Gemeenteblad van Sittard-Geleen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Sittard-Geleen | Gemeenteblad 2025, 551756 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Sittard-Geleen | Gemeenteblad 2025, 551756 | beleidsregel |
Ambtsinstructie voor de consulent team Leren en Jongeren, aandachtsgebied leerrecht en doorstroompunt
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Sittard-Geleen in zijn vergadering van 9 december 2025,
artikel 16, lid 4, van de Leerplichtwet 1969 en de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de expertisecentra, Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2020–2025 in verband met de invoering van de verplichting voor het bevoegd gezag tot het melden van voortijdige schoolverlaters die niet meer leerplichtig zijn en de verplichte melding van ongeoorloofde afwezigheid, alsmede van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor het bestrijden van voortijdig schoolverlaten en het monitoren van jongeren in een kwetsbare positie;
de ambtsinstructie voor de consulent team Leren en Jongeren, aandachtsgebied leerrecht en doorstroompunt, vast te stellen als volgt:
team Leren en Jongeren: onderdeel van cluster Samenleving van de gemeente Sittard-Geleen, dat conform de Dienstverleningsovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst, namens de burgemeester en wethouders van de gemeenten Beek en Stein, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Doorstroompunt-wetgeving en het toezicht op de handhaving en naleving van de leerplichtwet 1969;
consulent: de ambtenaar, benoemd in de functie van consulent team Leren en Jongeren, met aandachtsgebied leerrecht en doorstroompunt, met of zonder Bijzondere Opsporingsbevoegdheid, die de eed of belofte als bedoeld in artikel 16 van de wet heeft afgelegd; ofwel de ambtenaar die door de het college benoemd is als ambtenaar die belast is met de werkzaamheden die voortvloeien uit de Doorstroompunt-wetgeving; en het te zake genomen mandaatbesluit namens burgemeester en wethouders bevoegd is toezicht te houden op de handhaving en naleving van de leerplichtwet 1969;
directeur: hoofd in de zin van artikel 1 onder d van de wet, dat wil zeggen degene die met de leiding van de school of de instelling is belast: dan wel degene die in opdracht van het bevoegd gezag de opgave van voortijdig schoolverlaten doet als bedoeld in artikel 8.20 en 8.21 Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020), artikel 47a en 47b Wet op de Expertisecentra (WEC) en artikel 8.1.8. en 8.1.8a Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB);
jongere in kwetsbare positie: een jongere tussen 16 en 23 jaar die onderwijs volgt in praktijkonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs, VMBO-BB of Entree, of die dit type onderwijs heeft gevolgd en uitgestroomd is (met of zonder diploma); of die medische beperkingen heeft die de schoolgang in de weg staan;
N.B. Waar “hij/hem/zijn” staat, kan ook “zij/haar” of “hen/die” gelezen worden.
De consulent zorgt ervoor dat jaarlijks afstemming plaatsvindt met het onderwijsveld. De consulent informeert het management van de scholen (PO, VO, MBO en (V)SO) in het werkgebied minimaal eenmaal per jaar over de werkzaamheden van de consulent. De consulent wijst daarbij op de aandachtspunten en de afspraken over het juist registreren van aan- en afwezigheid van de leerling, het melden en vervolgen van verzuim en geeft een toelichting op de prioriteiten van de consulent, gewijzigde wetgeving etc.
De consulent zorgt ervoor dat (preventieve) afstemming en deelname aan overleggen met relevante ketenpartners plaatsvindt. Ketenpartners zoals het onderwijsveld, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, zorginstanties, Centrum voor jeugd en gezin, sociale wijkteams, MDO’s, RTO’s of KPO’s. Ketenpartners bespreken jongeren met een complexe problematiek met toestemming van ouders of vanaf 16 jaar met toestemming van de jongere. Zij stemmen af welke acties vereist zijn, wie welke taken op zich neemt en wie regie heeft wanneer dit nodig is. Ketenpartners koppelen de (ontwikkelingen rondom) ondernomen acties terug aan de betrokkenen.
Artikel 3. Leerlingenadministratie en controle absoluut verzuim
(artikel 19 Leerplichtwet; artikel 3 Leerplichtregeling)
In de leerlingenadministratie worden de persoonsgegevens opgenomen van alle in de gemeentelijke BRP opgenomen personen in de leeftijd van 4 tot en met 22 jaar. De bewaartermijn van de gegevens is volgens de selectielijsten van de Archiefwet, de AVG en de Wpg. Als er geen bewaartermijn is aangegeven stelt de gemeente zelf een redelijk bewaartermijn.
De administratief medewerker controleert of de mutaties van de verschillende scholen met betrekking tot in- en uitschrijvingen van jongeren binnengekomen zijn. De consulent onderneemt actie naar directeuren van scholen en instellingen die in- en uitschrijvingen van de leerling(en) niet juist gemeld en verwerkt hebben.
De administratief medewerker controleert aan het begin van het schooljaar en daarna wekelijks of alle leerplichtigen en kwalificatieplichtigen volgens de bepalingen van de wet als leerling op een school of onderwijsinstelling zijn ingeschreven. Bij een vermoeden van absoluut verzuim wordt een brief verstuurd aan de ouders en/of contact opgenomen met de laatste school van inschrijving. In de brief naar ouders is aangegeven dat zij binnen 10 werkdagen moeten reageren. Als blijkt dat er wel sprake is van een schoolinschrijving dan controleert de administratief medewerker dit. Wanneer er geen reactie is gekomen op een tweede brief en de verdenking van absoluut verzuim blijft bestaan volgt een actie zoals omschreven in artikel 8 van deze instructie.
De administratief medewerker onderzoekt of de voortijdig schoolverlater reeds in beeld is bij een consulent. Zo niet, dan neemt de consulent contact op met de jongere middels brief, e-mail/berichtverkeer/appen of gaat op huisbezoek, om na te gaan waarom de jongere is uitgevallen, wat de dagbesteding/-invulling is, of de jongere terug naar school of naar arbeid geleid kan worden, en/of dat hulp/begeleiding nodig en gewenst is. In het laatste geval wordt een plan van aanpak gemaakt zoals omschreven in artikel 9a van deze instructie.
Tegenover een bericht van uitschrijving van de ene school staat voor jongeren tot 18 jaar zonder startkwalificatie een bericht van inschrijving van een andere school of een vrijstelling. Als deze registratie niet sluitend is, neemt in eerste instantie de administratief medewerker contact op met de school die de uitschrijving (zonder kennisgeving van bestemming) gemeld heeft. Wanneer deze geen duidelijkheid kan geven wordt door de administratief medewerker schriftelijk of telefonisch contact gezocht met de ouders van de jongere.
Op verzoek van de deelnemende gemeente voert de administratief medewerker taken uit in het kader van Handle with Care. Dit is een werkwijze waarbij de politie een signaal (mail) geeft als zij een interventie voor huiselijk geweld hebben uitgevoerd. De administratief medewerker zet binnen 24u, wanneer mogelijk op de dag zelf, dit signaal door naar de betreffende school van de leerling. Dit signaal bevat geen inhoudelijke informatie en wordt niet geregistreerd in het leerlingdossier.
Artikel 5. Verlof wegens andere gewichtige omstandigheden
(artikel 11 onder g en artikel 14, derde lid, tweede volzin Leerplichtwet)
De consulent bevestigt de ontvangst van een aanvraag direct aan de ouders met een ontvangstbevestiging per brief en vermeldt in deze ontvangstbevestiging de termijn waarbinnen de consulent een besluit zal nemen. Wanneer het een aanvraag is van niet meer dan 10 schooldagen wordt de aanvraag doorgezonden naar het hoofd van de school. Het hoofd van de school neemt vervolgens het besluit. De consulent informeert de ouders dat de aanvraag is doorgestuurd, volgens artikel 2.3 Awb.
De consulent stuurt een afschrift van de brief aan de ouders die aan de betreffende directeur van de school is gezonden. Als de periode tussen de ontvangst van de aanvraag en de aanvang van het gevraagde verlof korter is dan de termijn die redelijkerwijs nodig is om tot een besluit te komen, deelt de consulent dit bij de ontvangstbevestiging aan de ouders mee. Hij wijst de ouders op de mogelijkheid dat de ouders de wet overtreden indien de aanvraag niet of niet geheel wordt toegekend en het kind in de aangevraagde periode niet op school aanwezig om het volledige lesprogramma te volgen.
Bij de beoordeling van een aanvraag van meer dan tien dagen, controleert de consulent, of er sprake is van omstandigheden die buiten de wil of invloedsfeer van de ouder of de jongere zijn gelegen, zoals onder andere familieomstandigheden, medische of sociale indicatie. De consulent neemt een beslissing en deelt deze schriftelijk mee aan de ouders. De consulent stuurt een afschrift van de brief aan de ouders, aan de betreffende directeur van de school of instelling.
De consulent kan aan een directeur op diens verzoek advies geven over de behandeling en beoordeling van een aanvraag verlof te verlenen wegens andere gewichtige omstandigheden voor een periode van tien schooldagen of minder. Als de consulent, een dergelijk advies geeft, deelt de directeur aan de consulent, de beslissing op de aanvraag mee.
De consulent, kan aan de directeuren van de betrokken scholen en/of instelling(en) gevraagd of ongevraagd een advies geven over het te voeren beleid met betrekking tot aanvragen voor verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor tien schooldagen of minder, om de rechtsgelijkheid te bevorderen.
Artikel 6. Relatief verzuim van leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren
(artikelen 2, lid 1, 4a, 21, 21a en 22 Leerplichtwet)
De consulent, zoekt na ontvangst van een melding of kennisgeving onmiddellijk contact met de ouders, stelt hen in de gelegenheid om nadere uitleg over het gemelde verzuim te geven en informeert hen over de procedures en eventuele consequenties. Dit kan schriftelijk, conform stap 4 uit route A uit de Methodische aanpak schoolverzuim. Indien het verzuim een jongere van 12 jaar of ouder betreft, zoekt de consulent ook contact met de jongere zelf.
Als er daadwerkelijk sprake is van (vermoedelijk) ongeoorloofd verzuim heeft de consulent, een gesprek met de ouders/jongere. De consulent maakt een verslag van het gesprek. De consulent verstrekt aan de ouders, jongere en school een kopie van het gespreksverslag en/of afsprakenbrief. De gemaakte gespreksverslagen worden opgenomen in het leerlingdossier.
De consulent zorgt ervoor een melding van verzuim binnen een zo kort mogelijke periode af te handelen. De hoogste prioriteit ligt bij het beëindigen van de verzuimsituatie. Ter afronding van de afhandeling zendt de consulent, in ieder geval een schriftelijk bericht aan degene die de melding heeft gedaan, de ouders en, wanneer het een jongere van 12 jaar of ouder betreft, ook aan de jongere zelf. De consulent deelt (mondeling of schriftelijk) de afhandeling mee aan anderen die bij de verzuimsituatie zijn betrokken. Voor een inhoudelijke terugkoppeling moeten de ouders of de leerling vanaf 16 jaar toestemming hebben gegeven. De consulent sluit de melding af bij het Register Onderwijsdeelnemers van DUO.
Blijkt uit het onderzoek als bedoeld in het derde lid dat er geen sprake is van vrijstelling, en blijkt dat er sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de ouders en/of de jongere die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, dan kan de consulent een melding doen bij de Sociale Verzekeringsbank zoals omschreven staat in artikel 19 van deze instructie. Indien de consulent voornemens is om een melding bij de Sociale Verzekeringsbank te doen, dan roept hij ouders en jongere vanaf 16 jaar op voor een gesprek, waarbij hij betrokkenen uitdrukkelijk kenbaar maakt dat hij voornemens is een melding te doen bij de Sociale Verzekeringsbank.
Blijkt uit het onderzoek als bedoeld in het derde lid dat er geen sprake is van vrijstelling, en blijkt dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de jongere die tevens voldoet aan de criteria voor verwijzing naar Halt, dan kan de consulent, besluiten tot een verwijzing naar Halt. Indien de consulent die tevens bevoegd is als buitengewoon opsporingsambtenaar besloten heeft over te gaan tot Haltverwijzing, dan roept hij ouders en jongere vanaf 12 jaar op voor een verhoor, waarin hij toestemming vraagt aan de ouders (voor de jongere tot 16 jaar) en jongere om door te verwijzen naar Halt. De consulent stelt met een verkort proces-verbaal een Haltverwijzing op. De jongere ondertekent de Haltverwijzing en geeft daarmee zijn toestemming voor Halt. De jongere en ouders ontvangen een brief met verwijzing naar Halt. In deze brief staan ook de consequenties bij het niet nakomen van de afspraken beschreven. De consulent stuurt de Halt-verwijzing naar Halt. De consulent licht de school in over de verwijzing en over de afloop van de Haltstraf.
Blijkt uit het onderzoek als bedoeld in het derde lid dat er geen sprake is van vrijstelling, en blijkt dat sprake kan zijn van verwijtbaar handelen of nalaten van de ouders en/of de jongere die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, en komt deze jongere niet meer in aanmerking voor een verwijzing naar Halt (zie de (contra) indicaties van de MAS) dan maakt de consulent, die tevens bevoegd is als buitengewoon opsporingsambtenaar proces-verbaal op van zijn bevindingen en zendt dit naar de officier van justitie. Als hij voornemens is proces-verbaal op te maken, roept de consulent, de ouders en de jongere van 12 jaar of ouder op voor een verhoor, waarbij hij de betrokkenen uitdrukkelijk kenbaar maakt dat hij voornemens is een proces-verbaal op te maken. Het opmaken van een proces-verbaal en een melding doen bij de Sociale Verzekeringsbank kan gelijktijdig, maar ook volgend op elkaar plaatsvinden.
