Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026

De gemeenteraad van de gemeente Tilburg,

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders,

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4a, eerste tot en met derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het artikel 4:81, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en de artikelen 3.8, eerste lid, en 5.4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015,

 

b e s l u i t

  • 1.

    de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025, gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, nr. 496005, per 1 januari 2026 in te trekken,

  • 2.

    vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat de betekenis is van bepaalde begrippen die in deze verordening worden gebruikt.

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de regelingen die daaronder vallen, wordt verstaan onder:

    • a.

      algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau en een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is;

    • b.

      bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4a, eerste lid, van de wet;

    • c.

      cao VVT: de collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst voor de sector verpleeg-, verzorgingshuizen, thuiszorg en jeugdgezondheidszorg;

    • d.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg;

    • e.

      eigen kracht: de mogelijkheden die de inwoner daadwerkelijk heeft om zelf, en met enige hulp van anderen, zijn beperkingen op te lossen, te doen verminderen of te stabiliseren,

    • f.

      gemeente: de gemeente Tilburg;

    • g.

      gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • h.

      hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • i.

      informele zorg- of dienstverlener: een persoon die zorg verleent op basis van een persoonsgebonden budget en geen professionele zorg- of dienstverlener is;

    • j.

      inwoner: de cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet;

    • k.

      melding: kenbaar maken van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • l.

      onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • m.

      persoonlijk plan: plan waarin de inwoner de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

    • n.

      plan van aanpak: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet;

    • o.

      professionele zorg- of dienstverlener: de persoon die voldoet aan de vereisten van artikel 5.3, tweede lid;

    • p.

      Toegang Tilburg: een samenwerkingsverband van maatschappelijke organisaties en de gemeente Tilburg, dat op wijkniveau hulpvragen van inwoners afhandelt in opdracht van het college, maar geen beslissing op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget neemt;

    • q.

      wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • r.

      woonvoorziening: roerende zaak dan wel bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning of voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten;

    • s.

      zorg- of dienstverlener: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens de inwoner gehouden is een voorziening te leveren en die daarvoor middels een persoonsgebonden budget wordt betaald.

  • 2.

    Andere begrippen die in deze verordening worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.2 Doelgroep van deze verordening

  • 1.

    Deze verordening richt zich op personen:

    • a.

      die hun woonplaats hebben in de gemeente, en

    • b.

      die hun zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren en daar ondersteuning bij nodig hebben, of

    • c.

      die, al dan niet woonachtig in de gemeente, als mantelzorger ondersteuning aan een inwoner van de gemeente bieden.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid richt de verordening zich wat betreft de maatwerkvoorzieningen opvang en beschermd wonen op ingezetenen van Nederland die in Tilburg ondersteuning zoeken.

Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag

Inwoners van de gemeente kunnen met een hulpvraag bij Toegang Tilburg terecht. Omdat Toegang Tilburg namens het college de meldingen ontvangt, het gesprek met de inwoner voert en de eventuele aanvraag behandelt, wordt verder steeds over “het college” gesproken. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste procedureregels van het moment van de melding tot de beschikking.

Artikel 2.1 Melding

  • 1.

    Een melding kan door de inwoner schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen tien werkdagen, een afspraak voor een gesprek.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 2.2 Onderzoek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek met de inwoner, voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner,

    • b.

      of de inwoner problemen, stoornissen of beperkingen heeft, en zo ja:

      • i.

        welke problemen de inwoner ondervindt bij zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, of het zich kunnen handhaven in de samenleving,

      • ii.

        welke ondersteuning er nodig is, en

      • iii.

        de mogelijkheden van de inwoner om zelf op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg en met hulp van anderen uit zijn sociaal netwerk in de ondersteuning te voorzien,

    • c.

      de mogelijkheden om in de behoefte aan ondersteuning te voorzien door gebruik te maken van een voorziening buiten de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, een algemene voorziening, een algemeen gebruikelijke voorziening en de mogelijkheden van een persoonsgebonden budget,

    • d.

      de manier waarop een maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, scholing, welzijn, wonen, werk en inkomen, en

    • e.

      hoe zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienst, levensovertuiging en culturele achtergrond van de inwoner bij het bepalen van een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Bij het onderzoek naar de eigen kracht, de gebruikelijke hulp, de mantelzorg en de hulp van anderen uit het sociaal netwerk, betrekt het college ook de draagkracht en draaglast van de inwoner en de betrokkenen.

  • 3.

    Als de inwoner een persoonlijk plan heeft opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek.

  • 4.

    De inwoner laat voor het gesprek een geldig identificatiedocument zien als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 5.

    Als de inwoner zich laat bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde:

    • a.

      die tevens de zorg- of dienstverlener van de inwoner is of die beoogt deze te worden, of die werkzaam is voor de zorg- of dienstverlener van de inwoner of die beoogt deze te worden, en

    • b.

      die niet in eerste, tweede of derde graad van bloed- of aanverwantschap tot de inwoner staat, of die een gezamenlijke huishouding met de inwoner voert, weigert het college de bijstand of vertegenwoordiging van die persoon.

  • 6.

    Het college kan, na overleg met de inwoner, afzien van een gesprek.

  • 7.

    Zo spoedig mogelijk na het gesprek wordt een verslag van het onderzoek gemaakt, dat opgenomen wordt in een plan van aanpak. Daarin staat een advies over de hulpvraag.

Artikel 2.3 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door de inwoner schriftelijk ingediend bij het college.

  • 2.

    Een plan van aanpak dat binnen tien werkdagen aan het college wordt teruggestuurd en waaruit door ondertekening de instemming blijkt van de inwoner of zijn vertegenwoordiger, wordt beschouwd als aanvraag. Opmerkingen of aanvullingen die de inwoner toevoegt aan het plan van aanpak, maken onderdeel uit van de aanvraag.

  • 3.

    Als de inwoner een aanvraag indient en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, dan dient de inwoner bij de aanvraag een budgetplan mee te sturen, waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      hoe de inwoner zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren,

    • b.

      wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te ontvangen,

    • c.

      welke voorziening de inwoner met het persoonsgebonden budget zou willen inkopen en bij welke zorg- of dienstverlener,

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en op welke wijze duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt, en

    • e.

      de kosten van de voorziening, uitgedrukt in het aantal eenheden en het tarief.

Artikel 2.4 Voorschriften

Het college kan voorschriften verbinden aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening.

Artikel 2.5 Inhoud beschikking

  • 1.

    In een beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening geeft het college in ieder geval aan of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    Indien aan de maatwerkvoorziening voorschriften zijn verbonden, dan worden die voorschriften in de beschikking opgenomen.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura worden in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt en wat het beoogde resultaat daarvan is,

    • b.

      de ingangsdatum en de duur van de verstrekking, en

    • c.

      de hoogte van de eigen bijdrage.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regeling maatwerkvoorzieningen in natura benoemen waarvoor het plan van aanpak, na ondertekening door de inwoner en het college, de beschikking vormt.

