Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

 

gelet op de artikelen 2.5, vierde lid, 4.1, derde lid, 5.1, derde lid, 6.1, derde lid, 7.2, derde lid en 8.1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026 en het artikel 3:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,

 

b e s l u i t

  • 1.

    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025, gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, nr. 544472, per 1 januari 2026 in te trekken,

  • 2.

    vast te stellen de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd welke betekenis bepaalde woorden en begrippen in deze nadere regels hebben.

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze nadere regels wordt verstaan onder:

    • a.

      beschermd thuis: een woonvorm met begeleiding gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en de participatie, waarbij de inwoner in zijn eigen woning woont en waarbij de voornaamste begeleiding gepland kan worden;

    • b.

      bruikleenovereenkomst: de overeenkomst als bedoeld in artikel 7A:1777 van het Burgerlijk Wetboek;

    • c.

      KikMaat : de aanbieder die ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding levert;

    • d.

      Regio Hart van Brabant: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dat ingesteld is bij de gemeenschappelijke regeling van de raden en colleges van burgemeester en wethouders tezamen van de gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Heusden, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk;

    • e.

      safehouse : een veilige en gezonde, abstinente woonomgeving, waarin vaardigheden die essentieel zijn voor blijvend herstel na een verslaving worden aangeleerd en geoefend in een huiselijke omgeving met gelijkgestemden;

    • f.

      Siem: de aanbieder die begeleiding en beschermd wonen levert;

    • g.

      verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026.

  • 2.

    Andere begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht en de verordening.

Hoofdstuk 2 Maatwerkvoorzieningen

Het college mag op grond van artikel 4.1, derde lid, van de verordening aanvullende regels stellen voor maatwerkvoorzieningen. Die regels staan in dit hoofdstuk en zijn aanvullend op de bepalingen van hoofdstuk 4 van de verordening. Artikel 2.13, waarin respijtzorg is geregeld, is gebaseerd op artikel 8.1 van de verordening.

Artikel 2.1 Woonvoorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt een woonvoorziening als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een woonvoorziening die roerend is, wordt in bruikleen verleend. Aan die maatwerkvoorziening wordt de voorwaarde verbonden om met de eigenaar een bruikleenovereenkomst te sluiten en om de bepalingen uit die overeenkomst na te leven.

  • 3.

    Het college kan de inwoner een roerende woonvoorziening in eigendom geven, als de totale kosten daarvan lager zijn dan een voorziening die in bruikleen wordt gegeven. Daarbij wordt uitgegaan van de periode die de inwoner naar verwachting gebruik zal maken van die voorziening.

  • 4.

    Als de plaatsing van een beoogde woonvoorziening zou leiden tot een strijdigheid met het Besluit bouwwerken leefomgeving, dan is die woonvoorziening, gelet op artikel 4.1, vierde lid, van de verordening, niet geschikt.

Artikel 2.2 Hulpmiddelen

  • 1.

    Het college verstrekt een hulpmiddel, niet zijnde een woonvoorziening, als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een hulpmiddel wordt in bruikleen gegeven. Aan de maatwerkvoorziening wordt de voorwaarde verbonden om met de eigenaar van het hulpmiddel een bruikleenovereenkomst te sluiten en om de bepalingen uit die overeenkomst na te leven.

  • 3.

    Een hulpmiddel dat na aftrek van de omzetbelasting niet meer kost dan € 600,00, wordt in eigendom gegeven.

Artikel 2.3 Verhuizen

  • 1.

    Het college verstrekt een huisvestingsindicatie met een geldigheid van twaalf maanden als maatwerkvoorziening. Daarmee kan de inwoner zich als woningzoekende inschrijven bij een woningcoöperatie in de gemeente en voorrang krijgen op een woning die geschikt is.

  • 2.

    Met uitzondering van het bepaalde in artikel 4:2, vierde lid, van de verordening, wordt de huisvestingsindicatie alleen verstrekt als een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie moet worden geleverd, maar die bijdrage onmogelijk in of aan de woning gerealiseerd kan worden.

  • 3.

    De inwoner is voor een huisvestingsindicatie geen bijdrage in de kosten verschuldigd.

  • 4.

    De inwoner die een huisvestingsindicatie heeft en die tevens is verhuisd of daadwerkelijk zal verhuizen naar een woning waarmee een passende bijdrage aan zijn zelfredzaamheid en participatie wordt geleverd, komt in aanmerking voor een persoonsgebonden budget als bedoeld in de artikelen 5.7 en 5.8 van de verordening.

Artikel 2.4 Hulp bij het huishouden

  • 1.

    Het college verstrekt hulp bij het huishouden als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    De omvang van de maatwerkvoorziening, uitgedrukt in uren en minuten, wordt bepaald aan de hand van het meest actuele normenkader huishoudelijke ondersteuning van Bureau HHM. Alleen de daarin genoemde resultaten schoon en leefbaar huis en wasverzorging worden toegepast voor het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening.

  • 3.

    Onder het netwerk, als bedoeld in het normenkader huishoudelijke ondersteuning van Bureau HHM, vallen de gebruikelijke hulp, de mantelzorg en de hulp van anderen uit het sociaal netwerk.

  • 4.