Zodra de consulent kennisneemt van schoolverzuim dat niet door de directeur gemeld is, stelt de consulent een onderzoek in naar de reden waarom de directeur het verzuim niet heeft gemeld. Blijkt de directeur onwillig of nalatig in het nakomen van deze verplichting, dan kan de consulent een signaal afgeven bij de Inspectie van het Onderwijs.
De consulent kan aan de directeur gevraagd of ongevraagd een advies geven over het te voeren beleid met betrekking tot het registreren van verzuim en het doen van kennisgevingen van verzuim, met het oog op het bevorderen van een effectief verzuimbestrijdingsbeleid/aanwezigheidsbeleid en de rechtsgelijkheid. De consulent kan directeuren verzoeken om eerder een kennisgeving van verzuim in te dienen dan de wet voorschrijft als dat doelmatig is met het oog op de verzuimbestrijding.
Het luxe verzuim valt onder relatief verzuim en de consulent handelt overeenkomstig dit artikel. Het opmaken van een proces-verbaal gebeurt bij luxe verzuim door de consulent die ook bevoegd is als buitengewoon opsporingsambtenaar als het verzuim meer dan 1 dag bedraagt of als er sprake is van recidive. Daarnaast kan er een proces-verbaal opgemaakt worden als het verzuim 1 dag bedraagt, het verzuim plaatsvindt op een laatste schooldag voor een vakantie én er voorafgaand aan deze schoolvakantie een aangekondigde leerplichtactie plaatsvindt.
Artikel 7. Verzuim 18 plus jongeren
(artikelen 8.20 WVO 2020, 47b Wec en 8.1.8a Web)
De consulent nodigt de jongere uit voor een gesprek, nadat hij contact heeft gehad met de school/onderwijsinstelling over het gemelde verzuim en de ondernomen acties. In het gesprek probeert de consulent duidelijk te krijgen wat de reden van het verzuim is, welke hulpvragen er mogelijk zijn op de verschillende leefgebieden en wat de jongere nodig heeft om het verzuim te beëindigen en de opleiding te hervatten.
De consulent maakt samen met de jongere een plan van aanpak op welke manier het verzuim geëindigd kan worden en wat hiervoor nodig is. Het plan van aanpak geeft de doelen en wensen van de jongere weer, en de afspraken die gemaakt zijn met betrekking tot een of meerdere leefgebieden en/of gerichte inzet van op maat afgestemde acties. Wanneer het hervatten van de opleiding voor de jongere op dat moment niet (meer) mogelijk of wenselijk is, begeleid de consulent de jongere, wanneer gewenst, naar een volgende stap naar arbeid, participatie, daginvulling/-besteding en/of passende zorg-/hulpverlening.
Artikel 8. Absoluut verzuim van leerplichtigen en kwalificatieplichtige jongeren
(artikelen 2, lid 1, 3, 4a en 4b Leerplichtwet)
Indien blijkt dat een leerplichtige en kwalificatieplichtige jongere niet als leerling is ingeschreven zonder dat daarvoor een grond voor vrijstelling aanwezig is, onderzoekt de administratief medewerker en/of consulent onmiddellijk, in ieder geval niet later dan binnen vijf werkdagen of wegens een administratieve onvolkomenheid een bericht van inschrijving ontbreekt. (zie ook artikel 3 lid 7 van deze instructie)
Indien niet is gebleken dat sprake is van een administratieve onvolkomenheid, zoekt de consulent onmiddellijk, in ieder geval niet later dan binnen vijf werkdagen, contact met de ouders en stelt hen in de gelegenheid om nadere uitleg over het achterwege blijven van een inschrijving te geven. Ouders kunnen worden uitgenodigd om op gesprek te komen.
Indien de ouders is aangeraden in het gesprek om de jongere in te schrijven dan wel een andere actie op te volgen, controleert de consulent binnen vijf werkdagen of hier inderdaad gehoor aan is gegeven. Als het advies is opgevolgd wordt dit verwerkt in het dossier. Is het advies niet opgevolgd dan maakt de consulent in principe een proces-verbaal en doet een melding aan de Sociale Verzekeringsbank (indien de jongere de leeftijd van 16 of 17 jaar heeft, conform de procedure).
Artikel 9. Kennisgeving in- en uitschrijvingen, (dreigend) voortijdig schoolverlaten van leerplichtigen (met inbegrip van verwijdering)
(artikel 18, eerste lid, Leerplichtwet, artikelen 8.22 tot en met 8.25 WVO 2020, artikel 47a 162b WEC of artikel 8.1.8 en 8.3.2. WEB)
De administratief medewerker ontvangt de kennisgevingen van een (voorgenomen) beslissing tot verwijdering van een leerling, de kennisgeving van uitschrijving en de melding van voortijdig schoolverlaten. De administratief medewerker maakt een leerlingdossier aan of voegt de kennisgeving toe aan het al aanwezige leerlingdossier.
Zodra de consulent kennisneemt van verwijdering of van voortijdig schoolverlaten van een jongere die niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen is gemeld, stelt de consulent een onderzoek in naar de oorzaak hiervan. Als de directeur onwillig of nalatig is in het nakomen van deze verplichting, dan roept de consulent de directeur op voor een gesprek en maakt hij een dossier (van bevindingen) op. De consulent beslist of het dossier ter signalering aan de Inspectie van het onderwijs wordt gestuurd (bij overtreding van artikel 18 Leerplichtwet) dan wel een bericht van zijn bevindingen aan de inspecteur van de desbetreffende school of instelling stuurt (bij het niet nakomen van de verplichtingen krachtens artikel 8.21 WVO 2020, artikel 47a WEC of artikel 8.1.8 WEB).
De consulent kan op verzoek van een directeur advies geven over de aanpak van het voorkomen van verwijdering of voortijdig schoolverlaten van een bij de school ingeschreven jongere. Indien de consulent, een dergelijk advies geeft, deelt de directeur aan de consulent mee op welke wijze hij met het advies omgaat.
Artikel 9a. Het bestrijden van voortijdig schoolverlaten en het volgen van jongeren in een kwetsbare positie.
(artikel 8.22 WVO 2020, artikel 162b, tweede lid WEC, artikel 8.3.2, tweede lid, WEB)
Heeft de jongere onvoldoende of onregelmatig inkomen, geen duurzame arbeidsplek, een uitkering in kader van de Participatiewet en/of geen dagbesteding/-invulling dan draagt de administratief medewerker de jongere over aan een consulent. Is de jongere vallend onder de doelgroep JIKP in het lopende schooljaar uitgevallen, dan draagt de medewerker Leerplicht de jongere altijd over aan de consulent, ongeacht de informatie die bekend is.
Als de consulent besluit over te gaan tot actie, gaat hij outreachend te werk. Daarnaast kan hij, in kader van de begeleiding en ondersteuning van de jongere, verschillende, op maat afgestemde acties inzetten, gericht op opleiding, werk, participatie, daginvulling/-besteding en/of zorg-/hulpverlening. Ook bespreekt hij met de jongere de mogelijke hulpvragen op de verschillende leefgebieden. De consulent maakt samen met de jongere een plan van aanpak dat de doelen en wensen van de jongere weergeeft, en de afspraken die gemaakt zijn met betrekking tot een of meerdere leefgebieden en/of gerichte inzet van op maat afgestemde acties.
Artikel 10. Vervangende leerplicht
(artikelen 3a en 3b Leerplichtwet, artikel 5 Leerplichtregeling 1995)
De consulent controleert of een plan van aanpak is opgemaakt dat voorziet in een begeleidingsprogramma dat tenminste een beschrijving omvat van de onderwijsdoelen en de praktijktijd, opgesteld door de school van inschrijving (artikel 3a) of de instelling waar de jongere ingeschreven wenst te worden (artikel 3b)
Als voor de consulent blijkt dat voor een jongere vermoedelijk artikel 3a dan wel 3b van de wet van toepassing zijn, dan zorgt de consulent ervoor dat de noodzakelijke gesprekken met betrekking tot het aangepaste onderwijs- en begeleidingsprogramma en de praktijktijd (artikel 3a) of arbeid van lichte aard (artikel 3b) binnen 10 werkdagen worden gevoerd.
De consulent zorgt ervoor dat de afspraken die in de gesprekken worden gemaakt schriftelijk worden vastgelegd. Hij zorgt ervoor dat de vastgelegde afspraken in het leerlingdossier worden opgenomen en hij zorgt ervoor dat degenen die betrokken zijn bij het ontwerpen van het aangepaste onderwijs- en begeleidingsprogramma en de inrichting van de praktijktijd of arbeid van lichte aard binnen vijf werkdagen over de gemaakte afspraken worden geïnformeerd.
Artikel 11. Vrijstelling van leerplicht wegens het volgen van ander onderwijs
(artikel 4a en 15 Leerplichtwet)
Wanneer een 17-jarige in dienst wil treden bij defensie, levert hij/zij aan de consulent een kopie van de aanstellingsbrief bij Defensie, waarin Defensie verklaart dat de 17- jarige bij Defensie in dienst is en voor welke functie hij/zij is bestemd 1 . In de aanstellingsbrief staat vermeld dat de 17-jarige een kopie van de aanstellingsbrief bij de afdeling leerplicht van zijn/haar woongemeente in moet leveren.
Indien de aanstelling bij Defensie van de jongere vóór zijn/haar 18de jaar wordt beëindigd, vermeldt Defensie in de ontslagbrief dat met dit ontslag de grond voor vrijstelling van de leerplicht vervalt, dat de betrokkene zich bij een onderwijsinstelling moet melden voor het behalen van een startkwalificatie en dat Defensie melding doet van dit ontslag aan de afdeling Leerplicht van de woongemeente2 .
Artikel 12. Vrijstelling van de inschrijvingsplicht
(artikel 5 aanhef en onder a, b en c, alsmede de artikelen 6, 7, 8 en 9 Leerplichtwet, artikel 5 Leerplichtregeling 1995)
Er wordt aan ouders toestemming gevraagd, zodat de door de gemeente aangewezen deskundige overleg kan plegen over de mogelijkheden van de desbetreffende jongere in het onderwijs met de bij de jongere betrokken (zorg)partijen en/of het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs waar de jongere onder valt.
Wanneer de kennisgeving aan de eisen van de wet voldoet, deelt de consulent aan de ouders mee voor welke periode de vrijstelling geldt en voor welke datum zij een kennisgeving moeten indienen indien zij opnieuw een beroep op een vrijstellingsgrond willen doen. Tevens wordt de vrijstelling gemeld in het register onderwijsdeelnemers.
Wanneer de jeugdige is ingeschreven aan een Medisch Kinderdagverblijf (MKD) of Kinderdagcentrum (KDC), wordt verondersteld dat de toets van een onafhankelijk arts al heeft plaatsgevonden. Uitsluitend bij een aanvraag vrijstelling voor de duur van de leerplicht wordt advies van een aangewezen deskundige aangevraagd.
Indien de ouders een beroep doen op de grond bedoeld in artikel 5 onder b van de wet, dan onderzoekt de consulent de bij de kennisgeving overgelegde stukken/onderbouwing. Hij nodigt de ouders uit voor een mondelinge toelichting op het beroep. Hij onderzoekt of de bedenkingen daadwerkelijk de richting van het onderwijs betreffen. Hij gaat na of de jongere eerder op een school of instelling ingeschreven is geweest.
Wanneer de kennisgeving aan de eisen van de wet voldoet, deelt de consulent aan de ouders mee voor welke periode de vrijstelling geldt en voor welke datum zij een kennisgeving moeten indienen als zij opnieuw een beroep op een vrijstellingsgrond willen doen. Ook meldt de consulent de vrijstelling in het register onderwijsdeelnemers.
Wanneer de kennisgeving betrekking heeft op de grond bedoeld in artikel 5 onder c van de wet, en de omstandigheden zijn zodanig dat (nog) geen verklaring van de directeur van de buiten Nederland gelegen school of inrichting van onderwijs kan worden overgelegd, dan deelt de consulent aan de ouders mee op welke wijze, en op welk moment, door hen zal moeten worden aangetoond dat de jongere in het buitenland onderwijs volgt.
Wanneer de kennisgeving aan de eisen van de wet voldoet, deelt de consulent aan de ouders mee voor welke periode de vrijstelling geldt en voor welke datum zij een kennisgeving moeten indienen als zij opnieuw een beroep op een vrijstellingsgrond willen doen. Ook wordt de vrijstelling gemeld in het register onderwijsdeelnemers.
Artikel 13. Bepalen of een onderwijsvoorziening een school is in de zin van de Leerplichtwet
(artikel 1a, 1 lid 2, 1A1 en 22, lid 4 Leerplichtwet)
Als ouders aangeven dat zij voldoen aan hun verplichtingen volgens de Leerplichtwet doordat hun kind gebruik maakt van een niet uit de openbare kas bekostigde of aangewezen onderwijsvoorziening, dan neemt de consulent contact op met de onderwijsinspectie met het verzoek een onderzoek in te stellen en binnen een in het verzoek aangegeven termijn een advies uit te brengen over de vraag of de onderwijsvoorziening kan worden beschouwd als een school in de zin van de Leerplichtwet. Indien ouders zelf de school oprichten dan moeten zij binnen 4 weken na de feitelijke start van de school zich bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) melden.