  • 5.

    In de beschikking tot verstrekking van een persoonsgebonden budget wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      aan welk doel het persoonsgebonden budget moet worden besteed,

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget,

    • c.

      wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe deze is vastgesteld,

    • d.

      de ingangsdatum en de duur van de verstrekking,

    • e.

      de voorwaarden die aan het persoonsgebonden budget verbonden zijn,

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget, en

    • g.

      de hoogte van de eigen bijdrage.

Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen

In dit hoofdstuk staan de algemene bepalingen over de algemene voorzieningen van de gemeente Tilburg.

Artikel 3.1 Algemene bepalingen over algemene voorzieningen

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat er algemene voorzieningen beschikbaar zijn die bijdragen aan de zelfredzaamheid, participatie, het beschermd wonen en de opvang van de inwoners van de gemeente. Hieronder vallen in ieder geval de in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen.

  • 2.

    Een algemene voorziening kan bedoeld zijn voor alle inwoners van de gemeente of voor een specifieke doelgroep. De algemene voorziening staat open voor mensen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben en onderdeel zijn van de doelgroep van de voorziening. Hiervoor is geen onderzoek nodig.

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt, naast de bepalingen uit de wet, getoetst aan de voorwaarden en de weigeringsgronden die in dit hoofdstuk staan. Dit hoofdstuk is daarmee de toetssteen van de aanvragen.

Artikel 4.1 Voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als uit het onderzoek is gebleken dat de beperkingen niet met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen worden verminderd of weggenomen.

  • 2.

    Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als uit het onderzoek is gebleken dat de inwoner de problemen niet met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen worden verminderd of weggenomen.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling aanvullende regels stellen over de maatwerkvoorzieningen die op grond van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.

  • 4.

    Het college zet voorzieningen in die geschikt zijn om het beoogde resultaat te bereiken. Zijn er meerdere geschikte voorzieningen beschikbaar, dan zet het college de goedkoopste voorziening in.

Artikel 4.2 Verhuizen en de verhuiskostenvergoeding

  • 1.

    Indien een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening zijnde een woonvoorziening, maar een verhuizing zou de goedkoopste voorziening zijn, dan heeft de verhuizing het primaat.

  • 2.

    Het college past het primaat van verhuizen uitsluitend toe:

    • a.

      als er binnen een medisch aanvaardbare termijn een geschikte woning beschikbaar is,

    • b.

      het kostenverschil tussen de woonvoorziening en de verhuiskosten aanzienlijk is, en

    • c.

      na een beoordeling van de individuele omstandigheden en de persoonlijke belangen van de inwoner, waaruit geconcludeerd kan worden dat een verhuizing daadwerkelijk een compenserende voorziening zal zijn.

  • 3.

    Indien het college het primaat van verhuizen kan toepassen, maar de inwoner wil niet verhuizen, dan kent het college in de plaats van een woonvoorziening een bedrag ter hoogte van een verhuiskostenvergoeding toe.

  • 4.

    Indien het college het primaat van verhuizen kan toepassen en de inwoner wil verhuizen, dan verstrekt het college een huisvestingsindicatie met een geldigheid van twaalf maanden. Daarmee kan de inwoner zich als woningzoekende inschrijven bij een woningcoöperatie in de gemeente en voorrang krijgen op een woning die geschikt is.

Artikel 4.3 Weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen

In samenhang met de voorwaarden uit artikel 4.1 weigert het college een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de volgende gevallen.

  • 1.

    De geschikte maatwerkvoorziening die niet de goedkoopste voorziening is, wordt niet verstrekt.

  • 2.

    De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

  • 3.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:

    • a.

      als uit het onderzoek is gebleken dat de beperkingen van de inwoner met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen worden gecompenseerd,

    • b.

      als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat,

    • c.

      als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd,

    • d.

      als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding maar voor datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven en de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen,

    • e.

      als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is, tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt,

    • f.

      als deze niet in overwegende mate op de inwoner is gericht, of

    • g.

      als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.

  • 4.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie als deze niet langdurig noodzakelijk is.

  • 5.

    Het college verstrekt geen woonvoorziening:

    • a.

      als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen,

    • b.

      als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen,

    • c.

      ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning,

    • d.

      als het een voorziening in een gemeenschappelijke ruimte betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte,

    • e.

      als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is,

    • f.

      als de inwoner een doelgroepengebouw bewoont en de aan te brengen voorziening voor die doelgroep algemeen gebruikelijk is,

    • g.

      als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college, of

    • h.

      als de voorziening in het geval van nieuwbouw, reconstructie of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten

De gemeente kan de zorg zelf organiseren in natura, maar in plaats daarvan ook een persoonsgebonden budget toekennen. Daarmee kan de inwoner zelf de zorg inkopen. In dit hoofdstuk staan regels over het persoonsgebonden budget. Deze regels zijn aanvullend op de bepalingen uit de Wmo 2015.

Artikel 5.1 Algemene regels voor een persoonsgebonden budget

  • 1.

    Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college, onder andere aan de hand van het budgetplan als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet opgenomen voorwaarden.

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, voor tussenpersonen of voor belangenbehartigers,

    • b.

      kosten voor het voeren van een administratie van het persoonsgebonden budget,

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een persoonsgebonden budget,

    • d.

      kosten voor huisvesting,

    • e.

      contributie voor een belangenorganisatie,

    • f.

      de bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid,

    • g.

      kosten voor een feestdagenuitkering, of

    • h.

      een eenmalige uitkering.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget mag niet buiten Nederland worden besteed. Het college kan bij nadere regeling bepalen onder welke criteria het persoonsgebonden budget buiten Nederland mag worden besteed.

  • 4.

    Een persoonsgebonden budget kan niet worden beheerd door de persoon of organisatie die de zorg of dienst bedrijfs- of beroepsmatig verleent.

  • 5.

    De informele zorg- of dienstverlener als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, kan een persoonsgebonden budget beheren, mits hij in eerste, tweede of derde graad van bloed- of aanverwantschap tot de inwoner staat of een gezamenlijke huishouding met de inwoner voert.

  • 6.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten

    • a.

      als duidelijk is dat de inwoner het persoonsgebonden budget in die periode anders ten onrechte kan inzetten, of

    • b.

      als ten aanzien van een inwoner een vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onderdeel a, d of e, van de wet.

  • 7.

    De voorzieningen dagopvang en ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding kunnen alleen met een persoonsgebonden budget worden ingekocht bij een zorg- of dienstverlener als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid. Het college kan van deze regel afwijken als de inwoner of de beoogde zorg- of dienstverlener bewijzen dat de kwaliteit gewaarborgd is.

