Beleidsregels algemene bijstand gemeente Steenwijkerland

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland;

besluit vast te stellen de volgende:

Beleidsregels algemene bijstand gemeente Steenwijkerland

 

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a.

      Pw: Participatiewet;

    • b.

      IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • c.

      IOAZ: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Artikel 2 Reikwijdte

Deze beleidsregels hebben betrekking op bijstand als bedoeld in de Pw, IOAW en IOAZ.

Hoofdstuk 2 Aanvraag algemene bijstand

Artikel 3 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag dient schriftelijk of digitaal te worden ingediend middels een daartoe vastgesteld formulier. Er is een volledige aanvraagprocedure en een verkorte aanvraagprocedure. De voorwaarden voor de verkorte aanvraagprocedure staan in lid 4 van dit artikel.

  • 2.

    De datum van de melding geldt in principe als de ingangsdatum van de uitkering.

  • 3.

    In het geval van een verwijzing/afwijzende beschikking, afkomstig van een sociale verzekeringsinstantie, geldt de meldings-/aanvraagdatum bij die instantie als ingangsdatum voor de bijstandsuitkering, indien belanghebbende zich binnen 10 werkdagen na dagtekening van de verwijzing/afwijzing komt melden.

  • 4.

    De verkorte aanvraagprocedure geldt voor de volgende situaties:

    • a.

      belanghebbende komt binnen twaalf maanden na beëindiging van de eerdere bijstandsuitkering een hernieuwd beroep doen op een bijstandsuitkering, en bij de beëindiging was geen sprake van schending van de inlichtingenplicht;

    • b.

      bij beëindiging samenwoning van bijstandsgerechtigden;

    • c.

      bij samenwoning van bijstandsgerechtigden.

Artikel 4 Overbruggingsuitkering

Aan een belanghebbende die de periode tussen zijn aanvraag en de eerste betaling van de uitkering niet kan overbruggen kan in de volgende situaties een overbruggingsuitkering om niet worden verstrekt:

  • 1.

    De uitbetaalperiode vóór de bijstand sluit niet aan op die van de bijstand.

  • 2.

    De eerdere uitbetaalperiode was bijvoorbeeld wekelijks en sluit niet aan bij onze maandelijkse betaalperiode/-datum;

  • 3.

    Een "verlaten partner" blijft zonder middelen achter en kan niet wachten tot de eerste betaaldatum van de bijstand;

  • 4.

    De hoogte van het inkomen in de periode voorafgaande aan de bijstandsverstrekking is ontoereikend om de periode tot de eerste bijstandsbetaling te overbruggen.

  • 5.

    De duur van de overbruggingsuitkering bedraagt maximaal een maand. De hoogte van de overbruggingsuitkering is gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag. Eventuele inkomsten en het positief vermogenssaldo op de bankrekening worden hierop in mindering gebracht.

Artikel 5 Terugwerkende kracht bij aanvragen

  • 1.

    Onder individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 44 lid 5 Participatiewet worden verstaan:

    • a.

      persoonlijke, sociale of financiële situaties waardoor de belanghebbende niet eerder in staat was zich te melden voor bijstand; en

    • b.

      omstandigheden die in het individuele geval een afwijking van de standaardprocedure rechtvaardigen.

  • 2.

    Bijstand met terugwerkende kracht wordt uitsluitend overwogen indien door belanghebbende aannemelijk is gemaakt dat hij in de betreffende periode niet over voldoende middelen beschikte om in het levensonderhoud te voorzien.

    • a.

      Indien ondersteuning van derden (zoals familie of vrienden) heeft plaatsgevonden, beoordeelt het college of deze ondersteuning toereikend was voor de noodzakelijke bestaanskosten.

    • b.

      Indien ondersteuning van derden heeft plaatsgevonden, beoordeelt het college of er een plicht tot terugbetaling is.

  • 3.

    Bijstand met terugwerkende kracht wordt niet toegekend:

    • a.

      Voor het aflossen van schulden die zijn ontstaan in een periode waarin de belanghebbende nog over voldoende middelen beschikte;

    • b.

      Indien de belanghebbende bewust heeft gewacht met melden, zonder dat sprake is van individuele omstandigheden.

  • 4.

    De procedure voor beoordeling van terugwerkende kracht omvat:

    • a.

      een gemotiveerde verklaring van de belanghebbende bij de aanvraag waarin wordt aangegeven waarom hij of zij zich niet eerder heeft gemeld; en

    • b.

      een onderzoek door het college naar de financiële situatie van de belanghebbende in de betreffende periode en de noodzaak van bijstand; en

    • c.

      een schriftelijke motivering van de beslissing, vastgelegd in het dossier.

  • 5.

    Het college informeert de belanghebbende over mogelijke fiscale gevolgen van bijstand met terugwerkende kracht, waaronder effecten op toeslagen en de invloed op het verzamelinkomen.

Artikel 6 Zoektermijn jongeren

  • 1.

    Jongeren tot 27 jaar die bijstand aanvragen doorlopen in principe geen zoektermijn van vier weken.