Indien een school niet voldoet aan de criteria van de wet en niet langer een school in de zin van de wet is, stelt de consulent de ouders van de leerlingen van de onderwijsvoorziening binnen 7 dagen schriftelijk op de hoogte van het feit dat de onderwijsvoorziening niet langer een school is als bedoeld in de wet, of verzekert hij er zich van dat de onderwijsvoorziening de ouders daarvan schriftelijk op de hoogte heeft gesteld.
Artikel 14. Aanwijzing deskundige
Er worden ad hoc of structureel afspraken gemaakt met een arts, pedagoog of psycholoog over de wijze waarop hij of zij een verklaring over de geschiktheid tot toelating tot een school of instelling betreffende een jongere geeft. Indien er toestemming is van de ouders (en jongere vanaf 16 jaar) dan zal er, door de aangewezen deskundige, contact worden opgenomen met het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs over de onderwijsmogelijkheden van de jongere.
Artikel 15. Melding aan de Raad voor de Kinderbescherming
(artikel 22, lid 5 Leerplichtwet)
Indien de consulent een proces-verbaal tegen de jongere in verband met relatief verzuim aan de Officier van Justitie zendt, zendt hij ook een afschrift van het proces-verbaal naar de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Dit geldt ook voor een recidive proces-verbaal, waar ouders en/of jongere als verdachte zijn opgenomen.
Voordat een proces-verbaal wordt opgemaakt, kan de medewerker van het adviesteam van de Raad voor de Kinderbescherming de consulent consulteren over de voor deze jongere en zijn gezin gewenste route: vrijwillige hulp, een civiel en/of strafrechtelijke route .
Procesverbalen worden voor zij naar het OM worden verstuurd, besproken in het leerplichtcasusoverleg. Hier wordt met name onderzocht of de voorliggend routes van vrijwillige hulpverlening en zorg voldoende zijn verkend en ingezet.
Artikel 16. Melding aan Veilig Thuis
Indien de consulent bij een onderzoek komt tot het vermoeden van verwaarlozing van de belangen van een jongere/kind, kan hij een rapport van zijn bevindingen naar Veilig Thuis sturen met het verzoek om een onderzoek te doen. Hij deelt zijn beslissing om een rapport aan Veilig Thuis te zenden schriftelijk mee aan de betrokken ouders. Hij neemt het rapport op in het leerlingdossier.
Artikel 17. Meldcode Huiselijk geweld en Kindermishandeling
(artikel 16 lid 4 sub e Leerplichtwet)
De meldcode bestaat uit 5 stappen. De consulent volgt deze stappen.
Stap 1: In kaart brengen van signalen.
De consulent brengt de signalen die een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling bevestigen of ontkrachten in kaart en leg deze vast in het leerlingdossier. Ook legt de consulent ook de contacten over de signalen vast, en de stappen die worden gezet en de besluiten die worden genomen. De consulent beschrijft de signalen zo feitelijk mogelijk. Hypothesen en veronderstellingen worden vastgelegd, daarbij wordt uitdrukkelijk opgenomen dat het gaat om een hypothese of veronderstelling. De consulent maakt een vervolgaantekening als een hypothese of veronderstelling later wordt bevestigd of ontkracht. De consulent vermeldt de bron als er informatie van derden wordt vastgelegd. Diagnoses worden alleen vastgelegd als ze zijn gesteld door een bevoegde beroepskracht. De consulent doet een kindcheck. De kindcheck valt onder stap 1 van de meldcode en is aan de orde wanneer een volwassene of adolescent in een situatie verkeren die minderjarige kinderen (ernstige) schade kan berokkenen. Er moet onderzocht worden in dat geval in een gesprek met ouders/verzorgers of er (nog meer) kinderen bij ouders/verzorgers wonen en wie er voor hen zorgen. Op basis van deze informatie wordt besloten of er verdere actie ondernomen moet worden door de verdere stappen van de meldcode te zetten.
Indien uit een vertrouwelijk gesprek met een jongere/kind blijkt dat er sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling, dan meldt de consulent dat hij of zij conform de meldcode zal handelen, tenzij er zwaarwegende belangen van de jongere/kind zijn om dit na te laten. Betreffen de signalen huiselijk geweld of kindermishandeling gepleegd door een beroepskracht, dan meldt de consulent de signalen bij de leidinggevende of de directie. In dat geval zijn de verdere stappen niet van toepassing.
Stap 2: Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van Veilig Thuis.
De consulent bespreekt de signalen met een collega. Bij voorkeur een consulent lokaal of regionaal. De consulent vraagt zo nodig ook advies aan Veilig Thuis. De consulent legt de uitkomst van de bespreking vast in het leerlingdossier.
Stap 3: Gesprek met de leerling (ouder dan 12 jaar) en ouders.
De consulent nodigt de jongere/kind en ouders uit om de signalen te bespreken. Dit gesprek wordt bij voorkeur door twee consulenten gevoerd. In het gesprek komen de volgende onderwerpen aan de orde: het doel van het gesprek, de feiten die de consulent heeft vastgesteld en de waarnemingen die zijn gedaan. Aan de jongere/kind en ouders wordt gevraagd hierop te reageren.
De consulent komt pas na deze reactie zo nodig en zo mogelijk met een interpretatie van hetgeen de consulent heeft gezien, gehoord en waargenomen. De consulent vertelt de ouders wat de vervolgeacties (kunnen) zijn. De consulent legt op zorgvuldige wijze de bevindingen van het gesprek vast in het leerlingdossier. Het doen van een melding zonder dat de signalen zijn besproken met de jongere/kind en ouders, is alleen mogelijk als de veiligheid van de jongere/kind, ouders, de consulent of die van een ander in het geding is, of als er goede redenen zijn om te veronderstellen dat de jongere/kind of ouders door dit gesprek het contact zullen verbreken.
Stap 4: Weeg de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling.
De consulent weegt op basis van de signalen, van het ingewonnen advies en van het gesprek met de jongere/kind en ouders, en na consultatie van een collega bij voorkeur een consulent lokaal of regionaal het risico op huiselijk geweld of kindermishandeling. De consulent weegt eveneens de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling. De consulent legt zijn afwegingen vast in het leerlingdossier.
Stap 5: Beslissen aan de hand van afwegingskader
Afweging 1: Is melden noodzakelijk, afweging 2: Is hulpverlening (ook) mogelijk; zelf hulp organiseren of melden. De afwegingen dienen in deze volgorde genomen te worden. De consulent registreert de jongere/kind in de verwijsindex Risicojongeren.
De consulent doet alsnog een melding van zijn vermoeden bij Veilig Thuis als er signalen zijn dat het huiselijk geweld of de kindermishandeling niet stopt of opnieuw begint. Voordat de consulent een melding doet bespreekt hij deze melding met de jongere/kind (ouder dan 12 jaar) en ouders. In dit gesprek geeft de consulent aan waarom hij van plan is de melding te doen, vraagt de jongere/kind en ouders om een reactie, hoort de eventuele bezwaren op de melding aan en probeert hieraan tegemoet te komen en maakt vervolgens de afweging over de noodzaak en de aard en ernst van het geweld en de noodzaak om de jongere/kind of ouders te beschermen. De consulent legt het gesprek vast in het leerlingdossier.
De consulent geeft bij de melding aan op grond van welke feiten en gebeurtenissen hij hiertoe besloten heeft. Tevens meldt de consulent of er informatie van anderen afkomstig is. De consulent legt de melding vast in het leerlingdossier.
Artikel 18. Melding aan de inspectiedienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(artikel 23 Leerplichtwet, artikel 5 Leerplichtregeling 1995)
De consulent zorgt voor een goede informatieverstrekking aan het districtshoofd van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met betrekking tot:
Artikel 19. Melding aan de Sociale Verzekeringsbank
(artikel 7 Algemene Kinderbijslagwet)
De consulent kan een melding doen bij de Sociale Verzekeringsbank als er sprake is van ongeoorloofd verzuim bij een jongere van 16 of 17 jaar zonder startkwalificatie. Onder ongeoorloofd verzuim wordt verstaan; verzuim van 16 uur of meer in een periode van 4 weken, of niet ingeschreven staan op een school, tenzij er sprake is van een vrijstelling.
Artikel 20. Melding aan de Inspectie van het onderwijs
(artikel 16a Leerplichtwet, toezicht op de directeur /Inspectie van het onderwijs)
Als een consulent bij de uitoefening van zijn toezichthoudende rol op leerlingen en ouders, tekortkomingen waarneemt bij een school of onderwijsinstelling in de naleving van de Leerplichtwet, informeert en adviseert de consulent de school of onderwijsinstelling, zodat deze zich bewust is van de geldende wettelijke bepalingen, in verband met de diverse maatregelen voor het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten.
Als een consulent bij een volgend bezoek in het kader van zijn toezichthoudende rol op leerlingen en ouders signaleert dat de school of onderwijsinstelling nog steeds niet voldoet aan de wettelijke bepalingen, dan zal de consulent de school verzoeken om alsnog te voldoen en zal de consulent een schriftelijk signaal afgeven aan de Inspectie van het Onderwijs.
Als de consulent in het kader van toezicht op leerling en ouders, nadat hij de Inspectie van het Onderwijs al een signaal heeft gegeven, opnieuw waarneemt dat een school of onderwijsinstelling in strijd met de Leerplichtwet handelt, meldt hij dit aan de onderwijsinspectie conform de wijze waarop een schriftelijk signaal wordt gegeven zoals omschreven in lid 3 en 4 van dit artikel.
Artikel 21. Jaarverslag leerplicht en effectrapportage Doorstroompunt
(artikel 25 Leerplichtwet; artikel 8.27 WVO 2020, artikel 162b, zevende lid, WEC, artikel 8.3.2, zevende lid, WEB).
De beleidsmedewerker/coördinator verantwoordt het in het schooljaar al dan niet in regionaal verband, gevoerde leerplichtbeleid over de handhaving van de leerplicht en de kwalificatieplicht en de resultaten daarvan, aan het College van Burgemeester en Wethouders door middel van een jaarverslag. Ook zorgt de beleidsmedewerker/coördinator ervoor dat jaarlijks de gegevens aan de minister over de omvang en behandeling van het schoolverzuim en de effectrapportage van de bestrijding voortijdig schoolverlaten voor 1 oktober respectievelijk 1 december, volgend op het schooljaar, beschikbaar zijn.
De beleidsmedewerker/coördinator voert het overleg met de instanties en organisaties van wie het handelen (mede) in het voorstel voor het jaarlijkse verslag aan de orde wordt gesteld. Met betrekking tot de Doorstroompunt-taken stemt de beleidsmedewerker/coördinator zijn bijdrage aan de verslaglegging af met de andere gemeenten in subregio Westelijke Mijnstreek binnen Doorstroompunt regio 39.
Artikel 22. Samenwerking in de regio inzake leerplicht en Doorstroompunt
(artikel 16, lid 4 onder c Leerplichtwet)
De beleidsmedewerker/coördinator voert periodiek (minimaal driemaal per jaar) overleg met de medewerkers leerplicht/Doorstroompunt van de andere gemeenten in de regio over de uitvoering van de taken krachtens de leerplichtwet 1969 en de Doorstroompunt-wetgeving. De beleidsmedewerker/coördinator neemt zo nodig het initiatief tot het bijeenroepen van het bedoelde overleg.
De beleidsmedewerker/coördinator draagt bij aan een optimaal toezicht op de naleving van de leerplichtwet 1969 en de Doorstroompunt-wetgeving door in het regionale overleg voorstellen in te brengen over onderwerpen waarvoor regionale afspraken bijdragen aan een doelmatige bestrijding van schoolverzuim en/of voortijdig schoolverlaten.
De consulent overlegt met de consulent van de woongemeente van een jongere als hij in zijn contacten met scholen, instellingen of instanties merkt dat sprake kan zijn van een overtreding van de wet of een bedreiging van de schoolloopbaan van de jongere die niet is ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens van de gemeente.
Artikel 23. Regionaal programma ter voorkoming voortijdig schoolverlaten
(artikel 8.27 WVO 2020, artikel 162c1 WEC, artikel 8.3.4 WEB)
De beleidsmedewerker/coördinator zorgt namens het college van burgemeester en wethouders voor een bijdrage aan het regionaal programma met maatregelen om voortijdig schoolverlaten van jongeren tussen de twaalf en drieëntwintig jaar te voorkomen en te bestrijden. Het college, instellingen, scholen en ketenpartners in de regio stellen dit regionaal programma eens per 4 jaar vast. Het programma betreft leer- en kwalificatieplichtigen en het volgen van de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt van voortijdig schoolverlaters die de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt.
De beleidsmedewerker maatschappelijke ontwikkeling/onderwijs neemt namens het college deel aan het regionaal bestuurlijk overleg in de regio met instellingen, scholen en ketenpartners, over het regionaal programma en de uitvoering en financiering van de daarin opgenomen maatregelen. Bij dit overleg worden de domeinen arbeid en zorg betrokken.
Artikel 24. Samenwerking met diensten en instellingen
(artikel 16, lid 4 onder d Leerplichtwet; artikel 8.23 WVO 2020, artikel 162b, derde lid, WEC, artikel 8.3.2, derde lid, WEB)
De consulent werkt samen met een of meer van de instellingen, opgenomen in bijlage 1, zo vaak hij dat nuttig en wenselijk acht. Om inzichtelijk te krijgen of jongeren daadwerkelijk aankomen bij een organisatie en verder worden bemiddeld, vervult de consulent een regierol. De consulent controleert of doorverwezen jongeren daadwerkelijk in bemiddeling zijn genomen. Er wordt vastgelegd welke jongeren, waarheen zijn doorverwezen zolang hierbij geen bijzondere persoonsgegevens worden vastgelegd en het gerelateerd is aan ongeoorloofd schoolverzuim.
