Gemeenteblad van Tilburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2025, 549403 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2025, 549403 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026
De gemeenteraad van de gemeente Tilburg,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders,
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4a, eerste tot en met derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het artikel 4:81, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en de artikelen 3.8, eerste lid, en 5.4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015,
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat de betekenis is van bepaalde begrippen die in deze verordening worden gebruikt.
In deze verordening en de regelingen die daaronder vallen, wordt verstaan onder:
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau en een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is;
Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag
Inwoners van de gemeente kunnen met een hulpvraag bij Toegang Tilburg terecht. Omdat Toegang Tilburg namens het college de meldingen ontvangt, het gesprek met de inwoner voert en de eventuele aanvraag behandelt, wordt verder steeds over “het college” gesproken. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste procedureregels van het moment van de melding tot de beschikking.
Een plan van aanpak dat binnen tien werkdagen aan het college wordt teruggestuurd en waaruit door ondertekening de instemming blijkt van de inwoner of zijn vertegenwoordiger, wordt beschouwd als aanvraag. Opmerkingen of aanvullingen die de inwoner toevoegt aan het plan van aanpak, maken onderdeel uit van de aanvraag.
Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen
In dit hoofdstuk staan de algemene bepalingen over de algemene voorzieningen van de gemeente Tilburg.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt, naast de bepalingen uit de wet, getoetst aan de voorwaarden en de weigeringsgronden die in dit hoofdstuk staan. Dit hoofdstuk is daarmee de toetssteen van de aanvragen.
Artikel 4.1 Voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen
Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als uit het onderzoek is gebleken dat de beperkingen niet met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen worden verminderd of weggenomen.
Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als uit het onderzoek is gebleken dat de inwoner de problemen niet met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen worden verminderd of weggenomen.
Artikel 4.2 Verhuizen en de verhuiskostenvergoeding
Indien het college het primaat van verhuizen kan toepassen en de inwoner wil verhuizen, dan verstrekt het college een huisvestingsindicatie met een geldigheid van twaalf maanden. Daarmee kan de inwoner zich als woningzoekende inschrijven bij een woningcoöperatie in de gemeente en voorrang krijgen op een woning die geschikt is.
Artikel 4.3 Weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen
In samenhang met de voorwaarden uit artikel 4.1 weigert het college een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de volgende gevallen.
Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:
als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is, tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt,
Het college verstrekt geen woonvoorziening:
als het een voorziening in een gemeenschappelijke ruimte betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte,
Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten
De gemeente kan de zorg zelf organiseren in natura, maar in plaats daarvan ook een persoonsgebonden budget toekennen. Daarmee kan de inwoner zelf de zorg inkopen. In dit hoofdstuk staan regels over het persoonsgebonden budget. Deze regels zijn aanvullend op de bepalingen uit de Wmo 2015.
Artikel 5.1 Algemene regels voor een persoonsgebonden budget
Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college, onder andere aan de hand van het budgetplan als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet opgenomen voorwaarden.
De voorzieningen dagopvang en ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding kunnen alleen met een persoonsgebonden budget worden ingekocht bij een zorg- of dienstverlener als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid. Het college kan van deze regel afwijken als de inwoner of de beoogde zorg- of dienstverlener bewijzen dat de kwaliteit gewaarborgd is.
Artikel 5.2 Hoogte van een persoonsgebonden budget
De hoogte van een persoonsgebonden budget:
wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te kopen, en
Artikel 5.3 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor diensten
In afwijking van het zesde en zevende lid wordt het persoonsgebonden budget dat de inwoner of diens vertegenwoordiger beogen te verzilveren bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder voor het leveren van zorg in natura, vastgesteld op dezelfde hoogte van het bedrag dat de aanbieder zou ontvangen als de inwoner zijn maatwerkvoorziening in natura zou ontvangen.
