Beleidsregel cameratoezicht handhaving openbare orde gemeente Apeldoorn 2025

Cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet

 

DE BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE APELDOORN

 

overwegende dat:

  • de burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde en in dat kader bevoegd is tot de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen;

  • het Openbaar Ministerie, in het bijzonder de officier van justitie, richting de burgemeester een adviserende rol vervult bij de besluitvorming omtrent de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen;

  • de politie verantwoordelijk is voor de operationele uitvoering van het cameratoezicht en belast is met verwerking van camerabeelden conform de Wet politiegegevens.

Verklaart hierbij de volgende beleidsregel vast te stellen:

 

Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    Burgemeester: de burgemeester van de gemeente Apeldoorn;

  • b.

    APV: Algemene Plaatselijke Verordening 2014 (van de gemeente Apeldoorn);

  • c.

    Openbare plaatsen: alle locaties die ingevolge artikel 1:1 lid 9 van de APV als zodanig zijn aangewezen en derhalve krachtens bestemming of vast gebruik voor het publiek toegankelijk zijn, met uitzondering van private terreinen en niet-openbare gebouwen;

  • d.

    Cameratoezicht op openbare plaatsen: het door de burgemeester op grond van artikel 151c van de Gemeentewet en de APV ingestelde cameratoezicht op openbare plaatsen, gericht op de handhaving van de openbare orde;

  • e.

    Aanwijzingsbesluit: het door de burgemeester genomen besluit tot aanwijzing van een openbare plaats voor de toepassing van cameratoezicht;

  • f.

    Betrokkene: een natuurlijk persoon op wie de verwerking van persoonsgegevens betrekking heeft, waaronder personen die op enigerlei wijze door middel van cameratoezicht worden gefilmd of waarvan beeldgegevens worden vastgelegd;

  • g.

    Camerabeelden: de in het kader van cameratoezicht vastgelegde beeldgegevens, inclusief gerelateerde gegevens en metadata, ten behoeve van de handhaving van de openbare orde;

  • h.

    Wpg: de Wet politiegegevens;

  • i.

    Politiegegevens: alle gegevens die in het kader van de uitvoering van de politietaak worden verwerkt, zoals bedoeld in artikel 1, onder a van de Wpg;

  • j.

    Verwerken van politiegegevens: elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot politiegegevens of een geheel van politiegegevens, al dan niet uitgevoerd op geautomatiseerde wijze, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, afschermen of vernietigen van politiegegevens;

  • k.

    DPIA: een gegevensbeschermingseffectbeoordeling, ook wel een Data Protection Impact Assessment genoemd, zoals bedoeld in artikel 4c van de Wpg, strekkende tot de beoordeling van de gevolgen van een voorgenomen verwerking van politiegegevens, met het oog op de bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen;

  • l.

    BIO: de Baseline Informatiebeveiliging Overheid.

Artikel 2 Inleiding

De gemeente Apeldoorn beschouwt veiligheid als een kernwaarde en ziet dit als een noodzakelijke voorwaarde voor het welzijn en de ontplooiing van haar inwoners en ondernemers. Een veilige leefomgeving vormt niet alleen de basis voor een goed functionerende samenleving, maar draagt tevens bij aan de bredere welvaart die de gemeente Apeldoorn nastreeft.

 

In dat kader is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde en het bevorderen van een veilige leefomgeving. Onder handhaving van de openbare orde wordt verstaan het voorkomen of beëindigen van situaties die een verstoring vormen van de veiligheid, de rust of het normale functioneren van het openbare leven binnen de gemeente Apeldoorn. Dit betreft onder meer ernstige overlast, geweldsincidenten, vernielingen of andere gedragingen die inbreuk maken op de openbare orde.

 

Ter uitvoering van deze verantwoordelijkheid maakt de burgemeester gebruik van uiteenlopende handhavingsmiddelen. Eén van de instrumenten die in dat verband kan worden ingezet, is cameratoezicht op openbare plaatsen. Cameratoezicht op openbare plaatsen wordt in dit verband beschouwd als een aanvullend bestuurlijk instrument, dat door de burgemeester wordt toegepast wanneer de aard en ernst van een situatie zodanig zijn dat inzet van toezicht met behulp van camera’s noodzakelijk wordt geacht.

