Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

 

gelet op artikelen 4:81 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de artikelen 4.2, tweede lid, 4.3, vijfde lid onderdeel f, 5.1, eerste lid, 5.6, eerste lid, 7.2, tweede lid onderdelen c en d, en 7.5 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026,

en voorts gelet op het Convenant landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang, het Convenant landelijke toegankelijkheid beschermd wonen en het Convenant meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen bij een verhuizing,

 

b e s l u i t

  • 1.

    de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025, gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, nr. 544701, per 1 januari 2026 in te trekken,

  • 2.

    vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026.

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      centrumgemeente: een gemeente die binnen een regio de coördinatie en uitvoering van maatschappelijke opvang en beschermd wonen op zich neemt voor de omliggende gemeenten;

    • b.

      EVC-traject: een traject voor erkenning van verworven competenties, waarin werkervaringen, cursussen, kennis en vaardigheden voor erkenning worden beoordeeld;

    • c.

      nadere regels: de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg;

    • d.

      verbetertraject: het traject dat het college oplegt, zijnde een feitelijke handeling, waarin een aanbieder of een zorg- of dienstverlener een termijn wordt gegund om tekortkomingen aan wettelijke vereisten en kwaliteitseisen te verhelpen;

    • e.

      verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026;

    • f.

      wenscentrumgemeente: de centrumgemeente waar de inwoner zich wil vestigen.

  • 2.

    Andere begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht, de verordening en de nadere regels.

Artikel 2 Primaat van verhuizen

  • 1.

    Een medisch aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de verordening duurt, zonder instemming van de inwoner, niet langer dan zes maanden.

  • 2.

    Het kostenverschil tussen de woonvoorziening en de verhuiskosten als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de verordening is aanzienlijk, als deze meer is dan tienduizend euro.

  • 3.

    Bij het betrekken van de individuele omstandigheden en individuele belangen van de inwoner in de belangenafweging, wordt onder andere rekening gehouden met:

    • a.

      de sociale omstandigheden,

    • b.

      de afstemming met andere voorzieningen,

    • c.

      de werksituatie,

    • d.

      de verandering van de woonlasten, en

    • e.

      het wooncomfort.

Artikel 3 Doelgroepengebouw

Onder een doelgroepengebouw als bedoeld in artikel 4.3, vijfde lid onderdeel f, van de verordening wordt een gebouw met meerdere wooneenheden verstaan:

  • a.

    dat bestemd is voor of dat in de praktijk hoofdzakelijk wordt bewoond door een specifieke groep bewoners, zoals ouderen of gehandicapten,

  • b.

    waarvan op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen vereisten gelden in de bouw of bij een verbouw die op die doelgroep gericht zijn, en

  • c.

    waarvan door de eigenaar van dat gebouw voorzieningen getroffen moeten worden die algemeen gebruikelijk zijn voor die doelgroep.

Artikel 4 Eenmalig persoonsgebonden budget

Een persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel, een woonvoorziening, een woningsanering, een sportvoorziening of verhuis- en inrichtingskosten wordt eenmalig uitbetaald. Het college betaalt de kosten tot het maximum van het persoonsgebonden budget aan de leverancier of aan degene die de kosten voor deze voorziening reeds heeft betaald.

Artikel 5 Vaardigheden budgethouder

  • 1.

    Als een inwoner de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, dan beoordeelt het college of de inwoner beschikt over de vaardigheden die nodig zijn om op eigen kracht of met hulp uit zijn sociale netwerk in staat is om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Daarvoor beoordeelt het college of de inwoner:

    • a.

      zijn eigen situatie overziet en een duidelijk beeld heeft van de hulpvraag,

    • b.

      op de hoogte is van de regels en verplichtingen die horen bij het persoonsgebonden budget of ervan op de hoogte is hoe hij deze zelfstandig kan vinden,

    • c.

      in staat is om een overzichtelijke administratie bij te houden die de bestedingen van het persoonsgebonden budget inzichtelijk maakt,

    • d.

      voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, de zorgverzekeraar, de Sociale verzekeringsbank en de zorg- of dienstverlener,

    • e.

      in staat is om zelfstandig te handelen en onafhankelijk van een ander voor een zorg- of dienstverlener kan kiezen,

    • f.

      in staat is om afspraken te maken, deze vast te leggen en deze te verantwoorden aan de gemeente en de Sociale verzekeringsbank,

    • g.

      kan beoordelen en beargumenteren of de aan hem geleverde voorziening passend en van goede kwaliteit is,

    • h.

      de inzet van de zorg- of dienstverleners kan coördineren,

    • i.

      in staat is om als werkgever of als opdrachtgever de zorg- of dienstverlener aan te sturen,

    • j.

      over voldoende kennis, waaronder juridische kennis, beschikt over het werkgeverschap of het opdrachtgeverschap of anders weet waar hij deze kennis weet te raadplegen.

  • 2.

    Als het persoonsgebonden budget overeenkomstig artikel 4 aan de leverancier zal worden betaald, dan beoordeelt het college of de inwoner beschikt over de vaardigheden die nodig zijn om op eigen kracht of met hulp uit zijn sociale netwerk in staat is om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren aan de hand van de onderdelen a, b en g uit het eerste lid.

  • 3.

    Voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget als bedoeld in de artikelen 5.6, eerste lid, 5.9, eerste lid, of 5.10, eerste lid, van de verordening, beoordeelt het college of de inwoner beschikt over de vaardigheden die nodig zijn om op eigen kracht of met hulp uit zijn sociale netwerk in staat is om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren aan de hand van de onderdelen a, b, c, d en g uit het eerste lid.

  • 4.

    Als het college vaststelt dat de inwoner niet in voldoende mate beschikt over de vaardigheden die nodig zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, dan weigert het college de verstrekking van het persoonsgebonden budget wegens het niet voldoen aan het vereiste van artikel 2.3.6, tweede lid aanhef en onderdeel a, van de wet.

  • 5.

    Als beoogd wordt dat het persoonsgebonden budget zal worden beheerd door een vertegenwoordiger van de inwoner, dan zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6 Noodzakelijkheid persoonsgebonden budget voor keuring, reparatie, onderhoud en verzekering

Een persoonsgebonden budget voor keuring, reparatie, onderhoud of verzekering is noodzakelijk:

  • a.

    als er een wettelijke plicht bestaat voor de keuring of de verzekering van de maatwerkvoorziening,

  • b.

    als dit noodzakelijk is voor de instandhouding van de maatwerkvoorziening binnen de afschrijvingstermijn van vierentachtig maanden, of

  • c.

    als de kosten hiervan niet zijn verdisconteerd in de kostprijs van de maatwerkvoorziening.

Artikel 7 Deskundigheid professionele zorg- en dienstverleners

  • 1.

    De professionele zorg- of dienstverlener, zijn werknemer of zijn opdrachtnemer beschikt in ieder geval, voor wat hemzelf betreft, over voldoende kwalificaties en opleidingen als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid onderdelen c of d, van de verordening:

    • a.

      als hij over een diploma beschikt van een opleiding die erkend wordt door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie en die betrekking heeft op de door hem geleverde zorg of diensten, of

    • b.

      als hij over een diploma beschikt van een opleiding die in het Centraal Register Beroepsopleidingen is opgenomen en die betrekking heeft op de door hem geleverde zorg of diensten, zoals de beroepsopleiding maatschappelijke zorg of de beroepsopleiding cultureel werk, of

    • c.

      als hij over een buitenlands diploma beschikt dat door de Internationale Diplomawaardering is gewaardeerd op hetzelfde niveau als een opleiding onder a of b, en die betrekking heeft op de door hem geleverde zorg of diensten.

  • 2.

    De professionele zorg- of dienstverlener, zijn werknemer of zijn opdrachtnemer beschikt aantoonbaar over passende ervaringen als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid onderdelen c of d, van de verordening, als hij op basis van een diploma of een EVC-traject in een register van Stichting Registerplein, dat betrekking heeft op de door hem geleverde zorg of diensten, is opgenomen.

