Artikel 10 Ondersteuning cliëntparticipatie
Het college zorgt voor adequate ondersteuning van cliëntparticipatie, dit gebeurt in ieder geval door:
Artikel 11 Onderwerp overheidsparticipatie
Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van inwoner(s) en/of belanghebbende(n) een maatschappelijk initiatief ondersteunen als naar de mening van burgemeester en wethouders het initiatief bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid of op een andere manier een positieve bijdrage levert aan de lokale samenleving.
Artikel 12 Procedure en besluitvorming overheidsparticipatie
Artikel 14 Ondersteuning indiener verzoek toepassing uitdaagrecht
Artikel 17 Participatie Omgevingswet
Op inwonerparticipatie bij de omgevingsvisie, het (omgevings)programma, het omgevingsplan (als de gemeente initiatiefnemer is) en de omgevingsvergunning (als de gemeente aanvrager is) zijn de artikelen 4, 5 en 6 van deze verordening van toepassing voor zover in de Omgevingswet en daarbij behorende regelingen niet anders is bepaald.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 11 december 2025,
De griffier,
W. Huberts
De burgemeester,
I.M. van Dijk
De visie van de gemeente op participatie
In december 2022 is het ‘Beleidskader inwonerparticipatie en bestuursstijl’ vastgesteld. Hierin staat dat de gemeente voor uitdagingen staat die de gemeente niet alleen kan oplossen. Zo willen steeds meer burgers, ondernemers en organisaties invloed hebben of een bijdrage leveren aan de kwaliteit van hun fysieke of sociale leefomgeving. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving bij het proces van besluitvorming over een project of activiteit zorgt ervoor dat verschillende perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. Wat zorgt voor meer draagvlak en betere besluiten.
Met betrekking tot participatie is sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de raad, het college en de ambtelijke organisatie. Het college van B&W gelooft dat er veel kennis en kunde in de samenleving aanwezig is en wil daar gebruik van maken, met als doel beter beleid en een prettige leefomgeving. Inwonerparticipatie is daarbij geen doel, maar een middel om burgers meer te betrekken bij de veranderingen in hun eigen leefomgeving.
Er zijn verschillende vormen van participatie: inwonerparticipatie en overheidsparticipatie. Bij inwonerparticipatie zet de gemeente de eerste stap. De gemeente nodigt de inwoners uit om mee te denken over de plannen van de gemeente. Bij overheidsparticipatie komt het idee voor het verbeteren van de buurt, wijk, stad of dorp van de inwoners zelf. Zij komen als eerste met plannen en voeren deze ook zoveel mogelijk zelf uit. De gemeente geeft daarbij ‘alleen’ hulp en ondersteuning. (Ook) deze ontwikkeling past bij de veranderende relatie tussen gemeente en samenleving. Inwoners wachten niet tot de gemeente actie neemt, maar komen zelf met plannen die passen bij hun wensen. Bij overheidsparticipatie draait de relatie tussen gemeente en inwoners dus om.
Waarom een participatieverordening?
In het ‘Beleidskader inwonerparticipatie en bestuursstijl’ staat waar een goed participatieproces aan moet voldoen. In de Participatieverordening is dit vertaald naar duidelijke afspraken. Deze afspraken gelden voor inwonerparticipatie (zoals inspraak) én overheidsparticipatie. De afspraken zorgen voor duidelijkheid, logische opbouw en handvatten voor een goed participatietraject. Zo is vooraf duidelijk hoe het participatieproces wordt ingericht.
Het bestuursorgaan is bij de start van ieder inwonerparticipatieproces duidelijk over de volgende onderwerpen: het doel van participatie; de mensen voor wie de participatie is bedoeld (doelgroepen); wie er verantwoordelijk is voor het participatieproces; wat we doen met de uitkomsten van de participatie. De Participatieverordening maakt het mogelijk dat voor elk geval de meest geschikte aanpak kan worden gekozen. De Participatieverordening is de juridische vertaling van het beleidskader.