    Strijken, als onderdeel van het resultaat wasverzorging uit het normenkader huishoudelijke ondersteuning van Bureau HHM, wordt alleen toegekend als het voor de inwoner vanwege een medische reden noodzakelijk is om gestreken bovenkleding te dragen.

  • 5.

    Met uitzondering van een hulphond, kent het college geen aanvullende uren en minuten toe vanwege de vervuiling door een huisdier.

  • 6.

    De inwoner is niet meer op de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden aangewezen als aan hem een maatwerkvoorziening genoemd in artikel 2.9, eerste lid, artikel 2.10, eerste lid, of artikel 2.11, eerste lid, verstrekt wordt.

Artikel 2.5 Vervoersvoorziening: scootmobiel

  • 1.

    Het college verstrekt een scootmobiel als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het college verstrekt een scootmobiel in bruikleen. Aan de maatwerkvoorziening wordt de voorwaarde verbonden om met de eigenaar van het hulpmiddel een bruikleenovereenkomst te sluiten en om de bepalingen uit die overeenkomst na te leven.

Artikel 2.6 Vervoersvoorziening: collectief vraagafhankelijk vervoer

  • 1.

    Het college verstrekt de mogelijkheid om gebruik te maken van het regiovervoer voor een lager tarief als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het opstaptarief en het kilometertarief worden jaarlijks door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant vastgesteld en gepubliceerd in het Provincieblad.

  • 3.

    Op maandag tot en met vrijdag, van 7.00 uur tot 9.00 uur, gelden alleen de reguliere tarieven van het openbaar vervoer.

  • 4.

    Men kan, in beginsel, niet meer dan 1.500 kilometer per kalenderjaar reizen. Deze omvang kan door het college worden verruimd als de inwoner aantoonbaar meer moet kunnen reizen vanwege het uitvoeren van mantelzorg of vrijwilligerswerk.

  • 5.

    Met het regiovervoer kan de inwoner van en naar zijn woonadres per reis, in beginsel, maximaal vijfentwintig kilometer reizen binnen de regio van Regiovervoer Midden-Brabant.

  • 6.

    Als de inwoner door een begeleider wordt vergezeld, betaalt deze begeleider hetzelfde tarief als de inwoner. Als de aanwezigheid van de begeleider om een reden van medische aard noodzakelijk is, is de begeleider geen betaling verschuldigd.

  • 7.

    De maatwerkvoorziening mag niet worden ingezet voor:

    • a.

      ziekenvervoer als bedoeld in artikel 2.14 van het Besluit zorgverzekering,

    • b.

      een vervoersbeweging van en naar de locatie voor dagopvang of ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding,

    • c.

      een vervoersbeweging die op grond van de Wet langdurige zorg wordt vergoed,

    • d.

      een vervoersbeweging ten behoeve van een schoolbezoek als bedoeld in artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.28 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4 van de Wet op de expertisecentra, of

    • e.

      woon- werkverkeer.

  • 8.

    Als de inwoner van de vervoerder een advies krijgt om het openbaar vervoer te gebruiken, maar dat advies niet wil opvolgen, dan kan hij alsnog gebruik maken van het regiovervoer. Er wordt dan een commercieel tarief gehanteerd.

Artikel 2.7 Begeleiding

  • 1.

    Het college verstrekt begeleiding als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Als een onderzoek erop gericht is dat begeleiding als maatwerkvoorziening ingezet wordt, beperkt Toegang Tilburg zich tot het onderzoeken van de aspecten in artikel 2.2, eerste lid onderdelen a, b sub i en iii en c, van de verordening. Als Toegang Tilburg op basis daarvan vaststelt dat de inwoner in aanmerking komt voor begeleiding, meldt hij zijn bevindingen bij Siem.

  • 3.

    Siem verricht het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening. Het plan van aanpak dat door de inwoner en het college wordt ondertekend, vormt de beschikking.

  • 4.

    Het tweede lid is niet van toepassing, als de inwoner reeds beschermd wonen als maatwerkvoorziening in natura van Siem ontvangt.

Artikel 2.8 Dagopvang

  • 1.

    Het college verstrekt dagopvang als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Als een onderzoek erop gericht is dat dagopvang als maatwerkvoorziening ingezet wordt, beperkt Toegang Tilburg zich tot het onderzoeken van de aspecten in artikel 2.2, eerste lid onderdelen a, b sub i en iii en c, van de verordening. Als Toegang Tilburg op basis daarvan vaststelt dat de inwoner in aanmerking komt voor dagopvang, meldt hij zijn bevindingen bij Siem.

  • 3.

    Siem verricht het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening. Het plan van aanpak dat door de inwoner en het college wordt ondertekend, vormt de beschikking.

Artikel 2.9 Beschermd thuis

  • 1.

    Het college verstrekt beschermd thuis als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Als een onderzoek erop gericht is dat beschermd thuis als maatwerkvoorziening ingezet wordt, beperkt Toegang Tilburg zich tot het onderzoeken van de aspecten in artikel 2.2, eerste lid onderdelen a, b sub i en iii en c, van de verordening. Als Toegang Tilburg op basis daarvan vaststelt dat de inwoner in aanmerking komt voor beschermd thuis, meldt hij zijn bevindingen bij Siem.

  • 3.