Artikel 25. Beleidsontwikkeling
De beleidsmedewerker/coördinator zorgt ervoor dat de ervaringen met de uitvoering van de leerplicht- en Doorstroompunt-taken binnen het werkgebied van de regio Doorstroompunt, kwantitatief en kwalitatief, op een systematische wijze worden verzameld en zorgt voor de verwerking hiervan in voorstellen voor aanpassingen van het gemeentelijke dan wel regionale beleid.
De beleidsmedewerker/coördinator blijft goed op de hoogte van de regionale, provinciale en landelijke ontwikkelingen die voor de uitvoering van de leerplicht- en Doorstroompunt-taken van belang zijn en zorgt voor de verwerking van die ontwikkelingen in voorstellen voor aanpassingen van het gemeentelijke dan wel regionale beleid.
Artikel 26. Informatieplicht en verantwoordelijkheid bij gescheiden ouders en gezamenlijk gezag
Dit onderdeel beschrijft hoe de consulent handelt in situaties waarin ouders gescheiden zijn of niet meer samenleven, en hoe wordt omgegaan met informatieverstrekking en verantwoordelijkheden bij gezamenlijk gezag. Het doel is helderheid te bieden over de rol van de consulent en de verplichtingen van ouders op grond van de geldende wet- en regelgeving.
De consulent handelt in situaties waarin ouders gescheiden zijn of niet meer samenleven op basis van de geldende wet- en regelgeving, waaronder de Leerplichtwet 1969 en het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Het Burgerlijk Wetboek (artikelen 1:247, 1:247a en 1:248) bepaalt dat ouders die (gezamenlijk) het ouderlijk gezag uitoefenen, verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind. Deze verantwoordelijkheid omvat onder meer de zorg voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van het kind, het bevorderen van zijn of haar ontwikkeling, en hoe zij samen beslissingen nemen over belangrijke onderwerpen, waaronder zaken die betrekking hebben op onderwijs en schoolgang.
Ouders hebben de plicht elkaar rechtstreeks te informeren over aangelegenheden die het kind betreffen, zoals schoolverzuim, schoolkeuze, vrijstellingsverzoeken, leer-/zorg-/maatwerktrajecten en afspraken met de consulent of school. Het is nadrukkelijk niet de taak van de consulent om informatie tussen ouders over te dragen of te bemiddelen in communicatie of conflicten tussen ouders. Het niet-nakomen van deze informatieplicht, dan wel andere geschillen over deze onderwerpen dienen ouders onderling, al dan niet met ondersteuning van hulpverlening of via de rechter, op te lossen.
Kwesties die betrekking hebben op het ouderschapsplan, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, omgangsregelingen of meningsverschillen over de geregelde schoolgang van het kind, school(keuze) en/of vrijstellingsaanvragen vallen buiten de verantwoordelijkheid van de consulent. Ook deze aangelegenheden dienen ouders onderling, al dan niet met ondersteuning van hulpverlening of via de rechter, op te lossen.
De consulent handelt uitsluitend op basis van de officieel geregistreerde gegevens met betrekking tot het gezag, zoals vastgelegd in de Basisregistratie Personen (BRP) en het gezagsregister. Bij een verzuimmelding of melding van absoluut verzuim start de consulent het onderzoek bij de ouder waar het kind volgens de BRP staat ingeschreven. Tijdens dit onderzoek wordt vastgesteld waar het kind feitelijk verbleef ten tijde van het verzuim, om te bepalen welke ouder op grond van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 verantwoordelijk is voor de naleving van de leerplicht. De ouder die op grond van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 verantwoordelijk is voor de naleving van de leerplicht, dat wil zeggen: de ouder, voogd of verzorger bij wie het kind feitelijk verbleef ten tijde van het verzuim, wordt door de consulent geïnformeerd en aangesproken op deze verantwoordelijkheid. Het is aan deze ouder om, in het kader van de geldende wet- en regelgeving, de andere ouder te informeren over het schoolverzuim, het onderzoek, het verloop en/of eventuele besluiten.
Vanaf de leeftijd van 16 jaar heeft de jongere medezeggenschap over het delen van informatie met ouders. De consulent beoordeelt in overleg met de jongere welke informatie wordt gedeeld en op welke wijze dit gebeurt, met inachtneming van de geldende privacywetgeving en de Leerplichtwet 1969. Ook in die situaties blijft het aan de ouder die verantwoordelijk is voor de naleving van de leerplicht om de andere ouder te informeren.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen, op 9 december 2025.
Burgemeester
mr. J.Th.C.M. Verheijen
Secretaris
drs. L.J.F.P. Busschops
Bijlage 1. Diensten en instellingen waarmee wordt samengewerkt 3
De consulent voert zo vaak als hij dit voor het uitoefenen van zijn taak nodig acht overleg met:
De consulent raadpleegt zo nodig de sociale kaart van de gemeente.
Toelichting op de instructie Consulent team Leren en Jongeren, aandachtsgebied leerrecht en doorstroompunt
Volgens artikel 16, lid 4 van de Leerplichtwet 1969 is aan het college opgedragen een instructie vast te stellen voor de consulent. Hierin wordt vermeld hoe de wettelijke taken die de gemeente zijn opgelegd moeten worden uitgevoerd. Ook dient aangegeven te worden hoe overleg wordt gepleegd met de consulenten in de omliggende gemeenten en met welke instanties bij de uitvoering van de taken moet worden samengewerkt. Dit heeft tot doel om ervoor te zorgen dat de leerplicht het karakter heeft van maatschappelijke zorg. In deze instructie is de combinatiefunctie leerplicht en Doorstroompunt gebruikt om deze twee functies meer met elkaar te laten integreren. Ook geeft dit een goed weer hoe de consulent een integrale functie heeft. Gezien de doorlopende leerlijn, de aanpak en het bestrijden van voortijdig schoolverlaten, en de stimulans om op alle gebieden omtrent leerplicht en voortijdig schoolverlaten steeds meer met de elkaar te gaan samenwerken, is de combinatiefunctie echt een pré in een snelle effectieve aanpak bij de bestrijding van het aantal voortijdig schoolverlaters.
De instructie voor de consulent is opgesteld om de gewenste werkwijze met betrekking tot het toezicht op de naleving van de leerplicht en het beleid op het gebied van voortijdig schoolverlaten zo duidelijk mogelijk, en toegesneden op de situatie in de regio, vast te leggen.
In de instructie zijn weinig tot geen bepalingen opgenomen die in wetgeving zijn opgenomen. De instructie moet dan ook in nauwe samenhang met de wetgeving gelezen worden. Met wetgeving wordt hier niet alleen op de Leerplichtwet en de onderwijswetten gedoeld, maar ook op de andere relevante wetgeving, zoals de Awb, het Wetboek van Strafrecht, de AVG en de Wpg. Ook de MAS is naast de instructie een document dat in samenhang met elkaar gelezen en toegepast dient te worden.
In de instructie wordt de aanduiding ‘consulent’ gebruikt in de zin van artikel 16, lid 1 van de Leerplichtwet: de als zodanig aangewezen functionaris die de eed of de belofte heeft afgelegd.
De instructie gaat er van uit dat er binnen het team Leren & Jongeren tenminste twee consulenten over de bevoegdheid als BOA beschikt.
De artikelen die gebruikt zijn in de instructie komen niet overeen met de artikelen uit de Leerplichtwet. Bij ieder artikel staat wel genoemd met welke wettelijke artikelen er een relatie is.
In het totale takenpakket van leerplicht en Doorstroompunt zijn werkzaamheden van uiteenlopend niveau en verschillende complexiteit te onderkennen. De werkzaamheden kunnen worden verdeeld over de volgende functies binnen team Leren en Jongeren: manager, beleidsmedewerker/coördinator, kwaliteitsmedewerker, consulent en administratief medewerker.
Mandaat betekent letterlijk volmacht. Burgemeester en wethouders kunnen rechtstreeks de consulent mandateren. De gemandateerde consulent neemt dus namens burgemeester en wethouders een beslissing.
De consulent is in deze instructie gemandateerd voor de artikelen:
Artikel 16 Leerplichtwet, eerste lid, bepaalt: “Het toezicht op de naleving van deze wet anders dan door de hoofden is opgedragen aan burgemeester en wethouders. Zij wijzen daartoe een of meerdere ambtenaren aan.” Het tweede lid van artikel 16 bepaalt dat deze ambtenaren de eed of belofte moeten afleggen voordat zij hun ambt aanvaarden. In de leerplichtregeling 1995 is daartoe in artikel 9 de tekst van de ambtseed opgenomen.
De aanwijzing van ambtenaren in artikel 16, eerste lid, Leerplichtwet betekent dat de consulent toezichthouder is zoals bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
De bepalingen van de Awb met betrekking tot de toezichthouder, en dus ook de consulent, zijn, kort samengevat, de volgende:
In diverse artikelen van de instructie zijn termijnen opgenomen, met het oog op een goede voortgang van de werkzaamheden. Deze termijnen zijn soms in de wet te vinden. Als dat het geval is, is dat in de artikelsgewijze toelichting aangegeven. De niet in de wet opgenomen termijnen zijn in de tekst van de instructie opgenomen en gelden als termijn van orde.
In artikel 6, lid 14 van de instructie is de bevoegdheid voor de consulent opgenomen om voorstellen aan het college te doen voor het toepassen van last onder dwangsom.
Dit bestuursrechtelijke handhavingsinstrument is op het vlak van de leerplichttaken nog niet veel toegepast. Uit jurisprudentie is wel gebleken dat de bevoegdheid daartoe bestaat. Artikel 125 Gemeentewet geeft aan het college de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen, omdat zij krachtens de Leerplichtwet met de handhaving van die wet zijn belast. Artikel 5:32a Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft dan aan het college ook de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen.
Deze sancties kunnen onder bepaalde omstandigheden effectiever zijn dan de ‘klassieke’ strafrechtelijke sancties (het opmaken van proces-verbaal), vooral wanneer voor voortzetting van de overtreding, dan wel herhaling daarvan, gevreesd moet worden.
Het onderscheid tussen strafrechtelijk optreden en bestuursrechtelijk optreden kan zo getypeerd worden:
In beginsel kunnen het strafrechtelijke en het bestuursrechtelijke optreden naast elkaar bestaan. Daarover bestaat in de juridische literatuur wel overeenstemming. De overtreding van de verplichting tot inschrijving en/of regelmatig schoolbezoek, die krachtens de Leerplichtwet bestaat, is een zogenaamde duurovertreding: elke dag dat de betrokkenen (ouder, jongere/kind) in verzuim blijven, duurt de overtreding voort. Daarom is het opleggen van een last onder dwangsom, die volgens artikel 5:32a, tweede lid Awb ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling van overtreding te voorkomen, bij absoluut of relatief verzuim (bijvoorbeeld ernstig luxe verzuim) in principe een passend instrument.
De dwangsom kan tot een hoog bedrag oplopen. Wanneer de overtreders echter niet ruim bij kas zitten, zal dit instrument niet helpen: waar niets is, is niets te halen.
Verder is het goed erop te wijzen dat in artikel 5:32b, derde lid, onder meer staat aangegeven dat het als dwangsom vastgestelde bedrag in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
Toepassing van de bestuursrechtelijke instrumenten is een taak van het bestuursorgaan, het college van burgemeester en wethouders. Een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom is een besluit waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. In de instructie is afgezien van het verlenen van mandaat voor deze bevoegdheid. Gezien de relatieve onbekendheid van het toepassen van deze instrumenten in de leerplichtpraktijk, en gezien het karakter ervan, ligt het voorlopig voor de hand om uit te gaan van een collegebesluit in voorkomende gevallen.
2. Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1, begripsbepalingen: Hier zijn enkele begrippen omschreven die niet in de Leerplichtwet zijn opgenomen, zoals: administratief medewerker en jongere.
In de aangehaalde artikelen wanneer er sprake is van een voortijdig schoolverlater, artikel 8.19 WVO 2020, artikel 47a WEC en artikel 8.1.8 WEB is het volgende bepaald:
“Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft van de gegevens van degene
In de artikelen 8.20 WVO 2020,47b WEC en 8.1.8a WEB is opgenomen:
“ Indien degene die voldoet aan artikel 28, eerste lid, onderdelen a en b, het onderwijs aan de school gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden, waaronder in ieder geval de redenen, bedoeld in artikel 27a, negende lid, worden verstaan, niet meer volgt, ontstaat voor het bevoegd gezag de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.
In het kader van de instructie wordt ervan uitgegaan dat deze taak wordt opgedragen aan een personeelslid van de school, hier aangeduid met de directeur. De ‘echte’ directeur kan deze taken binnen de school of instelling natuurlijk aan een ander opdragen. Mocht twijfel ontstaan over de bevoegdheid van iemand die zo’n melding doet, dan moet het bevoegd gezag uiteraard wel de bevoegdheid van de betrokkene kunnen aantonen.
Artikel 2, preventie: Voorkomen is beter dan genezen. Daarom zijn in dit artikel een aantal proactieve informatie-instrumenten genoemd. In lid 4 en lid 5 wordt ingegaan op de afstemming tussen de diverse disciplines. Vooral de ketenpartners spelen bij de preventie een belangrijke rol.
Met invoering van de Methodische aanpak Schoolverzuim is opgenomen dat de consulent zoveel mogelijk conform deze methode handelt. Pas toe of leg uit is het motto van de MAS.
