Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2026

Burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel,

Beleidsregels zijn nodig. Met deze regels kan de gemeente op een goede manier belangen afwegen, feiten vaststellen en wettelijke voorschriften uitleggen. De gemeente is bevoegd dit te doen op basis

van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2020 (hierna genoemd als de Verordening) en het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2026 (hierna genoemd als het financieel besluit).

 

In deze beleidsregels staat hoe tot een beslissing wordt gekomen als inwoners een beroep doen op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Allereerst worden de uitgangspunten beschreven, daarna wordt in afzonderlijke hoofdstukken ingegaan op de verschillende vormen van ondersteuning.

 

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2026

 

Hoofdstuk 1 algemene bepalingen

Hoe de verstrekking van aanvullende maatwerkvoorzieningen wordt beoordeeld, hangt van verschillende zaken af. Gemeentelijk beleid, wetgeving en rechterlijke uitspraken spelen daarbij een rol. In deze beleidsregels leest u daar meer over.

Artikel 1.1. Algemene uitgangspunten

De gemeente wil dat inwoners actief meedoen in de samenleving.

Het is belangrijk dat inwoners zoveel mogelijk zelfredzaam zijn, kunnen participeren en zelfstandig kunnen blijven woning, d.w.z. niet in een instelling opgenomen hoeven te worden.

Inwoners die dat nodig hebben kunnen passende hulp en voorzieningen krijgen die de kwaliteit van hun leven vergroten.

Artikel 1.2 Kernwaarden

De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:

  • Maatwerk: Ondersteuning op maat en de inwoner als uitgangspunt stellen.

  • Integraal: De hulp is gericht op het zo snel, eenvoudig en duurzaam mogelijk oplossen van vragen en behoeften.

  • Samen: Met elkaar zijn we verantwoordelijk voor de leefbaarheid in de samenleving. De gemeente moedigt inwoners aan om zelf oplossingen te vinden voor hun problemen. Waar nodig helpt de gemeente zodat de problemen van inwoners ook voor langere tijd worden opgelost.

Hoofstuk 2 Toegang

Artikel 2.1 Melding

Bij het Sociaal Loket Ouder-Amstel, uitgevoerd door uitvoeringsorganisatie Duo+, kunnen inwoners terecht voor informatie, advies en ondersteuning over de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet. Inwoners kunnen hun melding hier schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal indienen. Een melding kan ook worden gedaan door de partner, mantelzorger, familie, buren, vertegenwoordiger of andere betrokkenen van de inwoner. De gemeente bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en informeert de inwoner over de vervolgstappen. Daarnaast informeert de gemeente de inwoner over de mogelijkheid om een persoonlijk plan te schrijven. In het persoonlijk plan kan de inwoner uitleggen welke hulp of ondersteuning hij denkt nodig te hebben. Een persoonlijk plan is niet verplicht. Wil een inwoner een persoonlijk plan indienen, dan moet dat gebeuren binnen 7 dagen na de melding.

Artikel 2.2 Onafhankelijke cliëntondersteuner

De gemeente wijst de inwoner op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. De cliëntondersteuner geeft informatie, advies en algemene ondersteuning en kan de inwoner bijstaan bij de melding en tijdens het onderzoek. Deze ondersteuning is gratis en onafhankelijk. De ondersteuning draagt bij aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Ook draagt deze bij aan een zo breed mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, zorg en preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Cliëntondersteuning werkt twee kanten op: Het helpt inwoners bij het bereiken van een zo goed mogelijke maatwerkvoorziening, én het helpt verwijzen naar de mogelijkheden van algemene voorzieningen of andere voorzieningen. De cliëntondersteuner doet zijn werk binnen de gemeentelijke regels en deze gemeentelijke beleidsregels.

Artikel 2.3 Het onderzoek

Naar aanleiding van een melding wordt een onderzoek gedaan om de ondersteuningsvraag van de inwoner helder te krijgen. Duo+ voert dit onderzoek uit middels een gesprek met de inwoner, bij voorkeur thuis, maar dit kan ook telefonisch of op het gemeentehuis plaatsvinden.