 

Cameratoezicht kan zowel structureel als tijdelijk worden ingezet. Afhankelijk van de aard en de urgentie van de problematiek in een bepaald gebied binnen de gemeente kunnen camera’s op zowel vaste locaties worden geplaatst als mobiel worden ingezet, bijvoorbeeld in de vorm van een drone.

 

Structureel cameratoezicht is aan de orde op plaatsen waar de handhaving van de openbare orde een voortdurende uitdaging vormt en langdurige inzet noodzakelijk wordt geacht. Tijdelijk cameratoezicht kan daarentegen worden ingesteld bij specifieke veiligheidsrisico’s, zoals bij evenementen, acute dreigingen of tijdelijke overlastsituaties.

 

De inzet van cameratoezicht is maatwerk en berust op een zorgvuldige afweging. Daarbij worden de aard en omvang van de problematiek en de specifieke kenmerken van de openbare plaats expliciet betrokken. Voor de toepassing van cameratoezicht hanteert de burgemeester bestuurlijke afwegingskaders, die in deze beleidsregel nader zijn uitgewerkt. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt op welke gronden en binnen welke randvoorwaarden cameratoezicht kan worden ingezet.

 

Het doel van deze beleidsregel is om duidelijkheid te verschaffen over de voorwaarden die gelden bij de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen in het kader van de handhaving van de openbare orde.

Artikel 3 De reikwijdte

Deze beleidsregel is uitsluitend van toepassing op het cameratoezicht op openbare plaatsen dat door de burgemeester wordt ingezet ter handhaving van de openbare orde op grond van artikel 151c Gemeentewet.

 

De inzet van cameratoezicht waarvoor een ander doel geldt dan de handhaving van de openbare orde, valt buiten de reikwijdte van deze beleidsregel. Deze andere doelen zien onder meer op, maar niet uitsluitend:

  • -

    Cameratoezicht dat primair is gericht ter bescherming gemeentelijke eigendommen;

  • -

    Cameratoezicht dat wordt toegepast in het kader van verkeershandhaving of verkeersmanagement;

  • -

    Cameratoezicht ten behoeve van de bewaking van vitale infrastructuur of andere voorzieningen.

Voor al deze vormen gelden afzonderlijke wettelijke bepalingen en specifieke verantwoordelijkheden, die niet onder de toepassing van deze beleidsregel vallen.

Juridisch kader en betrokken partijen

Artikel 4 Het wettelijk kader

De inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen door de burgemeester vindt zijn juridische grondslag in artikel 151c, eerste lid, van de Gemeentewet. Deze bepaling biedt de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening vast te leggen dat het bestuursorgaan burgemeester, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde, cameratoezicht kan inzetten op voor het publiek toegankelijke plaatsen.

 

De gemeenteraad van de gemeente Apeldoorn heeft deze bevoegdheid nader uitgewerkt in de APV, specifiek in de artikelen 2:77 tot en met 2:77D van de APV. Hierin zijn de voorwaarden vastgelegd waaronder het bestuursorgaan burgemeester kan besluiten tot aanwijzing van een gebied voor cameratoezicht, alsmede de procedurele en inhoudelijke vereisten die aan een dergelijk besluit zijn verbonden.

 

Ten aanzien van de verwerking van de camerabeelden geldt dat deze, conform artikel 151c, achtste en negende lid, van de Gemeentewet, worden aangemerkt als politiegegevens in de zin van de Wpg. De politie is in dit verband aan te merken als verwerkingsverantwoordelijke.

 

Op basis van deze drieledige wettelijke basis – te weten artikel 151c van de Gemeentewet, de relevante bepalingen van de APV en de Wpg – is het bestuursorgaan burgemeester bevoegd tot het instellen van cameratoezicht op openbare plaatsen ter handhaving van de openbare orde, waarbij de politie verantwoordelijk is voor het verwerken van de camerabeelden.

Artikel 5 De betrokken partijen en diens verantwoordelijkheden

De burgemeester is bestuurlijk eindverantwoordelijk voor het cameratoezicht. Deze verantwoordelijkheid strekt zich uit over het gehele proces en omvat zowel het besluit tot het instellen van cameratoezicht op openbare plaatsen, de beoordeling van de effectiviteit gedurende de looptijd van het cameratoezicht, alsmede de uiteindelijke besluitvorming over de beëindiging daarvan. De uitvoering van de werkzaamheden die voortvloeien uit dit besluit is binnen de ambtelijke organisatie belegd bij de afdeling Veiligheid van de gemeente Apeldoorn.