Artikel 8 Handhaving middels een verbetertraject, waarschuwing en openbaarmaking

  • 1.

    Het college kan ter handhaving van de bepalingen uit hoofdstuk 3 van de wet en het bepaalde bij en krachtens de artikelen 7.1, 7.2 en 7.4 van de verordening, naast andere handhavingsinstrumenten, een verbetertraject opleggen aan de aanbieder of zorg- of dienstverlener.

  • 2.

    Het college legt een verbetertraject uitsluitend op als dit na een belangenafweging, waarbij het algemeen belang en de belangen van de inwoner in ieder geval worden betrokken, een evenredige maatregel is. Met een verbetertraject wordt het herstel van de onrechtmatige of de voor verbetering vatbare situatie beoogd.

  • 3.

    Als het college een verbetertraject oplegt, dan stelt hij de betrokken aanbieder of zorg- of dienstverlener daarvan per brief op de hoogte. Daarin worden de geconstateerde tekortkomingen beschreven en wordt een termijn gegund om de tekortkomingen te verhelpen.

  • 4.

    Als het college in de brief een prioritering of volgorde van het verhelpen van de tekortkomingen stelt, dan gebeurt dat gemotiveerd. In afwijking van het derde lid kan dan per tekortkoming een aparte termijn worden gegund om die tekortkoming te verhelpen.

  • 5.

    De inwoner die de ondersteuning middels een persoonsgebonden budget betaalt aan de zorg- of dienstverlener wordt over het verbetertraject en de geconstateerde tekortkomingen, geïnformeerd. Bij die gelegenheid wordt de inwoner gewezen op zijn taak als budgethouder.

  • 6.

    Als het college na afloop van de gegeven termijn constateert dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, dan kan aan de zorg- of dienstverlener een schriftelijke waarschuwing worden gegeven. Daarbij krijgt hij een aanvullende termijn die hem aanspoort om zo snel mogelijk de tekortkomingen te verhelpen. Tevens wordt daarbij vermeld dat het niet in voldoende mate verhelpen van de tekortkomingen, ertoe kan leiden dat de budgethouder zijn persoonsgebonden budget niet meer bij de zorg- of dienstverlener kan besteden.

  • 7.

    In de schriftelijke waarschuwing staat vermeld dat het niet of onvoldoende verhelpen van de tekortkomingen, kan leiden tot openbaarmaking, als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet open overheid, van de bestuurlijke rapportages van de toezichthouder en de brief uit het derde lid.

  • 8.

    Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing op aanbieders. Indien blijkt dat na afloop van een gegeven termijn door de aanbieder de tekortkomingen niet of in onvoldoende mate verholpen zijn, dan wordt er in het periodiek overleg als bedoeld in artikel 7.1, derde lid, van de verordening, in samenspraak gezocht naar een oplossing.

Artikel 9 Intrekken van een maatwerkvoorziening wegens grensoverschrijdend gedrag

  • 1.

    Het college kan een maatwerkvoorziening intrekken, als door grensoverschrijdend gedrag van de inwoner de maatwerkvoorziening niet kan worden geleverd.

  • 2.

    Het college trekt de maatwerkvoorziening om de reden als bedoeld in het eerste lid pas in, nadat het college meermaals en binnen een termijn van twee jaren:

    • a.

      door de aanbieder van de grensoverschrijdende gedraging is geïnformeerd,

    • b.

      met de inwoner een gesprek heeft gevoerd over zijn gedrag, en

    • c.

      aan de inwoner een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven met sommatie om zijn gedrag ten positieve aan te passen en daarmee de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.

Artikel 10 Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang

  • 1.

    Van de inwoner die zich voor opvang meldt, onderzoekt het college wat de woonplaats van de inwoner was toen hij de thuissituatie verliet en waardoor zijn dakloosheid is ontstaan.

  • 2.