Artikel 3, lid 2, leeftijdsgroep in administratie: gekozen is voor een systeem waarbij alle leerlingen waarmee de consulent in de loop van een schooljaar te maken heeft, bij het begin van het schooljaar in de leerplichtadministratie worden opgenomen. De 3-jarigen worden al meegenomen omdat deze kinderen in de loop van het schooljaar 4 jaar worden en bij een school worden ingeschreven (zo kunnen de kinderen die nog niet worden ingeschreven eenvoudig in beeld komen). Het is uiteraard ook mogelijk om de gegevens vanaf de geboorte op te nemen, in samenhang met monitoren van onderwijsachterstanden.
Aangezien er sprake is van een gecombineerde leerplicht- en Doorstroompunt-administratie, worden de jongeren tot en met de leeftijd van 22 jaar opgenomen in de leerlingenadministratie.
Bij de jongeren waarvan bekend is dat deze al een startkwalificatie hebben behaald, wordt een passende aantekening opgenomen.
Artikel 3, lid 3, tussentijdse mutaties: om te voorkomen dat leerlingen door verhuizing in de loop van het schooljaar tussen wal en schip raken, en niet aan onderwijs deelnemen, is het van belang om een goed sluitend systeem van de tussentijdse mutaties te hebben. In de tekst is de suggestie opgenomen om dit wekelijks, en zo mogelijk dagelijks, bij te houden, zodat zowel de actualiteit als de werklast beheersbaar is. De aangifte van verhuizing behoort bij de beheerder van de BRP binnen te komen. Als er sprake is van het ontvangen van een schoolmutatie, kan tevens gecontroleerd worden of de verhuizing op juiste wijze is gemeld.
Mutaties van in- en uitschrijving: op grond van artikel 18 Leerplichtwet, artikel 4 en 5 Regeling Register Onderwijsdeelnemers moeten de in- en uitschrijvingen binnen zeven dagen (lees een week) door de school of instelling worden gemeld. Verwijdering van niet-leerplichtigen dient onverwijld plaats te vinden.
In artikel 3, lid 6, is de mogelijkheid opgenomen om een signaal, betreffende een directeur die volhardend verwijtbaar in gebreke blijft, aan de Inspectie van het Onderwijs af te geven. Verdere uitwerking hiervan is beschreven in artikel 20 van de instructie.
Artikel 3, lid 7, controle op inschrijving: onder ‘scholen en instellingen’ worden begrepen alle scholen en instellingen waar leerlingen woonachtig in de gemeente zijn ingeschreven, binnen en buiten de gemeente. De genoemde termijn van 10 werkdagen is een termijn van orde (geen wettelijke bepaling). Wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven van de kant van een school of instelling, dan dient daartegen vlot te worden opgetreden. De consulent spreekt de directeur aan wanneer er sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven. Van dit proces wordt een dossier gevormd. Blijft de directeur in gebreke dan kan de consulent dit signaleren bij de Inspectie voor het Onderwijs. Verdere uitwerking hiervan is beschreven in artikel 20 van de instructie.
De strafbaarheid van de directeur van de school of instelling op dit punt is opgenomen in artikel 27 Leerplichtwet.
Artikel 3, lid 9, wijziging van school: de procedures bij in- en uitschrijving voor scholen moeten op elkaar worden afgestemd. Een leerling wordt ingeschreven op de eerste dag dat hij de school bezoekt en uitgeschreven op de laatste dag dat hij de school heeft bezocht bij het PO. Binnen 4 weken na uitschrijving kunnen de data op elkaar worden afgestemd de in- en uitschrijving (artikel 10 Besluit bekostiging WPO 2022). Voor het VO geldt dat leerlingen die ingeschreven staan en de school daadwerkelijk bezoeken en niet meer dan 50% zonder geldige reden afwezig zijn geweest, van de start van het schooljaar tot 1 oktober, meetellen als leerling. Vanuit leerplichtaspecten (artikel 10 Leerplichtwet) mag de oude school pas uitschrijven als een nieuwe gevonden is. In dit artikellid is aangegeven dat de administratief medewerker hier controle uitoefent. Zo nodig kan in administratieve zin bemiddelend worden gehandeld.
Artikel 3, lid 10 verhuizing: de Leerplichtregeling 1995 schrijft voor dat de “administratieve gegevens” aan de nieuwe gemeente worden toegezonden (artikel 3, tweede lid, Leerplichtregeling 1995). De tweede zin van dit lid geeft aan dat niet automatisch het hele leerlingdossier wordt doorgestuurd. Daarvoor is contact tussen de consulent van beide gemeenten wenselijk (zogenaamde warme overdracht). Gegevens die in beginsel wel overgedragen moeten worden, zijn veroordelingen (in verband met eventuele recidive) en recente verzuimmeldingen en vrijstellingen (die een rol kunnen spelen bij nieuwe meldingen).
Artikel 4, leerlingdossier: uitgangspunt is dat van een leerling een apart dossier gemaakt wordt als er sprake is van een vrijstelling of ongeoorloofd schoolverzuim. Voor een groot deel van de leerlingen zal dat nooit het geval zijn, maar deze staan wel opgenomen in de leerlingadministratie in verband met de controle op schoolinschrijvingen. Het dossier wordt in het bijzonder beschermd, wat het gebruik betreft, door de bepalingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de Wet politiegegevens. Kern van die bepalingen wordt gevormd door:
Met ingang van 1 januari 2019 is de Wet politiegegevens ook voor alle boa’s van toepassing. De nieuwe privacywetgeving heeft voor boa’s vooral gevolgen voor hoe ze hun werk verantwoorden. Dus in welke systemen ze werken en met wie ze de gegevens mogen delen. De Wpg is veel specifieker dan de AVG, vanwege de politiegegevens. Voor deze gegevens gelden andere termijnen, je mag ze voor andere doelen gebruiken en je mag ze verzamelen zonder dat de betrokkene toestemming hoeft te geven. De organisaties moeten voorzieningen treffen om deze gegevens goed te beschermen, bijvoorbeeld door ze te labelen. Ook moeten alle strafrechtelijke politiegegevens een label krijgen, zodat alleen mensen met een opsporingsbevoegdheid erbij kunnen komen.
Grofweg kan er gesteld worden, dat wanneer er verzuim wordt gemeld en er dus een vermoeden is van een overtreding van een wet, dan geldt de Wpg. Betreft het verlof of vrijstelling dan geldt de AVG.
Artikel 5 heeft betrekking op de bevoegdheid die de consulent geattribueerd (rechtstreeks uit de wet) heeft gekregen: het nemen van een besluit op een aanvraag voor extra verlof wegens “andere gewichtige omstandigheden” voor meer dan 10 schooldagen per schooljaar. Dit aantal schooldagen kan bereikt worden in één aanvraag, maar ook in een paar opeenvolgende aanvragen.
De attributie van deze bevoegdheid brengt met zich mee dat hier geen sprake is van mandaat van een aan burgemeester en wethouders toekomende bevoegdheid. De consulent is hier zelf ‘bestuursorgaan’ in de zin van de Awb. Bij bezwaar zal de consulent dan ook zelf een besluit op bezwaar moeten nemen, na advies van de gemeentelijke bezwarencommissie.
Artikel 5, lid 1, ontvangst en termijn voor beslissing: een vaste termijn kan niet worden genoemd, omdat zich gevallen (andere gewichtige omstandigheden) kunnen voordoen waarbij een zeer snel besluit redelijkerwijs gevergd mag worden. Anderzijds, wanneer zo’n grote spoed zich niet voordoet, moet de consulent ook een redelijke termijn kunnen nemen om tot een weloverwogen besluit te komen. Volgens de Awb is een redelijke termijn 8 weken. Als die tijd er niet zou zijn, en de betrokkenen zouden vertrekken voordat het besluit is genomen, dan moet de aanvraag wel verder behandeld worden, maar dient aan de ouders duidelijk gemaakt te worden dat de consequenties voor hun rekening zijn.
Artikel 5, lid 2, onvolledige aanvraag: op grond van artikel 4:5 Awb kan het bestuursorgaan, indien niet tijdig (na een hersteltermijn) een volledige aanvraag voorligt, besluiten om de aanvraag buiten behandeling te laten. De termijn is “ten minste een week, ten hoogste drie weken”, als invulling van de algemene bepaling in artikel 4:5 Awb. In de tweede zin is sprake van een formulier. Hier kan een formulier gebruikt worden waarin de ontvangst van een onvolledige aanvraag wordt bevestigd en waarin is aangegeven (bijvoorbeeld met een aangekruiste passage) welke informatie nog ontbreekt.
Artikel 5, lid 3, horen van de directeur: het is mogelijk gebruik te maken van een formulier waarop de aanvrager zijn aanvraag indient en de directeur tevens zijn mening kan aangeven.
Artikel 5, lid 5, zienswijze jongere: met name wanneer oudere leerplichtigen betrokken zijn, kan het wenselijk zijn om hun eigen zienswijze te vernemen.
Artikel 5, lid 6, een belanghebbende, bijvoorbeeld een andere ouder kan worden gehoord, indien bekend is dat de belanghebbende bezwaren zal hebben tegen het besluit. Dit is conform artikel 4:8 Awb.
Artikel 5, lid 7, plaats van gesprek: om onduidelijkheden te voorkomen, is deze bepaling opgenomen. Het kan bijvoorbeeld efficiënt zijn (en ‘klantvriendelijk’) om de desbetreffende gesprekken op een school te laten plaatsvinden. Over het algemeen worden gesprekken betreffende dit onderwerp gevoerd op kantoor. Ouders kunnen teleurgesteld raken door de afwijzing en dan is het van belang dat de consulent zijn eigen veiligheid garandeert.
Artikel 5, lid 9, beoordeling aanvraag meer dan tien dagen: artikel 11 onder g van de Leerplichtwet 1969 kent de mogelijkheid extra verlof te verlenen wegens andere gewichtige omstandigheden. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in artikel 14 van de Leerplichtwet. De hier bedoelde "andere gewichtige omstandigheden" verwijzen naar uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden waarvoor de leerling extra verlof nodig heeft, zodat hiermee een kennelijk onredelijke situatie voorkomen kan worden. Onder "andere gewichtige omstandigheden" vallen situaties die buiten de wil van de ouders en/of de leerling liggen. Daarbij is sprake van een medische of sociale indicatie. Bij een medische of sociale indicatie is een verklaring van een (jeugd)arts van de GGD of een sociale instantie noodzakelijk.
Artikel 5, lid 10, advies over individuele aanvraag: het gaat hier om situaties waar de bevoegdheid tot het nemen van een besluit bij de directeur ligt (verlof voor ten hoogste 10 schooldagen) waarbij deze behoefte heeft aan advies. De consulent kan daarbij ook de rechtsgelijkheid (gelijke gevallen van verschillende scholen) in het oog houden.
In voorkomende gevallen kan extra verlof worden gegeven voor de hierna genoemde periode:
Soort bewijs: trouwkaart (indien twijfelachtig kopie trouwakte)
Soort bewijs: doktersverklaring (waar ernstige ziekte uit blijkt)
In de 1e graad maximaal 5 schooldagen;
In de 2e graad maximaal 2 schooldagen;
In de 3e en 4e graad maximaal 1 schooldag;
In het buitenland: 1e t/m 4e graad maximaal 5 schooldagen;
Soort bewijs: rouwkaart (indien twijfelachtig akte van overlijden)
In de volgende gevallen wordt zeker geen extra verlof gegeven:
Artikel 5, lid 11, advies over beleid: het gaat hier over een bevoegdheid van directeuren. Met het oog op rechtsgelijkheid van ouders is het van belang om tot afstemming van het gebruik van deze bevoegdheid te komen. Op basis van een advies kunnen de directeuren elk hun eigen beleidsregels vaststellen voor toepassing van artikel 11 onder g van de Leerplichtwet (verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor ten hoogste 10 schooldagen). Zie ook toelichting op het vorige lid.
Bovengenoemde richtlijn is conform de landelijke afspraken die hierover zijn gemaakt.
Artikel 5, lid 12, indien er een bezwaar wordt ingediend door een belanghebbende is het van belang om daarbij het advies van de bezwaarschriftencommissie en/of juridische afdeling in te winnen om een weloverwogen afweging te kunnen maken over het ingediende bezwaar.
Artikel 6, relatief verzuim: bij relatief verzuim van de leerplicht geldt dat een jongere na inschrijving de school niet geregeld bezoekt (artikel 2, lid 1 Leerplichtwet 1969). Een jongere die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt bezoekt na inschrijving de school niet geregeld (artikel 2, lid 3 Leerplichtwet 1969).
Bij relatief verzuim van de kwalificatieplicht geldt dat een jongere na inschrijving de school niet geregeld bezoekt (artikel 4a Leerplichtwet 1969). Een jongere die als leerling van een instelling is ingeschreven volgt niet het volledige onderwijsprogramma of een combinatie van leren en werken. Uitgangspunt is dat met het onderwijs alleen of met de combinatie leren en werken een volledige week wordt gevuld (artikel 4c, lid 1 Leerplichtwet 1969).
De Leerplichtwet bepaalt in artikel 21 en 21a dat de school een kennisgeving of een melding van verzuim moet doen aan burgemeester en wethouders. Dit gebeurt via het Register Onderwijsdeelnemers van DUO.
De school meldt in elk geval onverwijld aan de consulent als er sprake is van wettelijk verzuim: ongeoorloofd verzuim van 16 uur les- of praktijktijd binnen vier lesweken, art. 21a lid 1 en art. 21 lid 2 Lpw 1969.