 

Het beheer en de technische uitvoering van het cameratoezicht is uitbesteed aan een externe partij, waarmee de gemeente Apeldoorn een overeenkomst heeft afgesloten.

 

Het Openbaar Ministerie, in het bijzonder de officier van justitie, is verantwoordelijk voor het bewaken van de strafvorderlijke belangen en vervult in dat kader een adviserende rol richting de burgemeester. Voorafgaand aan het besluit tot inzet van cameratoezicht op een openbare plaats wint de burgemeester dan ook advies in bij de officier van justitie. Dit advies richt zich op de vraag of het voorgenomen cameratoezicht binnen een specifiek gebied verenigbaar is met lopende strafrechtelijke onderzoeken of andere strafvorderlijke belangen.

 

De politie is, zoals eerder aangegeven, in dit kader verantwoordelijk voor de operationele uitvoering van het cameratoezicht op openbare plaatsen. Dit omvat onder meer het beheer en gebruik van de camerabeelden, het real-time volgen van de beelden en de verwerking van de verkregen gegevens uit de camerabeelden. In dit kader is de korpschef van de politie aan te merken als verwerkingsverantwoordelijke. Dit betekent dat de politie verantwoordelijk is voor de verwerking van de camerabeelden, inclusief de opslag, raadpleging, verstrekking en de vernietiging van deze gegevens.

Doel en vormen van cameratoezicht

Artikel 6 Het doel van cameratoezicht

De burgemeester zet cameratoezicht op openbare plaatsen in met als doel het handhaven van de openbare orde en het bevorderen van de veiligheid binnen de gemeente Apeldoorn. Cameratoezicht op openbare plaatsen wordt in dit verband beschouwd als een aanvullend bestuurlijk instrument, dat door de burgemeester wordt toegepast wanneer de aard en ernst van een situatie zodanig zijn dat inzet van toezicht met behulp van camera’s noodzakelijk wordt geacht.

 

De inzet van cameratoezicht dient in dit verband twee hoofddoelstellingen. Enerzijds is cameratoezicht gericht op het realiseren van een preventieve werking, door middel van de zichtbare aanwezigheid van camera’s die een afschrikkend effect kunnen hebben op gedragingen die de openbare orde dreigen te verstoren. Anderzijds vervult cameratoezicht een repressieve en ondersteunende functie, in het bijzonder door het leveren van beeldmateriaal dat kan worden gebruikt bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten, en bij een gerichte aanpak van incidenten of verstoringen van de openbare orde. Cameratoezicht vormt daarmee een doelgericht en aanvullend middel binnen het bredere handhavingsinstrumentarium van de burgemeester.

Artikel 7 De vormen van cameratoezicht

De burgemeester past cameratoezicht op openbare plaatsen toe in twee vormen, te weten structureel en tijdelijk. De keuze voor de toe te passen vorm van cameratoezicht is afhankelijk van de aard, ernst en duur van de problematiek binnen het betreffende gebied.

 

Structureel cameratoezicht wordt toegepast in openbare gebieden die daartoe expliciet zijn aangewezen in artikel 2:77A van de APV. Indien de burgemeester van oordeel is dat structureel toezicht noodzakelijk is op een locatie die nog niet als zodanig is aangewezen, vraagt hij zoals beschreven in artikel 2:77C lid 1 van de APV instemming van de gemeenteraad door een gemotiveerd voorstel in te dienen tot wijziging van artikel 2:77A van de APV. Een dergelijk voorstel komt slechts in aanmerking wanneer sprake is van herhaaldelijke overlast of een structureel patroon van strafbare feiten, de aanhoudende aanwezigheid van ernstige overlast leidt tot een blijvende verstoring van de openbare orde, én wanneer aanvullende toezichtmaatregelen noodzakelijk worden geacht ter bescherming van de leefbaarheid en veiligheid binnen het betreffende gebied.