  • 2.

    Het college kan besluiten wel een zoektermijn van vier weken op te leggen als er voldoende aanwijzingen zijn dat de jongere in staat is zelfstandig werk of scholing te vinden.

  • 3.

    Het college past de zoektermijn in ieder geval niet toe bij jongeren:

    • o

      die uitstromen uit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs;

    • o

      bij wie sprake is van aantoonbare medische of psychische beperkingen;

    • o

      die behoren tot de doelgroep banenafspraak, of waarvan duidelijk is dat zij alleen met structurele ondersteuning kansrijk zijn op werk;

    • o

      of in andere situaties waarin naar het oordeel van het college sprake is van zwaarwegende omstandigheden.

  • 4.

    Indien een zoektermijn wordt opgelegd, wordt dit besluit gemotiveerd vastgelegd in het klantdossier.

Artikel 7 Afstemming bijstand jongeren 18 tot 21 jaar

  • 1.

    Het college kan de bijstandsnorm voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar verhogen ter uitvoering van artikel 20, derde en vierde lid, van de Participatiewet.

  • 2.

    De verhoging wordt toegekend aan belanghebbenden die voldoen aan één van de volgende voorwaarden:

    • a.

      zij kunnen geen beroep doen op hun ouders wegens onvoldoende financiële draagkracht; of

    • b.

      het onderhoudsrecht jegens hun ouders kan redelijkerwijs niet te gelde worden gemaakt.

  • 3.

    De totale bijstandsnorm (basisnorm en eventuele verhoging) wordt niet hoger vastgesteld dan de bijstandsnorm die geldt voor een 21-jarige in vergelijkbare omstandigheden.

  • 4.

    De belanghebbende draagt de bewijslast voor de onder lid 2 bedoelde omstandigheden en overlegt daartoe relevante bewijsstukken, waaronder, doch niet beperkt tot, inkomensverklaringen van ouders, schriftelijke verklaring omtrent contactverstoring of andere documenten die aantonen dat het onderhoudsrecht niet te gelde kan worden gemaakt.

  • 5.

    Het college kan gemotiveerd afwijken van de standaardverhoging bedoeld in artikel 20 lid 3 van de Participatiewet in de volgende gevallen:

    • a.

      indien aantoonbaar lagere individuele bestaanskosten aanwezig zijn, bijvoorbeeld door kostendeling; of

    • b.

      bij bijzondere omstandigheden die een hogere of lagere aanvulling rechtvaardigen.

  • 6.

    Voor belanghebbenden die uiterlijk op 31 december 2025 bijzondere bijstand ontvingen op grond van artikel 12 van de Participatiewet blijft die bijzondere bijstand van rechtswege van kracht zolang die uitkering hoger is dan de op grond van deze beleidsregel vast te stellen norm, met inachtneming van artikel 78 en volgende van de Participatiewet.

Artikel 8 Wijziging norm bij opname in een inrichting

  • 1.

    De wijziging norm bij opname in een inrichting gaat in vanaf datum opname indien belanghebbende voorafgaande aan de opname geen bijstandsuitkering ontvangt.

  • 2.

    Indien belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt dan wordt de oude bijstandsnorm voortgezet gedurende drie maanden na datum opname. Daarna wordt de uitkering gewijzigd in de norm bij opname in een inrichting.

  • 3.

    Bij een echtpaar wijzigt de norm, drie maanden na datum opname, naar de norm bij opname in een inrichting voor de achterblijvende partner in de van toepassing zijnde norm.

  • 4.

    Als de opname langer dan 6 maanden duurt dan vindt een herbeoordeling plaats van de voortgang van de opname en domicilie.

Artikel 9 Niet rechthebbende partner

  • 1.

    Wanneer de niet-rechthebbende partner geen inkomen heeft en redelijkerwijs ook geen inkomen kan verwerven vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus in Nederland, kan op grond van het individualiseringsbeginsel de afwijkende norm voor de rechthebbende partner uit artikel 24 van de Participatiewet met 20% van de gehuwdennorm worden aangevuld.

  • 2.

    Het eerste lid is alleen van toepassing voor gehuwden van 21 jaar of ouder.

  • 3.

    De inkomstenvrijlating is niet van toepassing op de niet-rechthebbende partner. Deze vrijlating geldt alleen voor personen die daadwerkelijk algemene bijstand ontvangen.

  • 4.

    Voor de niet-rechthebbende partner geldt de vermogensgrens voor gehuwden. Het vermogen wordt getoetst conform de geldende regels.

  • 5.

    De niet-rechthebbende partner dient alle gegevens te verstrekken die van belang zijn voor de vaststelling en voortzetting van de uitkering van de rechthebbende partner.

Hoofdstuk 3 Inkomsten en vermogen algemene bijstand

Artikel 10 Eindejaarsuitkering

De ontvangen eindejaarsuitkering wordt niet gerekend tot de middelen.

Artikel 11 Giften

  • 1.