    Siem verricht het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening. Het plan van aanpak dat door de inwoner en het college wordt ondertekend, vormt de beschikking.

  • 4.

    De inwoner die gebruik maakt van de maatwerkvoorziening beschermd thuis, komt niet in aanmerking voor de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid.

Artikel 2.10 Beschermd wonen

  • 1.

    Het college verstrekt beschermd wonen als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Beschermd wonen kan alleen als maatwerkvoorziening worden verstrekt, als dat gericht is op de bevordering van de zelfredzaamheid, de participatie, het psychisch functioneren, het psychosociaal functioneren, de stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing, het voorkomen van maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen.

  • 3.

    Als een onderzoek erop gericht is dat beschermd wonen als maatwerkvoorziening ingezet wordt, beperkt Toegang Tilburg zich tot het onderzoeken van de aspecten in artikel 2.2, eerste lid onderdelen a, b sub i en iii en c, van de verordening en het tweede lid. Als Toegang Tilburg op basis daarvan vaststelt dat de inwoner in aanmerking komt voor beschermd wonen, meldt hij zijn bevindingen bij Siem.

  • 4.

    Siem verricht het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening. Het plan van aanpak dat door de inwoner en het college wordt ondertekend, vormt de beschikking.

  • 5.

    Het derde lid is niet van toepassing, als de inwoner reeds begeleiding als maatwerkvoorziening in natura van Siem ontvangt.

  • 6.

    De inwoner die gebruik maakt van de maatwerkvoorziening beschermd wonen, komt niet in aanmerking voor de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid.

Artikel 2.11 Safehouse

  • 1.

    Het college verstrekt beschermd wonen in een safehouse als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    De inwoner geeft in zijn aanvraag een beschrijving van:

    • a.

      zijn overige problematiek, en

    • b.

      zijn huisvestingssituatie van zowel voor als na de opname in een safehouse.

  • 3.

    De inwoner voegt aan zijn aanvraag toe:

    • a.

      een ondersteunende verklaring van zijn behandelaar waaruit blijkt dat hij het safehouse-traject kansrijk vindt, en

    • b.

      een overzicht van zijn verslavingsgeschiedenis, die tevens de eerder ingezette ondersteuning, hulpverlening en klinische opnames vermeldt.

  • 4.

    Beschermd wonen in een safehouse kan alleen als maatwerkvoorziening worden verstrekt aan een inwoner:

    • a.

      die ingezetene is van een gemeente in de Regio Hart van Brabant,

    • b.

      die een klinische behandeling volgens het Minnesotamodel met positief resultaat heeft afgerond en waarbij de plaatsing in de safehouse in directe aansluiting volgt op deze klinische behandeling,

    • c.

      die te kampen heeft met complexe multiproblematiek, zoals, al dan niet gediagnosticeerde, psychische problematiek en psychosociale problematiek, zoals schulden, een justitieel verleden, werkproblematiek of relatieproblematiek,

    • d.

      die na eerdere behandelpogingen is teruggevallen in de verslaving,

    • e.

      die gebaat zal zijn bij een veilige plek die vrij is van verleidingen van zijn oude verslaving of het daarmee gepaarde netwerk, en

    • f.

      die gemotiveerd is voor verblijf in een safehouse en zijn motivatie zelf onder woorden brengt.

  • 5.

    Als een onderzoek erop gericht is of waarschijnlijk ertoe leidt dat beschermd wonen in een safehouse als maatwerkvoorziening ingezet wordt, beperkt Toegang Tilburg zich tot het onderzoeken van de aspecten in artikel 2.2, eerste lid onderdelen a, b sub i en iii en c, van de verordening en het tweede lid. Als Toegang Tilburg op basis daarvan vaststelt dat de inwoner in aanmerking komt voor beschermd wonen in een safehouse, meldt hij zijn bevindingen bij Siem.

  • 6.

    Siem verricht het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening. Het plan van aanpak dat door de inwoner en het college wordt ondertekend, vormt de beschikking.

  • 7.

    Het belang van het beschermd wonen in een safehouse is zwaarwegender dan de keuzevrijheid van de inwoner voor een specifiek safehouse. De inwoner die beschermd kan wonen in een safehouse, krijgt eenmalig een aanbod.

  • 8.

    Een beschikking voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen in een safehouse, wordt afgegeven voor bepaalde tijd en niet voor langer dan tweeënvijftig weken.

  • 9.

    De kosten voor de begeleiding in de safehouse worden vergoed. Kosten voor de huisvesting of activiteiten worden niet vergoed. Dagactiviteiten die gericht zijn op ontwikkeling of betaald werk kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding.

  • 10.

    De inwoner die periodiek woonlasten betaalt voor de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd.

  • 11.

    Een beschikking kan worden ingetrokken:

    • a.

      na beëindiging van het safehouse-traject,

    • b.

      bij terugval in de verslaving, of

    • c.

      na schending van de huisregels van de safehouse.

  • 12.

    De inwoner die een safehouse-traject, al dan niet volledig, heeft gevolgd en die beschermd wonen als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, aanvraagt, kan geen rechten ontlenen aan de beschikking waarbij beschermd wonen in een safehouse als maatwerkvoorziening is verstrekt.

  • 13.

    De inwoner die gebruik maakt van de maatwerkvoorziening beschermd wonen in een safehouse, komt niet in aanmerking voor de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid.

