Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2025

De raad van de gemeente Amsterdam,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2025,

gelet op artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015,

 

besluit:

Artikel I  

De Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • A.

    Artikel 2.2 komt te luiden:

    Artikel 2.2 Inhoud onderzoek

    • 1.

      De behandelend medewerker bespreekt met de cliënt na de melding zo spoedig mogelijk, met inachtneming van diens persoonlijk plan indien aanwezig, overeenkomstig artikel 2.3.2 vierde lid van de wet, de volgende onderwerpen in samenhang met elkaar:

      • a.

        de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

      • b.

        de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

      • c.

        de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met behulp van vrijwillige inzet te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

      • d.

        de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

      • e.

        de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

      • f.

        de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en met partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

      • g.

        informatie over bijdragen in de kosten die de cliënt verschuldigd zal zijn;

    • 2.

      Het college kan in aanvulling op het eerste lid bij het onderzoek betrekken de mogelijkheid om casemanagement te bieden.

  • A.

    Artikel 4.2 komt te luiden:

    Artikel 4.2 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget

    • 1.

      Het college kent in aanvulling op artikel 4.1 een persoonsgebonden budget toe als naar het oordeel van het college is vastgesteld dat:

      • a.

        cliënt, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel zijn Pgb vertegenwoordiger, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;

      • b.

        is gemotiveerd dat een cliënt een persoonsgebonden budget wenst; en

      • c.

        is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere maatregelen die met het persoonsgebonden budget betaald moeten worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn.

    • 2.

      Het college kan met in achtneming van artikel 2.3.6 Wmo een persoonsgebonden budget weigeren indien:

      • a.

        in de drie jaren, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet;

      • b.

        er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;

      • c.

        het een voorziening voor opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld, collectief vervoer, een auto, een autobus of gesloten buitenwagen, hulp bij het huishouden OGGZ of bijzondere schoonmaak, beschermd verblijf, inloop dagbesteding of meewerkenplus betreft; of

      • d.

        het persoonsgebonden budget bestemd is voor besteding in het buitenland, tenzij voldaan is aan door het college te stellen nadere voorwaarden.

    • 3.

      Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan het inkopen van zorg of ondersteuning conform de indicatie en mag niet aangewend worden voor de betaling van tussenpersonen, belangenbehartigers, bemiddelings- en coördinatietaken alsmede ondersteunings- of administratiekosten in verband met het Pgb. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag.

    • 4.

      Voor een zorgovereenkomst die de cliënt sluit met een professionele zorgaanbieder is de mogelijkheid van periodieke maandbetalingen uitgesloten. In die situatie is slechts een zorgovereenkomst waarbij op declaratiebasis wordt gefactureerd, mogelijk.

    • 5.

      De tarieven van het persoonsgebonden budget zijn:

      • a.

        voor aanvullende individuele ondersteuning € 55,99 per uur;

      • b.

        voor dagbesteding € 47,60 per dagdeel, met een maximum van zes dagdelen tenzij de noodzaak voor meer dagdelen voldoende is gemotiveerd in het pgb-plan;

      • c.

        voor begeleid thuis € 55,99 per uur;

      • d.

        voor logeeropvang € 138,95 per etmaal;

      • e.

        voor woonvoorzieningen geldt het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte;

      • f.

        voor hulp bij huishouden € 5,71 per punt (een punt komt overeen met een kwartier);

      • g.

        voor vervoersvoorzieningen en rolstoelen het bedrag ter hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. Het bedrag kan worden verhoogd met een bedrag voor onderhoud of verzekering;

      • h.

        voor aanpassing aan de eigen auto het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.

    • 6.

      Het tarief begeleid thuis kan worden aangevuld met een toeslag van € 5800,36 voor een gezamenlijk wooninitiatief.

    • 7.