 

Tijdens het onderzoek wordt samen met de inwoner de ondersteuningsvraag vastgesteld, zonder direct naar oplossingen te kijken. Vervolgens wordt in kaart gebracht welke beperkingen de inwoner ervaart op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. Op basis hiervan wordt bepaald welke ondersteuning nodig is. Daarna wordt beoordeeld in hoeverre de inwoner, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of algemene- en/of voorliggende voorzieningen, zelf in deze behoefte kan voorzien. De resterende ondersteuningsbehoefte kan worden ingevuld met een maatwerkvoorziening.

 

Indien nodig kan als onderdeel van het onderzoek een onafhankelijk sociaal-medisch advies of ander deskundigenadvies worden ingewonnen.

Artikel 2.4 Ondersteuningsplan

Op basis van het onderzoek wordt een ondersteuningsplan gemaakt. Hierin staat informatie over het gesprek, de ondersteuningsvraag, de gewenste resultaten en de verschillende vormen van hulp. De inwoner leest het ondersteuningsplan en bij akkoord stuurt de inwoner deze binnen 10 werkdagen terug.

Bij vragen neemt de inwoner binnen 5 dagen contact op met de klantmanager om de vragen te bespreken. Als de gemeente de aanvraag niet terugontvangt binnen 10 werkdagen, volgt er een hersteltermijn van nog twee weken. Na deze hersteltermijn wordt de melding afgesloten.

Artikel 2.5 Aanvraag

Als een inwoner in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening, moet hij daarvoor een aanvraag indienen. Een aanvraag kan op twee manieren ingediend worden:

  • 1.

    Als het onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit kan door het ondertekende aanvraagformulier, dat onderdeel is van het ondersteuningsplan, binnen 10 werkdagen terug te sturen.

  • 2.

    Als binnen 6 weken geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Dan kan het aanvraagformulier apart ingevuld en opgestuurd worden.

Artikel 2.5.1 Aanvullende algemene criteria voor de aanvraag

Er wordt géén maatwerkvoorziening toegekend als:

  • a)

    de aanvrager geen ingezetene is in de gemeente Ouder-Amstel, met uitzondering van beschermd wonen en maatschappelijk opvang;

  • b)

    de aanvrager de noodzakelijke gegevens niet verstrekt;

  • c)

    de aanvrager zich niet legitimeert.

Toelichting

  • a.

    Ingezetenen De Wmo 2015 spreekt over ingezetene (zonder begripsbepaling). Dat is breder dan hoofdverblijf. Dat kan ook iemand zijn die alleen ingeschreven is zonder zijn hoofdverblijf in die gemeente te hebben. Een ingezetene is iemand die in de basisregistratie personen (BRP, voorheen: GBA) is ingeschreven. Als er twijfel bestaat over de vraag of iemand wel het hele jaar woont op een bepaald adres, dan kan het feitelijk woonadres ergens anders zijn, in een andere gemeente. Als iemand dan een beroep doet op de gemeente waar hij is ingeschreven, kan die gemeente stellen dat het hoofdverblijf ergens anders is en dat de burger zich dan daar zou moeten inschrijven. Als het gaat om de uitvoering van de Wmo kan er in juridische zin alleen rekening gehouden worden met één hoofdverblijf.

  • Een algemene of maatwerkvoorziening wordt verstrekt door de gemeente waarin de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft. Als de aanvrager niet ingeschreven staat, zal de gemeente onderzoek doen naar de feitelijke omstandigheden om het feitelijk hoofdverblijf vast te stellen. Dit kan getoetst worden door bijvoorbeeld de aanwezigheid van spullen, kleding, post en het vaststellen van het aantal keren waar de cliënt in het afgelopen jaar heeft overnacht.

  • b.