Artikel 5.2 Hoogte van een persoonsgebonden budget

De hoogte van een persoonsgebonden budget:

  • a.

    wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te kopen, en

  • b.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

Artikel 5.3 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor diensten

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor begeleiding, dagopvang, ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding of kortdurend verblijf wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en informele zorg- of dienstverleners.

  • 2.

    Van een professionele zorg- of dienstverlener is sprake als de zorg of de dienst verleend wordt door een persoon:

    • a.

      die werkzaam is bij een instelling of die aangemerkt is als zelfstandige zonder personeel die, ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren activiteit, ingeschreven staat in het handelsregister, en

    • b.

      die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende activiteit, en

    • c.

      die niet in eerste, tweede of derde graad van bloed- of aanverwantschap tot de inwoner staat, of die niet een gezamenlijke huishouding met de inwoner voert, of die niet behoort tot het sociaal netwerk van de inwoner.

  • 3.

    Van een informele zorg- of dienstverlener is sprake als de zorg of de dienst geboden wordt door een andere persoon dan bedoeld in het tweede lid.

  • 4.

    De professionele zorg- of dienstverlener moet voldoen aan de kwaliteitseisen in artikel 7.2, eerste en tweede lid.

  • 5.

    De informele zorg- of dienstverlener moet voldoen aan de kwaliteitseisen in artikel 7.2, eerste lid.

  • 6.

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.2 is de hoogte van het persoonsgebonden budget voor professionele zorg- of dienstverleners:

    • a.

      voor begeleiding gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van € 69,39 per uur,

    • b.

      voor dagopvang gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van € 31,20 per dagdeel,

    • c.

      voor ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van € 31,12 per dagdeel,

    • d.

      voor kortdurend verblijf gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van

      • i.

        € 105,10 per etmaal, inclusief vijf uren begeleiding,

      • ii.

        € 138,77 per etmaal, inclusief negen uren begeleiding,

      • iii.

        € 172,45 per etmaal, inclusief dertien uren begeleiding, en

    • e.

      voor beschermd thuis gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten tot het maximum van € 65,94 per etmaal.

  • 7.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget voor informele zorg- of dienstverleners wordt gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek in salarisschaal FWG 30 van de cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

  • 8.

    In afwijking van het zesde en zevende lid wordt het persoonsgebonden budget dat de inwoner of diens vertegenwoordiger beogen te verzilveren bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder voor het leveren van zorg in natura, vastgesteld op dezelfde hoogte van het bedrag dat de aanbieder zou ontvangen als de inwoner zijn maatwerkvoorziening in natura zou ontvangen.

Artikel 5.4 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel bedraagt niet meer dan de kostprijs van de goedkoopst compenserende zaak die de inwoner op datzelfde moment zou hebben ontvangen als deze als maatwerkvoorziening in natura zou zijn verstrekt. De kostprijs:

    • a.

      is het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de aanbieder waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, of

    • b.

      is het bedrag van de tegenwaarde van de huurprijs zoals die door de gemeente aan de leverancier wordt betaald, in het geval dat de goedkoopst compenserende voorziening in natura de huur van die betreffende voorziening is, of

    • c.

      is het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte, als de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft afgesloten.

  • 2.

    Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college van de inwoner vragen om een offerte te overleggen van een leverancier die het hulpmiddel waarvoor het persoonsgebonden budget is aangevraagd, kan leveren. Het college kan, ter verificatie van de overgelegde offerte, een tweede offerte van een andere leverancier aan de inwoner vragen. Het college kan in de plaats van de inwoner uit eigen beweging een offerte of meerdere offertes opvragen.

Artikel 5.5 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.

  • 2.

    Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden kan het college van de inwoner vragen om een offerte te overleggen van een leverancier die de woonvoorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is aangevraagd, kan leveren. Het college kan, ter verificatie van de overgelegde offerte, een tweede offerte van een andere leverancier aan de inwoner vragen. Het college kan in de plaats van de inwoner uit eigen beweging een offerte of meerdere offertes opvragen.

Artikel 5.6 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor keuring, reparatie, onderhoud en verzekering

  • 1.

    Een persoonsgebonden budget voor keuring, onderhoud, reparatie of verzekering van een met een persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening wordt verstrekt als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is.

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget ten behoeve van keuring, onderhoud, reparatie en verzekering, wordt eenmaal per kalenderjaar uitgekeerd. Het persoonsgebonden budget dat in de loop van een kalenderjaar wordt verstrekt, wordt naar rato berekend.

Artikel 5.7 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor woningsanering

  • 1.

    Indien de woning van de inwoner gesaneerd moet worden vanwege een longaandoening of een allergi¬sche aandoening, of indien een vloerbedekking vervangen moet worden omdat deze niet geschikt is om een rolstoel te kunnen gebruiken, worden de maximale vergoe¬dingsbedragen van gordijnen of vloerbedekking bere¬kend door de oppervlakte te vermenigvuldigen met het normbedrag onder a. Indien de te vervangen gordijnen of vloerbedekking ouder zijn dan twee jaren, wordt het normbedrag gewijzigd door daarvan, middels het percentage onder b, het deel te berekenen dat na afschrijving resteert.

    • a.

      De normbedragen zijn:

      • i.

        voor overgordijnen woonkamer: € 43,56 per vierkante meter raamoppervlak,

      • ii.

        voor overgordijnen slaapkamer: € 31,21 per vierkante meter raamoppervlak,

      • iii.

        voor vitrage woon- en slaapkamer: € 28,68 per vierkante meter raamoppervlak,

      • iv.

        voor vloerbedekking woonkamer: € 23,25 per vierkante meter vloeroppervlak, en

      • v.

        voor vloerbedekking slaapkamer: € 20,52 per vierkante meter vloeroppervlak.

    • b.

      De percentages zijn:

      • i.

        bij een levensduur tot twee jaren: 100 % van het normbedrag,

      • ii.

        bij een levensduur tot vier jaren: vergoeding van 75 % van het normbedrag,

      • iii.

        bij een levensduur tot zes jaren: vergoeding van 50 % van het normbedrag, en

      • iv.

        bij een levensduur tot acht jaren: vergoeding van 25 % van het normbedrag.

  • 2.

    De vervanging van vloerbedekking of gordijnen die een langere levensduur hebben dan acht jaren wordt niet vergoed.

Artikel 5.8 Persoonsgebonden budget voor verhuis-en inrichtingskosten en bezoekbaar maken van een woning

  • 1.

    Een persoonsgebonden budget voor verhuis- en inrichtingskosten:

    • a.

      De hoofdbewoner van een woonruimte kan een gemaximeerd persoonsgebonden budget voor verhuis- en inrichtingskosten ontvangen van € 2.645,70.

    • b.

      Een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een gehandicapte een aangepaste woonruimte ontruimt, komt in aanmerking voor een gemaximeerd persoonsgebonden budget van € 4.841,10.

  • 2.

