Verordening Markt- en standplaatsgelden 2026

 

Artikel 1 Belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam "marktgeld" wordt een recht geheven voor het hebben van één of meer standplaatsen op de markt of op andere, voor de openbare dienst bestemde, als markt aan te wijzen plaatsen.

  • 2.

    Onder de naam "standplaatsgeld" wordt een recht geheven voor het hebben van n of meer standplaatsen, buiten de markt, op de voor de openbare dienst bestemde, als standplaats aangewezen plaatsen.

Artikel 2 Belastingplicht

De rechten worden geheven van degene die een standplaats, als bedoeld in artikel 1, inneemt.

Artikel 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1.

    De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

  • 2.

    Voor het incidenteel innemen van een losse standplaats gedurende 1 dag wordt op grond van de Legesverordening leges geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Bij een dergelijke losse standplaats wordt geen belasting geheven op grond van deze Verordening markt- en standplaatsgelden en er worden geen kosten voor elektra in rekening gebracht. Bij de weekmarkt komt een losse standplaats neer op een (woensdag)ochtend en bij een standplaats komt dit neer op een gehele dag (ochtend en middag).

    De losse standplaats kan slechts één keer per maand door dezelfde partij worden ingenomen tenzij door de marktcommissie hierover anders wordt besloten.

Artikel 4 Belastingtijdvak

  • 1.

    In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 5 Wijze van heffing

De rechten worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur, of een kennisgeving langs elektronische weg. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving of langs elektronische weg aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld

De rechten zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

Artikel 7 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 5:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 1 maand na de dagtekening van de kennisgeving.

    • c.

      langs de elektronische weg wordt gedaan, binnen 1 maand na dagtekening van de kennisgeving.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 8 Kwijtschelding

Bij de invordering van marktgeld dan wel standplaatsgeld wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De "Verordening markt- en standplaatsgeld 2025" wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

  • 3.

    In afwijking van het in het voorgaande lid bepaalde, blijft, indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, de ingetrokken verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover daarvan de heffing van de rechten in die periode plaatsvindt.

  • 4.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

  • 5.

    Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening markt- en standplaatsgelden 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 december 2026

B.S. van Ginkel-Schuur

griffier

M.C. Teunissen-Willemsen

voorzitter

Tarieventabel behorende bij de "Verordening markt- en standplaatsgelden 2026"

 

Hoofdstuk I Maatstaf van heffing en tarief

 

  • 1.

    De maatstaf voor de berekening van het marktgeld is de frontbreedte in strekkende meters (m1) van de standplaats op de markt en bedraagt €153,30 per strekkende meter of een gedeelte daarvan per jaar (jaartarief op basis van 50 weken);

  • 2.

    De maatstaf voor de berekening van het marktgeld is de frontbreedte in strekkende meters (m1) van de standplaats op de markt en bedraagt €3,10 per strekkende meter of een gedeelte daarvan per marktdag of gedeelte ervan indien niet het gehele jaar gebruik wordt gemaakt van de standplaats op de markt;

  • 3.

    De maatstaf voor de berekening van het standplaatsgeld is de afmeting in vierkante meters (m2) van de standplaats buiten de markt en bedraagt:

    • a)

      voor een standplaats met de afmetingen 6x6 meter, per jaar, bij inname voor één dag per week, gedurende een gehele dag €933,00;

    • b)

      voor een standplaats met de afmetingen 7x6 meter, per jaar, bij inname voor één dag per week, gedurende een gehele dag €1.089,50

    • c)

      indien de standplaats gedurende een dagdeel in wordt genomen, wordt het tarief overeenkomstig aangepast, met dien verstande dat een gehele dag bestaat uit twee dagdelen.

 

Naar boven