    Indien het college vaststelt dat de inwoner, voor het ontstaan van dakloosheid, niet woonachtig was in een van de gemeenten van de Regio Hart van Brabant, kan het college de uitvoering van het onderzoek overlaten aan de laatste woongemeente. Het college doet dit pas als met burgemeester en wethouders van de laatste woongemeente overeenstemming is gevonden.

  • 3.

    Al dan niet in afwijking van het tweede lid verricht het college zelf het onderzoek:

    • a.

      als het college de woonplaats van de inwoner voor het verlaten van de thuissituatie niet vaststelt,

    • b.

      als het college de woonplaats van de inwoner voor het verlaten van de thuissituatie niet kan vaststellen,

    • c.

      als het college de uitvoering van het onderzoek niet wenst te laten uitvoeren door burgemeester en wethouders van de laatste woongemeente, of

    • d.

      als met burgemeester en wethouders van de laatste woongemeente geen overeenstemming als bedoeld in het tweede lid is gevonden.

  • 4.

    Als het college het onderzoek zelf uitvoert, kan hij de laatste woongemeente verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren.

  • 5.

    Het college onderzoekt in welke gemeente of regio een traject in de opvang de grootste slagingskans heeft om bij te dragen aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Het college betrekt bij dit onderzoek in elk geval:

    • a.

      de wens van de inwoner,

    • b.

      of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner, bestaand werk, dagbesteding, onderwijs, of lopende hulpverleningstrajecten of ondersteuningstrajecten, en

    • c.

      of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk dat een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner, de actuele criminele activiteiten van de inwoner of maatregelen die aan de inwoner opgelegd zijn.

  • 6.

    Als tijdens het onderzoek blijkt dat een traject in de opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, dan betrekt het college die andere gemeente of regio bij het onderzoek.

  • 7.

    Het onderzoek, als bedoeld in het derde lid, wordt zo snel mogelijk en uiterlijk binnen veertien dagen verricht. Van de eerste volzin wordt afgeweken als dit onmogelijk is en hiervoor een reden is die buiten de invloedssfeer van het college ligt.

  • 8.

    De uitkomst van het onderzoek wordt schriftelijk vastgelegd.

  • 9.

    Als het college, overeenkomstig het tweede lid, de uitvoering van het onderzoek overgedragen heeft aan de laatste woongemeente, dan vergewist het college zich van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 10.

    Als het college, op grond van het onderzoek als bedoeld in het vijfde lid, van oordeel is dat de kans van slagen van een traject groter is in een andere gemeente of regio, dan neemt het college, na overleg met de inwoner, contact op met die andere gemeente of regio. Als de andere gemeente of regio het oordeel van het college deelt, dan vindt de overdracht van de inwonergegevens en de inwoner onverwijld plaats. Van een onverwijlde overdracht wordt, na afstemming met de andere gemeente of regio, afgezien als een latere overdracht bijdraagt aan de kans van slagen van een traject.

  • 11.

    Tot aan het moment van de daadwerkelijke overdracht van de inwoner, blijft het college aan de inwoner opvang bieden of andere maatregelen treffen om te voorzien in de behoefte aan opvang.

  • 12.

    Het college draagt, na overleg met de inwoner, bij de overdracht alle noodzakelijke informatie betreffende de inwoner, waaronder de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in het achtste lid, over aan de andere gemeente of regio.

  • 13.

    Het college maakt met de andere gemeente of regio en de inwoner concrete afspraken over:

    • a.

      de datum van overdracht,

    • b.

      welke aanbieder de inwoner opvang, dan wel andere ondersteuning die in de behoefte van de inwoner aan opvang voorziet, zal bieden in de andere gemeente of regio, en

    • c.

      hoe het vervoer van de inwoner en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt.

  • 14.

    Als de inwoner weigert medewerking te verlenen aan de in het tiende lid bedoelde overdracht, dan wordt dit gekwalificeerd als het niet nakomen van de verplichting uit artikel 2.3.8, derde lid, van de wet.