De Participatieverordening geeft meer participatiemogelijkheden dan de Inspraakverordening die er nu is. Volgens de Inspraakverordening is het mogelijk om een mening te geven over uitgewerkte beleidsvoornemens. Inspraak komt dus pas in het laatste deel van het proces om een besluit te nemen. Maar vaak is het beter om mensen eerder in het proces om hun mening te vragen. Soms al vanaf het allereerste idee, om dit samen verder uit te werken. Inwonerparticipatie is in de Participatieverordening daarom ruim omschreven: ‘het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid en gemeentelijke plannen’. In het huidige artikel 150 Gemeentewet staat dat een (Inspraak-)verordening verplicht is voor ‘de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken’. Maar in het wetsvoorstel is deze verplichting uitgebreid tot een (Participatie-)verordening, waarin ook regels staan over participatie bij de uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid.
Opbouw van de participatieverordening
In paragraaf 1 staan de algemene bepalingen, zoals de begripsomschrijvingen en de doelstelling en reikwijdte van de verordening.
In paragraaf 2 staat wat inwonerparticipatie betekent en hoe participatieprocessen worden doorlopen.
In paragraaf 3 staat wat cliëntparticipatie in het sociaal domein betekent en welke werkwijze wordt doorlopen.
In paragraaf 4 staat wat overheidsparticipatie betekent en op welke manier de gemeente inwonersinitiatieven wel of niet ondersteunt.
In paragraaf 5 staat hoe wordt omgegaan met het uitdaagrecht.
In paragraaf 6 wordt uitgelegd hoe wordt omgegaan met participatie binnen de Omgevingswet.
In paragraaf 7 wordt uitgelegd op welke manier participatie wordt geëvalueerd en gemonitord.
In paragraaf 8 staan de overgangs- en slotbepalingen
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
De omschrijving van participatie is dezelfde als in het voorstel ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’. Dit wetsvoorstel zegt dat in een verordening regels moeten staan over hoe inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid worden betrokken. Artikel 150, zoals dat nu in de Gemeentewet staat, gaat over inspraak bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Maar bij participatie gaat het ook over de uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid.
Participatie kan gaan over gemeentelijke plannen waar inwoners en belanghebbenden bij betrokken worden (inwonerparticipatie). Maar het kan ook gaan over plannen en ideeën uit de samenleving, waar de gemeente bij betrokken wordt (overheidsparticipatie).
Inwoners zijn de ingezetenen in de gemeente, dat betekent: iedereen die met een adres in de gemeente Mook en Middelaar in de basisadministratie is ingeschreven. Een belanghebbende is volgens artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht: iemand die een rechtstreeks belang heeft bij een besluit. Denk aan bedrijven en maatschappelijke organisaties die lokaal actief zijn of een lokaal belang hebben.
Naast inwonerparticipatie en overheidsparticipatie staat in de omschrijving nog een vorm van participatie. Het is van toepassing als een andere initiatiefnemer dan de gemeente omwonenden en belanghebbenden betrekt bij de voorbereiding van een activiteit die niet van de gemeente is. Deze vorm is toegevoegd, omdat in de Omgevingsregeling staat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning moet laten weten óf en hoe hij de omgeving heeft betrokken bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.
onderdeel b: inwonerparticipatie
Bij inwonerparticipatie start de gemeente de participatie over gemeentelijk beleid of gemeentelijke plannen. Hoeveel invloed de deelnemers hebben dat verschilt. Deelnemers (participanten) kunnen de rol krijgen van (alleen) ontvanger van informatie, adviseur eindspraak (raadplegen), adviseur beginspraak (adviseren), samenwerkingspartner (ook wel: coproducent) en/of medebeslisser. Deze rollen van invloed worden gedefinieerd door de participatieladder.
onderdeel c. cliëntparticipatie
Cliëntparticipatie betekent dat mensen die gebruikmaken van ondersteuning via de Wmo, de Jeugdwet of de Participatiewet kunnen meedenken en meepraten over beleid en uitvoering van deze wetten. Zij delen hun ervaringen en ideeën, zodat de gemeente beter begrijpt wat cliënten nodig hebben.
onderdeel d: overheidsparticipatie
Bij overheidsparticipatie begint het bij de inwoners en belanghebbenden en de gemeente sluit daarbij dan aan. De gemeente kan bij een maatschappelijk idee of plan op verschillende manieren helpen. De gemeente kan het plan loslaten en helemaal overlaten aan de initiatiefnemers, maar kan het ook stimuleren, faciliteren, regisseren of reguleren. Bij loslaten geeft de gemeente de minste hulp en bij reguleren de meeste hulp. Wanneer de gemeente faciliteert biedt de gemeente ondersteuning, maar laat de planvorming geheel over aan de burgers.
onderdeel e: maatschappelijk initiatief
Een lokaal maatschappelijk doel is een activiteit die van positieve invloed is op de leefomgeving van de inwoners. Inwoners kennen hun straat, wijk, dorp of stad, weten wat er leeft en wat belangrijk voor hen is. En kunnen met een idee komen wat daarbij past.