    Een persoonsgebonden budget voor het bezoekbaar maken:

  • Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken van een woning bedraagt € 6.945,14.

Artikel 5.9 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor vervoerskosten

  • 1.

    Een persoonsgebonden budget voor vervoerskosten wordt verstrekt als de inwoner geen gebruik kan maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer.

  • 2.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget bedraagt per kalenderjaar:

    • a.

      voor het gebruik van een eigen auto of voor het gebruik van een taxi: het bedrag genoemd in artikel 2.30, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering vermenigvuldigd met 1.500 kilometer.

    • b.

      voor de kosten van bruikleen voor een auto: het bedrag genoemd in artikel 31a, tweede lid aanhef en onderdeel a ten 3º, van de Wet op de loonbelasting 1964 vermenigvuldigd met 1.500 kilometer.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget ten behoeve van vervoerskosten, wordt eenmaal per kalenderjaar uitgekeerd. Het persoonsgebonden budget dat in de loop van een kalenderjaar wordt verstrekt, wordt naar rato berekend.

  • 4.

    Indien een inwoner geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, het collectief vraagafhankelijk vervoer niet mogelijk is, het eigen vervoer niet beschikbaar is en er op geen enkele andere manier een goedkopere en compenserende vervoersvoorziening gegeven kan worden, wordt aan de inwoner een persoonsgebonden budget verstrekt om met een reguliere taxi of rolstoeltaxi te reizen. Dat persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op basis van het feitelijke vervoerspatroon van de inwoner, maar met een maximum van 1.500 kilometer tegen een bedrag dat met het taxibedrijf wordt overeengekomen, maar maximaal het goedkoopste tarief van de reguliere taxi of rolstoeltaxi.

  • 5.

    Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in het derde lid kan het college van de inwoner vragen om een offerte te overleggen van een taxibedrijf dat het vervoer waarvoor het persoonsgebonden budget is aangevraagd, kan leveren. Het college kan, ter verificatie van de overgelegde offerte, een tweede offerte van een ander taxibedrijf aan de inwoner vragen. Het college kan in de plaats van de inwoner uit eigen beweging een offerte of meerdere offertes opvragen.

Artikel 5.10 Persoonsgebonden budget voor weekendvervoer

  • 1.

    Het weekendvervoer zijn de vervoersbewegingen van de instelling waar de inwoner woonachtig is naar het woonadres van een familiaire relatie van de inwoner en terug.

  • 2.

    Vervoer vanuit het woonadres van de relatie waar de inwoner gedurende het weekend verblijft wordt niet vergoed.

  • 3.

    Alleen het vervoer binnen Nederland komt voor vergoeding in aanmerking.

  • 4.

    Het aantal bezoeken, tot een maximum van zesentwintig per kalenderjaar, wordt in overleg met de inwoner bepaald.

  • 5.

    Per weekend wordt maximaal tweemaal de afstand tussen de instelling en het te bezoeken adres en de afstand van het te bezoeken adres terug naar de instelling vergoed.

  • 6.

    De vergoeding per kalenderjaar is beperkt tot maximaal het bedrag dat verstrekt wordt op grond van artikel 5.5, tweede lid onderdeel a.

  • 7.

    Het persoonsgebonden budget wordt door de gemeente maandelijks uitbetaald.

Artikel 5.11 Hoogte van een persoonsbonden budget voor hulp bij het huishouden

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek van de salarisschaal voor hulp bij het huishouden in de cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren, vermenigvuldigd met de omvang van de benodigde tijd voor hulp bij het huishouden.

  • 2.

    Indien de inwoner en de zorgverlener een lager tarief zijn overeenkomen, dan wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget op die overeenkomst gebaseerd. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt niet gebaseerd op een overeenkomst waarin een lager loon dan dat wettelijk is toegestaan, is overeengekomen.

  • 3.

    Het eerste lid is onverkort van toepassing indien de inwoner en de zorgverlener een hoger tarief zijn overeenkomen.

Artikel 5.12 Hoogte van een persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening

  • 1.

    Voor een sportvoorziening wordt uitsluitend een gemaximeerd persoonsgebonden budget verstrekt. De hoogte is gelijk aan de werkelijke kosten van de sportvoorziening tot een maximum van € 3.727,72. Tegelijk met de verstrekking van de aanschafkosten wordt een forfaitair bedrag verstrekt van € 828,83 waarmee voor een periode van drie jaren een sportvoorziening aangepast, verzekerd, gerepareerd en onderhouden dient te worden. De werkelijke kosten van de sportvoorziening worden bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.

  • 2.

    Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden kan het college van de inwoner vragen om een offerte te overleggen van een leverancier die de sportvoorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is aangevraagd, kan leveren. Die offerte moet ook een indicatie voor de onderhouds- en reparatiekosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan, ter verificatie van de overgelegde offerte, een tweede offerte van een andere leverancier aan de inwoner vragen. Het college kan in de plaats van de inwoner uit eigen beweging een offerte of meerdere offertes opvragen.

  • 3.

    Als de inwoner nog steeds gebruikt maakt van de sportvoorziening kan, aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde periode van drie jaar, jaarlijks een forfaitair bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt worden van € 574,31 in de kosten van aanpassing, verzekering, onderhoud en reparatie van de sportvoorziening.

Artikel 5.13 Indexeringen

De tarieven in dit hoofdstuk zijn de bedragen zoals die gelden op 1 januari 2025. Deze bedragen worden geïndexeerd op de hierna volgende wijze.

  • 1.

    De tarieven in artikel 5.3 worden jaarlijks verhoogd met een indexering. Voor wat betreft het bepalen van het indexeringspercentage wordt aangesloten bij de indexering die de gemeente betaalt aan de door haar gecontracteerde aanbieder voor de betreffende voorziening in natura. Als in het contract geen indexering is voorzien, dan wordt ook het persoonsgebonden budget niet verhoogd.

  • 2.

    De tarieven in artikel 5.7, artikel 5.8 en artikel 5.12 worden jaarlijks per 1 januari verhoogd met de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daarvoor wordt het indexeringspercentage genomen van maart van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin gewijzigde bedragen gaan gelden.

  • 3.

    Jaarlijks publiceert het college de maximum bedragen vermeerderd met indexering, zoals die gelden per 1 januari van het betreffende kalenderjaar.

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten

Van een inwoner wordt, in beginsel, een eigen bijdrage gevraagd. De hoogte van die bijdrage wordt aan de hand van dit hoofdstuk berekend.

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    Als een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:

    • a.

      de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 1:394 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en

    • b.

      degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen dat, in afwijking van het eerste lid, voor een maatwerkvoorziening geen bijdrage in de kosten verschuldigd is. Het college kan daarbij criteria geven.

Artikel 6.2 Hoogte van de bijdrage in de kosten

  • 1.

