Beleidsregel Natuurinclusief Plantoetsingskader gemeente Rijswijk

Burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk;

 

Gelet op het bepaalde in:

  • Groenbeleid Rijswijk (vastgesteld in 2025);

  • Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Besluiten:

 

De volgende beleidsregel vast te stellen:

 

Beleidsregel Natuurinclusief Plantoetsingskader gemeente Rijswijk

Artikel 1 – Definities

5V’s: Met de vijf V’s worden de habitatvoorwaarden bedoeld die een doelsoort nodig heeft om een geschikte leefomgeving te hebben. Het gaat om Voedsel, Verblijfplaatsen, Verbindingen, Veiligheid en Variatie.

 

Bebouwd oppervlak: Het bruto vloeroppervlak van het hoofdgebouw.

 

Biodiversiteit: Biodiversiteit staat voor soortenrijkdom in dieren en planten. Het gaat daarbij om een mix van genen, soorten (populaties) en ecosystemen (gemeenschappen).

 

Boomkroonoppervlak: De kroon is het gedeelte van de boom boven de takvrije stam. Het boomkroonoppervlak is het horizontale oppervlak van de kruin. Dit kan benaderd worden door de kroon op de grond te projecteren en de inhoud van het oppervlak in vierkante meters te meten.

 

Doelsoorten: Diersoorten die kenmerkend zijn voor een specifiek leefgebied en die dienen als indicator voor de ecologische kwaliteit van het bijbehorende natuurtype. Deze soorten kunnen ook een belangrijke rol spelen bij het selecteren van natuurinclusieve maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van dit natuurtype.

 

Gebouw: Een bouwwerk dat een voor mens toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimten vormt (conform beschrijving in artikel 1.1 Omgevingswet en de daarbij behorende Bijlage I onderdeel A: begrippen).

 

Gebouwbewonende soorten: Gebouwbewonende soorten zijn diersoorten die zich hebben aangepast aan het leven in of rond door mensen gemaakte structuren, zoals gebouwen, bruggen, en andere constructies. Deze dieren gebruiken gebouwen als hun leefomgeving voor schuilplaatsen, nestplaatsen, of voedselbronnen.

 

Gebouwschil: De gebouwschil is de grens tussen de binnenzijde van een woning of gebouw en de buitenwereld. De gebouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de ramen, de kozijnen, de deuren en het dak.

 

Habitat: Een habitat, leefgebied of leefomgeving omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt. Een habitat voorziet in de biotische en abiotische eisen van het organisme, oftewel: de onderdelen in de leefomgeving die gezamenlijk nodig zijn om een soort zich thuis te laten voelen en te vestigen.

 

Herinrichting: Een gebied opnieuw inrichten, vaak met verankering van ruimtegebruik.

 

Hoofdgroenstructuur: De hoofdgroenstructuur bestaat uit de belangrijkste groengebieden en natuurverbindingen in de gemeente.

 

Natuurinclusief bouwen en inrichten: Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzame ruimtelijke ontwikkeling, waarbij er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven.

 

Natuurtypen: Een combinatie van abiotische en biotische kenmerken op een bepaalde ruimtelijke schaal die samen een bepaald soort ecosysteem vormen.

 

Natuurwaarden: De waarde die aan een bepaald gebied wordt toegekend, gezien vanuit het perspectief van natuurbescherming en landschapselementen. De term ‘natuurkwaliteit’ wordt hiervoor ook gebruikt.

 

Nieuwbouw: Het nieuw bouwen van een bouwwerk zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

 

Ingrijpende renovatie: Van een ingrijpende renovatie is sprake wanneer meer dan 25 procent van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel voor meer dan 25 procent volledig wordt opengelegd en vernieuwd.

 

Plangebied: het gebied binnen de plangrenzen zoals aangeduid vanuit ruimtelijke ordening, wat binnen de invloedsfeer van één ontwikkelende partij ligt.

 

Ruimtelijke ontwikkeling: een ontwikkeling waarbij de leefomgeving planmatig wordt benut en (her)ingericht, zoals de realisatie van bedrijventerreinen, woonwijken of een ander bouwplan.

 

Transformatie: Functiewijziging van bestaande bebouwing (bijvoorbeeld van kantoor naar woning).

Artikel 2 – Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op:

  • Alle nieuwbouw-, ingrijpende renovatie-, transformatie- en andere bouwprojecten, vanaf drie woningen;

  • Herinrichtingen in de openbare ruimte vanaf 2.000 m2.

Voor de bouw van één of twee woningen, oppervlakte in de openbare ruimte kleiner dan 2.000 m2, niet ingrijpende renovaties en voor bestaande gebouwen gelden de voorwaarden niet en zet het College van B&W in op bewustwording en stimulering met natuurinclusieve maatregelen door het gesprek te voeren met aanvragers.