Inspraak is een vorm van inwonerparticipatie die gaat over al duidelijke beleidsvoornemens. Het gaat om officiële inspraak. Inspraak gebeurt in de laatste fase van de voorbereiding van een besluit. Daardoor is er niet zoveel ruimte meer om gemeentelijk beleid of gemeentelijke plannen aan te passen.
Artikel 2 Doelstelling en reikwijdte
De verordening geldt niet voor participatiemogelijkheden die in andere regelingen staan. Maar als de gemeente volgens die andere regelingen zelf kan kiezen hoe participatie wordt aangepakt, dan is deze Participatieverordening van toepassing. Dat geldt bijvoorbeeld voor participatie onder de Omgevingswet. In deze wet staat voor verschillende onderdelen een motiveringsplicht voor participatie, maar in de Omgevingswet staat niet hoe de participatie moet worden ingevuld. De invulling van participatie gebeurt dan volgens de Participatieverordening.
Paragraaf 2 (dat zijn de artikelen 3 tot en met 6) gaat over inwonerparticipatie.
Artikel 3 Onderwerp inwonerparticipatie
De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders bepalen voor de eigen bevoegdheden of inwonerparticipatie gewenst is. De bedoeling is dat inwonerparticipatie wordt ingezet als gemeentelijk beleid en gemeentelijke plannen (grote) gevolgen hebben voor inwoners en andere belanghebbenden. Als inwonerparticipatie wettelijk verplicht is, is de keuze natuurlijk niet vrij. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor participatie: inwonerparticipatie is niet mogelijk of wenselijk in de gevallen die staan in het derde lid van dit artikel.
Artikel 4 Plan voor inwonerparticipatie
Duidelijkheid is belangrijk voor een goed participatietraject. Vóór de start van een participatietraject moet gekeken worden of aan de randvoorwaarden uit het ‘Beleidskader inwonerparticipatie en bestuursstijl’ is voldaan. Zo kiest de gemeente voor inwonerparticipatie, verder dan informeren, wanneer a. er voldoende juridische beleidsruimte is; b. het onderwerp geschikt is voor inwoners en inwoners direct raakt; c. er voldoende tijd is, capaciteit en middelen beschikbaar zijn; d. er ruimte is voor inwoners om iets te kiezen.
In lid 1 staat dat het bestuursorgaan al deze randvoorwaarden bij het begin van het participatietraject moet toetsen om de afweging te maken om wel of niet voor inwonerparticipatie te kiezen.
het beleid moet voldoende ruimte bieden voor uiteenlopende opties.
Het moet een begrijpelijk onderwerp zijn en voor een groep direct van belang zijn.
Participatie neemt tijd in beslag, vooral in het voortraject. Een voorwaarde is dat die tijd beschikbaar is en dat besluitvorming niet zoveel haast heeft dat het niet mogelijk is om participatie zorgvuldig in te zetten. Het organiseren en begeleiden van participatie is arbeidsintensief. Er moet voldoende capaciteit en geld beschikbaar gesteld worden.
Er moet binnen het onderwerp genoeg ruimte zijn voor inwoners om te kiezen.
Wanneer de gemeente kiest voor inwonerparticipatie, die verder gaat dan informeren, moet het bestuursorgaan een participatieparagraaf en participatieplan opstellen. Op deze manier wordt een open en duidelijk participatieproces op maat gemaakt. In de participatieparagraaf staat a. doel van participatie; b. wie erbij te betrekken; c. wie er verantwoordelijk is voor het participatieproces; d. wat we doen met de uitkomsten van de participatie.