    Noodzakelijke gegevens De aanvrager levert die gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en laat zich (als hierom gevraagd wordt) bevragen en/of onderzoeken. Als de noodzakelijke gegevens niet worden aangeleverd of de aanvrager niet meewerkt aan een onderzoek, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat het recht op een voorziening niet kan worden vastgesteld.

  • c.

    Legitimatie Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en controleren, vraagt de gemeente personen die een melding indienen voor voorzieningen zich te legitimeren. Dat kan door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Voor vreemdelingen die een aanvraag indienen is het identiteitsbewijs ook van belang voor het vaststellen van de verblijfsrechtelijke status.

Artikel 2.6 Beschikking

Binnen twee weken na dagtekening van een aanvraag moet de gemeente een besluit nemen. Het besluit wordt vastgelegd in een brief die naar de inwoner wordt verzonden. Dit is een beschikking. Daarin staat onder andere:

  • -

    Welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt;

  • -

    Of de maatwerkvoorziening in natura of als Pgb wordt verstrekt;

  • -

    De ingangsdatum en duur van de verstrekking;

  • -

    Het beoogde resultaat van de verstrekking;

  • -

    Informatie over bezwaar en beroep;

  • -

    En aanvullend in geval van Pgb: de voorwaarden, hoogte en de geldende kwaliteitseisen van het Pgb

Hoofstuk 3 Algemene afwegingskader

Artikel 3.1 Uitgangspunten

Bij elke ondersteuningsbehoefte onderzoekt de gemeente de volgende onderdelen voordat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt:

  • -

    Hulpvraag

  • -

    Problemen m.b.t. zelfredzaamheid en participatie/handhaven in de samenleving

  • -

    Voorzienbaarheid

  • -

    Langdurig noodzakelijk

  • -

    Eigen kracht

  • -

    Sociaal netwerk

  • -

    Gebruikelijke hulp

  • -

    Mantelzorg

  • -

    Algemeen gebruikelijke voorziening

  • -

    Voorliggende wetten

  • -

    Goedkoopst adequate voorziening

Artikel 3.2 Voorzienbaarheid

Als het college van oordeel is dat een aanvrager of zijn vertegenwoordiger de hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien omdat:

  • 1.

    het gaat om beperkingen die al geruime tijd bestaan en waarvan de gevolgen tevoren duidelijk waren of;

  • 2.

    tevoren schriftelijk is gewezen op voorzienbaarheid middels eerdere onderzoeksverslagen, kan het college besluiten dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. Onderzoek naar en beoordeling van de individuele situatie is hierbij leidend.

Artikel 3.3 Langdurig noodzakelijk

Voorzieningen of diensten moeten in beginsel langdurig noodzakelijk zijn voor ondersteuning bij beperkingen. Dit betekent dat een beperking of aandoening zo ernstig is dat deze naar verwachting niet meer verbetert, waardoor de inwoner blijvend ondersteuning nodig heeft. Hierin hanteert de gemeente een drempel van 6 maanden, maar een wisselend ziektebeeld waarbij periodes van terugval voorkomen, wordt ook als langdurig beschouwd.

In alle gevallen blijft het leveren van maatwerk leidend. Wij doen een nadrukkelijk beroep op de inwoners om problemen zelf of met het eigen netwerk op te lossen, zeker als de problemen kortdurend zijn.

Artikel 3.4 Duur van de indicatie

De periode waarvoor een indicatie wordt afgegeven is afhankelijk van meerdere factoren:

  • a.

    De indicatieduur is maatwerk en afhankelijk van de levensfase en persoonlijke omstandigheden van de cliënt. De indicatieduur kan variëren van een korte periode tot een indicatie voor onbepaalde tijd (zonder einddatum) en alle periodes daartussen. Voor welke termijn een indicatie wordt afgegeven, is afhankelijk van de volgende factoren:

    • -

      de aard van de voorziening, de beperkingen en leerbaarheid van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen;

    • -

      de woonomstandigheden en bij dienstverlening de samenstelling van het huishouden van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen.

