Financiële verordening - Gemeente Dantumadiel (2025)

 

Inleiding

De Financiële verordening is opgesteld om invulling te geven aan artikel 212 van de Gemeentewet. De Financiële verordening is een lokale aanvulling op de geldende wetten en regels waaronder de Gemeentewet, het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV), de Wet financiering decentrale overheden (FIDO) en de Wet houdbare overheidsfinanciën (HOF).

 

Artikel 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd

  • b.

    Begroting: jaarlijks stelt de gemeenteraad een begroting vast waarin hij financiële middelen beschikbaar stelt voor de realisatie van taken en activiteiten alsmede de verwachte financiële middelen die hiervoor beschikbaar zijn.

  • c.

    Budgetrecht: op grond van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen hij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt.

  • d.

    doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen.

  • e.

    doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald

  • f.

    Investeringskrediet: de financiële middelen die beschikbaar zijn gesteld voor het doen van een investering in een kapitaalgoed.

  • g.

    Jaarstukken: in de jaarstukken legt het college verantwoording af over de uitvoering van de vastgestelde begroting. De jaarstukken bestaan uit de jaarrekening (financieel) en het jaarverslag (beleid).

  • h.

    Rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheer handelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

  • i.

    Tussentijdse rapportage: in de tussentijdse rapportage wordt gedurende het begrotingsjaar gerapporteerd over de realisatie van de begroting.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  • 3.

    De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

  • 5.

    Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde goederen en diensten (output) en de maatschappelijke effecten (outcome), zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

  Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead de baten en lasten weergegeven.

  • 2.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 4.

    In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 100.000 afzonderlijk gespecificeerd.

  • 5.

    In de jaarrekening wordt de uitputting van de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten en de geautoriseerde investeringskredieten weergegeven.

  • 6.

    Het college is bevoegd om na de jaarovergang door te gaan met de uitvoering van nog niet afgesloten investeringskredieten. Restant kredieten worden overgehaald naar het volgende begrotingsjaar.

  • 7.

    Het college is bevoegd om na de jaarovergang door te gaan met de uitvoering van eenmalige projecten of -activiteiten welke gedekt worden vanuit een reserve. Zowel het restantkrediet als de onttrekking aan de reserve wordt overgehaald naar het volgende begrotingsjaar.

  • 8.

    De overheveling van de kredieten naar het volgende begrotingsjaar, zoals bedoeld in lid 6 en 7, vindt plaats middels een begrotingswijziging bij de eerste tussentijdse rapportage.

Artikel 4. Kaders begroting

  • 1.

    Het college biedt voor 1 juli aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 15 juli vast.

  • 2.

    In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.

  • 3.

    Eens per raadsperiode biedt het college de raad een collegeprogramma aan.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2.

    Bij de begrotingsbehandeling kan de raad aangeven van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3.

    Het college is bevoegd Onvoorziene, Onuitstelbare en Onvermijdelijke (3 O’s) eenmalige lasten te dekken uit het bedrag voor onvoorzien en meldt dit achteraf bij de rapportages.

  • 4.

    Het college informeert de raad wanneer de lasten van een programma of een investeringskrediet dreigen te overschrijden met een bedrag groter dan € 100.000. Dat zelfde geldt wanneer de baten van een programma met een bedrag groter dan € 100.000 dreigen te onderschrijden. De bijstelling van beleid en/of financiën wordt meegenomen in de eerstvolgende tussentijdse rapportage.

  • 5.

    Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, eerste lid, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

  • 6.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

  • 7.

    Indien niet begrote subsidies kunnen worden gerealiseerd waartegenover niet begrote uitgaven komen te staan:

  • a.

    kunnen door het college deze uitgaven worden gedaan en worden de niet begrote inkomsten en uitgaven vervolgens bij de eerstvolgende tussentijdse rapportage aan de raad, mits de subsidie en bijbehorende uitgaven passen binnen de programmadoelstellingen en de uitgaven worden gedekt door de inkomsten.

  • b.

    dient het college, indien niet wordt voldaan aan lid a, via een raadsvoorstel en toestemming aan de raad te vragen alvorens zij over kan gaan tot die uitgaven

Artikel 6. Tussentijdse rapportages

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste vier maanden en de eerste acht maanden van het lopende boekjaar.

  • 2.

    De tussentijdse rapportages bevatten in ieder geval een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen

    • c.

      het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

    • d.

      het totale saldo van de baten en lasten, volgend uit de onderdelen a, b en c;

    • e.

      de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • f.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e;

    • g.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten, en

  • 3.

    In de tussentijdse rapportages en in de jaarrekening worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van de saldo’s van de programma’s en op investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 toegelicht, met handhaving van de doelstellingen zoals die bij de begroting zijn gesteld.

Artikel 7. Jaarstukken

  • 1.

    Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

  • 2.

    Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel kan het college de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Het college biedt dit voorstel uiterlijk in december van het betreffende jaar aan de raad aan.

  • 3.

    In de jaarstukken worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van programma’s en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 toegelicht.