Het doel wat je met participatie wilt bereiken, geeft richting aan wie je erbij gaat betrekken, wie verantwoordelijk is en wat je met de uitkomsten gaat doen. Doelen van participatie kunnen bijvoorbeeld zijn: inzicht in belangen en wensen van betrokkenen; inzicht in mogelijkheden om tegemoet te komen aan wensen of belangen; deskundigheid betrekken; betrokkenheid/eigenaarschap creëren; draagvlak peilen.
Om te bepalen wie je bij het participatieproces wil betrekken, maak je een omgevingsanalyse. Je brengt alle direct belanghebbenden in beeld, inclusief hun belangen, hun invloed, hun mening over het project en hoe belangrijk zij zijn voor het laten doen slagen van het project. Het is belangrijk om ook stil te staan bij de representativiteit van de deelnemers. Is deze groep een goede afspiegeling van de samenleving? Denk aan: bewoners, ondernemers, leerlingen, projectontwikkelaar, actiegroepen, maatschappelijke organisaties, advies- en dorpsraden.
De gemeente is verantwoordelijk voor het participatieproces bij ieder proces waar zij initiatiefnemer is. Initiatiefnemers zijn verantwoordelijk voor het participatieproces, wanneer inwoners of een ondernemer wil uitbreiden. Inwoners en gemeente zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het participatieproces, wanneer inwoners een initiatief hebben dat gemeentelijk beleid ondersteunt, maar waarbij de gemeente primair een ondersteunende rol heeft en het initiatief niet overneemt. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het participatieproces wanneer initiatiefnemer met een initiatief komt dat gemeentelijk beleid niet ondersteunt. De samenleving, wijk of buurt is verantwoordelijk bij bijvoorbeeld inrichting van een openbare speeltuin.
De mate waarin de uitkomsten van het participatieproces meewegen bij de besluitvorming, bepaalt ook de participatietrede op de ‘participatieladder’. Deze treden staan beschreven onder lid 4. Wanneer de participatietrede raadplegen is, dan neemt het bestuursorgaan kennis van de uitkomsten van het participatietraject en weegt af of, en in welke mate, deze worden meegenomen in de verdere beleids- of besluitvorming. Wanneer de participatietrede adviseren is, dan hanteert het bestuursorgaan de adviezen en conclusies uit het participatieproces als een zwaarwegend uitgangspunt bij de politieke en bestuurlijke besluitvorming. Wanneer de participatietrede co-creëren is, dan neemt het bestuursorgaan de uitkomsten van het participatieproces over, mits deze passen binnen de vooraf vastgestelde inhoudelijke, financiële en procedurele kaders. Wanneer de participatietrede meebeslissen is, dan treedt de gemeente in overleg met inwoners en betrokken organisaties om de uitkomsten van het participatieproces te vertalen naar een convenant of samenwerkingsovereenkomst waarin de gemaakte afspraken worden vastgelegd.
‘Informeren‘ is de laagste trede op de ‘participatieladder’. Als voor dit participatieniveau gekozen wordt, is het niet nodig om over alle onderwerpen van het eerste lid een beslissing te nemen.
In uitzonderlijke gevallen kan het bestuursorgaan na afloop van de participatieprocedure afwijken van de keuze, genoemd in het eerste lid. Participatietrajecten vinden vaak plaats in een dynamische context, waarin nieuwe feiten, wetgeving of belangen naar voren kunnen komen. Het is niet wenselijk dat het proces dan formeel vastzit aan eerder gemaakte keuzes. De deelnemers moeten over deze wijziging duidelijke informatie krijgen. Deze wijziging wordt nadrukkelijk gemotiveerd en gecommuniceerd aan de deelnemers.
Inspraak is een vorm van inwonerparticipatie over concrete beleidsvoornemens in de laatste fase van de procedure om een besluit te nemen. In deze fase is geen ruimte meer voor meedenken of meebeslissen. In artikel 150 Gemeentewet staat dat inspraak wordt gegeven door de zienswijzeprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht te gebruiken, behalve als in de verordening daar iets anders over staat. In de Participatieverordening is voor inspraak deze hoofdregel overgenomen (lid 1), maar kan hiervan wel worden afgeweken (lid 2). Door de aard van deze vorm van inwonerparticipatie zal de officiële procedure van afdeling 3.4 vaak ook het meest geschikt zijn.