De school meldt de ongeoorloofde afwezigheid onverwijld (binnen 5 werkdagen) na het overschrijden van de (wettelijke) grens van 16 uur (Inspectie van Onderwijs, Registreren en melden van ongeoorloofd verzuim).
De onderwijsinstelling/school heeft een verzuimbeleid en handelt hiernaar. Indien de school (vermoedelijk) ongeoorloofd verzuim constateert, zet de school eerst een passende interventie in om dit verzuim te stoppen. School moet in ieder geval met ouders in gesprek (MAS, Fase 1 – Waarnemen).
Wanneer het verzuim onder de (wettelijke) grens van 16 uur les- of praktijktijd binnen vier lesweken is gebleven, de onderwijsinstelling/school een eigen interventie heeft gedaan (in ieder geval een gesprek met ouders) en het verzuim daarmee is geëindigd, is er geen reden om het verzuim (alsnog) te melden bij de gemeente. Doet de onderwijsinstelling/school dit alsnog, dan zal de consulent dit afdoen met een (algemene) kennisgevingsbrief (MAS, Fase 4 – Handelen). De consulent onderzoekt de melding niet.
In artikel 22 staat dat de consulent “vanwege burgemeester en wethouders” een onderzoek instelt.
In de instructie is de werkwijze voor de consulent bij dit onderzoek beschreven. Een instructie kan nooit alle mogelijke situaties beschrijven. Hoofdlijn moet zijn dat afwijking van de beschreven werkwijze mogelijk is, mits gemotiveerd, en dus in het dossier terug is te vinden.
Artikel 6, lid 3, vraagt van de consulent dat hij de personen die bij een onderzoek betrokken raken, goed informeert over de procedure en de (mogelijke) consequenties van hun gedrag.
In artikel 6, lid 9 wordt de bepaling uit de Leerplichtwet (artikel 22, lid 2: “... dan zendt hij proces-verbaal aan de officier van justitie”) enigszins gerelativeerd om aan te sluiten bij de redelijke praktijk en bij de passage het “... trachten hen te bewegen ...” uit het eerste lid van artikel 22. In de genoemde omstandigheden (én geen kennelijke opzet, én eerste overtreding, én niet meer dan vijf schooldagen verzuim) kan met een serieuze waarschuwing vaak al het beoogde effect bereikt worden.
Artikel 6, lid 10, melding Sociale Verzekeringsbank: wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven van de kant van de ouders en/of jongere (16 jaar of ouder) dan dient daartegen te worden opgetreden. Dat kan door een melding te doen aan de Sociale Verzekeringsbank, welke de kinderbijslag stop kan zetten. Verdere uitwerking hiervan is beschreven in artikel 17 van de instructie.
Artikel 6 lid 11, Halt-verwijzing: wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven (zonder verdere problematiek) door een jongere van 12 tot 18 jaar, dan dient daartegen te worden opgetreden. Dat kan één keer door het opmaken van een Halt-verwijzing door een consulent met BOA-bevoegdheid. De jongere en de ouders (bij een jongere tot 16 jaar) dienen voor deze verwijzing toestemming te verlenen. Het betreft hier minder zware problematiek. De jongere voorkomt op deze wijze een strafblad na zijn 18de verjaardag, wanneer de Haltstraf positief wordt afgerond.
Artikel 6, lid 12, proces-verbaal: wanneer een opgelegde HALT straf niet naar behoren is uitgevoerd en om die reden negatief is afgesloten door bureau Halt kan de consulent, na overleg met het OM alsnog een proces-verbaal opmaken voor de jongere;
Artikel 6, lid 13, proces-verbaal: wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven van de kant van de ouders en/of de jongere (12 jaar of ouder), dan dient daartegen te worden opgetreden. Dat kan door het opmaken van een proces-verbaal door een consulent met BOA-bevoegdheid.
In artikel 6, lid 14, is de mogelijkheid opgenomen om een last onder dwangsom voor te stellen in gevallen waar ouders volhardend de schoolbezoekplicht overtreden.
Artikel 6, lid 15, andere bron van wetenschap: het is mogelijk dat de consulent op de hoogte raakt van relatief verzuim via een ander kanaal dan de kennisgeving van de kant van de school (het uitgangspunt van de Leerplichtwet). In dit artikellid is beschreven wat de consulent dan te doen staat, en in lid 14 welke maatregel de consulent kan voorstellen jegens een directeur die (verwijtbaar en voortdurend) geen kennisgeving van verzuim doet.
Artikel 6, lid 16, verzuimbeleid: de consulent kan in een individueel geval (lid 17) en in meer algemene zin een advies geven aan de directeur(en) over het handelen in een bepaalde situatie en het verzuimbeleid in het algemeen. Artikel 21, eerste lid, van de Leerplichtwet geeft de basisregels waarin is aangegeven wanneer melding verplicht is. Er zijn verschillende situaties waarbij eerdere melding wenselijk is.
Denk aan onduidelijke redenen voor afwezigheid zoals: (vage en/of veelvuldig) ziekmelding, bepaalde verzuimpatronen bij jongeren of een situatie waarbij twijfel bestaat aan de effectiviteit van het beleid van de school.
Artikel 6, lid 17, luxe verzuim. Bij luxe verzuim kan een proces-verbaal worden opgemaakt indien het verzuim 1 dag of langer bedraagt of wanneer er sprake is van recidive. Deze richtlijn is afkomstig uit de MAS.
Artikel 7, meldingen van verzuim 18 plus moeten volgens de wet door de school of onderwijsinstelling worden gedaan na een perioden van 4 weken aaneengesloten. Landelijk en regionaal is er de afspraak gemaakt om scholen en instellingen verzuim van 18 plus ook te laten melden bij 16 uur en een periode van 4 weken.
In deze instructie wordt er van uitgegaan dat bij een melding verzuim 18 plus altijd een gesprek met de jongere plaatsvindt, of op z’n minst contact heeft plaats gevonden dan wel de consulent actief meerdere pogingen heeft gedaan om in contact te komen met de jongere, middels een outreachende werkwijze, zoals maar niet beperkt tot huisbezoeken, berichtverkeer/appen, ansichtkaarten en folders. De consulent heeft in de uitvoering van zijn taken vallend onder het Doorstroompunt geen mogelijkheid tot handhaving en dwangmaatregelen.
Artikel 8, absoluut verzuim: bij absoluut verzuim van de leerplicht geldt dat een jongere niet staat ingeschreven op een school in overeenstemming met de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 (artikel 2, lid 1 Leerplichtwet 1969).
Bij absoluut verzuim ten aanzien van de kwalificatieplicht geldt dat een jongere niet staat ingeschreven als leerling van een instelling overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 (artikel 4a in verbinding met artikel 2, lid 1 Leerplichtwet 1969).
Voor de behandeling wordt in hoofdzaak aangesloten bij de werkwijze die in artikel 6 al is beschreven. In artikel 3 is de ‘kapstok’ voor het ontdekken van mogelijke gevallen van absoluut verzuim aangeduid: regelmatige en systematische controle, zeker bij tussentijdse mutaties. In lid 2 van dit artikel wordt daarbij aangesloten door eerst een administratieve check voor te schrijven, voordat de ouders en/of de jongere aangesproken worden.
Artikel 9, kennisgeving in- en uitschrijvingen en dreigend voortijdig schoolverlaten: beide situaties zijn in één artikel vermeld; het gaat in essentie om een (dreigende) situatie waarbij de jongere buiten het onderwijs komt te staan.
Wanneer sprake is van verwijdering van een leerling, dan behoort de onderwijsinspectie daarover geraadpleegd te zijn, als het een leerplichtige leerling betreft. Het is wenselijk dat de consulent in zo’n geval ook contact met de onderwijsinspectie opneemt om achtergrondinformatie te verkrijgen dan wel om de inspectie op de hoogte te stellen (als de school dat – ten onrechte – nog niet gedaan zou hebben).
De wettelijke bepalingen over de melding van voortijdig schoolverlaten gaan ervan uit dat in ieder geval melding gedaan moet worden wanneer de leerling een periode van 4 weken aaneengesloten geen onderwijs meer volgt. Het is goed mogelijk om tot afspraken te komen waarbij de school (het bevoegd gezag) sneller melding maakt van voortijdig schoolverlaten. Landelijk en regionaal is er de afspraak gemaakt om scholen en instellingen verzuim van 18 plus ook te laten melden bij 16 uur en een periode van 4 weken.
In deze instructie wordt er van uitgegaan dat bij een melding verzuim 18 plus altijd een gesprek met de jongere plaatsvindt, of op z’n minst contact heeft plaats gevonden dan wel de consulent actief meerdere pogingen heeft gedaan om in contact te komen met de jongere, middels een outreachende werkwijze, zoals maar niet beperkt tot huisbezoeken, berichtverkeer/appen, ansichtkaarten en folders. De consulent heeft in de uitvoering van zijn taken vallend onder het Doorstroompunt geen mogelijkheid tot handhaving en dwangmaatregelen.
Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs, primair onderwijs en speciaal onderwijs kan een leerling schorsen (voor maximaal één week) of definitief verwijderen van school. Het laatste kan alleen na overleg met de Inspectie van het Onderwijs en na het horen van leerling en/of ouders, voogden of verzorgers. Bovendien kan een leerling alleen worden verwijderd als een andere school bereid is om de leerling op te nemen. Voor het MBO geldt hiervoor een inspanningsverplichting van 8 weken, zo ook voor het speciaal onderwijs cluster 1 en 2. Een besluit tot schorsing mag voor maximaal 2 weken en wordt aan de betrokken leerling en, als de leerling nog geen 18 is, ook aan de ouders, voogden of verzorgers schriftelijk bekendgemaakt. Van een schorsing of een definitieve verwijdering hoeft het bevoegd gezag de Inspectie niet in kennis te stellen.
Artikel 9a; Het bestrijden van voortijdig schoolverlaten en het volgen van jongeren in een kwetsbare positie.
Definitie jongere in een kwetsbare positie
Een jongere die al dan niet met een getuigschrift of een diploma doorstroomt naar de entreeopleiding, basisberoepsopleiding (MBO 2) of uitstroomt uit het onderwijs, en afkomstig is uit:
*jongeren die van opleiding wisselen in mbo1 worden ook tot doorstroom in het onderwijs gerekend.
In november wordt de lijst met jongeren in een kwetsbare positie aangeleverd vanuit DUO.
Op basis van de Monitor die door Ingrado is opgesteld kan deze groep jongeren gemonitord worden.
De omschrijving in deze instructie is dan ook gelijk aan de monitor.
De aanpak die ingezet wordt bij jongeren die niet in beeld zijn, kunnen lokaal of regionaal verschillen. Hier kan in lid 10 de afgestemde aanpak worden opgenomen.
Als advies is opgenomen om de stappen 5 tot en met 8 ieder half jaar te herhalen om te zien of de jongere nog steeds een jongere in kwetsbare positie is. Dit is geen wettelijke termijn dus er kan ook voor een andere termijn gekozen worden.
Het inlichtingenbureau hanteert de volgende prio’s:
Prio 1: Geen werk en geen uitkering
Er is niets gevonden in de gegevens.
Prio 2: Wel werk, inkomsten minder dan € 731 per maand
Er is (beperkt) werk, met weinig loon. Ziektewet telt hier als werk. Meerdere banen worden opgeteld.
Prio 3: Werk en een uitkering, inkomsten meer dan € 731 per maand
Alleen Arbeidsverhouding gevonden met een (opgeteld) bedrag van meer dan €731 bevraagde loonperiode (let op: ziektewet wordt gezien als werk, omdat hier een dienstverband aan ten grondslag ligt). Bij meerdere dienstverbanden (Inkomsten opgave - IKO’s ) vindt een optelling plaats van gevonden IKO’s in een bepaalde periode(n).
Arbeidsverhouding gevonden (ongeacht bedrag) tezamen met een uitkering (niet zijnde ziektewet).
Alleen een uitkering gevonden (niet zijnde ziektewet).
Artikel 10, vervangende leerplicht: besluiten krachtens dit artikel kunnen aan de consulent gemandateerd worden. In de instructie is daarvan uitgegaan. De vervangende leerplicht geldt voor 14 en 15 jarigen die in het algemeen niet in een Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) traject kunnen instromen gezien de leeftijd.
De wet gaat uit van een door de ouders ingediende en ondertekende aanvraag en een opgesteld plan van aanpak, door de school van inschrijving (artikel 3a) of door de instelling waar de jongere ingeschreven wenst te worden (artikel 3b). De praktijk zal veelal zijn dat de aanvraag door de school wordt voorbereid, in goed overleg met de consulent en bijvoorbeeld het KPO. In het derde en vierde lid wordt de werkwijze beschreven die bij deze praktijk past en ook aan de wet voldoet.
De oudere leerplichtige, die gebruikmaakt van artikel 3b, mag arbeid verrichten
Artikel 11 vrijstelling leerplicht: ook hier betreft het een bevoegdheid die door burgemeester en wethouders aan de consulent gemandateerd kan worden. In de instructie is van deze mandaatverlening uitgegaan. In de tekst is (in het tweede lid) een aanwijzing opgenomen voor de criteria die bij de toetsing van het ‘andere onderwijs’ worden toegepast. Bij de beoordeling slaat de consulent er acht op of er wordt toegeleid dan wel kan worden toegeleid tot een startkwalificatie.