Artikel 2.12 Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding

  • 1.

    Het college verstrekt ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Als een onderzoek erop gericht is of waarschijnlijk ertoe leidt dat ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding als maatwerkvoorziening ingezet wordt, beperkt Toegang Tilburg zich tot het onderzoeken van de aspecten in artikel 2.2, eerste lid onderdelen a, b sub i en iii en c, van de verordening.

  • 3.

    Als Toegang Tilburg op basis van het verrichte onderzoek vaststelt dat de inwoner in aanmerking komt voor ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding, meldt hij zijn bevindingen bij KikMaat. Het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening wordt vervolgens door KikMaat verricht. Het plan van aanpak dat door de inwoner en het college wordt ondertekend, vormt de beschikking.

  • 4.

    Als aan de inwoner de maatwerkvoorziening beschermd wonen verstrekt is, en hij woont beschermd of zal beschermd gaan wonen in een gemeente waar KikMaat geen aanbieder voor ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding is, dan wordt de inwoner doorverwezen naar die gemeente.

  • 5.

    De inwoner is geen bijdrage in de kosten verschuldigd.

Artikel 2.13 Maatschappelijke opvang

  • 1.

    Het college verstrekt opvang als maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Opvang kan alleen als maatwerkvoorziening worden verstrekt aan de inwoner van een van de gemeenten van de Regio Hart van Brabant die:

    • a.

      dakloos is, en

    • b.

      niet in staat is om zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, en

    • c.

      niet beschikt over alternatieven die de situatie van dakloosheid op kunnen heffen.

  • 3.

    Een inwoner kan in aanmerking komen voor opvang als deze:

    • a.

      slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of

    • b.

      ingeval van kindermishandeling de opvang van een kind met de inwoner, zijnde de beschermende ouder of verzorger, in de opvang noodzakelijk is, en

    • c.

      de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, en

    • d.

      geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociaal netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien.

  • 4.

    Als het college toepassing geeft aan het bepaalde in artikel 2.3.3 van de wet, dan is de inwoner geen bijdrage in de kosten verschuldigd gedurende de eerste crisisopvang. Deze opvang duurt, in beginsel, niet langer dan twaalf weken en wordt uitsluitend verlengd als er geen mogelijkheid tot uitstroom is.

  • 5.

    De inwoner die opvang krijgt als onderdeel van een vangnettraject, waarna hij zo snel mogelijk wordt doorgeleid naar passende zorg en ondersteuning, is gedurende het vangnettraject geen bijdrage in de kosten verschuldigd.

Artikel 2.14 Respijtzorg

  • 1.

    Het college verstrekt een maatwerkvoorziening aan de inwoner als zijn mantelzorger tijdelijk niet beschikbaar is en het niet mogelijk is om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van anderen uit het sociaal netwerk in de ondersteuning te voorzien die door de mantelzorger geboden werd.

  • 2.

    Het college kan, voor het behouden of het herstellen van de balans tussen de draagkracht en de draaglast van zijn mantelzorger, aan de inwoner een maatwerkvoorziening verstrekken.

Hoofdstuk 3 Persoonsgebonden budget

In dit hoofdstuk staan aanvullende bepalingen voor het verstrekken van een persoonsgebonden budget. Deze regels vullen de regels uit hoofdstuk 5 van de verordening aan.

Artikel 3.1 Persoonsgebonden budget buiten Nederland

  • 1.

    Een persoonsgebonden budget mag buiten Nederland worden besteed als de inwoner buiten Nederland verblijft, mits:

    • a.

      hij ingezetene als bedoeld in artikel 1.2.1 van de wet is en voornemens is om na een bepaalde tijd naar zijn hoofdverblijf terug te gaan, en

    • b.

      het verblijf in het buitenland verband houdt met de participatie van de inwoner of als zijn leefomgeving tijdelijk in het buitenland ligt.

  • 2.

    Een persoonsgebonden budget mag in België worden besteed als de inwoner binnen Nederland verblijft, maar de ondersteuning gegeven of aangeschaft wordt op een plaats die redelijkerwijs tot zijn leefomgeving behoort.

  • 3.

    Een persoonsgebonden budget mag buiten Nederland worden besteed als de inwoner verblijft op zijn hoofdverblijf binnen Nederland, en hij een hulpmiddel of sportvoorziening voor verzending vanuit het buitenland bestelt.

  • 4.

    De inwoner dient de besteding van het persoonsgebonden budget als bedoeld in het eerste of tweede lid, vooraf schriftelijk te melden aan het college.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit en veiligheid

In dit hoofdstuk staan de kwaliteitseisen van de voorzieningen die de eisen uit hoofdstuk 7 van de verordening aanvullen.