 

De methodiek in artikel 3 biedt het College van B&W een plantoetsingskader met puntensysteem en specifieke richtlijnen aan om natuurinclusieve doelen consistent en effectief te verwezenlijken binnen alle relevante nieuwbouwprojecten.

Artikel 3 – Methodiek/Systematiek

Het plantoetsingskader geeft initiatiefnemers kaders voor natuurinclusief bouwen bij ruimtelijke projecten. Er is gekozen voor een puntensysteem om de creativiteit en keuzevrijheid van ontwerpers te bevorderen. Er moet altijd een minimaal aantal punten gehaald worden door verblijfsplaatsen in te bouwen én door groene maatregelen op, aan en om de woning(en) toe te passen. Daarnaast moet de ontwikkelaar ook aan de 5V’s van een aantal doelsoorten voldoen. Aan welke doelsoorten een bijdrage moet worden geleverd, wordt bepaald aan de hand van natuurwaardenkaart. Als er binnen het project naast woningen en eventueel daarbij horende tuinen ook openbare ruimte wordt ingericht (bijvoorbeeld bij een gebiedsontwikkeling), dienen daar ook natuurinclusieve maatregelen te worden getroffen. Welke maatregelen precies worden gekozen om de punten te behalen is aan de initiatiefnemer, in overleg met de gemeente.

 

Om te bepalen hoe deze onderdelen worden gewaarborgd, hanteert het College van B&W de volgende toetsingsvoorwaarden:

  • 1.

    De projectgrootte bepaalt het minimaal verplichte aantal doelsoorten waarvoor habitat gerealiseerd moeten worden. Projecten kunnen zich richten op extra doelsoorten, mits voor elke soort een volledig habitat wordt gecreëerd dat voldoet aan alle overlevingsvoorwaarden (de 5V’s). De soorten kunnen worden gekozen uit de voorkeurslijst van doelsoorten per buurt.

    Plangebied (perceelgrootte)

    Projectcategorie

    Minimaal aantal doelsoorten

    50-500 m2

    Klein project

    1

    50-2.000 m2

    Middelgroot project

    2

    >2.000 m2

    Groot project

    3

  • 2.

    Per 100 m2 bebouwd oppervlak wordt minimaal één nest- of verblijfplaats ingebouwd. Voor gebouwen hoger dan 15 meter zijn dit er minimaal twee per 100 m2 bebouwd oppervlak. Daarnaast moet ieder project in het inrichtingsplan een minimaal aantal punten behalen met natuurinclusieve maatregelen. Het aantal punten wordt bepaald aan de hand van de grootte en het type werkzaamheden (nieuwbouw of ingrijpende renovatie). De gekozen maatregelen moeten in lijn zijn met de gekozen doelsoorten.

     

    Minimaal aantal punten per 100 m2 plangebied

    Nieuwbouw of sloop-nieuwbouw

    2

    Ingrijpende renovatie

    1

  • 3.

    Maatregelen mogen nooit ten koste gaan van de hoofdgroenstructuren die zijn vastgesteld in het Groenbeleid Rijswijk.

  • 4.

    Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning moeten alle details worden vastgelegd in het plantoetsingsformulier met puntensysteem en worden ingediend bij de gemeente.

  • 5.

    Het ingevulde plantoetsingsformulier met puntensysteem wordt beoordeeld door de ecoloog bij de gemeente.

Artikel 4 - Afwijkingsmogelijkheden

Het College van B&W biedt enkel bij locaties waar geen mogelijkheid is om openbare ruimte in te richten, de mogelijkheid om af te wijken van de voorwaarden zoals het minimaal te behalen aantal punten, zoals benoemd in artikel 3. Hierbij beoordeelt het College van B&W op basis van plaatsgebonden omstandigheden of en in hoeverre afwijken noodzakelijk is en wordt er een zorgvuldige onderbouwing gevraagd. In deze onderbouwing kan er, in overleg met de gemeente, gekeken worden naar de volgende alternatieven om alsnog aan de natuurinclusieve doelstellingen te voldoen:

  • A.

    Of het ontbrekende oppervlak aan natuur kan worden gecompenseerd binnen het eigen terrein (tuin) of op of aan gebouwen (daken en gevels) binnen het projectgebied. Dit is op kosten van de ontwikkelende partij;

  • B.

    Of het ontbrekende oppervlak aan natuur gerealiseerd kan worden in de directe nabijheid van het project, bij voorkeur in dezelfde straat of buurt. Dit is op kosten van de ontwikkelende partij;

  • C.