Een startkwalificatie houdt in:
De procedure voor leerplichtigen in dienst bij defensie staat beschreven in artikel 11 vanaf lid 3. Een deel van het bij Defensie werkzame personeel bestaat uit 17-jarige jongeren, waarvan het merendeel de school heeft verlaten zonder startkwalificatie. Om deze jongeren wel in beeld te houden, om te volgen of zij een startkwalificatie behalen of uitvallen voordat ze de 18 jarige leeftijd hebben bereikt, is er in samenspraak tussen ministerie van OCW, Ministerie van Defensie en Ingrado een procedure ontwikkeld om deze jongeren in beeld te houden.
Artikel 12, lid 2, aangewezen deskundige: zie hierover artikel 14.
Artikel 12, lid 6 en 10, bericht aan de ouders: bij deze bepalingen uit de Leerplichtwet is het van belang dat het gaat om vrijstellingen die van rechtswege intreden indien de kennisgeving aan de eisen van de wet voldoet, en die van rechtswege niet kunnen intreden indien de kennisgeving niet aan de eisen van de wet voldoet.
Aan het bericht over de kennisgeving behoort dan ook geen bezwaar- en beroepsclausule gekoppeld te worden.
Artikel 12, lid 9, overwegende bedenkingen tegen de richting: de vraag of de bedenkingen werkelijk op de richting van het onderwijs betrekking hebben, dient, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, onderzocht te worden. Er zal onderzocht moeten worden of er sprake is van een fundamentele oriëntatie op basis van een welbepaalde levensovertuiging. De zwaarwegende bedenkingen moeten concreet en duidelijk zijn en gerelateerd worden aan het onderwijs dat een school kan bieden. Als vaststaat dat dat het geval is, ontstaat de vrijstelling van rechtswege en is geen plaats meer voor onderzoek naar het gewicht van de bedenkingen. Dat strookt met de vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgens welke er geen sprake is van een bevoegdheid om een besluit te nemen over de bedenkingen.
Artikel 12, lid 13, vrijstelling wegens onderwijs in het buitenland: in dit geval voorziet de wet niet altijd in een regeling die ook in de praktijk hanteerbaar is. Het onderdeel van de instructie geeft de consulent de opdracht om een wel hanteerbare regeling (informatieplicht) te treffen, die hem in staat stelt om na terugkeer van de leerplichtige in Nederland na te gaan of deze daadwerkelijk onderwijs in het buitenland heeft gevolgd.
Bij toepassing van dit artikel is het een voorwaarde dat de leerplichtige 4 maanden van een kalenderjaar verblijft in Nederland.
Wordt er voor de tweede keer een beroep gedaan op deze vrijstelling en reist de leerling niet dagelijks heen en weer tussen de school in het buitenland en de woonplaats, dan mag er signaal bij Burgerzaken afgegeven worden om te onderzoeken of de leerling voldoende in Nederland is om hier ingeschreven te blijven staan.
Artikel 13 geeft in enkele stappen aan wat de gemeente c.q. de consulent te doen staat als ouders hun kind van een onderwijsvoorziening gebruik laten maken die (nog) niet als school in de zin van de Leerplichtwet is aangemerkt.
Artikel 14, aanwijzing deskundige: hier wordt uitgegaan van ad hoc of structureel afspraken die worden gemaakt met bijvoorbeeld een schoolarts of een aan de schoolbegeleidingsdienst verbonden psycholoog of pedagoog omtrent een verklaring of een jongere in staat is om op een school of onderwijsvoorziening te worden ingeschreven. Met toestemming kan er in samenspraak met het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs gekeken worden of er alsnog mogelijkheden zijn om passend onderwijs te bieden.
Artikel 15, melding aan de Raad voor Kinderbescherming: de instructie sluit aan op de plicht die in de Leerplichtwet is opgenomen en heeft betrekking op de zogenoemde strafrechtelijke melding. Daarnaast is het mogelijk om de Raad voor de Kinderbescherming te consulteren over de gewenste route, vrijwillig, civiel of strafrechtelijke aanpak van het schoolverzuim.
Artikel 16, melding aan Veilig Thuis: de bepaling biedt de consulent expliciet de mogelijkheid om in gevallen waar hij dat wenselijk acht contact op te nemen met Veilig Thuis. Het betreft hier de zogenoemde civiele melding.
Artikel 17, meldcode: op 1 juli 2013 is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld. Vanaf 1 januari 2019 is er een verplicht afwegingskader in stap 5 opgenomen. Deze meldcode geldt ook voor de consulent. Werken volgens de meldcode is een wettelijke verplichting. De meldcode op zich is een meldrecht en geen meldplicht.
In dit artikel is vastgelegd op welke wijze de consulent met de meldcode om dient te gaan en welke stappen er gezet moeten worden. Deze beschrijving is samengesteld aan de hand van het basismodel meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling opgesteld door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Afwegingskader: onderdeel van de meldcode
Onderstaand figuur toont de vijf stappen uit de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Ter ondersteuning van de beslissingen in stap 5 is in stappen 4 en 5 een afwegingskader toegevoegd.
Er is een basisdocument Afwegingskader beschikbaar voor alle beroepsgroepen. Het onderliggende Afwegingskader is de uitwerking voor het Onderwijs, inclusief leerplicht en Doorstroompunt.
In Stap 5 worden twee beslissingen genomen:
het beslissen of een melding bij Veilig Thuis noodzakelijk is en, vervolgens
het beslissen of het zelf bieden of organiseren van hulp mogelijk is.
Het is van belang dat in stap 5 beide beslissingen in de genoemde volgorde worden genomen. De consulent vraagt zich op basis van signalen en het gesprek met ouders af of melden noodzakelijk is aan de hand van vijf afwegingsvragen. Vervolgens besluit deze of het bieden of organiseren van hulp tot de mogelijkheden van zowel de consulent als de betrokkenen (ouders/verzorgers) behoort. Als melden volgens het afwegingskader noodzakelijk is, moet de tweede beslissingsvraag over eventuele hulp in overleg met betrokkenen en Veilig Thuis beantwoord worden. Melden is niet verplicht en kan ook anoniem.
Op 25 mei 2018 is de nieuwe privacywetgeving AVG van kracht geworden. De AVG is Europese wetgeving. De Nederlandse wetgeving, zoals de Leerplichtwet of de wet meldcode, mag daarmee niet in strijd zijn, aangezien de AVG hogere wetgeving is. Het recht om dossier aan te maken en te melden bij Veilig Thuis is niet in strijd met de AVG, dus mag uitgevoerd worden.
Afwegingskader: Uitwerking van de vijf afwegingsvragen en beslissingen in stappen 4 en 5 van de meldcode voor het Onderwijs en Leerplicht/Doorstroompunt
¹ Hierbij valt te denken aan functionarissen uit de 2e lijnsondersteuning in de school, altijd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (dus geen docenten, wel een zorgcoördinator, een vertrouwenspersoon, een orthopedagoog, een schoolpsycholoog, een intern begeleider, een schoolmaatschappelijk werker etc.)
² Betrokken functionarissen vanuit de gemeente. Per gemeente verschillend; hierbij valt te denken aan de leerrechtconsulent of een medewerker van een buurt- of wijkteam dat betrokken is bij de school of een medewerker van de GGD/Jeugdgezondheidszorg.
³ Aanbeveling: spreek een nazorgtraject af. Leg termijnen en verwachtingen vast.
BIJLAGE bij het afwegingskader: begrippen en definities
Algemene meldnormen (leidende principes t.b.v. afwegingskaders)
Het doen van een melding bij Veilig Thuis van mogelijk huiselijk geweld of mogelijke kindermishandeling is een professionele norm en als zodanig noodzakelijk:
Acute onveiligheid, structurele onveiligheid en disclosure
Artikel 18, melding aan Arbeidsinspectie: het verdient aanbeveling om af en toe contact te hebben met de regionale directie van de Arbeidsinspectie over de informatie-uitwisseling en het toezicht op arbeid door jongeren (de mogelijkheden tot werken voor jongeren in de Arbeidstijdenwet zijn afgestemd op die in de Leerplichtwet; de gebruikte termen wijken af: een kind is een persoon jonger dan 16 jaar; een jeugdige werknemer is een persoon van 16 of 17 jaar).
Artikel 19, melding aan de sociale verzekeringsbank: met de wijziging van de algemene wet Kinderbijslag heeft de consulent per 1 januari 2010 een nieuw handhavingsinstrument voor 16 en 17 jarigen. Indien er sprake is van ernstig schoolverzuim (16 uur ongeoorloofd verzuim in een periode van 4 weken) heeft de consulent naast zijn huidige instrumentarium de mogelijkheid om een melding te doen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) met de mededeling dat de Leerplichtwet niet wordt nageleefd. Deze melding kan voor de SVB, uitvoerder van de AKW, aanleiding zijn de kinderbijslag voor het betreffende kind stop te zetten. Immers de AKW stelt eisen aan de dagbesteding van kinderen van 16 en 17 jaar. Dezelfde regels gelden voor wezen van 16 en 17 jaar. Voor wezen is wel een overgangsregeling opgenomen. Iemand die voor 1 oktober 2009 de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt valt nog onder de oude wetgeving. De melding bij de SVB wat betreft een jongere die een wezenuitkering ontvangt is mogelijk per 1 april 2010.
Het doen van een melding aan de SVB moet gezien worden als een extra instrument dat ingezet kan worden door de consulent om het verzuim van een 16 of 17 jarige leerplichtige te laten eindigen. In bepaalde situaties kan er een melding bij de SVB plaatsvinden alvorens er een proces-verbaal wordt opgemaakt. Er zijn ook situaties denkbaar waarbij de melding aan het SVB en het opmaken van een proces-verbaal gelijktijdig plaatsvindt.
Dit instrument kan een bijdrage leveren aan een vermindering van het aantal processen-verbaal. Het feit dat een gezin (tijdelijk) geen kinderbijslag ontvangt voor het kind dat de Leerplichtwet overtreedt, zal eraan bijdragen dat de druk op de jongere verhoogd wordt om zijn schoolverzuim te beëindigen. Hierdoor zal een proces-verbaal in een aantal zaken niet meer nodig zijn.
Het uiteindelijke doel is dat de jongere naar school gaat. Ouders en jongere kunnen het stopzetten van de kinderbijslag voorkomen door alsnog aan de verplichtingen van de Leerplichtwet te voldoen. Doordat de SVB altijd achteraf de kinderbijslag uitbetaalt (drie maanden na vaststelling van het recht op die kinderbijslag) is er ook in administratieve zin ruimte om het stopzetten van de kinderbijslag te voorkomen. Er is dus een herstelmogelijkheid. De strafrechtelijke route kent deze herstelmogelijkheid niet. Een proces-verbaal kan niet meer teruggetrokken worden door de consulent, ook al gaat de jongere inmiddels weer naar school. De rechter bepaalt dan welke sanctie hij nodig acht.
Schoolverzuim door een 16 of 17 jarige
De school constateert in eerste instantie het verzuim. Verzuim tot 16 uur in een periode van 4 weken mag een school melden. Is er sprake van 16 uur verzuim of meer in een periode van 4 weken dan moet de school het verzuim melden.
De school meldt het schoolverzuim bij het Register Onderwijsdeelnemers van de DUO. De school geeft daarbij aan welke actie zij zelf onderneemt, of dat de inzet van de consulent onmiddellijk vereist is. Inzet van de consulent kan al plaatsvinden vanuit de preventieve gedachte als er nog geen sprake is van verzuim van meer dan 16 uur per 4 weken. Denk bijvoorbeeld aan een leerplichtige die regelmatig te laat komt.
Kennisgeving vermoedelijk ongeoorloofd verzuim
Leerplicht ontvangt van het Register Onderwijsdeelnemers DUO een verzuimmelding. Leerplicht neemt contact op met de school en stemt af welke stappen er genomen worden. Is het verzuim gestopt dan onderneemt leerplicht niets. Duurt het verzuim, ondanks de acties van de school, voort dan onderneemt leerplicht actie.
Onderzoek naar de reden van verzuim in het kader van de kwalificatieplicht
De consulent roept de ouder(s)/verzorger(s) en de leerplichtige, ouder dan 16 jaar, op voor een gesprek. De consulent onderzoekt de oorzaak van het verzuim. De consequenties van het verzuim worden toegelicht en er worden schriftelijke afspraken gemaakt voor het vervolg. Daarbij zijn 3 mogelijkheden:
Een leerplichtige moet naar school, ouder(s)/verzorger(s) zijn hier volgens de leerplichtwet verantwoordelijk voor totdat een jongere 18 jaar is of een startkwalificatie heeft behaald, tenzij er sprake is van een vrijstelling. De consulent benadrukt dit in zijn gesprek met ouder(s)/verzorger(s) en jongere. De consulent onderzoekt in hoeverre de ouder(s)/verzorger(s) (mede)verwijtbaar zijn aan het verzuimgedrag van hun kind. Er moet bij melding aan de SVB onderscheid gemaakt worden tussen verwijtbaarheid van en medewerking door ouder(s)/verzorger(s).
Verwijtbaarheid: Zodra een jongere niet op school is neemt de school contact op met de ouder(s)/verzorger(s) om na te gaan wat de reden van afwezigheid is. Het is dan de verantwoordelijkheid van de ouder(s)/verzorger(s) (en de jongere) om ervoor te zorgen dat, indien er sprake is van ongeoorloofd verzuim, dit eindigt. Indien ouder(s)/verzorger(s) niets ondernemen, na de melding van school, dan zijn de ouder(s)/verzorger(s) verwijtbaar. Ondernemen ouder(s)/verzorger(s) na de melding van school, diverse acties om hun kind op school te krijgen, dan zijn de ouder(s)/verzorger(s) niet verwijtbaar. De jongere kan in deze situatie wel verwijtbaar zijn, omdat hij of zij ondanks de inspanningen van de ouder(s)/verzorger(s), toch blijft verzuimen.