Artikel 5.4 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen
Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college van de inwoner vragen om een offerte te overleggen van een leverancier die het hulpmiddel waarvoor het persoonsgebonden budget is aangevraagd, kan leveren. Het college kan, ter verificatie van de overgelegde offerte, een tweede offerte van een andere leverancier aan de inwoner vragen. Het college kan in de plaats van de inwoner uit eigen beweging een offerte of meerdere offertes opvragen.
Artikel 5.5 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard
Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden kan het college van de inwoner vragen om een offerte te overleggen van een leverancier die de woonvoorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is aangevraagd, kan leveren. Het college kan, ter verificatie van de overgelegde offerte, een tweede offerte van een andere leverancier aan de inwoner vragen. Het college kan in de plaats van de inwoner uit eigen beweging een offerte of meerdere offertes opvragen.
Artikel 5.6 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor keuring, reparatie, onderhoud en verzekering
Artikel 5.7 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor woningsanering
Indien de woning van de inwoner gesaneerd moet worden vanwege een longaandoening of een allergi¬sche aandoening, of indien een vloerbedekking vervangen moet worden omdat deze niet geschikt is om een rolstoel te kunnen gebruiken, worden de maximale vergoe¬dingsbedragen van gordijnen of vloerbedekking bere¬kend door de oppervlakte te vermenigvuldigen met het normbedrag onder a. Indien de te vervangen gordijnen of vloerbedekking ouder zijn dan twee jaren, wordt het normbedrag gewijzigd door daarvan, middels het percentage onder b, het deel te berekenen dat na afschrijving resteert.
Artikel 5.8 Persoonsgebonden budget voor verhuis-en inrichtingskosten en bezoekbaar maken van een woning
Artikel 5.9 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor vervoerskosten
Indien een inwoner geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, het collectief vraagafhankelijk vervoer niet mogelijk is, het eigen vervoer niet beschikbaar is en er op geen enkele andere manier een goedkopere en compenserende vervoersvoorziening gegeven kan worden, wordt aan de inwoner een persoonsgebonden budget verstrekt om met een reguliere taxi of rolstoeltaxi te reizen. Dat persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op basis van het feitelijke vervoerspatroon van de inwoner, maar met een maximum van 1.500 kilometer tegen een bedrag dat met het taxibedrijf wordt overeengekomen, maar maximaal het goedkoopste tarief van de reguliere taxi of rolstoeltaxi.
Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in het derde lid kan het college van de inwoner vragen om een offerte te overleggen van een taxibedrijf dat het vervoer waarvoor het persoonsgebonden budget is aangevraagd, kan leveren. Het college kan, ter verificatie van de overgelegde offerte, een tweede offerte van een ander taxibedrijf aan de inwoner vragen. Het college kan in de plaats van de inwoner uit eigen beweging een offerte of meerdere offertes opvragen.
Artikel 5.11 Hoogte van een persoonsbonden budget voor hulp bij het huishouden
De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek van de salarisschaal voor hulp bij het huishouden in de cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren, vermenigvuldigd met de omvang van de benodigde tijd voor hulp bij het huishouden.
Indien de inwoner en de zorgverlener een lager tarief zijn overeenkomen, dan wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget op die overeenkomst gebaseerd. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt niet gebaseerd op een overeenkomst waarin een lager loon dan dat wettelijk is toegestaan, is overeengekomen.
Artikel 5.12 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening
Voor een sportvoorziening wordt uitsluitend een gemaximeerd persoonsgebonden budget verstrekt. De hoogte is gelijk aan de werkelijke kosten van de sportvoorziening tot een maximum van € 3.727,72. Tegelijk met de verstrekking van de aanschafkosten wordt een forfaitair bedrag verstrekt van € 828,83 waarmee voor een periode van drie jaren een sportvoorziening aangepast, verzekerd, gerepareerd en onderhouden dient te worden. De werkelijke kosten van de sportvoorziening worden bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.
Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden kan het college van de inwoner vragen om een offerte te overleggen van een leverancier die de sportvoorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is aangevraagd, kan leveren. Die offerte moet ook een indicatie voor de onderhouds- en reparatiekosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan, ter verificatie van de overgelegde offerte, een tweede offerte van een andere leverancier aan de inwoner vragen. Het college kan in de plaats van de inwoner uit eigen beweging een offerte of meerdere offertes opvragen.