Artikel 6 Eindverslag Inwonerparticipatie
Artikel 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht zegt ‘alleen’ dat een verslag moet worden gemaakt van wat tijdens de procedure gezegd is. De verslaglegging in deze Participatieverordening gaat verder. Lid 3 geeft aan wat in ieder geval in het eindverslag moet staan. In het eindverslag moeten alle mondelinge en schriftelijke participatiereacties staan. Dat hoeft niet heel uitgebreid opgeschreven te worden. Een korte samenvatting van wat gezegd en geschreven is, is voldoende. Om werk te besparen, mogen de schriftelijke reacties ook aan het eindverslag worden ‘geniet’. Het is belangrijk om alle deelnemers te informeren over het eindverslag. De manier waarop dit gebeurt moet volgens artikel 4, lid 2, onderdeel d, al duidelijk zijn bij de start van het participatietraject.
Artikel 7 Experimenteerprogramma
Het Experimenteerprogramma is bedoeld om ruimte te bieden voor het beproeven van nieuwe vormen van participatie. De praktijk leert dat er geen standaardaanpak bestaat voor participatie: verschillende doelgroepen vragen om verschillende benaderingen. Wat werkt voor de ene wijk of doelgroep, is niet automatisch toepasbaar op een andere. Daarom is het belangrijk dat de gemeente flexibel kan inspelen op wat er lokaal nodig is, en tegelijkertijd leert van de praktijk. Met het Experimenteerprogramma wordt hier structureel vorm aan gegeven. Het college stelt dit programma tweejaarlijks vast en legt het ter besluitvorming voor aan de raad. Op die manier wordt het experimenteren met participatievormen niet incidenteel of vrijblijvend, maar ingebed in de reguliere werkwijze van de gemeente.
Voorbeelden van experimenteerprogramma's zijn buurtbudgetten, jongerenparticipatie, burgerberaden of co-creatiesessies.
Paragraaf 3 (artikelen 8, 9 en 10) gaat over cliëntparticipatie in het sociaal domein.
Artikel 8 Toepasselijkheid algemene bepalingen op cliëntparticipatie
In dit artikel wordt verduidelijkt dat de bepalingen uit de algemene paragrafen van deze verordening (artikelen 1, 2, 3, 5 en 6) ook van toepassing zijn op cliëntparticipatie binnen het sociaal domein. Waar in deze artikelen wordt gesproken over ‘inwonerparticipatie’, wordt dat breder geïnterpreteerd: dit omvat óók de betrokkenheid van cliënten van de Participatiewet, de Wmo en de Jeugdwet. Dit voorkomt dubbelingen in de verordening en maakt duidelijk dat voor deze doelgroep dezelfde uitgangspunten voor participatie gelden, met waar nodig aanvullende afspraken.
Artikel 9 Wijze van cliëntparticipatie en advisering
Dit artikel beschrijft hoe cliëntparticipatie, in lijn met de wettelijke verplichtingen uit de Participatiewet, de Wmo 2015 en de Jeugdwet, vorm krijgt in beleid en uitvoering binnen het sociaal domein. Er wordt gewerkt met een flexibele benadering. De reden hiervoor is dat het sociaal domein een breed en divers werkveld is, waarin per onderwerp en doelgroep een andere aanpak nodig kan zijn. De participatievorm wordt daarom telkens afgestemd op het specifieke onderwerp en de doelgroep(en).
Voor ieder traject waarbij participatie gewenst of wettelijk verplicht is, wordt vooraf een participatieplan opgesteld. In dit plan worden het doel van de participatie, de doelgroep en de manier van betrekken uitgewerkt. Daarbij wordt gezocht naar passende vormen, zoals groepsgesprekken, digitale peilingen of individuele gesprekken met ervaringsdeskundigen.
Vroegtijdige betrokkenheid is essentieel: de input van cliënten of hun vertegenwoordigers moet nog van invloed kunnen zijn op beleidsontwikkeling of uitvoering. Daarom is in dit artikel opgenomen dat participatie plaatsvindt vóórdat het college een besluit neemt. Daarnaast wordt geborgd dat cliënten ook ongevraagd advies mogen uitbrengen over de uitvoering van beleid, waarmee hun rol als kritische gesprekspartner wordt erkend.