  • b.

    Voorwaarde voor een indicatie zonder einddatum is dat uit het onderzoek moet blijken dat er sprake is van een situatie waarin de cliënt niet meer zelfredzamer te maken is en er een onveranderde ondersteuningsvraag wordt verwacht, waardoor de cliënt blijvend is aangewezen op de noodzakelijke ondersteuning vanuit de Wmo. Dit blijvende karakter geldt ook voor de inzet van de voorzieningsintensiteit, vanwege de beperkingen en belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie.

  • Na vijf jaar zal er wel een evaluatiemoment en of een signaleringsmoment zijn met de inwoner om de vinger aan de pols te houden en na te gaan of de ondersteuning voldoet aan de huidige situatie.

  • c.

    In het geval van een verslechtering van de situatie van de cliënt, kan de indicatie worden aangepast en kan eventueel een overstap naar de Wet langdurige zorg aan de orde zijn.

Artikel 3.5 Eigen kracht

De gemeente onderzoekt bij iedere ondersteuningsvraag of er vanuit eigen kracht een passende oplossing is om de zelfredzaamheid en participatie te verbeteren. Van een inwoner wordt verwacht dat hij zich op een geschikte manier voorbereidt voor (komende) veranderingen in zijn leefsituatie, waarbij de inwoner:

  • eerst naar de eigen mogelijkheden kijkt;

  • steun inroept van het eigen netwerk;

  • mogelijk eigen financiële middelen inzet;

  • eerst een beroep doet op voorliggende wetten, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet (Zvw) of het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV).

Ook via sociaal medisch advies kan worden bepaald of er medisch gezien - eigen kracht is, al dan niet via behandeling.

Artikel 3.6 Sociaal netwerk

Bij het sociaal netwerk horen personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Tijdens het onderzoek wordt onderzocht of die personen hulp kunnen bieden.

Artikel 3.7 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp is hulp waarvan de gemeente vindt dat die naar algemeen aanvaarde opvattingen in alle redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die onderdeel uitmaken van dezelfde leefeenheid. Onder een leefeenheid worden alle bewoners verstaan die gezamenlijk een huishouding voeren. De gemeente onderzoekt bij elke ondersteuningsvraag of inzet van gebruikelijke hulp een passende oplossing is.

 

Er zijn situaties waarbij er gemotiveerd afgeweken kan worden van de uitgangspunten met betrekking tot gebruikelijke hulp. Daarbij valt te denken aan de volgende situaties:

  • de huisgenoot heeft een medisch geobjectiveerde aandoening die in de weg staat aan het verlenen van gebruikelijke hulp;

  • de huisgenoot is overbelast of dreigt te worden overbelast;

  • de huisgenoot mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren;

  • de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting;

  • de huisgenoot is regelmatig niet aanwezig, vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter;

  • er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan.

Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp voor Hulp bij het huishouden wordt rekening gehouden met de volgende leeftijdsindeling van inwonende kinderen:

  • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

  • Kinderen van 5 tot 12 jaar kunnen naar hun mogelijkheden worden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

  • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

  • Vanaf 18 jaar wordt verwacht dat iemand de huishoudelijke taken kan uitvoeren behorende bij een eenpersoonshuishouden (vergelijkbaar met een uitwonende student).

  • Vanaf 23 jaar wordt men als volwassen beschouwd en wordt men in staat geacht een en een ouder volledig te vervangen in het huishouden.

Artikel 3.8 Mantelzorg

Mantelzorg is hulp tussen personen vanuit hun bestaande sociale relatie. Het gaat dan om hulp die langdurig en intensief gegeven wordt aan mensen die langdurig ziek zijn of chronisch beperkt.

De hulp wordt niet gegeven vanuit een hulpverlenend beroep. Het kan hierbij gaan om ondersteuning in de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten volgens de Zorgverzekeringswet.