    De bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en de persoonsgebonden budgetten zijn gelijk aan de kostprijs, maar tot aan de hoogte van het bedrag per maand, genoemd in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet, voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner en diens echtgenoot tezamen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor het collectief vervoer het tarief zoals vastgesteld door Regiovervoer Midden-Brabant.

  • 3.

    Voor het collectief vervoer zoals bedoeld in het tweede lid heeft Regiovervoer Midden-Brabant piektijden vastgesteld. De tarieven tijdens deze piektijden zijn gelijk aan het door gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant vastgestelde tarief voor Regiovervoer Midden-Brabant.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 5.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, wordt de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening of voor een persoonsgebonden budget door het CAK vastgesteld en geïnd.

  • 6.

    De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na een consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

    • b.

      maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of een woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening;

    • c.

      persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van dat persoonsgebonden budget.

Hoofdstuk 7 Kwaliteit en veiligheid

Voorzieningen moeten van goede kwaliteit zijn en veilig zijn. In dit hoofdstuk staan de minimale kwaliteitseisen van de voorzieningen, zodat het voor de aanbieders en de zorg- en dienstverleners, maar ook voor de inwoners, inzichtelijk is welke eisen er gesteld worden aan de kwaliteit.

Artikel 7.1 Kwaliteitseisen aanbieders zorg in natura

  • 1.

    Een aanbieder zorgt voor een goede kwaliteit van zijn voorzieningen door:

    • a.

      de voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner,

    • b.

      de voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning,

    • c.

      de inzet van de juiste deskundigheid,

    • d.

      ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector, en

    • e.

      er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen vaststellen, waaronder vereisten met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

  • 3.

    Het college ziet toe op de naleving van de kwaliteitseisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks inwonerervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 7.2 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget

  • 1.

    De zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval:

    • a.

      de diensten af te stemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner,

    • b.

      de diensten af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning, en

    • c.

      de inzet van de juiste deskundigheid.

  • 2.

    De professionele zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval:

    • a.

      te voldoen aan de kwaliteitseisen uit het eerste lid,

    • b.

      de inschrijving van zijn bedrijf in het handelsregister met vermelding van de activiteiten van het bedrijf die overeenkomt met de zorg- of dienstverlening,

    • c.

      te beschikken over ervaringen, kwalificaties en opleidingen die passend zijn voor de zorg- of dienstverlening, de complexiteit en de aard van de problematiek van de inwoner,

    • d.

      ervoor zorg te dragen dat zijn werknemers en zijn opdrachtnemers beschikken over ervaringen, kwalificaties en opleidingen die passend zijn voor de zorg- of dienstverlening, de complexiteit en de aard van de problematiek van de inwoner,

    • e.

      te beschikken over een meldcode, conform het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden,

    • f.

      de kennis en het gebruik van de, in onderdeel e bedoelde, meldcode te bevorderen onder zijn werknemers en opdrachtnemers, en

    • g.

      te werken met een systematische kwaliteitsbewaking.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen vaststellen, waaronder vereisten met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

Artikel 7.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • i.

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • ii.

        de vaste prijs als bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht,

    • b.

      redelijke overheadkosten,

    • c.

      kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg,

    • d.

      reis- en opleidingskosten,

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst, en

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 7.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder.

  • 2.

    Een aanbieder is verplicht om iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening onverwijld aan de toezichthouder te melden.

  • 3.

    Een zorg- of dienstverlener als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, is verplicht om iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij het verlenen van zorg of een dienst die met een persoonsgebonden budget wordt betaald, onverwijld aan de toezichthouder te melden.

  • 4.

    De toezichthouder, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, onderzoekt de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 7.5 Beleidsregels voor handhaving

Het college kan beleidsregels vaststellen voor de handhaving van de vereisten die bij of krachtens hoofdstuk 3 van de wet en bij of krachtens de artikelen 7.1, 7.2 en 7.4 zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 8 Mantelzorgers

Mantelzorg is het onbetaald geven van zorg aan familieleden of een andere sociale relatie. De wijze waarop de waardering voor de mantelzorgers wordt geuit, wordt in dit hoofdstuk geregeld.

Artikel 8.1 Ondersteuning mantelzorg

Het college kan, ten behoeve van het behouden of het herstellen van de balans tussen de draagkracht en de draaglast van zijn mantelzorger, aan de inwoner een maatwerkvoorziening verstrekken.

Artikel 8.2 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente en bepaalt bij nadere regeling hoe de blijk van waardering wordt vormgegeven.

Hoofdstuk 9 Klachten en medezeggenschap

In dit hoofdstuk is geregeld dat inwoners klachten kunnen indienen en dat zij inspraak kunnen leveren op het gemeentelijk beleid.

Artikel 9.1 Klachtregeling

  • 1.

    Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners.

  • 2.

    Het college ziet toe op de naleving van de klachtregelingen van de aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks inwonerervaringsonderzoek.

  • 3.

    Indien het, gelet op de omvang van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht, onevenredig zou zijn om de verplichting uit het eerste lid te doen laten gelden, kan het college beslissen dat die verplichting voor die aanbieder niet van toepassing is.

  • 4.

    Voor zorg- en dienstverleners zijn het eerste en derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.2 Medezeggenschap

  • 1.

    Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van de aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks inwonerervaringsonderzoek.

  • 3.

    Indien het, gelet op de omvang van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht, onevenredig zou zijn om de verplichting uit het eerste lid te doen laten gelden, kan het college beslissen dat die verplichting voor die aanbieder niet van toepassing is.

Artikel 9.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het gemeentelijk beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning via de Sociale Raad Tilburg, overeenkomstig de bepalingen die daarover zijn vastgelegd in de Verordening Sociale Raad Tilburg.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

In dit afsluitend hoofdstuk staan regels over het gebruik van de hardheidsclausule, het overgangsrecht en regels rondom de inwerkingtreding.

Artikel 10.1 Hardheidsclausule

Het college kan, ten gunste van een inwoner, bepalingen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 10.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025 wordt per 1 januari 2026 ingetrokken.

  • 2.

    Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening.

  • 4.

    Het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2025 die daarvoor geldigheid behoudt.

  • 5.

    Ten gunste van de inwoner kan van het vierde lid worden afgeweken.

Artikel 10.3 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 oktober 2025,

de burgemeester

de griffier

Toelichting  

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat de betekenis is van bepaalde begrippen die in deze verordening worden gebruikt. De begripsbepalingen in artikel 1.1 zijn aanvullend op de definities die in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 staan. Een aantal begrippen wordt hier nader toegelicht. De omschrijving van de algemeen gebruikelijke voorziening, onderdeel a, is gebaseerd op de uitspraak van de CRvB 20 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535, rechtsoverweging 4.2. De informele zorg- of dienstverlener, onderdeel r, is degene die jegens de inwoner gehouden is een voorziening te leveren en met een persoonsgebonden budget wordt betaald. Met deze term wordt een duidelijk onderscheid beoogd met de aanbieder uit artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren en dat dus in natura doet.