    Belanghebbende is, onverminderd de algemene inlichtingenplicht (artikel 17 Participatiewet), verplicht tot het melden van de ontvangst van giften of bijdragen die leiden tot een kostenbesparing aan het college op het moment dat het totale bedrag van de ontvangen giften en bijdragen in het lopende kalenderjaar de grens overschrijdt die is vastgelegd in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Participatiewet.

  • 2.

    Indien de som van de giften en kostenbesparende bijdragen het bedrag genoemd in lid 1 overstijgt, worden de giften en bijdragen die boven dit bedrag uitkomen alleen niet tot de middelen gerekend (conform artikel 31, tweede lid, onder n, Participatiewet) voor zover deze naar het oordeel van het college in het individuele geval en uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

Artikel 12 Vermogensvaststelling

Bij de vermogensvaststelling wordt maximaal één keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering gebracht als het vermogen bijstandsverlening in de weg staat.

Artikel 13 Schulden en/of leningen

  • 1.

    De voorwaarden voor een schuld of lening zijn:

    • a.

      de schuld of lening is in voldoende mate aannemelijk; en

    • b.

      er is een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling; en

    • c.

      de aflossing van de schuld of lening is te verifiëren aan de hand van objectieve gegevens; en

    • d.

      de schuld of lening is schriftelijk vastgelegd.

  • 2.

    Als aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan is een schuld of lening een negatieve vermogenscomponent bij de aanvraag.

Hoofdstuk 4 Parttime ondernemen

Artikel 14 De regeling Parttime Ondernemen (PTO)

  • 1.

    De Regeling Parttime Ondernemen (PTO) is bedoeld voor inwoners die door sociale of persoonlijke omstandigheden niet in staat zijn om fulltime in loondienst te werken en/of geen volledig arbeidsvermogen hebben. Zij kunnen via parttime ondernemerschap op aangepaste wijze deelnemen aan het arbeidsproces en inkomsten genereren tot maximaal gemiddeld 20 uur inzet per week.

  • 2.

    Belanghebbende moet voldoen aan de wettelijke vereisten voor ondernemerschap, waaronder inschrijving bij de Kamer van Koophandel indien van toepassing.

  • 3.

    Belanghebbende voert een administratie kenmerkend voor verantwoord ondernemen, en levert jaarlijks op verzoek de volgende documenten aan bij het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) of bij de gemeente:

    • o

      jaarrekening of overzicht administratie; en

    • o

      aangifte inkomstenbelasting (inclusief partner indien van toepassing); en

    • o

      aangiftes omzetbelasting (kwartaal 1 t/m 4); en

    • o

      uren- en kilometerregistratie; en

    • o

      bankafschriften van de zakelijke rekening.

  • 4.

    De inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden worden aangevuld tot de van toepassing zijnde bijstandsnorm en jaarlijks vastgesteld op basis van de administratie en belastingaangiften.

  • 5.

    Belanghebbende hanteert marktconforme prijzen en veroorzaakt geen oneerlijke concurrentie.

  • 6.

    Indien de werkzaamheden niet langer van bescheiden omvang zijn, kiest de belanghebbende tussen doorgroeien naar volwaardig ondernemerschap, eventueel met ondersteuning via het Bbz 2004, of terugschalen.

  • 7.

    De PTO-regeling wordt in eerste instantie toegekend voor een periode van twaalf maanden, en kan worden verlengd op basis van voortgang en inkomstenontwikkeling.

Artikel 15 Toegestane en niet-toegestane kosten parttime ondernemen

  • 1.

    Alleen noodzakelijke kosten die aantoonbaar en uitsluitend nodig zijn voor de uitvoering van de zelfstandige werkzaamheden worden als bedrijfskosten opgevoerd en onderbouwd met bewijsstukken zoals facturen en bonnetjes.

  • 2.

    De volgende kosten zijn toegestaan:

    • o

      mobiele telefoonkosten voor zakelijke gesprekken tot maximaal €300 per jaar;

    • o

      reiskosten openbaar vervoer voor zakelijke reizen (volledig aftrekbaar);

    • o

      gebruik eigen auto voor zakelijke reizen (met kilometerregistratie, de vergoeding per gereden kilometer is gekoppeld aan de belastingvrije vergoeding eigen vervoer van de belastingdienst);

    • o

      kosten voor boekhoudkundige ondersteuning als belanghebbende de administratie niet zelfstandig kan voeren.

  • 3.

    De volgende kosten zijn niet toegestaan:

    • o

      internet-, telefoon- en TV-abonnementen voor privégebruik;

    • o

      opleidingen, cursussen, seminars;

    • o

      werkruimte thuis of gehuurde ruimte elders;

    • o

      gemengde kosten (privé/zakelijk);

    • o

      abonnementen (vakbladen, platforms, etc.);

    • o

      aanschaf van laptop, tablet, pc, telefoon, geluidsdragers en vergelijkbare apparatuur.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 17 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als “Beleidsregels algemene bijstand gemeente Steenwijkerland”.

Steenwijk, 2 december 2025

Burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

de waarnemend gemeentesecretaris,

Dennis Eikenaar

de burgemeester,

Erik de Groot

Naar boven