Als de inwoner nog steeds gebruikt maakt van de sportvoorziening kan, aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde periode van drie jaar, jaarlijks een forfaitair bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt worden van € 574,31 in de kosten van aanpassing, verzekering, onderhoud en reparatie van de sportvoorziening.
De tarieven in dit hoofdstuk zijn de bedragen zoals die gelden op 1 januari 2025. Deze bedragen worden geïndexeerd op de hierna volgende wijze.
De tarieven in artikel 5.3 worden jaarlijks verhoogd met een indexering. Voor wat betreft het bepalen van het indexeringspercentage wordt aangesloten bij de indexering die de gemeente betaalt aan de door haar gecontracteerde aanbieder voor de betreffende voorziening in natura. Als in het contract geen indexering is voorzien, dan wordt ook het persoonsgebonden budget niet verhoogd.
De tarieven in artikel 5.7, artikel 5.8 en artikel 5.12 worden jaarlijks per 1 januari verhoogd met de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daarvoor wordt het indexeringspercentage genomen van maart van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin gewijzigde bedragen gaan gelden.
Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten
Van een inwoner wordt, in beginsel, een eigen bijdrage gevraagd. De hoogte van die bijdrage wordt aan de hand van dit hoofdstuk berekend.
Hoofdstuk 7 Kwaliteit en veiligheid
Voorzieningen moeten van goede kwaliteit zijn en veilig zijn. In dit hoofdstuk staan de minimale kwaliteitseisen van de voorzieningen, zodat het voor de aanbieders en de zorg- en dienstverleners, maar ook voor de inwoners, inzichtelijk is welke eisen er gesteld worden aan de kwaliteit.
Artikel 7.2 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget
De professionele zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval:
te beschikken over een meldcode, conform het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden,
Artikel 7.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
Mantelzorg is het onbetaald geven van zorg aan familieleden of een andere sociale relatie. De wijze waarop de waardering voor de mantelzorgers wordt geuit, wordt in dit hoofdstuk geregeld.
Hoofdstuk 9 Klachten en medezeggenschap
In dit hoofdstuk is geregeld dat inwoners klachten kunnen indienen en dat zij inspraak kunnen leveren op het gemeentelijk beleid.
Artikel 9.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het gemeentelijk beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning via de Sociale Raad Tilburg, overeenkomstig de bepalingen die daarover zijn vastgelegd in de Verordening Sociale Raad Tilburg.
In dit afsluitend hoofdstuk staan regels over het gebruik van de hardheidsclausule, het overgangsrecht en regels rondom de inwerkingtreding.
Artikel 10.1 Hardheidsclausule
Het college kan, ten gunste van een inwoner, bepalingen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat de betekenis is van bepaalde begrippen die in deze verordening worden gebruikt. De begripsbepalingen in artikel 1.1 zijn aanvullend op de definities die in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 staan. Een aantal begrippen wordt hier nader toegelicht. De omschrijving van de algemeen gebruikelijke voorziening, onderdeel a, is gebaseerd op de uitspraak van de CRvB 20 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535, rechtsoverweging 4.2. De informele zorg- of dienstverlener, onderdeel r, is degene die jegens de inwoner gehouden is een voorziening te leveren en met een persoonsgebonden budget wordt betaald. Met deze term wordt een duidelijk onderscheid beoogd met de aanbieder uit artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren en dat dus in natura doet.
Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag
Inwoners van de gemeente kunnen met een hulpvraag bij Toegang Tilburg terecht. Omdat Toegang Tilburg namens het college de meldingen ontvangt, het gesprek met de inwoner voert en de eventuele aanvraag behandelt, wordt verder steeds over “het college” gesproken. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste procedureregels van het moment van de melding tot de beschikking. Met de melding in artikel 2.1 wordt de melding uit artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015 bedoeld. Lid 3, waarin staat genoemd hoe gehandeld zal worden als er sprake is van een spoedeisend geval, is een herhaling van artikel 2.3.3 Wmo 2015 en is omwille van de leesbaarheid in de verordening opgenomen.