 

Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag

Inwoners van de gemeente kunnen met een hulpvraag bij Toegang Tilburg terecht. Omdat Toegang Tilburg namens het college de meldingen ontvangt, het gesprek met de inwoner voert en de eventuele aanvraag behandelt, wordt verder steeds over “het college” gesproken. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste procedureregels van het moment van de melding tot de beschikking. Met de melding in artikel 2.1 wordt de melding uit artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015 bedoeld. Lid 3, waarin staat genoemd hoe gehandeld zal worden als er sprake is van een spoedeisend geval, is een herhaling van artikel 2.3.3 Wmo 2015 en is omwille van de leesbaarheid in de verordening opgenomen.

Met het onderzoek in artikel 2.2 wordt hetzelfde onderzoek als in artikel 2.3.2 Wmo 2015 bedoeld. De Centrale Raad van Beroep heeft, op basis van artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015, een stappenplan ontwikkeld. Dat blijkt uit de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113, rechtsoverweging 4.1.5. Het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep is in artikel 2.2 opgenomen. Voor het geval dat het onderzoek ertoe gaat leiden dat een maatwerkvoorziening nodig zal zijn, wordt in het onderzoek ook gekeken of het nodig zal zijn om een eventuele maatwerkvoorziening af te stemmen op de inwoner; daarom maken de elementen uit artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 ook onderdeel uit van het onderzoek. Dat betekent dat de elementen in lid 1 onderdelen d en e niet betrokken worden bij de oordeelsvorming of er gecompenseerd moet worden, maar dat ze van belang kunnen zijn om rekening mee te houden als een maatwerkvoorziening wordt toegekend. Met de bepaling dat in het onderzoek naar de eigen kracht, de gebruikelijke hulp, de mantelzorg en de hulp vanuit het sociale netwerk rekening wordt gehouden met de draagkracht en draaglast, wordt bedoeld dat niet alleen de aanwezigheid van deze hulp wordt geïnventariseerd, maar dat ook wordt bekeken of de personen die tot deze categorieën behoren hiertoe fysiek en psychisch in staat zijn. Het betrekken van het persoonlijk plan bij het onderzoek, in lid 3, is een herhaling van artikel 2.3.2 lid 5 Wmo 2015. Ook het tonen van een identiteitsbewijs voordat het gesprek begint, zoals staat te lezen in lid 4, betreft een herhaling van artikel 2.3.4 lid 1 Wmo 2015. Deze herhalingen zijn omwille van de leesbaarheid in de verordening opgenomen. In lid 5 is bepaald dat de vertegenwoordiging of machtiging voor bijstand van de inwoner geweigerd wordt als de gemachtigde of vertegenwoordiger tevens de zorg- of dienstverlener van de inwoner is of wil worden. De uitzondering op deze regel zijn degenen die een gezamenlijke huishouding met de inwoner voeren en de familieleden die tot en met de derde graad bloed- of aanverwantschap tot de inwoner staan. De graden van bloed- en aanverwantschap worden vastgesteld op de wijze als bedoeld in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek. Met deze bepaling wordt de mogelijkheid tot een ongewenste belangenverstrengeling, waarbij de gemachtigde of vertegenwoordiger enerzijds de inwoner vertegenwoordigt en voor diens belangen opkomt en anderzijds een eigen financieel belang heeft bij de uitkomsten, beperkt.

Met de aanvraag in artikel 2.3 wordt de aanvraag uit artikel 2.3.5 lid 1 Wmo 2015, in samenhang gelezen met artikel 1:3 lid 3 Awb, bedoeld. In lid 2 is bepaald dat een plan van aanpak ook als aanvraag wordt beschouwd als deze binnen tien werkdagen ondertekend en teruggestuurd wordt. In lid 3 is bepaald dat als de inwoner een persoonsgebonden budget aanvraagt, dat hij een budgetplan met de aanvraag meestuurt. De inhoud van het budgetplan die vereist wordt, is gericht op de beoordeling van de vereisten uit artikel 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015.

In artikel 2.5 staat een aantal elementen die in de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staan. In lid 3 staat dat het college de bevoegdheid heeft om bij nadere regeling voor specifieke maatwerkvoorzieningen te bepalen dat een ondertekening van het plan van aanpak door het college de beschikking wordt.

 

Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen

In dit hoofdstuk staan de algemene bepalingen over de algemene voorzieningen van de gemeente Tilburg. Het begrip van de algemene voorziening in artikel 3.1 heeft, gelet op artikel 1.1 lid 2, dezelfde betekenis als in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015.

 

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt, naast de bepalingen uit de wet, getoetst aan de voorwaarden en de weigeringsgronden die in dit hoofdstuk staan. Dit hoofdstuk is daarmee de toetssteen van de aanvragen. In artikel 4.1 lid 1en lid 2 staan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.3.5, lid 3 en lid 4 Wmo 2015, dat een maatwerkvoorziening pas verstrekt wordt als uit het onderzoek is gebleken dat de beperkingen of problemen niet met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen worden verminderd of weggenomen. In lid 4 is bepaald dat het college de goedkoopste voorziening inzet als er meerdere voorzieningen geschikt zouden zijn.

Artikel 4.2 is een specifieke uitwerking van de situatie die in artikel 4.1 lid 4 staat. Het gaat daarbij om de mogelijkheid van het verhuizen enerzijds en het toekennen van een woonvoorziening anderzijds. In de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 149, staat de mogelijkheid van deze afweging genoemd. In het geval dat verhuizen naar een geschikte woning de goedkoopste voorziening zou zijn, dan zou deze op grond van artikel 4.1 lid 4 altijd voorrang krijgen. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat een verhuisprimaat in de verordening is toegestaan, CRvB 9 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6971, rechtsoverweging 4.6, maar dat ook getoetst moet worden of een verhuizing in het concrete geval wel een passende bijdrage is. Daarom bepaalt lid 2 dat niet alleen het feit dat een verhuizing goedkoper is, voldoende is om het verhuisprimaat aan de inwoner voor te houden; ook de beschikbaarheid van een woning, de omvang van het kostenverschil en een beoordeling van de individuele omstandigheden en persoonlijke belangen, worden meegewogen in het oordeel of een verhuizing in die situatie geschikt en evenredig is. De verhuiskostenvergoeding is daarmee de goedkoopste voorziening waarmee het college aan de compensatieplicht voldoet, ook in het geval dat de inwoner niet wil verhuizen. De Centrale Raad van Beroep heeft namelijk bepaald dat het ontbreken van de wil om te verhuizen niet met zich meebrengt dat niet vastgehouden kan worden aan het verhuisprimaat, CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2602, rechtsoverweging 4.4. In het geval dat een inwoner wel kan verhuizen, wordt aan hem een huisvestingsindicatie gegeven, ook wel verhuisverklaring genoemd, die twaalf maanden geldig is. Daarmee kan de inwoner als woningzoekende voorrang krijgen op woonruimte die geschikt is.