    Of er ruimte is voor het ontbrekende oppervlak aan natuur op een door de gemeente aangewezen locatie. Waarbij in de maatregelen rekening wordt gehouden met een eventueel andere doelsoort die bij die locatie past. Dit is op kosten van de ontwikkelende partij;

  • D.

    Of een financiële compensatie kan worden overeengekomen, waarbij de bijdrage wordt aangewend voor natuurinclusieve maatregelen elders binnen de gemeente. Waarbij in de maatregelen rekening wordt gehouden met een eventueel andere doelsoort die bij die locatie past. De kosten van de compensatie zijn dus afhankelijk van de aangewezen maatregelen en kunnen per project verschillen. Dit is op kosten van de ontwikkelende partij.

Het College van B&W volgt een volgorde van voorkeur bij afwijkingsverzoeken: eerst wordt gekeken naar optie A, vervolgens B, daarna C en als laatste optie D, waarbij de compensatie steeds verder van het projectgebied kan plaatsvinden.

 

Indien geen van de bovengenoemde opties haalbaar is om aan de natuurinclusieve vereisten te voldoen, kan het College van B&W, in het geval van andere (zwaarwegende) belangen, besluiten om (gedeeltelijk) vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 5 - Overgangsregeling

Het plantoetsingskader met puntensysteem, zoals beschreven in artikel 3, is na inwerkingtreding niet van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd óf contractueel al afspraken zijn gemaakt over natuurinclusiviteit, zoals in anterieure overeenkomsten, in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Beleidsregel Natuurinclusief Plantoetsingskader gemeente Rijswijk.

Artikel 6 - Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking.

de secretaris,

P.M. Schuit

de burgemeester,

H. Sahin

Toelichting Beleidsregel Natuurinclusief Plantoetsingskader gemeente Rijswijk

Inleiding

De gemeente Rijswijk staat voor de uitdaging én de ambitie om haar groene karakter te behouden en verder te versterken. Groen is belangrijk voor de gezondheid van de inwoners, het zorgt voor meer biodiversiteit, het vermindert hittestress en verbetert wateropvang in de stad. Bij alle vormen van herinrichting, renovatie en nieuwbouw zoeken we daarom actief naar ruimte voor natuur, zowel in de openbare ruimte als op, aan en in gebouwen. Deze beleidsregel stelt hiervoor duidelijke kaders, door middel van een plantoetsingskader met puntensysteem. Zo worden projectontwikkelaars gestimuleerd om natuurinclusieve maatregelen toe te passen, zoals groene daken, gevelgroen, nestvoorzieningen en het gebruik van inheemse beplanting, die aansluiten bij de doelsoorten in hun buurt. De natuurwaardenkaart in het Groenbeleid helpt bij het kiezen van de juiste matregelen per buurt.

 

Met deze beleidsregel Natuurinclusief Plantoetsingskader geven wij concreet invulling aan het vastgestelde Groenbeleid Rijswijk om een programma van eisen voor de inrichting van stadsnatuur te handhaven. Daarnaast geeft deze beleidsregel inrichting aan de doelstellingen uit de Omgevingsvisie Rijswijk: het ontwikkelen van een stad die functioneert als een goed werkende stadsbiotoop, waar mensen, planten en dieren een thuis vinden.

 

Doel en Ambitie

De gemeente Rijswijk stelt zich tot doel om natuurinclusief bouwen en inrichten te bevorderen als een integraal onderdeel van ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor biodiversiteit binnen projectlocaties wordt vergroot. Daarom streeft het College van B&W met deze beleidsregel naar het:

  • A.

    Behoud en versterking van bestaande natuur;

  • B.

    Verbeteren van de groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving van het plangebied;

  • C.

    Voldoende ruimte voor diverse natuurtypen;

  • D.

    Verbeteren van de basiskwaliteit natuur door habitatrealisatie aan de hand van de doelsoorten benoemd in de natuurwaardenkaart.

Verder dragen de maatregelen bij aan:

  • E.

    De klimaatbestendigheid van het projectgebied;

  • F.

    De gezondheid en het welzijn van bewoners.

Juridische status en toepasbaarheid

Deze beleidsregel wordt momenteel uitsluitend gebruikt als stimulans voor ontwikkelaars om natuurinclusieve maatregelen toe te passen. Het betreft een tijdelijke oplossing totdat de beleidsregel kan worden opgenomen in het omgevingsplan. Omgevingsvergunningen kunnen op basis van deze beleidsregel daarom niet worden afgewezen. Zodra de beleidsregel is opgenomen in het omgevingsplan, wordt naleving wel een formele vereiste. De gemeente streeft ernaar dit zo snel mogelijk te realiseren in een van de eerstvolgende versies van het omgevingsplan.

Naar boven