Medewerking: Zodra de school de ouder(s)/verzorger(s) heeft ingelicht over het verzuim van hun kind op school, is het de verantwoordelijkheid van de ouder(s)/verzorger(s) om er voor te zorgen dat hun kind weer naar school gaat. Indien het verzuim blijft voortduren zal de school en/of consulent met de ouder(s)/verzorger(s) en de jongere afspraken gaan maken om het verzuim te laten eindigen. Als ouder(s)/verzorger(s) en jongere zich aan de gemaakte afspraken houden dan werken zij mee om het verzuim te doen eindigen.
Een melding bij de SVB kan een geëigend middel zijn om te stimuleren dat het schoolverzuim eindigt. Dit is afhankelijk van de verwijtbaarheid van ouder(s)/verzorger(s) en/of jongere bij het verzuim maar ook van de medewerking die gegeven wordt aan het stoppen van het verzuim.
Hieronder staan deze situaties beschreven waarin melding bij de SVB kan worden gedaan:
Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouder(s)/verzorger(s), stopt het verzuim niet. Ouder(s)/verzorger(s) en jongere zijn verwijtbaar aan het ontstaan of het voortbestaan van het schoolverzuim. Ouder(s)/verzorger(s) en/of jongere geven aan te willen meewerken aan afspraken, maar komen deze uiteindelijk niet na.
Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouder(s)/verzorger(s), stopt het verzuim niet. Ouder(s)/verzorger(s) en jongere zijn verwijtbaar aan het ontstaan en het voortbestaan van het schoolverzuim. Ouder(s)/verzorger(s) en/of jongere willen niet meewerken aan afspraken om het verzuim te eindigen.
Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouder(s)/verzorger(s), stopt het verzuim niet. Ouder(s)/verzorger(s) zijn niet verwijtbaar aan het ontstaan of voortbestaan van het schoolverzuim, maar de jongere wel. Ouder(s)/verzorger(s) willen meewerken aan afspraken, maar de jongere niet. In eerste instantie zal er zorg worden ingezet om het verzuim alsnog te doen eindigen. Heeft deze inzet geen effect dan kan alsnog een melding bij de SVB worden gedaan. (reden om de melding te doen is om de via de ouder(s)/verzorger(s) druk op de jongere uit te oefenen)
Er wordt dus geen melding bij de SVB gedaan als ouder(s)/verzorger(s) en jongere niet verwijtbaar zijn aan het ontstaan of voortbestaan van het verzuim en meewerken aan de afspraken om het verzuim te doen eindigen. Denk hierbij aan een jongere die niet naar school gaat omdat hij op de wachtlijst voor een REC4 instelling is geplaatst, of een gediagnosticeerd depressieve jongere die daardoor niet in staat is om naar school te gaan. Uiteraard is het aanbieden van zorg in deze situatie wel aan de orde.
Als sprake is van ernstig schoolverzuim dat gevolgen moet hebben voor het kinderbijslagrecht, geeft de consulent een signaal af aan de SVB. De SVB sluit aan bij het oordeel van de consulent. Deze volgt het gemeentelijke beleid met betrekking tot spijbelen en schooluitval.4
Indien er een melding wordt gedaan aan de SVB dan zet de consulent de volgende afspraken op papier, welke naar ouder(s)/verzorger(s) en jongere verstuurd worden:
Evaluatiedatum (als de melding aan de SVB is gedaan, kunnen ouder(s)/verzorger(s) en/of jongere alsnog voldoen aan de voorwaarden de melding aan de SVB ongedaan maken. Hiervoor wordt een uiterste datum genoemd. Op deze wijze hebben ouder(s)/verzorger(s) en jongere alsnog de kans de melding ongedaan te maken).
Een melding doen aan de SVB is geen besluit in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht. De brief hoeft dus niet voorzien te worden van een bezwaar- en beroepsprocedure.
De SVB stuurt na de melding van de consulent een beschikking aan de ouder/verzorger die bekend is als aanvrager van de kinderbijslag. De SVB stopt met betalen van de kinderbijslag per het kwartaal volgend op de datum van de melding door de consulent.
Uiteraard kan een klant van de SVB het niet eens zijn met de maatregel, dan kan de klant bezwaar indienen bij de SVB. De consulent die de melding heeft gedaan dat niet aan de vereisten in de Leerplichtwet wordt voldaan kan in de bezwaarprocedure worden gevraagd schriftelijke informatie te leveren. Eventueel kan de ambtenaar worden gevraagd zelf aanwezig te zijn bij de hoorzitting.
De consulent neemt contact op met de SVB om de melding ongedaan te maken als ouder(s)/verzorger(s) en of jongere voldaan hebben aan de gestelde voorwaarden en het verzuim is geëindigd. Deze ongedaan making wordt schriftelijk bevestigd aan de ouder(s)/verzorger(s) en jongere.
Artikel 20, melden Inspectie van het Onderwijs: Door de wetswijziging van de Leerplichtwet 1969 krijgt de minister van Onderwijs per 1 januari 2012 de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen aan de directeur van een school of instelling. De bestuurlijke boete is een nieuwe sanctiemaatregel en kan worden opgelegd in gevallen waar een school volhardend bepalingen overtreedt. Voorheen was het de consulent die de mogelijkheid had een proces-verbaal op te maken in dergelijke gevallen. De minister heeft de uitvoering bij de Inspectie van het Onderwijs neergelegd.
Deze overtredingen kunnen gaan over:
Doet een school dit niet of onvoldoende, dan meldt de consulent dit bij de inspectie. Vervolgens neemt de inspectie dit signaal mee in haar regulier toezicht op de school. Bij urgente signalen neemt de inspectie direct contact op met de school. De inspectie kan de directeur van de school of instelling een bestuurlijke boete opleggen.
Wat betekent dit voor een gemeente?
Voor ouder(s)/verzorger(s) en leerlingen blijven de bevoegdheden van de consulent als toezichthouder onveranderd. De werkwijze van de Inspectie is risicogericht en afgestemd op de gemeente.
Voorheen had de consulent de mogelijkheid een proces-verbaal op te maken wanneer de directeur van de school of instelling de Leerplichtwet overtrad. De keus om de signalering naar de Inspectie bij de consulent neer te leggen is hierdoor voor de hand liggend.
Voor een eventuele signalering aan de Inspectie dienen eerst gesprekken ter verbetering van de situatie aan gegaan te worden. Deze stappen worden in een dossier vastgelegd.
Dossiervorming is noodzakelijk voor een goede procesbegeleiding en de inhoud wordt bij signalering aan de Inspectie overgedragen.
De consulent is veel in school aanwezig. Hij mag enkel de administratie op aan/ afwezigheid van leerlingen inzien indien hij een vermoeden heeft van een strafbaar feit. Indien de consulent waarneemt dat de school of onderwijsinstelling de Leerplichtwet niet naleeft, dan kan dit een reden zijn tot het geven van informatie en advies aan de school of onderwijsinstelling betreffende een goede uitvoering dan wel een verbetering van het verzuimbeleid van de school. Indien de school of onderwijsinstelling ondanks het advies van de consulent de Leerplichtwet blijft overtreden dan is dat aanleiding voor een signaal naar de Inspectie van het Onderwijs. De wijze waarop de signalen aan de Inspectie van het Onderwijs worden gegeven zijn opgenomen in dit artikel van de instructie.
Elk van de twee toezichthouders (consulent en Inspectie van het Onderwijs) heeft de bevoegdheden, die titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verleent aan degenen die als toezichthouder zijn aangewezen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichttaak nodig is (5:13 Awb). Daartoe behoren het betreden van plaatsen en de inzage van gegevens en bescheiden. Uit dit systeem volgt dat de consulent toegang heeft tot de school en inzage heeft in de administratie voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn eigen toezichttaak (dus jegens ouder(s)/verzorger(s) en leerlingen) nodig is. De toezichttaak gericht tot scholen met bijbehorende bevoegdheden is bij de Inspectie van het Onderwijs belegd. De consulent heeft wel een natuurlijke oog- en oorfunctie waar het gaat om het handelen van scholen in het kader van de Leerplichtwet, de signaleringsrol.
Verstrekking van informatie aan andere overheidsorganen zoals de Inspectie van het Onderwijs, is toegestaan als gevolg van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens (WJSG).
Artikel 21, jaarverslag leerplicht en effectrapportage Doorstroompunt: de bevoegdheid, liever nog de plicht, tot het uitbrengen van een jaarverslag over het gevoerde beleid inzake de handhaving van de leerplicht en de kwalificatieplicht en de resultaten daarvan (Leerplichtwet artikel 25) berust bij het college. Uit de aard van deze bevoegdheid vloeit voort dat deze niet kan worden gemandateerd (zie Awb artikel 10:3, lid 1). Het is de taak van de consulent om de nodige informatie voor het verslag te verzamelen, te ordenen en in de vorm van een voorstel te presenteren. Het verslag zal de kwantitatieve gegevens bevatten die aan het ministerie van OCW moeten worden gemeld, maar tevens ingaan op het gevoerde beleid.
De wettelijke bepalingen van de Doorstroompunt)-wetgeving geven aan dat een effectrapportage moet worden opgesteld, die – krachtens artikel 36 van de regeling regionale aanpak vsv – uiterlijk op 1 december bij de minister moet worden ingediend. In de bijlagen bij de Uitvoeringsregeling zijn de gegevens opgenomen die ten minste in de effectrapportage moeten worden opgenomen.
De in dit artikel genoemde data zijn wettelijke termijnen.
Artikel 22, samenwerking in de regio inzake leerplicht en Doorstroompunt: in het artikel in de instructie is genoemd dat tenminste drie overleggen per jaar het minimum is om de samenwerking in de regio te vergroten, omdat de leerlingstromen gemeentegrens overschrijdend zijn.
De noodzaak is in ieder geval aanwezig als over deze onderwerpen nog geen regionale afspraken bestaan, of als uit de ervaringen blijkt dat de wel bestaande afspraken niet goed functioneren. De afstemming met het Openbaar Ministerie is ook van belang. Afhankelijk van de regionale situatie kan de officier van justitie een vaste of incidentele deelnemer aan het overleg zijn. In de instructie zijn de onderwerpen genoemd die in ieder geval onderwerp van regionaal overleg behoren te zijn. De agenda kan uiteraard (veel) uitgebreider zijn. In het derde lid zijn de punten genoemd waarover niet alleen gesproken moet worden (zoals bij de punten in het tweede lid), maar waarover ook duidelijke afspraken gemaakt moeten worden.
Omdat er tevens sprake is van de uitvoering van de Doorstroompunt-taken, worden ook de onderwerpen die de wet aanduidt in het regionale overleg besproken.
Uiteraard zijn er ook de coördinerende taken, zoals:
Deze aan de wet ontleende opsomming kan uiteraard worden aangevuld met de onderwerpen waarover in de Doorstroompunt-regio wordt gesignaleerd dat bespreking gewenst is.
De contactgemeente, in regio 39 is wettelijk verantwoordelijk voor de coördinatie van het regionaal bestuurlijk overleg. Intern zullen zij moeten afspreken wie daar aan deelneemt.
Artikel 24, samenwerking met diensten en instellingen: het is de bedoeling om een actuele lijst van samenwerkingspartners te hebben. Gekozen is voor de vormgeving in een bijlage, maar opsomming in de instructie is ook denkbaar. In deze lijst horen de scholen en instellingen, de instanties die met jeugdzorg te maken hebben, de strafrechtelijke instanties en de instanties die met arbeid te maken hebben. Deze instellingen en diensten behoren geïnformeerd te worden over deze instructie. Zij horen ook tot de kring die het jaarverslag ontvangt.
Artikel 25, beleidsontwikkeling: in het eerste lid is voorzien dat de ‘eigen’ gegevens op systematische wijze worden verzameld en verwerkt, zodat het regionale en het lokale beleid mede daarop gebaseerd wordt. De beleidscyclus wordt daarmee in belangrijke mate gediend.
Het tweede lid heeft betrekking op de verwerking van ontwikkelingen die zich buiten de eigen regio voordoen in het regionale en landelijke beleid. Daarbij moet uiteraard worden gedacht aan het leerplichtbeleid in strikte zin, maar ook ontwikkelingen in het onderwijs, in de jeugdzorg en dergelijke behoren daartoe, en afhankelijk van de omstandigheden kunnen ook bijvoorbeeld ontwikkelingen in het vreemdelingenbeleid, de justitiële organisatie of de arbeidsmarkt van belang zijn.
Dit beschrijft hoe de leerrechtconsulent handelt in situaties waarin ouders gescheiden zijn of niet meer samenleven, en hoe wordt omgegaan met informatieverstrekking en verantwoordelijkheden bij gezamenlijk gezag. Het doel is helderheid te bieden over de rol van de leerrechtconsulent en de verplichtingen van ouders op grond van de geldende wet- en regelgeving.
Artikel 26, slotbepalingen: het eerste lid regelt dat alle betrokkenen op de hoogte worden gesteld van de instructie. Het tweede lid regelt de inwerkingtreding. Er is voor gekozen om de bekendmaking van het besluit 14 dagen na vaststelling van de instructie te laten plaatsvinden. Op dat moment wordt ook de ‘oude’ instructie voor de consulent ingetrokken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-551756.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.