Met het onderzoek in artikel 2.2 wordt hetzelfde onderzoek als in artikel 2.3.2 Wmo 2015 bedoeld. De Centrale Raad van Beroep heeft, op basis van artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015, een stappenplan ontwikkeld. Dat blijkt uit de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113, rechtsoverweging 4.1.5. Het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep is in artikel 2.2 opgenomen. Voor het geval dat het onderzoek ertoe gaat leiden dat een maatwerkvoorziening nodig zal zijn, wordt in het onderzoek ook gekeken of het nodig zal zijn om een eventuele maatwerkvoorziening af te stemmen op de inwoner; daarom maken de elementen uit artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 ook onderdeel uit van het onderzoek. Dat betekent dat de elementen in lid 1 onderdelen d en e niet betrokken worden bij de oordeelsvorming of er gecompenseerd moet worden, maar dat ze van belang kunnen zijn om rekening mee te houden als een maatwerkvoorziening wordt toegekend. Met de bepaling dat in het onderzoek naar de eigen kracht, de gebruikelijke hulp, de mantelzorg en de hulp vanuit het sociale netwerk rekening wordt gehouden met de draagkracht en draaglast, wordt bedoeld dat niet alleen de aanwezigheid van deze hulp wordt geïnventariseerd, maar dat ook wordt bekeken of de personen die tot deze categorieën behoren hiertoe fysiek en psychisch in staat zijn. Het betrekken van het persoonlijk plan bij het onderzoek, in lid 3, is een herhaling van artikel 2.3.2 lid 5 Wmo 2015. Ook het tonen van een identiteitsbewijs voordat het gesprek begint, zoals staat te lezen in lid 4, betreft een herhaling van artikel 2.3.4 lid 1 Wmo 2015. Deze herhalingen zijn omwille van de leesbaarheid in de verordening opgenomen. In lid 5 is bepaald dat de vertegenwoordiging of machtiging voor bijstand van de inwoner geweigerd wordt als de gemachtigde of vertegenwoordiger tevens de zorg- of dienstverlener van de inwoner is of wil worden. De uitzondering op deze regel zijn degenen die een gezamenlijke huishouding met de inwoner voeren en de familieleden die tot en met de derde graad bloed- of aanverwantschap tot de inwoner staan. De graden van bloed- en aanverwantschap worden vastgesteld op de wijze als bedoeld in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek. Met deze bepaling wordt de mogelijkheid tot een ongewenste belangenverstrengeling, waarbij de gemachtigde of vertegenwoordiger enerzijds de inwoner vertegenwoordigt en voor diens belangen opkomt en anderzijds een eigen financieel belang heeft bij de uitkomsten, beperkt.
Met de aanvraag in artikel 2.3 wordt de aanvraag uit artikel 2.3.5 lid 1 Wmo 2015, in samenhang gelezen met artikel 1:3 lid 3 Awb, bedoeld. In lid 2 is bepaald dat een plan van aanpak ook als aanvraag wordt beschouwd als deze binnen tien werkdagen ondertekend en teruggestuurd wordt. In lid 3 is bepaald dat als de inwoner een persoonsgebonden budget aanvraagt, dat hij een budgetplan met de aanvraag meestuurt. De inhoud van het budgetplan die vereist wordt, is gericht op de beoordeling van de vereisten uit artikel 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015.
In artikel 2.5 staat een aantal elementen die in de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staan. In lid 3 staat dat het college de bevoegdheid heeft om bij nadere regeling voor specifieke maatwerkvoorzieningen te bepalen dat een ondertekening van het plan van aanpak door het college de beschikking wordt.
Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen
In dit hoofdstuk staan de algemene bepalingen over de algemene voorzieningen van de gemeente Tilburg. Het begrip van de algemene voorziening in artikel 3.1 heeft, gelet op artikel 1.1 lid 2, dezelfde betekenis als in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt, naast de bepalingen uit de wet, getoetst aan de voorwaarden en de weigeringsgronden die in dit hoofdstuk staan. Dit hoofdstuk is daarmee de toetssteen van de aanvragen. In artikel 4.1 lid 1en lid 2 staan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.3.5, lid 3 en lid 4 Wmo 2015, dat een maatwerkvoorziening pas verstrekt wordt als uit het onderzoek is gebleken dat de beperkingen of problemen niet met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen worden verminderd of weggenomen. In lid 4 is bepaald dat het college de goedkoopste voorziening inzet als er meerdere voorzieningen geschikt zouden zijn.
Artikel 4.2 is een specifieke uitwerking van de situatie die in artikel 4.1 lid 4 staat. Het gaat daarbij om de mogelijkheid van het verhuizen enerzijds en het toekennen van een woonvoorziening anderzijds. In de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 149, staat de mogelijkheid van deze afweging genoemd. In het geval dat verhuizen naar een geschikte woning de goedkoopste voorziening zou zijn, dan zou deze op grond van artikel 4.1 lid 4 altijd voorrang krijgen. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat een verhuisprimaat in de verordening is toegestaan, CRvB 9 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6971, rechtsoverweging 4.6, maar dat ook getoetst moet worden of een verhuizing in het concrete geval wel een passende bijdrage is. Daarom bepaalt lid 2 dat niet alleen het feit dat een verhuizing goedkoper is, voldoende is om het verhuisprimaat aan de inwoner voor te houden; ook de beschikbaarheid van een woning, de omvang van het kostenverschil en een beoordeling van de individuele omstandigheden en persoonlijke belangen, worden meegewogen in het oordeel of een verhuizing in die situatie geschikt en evenredig is. De verhuiskostenvergoeding is daarmee de goedkoopste voorziening waarmee het college aan de compensatieplicht voldoet, ook in het geval dat de inwoner niet wil verhuizen. De Centrale Raad van Beroep heeft namelijk bepaald dat het ontbreken van de wil om te verhuizen niet met zich meebrengt dat niet vastgehouden kan worden aan het verhuisprimaat, CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2602, rechtsoverweging 4.4. In het geval dat een inwoner wel kan verhuizen, wordt aan hem een huisvestingsindicatie gegeven, ook wel verhuisverklaring genoemd, die twaalf maanden geldig is. Daarmee kan de inwoner als woningzoekende voorrang krijgen op woonruimte die geschikt is.
In artikel 4.3 staan de weigeringsgronden. Daarmee wordt verdere invulling gegeven aan artikel 2.1.3 lid 2 aanhef en onderdeel a Wmo 2015 waarin staat dat in de verordening moet zijn opgenomen op basis van welke criteria bepaald wordt of een inwoner een maatwerkvoorziening krijgt.
Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten
De gemeente kan de zorg zelf organiseren in natura, maar in plaats daarvan ook een persoonsgebonden budget toekennen. Daarmee kan de inwoner zelf de zorg inkopen. In dit hoofdstuk staan regels over het persoonsgebonden budget. Deze regels zijn aanvullend op de bepalingen uit de Wmo 2015. In artikel 5.1 staan de algemene regels die voor een persoonsgebonden budget gelden. In lid 1 staat als eerste de voorwaarde genoemd dat een inwoner in aanmerking moet komen voor een maatwerkvoorziening. Dat betekent dat de melding, het onderzoek en de aanvraag uit hoofdstuk 2 en de criteria uit hoofdstuk 4 ook van toepassing zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een persoonsgebonden budget. Aan de hand van het budgetplan wordt getoetst of voldaan wordt aan de criteria uit artikel 2.3.6 lid 2 Wmo 2015 om een persoonsgeboden budget te verstrekken. In lid 2 staat een aantal beperkingen voor de besteding van een persoonsgebonden budget. Met onderdeel h, waarin staat dat een persoonsgebonden budget niet mag worden besteed aan een eenmalige uitkering, wordt bedoeld dat er geen resterend budget wordt uitgekeerd als de zorgovereenkomst plotseling gestopt is door, bijvoorbeeld, overlijden of definitieve opname van de inwoner. In lid 3 wordt genoemd dat een persoonsgebonden budget, in beginsel, niet buiten Nederland mag worden besteed. In beginsel, want het college heeft de ruimte om bij nadere regeling de criteria te bepalen wanneer daarvan afgeweken mag worden. De Wmo 2015 heeft, onder meer, als doel om mensen in staat te stellen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving – dus thuis – te blijven. Dat blijkt uit artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Een besteding van het persoonsgebonden budget buiten Nederland zou dan in strijd kunnen komen met dat doel. In lid 4 en lid 5 staat een beperking ten aanzien van de vertegenwoordiger van de inwoner; de zorg- of dienstverlener mag niet tevens het persoonsgebonden budget beheren. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de familieleden tot en met de derde graad van bloed- of aanverwantschap of de persoon die samen met de inwoner een gezamenlijke huishouding voert. De graden van bloed- en aanverwantschap worden vastgesteld op de wijze als bedoeld in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek. In lid 6 staat dat het college de bevoegdheid heeft om aan de Sociale verzekeringsbank te vragen om de betalingen uit het persoonsgebonden budget op te schorten; onderdeel b vult de bevoegdheid uit artikel 2b lid 6 aanhef en onderdeel g Uitvoeringsregeling Wmo 2015 aan.
In artikel 5.2 staan de algemene regels die gelden voor de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget.
Artikel 5.3 bevat de aanvullende criteria voor de diensten. In lid 2 wordt de definitie van de professionele zorg- of dienstverlener gegeven. Als de beoogde zorg- of dienstverlener niet aan de criteria van lid 2 voldoet, dan kan hij nog wel een informele zorg- of dienstverlener, als bedoeld in lid 3, zijn. Dat geldt ook voor de zorg- of dienstverlener die zijn diensten bedrijfsmatig verleent, maar die niet aan de bepalingen van lid 2 voldoet. Deze informele zorg- of dienstverlener moet dan wel geschikt zijn om het beoogde resultaat te bereiken; op grond van artikel 2.3.6 lid 2 aanhef en onderdeel c Wmo 2015 moeten de diensten namelijk, naast veilig en inwonergericht, doeltreffend zijn. In lid 7 wordt voor de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget, waarmee de individuele begeleiding door een informele zorg- of dienstverlener wordt betaald, verwezen naar de hoogste periodiek van salarisschaal FWG 30 van de cao VVT. De Centrale Raad van Beroep heeft namelijk geoordeeld dat deze periodiek de minimale hoogte van het uurtarief voor individuele begeleiding is, CRvB 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580, rechtsoverweging 4.4.2. In lid 8 wordt een uitzondering gemaakt op alle eerdere regels voor het geval dat de beoogd zorg- of dienstverlener die middels een persoonsgebonden budget zal worden betaald, tevens een gecontracteerde aanbieder voor de gemeente Tilburg is.
In de artikelen 5.4 tot en met 5.12 staan de aanvullende criteria voor een persoonsgebonden budget voor specifieke voorzieningen.
Artikel 5.13 regelt de indexeringen van de bedragen die in hoofdstuk 5 staan. In lid 3 staat de opdracht aan het college om jaarlijks de maximale bedragen te publiceren.
Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten
Van een inwoner wordt, in beginsel, een eigen bijdrage gevraagd. De hoogte van die bijdrage wordt aan de hand van dit hoofdstuk berekend. In artikel 6.1 lid 1 wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 2.1.4a lid 1 en lid 2 Wmo 2015 om bij verordening te bepalen dat een inwoner een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is voor een maatwerkvoorziening, zolang van die voorziening gebruik gemaakt wordt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. In lid 2 is bepaald dat ouders of voogden deze bijdrage moeten betalen als de inwoner minderjarig is en aan hem een woningaanpassing, of een persoonsgebonden budget om die te realiseren, verstrekt is. Lid 3 bepaalt dat het college bij nadere regeling kan bepalen dat voor bepaalde maatwerkvoorzieningen geen eigen bijdrage betaald hoeft te worden.