Artikel 4.1 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners hulp bij het huishouden

De zorg- of dienstverlener die hulp bij het huishouden verleent of zal gaan verlenen en daarvoor uit een persoonsgebonden budget van een inwoner wordt betaald, draagt er, onverminderd de kwaliteitseisen uit artikel 7.2, eerste lid, van de verordening, zorg voor dat:

  • a.

    zijn bedrijf is ingeschreven in het handelsregister met vermelding van de activiteiten van het bedrijf die overeenkomt met het bieden van hulp bij het huishouden,

  • b.

    dat hij beschikt over ervaringen, kwalificaties of opleiding die passend is voor het bieden van hulp bij het huishouden, de complexiteit en de aard van de problematiek van de inwoner,

  • c.

    zijn werknemers en zijn opdrachtnemers beschikken over ervaringen, kwalificaties of opleidingen die passend zijn voor het bieden van hulp bij het huishouden, de complexiteit en de aard van de problematiek van de inwoner,

  • d.

    hij beschikt over een meldcode, conform het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden,

  • e.

    de kennis en het gebruik van de, in onderdeel d bedoelde, meldcode bevorderd wordt onder zijn werknemers en opdrachtnemers,

  • f.

    hij werkt met een systematische kwaliteitsbewaking,

  • g.

    met de inwoner afgesproken wordt welke huishoudelijke taken worden uitgevoerd en dat deze afspraken worden vastgelegd,

  • h.

    met de inwoner afspraken worden gemaakt over de wederzijdse bereikbaarheid,

  • i.

    de continuïteit van de personele inzet geborgd is,

  • j.

    de fysieke en sociale veiligheid van de inwoner, zijn werknemers en zijn opdrachtnemers tijdens de uitvoering van de ondersteuning beschermd is,

  • k.

    hijzelf, zijn werknemers en zijn opdrachtnemers beschikken over goede mondelinge uitdrukkingsvaardigheden in de Nederlandse taal, een dienstbare instelling hebben en sociaal vaardig zijn,

  • l.

    zijn bedrijf, ingeval deze rechtspersoonlijkheid heeft of een vennootschap dan wel een maatschap is, beschikt over een verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen die niet ouder is dan vier jaren,

  • m.

    zijn bedrijf van hemzelf, als hij op het moment van afgifte van de verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen niet als bestuurder, vennoot, maat of beheerder van het bedrijf stond geregistreerd in het handelsregister of als zijn bedrijf een eenmanszaak betreft, over een verklaring omtrent het gedrag beschikt voor het specifiek screeningsprofiel gezondheidszorg en welzijn van mens en dier, het specifiek screeningsprofiel (gezins)voogd bij voogdijinstellingen, reclasseringswerker, raadsonderzoeker en maatschappelijk werker, of een algemeen screeningsprofiel met het functieaspect belast zijn met de zorg voor minderjarigen of het functieaspect belast zijn met de zorg voor (hulpbehoevende) personen, zoals ouderen en gehandicapten, die niet ouder is dan vier jaren,

  • n.

    zijn bedrijf over verklaringen omtrent het gedrag beschikt voor het specifiek screeningsprofiel gezondheidszorg en welzijn van mens en dier, het specifiek screeningsprofiel (gezins)voogd bij voogdijinstellingen, reclasseringswerker, raadsonderzoeker en maatschappelijk werker, of een algemeen screeningsprofiel met het functieaspect belast zijn met de zorg voor minderjarigen of het functieaspect belast zijn met de zorg voor (hulpbehoevende) personen, die niet ouder zijn dan vier jaren en die betrekking hebben op iedere werknemer en opdrachtnemer die de ondersteuning bij inwoners thuis verzorgt, en

  • o.

    er een deugdelijke administratie wordt gevoerd, waarin de inkomsten en uitgaven, de verplichtingen, de cliëntdossiers en de verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming.

Artikel 4.2 Kwaliteitseisen professionele zorg- en dienstverleners

  • 1.

    De professionele zorg- of dienstverlener als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de verordening, die ondersteuning verleent of zal gaan verlenen en daarvoor uit een persoonsgebonden budget van een inwoner wordt betaald, draagt er, onverminderd de kwaliteitseisen uit artikel 7.2, tweede lid, van de verordening, zorg voor dat:

    • a.

      hij met de inwoner een ondersteuningsplan opstelt:

      • i.

        waarin de kansen, de mogelijkheden en de ondersteuningsbehoeften van de inwoner zijn opgenomen, en

      • ii.

        waarin de door de inwoner beoogde doelen en de inschatting van de termijnen waarbinnen de beoogde doelen behaald worden, zijn opgenomen, en

      • iii.

        waarin de voorzieningen zijn opgenomen die hij biedt om de ondersteuningsbehoeften te beantwoorden,

    • b.

      de voorzieningen aansluiten bij de kansen en mogelijkheden, adequaat beantwoorden aan de ondersteuningsbehoeften van de inwoner en gericht zijn op het behalen van de beoogde doelen binnen de geschatte termijnen,

    • c.

      hij tussentijds en ten minste eens per twaalf maanden met de inwoner evalueert, verslag opmaakt van de evaluatie, dat verslag laat ondertekenen door de inwoner en, als de evaluatie hiertoe aanleiding geeft, het ondersteuningsplan bijstelt,

    • d.

      met de inwoner afspraken worden gemaakt over de wederzijdse bereikbaarheid,

    • e.

      de continuïteit van de personele inzet geborgd is,

    • f.

      de fysieke en sociale veiligheid van de inwoner, zijn werknemers en zijn opdrachtnemers tijdens de uitvoering van de ondersteuning beschermd is,

    • g.

      hijzelf, zijn werknemers en zijn opdrachtnemers handelen overeenkomstig de voor hen geldende beroepscode,