 

Tijdelijk cameratoezicht, zoals bedoeld in artikel 2:77D van de APV, wordt uitsluitend ingezet in situaties waarin sprake is van een acute of dreigende verstoring van de openbare orde, en waarbij onmiddellijk aanvullende maatregelen nodig zijn om deze verstoring te voorkomen dan wel te beëindigen. De burgemeester kan hiertoe besluiten in uiteenlopende omstandigheden. Zo kan tijdelijk toezicht worden ingesteld voorafgaand aan, tijdens of na afloop van evenementen of betogingen, indien wordt verwacht dat een grote toeloop van bezoekers, dan wel specifieke omstandigheden of acties, aanleiding kunnen geven tot verstoringen van de openbare orde.

 

Tevens kan tijdelijk cameratoezicht worden toegepast op locaties waar feitelijk sprake is van ernstige wanordelijkheden, dan wel een concrete vrees daarvoor bestaat, en andere beschikbare maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn gebleken. Tot slot kan tijdelijk cameratoezicht worden ingezet in situaties waarbij er sprake is van langdurige en ernstige overlast en andere maatregelen onvoldoende effect hebben gehad.

 

Voor de inzet van tijdelijk cameratoezicht is geen voorafgaande instemming van de gemeenteraad vereist. Voordat het besluit tot de inzet van tijdelijk cameratoezicht wordt genomen voert de burgemeester hierover overleg met de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid van de Politiewet 2012.

Afwegingkader en uitvoeringsprocedure

Artikel 8 Het afwegingskader

De burgemeester besluit uitsluitend tot de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen indien, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, uit een gemotiveerde belangenafweging blijkt dat aan alle vereiste toetsingscriteria is voldaan. Deze beoordeling vindt plaats binnen de kaders van de noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit, effectiviteit en tijdsgebondenheid, waarbij het uitgangspunt is dat het cameratoezicht uitsluitend wordt toegepast wanneer dit in aanvulling op andere maatregelen het meest aangewezen instrument vormt ter voorkoming dan wel beëindiging van een (dreigende) verstoring van de openbare orde.

 

De burgemeester stelt in dat kader vast dat sprake is van een zodanige inbreuk op de openbare orde of een reële dreiging daarvan, dat de inzet van cameratoezicht gerechtvaardigd is. Daarbij beoordeelt de burgemeester of de maatregel in redelijke verhouding staat tot de ernst en duur van de te bestrijden problematiek, en of andere, minder ingrijpende alternatieven – zoals extra handhaving of aanpassing van de fysieke leefomgeving – geen toereikend effect (meer) bieden. Daarnaast moet uit de beschikbare informatie volgen dat cameratoezicht, naar verwachting, daadwerkelijk bijdraagt aan de bevordering van de openbare orde binnen het betrokken gebied. De burgemeester beperkt de duur van het toezicht tot hetgeen strikt noodzakelijk wordt geacht, en beëindigt de maatregel zodra het doel waarvoor deze is ingesteld, is bereikt.

 

Voor deze afweging baseert de burgemeester zich op objectieve, controleerbare gegevens, waaronder informatie afkomstig van de politie en andere relevante instanties. In dat kader betrekt de burgemeester signalen uit de samenleving die duiden op een verslechtering van de openbare orde, herhaalde overlast of een verhoogd veiligheidsrisico binnen een duidelijk afgebakend gebied.

Artikel 9 Uitvoeringsprocedure

Indien de burgemeester besluit tot het instellen van cameratoezicht, wordt dit vastgelegd in een aanwijzingsbesluit. Dit besluit bevat in ieder geval een omschrijving van de feitelijke en juridische gronden waarop de maatregel berust, de begrenzing van het gebied waarop het toezicht betrekking heeft, de doelstelling van het cameratoezicht en de duur van de toepassing.

 

De burgemeester draagt zorg voor de openbare bekendmaking van het aanwijzingsbesluit via de daarvoor officiële publicatiekanalen, zodat de getroffen maatregel voor eenieder kenbaar is. Daarnaast voorziet de burgemeester in duidelijke bebording ter plaatse, zodat personen die het desbetreffende gebied betreden worden geïnformeerd over de aanwezigheid van cameratoezicht. De nadere uitvoeringsstappen die van toepassing zijn bij het instellen, uitvoeren en beëindigen van cameratoezicht zijn nader beschreven in de interne procesbeschrijving.