Artikel 3.9 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

De gemeente onderzoekt bij iedere ondersteuningsvraag of inzet van algemeen gebruikelijke voorzieningen en diensten een geschikte oplossing is. Een voorziening of dienst wordt algemeen gebruikelijk genoemd wanneer het aannemelijk is dat de inwoner hier ook gebruik van had kunnen maken als hij de ondersteuningsvraag niet had gehad.

Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet de voorziening voldoen aan alle volgende criteria:

  • 1.

    De voorziening is niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking;

  • 2.

    De voorziening is daadwerkelijk beschikbaar;

  • 3.

    De voorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot voldoende zelfredzaamheid of participatie in staat is en;

  • 4.

    De voorziening kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;

  • 5.

    De voorziening is naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen gangbaar onder de gehele bevolking.

Artikel 3.10 Algemene voorzieningen

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning. Deze is toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. De gemeente onderzoekt bij elke ondersteuningsvraag of inzet van een algemene voorziening een passende oplossing is.

Een algemene voorziening is een passende oplossing als:

  • deze aansluit op de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;

  • deze daadwerkelijk beschikbaar is;

  • de cliënt de eventuele bijdrage voor de algemene voorziening kan betalen.

Voorbeelden van bestaande algemene voorzieningen binnen Ouder-Amstel zijn:

  • -

    het welzijnswerk,

  • -

    het maatschappelijk werk,

  • -

    het Vervoertje,

  • -

    Financieel café,

  • -

    de HHT Diensten Thuis,

  • -

    mantelzorgondersteuning,

  • -

    hand- en spandiensten vrijwilligers,

  • -

    klussendienst en

  • -

    het seniorenrestaurant.

Artikel 3.11 Goedkoopst adequate voorziening

Bij een maatwerkvoorziening kiest de gemeente voor de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen die het probleem kunnen compenseren. We kiezen voor de oplossing die compenseert en naar objectieve standaard de goedkoopste is. Als de aanvrager een duurdere compenserende voorziening wil, zal aanvrager de meerkosten daarvoor zelf moeten betalen. In de afweging of een maatwerkvoorziening ‘het goedkoopst’ is, kijkt de gemeente ook naar het gebruik voor langere termijn. Zo kan een duurdere voorziening bijvoorbeeld langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn.

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

Als de inwoner door inzet vanuit het eigen netwerk, informele zorg, algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen onvoldoende wordt ondersteund, kunnen (in combinatie hiermee) maatwerkvoorzieningen worden ingezet. Er wordt altijd onderzoek gedaan naar welke maatwerkvoorziening voor de inwoner het meest geschikt is en welke de goedkoopst adequate voorziening is. In dit hoofdstuk worden de criteria en de vormen van de maatwerkvoorzieningen beschreven.

Artikel 4.1 Soorten maatwerkvoorzieningen:

Binnen de Wmo 2015 zijn er onder andere de volgende maatwerkvoorzieningen:

  • -

    Hulp bij het huishouden

  • -

    Dagbesteding

  • -

    Individuele begeleiding

  • -

    Logeeropvang

  • -

    Vervoersvoorzieningen

  • -

    Rolstoelvoorzieningen

  • -

    Woonvoorzieningen

  • -

    Beschermd wonen

  • -

    Maatschappelijke opvang

Deze soorten maatwerkvoorzieningen worden in de hiernavolgende paragrafen verder toegelicht.

Artikel 4.1.1 Hulp bij het huishouden

Hulp bij het huishouden bestaat uit het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden. De aanvrager kan dit niet meer zelf door een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem. Dit leidt of dreigt te leiden tot het niet meer kunnen doen van het huishouden. Het gaat hierbij om het huishouden van de persoon of van de leefeenheid waartoe de persoon behoort.