  • 15.

    Bij verschil van mening tussen het college en de andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van opvang aan de inwoner, spant het college zich maximaal in om tot een oplossing te komen.

  • 16.

    Als het college en de andere gemeente of regio niet gezamenlijk tot een oplossing komen, kan het college het geschil voorleggen aan de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en toegang.

  • 17.

    In afwachting van het oordeel van de in het zestiende lid genoemde commissie, blijft het college opvang bieden of andere maatregelen treffen om te voorzien in de behoefte aan opvang.

  • 18.

    Het college volgt het oordeel van de in het zestiende lid genoemde commissie.

Artikel 11 Landelijke toegankelijkheid beschermd wonen

  • 1.

    Een inwoner kan zich voor beschermd wonen melden bij burgemeester en wethouders van iedere centrumgemeente.

  • 2.

    Artikel 2.2, vijfde lid, van de verordening is onverkort van toepassing.

  • 3.

    Elke aanvraag bij een centrumgemeente voor beschermd wonen wordt gevolgd door een onderzoek en een beslissing door de wenscentrumgemeente van de gemeentelijke regio waar de aanvrager zich wil vestigen.

  • 4.

    Elke centrumgemeente hanteert eigen toegangscriteria en beschikt over een eigen infrastructuur aan beschermd wonen en beoordeelt op basis daarvan de aanvraag. De beoordelende gemeente kan ervoor kiezen het eventuele besluit van de gemeente van herkomst van de inwoner over te nemen.

  • 5.

    Het is de combinatie van de wens van de inwoner met zorginhoudelijke criteria die de doorslag geven bij de beslissing of de centrumgemeente voor vestiging door de inwoner passend is.

  • 6.

    De beslissing van de centrumgemeente noemt en onderbouwt in ieder geval de aanbevolen zorginhoudelijke argumenten.

  • 7.

    Een onderzoek wordt binnen tweeënveertig dagen afgerond met een beslissing.

  • 8.

    Als er niet direct toegang is tot de gewenste plek, dan komt de inwoner op een wachtlijst.

  • 9.

    Als de wenscentrumgemeente positief beslist, maar de inwoner op een wachtlijst plaatst, dan moet die gemeente beslissen of overbruggingszorg noodzakelijk is. Totdat de geschikte plek beschikbaar is, levert de instelling waar de inwoner op dat moment verblijft de eventuele overbruggingszorg. De herkomstgemeente draagt zorg voor de financiering van de overbruggingszorg. Als een inwoner in een behandelsetting, zoals een zorginstelling of een forensische penitentiaire kliniek, verblijft, vindt overleg plaats over de datum van uitstroom. Als de inwoner al gebruik maakt van een plek in een voorziening voor beschermd wonen, blijft de bestaande situatie gehandhaafd tot de geschikte plek in de wensgemeente beschikbaar is.

  • 10.

    Als een inwoner uit een centrumgemeente tijdelijk, maar korter dan twaalf maanden, in een instelling in een andere centrumgemeente verblijft met daarbij de intentie dat de inwoner terugkeert naar een instelling in de eerdere centrumgemeente, dan financiert de eerdere centrumgemeente de plaats voor beschermd wonen in de andere centrumgemeente.

  • 11.

    Als uit het onderzoek door burgemeester en wethouders van de centrumgemeente volgt dat het beschermd wonen het beste in een andere wenscentrumgemeente kan plaatsvinden, of als een inwoner zelf naar zijn wenscentrumgemeente gaat, dan nemen burgemeester en wethouders van de centrumgemeente contact op met de wenscentrumgemeente.

  • 12.

    De overdracht van een inwoner vindt plaats onder regie van de centrumgemeenten. Daarbij maken de betrokken instellingen in elk geval afspraken over:

    • a.

      de datum van de overgang,

    • b.

      de instelling die de inwoner opneemt, en

    • c.

      de overdracht van de persoonlijke gegevens.

  • 13.

    Eventuele verhuiskosten tussen de accommodaties voor beschermd, worden gedragen door de inwoner.