Beheer en Onderhoud

Artikel 10 Beheer en Onderhoud

Het beheer en de technische uitvoering van het cameratoezicht is, zoals aangegeven in artikel 5, uitbesteed aan een externe partij. Deze partij is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van zowel de hardware als de software. Hierover zijn afspraken gemaakt in een onderhoudscontract, waarin op uitvoerend niveau is vastgelegd welke werkafspraken gelden en op welke wijze het beheer en onderhoud worden uitgevoerd.

Privacyaspecten

Artikel 11 De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen

De burgemeester draagt er bij de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen zorg voor dat de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen wordt gewaarborgd. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt daarbij als onlosmakelijk onderdeel betrokken in het besluitvormingsproces en is verankerd in het afwegingskader, zoals opgenomen in artikel 8 van deze beleidsregel. Bij iedere afweging tot inzet van cameratoezicht betrekt de burgemeester daarom expliciet de mogelijke gevolgen voor de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen, waarbij steeds een zorgvuldige verhouding wordt gezocht tussen het te beschermen belang van de openbare orde en de mate van inbreuk op individuele rechten.

 

Naast deze integrale beoordeling vooraf, ziet de burgemeester er daarnaast op toe dat bij de uitvoering van het cameratoezicht aanvullende waarborgen worden getroffen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Cameratoezicht wordt bijvoorbeeld uitsluitend toegepast binnen de grenzen van openbare plaatsen. Het maken van opnamen van privéterreinen – waaronder woningen, tuinen en andere voor het publiek niet toegankelijke percelen – is nadrukkelijk uitgesloten. Eveneens is het toepassen van heimelijk cameratoezicht uitgesloten. Cameratoezicht vindt altijd op een voor eenieder zichtbare en kenbare wijze plaats.

 

Indien zich situaties voordoen waarin delen van privéterreinen onvermijdelijk binnen het gezichtsveld van de camera’s vallen, treft de burgemeester daartoe passende maatregelen om te voorkomen dat deze zones in beeld worden gebracht. Daarbij wordt onder meer gebruikgemaakt van privacy-masking, waarmee gevoelige zones structureel aan het zicht worden onttrokken. Op deze wijze wordt geborgd dat het cameratoezicht op openbare plaatsen geschiedt met eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen.

Artikel 12 De inrichting en technische controle van het cameratoezicht

De burgemeester is, zoals eerder aangegeven, verantwoordelijk voor de aanschaf, plaatsing en technische inrichting van de apparatuur die wordt ingezet bij het cameratoezicht op openbare plaatsen. In dit kader ziet de burgemeester erop toe dat uitsluitend apparatuur en de daarbij behorende technologieën worden geselecteerd die aantoonbaar voldoen aan de geldende wettelijke en normatieve eisen op het gebied van informatiebeveiliging, waaronder de BIO.

 

Bij de selectie van het apparatuur en de daarbij behorende technologieën houdt de burgemeester verder uitdrukkelijk rekening met actuele richtlijnen van de rijksoverheid, waaronder de aanbevelingen met betrekking tot het vermijden van apparatuur afkomstig uit landen met een offensief cyberprogramma.

 

In dat verband past de burgemeester uitsluitend technologie toe die aantoonbaar voldoet aan de eisen die voortvloeien uit de Cyber Resilience Act en de Amerikaanse National Defense Authorization Act. De camera's die ingezet worden, mogen bijvoorbeeld niet beschikken over slimme technieken die zich kunnen lenen voor spionageactiviteiten dan wel een grotere inbreuk maken op de privacy, zoals gezichtsherkenning, geluidsdetectie, ingebouwde video-analyse of registratie van lichaamstemperatuur. Daarmee blijft de inbreuk op de privacy van betrokkenen beperkt.

 

Indien bij de levering, installatie of het technisch beheer van de apparatuur, dan wel van de onderliggende infrastructuur, gebruik wordt gemaakt van externe dienstverleners – zoals uiteengezet in het voorgaande artikel – waarborgt de burgemeester dat ook deze partijen voldoen aan de geldende beveiligingseisen.