 

Om dit objectief te bekijken en zo het aantal uren/minuten te kunnen vaststellen dat nodig is om het huis schoon en leefbaar te houden, wordt gebruik gemaakt van het meest recente versie Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van Bureau HHM. Het doel van dit Normenkader is het bieden van een duidelijk en objectief normenkader dat de rechtszekerheid van inwoners vergroot en de individuele dienstverlening verbetert. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een kader, waarbij indien nodig alle basisactiviteiten kunnen worden geïndiceerd. Deze worden samen met inwoner in kaart gebracht in een ondersteuningsplan. Van de normen wordt afgeweken als de situatie van de inwoner hier aanleiding toe geeft. Uitgangspunt is dat de hulpvraag centraal staat, rekening houdend met onder andere de gezondheids- en leefsituatie. Het gaat te allen tijde om het leveren van maatwerk.

Bij het indiceren wordt er altijd op 5 minuten naar boven afgerond.

 

Soorten hulp bij het huishouden

In Ouder-Amstel bestaan er 2 typen hulp bij het huishouden:

  • 1.

    Hulp bij het huishouden 1 (Hbh1); ondersteuning op het gebied van het verzorgen van het huishouden. Uitgangspunt is dat de cliënt zelf in staat is tot regie en planning van de werkzaamheden.

  • 2.

    Hulp bij het huishouden 2 (Hbh2); ondersteuning op het gebied van het verzorgen van het huishouden waarbij ook de regiefunctie moet worden overgenomen. Hbh2 wordt ingezet als de cliënt niet tot regie en planning van de werkzaamheden in het huishouden in staat is en de werkzaamheden ook niet kan uitvoeren.

De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk

De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden. Dit betekent dat als iemand zelf zijn huishouden niet meer kan doen, dat zijn huisgenoten dit verondersteld worden over te nemen (gebruikelijke hulp). Het bevorderen en in stand houden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd, horen hierbij. De woning aanpassen zodat het schoonmaken makkelijker gaat, is de verantwoordelijkheid van de leefeenheid.

 

Een schoon en leefbaar huis

De cliënt moet gebruik kunnen maken van een aantal woonruimten zoals een woonkamer, slaapkamer of een ruimte die als slaapkamer wordt gebruikt, keuken, sanitaire ruimtes (maximaal 1 badkamer en maximaal 2 toiletten) en bijbehorende hal/trap/overloop. Dit zijn de primaire leefruimten in het huis die de cliënt daadwerkelijk en regelmatig (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) gebruikt.

Het betreft alleen de “binnenkant” van het huis. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen en ramen zemen aan de buitenkant vallen hier niet onder.

 

Wasverzorging

Iedere inwoner dient te kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding evenals schoon en gedroogd textiel (handdoeken en beddengoed). Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Het strijken van kleding wordt alleen gedaan bij een medische noodzaak (bijvoorbeeld vanwege een papieren huid of in verband met noodzaak hygiëne bij een verstoord immuunsysteem). Hierbij wordt gekeken of er sprake is van maatwerk.

De ondersteuning bestaat uit het wassen en indien nodig strijken. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden (wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken). Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden.

Bij het toekennen van wasverzorging wordt uitgegaan van de handelingstijd van de hulp en niet de doorlooptijd van de wasmachine.

 

Maaltijdvoorziening

In principe wordt geen maaltijdbereiding vanuit de indicatie voor hulp bij het huishouden toegekend. Als de inwoner hiervoor ondersteuning nodig heeft, kan hij gebruik maken van de aanwezige algemene voorzieningen in de gemeente. Alleen als het sociaal netwerk en algemeen en voorliggende voorzieningen geen oplossing bieden, kan worden overwogen om vanuit de indicatie voor Hulp bij het huishouden hier tijd voor te indiceren. Bij eventuele diëten worden alleen medisch noodzakelijke diëten als uitgangspunt genomen. Om te bepalen of er sprake is van geneeskundige zorg, kan samenwerking worden gezocht met de wijkverpleegkundige.

 

Bij de maaltijdvoorziening zijn 3 handelingen te onderscheiden:

  • 1.

    Bereiden van de maaltijd; bijvoorbeeld 2 keer per dag brood klaarmaken en 1 keer per dag een (magnetron-)maaltijd klaarmaken/opwarmen;

  • 2.