Artikel 12 Meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen

  • 1.

    De inwoner aan wie een hulpmiddel als maatwerkvoorziening in natura en anders dan in eigendom is verstrekt, kan bij het college melden dat hij dat hulpmiddel met zijn verhuizing naar een andere gemeente wil meenemen.

  • 2.

    Het college meldt de verhuizing bij de eigenaar van het hulpmiddel met het verzoek om de aanbieder van de nieuwe woongemeente het hulpmiddel voor overname aan te bieden. Die aanbieder regelt met burgemeester en wethouders van de nieuwe woongemeente de overname van het hulpmiddel. Binnen twee maanden na de adreswijziging wordt de administratieve verwerking bevestigd aan de inwoner. Daarbij ontvangt hij de contactgegevens die hij nodig heeft voor storingen en onderhoud.

  • 3.

    Vanaf het moment van de melding, geldt een overgangsregeling van twee maanden, waarbinnen de te verlaten gemeente voor nog maximaal twee maanden het beheer betaalt.

  • 4.

    Als een inwoner naar de gemeente Tilburg verhuist en zijn hulpmiddel wil meenemen, zijn het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing. Het college kan echter beslissen om af te zien van de overname van het hulpmiddel indien:

    • a.

      de inwoner is verhuisd naar een woning waarvan hij redelijkerwijs kon vermoeden dat die woning niet passend is,

    • b.

      de inwoner die een mobiliteitshulpmiddel heeft, is verhuisd naar een woonomgeving waarin dat hulpmiddel ongeschikt is,

    • c.

      het hulpmiddel in de nieuwe woonsituatie een gevaar kan opleveren,

    • d.

      de hulpvraag met een algemeen gebruikelijke voorziening of voorliggende voorziening adequaat kan worden beantwoord,

    • e.

      de hulpvraag met een goedkopere voorziening kan worden beantwoord,

    • f.

      de technische levensduur van het hulpmiddel verstreken is,

    • g.

      de inwoner binnen zes maanden verhuist naar een instelling, of

    • h.

      als de inwoner in aanmerking komt voor een indicatie als bedoeld in de Wet langdurige zorg.

  • 5.

    De inwoner aan wie een hulpmiddel met complex maatwerk als maatwerkvoorziening in natura en anders dan in eigendom is verstrekt, kan bij het college melden dat hij dat hulpmiddel met zijn verhuizing naar een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg wil meenemen.

  • 6.

    De verhuizing van de inwoner binnen de gemeente Tilburg naar een extramurale setting of een instelling met een volledig pakket thuis of een modulair pakket thuis, brengt geen verandering teweeg.

  • 7.

    Bij een verhuizing van de inwoner naar een andere gemeente en naar een extramurale setting of een instelling met een volledig pakket thuis of een modulair pakket thuis, worden het tweede en het derde lid toegepast.

  • 8.

    Bij een verhuizing van de inwoner naar een intramurale setting op basis van een zorgzwaartepakket kan de inwoner zijn mobiliteitshulpmiddel meenemen. Het Zorgkantoor zal het hulpmiddel vervangen voor een vergelijkbaar hulpmiddel.

  • 9.

    Bij een verhuizing van de inwoner naar een intramurale setting op basis van een zorgzwaartepakket kan de inwoner zijn individueel aangepast hulpmiddel, waarop complex maatwerk van toepassing is, meenemen. Er is sprake van complex maatwerk bij een individueel aangepast hulpmiddel als het een elektronisch of handbewogen middel betreft met meerdere individuele, elektronische aanpassingen.

  • 10.

    Het beheer van het hulpmiddel uit het achtste of het negende lid wordt voor de duur van twee maanden betaald door de gemeente Tilburg.

Slotbepalingen

  • 1.

    De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025 worden per 1 januari 2026 ingetrokken.

  • 2.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.

  • 3.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg.

Aldus besloten op 9 december 2025,

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

de gemeentesecretaris

de burgemeester

Naar boven