  •  

Artikel 8. Informatieplicht

  • 1.

    Het college besluit niet over:

  • a.

    de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 25.000;

  • b.

    het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 25.000, en

  • c.

    het verstrekken van kapitaal aan derden,

dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

  • 2.

    Bij het verstrekken van het onder lid b en lid c genoemde wordt ten laste van het weerstandsvermogen een bedrag gebracht ter grootte van het risico dat de gemeente met het verstrekte geld loopt.

Artikel 9. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

  Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 1% van de totale lasten van de gemeente, exclusief toevoegingen aan de reserves.

  • 3.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 100.000 toegelicht.

  •  

Artikel 11. Voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2.

    Het college biedt de raad jaarlijks uiterlijk op 1 november ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 12 Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

  • a.

    Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.

  • b.

    Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

  • c.

    De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage .

    • 5.

      Overschrijdingen van baten en onderschrijdingen van baten, lasten en investeringskredieten zijn rechtmatig mits tijdig gemeld. Tijdig melden is in beginsel voor 31 december van het betreffende begrotingsjaar. Het toelichten van de afwijking in de jaarstukken van het betreffend begrotingsjaar wordt eveneens als tijdig beschouwd.

    • 6.

      Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

Artikel 13 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2.

    Het college zorgt voor regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen en legt deze vast.

  Hoofdstuk 4. Financieel beleid

Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa

Materiële en immateriële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de Bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

Artikel 15. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

  • 2.

    Voor openstaande vorderingen betreffende:

    • a.

      onroerendezaakbelasting;

    • b.

      rioolheffing;

    • c.

      afvalstoffenheffing;

    • d.

      bijstandsverstrekking;

    • e.

      toeristenbelasting;

    • f.

      leges

wordt, met uitzondering van bijzondere gevallen, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een openstaande vorderingenanalyse.

Artikel 16. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval:

  • a.

    de vorming en besteding van reserves;

  • b.

    de vorming en besteding van voorzieningen.

    • 2.

      Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt in ieder geval aangegeven:

  • a.

    het specifieke doel van de reserve;

  • b.

    de voeding van de reserve;

  • c.

    de maximale hoogte van de reserve, en

  • d.

    de verwachte looptijd.

Artikel 17. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken, perceptiekosten en kosten voor straatreiniging meegenomen.

  • 3.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van leges, rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden geldt het volgende. De overhead wordt aan de teams toegerekend op basis van het aantal fte’s in de formatie van de teams. Vervolgens wordt de overhead verdeeld over de belangrijkste taakvelden waar deze teams werkzaam voor zijn. Deze verdeling wordt gedaan op basis van de begrote omzet van de taakvelden waaraan gewerkt wordt. Bij deze producten worden de overheadkosten verdeeld op basis van begrote uren.

  • 4.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt eventueel verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

  • 6.

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

Artikel 18. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1.

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, leges en vergelijkbare heffingen.

  • 2.

    Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de tarieven voor erfpachten. Deze nota wordt door de raad vastgesteld.

  • 3.

    Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en tarieven voor erfpachten, die afwijkt van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan de raad.

Artikel 20. Financieringsfunctie

Het college bied de raad eens in de vier jaar een treasurystatuut aan. Dit statuut wordt door de raad vastgesteld en behandelt de werkwijze omtrent het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal.

Hoofdstuk 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken

Artikel 21. Lokale heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht.

Artikel 22. Financiering

In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 17, vierde lid.

  • b.

    de kasgeldlimiet;

  • c.

    de renterisiconorm;

  • d.

    de omvang en samenstelling van het vreemd vermogen;

  • e.

    de omvang en samenstelling van de uitzettingen;

  • f.

    de huidige liquiditeitspositie;

  • g.

    de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende drie jaar;

  • h.

    de rentekosten en renteopbrengsten verbonden aan de financieringsfunctie;

  • i.

    het gemeentelijk EMU-saldo.

Artikel 23. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Het college neemt in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval een beoordeling van het weerstandsvermogen op in relatie tot de vastgestelde nota risicomanagement en weerstandsvermogen

Artikel 24. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in ieder geval de verplichte onderdelen op, op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, alsmede de voortgang van het geplande onderhoud en de omvang van het achterstallig onderhoud.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan wegen aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud voor de wegen en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

  • 3.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud voor de gemeentelijke gebouwen en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

  • 4.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering, de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

  • 5.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan kunstwerken aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

  • 6.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan openbare verlichting aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

Artikel 25. Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;

  • b.

    de kosten van inhuur derden;

  • c.

    de huisvestingskosten;

  • d.

    de automatiseringskosten;

  • e.

    de kosten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant;

  • f.

    een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheids-verantwoording zijn opgenomen voor zover deze de rapportagegrens, zoals bedoeld in artikel 9 lid 3 overschrijden en welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen.

Artikel 26. Verbonden partijen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen in ieder geval de verplichte onderdelen op, op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 27. Grondbeleid

  • 1.