    • h.

      de inzet van een vrijwilliger, ervaringsdeskundige of stagiair slechts ter aanvulling is, en nimmer vervanging is, van de gekwalificeerde werknemer of gekwalificeerde opdrachtnemer,

    • i.

      hijzelf, zijn werknemers en zijn opdrachtnemers beschikken over goede mondelinge uitdrukkingsvaardigheden in de Nederlandse taal, een dienstbare instelling hebben en sociaal vaardig zijn,

    • j.

      zijn bedrijf, ingeval deze rechtspersoonlijkheid heeft of een vennootschap dan wel een maatschap is, beschikt over een verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen die niet ouder is dan vier jaren,

    • k.

      zijn bedrijf van hemzelf, als hij op het moment van afgifte van de verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen niet als bestuurder, vennoot, maat of beheerder van het bedrijf stond geregistreerd in het handelsregister of als zijn bedrijf een eenmanszaak betreft, over een verklaring omtrent het gedrag beschikt voor het specifiek screeningsprofiel gezondheidszorg en welzijn van mens en dier, het specifiek screeningsprofiel (gezins)voogd bij voogdijinstellingen, reclasseringswerker, raadsonderzoeker en maatschappelijk werker, of een algemeen screeningsprofiel met het functieaspect belast zijn met de zorg voor minderjarigen of het functieaspect belast zijn met de zorg voor (hulpbehoevende) personen, die niet ouder is dan vier jaren,

    • l.

      zijn bedrijf over verklaringen omtrent het gedrag beschikt voor het specifiek screeningsprofiel gezondheidszorg en welzijn van mens en dier, het specifiek screeningsprofiel (gezins)voogd bij voogdijinstellingen, reclasseringswerker, raadsonderzoeker en maatschappelijk werker, of een algemeen screeningsprofiel met het functieaspect belast zijn met de zorg voor minderjarigen of het functieaspect belast zijn met de zorg voor (hulpbehoevende) personen, die niet ouder zijn dan vier jaren en die betrekking hebben op iedere werknemer, opdrachtnemer, vrijwilliger, stagiair of ieder ander die de ondersteuning bij inwoners thuis verzorgt,

    • m.

      de Governancecode Zorg 2022 wordt gehanteerd en aan de inwoner, het college en de door hem aangewezen toezichthouder kan toelichten op welke wijze de Governancecode Zorg 2022 wordt toegepast, en

    • n.

      er een deugdelijke administratie wordt gevoerd, waarin de inkomsten en uitgaven, de verplichtingen, de ondersteuningsplannen en evaluatiegesprekken en de verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming.

  • 2.

    De professionele zorg- of dienstverlener uit het eerste lid, die de inwoner woonruimte op zijn accommodatie biedt die bij de begeleiding hoort, draagt er, onverminderd de kwaliteitseisen uit artikel 7.2, tweede lid van de verordening en het eerste lid, zorg voor dat:

    • a.

      de begeleiding dagelijks aanwezig is,

    • b.

      de begeleiding vierentwintig uur per dag bereikbaar is,

    • c.

      de begeleiding binnen dertig minuten na een oproep op de accommodatie aanwezig is, en

    • d.

      hij beschikt over een geldig keurmerk Kwaliteit Laat je Zien van de Federatie Landbouw en Zorg, als de begeleiding op een zorgboerderij wordt aangeboden.

Hoofdstuk 5 Overige bepalingen en slotbepalingen

In dit afsluitend hoofdstuk staat vermeld wie de medisch adviseur is, staan regels over het gebruik van de hardheidsclausule en staan regels rondom de inwerkingtreding.

Artikel 5.1 Medische advisering

Het college belast de artsen en adviseurs van jph consult B.V. met het adviseren inzake het nemen van beslissingen op grond van het bepaalde bij of krachtens de wet.

Artikel 5.2 Waardering mantelzorgers

Als blijk van waardering kan iedere mantelzorger die ondersteuning biedt aan een bewoner van de gemeente Tilburg, eenmaal per kalenderjaar een mantelzorgwaardebon krijgen.

Artikel 5.3 Hardheidsclausule

Het college kan, ten gunste van een inwoner, bepalingen van deze nadere regels buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 5.4 Intrekking oude regeling, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025 wordt per 1 januari 2026 ingetrokken.

  • 2.

    Deze nadere regels treden in werking op 1 januari 2026.

  • 3.

    Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg.

Aldus besloten op 9 december 2025,

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

de gemeentesecretaris

de burgemeester

Toelichting  

Hoofdstuk 1

De begrippen die in artikel 1.1 lid 1 staan, zijn een aanvulling op de al bestaande begrippen; artikel 1.1 lid 2 vermeldt dat de begrippen uit de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Awb en de verordening ook van toepassing zijn op deze nadere regels.

 

Hoofdstuk 2

In artikel 4.1 lid 3 van de verordening staat dat het college aanvullende regels kan stellen over maatwerkvoorzieningen. De toepassing van die bevoegdheid is in dit hoofdstuk uitgewerkt. De regels voor de maatwerkvoorzieningen zijn aanvullend op de algemene regels uit hoofdstuk 4 van de verordening.