    Klaarzetten van de maaltijd zodat de zorgvrager kan gaan eten;

  • 3.

    Aansporen van de zorgvrager en deze eraan herinneren dat hij moet eten;

Boodschappen doen

Op grond van de indicatie kan de hulp de boodschappenlijst samenstellen. Het doen van de boodschappen valt niet onder de indicatie, als dit voorliggend opgelost kan worden.

Artikel 4.1.2 Dagbesteding

Dagbesteding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van de zelfredzaamheid en het tegengaan van eenzaamheid van de cliënt óf het ontlasten van de mantelzorger. Bij zelfredzaamheid gaat het om de lichamelijke, verstandelijke en psychische mogelijkheden, die de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren.

 

Dagbesteding is:

  • -

    programmatisch (met een vast dag en/of weekprogramma);

  • -

    methodisch (een methode voor werken met de doelgroep als basis) met een welomschreven doel;

  • -

    vraagt actieve betrokkenheid van de cliënt;

  • -

    gericht op het structureren van de dag, oefenen met vaardigheden, die de zelfredzaamheid bevorderen of zo lang mogelijk op peil houden.

Er worden drie intensiteiten van dagbesteding onderscheiden: licht (stimuleren en toezicht), middel (helpen bij) en zwaar (overnemen en regie). Het in te zetten niveau van dagbesteding wordt bepaald aan de hand van de uitkomsten van de zelfredzaamheidsmatrix, zoals die in het onderzoek is gebruikt om de ondersteuningsbehoefte integraal en levensbreed in kaart te brengen.

Als er geen voorliggende oplossingen zijn (hobby’s, werk, scholing, vrijwilligerswerk) of sociaal netwerk is, komt de cliënt in aanmerking voor een indicatie vervoer naar dagbesteding. Vervoer naar dagbesteding wordt uitgevoerd door, of is de verantwoordelijkheid van, de aanbieder van dagbesteding.

Artikel 4.1.3 Individuele begeleiding

De Individuele Begeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud van of het compenseren van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Hierbij gaat het om de lichamelijke, verstandelijke en psychische mogelijkheden die de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren.

 

Individuele begeleiding kent veel vormen:

  • -

    toezicht of aansturing bij activiteiten (zowel thuis als buitenshuis) op het gebied van praktische vaardigheden;

  • -

    ondersteuning bij het aanbrengen van structuur c.q. het voeren van regie;

  • -

    oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag;

  • -

    ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven.

Er worden drie intensiteiten van individuele begeleiding onderscheiden: licht (stimuleren en toezicht), middel (helpen bij) en zwaar (overnemen en regie). Het in te zetten niveau van individuele begeleiding wordt bepaald aan de hand van de uitkomsten van de zelfredzaamheidsmatrix zoals die in het onderzoek is gebruikt om de ondersteuningsbehoefte integraal en levensbreed in kaart te brengen.

Artikel 4.1.3.1 Woonbegeleiding

Bij huishoudens die overlast veroorzaken of waarover andere signalen komen van een onaangepaste manier van wonen, kan woonbegeleiding (als onderdeel van Individuele Begeleiding) worden ingezet.

Woonbegeleiding biedt de cliënt ondersteuning bij (het vergroten van) zelfstandigheid. Het gaat daarbij onder andere om de volgende gebieden:

  • het voeren van een huishouden,

  • onderhouden van eigen administratie,

  • contacten met instanties,

  • planning en organisatie van het dagelijks leven.

In sommige gevallen stellen woningcorporaties woonbegeleiding als voorwaarde voor huisvesting. De corporatie neemt in het huurcontract op dat de bewoner als aanvullende voorwaarde woonbegeleiding moet accepteren. In ernstige situaties kan het huurcontact ook (tijdelijk) op naam van de zorgaanbieder worden gezet en wordt daarnaast acceptatie van woonbegeleiding als aanvullende voorwaarde gesteld.