 

Om de betrouwbaarheid van de ingezette apparatuur en de bijbehorende technologieën te waarborgen, laat de burgemeester periodiek technische controles uitvoeren. Deze controles zijn erop gericht vast te stellen of de getroffen maatregelen nog steeds voldoen aan de geldende normen en voldoende bescherming bieden tegen digitale dreigingen. Daarnaast laat de burgemeester ten minste eens per twee jaar een penetratie- of hacktest uitvoeren op het netwerk waarop de apparatuur is aangesloten. Deze tests zijn bedoeld om eventuele kwetsbaarheden in de technische beveiliging van de apparatuur te identificeren, zodat tijdig passende corrigerende maatregelen kunnen worden getroffen.

 

Indien uit de resultaten van een technische controle of beveiligingstest blijkt dat de getroffen maatregelen met betrekking tot de apparatuur en de daaraan verbonden technologieën niet langer voldoen aan de geldende eisen of onvoldoende bescherming bieden, laat de burgemeester onverwijld de noodzakelijke maatregelen treffen om de beveiliging van de apparatuur en bijbehorende technologieën te herstellen dan wel te versterken.

Artikel 13 De verantwoordelijkheden van de politie

De verwerking van camerabeelden die voortvloeit uit door de burgemeester ingesteld cameratoezicht op openbare plaatsen valt onder de verantwoordelijkheid van de politie. Daarbij geldt dat de politie als verwerkingsverantwoordelijke zelfstandig zorg draagt voor een verantwoorde en veilige verwerking van de beelden.

 

In dat kader neemt de politie, conform de Wpg, een aantal passende technische en organisatorische maatregelen. Zo wordt bijvoorbeeld voorafgaand aan de plaatsing van de camera’s een DPIA uitgevoerd. Deze beoordeling wordt in overleg met de burgemeester uitgevoerd en heeft tot doel de privacyrisico’s voor betrokkenen in kaart te brengen en noodzakelijke maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s vervolgens te kunnen beperken.

 

De politie draagt er, naast de hiervoor genoemde maatregelen, tevens zorg voor dat de beelden uitsluitend toegankelijk zijn voor daartoe bevoegde medewerkers en dat deze uiterlijk na vier weken worden vernietigd, tenzij de beelden noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld een strafrechtelijk onderzoek. In dat geval kunnen de beelden langer worden bewaard, maar uitsluitend zolang dit strikt noodzakelijk is voor het betreffende onderzoek.

Artikel 14 De rechten van betrokkenen

Betrokkenen die door de inzet van camera’s op beelden worden vastgelegd, beschikken over bepaalde rechten die voortvloeien uit het gebruik van camerabeelden. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om een verzoek tot inzage in de beelden of een verzoek tot vernietiging daarvan. Deze rechten zijn vastgelegd in paragraaf 4 van de Wpg.

 

Betrokkenen kunnen zich rechtstreeks wenden tot de politie met een verzoek om inzage, correctie, vernietiging of het maken van bezwaar. De politie handelt dergelijke verzoeken zelfstandig af. Indien een betrokkene een verzoek ten onrechte aan de burgemeester richt, draagt de burgemeester er zorg voor dat dit verzoek onverwijld wordt doorgeleid naar de politie, zodat het verzoek door de politie kan worden behandeld.

 

Voor zover betrokkenen het niet eens zijn met het besluit van de burgemeester om op een specifieke locatie cameratoezicht in te stellen, kunnen zij op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar maken tegen het aanwijzingsbesluit voor het betreffende gebied. Dit bezwaar ziet uitsluitend op de bestuurlijke maatregel tot inzet van cameratoezicht, en staat los van de verwerking van de camerabeelden, waarvoor de politie verantwoordelijk is.

Evaluatie, financiën en herziening

Artikel 15 De periodieke voortgangsrapportage

De burgemeester stelt periodiek vast of de inzet van cameratoezicht nog gerechtvaardigd en doelmatig is. Hiertoe maakt de burgemeester gebruik van daarvoor bestemde evaluatie-instrumenten.

 

Structureel cameratoezicht wordt daartoe geëvalueerd binnen een termijn van vier jaar na de aanvang van de maatregel, conform artikel 2:77B, tweede lid, van de APV. Halverwege deze periode vindt een tussentijdse evaluatie plaats.