      De hoogte van een persoonsgebonden budget voor niet-professionele ondersteuning bedraagt, voor zover deze afwijkt van het bepaalde in het vijfde lid, voor aanvullende individuele ondersteuning en begeleid thuis € 24,83 per uur;

    • 8.

      Indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst met de pgb-aanbieder, dan wordt het uurtarief, als bedoeld in het vijfde lid onder f en het zevende lid, verhoogd met het door het Rijk vastgestelde tarief voor de werkgeverslasten.

    • 9.

      Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:

      • a.

        als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie;

      • b.

        deze persoon heeft niet aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem te zwaar valt; en

      • c.

        de persoon uit het sociaal netwerk van wie de dienst wordt betrokken zal niet het budget beheren, behalve met toestemming van het college vanwege bijzondere omstandigheden;

  • C.

    In artikel 6.3.1, eerste lid wordt ‘21,00’ vervangen door ‘21,80’.

     

  • D.

    In artikel 7.1, vierde lid, komt te vervallen.

Artikel II  

De toelichting bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • A.

    De toelichting op artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

    Onder het kopje inhoud van het onderzoek vervalt de alinea ‘Het onderzoek wordt binnen zes weken uitgevoerd. Als de termijn van zes weken niet wordt gehaald, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag, dan wordt hierover gecommuniceerd met de cliënt en kan deze termijn worden verlengd.’ Daarvoor in de plaats wordt er een nieuwe alinea ingevoegd, luidende:

     

    ‘Termijnen

    Naar aanleiding van de melding van de Amsterdammer wordt binnen 6 weken een onderzoek uitgevoerd en afgerond (artikel 2.3.2 eerste lid Wmo). Dit resulteert in een aanvraag waarop binnen 2 weken een besluit moet worden genomen door het college (artikel 2.3.5 tweede lid Wmo). De doorlooptijd van melding tot besluit is daardoor 8 weken.

    Uitzondering hierop is als de termijn van zes weken voor het onderzoek niet wordt gehaald, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag. In dat geval wordt hierover gecommuniceerd met de cliënt en kan deze termijn worden verlengd waarbij er geen maximum geldt. Maar het moet op grond van de algemene wet bestuursrecht wel een redelijke termijn zijn. Een zorgvuldig onderzoek is uitgangspunt; het zal met het oog daarop niet per definitie in het nadeel van de cliënt zijn als hij instemt met een langere duur van het onderzoek. Indien de cliënt niet wil instemmen met verlenging van de onderzoekstermijn kan hij een aanvraag indienen. Het college moet dan binnen twee weken op de aanvraag besluiten.‘

     

  • B.

    De toelichting op artikel 2.4 wordt als volgt gewijzigd:

    • a.

      In de eerste alinea wordt de zin ‘De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet in principe schriftelijk worden gedaan.’ vervangen door de zin ‘Na het onderzoek moet de aanvraag voor een maatwerkvoorziening in principe schriftelijk worden gedaan.’.

       

    • b.

      In de derde alinea wordt de zin ‘In dat geval kan de beslistermijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden verlengd.’ vervangen door de zin ‘In dat geval kan de beslistermijn op grond van artikel 4.15 van de Algemene wet bestuursrecht worden verleng.’.

  • C.

    In de toelichting op artikel 4.2 lid 7 wordt de zinsnede ‘de uitspraak van 16 augustus 2023.’ vervangen door ‘de meeste recente uitspraak van 30 september 2025.’

     

  • D.

    In de toelichting op hoofdstuk 6 Bijdragen vervalt de laatste alinea ‘Voor het collectief vervoer geldt dat het OV-tarief in Amsterdam wordt vastgesteld door de Vervoerregio Amsterdam en te vinden is op www.vervoerregio.nl. Er geldt een korting van 10% op de ritbijdrage voor cliënten die buiten de drukke tijden reizen, dat wil zeggen tussen 18.00 uur en 01.00 uur (daltarief).’.

     

  • E.