Tot slot is het uitgangspunt dat participatie pas waarde krijgt als deelnemers ook terugkoppeling krijgen. Afhankelijk van de vorm van participatie, wordt daarom op passende wijze teruggegeven wat er met de inbreng is gedaan.
Artikel 10 – Ondersteuning van cliëntparticipatie
Zonder goede ondersteuning is volwaardige participatie niet mogelijk. In dit artikel is vastgelegd hoe het college zorgdraagt voor die ondersteuning. Deze ondersteuning draagt bij aan de toegankelijkheid en kwaliteit van cliëntparticipatie, en onderstreept het belang dat de gemeente hecht aan de betrokkenheid van cliënten bij beleid en uitvoering in het sociaal domein.
Paragraaf 4 (artikelen 11 en 12) gaat over overheidsparticipatie.
Artikel 11 Onderwerp overheidsparticipatie
Bij overheidsparticipatie komt het idee voor het verbeteren van de buurt, wijk, stad of dorp van de inwoners en belanghebbenden zelf. Zij vragen de gemeente om hun initiatief te ondersteunen. Deze vorm van participatie past bij de veranderende relatie tussen gemeente en samenleving. Inwoners wachten niet tot de gemeente actie neemt, maar komen zelf met plannen die passen bij hun wensen. Regel is dat de gemeente daarbij een oplossingsgerichte en opbouwende houding heeft. Hoeveel ondersteuning een idee krijgt, verschilt. Het kan gaan van loslaten, stimuleren, faciliteren, regisseren tot reguleren. De hulp kan financieel zijn, maar het kan ook gaan om hulp van medewerkers van de gemeente. Of het beschikbaar stellen van (kantoor)ruimte of spullen van de gemeente. Of het geven van een vergunning.
In dit lid staat in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen besluiten om niet te participeren in een maatschappelijk initiatief. Maar er kunnen ook nog andere redenen zijn om niet mee te doen. De onder a t/m g genoemde situaties zijn soms nog niet duidelijk bij het indienen van een participatieverzoek. Dan is verder overleg en onderzoek nodig. Eén reden om een maatschappelijk initiatief niet te ondersteunen, is het gebrek aan draagvlak onder betrokken inwoners (onderdeel c). Het is niet altijd even makkelijk om te bepalen of de initiatiefnemers de buurt, wijk, stad of dorp echt vertegenwoordigen. Het gaat namelijk niet alleen om het aantal inwoners. Maar het gaat er ook om of die inwoners voldoende representatief zijn voor de buurt. Dat wil zeggen dat zij ook echt namens de buurt spreken.
Artikel 11 Onderwerp overheidsparticipatie
In lid 2 van artikel 11 staat een aantal redenen om het maatschappelijk initiatief niet te ondersteunen. In deze opsomming staan niet alle mogelijke redenen. Er kunnen ook nog andere redenen zijn voor de gemeente om niet mee te doen met een plan of idee van inwoners en belanghebbenden.
Artikel 12 Procedure en besluitvorming overheidsparticipatie
De participatiecoördinator kan bij het schrijven van het verzoek helpen. Of regelen dat een andere medewerker van de gemeente initiatiefnemer(s) hierbij helpt.
Als burgemeester en wethouders besluiten om te participeren in een maatschappelijk initiatief, moet een aantal dingen duidelijk zijn. Zo moet duidelijk zijn wat het initiatief precies is, hoe en door wie het wordt uitgevoerd en wat de kosten zijn. In het besluit staat ook hoeveel ondersteuning de gemeente geeft: loslaten, stimuleren, faciliteren, regisseren of reguleren. Dit kan op verschillende manieren worden vormgegeven (zie onderdeel b). Het is in ieder geval belangrijk om de gekozen vorm(en) goed te beschrijven. Initiatiefnemers weten dan precies wat zij van de gemeente mogen verwachten. Maar ook wat de gemeente van de initiatiefnemers mag verwachten.
Artikel 13 Verzoek toepassing uitdaagrecht
Bij het overnemen van gemeentelijke taken gaat het bijna altijd om de uitvoering van taken van (het college van) burgemeester en wethouders. Dit college beslist daarom of het de uitdaging aanneemt. Burgemeester en wethouders blijven uiteindelijk verantwoordelijk voor het uitvoeren van die gemeentelijke taken.