In artikel 4.3 staan de weigeringsgronden. Daarmee wordt verdere invulling gegeven aan artikel 2.1.3 lid 2 aanhef en onderdeel a Wmo 2015 waarin staat dat in de verordening moet zijn opgenomen op basis van welke criteria bepaald wordt of een inwoner een maatwerkvoorziening krijgt.

 

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten

De gemeente kan de zorg zelf organiseren in natura, maar in plaats daarvan ook een persoonsgebonden budget toekennen. Daarmee kan de inwoner zelf de zorg inkopen. In dit hoofdstuk staan regels over het persoonsgebonden budget. Deze regels zijn aanvullend op de bepalingen uit de Wmo 2015.  In artikel 5.1 staan de algemene regels die voor een persoonsgebonden budget gelden. In lid 1 staat als eerste de voorwaarde genoemd dat een inwoner in aanmerking moet komen voor een maatwerkvoorziening. Dat betekent dat de melding, het onderzoek en de aanvraag uit hoofdstuk 2 en de criteria uit hoofdstuk 4 ook van toepassing zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een persoonsgebonden budget. Aan de hand van het budgetplan wordt getoetst of voldaan wordt aan de criteria uit artikel 2.3.6 lid 2 Wmo 2015 om een persoonsgeboden budget te verstrekken. In lid 2 staat een aantal beperkingen voor de besteding van een persoonsgebonden budget. Met onderdeel h, waarin staat dat een persoonsgebonden budget niet mag worden besteed aan een eenmalige uitkering, wordt bedoeld dat er geen resterend budget wordt uitgekeerd als de zorgovereenkomst plotseling gestopt is door, bijvoorbeeld, overlijden of definitieve opname van de inwoner. In lid 3 wordt genoemd dat een persoonsgebonden budget, in beginsel, niet buiten Nederland mag worden besteed. In beginsel, want het college heeft de ruimte om bij nadere regeling de criteria te bepalen wanneer daarvan afgeweken mag worden. De Wmo 2015 heeft, onder meer, als doel om mensen in staat te stellen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving – dus thuis – te blijven. Dat blijkt uit artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Een besteding van het persoonsgebonden budget buiten Nederland zou dan in strijd kunnen komen met dat doel. In lid 4 en lid 5 staat een beperking ten aanzien van de vertegenwoordiger van de inwoner; de zorg- of dienstverlener mag niet tevens het persoonsgebonden budget beheren. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de familieleden tot en met de derde graad van bloed- of aanverwantschap of de persoon die samen met de inwoner een gezamenlijke huishouding voert. De graden van bloed- en aanverwantschap worden vastgesteld op de wijze als bedoeld in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek. In lid 6 staat dat het college de bevoegdheid heeft om aan de Sociale verzekeringsbank te vragen om de betalingen uit het persoonsgebonden budget op te schorten; onderdeel b vult de bevoegdheid uit artikel 2b lid 6 aanhef en onderdeel g Uitvoeringsregeling Wmo 2015 aan.

In artikel 5.2 staan de algemene regels die gelden voor de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget.

Artikel 5.3 bevat de aanvullende criteria voor de diensten. In lid 2 wordt de definitie van de professionele zorg- of dienstverlener gegeven. Als de beoogde zorg- of dienstverlener niet aan de criteria van lid 2 voldoet, dan kan hij nog wel een informele zorg- of dienstverlener, als bedoeld in lid 3, zijn. Dat geldt ook voor de zorg- of dienstverlener die zijn diensten bedrijfsmatig verleent, maar die niet aan de bepalingen van lid 2 voldoet. Deze informele zorg- of dienstverlener moet dan wel geschikt zijn om het beoogde resultaat te bereiken; op grond van artikel 2.3.6 lid 2 aanhef en onderdeel c Wmo 2015 moeten de diensten namelijk, naast veilig en inwonergericht, doeltreffend zijn. In lid 7 wordt voor de vaststelling van de hoogte van een persoonsgebonden budget, waarmee de individuele begeleiding door een informele zorg- of dienstverlener wordt betaald, verwezen naar de hoogste periodiek van salarisschaal FWG 30 van de cao VVT. De Centrale Raad van Beroep heeft namelijk geoordeeld dat deze periodiek de minimale hoogte van het uurtarief voor individuele begeleiding is, CRvB 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580, rechtsoverweging 4.4.2. In lid 8 wordt een uitzondering gemaakt op alle eerdere regels voor het geval dat de beoogd zorg- of dienstverlener die middels een persoonsgebonden budget zal worden betaald, tevens een gecontracteerde aanbieder voor de gemeente Tilburg is.

In de artikelen 5.4 tot en met 5.12 staan de aanvullende criteria voor een persoonsgebonden budget voor specifieke voorzieningen.

Artikel 5.13 regelt de indexeringen van de bedragen die in hoofdstuk 5 staan. In lid 3 staat de opdracht aan het college om jaarlijks de maximale bedragen te publiceren.

 

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten

Van een inwoner wordt, in beginsel, een eigen bijdrage gevraagd. De hoogte van die bijdrage wordt aan de hand van dit hoofdstuk berekend. In artikel 6.1 lid 1 wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 2.1.4a lid 1 en lid 2 Wmo 2015 om bij verordening te bepalen dat een inwoner een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is voor een maatwerkvoorziening, zolang van die voorziening gebruik gemaakt wordt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. In lid 2 is bepaald dat ouders of voogden deze bijdrage moeten betalen als de inwoner minderjarig is en aan hem een woningaanpassing, of een persoonsgebonden budget om die te realiseren, verstrekt is. Lid 3 bepaalt dat het college bij nadere regeling kan bepalen dat voor bepaalde maatwerkvoorzieningen geen eigen bijdrage betaald hoeft te worden.

In artikel 6.2 staat de wijze waarop de hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld. Het uitgangspunt is dat de inwoner, op grond van lid 1, het abonnementstarief, waarvan de hoogte in artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 staat, betaalt. In lid 2 en lid 3 staat een uitzondering op het eerste lid; artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 maakt het mogelijk om voor vervoersvoorzieningen een eigen bijdrage op een andere wijze te bepalen. De actuele tarieven worden door Regiovervoer Midden-Brabant gepubliceerd op regiovervoermiddenbrabant.nl. In lid 4 staat de andere uitzondering die krachtens de wet in formele zin al is geregeld; omwille van de volledigheid is deze bepaling in de verordening opgenomen. Artikel 2.1.4a lid 7 Wmo 2015 en de paragrafen 3 en 4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepalen al dat op de eigen bijdrage voor beschermd wonen en opvang het abonnementstarief niet van toepassing is. De wetgever heeft deze intramurale ondersteuningsvormen uitgezonderd van het abonnementstarief, Kamerstukken II, 2018/19, 35093, nr. 3, p. 4. In lid 6 staat te lezen hoe de kostprijs, als bedoeld in lid 1, wordt bepaald.