    In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op, op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:

  • a.

    de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

  • b.

    te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

  • c.

    het verloop van de grondvoorraad;

  • d.

    de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 28. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

  • b.

    b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten e.d. ;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 29. Financiële organisatie

Het college draagt zorg voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

  Artikel 30. Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 24 onder f. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vier jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 31.

Intrekking oude regeling

De Financiële verordening Dantumadiel 2023 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt, met terugwerkende kracht, in werking op 1 januari 2025.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Dantumadiel 2025.

     

Bijlage Afschrijvingsbeleid

  • 1.

    Vaste activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd en ten laste gebracht van de exploitatie.

  • 2.

    Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd en er wordt niet op afgeschreven. Gronden en terreinen vormen daarmee een uitzondering op artikel 14 en lid 1 van de bijlage Afschrijvingsbeleid.

  • 3.

    De eerste afschrijving vindt plaats in het jaar volgend op het jaar waarin het actief in gebruik is genomen. De rente gaat lopen vanaf het moment dat er sprake is van een boekwaarde op 1-1 van een jaar.

  • 4.

    De gemeente hanteert voor nieuwe investeringen de lineaire afschrijvingsmethodiek. Indien goed gemotiveerd mag er gekozen worden voor de annuïtaire afschrijvingsmethodiek.

  • 5.

    Vervangingsinvesteringen worden tegen actuele waarde als krediet in de begroting opgenomen. Als de actuele waarde niet bekend is wordt de historische kostprijs geïndexeerd volgens de jaarmutatie CPI van het CBS.

  • 6.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 7.

    Het uitgangspunt bij het bepalen van de afschrijvingstermijn van een actief is de verwachte economische levensduur. In onderstaande tabel is de maximale afschrijvingstermijn per actief opgenomen. Het besluit tot een afwijkende maximale afschrijvingstermijn kan in individuele gevallen worden genomen door de gemeenteraad.

Tabel 1, Maximale afschrijvingstermijnen per actief

Actief

Afschrijvingstermijn

Gebouwen (excl. Onderwijs)

Gronden en terreinen

Geen afschrijving

Gebouwen

40 jaar

Gebouwen overig

Verbouwing

25 jaar

Renovatie (levensduurverlengend)

25 jaar

Houten tijdelijke gebouwen

15 jaar

Bliksemafleiders

10 jaar

Energiebesparende maatregelen

15 jaar

Installaties en dergelijke

Lichtinstallaties

30 jaar

Lichtdrukmachines / archiefsystemen

10 jaar

Telefooninstallaties / bekabeling data- en telecomnet

8 jaar

Tractiemiddelen

Bedrijfswagens (< 2000 kg)

10 jaar

Vrachtwagens (> 2000 kg)

10 jaar

Kolkenzuigers

12 jaar

Shovels

10 jaar

Tractoren

10 jaar

Veegmachines

10 jaar

Maaimachines

8 jaar

Schaftwagens en aanhangwagens

10 jaar

Randapparatuur

6 jaar

Werktuigdrager

5 jaar

Materieel gladheidsbestrijding (Zoutstrooiers e.d.)

15 jaar

Containerbakken (voor op vrachtwagens

15 jaar

Inventaris e.d.

Bureaustoelen

10 jaar

Bureau’s, kasten, balie etc.

15 jaar

Keuken- en kantoorapparatuur

15 jaar

Stemhokjes

5 jaar

Immateriële activa

Kosten geldleningen en saldo (dis)agio

Looptijd lening

Kosten onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief

5 jaar

Automatisering

Systemen (software)

8 jaar

Apparatuur (hardware)

7 jaar

Stemcomputers

10 jaar

Belastingen/Ruimtelijke Ordening

Elektronische (basis)kaarten

10 jaar

Onderwijsvoorzieningen

Bouw onderwijsgebouwen

40 jaar

Renovatie onderwijsgebouwen

25 jaar

1e inrichting

40 jaar

Noodlokalen

15 jaar

Materiële instandhouding

10 jaar

Sportvoorzieningen

Aanleg sportvelden / overige accommodaties

25 jaar

Inrichting en apparatuur sportaccommodaties

20 jaar

Gymnastiekmaterialen

15 jaar

Speelterreinen

Aanleg/inrichting

25 jaar

Toestellen

15 jaar

Wegen, straten en pleinen

Aanleg/reconstructie/herinrichting

25 jaar

Straatverlichting

Masten

40 jaar

Armaturen

25 jaar

Mast en armatuur een geheel

25 jaar

Kunstwerken (bruggen, viaducten e.d.)

25 jaar

Parkeerautomaten en –meters

10 jaar

Straatmeubilair

15 jaar

verkeerslichten / belijningmachines / geluidmeetapperatuur

10 jaar

Waterbeheer

Aanleg vaarten / vijverpartijen

25 jaar

Haven- en sluiswerken

25 jaar

Beschoeiingen / overige voorzieningen

20 jaar

Parken, plantsoenen en tuinen

Aanleg (inclusief beplanting)

25 jaar

Riolering

Aanleg en vervanging riolering

40 jaar

 

 

Naar boven