 

Bij de evaluatie wordt ten minste beoordeeld of het toezicht nog steeds als passende maatregel kan worden beschouwd in het licht van de handhaving van de openbare orde. Daarbij voert de burgemeester wederom met de officier van justitie en de politie, om gezamenlijk te beoordelen of de maatregel in verhouding staat tot het beoogde effect, en of aanpassing, voortzetting of beëindiging aan de orde is. Tevens wordt in het evaluatieverslag aandacht besteed aan de aspecten van privacy en schijnveiligheid, zoals voorgeschreven in artikel 2:77b, derde lid, van de APV.

 

Tijdelijk cameratoezicht wordt geëvalueerd voordat de maximale looptijd van één jaar is verstreken. De burgemeester beoordeelt vervolgens of de maatregel kan worden beëindigd of dat verlenging gerechtvaardigd is op grond van de actuele situatie met betrekking tot de openbare orde. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld om de maatregel nader te begrenzen en beter af te stemmen op de situatie ter plaatse.

 

Bij de evaluatie van het cameratoezicht beoordeelt de burgemeester niet alleen of de inzet van het toezicht nog doelmatig en proportioneel is in het licht van de openbare orde, maar ook of de apparatuur in de praktijk functioneert conform de gestelde eisen. Daarbij wordt nagegaan of de technische inrichting, positionering en beveiliging van de camera’s nog voldoen aan de geldende normen, zoals bedoeld in artikel 10 van deze beleidsregel. Indien uit de evaluatie blijkt dat verbetermaatregelen nodig zijn – bijvoorbeeld naar aanleiding van de uitkomsten van technische controles of beveiligingstests – draagt de burgemeester zorg voor het treffen van passende maatregelen binnen zijn verantwoordelijkheidsdomein.

 

De verantwoordelijkheid voor de verwerking van camerabeelden, waaronder de wijze van opslag, inzage, analyse en beveiliging, berust bij de politie. Deze beoordeelt zelfstandig of de verwerking plaatsvindt conform de eisen uit de Wpg en neemt waar nodig passende maatregelen.

 

Indien de burgemeester besluit het cameratoezicht te verlengen, wordt een nieuw aanwijzingsbesluit genomen. Dit besluit wordt overeenkomstig artikel 8 van deze beleidsregel bekendgemaakt.

Artikel 16 De financiën

De uitvoering en instandhouding van het cameratoezicht op openbare plaatsen binnen de gemeente Apeldoorn brengt zowel structurele als operationele kosten met zich mee. De gemeente Apeldoorn voorziet, in opdracht van de burgemeester, in de benodigde financiële middelen teneinde de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen en daarmee het gebruik van de daarvoor vereiste apparatuur mogelijk te maken.

 

De montage, demontage en overige uitvoeringshandelingen met betrekking tot de plaatsing van tijdelijk cameratoezicht wordt, voor zover mogelijk, uitgevoerd door medewerkers van de gemeente Apeldoorn. Deze werkzaamheden worden eveneens verricht in opdracht van de burgemeester en komen derhalve voor rekening van de gemeente Apeldoorn.

 

De politie is, zoals eerder uiteengezet, belast met het uitkijken en verwerken van camerabeelden, en verricht deze werkzaamheden in het kader van haar reguliere taakuitoefening. De daaraan verbonden inzet wordt niet afzonderlijk doorbelast aan de gemeente Apeldoorn, maar komt voor rekening van de politie. Eventuele opleidingstrajecten in het kader van het gebruik van camerabeelden worden door of in overleg met de politie georganiseerd en brengen evenmin aanvullende kosten met zich mee voor de gemeente Apeldoorn.

Artikel 17 De herziening en evaluatie van deze beleidsregel

Deze beleidsregel wordt ten minste eenmaal per vijf jaar - of eerder indien noodzakelijk - beoordeeld en, indien daartoe aanleiding bestaat, aangepast. Daarbij wordt bezien of de inhoud nog aansluit op de praktijk binnen de gemeente Apeldoorn en in overeenstemming is met de geldende wet- en regelgeving.

Artikel 18 De slotbepaling

Deze beleidsregel wordt aangehaald als de ‘Beleidsregel cameratoezicht handhaving openbare orde gemeente Apeldoorn 2025’. Eerdere beleidsregels met betrekking tot cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet worden ingetrokken. De beleidsregel treedt in werking op de dag na de officiële bekendmaking.

Aldus vastgesteld op 1 december 2025

De burgemeester van Apeldoorn,

A.J.M. Heerts

Naar boven