Artikel 15 Procedure en besluitvorming uitdaagrecht
In dit lid staat wanneer het uitdaagrecht in ieder geval niet kan worden gebruikt. Zo moet het overnemen van een taak passen binnen de bestaande regels. Bijvoorbeeld de regels die gelden voor inkoop en aanbesteding. De keuze om wel of niet op een uitdaging in te gaan is maatwerk. De verordening laat daarvoor voldoende ruimte.
Initiatiefnemers hoeven zich niet in een rechtspersoon (bijvoorbeeld een stichting) te organiseren om een taak over te nemen. Maar vaak is het wel gewenst dat er een rechtspersoon is. Bijvoorbeeld in verband met aansprakelijkheid. Daarom zal deze voorwaarde meestal wel worden gebruikt.
De afspraken over de precieze uitvoering van de gemeentelijke taak staan in een schriftelijke overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer(s). In lid 3 staat welke onderwerpen in ieder geval in de overeenkomst moeten staan.
Paragraaf 6 Participatie Omgevingswet
Artikel 17 Participatie Omgevingswet
In het nieuwe omgevingsrecht wordt participatie sterk aangemoedigd. In de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling is participatie per instrument uitgewerkt. Bij gemeenten gaat het dan om de instrumenten: omgevingsvisie, (omgevings)programma, omgevingsplan en omgevingsvergunning.
Zo moet de gemeente, als zij een omgevingsplan gaat maken, bij het begin al laten weten hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen erbij worden betrokken.
En als het omgevingsplan, de omgevingsvisie of het programma worden vastgesteld, moet de gemeente uitleggen hoe belanghebbenden erbij zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe de gemeente haar participatiebeleid heeft ingevuld.
Ook bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet de aanvrager laten weten of en, zo ja, hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En wat de resultaten daarvan zijn.
Opgemerkt wordt wel dat bij een aanvraag van een omgevingsvergunning participatie niet verplicht is. Behalve als het gaat om gevallen waarbij de raad participatie bij de aanvraag voor omgevingsvergunning verplicht heeft gesteld (zie delegatiebesluit).
Lid 1 gaat over participatie in het omgevingsrecht als de gemeente initiatiefnemer is. Lid 2 gaat over verplichte participatie in de gevallen die de gemeenteraad heeft aangewezen.
In dit lid gaat het om de situatie dat de gemeente een plan heeft. Als de gemeente initiatiefnemer is, dan staat in de ‘Beleidskader inwonerparticipatie en bestuursstijl’ en in deze Participatieverordening hoe de gemeente participatie invult. Het beleidskader en de verordening vormen samen het gemeentelijke participatiebeleid. In lid 1 staat daarom dat wanneer de gemeente de instrumenten van de Omgevingswet wil gebruiken, de artikelen over inwonerparticipatie van toepassing zijn. Het gaat dan om het vaststellen of veranderen van de omgevingsvisie, het (omgevings)programma of het omgevingsplan door de gemeente of het geval dat de gemeente een omgevingsvergunning aanvraagt. Hiervoor gelden dus artikel 4, 5 en 6 van de Participatieverordening.
In gevallen dat participatie bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht is gesteld (zie delegatiebesluit van de raad), stelt de initiatiefnemer een participatieplan op en voert dit uit. Hieraan stellen we dezelfde eisen als wanneer wij als gemeente een participatieplan opstellen.
Conform de Omgevingswet is het voor initiatiefnemers verplicht om te laten zien hoe de omgeving en of andere belanghebbenden zijn meegenomen in de totstandkoming van het initiatief. Hoe zij dit doen is vormvrij. Dit kan variëren van een gesprek met de buren, tot een volledig participatieplan, afhankelijk van de grootte en impact van het initiatief. In elk voortraject denkt de gemeente mee en adviseert de initiatiefnemer hierover. Daarbij kan wel worden gewezen naar onze eigen beleidsregels over participatie.
Paragraaf 7 Evaluatie en monitoring
De adviseur participatie van de gemeente maakt een keer raadsperiode een evaluatieverslag. De adviseur participatie gebruikt hiervoor informatie over de participatietrajecten in die periode.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-553213.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.