In artikel 6.2 staat de wijze waarop de hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld. Het uitgangspunt is dat de inwoner, op grond van lid 1, het abonnementstarief, waarvan de hoogte in artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 staat, betaalt. In lid 2 en lid 3 staat een uitzondering op het eerste lid; artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 maakt het mogelijk om voor vervoersvoorzieningen een eigen bijdrage op een andere wijze te bepalen. De actuele tarieven worden door Regiovervoer Midden-Brabant gepubliceerd op regiovervoermiddenbrabant.nl. In lid 4 staat de andere uitzondering die krachtens de wet in formele zin al is geregeld; omwille van de volledigheid is deze bepaling in de verordening opgenomen. Artikel 2.1.4a lid 7 Wmo 2015 en de paragrafen 3 en 4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepalen al dat op de eigen bijdrage voor beschermd wonen en opvang het abonnementstarief niet van toepassing is. De wetgever heeft deze intramurale ondersteuningsvormen uitgezonderd van het abonnementstarief, Kamerstukken II, 2018/19, 35093, nr. 3, p. 4. In lid 6 staat te lezen hoe de kostprijs, als bedoeld in lid 1, wordt bepaald.
Hoofdstuk 7 Kwaliteit en veiligheid
Voorzieningen moeten van goede kwaliteit zijn en veilig zijn. In dit hoofdstuk staan de minimale kwaliteitseisen van de voorzieningen, zodat het voor de aanbieders en de zorg- en dienstverleners, maar ook voor de inwoners, inzichtelijk is welke eisen er gesteld worden aan de kwaliteit. In artikel 7.1 lid 1 staan de kwaliteitseisen voor voorzieningen die in natura worden geleverd. In lid 2 is bepaald dat het college bij nadere regeling de kwaliteitseisen kan aanvullen.
Artikel 7.2 lid 1 benoemt de kwaliteitseisen voor de diensten die de inwoner met een persoonsgebonden budget betaalt. Voor de professionele zorg- of dienstverlener gelden aanvullende kwaliteitseisen; deze staan in lid 2. De kwaliteitseisen in lid 1 en lid 2 zijn geen limitatieve opsommingen, omdat tussen de inwoner en de zorg- of dienstverlener, op grond van artikel 2a lid 1 Uitvoeringsregeling Wmo 2015, een zorgovereenkomst gesloten wordt en het mogelijk is dat in die overeenkomst nog aanvullende kwaliteitseisen opgenomen worden. Op grond van lid 3 heeft het college de bevoegdheid om bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen voor de zorg- of dienstverlener vast te stellen.
De regels in artikel 7.3 zijn gebaseerd op artikel 2.6.6 lid 1 Wmo 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. In lid 1 is geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. Bij het vaststellen van de prijs moet het college, zo bepaalt lid 2, rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. In lid 3 staan de kostprijselementen waar het college de vaste prijs of de reële prijs minimaal op moet baseren. In lid 4 is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen.
Artikel 7.4 lid 1 bepaalt dat het college een regeling treft voor het melden van calamiteiten. Daarmee wordt beoogd om het voor de aanbieders duidelijk te maken hoe zij kunnen voldoen aan de verplichting uit artikel 3.4 lid 1 aanhef en onderdeel a Wmo 2015 in geval er zich een calamiteit heeft voorgedaan bij de verstrekking van de voorziening. Omwille van de leesbaarheid is diezelfde verplichting nogmaals in lid 2 opgenomen. In lid 3 is deze verplichting ook opgenomen voor de zorg- of dienstverleners die met een persoonsgebonden budget worden betaald.
