Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing Schouwen-Duiveland 2026

 

 

 

De raad van de gemeente Schouwen-Duiveland;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.18 november 2025;

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing Schouwen-Duiveland 2026

 

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende

zaken.

b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking,

zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in

onderhoud bij de gemeente;

c. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

 

Artikel 2. Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering

van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede

het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de

aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

 

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven van:

a. de persoon die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt

recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te

noemen: eigenarendeel; en

b. de persoon die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt

afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt of persoonlijk recht gebruikt, verder te

noemen: gebruikersdeel.

2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens

eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt de persoon die bij het begin van het belastingjaar als

zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat deze persoon op dat tijdstip geen

genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

3. Voor het gebruikersdeel wordt als gebruiker aangemerkt:

a. Gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de

in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar

aangewezen lid van dat huishouden;

b. Gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik

door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven

c. Het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene

die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

 

Artikel 4. Voorwerp van de belasting

1. Voorwerp van de belasting is een perceel.

2. Als perceel wordt aangemerkt:

a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd

om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c

bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de

omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in

onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

 

Artikel 5. Vrijstellingen

Geen heffing vindt plaats indien er vanuit het perceel geen leidingwater wordt toegevoerd of opgepompt en waarbij de WOZ-waarde van het desbetreffende perceel in het betreffende belastingjaar niet meer bedraagt dan € 40.000, -, Dan wel indien er geen WOZ-waarde wordt vastgesteld de (horizontaal gemeten) oppervlakte kleiner is dan 25 m2.

 

Artikel 6. Maatstaf van heffing

1. Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

2. Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt

afgevoerd.

3. Het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd wordt gesteld op het aantal kubieke meters

leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar

voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd en/of is opgepompt. Als de

verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid waterverbruik

naar een jaarverbruik herleid.

4. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

a) watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

b) bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is

geweest kan worden afgelezen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water

geschiedt op grond van enig andere wettelijke bepaling.

5. Als de belastingplichtige aantoont dat meer dan 30% van de berekende hoeveelheid toegevoerd of

opgepompt water niet is afgevoerd, wordt de niet-afgevoerde hoeveelheid berekend en op het

toegevoerde of opgepompte water in mindering gebracht.

6. Als de gegevens bedoeld in het derde lid voor een perceel niet bekend zijn, wordt het aantal kubieke

meters water voor dat perceel door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet

bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het watergebruik wat laatst bekend is.

 

Artikel 7. Belastingtarieven

1. Het eigenarendeel, bedraagt per eigendom € 194,95

2. Het gebruikersdeel bedraagt € 75,32 en voor elke volle eenheid van één kubieke meter water:

€ 2,64 per eenheid boven de 200 m3.

 

Artikel 8. Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 9. Wijze van heffing

De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.

 

Artikel 10. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, als dit later

is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar

aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar

verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle

kalendermaanden overblijven.

3. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar

eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar

verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle

kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10

4. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige

volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of

andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag

 

Artikel 11. Termijnen van betaling

1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald

uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het

aanslagbiljet is vermeld.

2. In afwijking van het eerste lid geldt dat, zolang de verschuldigde bedragen door middel van

automatische incasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen worden betaald in tien gelijke

termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet, elk van de

volgende termijnen telkens een maand later.

3. Indien het totaal te betalen bedrag zoals vermeld op het aanslagbiljet € 50,00 of minder bedraagt, wordt

dit bedrag in afwijking van lid 2 van dit artikel in één termijn afgeschreven één maand na dagtekening

van het aanslagbiljet.

4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de hiervoor gestelde termijnen.

 

Artikel 12. Kwijtschelding

Bij de invordering van het gebruikersgedeelte van de rioolheffing kan kwijtschelding worden verleend.

 

Artikel 13. Overgangsbepaling

De “Verordening rioolheffing Schouwen-Duiveland 2025” van 12 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 14, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

 

Artikel 14. Inwerkingtreding

1. De verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

 

Artikel 15. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening riool- en waterzorgheffing Schouwen-Duiveland 2026.

 

 

 

 

 

 

S.J.A. Bronsveld

J. Chr. van der Hoek

griffier

voorzitter

 

Vastgesteld door de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland in zijn openbare vergadering van 11 december 2025

Naar boven