 

Hoofdstuk 7 Kwaliteit en veiligheid

Voorzieningen moeten van goede kwaliteit zijn en veilig zijn. In dit hoofdstuk staan de minimale kwaliteitseisen van de voorzieningen, zodat het voor de aanbieders en de zorg- en dienstverleners, maar ook voor de inwoners, inzichtelijk is welke eisen er gesteld worden aan de kwaliteit. In artikel 7.1 lid 1 staan de kwaliteitseisen voor voorzieningen die in natura worden geleverd. In lid 2 is bepaald dat het college bij nadere regeling de kwaliteitseisen kan aanvullen.

Artikel 7.2 lid 1 benoemt de kwaliteitseisen voor de diensten die de inwoner met een persoonsgebonden budget betaalt. Voor de professionele zorg- of dienstverlener gelden aanvullende kwaliteitseisen; deze staan in lid 2. De kwaliteitseisen in lid 1 en lid 2 zijn geen limitatieve opsommingen, omdat tussen de inwoner en de zorg- of dienstverlener, op grond van artikel 2a lid 1 Uitvoeringsregeling Wmo 2015, een zorgovereenkomst gesloten wordt en het mogelijk is dat in die overeenkomst nog aanvullende kwaliteitseisen opgenomen worden. Op grond van lid 3 heeft het college de bevoegdheid om bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen voor de zorg- of dienstverlener vast te stellen.

De regels in artikel 7.3 zijn gebaseerd op artikel 2.6.6 lid 1 Wmo 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. In lid 1 is geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. Bij het vaststellen van de prijs moet het college, zo bepaalt lid 2, rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. In lid 3 staan de kostprijselementen waar het college de vaste prijs of de reële prijs minimaal op moet baseren. In lid 4 is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen.

Artikel 7.4 lid 1 bepaalt dat het college een regeling treft voor het melden van calamiteiten. Daarmee wordt beoogd om het voor de aanbieders duidelijk te maken hoe zij kunnen voldoen aan de verplichting uit artikel 3.4 lid 1 aanhef en onderdeel a Wmo 2015 in geval er zich een calamiteit heeft voorgedaan bij de verstrekking van de voorziening. Omwille van de leesbaarheid is diezelfde verplichting nogmaals in lid 2 opgenomen. In lid 3 is deze verplichting ook opgenomen voor de zorg- of dienstverleners die met een persoonsgebonden budget worden betaald.

In artikel 7.5 wordt de bevoegdheid aan het college gegeven om beleidsregels vast te stellen voor de handhaving van de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 3 Wmo 2015, de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 7 van deze verordening en de regels die krachtens deze bepalingen zijn vastgesteld. De Wmo 2015 kent zelf geen handhavingsbevoegdheden, zoals een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom. Daarom worden, naast de herziening of intrekking van een beschikking op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015, andere maatregelen genomen, zoals het opleggen van een verbeterplan aan de aanbieder of de zorg- of dienstverlener, waarin vermeld staat welke normen van het college verbeterd moeten worden. Omdat het opleggen van een verbeterplan geen grondslag heeft in de Wmo 2015, wordt de collegebevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels in deze verordening geregeld. Daarmee wordt voldaan aan de bepaling uit artikel 4:81 lid 2 Awb.

 

Hoofdstuk 8 Mantelzorgers

Mantelzorg is het onbetaald geven van zorg aan familieleden of een andere sociale relatie. In artikel 8.1 is de bevoegdheid van het college opgenomen om ondersteuning te bieden ten behoeve van het behoud van de mantelzorger. Hoewel in het onderzoek rekening gehouden wordt met de balans tussen de draagkracht en draaglast, kan later alsnog blijken dat het noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten door aan de inwoner een maatwerkvoorziening te verstrekken.

 

Hoofdstuk 9 Klachten en medezeggenschap

In dit hoofdstuk is geregeld dat inwoners klachten kunnen indienen en dat zij inspraak kunnen leveren op het gemeentelijk beleid. Artikel 9.1 lid 1 wordt invulling gegeven aan de bepaling van artikel 2.1.3 lid 2 aanhef en onderdeel d Wmo 2015 door te bepalen dat, in beginsel, alle aanbieders een klachtenregeling moeten hebben. In lid 3 is bepaald dat er een uitzondering van de verplichting uit lid 1 gemaakt kan worden als het verlangen van een klachtregeling, vanuit het oogpunt van de grootte van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht, onevenredig zou zijn. In lid 4 is bepaald dat deze verplichting en de mogelijkheid om een uitzondering te maken ook gelden voor zorg- en dienstverleners die betaald worden vanuit een persoonsgebonden budget. In lid 2 is bepaald dat het college toezicht houdt op de naleving van de klachtregelingen van de aanbieders. Het houden van toezicht op de naleving van de verplichtingen door de zorg- dienstverleners gebeurt door de, op grond van artikel 6.1 lid 1 Wmo 2015, aangewezen toezichthouders.

In artikel 9.2 lid 1 wordt invulling gegeven aan de bepaling van artikel 2.1.3 lid 2 aanhef en onderdeel e Wmo 2015 door te bepalen dat, in beginsel, alle aanbieders een medezeggenschapsregeling moeten hebben. In lid 3 is bepaald dat er een uitzondering van de verplichting uit lid 1 gemaakt kan worden als het verlangen van een medezeggenschapsregeling, vanuit het oogpunt van de grootte van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht, onevenredig zou zijn. In lid 2 is bepaald dat het college toezicht houdt op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van de aanbieders.

Artikel 9.3 verwijst voor het betrekken van ingezetenen bij de voorbereiding van het beleid naar de Verordening Sociale Raad Tilburg, waarmee de raad invulling heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2.1.3 lid 3 Wmo 2015.

 

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

In dit afsluitend hoofdstuk staan regels over het gebruik van de hardheidsclausule, het overgangsrecht en regels rondom de inwerkingtreding. In artikel 10.1 is een hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan dus nooit ten nadele van de betrokken inwoner gebeuren. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.

Het overgangsrecht is in artikel 10.2 opgenomen. Op een aanvraag wordt beslist op grond van de nu geldende verordening, ook als de aanvraag eerder is ingediend. Als de beslissing op grond van de oude verordening is genomen en tegen die beslissing bezwaar wordt gemaakt, wordt de heroverweging op basis van die oude verordening gemaakt, tenzij het voor de inwoner gunstiger uitvalt om de nieuwe verordening bij de heroverweging te betrekken.

In artikel 10.3 lid 2 wordt bepaald hoe de verordening wordt aangehaald.

Naar boven