In artikel 7.5 wordt de bevoegdheid aan het college gegeven om beleidsregels vast te stellen voor de handhaving van de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 3 Wmo 2015, de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 7 van deze verordening en de regels die krachtens deze bepalingen zijn vastgesteld. De Wmo 2015 kent zelf geen handhavingsbevoegdheden, zoals een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom. Daarom worden, naast de herziening of intrekking van een beschikking op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015, andere maatregelen genomen, zoals het opleggen van een verbeterplan aan de aanbieder of de zorg- of dienstverlener, waarin vermeld staat welke normen van het college verbeterd moeten worden. Omdat het opleggen van een verbeterplan geen grondslag heeft in de Wmo 2015, wordt de collegebevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels in deze verordening geregeld. Daarmee wordt voldaan aan de bepaling uit artikel 4:81 lid 2 Awb.
Mantelzorg is het onbetaald geven van zorg aan familieleden of een andere sociale relatie. In artikel 8.1 is de bevoegdheid van het college opgenomen om ondersteuning te bieden ten behoeve van het behoud van de mantelzorger. Hoewel in het onderzoek rekening gehouden wordt met de balans tussen de draagkracht en draaglast, kan later alsnog blijken dat het noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten door aan de inwoner een maatwerkvoorziening te verstrekken.
Hoofdstuk 9 Klachten en medezeggenschap
In dit hoofdstuk is geregeld dat inwoners klachten kunnen indienen en dat zij inspraak kunnen leveren op het gemeentelijk beleid. Artikel 9.1 lid 1 wordt invulling gegeven aan de bepaling van artikel 2.1.3 lid 2 aanhef en onderdeel d Wmo 2015 door te bepalen dat, in beginsel, alle aanbieders een klachtenregeling moeten hebben. In lid 3 is bepaald dat er een uitzondering van de verplichting uit lid 1 gemaakt kan worden als het verlangen van een klachtregeling, vanuit het oogpunt van de grootte van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht, onevenredig zou zijn. In lid 4 is bepaald dat deze verplichting en de mogelijkheid om een uitzondering te maken ook gelden voor zorg- en dienstverleners die betaald worden vanuit een persoonsgebonden budget. In lid 2 is bepaald dat het college toezicht houdt op de naleving van de klachtregelingen van de aanbieders. Het houden van toezicht op de naleving van de verplichtingen door de zorg- dienstverleners gebeurt door de, op grond van artikel 6.1 lid 1 Wmo 2015, aangewezen toezichthouders.
In artikel 9.2 lid 1 wordt invulling gegeven aan de bepaling van artikel 2.1.3 lid 2 aanhef en onderdeel e Wmo 2015 door te bepalen dat, in beginsel, alle aanbieders een medezeggenschapsregeling moeten hebben. In lid 3 is bepaald dat er een uitzondering van de verplichting uit lid 1 gemaakt kan worden als het verlangen van een medezeggenschapsregeling, vanuit het oogpunt van de grootte van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht, onevenredig zou zijn. In lid 2 is bepaald dat het college toezicht houdt op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van de aanbieders.
Artikel 9.3 verwijst voor het betrekken van ingezetenen bij de voorbereiding van het beleid naar de Verordening Sociale Raad Tilburg, waarmee de raad invulling heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2.1.3 lid 3 Wmo 2015.
In dit afsluitend hoofdstuk staan regels over het gebruik van de hardheidsclausule, het overgangsrecht en regels rondom de inwerkingtreding. In artikel 10.1 is een hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan dus nooit ten nadele van de betrokken inwoner gebeuren. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
Het overgangsrecht is in artikel 10.2 opgenomen. Op een aanvraag wordt beslist op grond van de nu geldende verordening, ook als de aanvraag eerder is ingediend. Als de beslissing op grond van de oude verordening is genomen en tegen die beslissing bezwaar wordt gemaakt, wordt de heroverweging op basis van die oude verordening gemaakt, tenzij het voor de inwoner gunstiger uitvalt om de nieuwe verordening bij de heroverweging te betrekken.
In artikel 10.3 lid 2 wordt bepaald hoe de verordening wordt aangehaald.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-549403.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.