    In de toelichting op artikel 10.3 wordt ‘Stadsregio Amsterdam’ vervangen door ‘Vervoerregio Amsterdam’ en wordt ‘www.stadsregio.nl’ vervangen door ‘www.vervoerregio.nl’.

Artikel III Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 10 december 2025.

De voorzitter

Femke Halsema

De raadsgriffier

Jolien Houtman

Toelichting  

 

Algemeen

Per 1 januari 2025 geldt de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025.

Met deze Wijzigingsverordening wordt de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025 op een aantal technische punten gewijzigd.

 

De belangrijkste wijzigingen in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025 zijn:

  • -

    Het indexeren van de tarieven voor persoonsgebonden budget.

  • -

    Het terugplaatsen van een pgb dat ten onrechte was verplaatst naar het financiële besluit. Het betreft een pgb voor wijzigingen aan de eigen auto.

  • -

    Bijdrage in de kosten aanpassen naar het landelijke tarief.

  • -

    Explicieter vastleggen welke doorlooptijden gelden voor Wmo-aanvragen.

  • -

    Het laten vervallen van een bepaling die in strijd is met de landelijke Wmo.

  • -

    Voor de overzichtelijkheid en correctheid van de verordening is ervoor gekozen om enkele tekstuele wijzigingen door te voeren en zaken te schrappen die dubbel of overbodig benoemd werden.

Artikelsgewijs

 

Onderdeel A

In dit onderdeel wordt in Artikel 2.2 Inhoud onderzoek nu expliciet verwezen naar artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo. Sub h wordt als apart lid, lid 2, opgenomen zodat duidelijk is dat dit niet direct volgt vanuit de Wmo.

 

Onderdeel B

In artikel 4.2 worden verschillende dingen gewijzigd:

 

Voor het leveren van Wmo-voorzieningen in natura heeft de gemeente tarieven en budgetten afgesproken met leveranciers. In de raamovereenkomsten met de leveranciers is bepaald op welke wijze de tarieven geïndexeerd worden. De wijze van indexatie (indexatie methode) is gebaseerd op de contractuele afspraken tussen de gemeente Amsterdam met de aanbieders ZIN voor de dienst, het verstrekte hulpmiddel, de aanpassing of de vervoersvoorziening waarop het pgb betrekking heeft. Indien de gemeente Amsterdam afwijkt van de gecontracteerde afspraken of aanpassingen doet aan deze afspraken zullen deze aanpassingen ook van toepassing zijn op de pgb’s.

 

Voor het persoonsgebonden budget stelt de gemeenteraad de bedragen jaarlijks vast. Deze bedragen zijn opgenomen in de Wmo-verordening en kunnen op grond van artikel 10.2 van de Wmo-verordening jaarlijks worden geïndexeerd.

 

Uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van het indexatiepercentage pgb is contractueel de index van de dezelfde zorgvorm in natura. Het indexeringspercentage voor 2025 is hiervoor vastgesteld op 5,13%. Deze indexatie wordt doorgevoerd in artikel 4.2 lid 5 a t/m f, lid 6 en lid 7.

 

Daarnaast is in lid 5 sub h een pgb toegevoegd die, bij de vorige wijziging van de verordening, ten onrechte verplaatst was naar het Financiële Besluit als financiële tegemoetkoming.

 

Verder is er op basis van de aangepaste wet- en regelgeving rondom de Regeling dienstverlening aan huis, een nieuw lid (lid 8) toegevoegd om duidelijk te maken dat cliënten met een arbeidsovereenkomst een verhoging van het tarief kunnen ontvangen voor de betaling van de werkgeverslasten.

 

Onderdeel C

In dit artikel wordt in lid 1 de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb verhoogd naar het nieuwe landelijke tarief, van € 21,00 euro naar € 21,80.

 

Onderdeel D

In dit artikel komt het vierde lid te vervallen. Op 19 december 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam geoordeeld dat deze bepaling in strijd is met de Wmo.

Naar boven