 

In artikel 2.1 lid 4 staat dat het aanbrengen van een woonvoorziening niet een strijdigheid met het Besluit bouwwerken leefomgeving, afgekort het Bbl, mag veroorzaken. Te denken valt aan het plaatsen van een traplift bij een trap waar geen afscheiding is geplaatst die in het Bbl verplicht is. In dat geval is de traplift niet geschikt. Deze is dan immers niet veilig te verstrekken; op grond van artikel 3.1 lid 2 aanhef en sub a Wmo 2015 kan deze dan niet verstrekt worden, tenzij de tekortkoming vooraf aan of gelijktijdig met de plaatsing van de woonvoorziening wordt verholpen. In artikel 2.4 lid 2 staat dat de omvang van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden wordt bepaald aan de hand van het normenkader huishoudelijke ondersteuning van Bureau HHM. De CRvB heeft geoordeeld dat het HHM Normenkader 2019, voor wat betreft het resultaat van een schoon en leefbaar huis, hiervoor gebruikt mag worden, CRvB 13 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2470, rechtsoverweging 4.1.3. De nieuwere versies van het normenkader, verschillen niet in de berekening van de omvang. De normtijden voor de wasverzorging mogen eveneens gebaseerd worden op het normenkader; dat blijkt uit de uitspraak CRvB 9 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:46, rechtsoverweging 4.1.6. In lid 3 staat opgenomen wat in het HHM Normenkader onder het netwerk wordt verstaan. De inzet van het netwerk wordt volgens het HHM Normenkader namelijk meegewogen in de vaststelling of er minder inzet nodig is. Door te benoemen dat onder dit netwerk de gebruikelijke hulp, de mantelzorg en de hulp van anderen uit het sociaal netwerk wordt gerekend, is duidelijk dat het hetzelfde onderdeel uit het onderzoek betreft als in artikel 2.2 lid 1 sub b onderdeel iii van de verordening. In lid 4 en 5 staat een tweetal beleidsbeperkingen: voor het strijken van kleding wordt alleen tijd toegekend, als het om een medische reden nodig is dat de cliënt gestreken bovenkleding draagt. Het uitgangspunt is dat een cliënt geen strijkvoorziening nodig heeft, omdat hij ervoor kan kiezen om strijkvrije kleding te dragen. In lid 6 is bepaald dat hulp bij het huishouden niet meer nodig is, als de cliënt beschermd thuis, beschermd wonen of beschermd wonen in een safehouse als maatwerkvoorziening krijgt. Het schoonhouden van de eigen woonruimten maakt immers onderdeel uit van de begeleiding naar het zelfstandig voeren van het huishouden. Een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden is zodoende een contra-indicatie van beschermd thuis, beschermd wonen of beschermd wonen in een safehouse. In artikel 2.7 lid 2, artikel 2.8 lid 2, artikel 2.9 lid 2, artikel 2.10 lid 3 en artikel 2.11 lid 5 staat dat Toegang Tilburg voor – respectievelijk – begeleiding, dagopvang, beschermd wonen en beschermd wonen in een safehouse, enkele aspecten van het onderzoek doet. Als Toegang Tilburg constateert dat de cliënt voor een van deze maatwerkvoorzieningen in aanmerking komt, dan wordt hij doorverwezen naar Siem. De cliënt krijgt dan een brief mee waarin staat te lezen dat hij een maatwerkvoorziening nodig heeft; die brief wordt in de praktijk de DAT-brief genoemd. Siem zal vervolgens de aard en de omvang vaststellen van de maatwerkvoorziening. Het plan van aanpak van Siem, dat het ondersteuningsplan wordt genoemd, wordt door de ondertekening door de cliënt de aanvraag; dat is gebaseerd op artikel 2.3 lid 2 van de verordening. Vervolgens wordt dat ondersteuningsplan door het college ondertekend, waardoor het de beschikking wordt; dat staat in artikel 2.7 lid 3, artikel 2.8 lid 3, artikel 2.9 lid 4 en artikel 2.10 lid 6 en is gebaseerd op artikel 2.5 lid 3 van de verordening. Voor beschermd wonen in een safehouse betaalt de cliënt een bijdrage in de kosten overeenkomstig de bepaling van artikel 6.2 lid 4 van de verordening. In artikel 2.11 lid 10 staat een uitzondering: om dubbele maandlasten te voorkomen is de cliënt die al woonlasten betaalt, geen eigen bijdrage verschuldigd. Onder woonlasten wordt de maandelijkse huur of de maandelijkse aflossing van de hypotheek bedoeld. Indien de cliënt slechts een bijdrage aan een ander levert die woonlasten moet afdragen, bijvoorbeeld kostgeld aan ouders voor verblijf in de ouderlijke woning, dan is hij wel de bijdrage in de kosten verschuldigd. In artikel 2.9 lid 4, artikel 2.10 lid 6 en artikel 2.11 lid 13 staat te lezen dat de cliënt niet in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden, als hij beschermd thuis, beschermd wonen of beschermd wonen in een safehouse als maatwerkvoorziening krijgt. Het schoonhouden van de eigen woonruimten maakt immers onderdeel uit van de begeleiding naar het zelfstandig voeren van het huishouden. Een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden is zodoende een contra-indicatie van beschermd thuis, beschermd wonen of beschermd wonen in een safehouse. In artikel 2.12 lid 2 staat dat voor ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding Toegang Tilburg enkele aspecten van het onderzoek doet. Als Toegang Tilburg constateert dat de cliënt voor ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding in aanmerking komt, dan wordt hij doorverwezen naar KikMaat. De cliënt krijgt dan een brief mee waarin staat te lezen dat hij een maatwerkvoorziening nodig heeft; die brief wordt in de praktijk de DAT-brief genoemd. KikMaat zal vervolgens de aard en de omvang vaststellen van de maatwerkvoorziening. Het plan van aanpak van KikMaat wordt door de ondertekening door de cliënt de aanvraag; dat is gebaseerd op artikel 2.3 lid 2 van de verordening. Vervolgens wordt dat plan van aanpak door het college ondertekend, waardoor het de beschikking wordt; dat staat in artikel 2.11 lid 3 en is gebaseerd op artikel 2.5 lid 3 van de verordening. Op grond van artikel 2.14 lid 1 kan het college een tijdelijke maatwerkvoorziening aan de cliënt verstrekken als zijn mantelzorger tijdelijk niet beschikbaar zal zijn, bijvoorbeeld vanwege een vakantie. Als er nooit eerder een onderzoek als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening is gedaan, dan moet er onderzocht worden of het mogelijk is om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van anderen uit het sociaal netwerk de ondersteuning te geven die de mantelzorger gaf en tijdelijk niet kan geven. In lid 2 is bepaald dat het college een maatwerkvoorziening kan verstrekken als dit nodig is voor het behouden of herstellen van de balans tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger. Dat is gebaseerd op artikel 8.1 van de verordening.

