Gemeenteblad van Schouwen-Duiveland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Schouwen-Duiveland | Gemeenteblad 2025, 551022 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Schouwen-Duiveland | Gemeenteblad 2025, 551022 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Schouwen-Duiveland 2026
De raad van de gemeente Schouwen-Duiveland;
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 18 november 2025;
gelet op de artikelen 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Schouwen-Duiveland 2026
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. ‘gebruik maken’: in de zin van artikel 15:33 Wet milieubeheer;
b. grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en
instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet periodiek worden ingezameld.
c. Recreatieperceel: een woning die in hoofdzaak bestemd is voor en gebezigd wordt als verblijf voor
vakantie- en andere recreatieve doeleinden waarvan de eigenaar/gebruiker geen hoofdverblijf heeft in
Artikel 3. Voorwerp van de belasting
1. Voorwerp van de belasting is een perceel.
2. Als perceel wordt aangemerkt:
a. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende
b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om
als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde
gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden
beoordeeld, bij elkaar behoren.
e. Het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 4. Aard van de belasting en belastbaar feit
1. Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33
2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter
zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van
de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6. Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven die zijn opgenomen in de bij deze
verordening behorende tarieventabel, rekening houdend met de overige leden van dit artikel.
2. De grondslagen van de belasting zijn:
a. een vast bedrag per perceel (vastrecht);
b. een bedrag per lediging van de rolcontainer
c. een bedrag per aanbieding ondergrondse container
d. wanneer er sprake is van afvalverwijdering van meerdere percelen (niet zijnde recreatie percelen) op hetzelfde inzamelmiddel (bijv. een 1.100 lt. container) wordt het bedrag bepaald, door het bedrag per lediging te vermenigvuldigen met het, aan de hand van de grootte van het huishouden en het daarbij behorende, in deze verordening vastgestelde gemiddelde aantal ledigingen, te weten:
3. Het aantal ledigingen, wordt vastgesteld met behulp van containerherkennings- en de
registratieapparatuur op de inzamelauto. Voor de berekening van de belasting wordt uitgegaan van het
aantal malen dat een inzamelcontainer ter lediging wordt aangeboden zoals is vastgesteld met behulp
van de containerherkennings-en registratieapparatuur op de inzamelauto.
4. Het aantal aanbiedingen in de ondergrondse container, wordt vastgesteld met behulp van
registratieapparatuur in de ondergrondse container. Voor de berekening van de belasting wordt
uitgegaan van het aantal malen dat de ondergrondse container met de afvalpas is geopend, per
belastingjaar, welke openingen daarbij automatisch zijn geregistreerd door de paslezer.
Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belasting van het vastrecht artikel 6 lid 2 a is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo
dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het vastrecht verschuldigd voor
zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de
aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt of wijzigt, bestaat aanspraak op
ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat
jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij blijkt dat het
bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00.
4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente
verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
5. De belasting als bedoeld in artikel 6 lid 2 b en c zijn achteraf verschuldigd per lediging
van de container, dan wel per inworp in de ondergrondse container met gebruik van de
Artikel 10. Termijnen van betaling
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald
uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
2. In afwijking van het eerste lid geldt dat, zolang de verschuldigde bedragen door middel van
automatische incasso kunnen worden afgeschreven de aanslagen worden betaald in tien termijnen. De
eerste termijn vervalt op de laatste werkdag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van
het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens op de laatste werkdag van de
3. Indien het totaal te betalen bedrag zoals vermeld op het aanslagbiljet € 50,00 of minder bedraagt, wordt
dit bedrag in afwijking van lid 2 van dit artikel in één termijn afgeschreven één maand na dagtekening
4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Belastingplichtigen die blijkens een schriftelijke verklaring van huisarts of medisch specialist of beschikken over een kopie van een afleverbon/factuur/recept als gevolg van een stoma, thuisdialyse, incontinentie of chronische wondverzorging hierdoor extra medisch afvalstoffen aanbiedt, zijn vrijgesteld voor:
1. aanbieding in een ondergrondse container:
1.1 alle aanbiedingen boven de 40 ledigingen in een ondergrondse container bij een
eenpersoonshuishouden op de eerste dag van het jaar;
1.2 alle aanbiedingen boven de 44 aanbiedingen in een ondergrondse container bij een
tweepersoonshuishouden op de eerste dag van het jaar;
1.3 alle aanbieding boven de 52 aanbiedingen in een ondergrondse container bij een
meerpersoonshuishouden op de eerste dag van het jaar
2. In afwijking van lid 1 indien geen sprake is van ondergrondse container wordt er (op verzoek) een
gratis extra grijze rolemmer van 240 liter per perceel beschikbaar gesteld. De ledigingen van deze
3. De vrijstelling geldt vanaf het moment de afgiftedatum van de verklaring of kopie als bedoeld in de
aanhef en lid1 dan wel vanaf het moment van levering van de extra bak als bedoeld in het tweede
4. De vrijstelling geldt ook indien de genoemde verklaring of kopie als bedoeld in de aanhef wordt
afgegeven voor een lid van het huishouden waarvan de belastingplichtige deel vanuit maakt.
5. De vrijstelling geldt alleen voor het adres waar de belastingplichtige staat ingeschreven in de
Artikel 13. Voorwerp van de belasting
1. Voorwerp van de belasting is een perceel.
2. Als perceel wordt aangemerkt:
a. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d, en f, van de Wet waardering onroerende
b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om
als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde
gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden
beoordeeld, bij elkaar behoren.
e. Het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in
Onder de naam 'reinigingsrechten' worden rechten geheven zowel voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.
De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Geen reinigingsrechten wordt geheven, indien ter zake van een in artikel 14 belastbaar feit de gemeente langs andere weg een vergoeding ontvangt.
Artikel 16. Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de hoofdstukken 2 en 3
van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2. Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid
Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
1. De rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel worden geheven bij wege van aanslag met
dien verstande dat per belastbaar feit een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd.
2. De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden geheven door middel van een
gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld.
Artikel 19. Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde rechten
1. De rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij het begin van het
belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt zijn de rechten verschuldigd voor
zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang
van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor
zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde
van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente
Artikel 20. Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten
De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.
Artikel 21. Termijnen van betaling
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald
uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
2. In afwijking van het eerste lid geldt dat, zolang de verschuldigde bedragen door middel van
automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven de aanslagen worden betaald in tien
termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste werkdag van de maand volgend op die welke in de
dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens op de laatste
werkdag van de daaropvolgende maand.
3. Indien het totaal te betalen bedrag zoals vermeld op het aanslagbiljet € 50,00 of minder bedraagt, wordt
dit bedrag in afwijking van lid 2 van dit artikel in één termijn afgeschreven één maand na dagtekening
4. De reinigingsrechten bedoeld in artikel 18, tweede lid, moeten worden betaald ingeval van
a. Indien de kennisgeving mondeling wordt gedaan, dient betaling plaats te vinden op het moment van
b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van
toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden genoemde termijnen.
Bij de invordering van reinigingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.
De “Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Schouwen-Duiveland 2025” van 12 december 2024, wordt tezamen met alle wijzigingsverordeningen die hierop van toepassing zijn, ingetrokken met ingang van artikel 24, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
1. De verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari MERGEFIELD "jaar" 2026.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening afvalstoffen en reinigingsrechten Schouwen-Duiveland 2026.
Bijlage 1: Tarieventabel behorende bij de verordening afvalstoffenheffing/reinigingsrechten 2026
De bedragen genoemd in de tarieventabel zijn exclusief omzetbelasting indien van toepassing.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-551022.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.