 

Hoofdstuk 3

Op grond van artikel 5.1 lid 3 van de verordening mag een persoonsgebonden budget niet buiten Nederland worden gebruikt, behalve onder de uitzonderingen die het college daarvoor maakt. In artikel 3.1 lid 1 staat wat de criteria zijn voor de besteding in het buitenland als de cliënt buiten Nederland verblijft. De criteria sluiten aan bij de jurisprudentie waarin de eigen leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015, een ruimere betekenis heeft gekregen dan alleen de thuissituatie. Volgens de Rechtbank Den Haag stelt de Wmo 2015 immers de participatie als doel en de leefomgeving kan ook tijdelijk buiten Nederland zijn gelegen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een stage in het buitenland, Rechtbank Den Haag 15 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10229, rechtsoverweging 6.2. Bovendien kan de eigen leefomgeving ook tijdelijk buiten Nederland zijn, bijvoorbeeld in geval van een vakantie of bij een vakantiebaan, aldus de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2836, rechtsoverweging 5. De tijdelijkheid van beide uitspraken wordt in lid 1 sub a zo uitgedrukt dat de cliënt voornemens is om na een bepaalde tijd terug te keren naar zijn hoofdverblijf. Daarmee wordt aangesloten bij de rechtsregel van de Hoge Raad wanneer een woning als hoofdverblijf wordt gekwalificeerd, te weten: waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij den zetel zijner fortuin heeft, zijne zaken behartigt, zijne goederen en eigendommen beheert, zoodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalden tijd, en tevens met het plan om, als dat doel bereikt is, terug te keren, Hoge Raad 19 januari 1880, ECLI:NL:HR:1880:1. De situatie dat een cliënt niet in het buitenland verblijft, maar wel in het buitenland zijn persoonsgebonden budget besteedt, is niet onmogelijk; daarom is lid 2 opgenomen. De gemeente Tilburg ligt namelijk niet ver van de grens tussen Nederland en België. De Regio Hart van Brabant grenst aan België en binnen het topografisch gebied van de regio, bevinden zich Belgische enclaves. Het is daarom mogelijk dat Belgische gebieden onderdeel uitmaken van de leefomgeving van de cliënt en dus binnen de bedoeling van de Wmo 2015 vallen. In lid 3 is geregeld dat het persoonsgebonden budget ook ingezet kan worden voor de aanschaf van een hulpmiddel of een sportvoorziening als deze besteld en geleverd wordt vanuit het buitenland. Bestedingen in het buitenland moeten, zo bepaalt lid 4, vooraf schriftelijk gemeld worden aan het college.

 

Hoofdstuk 4

In artikel 4.1 staan de kwaliteitseisen waar de zorg- of dienstverlener die hulp bij het huishouden verleent of zal gaan verlenen, naast het bepaalde in artikel 7.2 lid 1 van de verordening aan moet voldoen. De professionele zorg- en dienstverlener die ondersteuning verleent of zal gaan verlenen, dient te voldoen aan de bepalingen uit artikel 7.2 lid 2 van de verordening en de kwaliteitseisen uit artikel 4.2.

 

Hoofdstuk 5

Artikel 5.1 vermeldt wie de medisch adviseur van het college is voor wat betreft het nemen van beslissingen op grond van de Wmo 2015. Op deze adviseur en zijn adviezen is afdeling 3.3 Awb van toepassing. In artikel 5.2 staat beschreven hoe de waardering voor mantelzorgers wordt geuit; daarmee wordt invulling gegeven aan artikel 8.2 van de verordening. In artikel 5.3 is een hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze nadere regeling. Afwijken kan dus nooit ten nadele van de betrokken inwoner gebeuren. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.

Naar boven