Artikel 4.1.3.2 Huishoudelijke begeleiding

Met huishoudelijke begeleiding biedt de hulp naast eenvoudige psychosociale ondersteuning ook hulp bij het schoonmaken van het huis. De hulp zoekt samen met de cliënt naar de juiste structuur binnen het gezin of de woonsituatie. Bij huishoudelijke begeleiding wordt het ontregelde deel van de huishouding overgenomen en huisgenoten worden begeleid. Dit gebeurt als duidelijk is dat het om een tijdelijke overname gaat en de cliënt kan leren de huishouding zelf te doen.

Artikel 4.1.4 Logeeropvang

Bij logeeropvang kan een cliënt logeren in een veilige, toegankelijke en huiselijke logeeropvang. Dit gaat samen met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding voor de cliënt. De zorg van de gebruikelijke helper of mantelzorger wordt tijdelijk overgenomen. Op deze manier kan de helper zijn mantelzorgtaken langer volhouden.

 

Bij terugkerende logeeropvang kan de cliënt gedurende 1, 2 of maximaal 3 etmalen per week logeren. Dit hangt af van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. 3 etmalen per week is het maximum omdat bij meer dan 3 etmalen in een instelling er sprake is van opname in een instelling. Hiervoor moet een indicatie op grond van de Wlz worden gesteld.

 

Bij eenmalige logeeropvang is stapeling mogelijk en kan de cliënt een aaneengesloten periode logeren van maximaal 2 weken, bijvoorbeeld bij vakantie van de gebruikelijke helper of mantelzorger. Deze stapeling is maximaal tweemaal per jaar (vanaf indicatiedatum) mogelijk.

Artikel 4.2 Leveringsvormen pgb en ZIN

Levering van maatwerkvoorzieningen vindt plaats in de vorm van zorg in natura (ZIN) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Als uit het onderzoek blijkt dat de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan kan de cliënt 2 kanten op:

  • Hij maakt gebruik van wat de gemeente heeft ingekocht (ZIN).

  • Hij maakt, onder voorwaarden, gebruik van een pgb om zo zelf de hulp in te kopen.

Meer informatie over de voorwaarden van pgb worden in hoofdstuk 9 beschreven.

Artikel 5 Mantelzorgondersteuning

Bij de afweging of mantelzorgondersteuning ingezet kan worden moet de gemeente de belangen en de draagkracht van de gebruikelijke helper of mantelzorger meewegen. Als een gebruikelijke helper of mantelzorger overbelast is, of dreigt te raken, kunnen de volgende algemene- of maatwerkvoorzieningen (tijdelijk) ingezet worden:

  • -

    Vrijwilliger

  • -

    Logeeropvang

  • -

    (Extra delen) dagbesteding

  • -

    Hulp bij huishouden

  • -

    HHT Diensten thuis

  • -

    Mantelzorgwaardering

Artikel 5.1 Mantelzorgwaardering

  • 1.

    Voor een mantelzorgwaardering komen in aanmerking mantelzorgers:

    • a.

      die staan ingeschreven bij Mantelzorg & Meer (het regionale steunpunt voor mantelzorgers);

    • b.

      meer dan 8 uur per week (intensief) en/of langer dan drie maanden (lang) zorg verlenen aan een naaste, zoals een partner, kind, familielid of vriend;

    • c.

      die mantelzorg verlenen aan een in Ouder-Amstel woonachtige zorgvrager die de gebruikelijke hulp overstijgt.

  • 2.

    De waardering wordt jaarlijks door Mantelzorg & Meer aan de ingeschreven mantelzorgers toegestuurd.

Artikel 6 Vervoersvoorzieningen

Een vervoersvoorziening biedt compensatie aan inwoners die zich in hun directe woon- en leefomgeving niet goed kunnen verplaatsen door een beperking. De verschillende vervoersvoorzieningen zijn het collectief vervoer, een scootmobiel, een fietsvoorziening, een gesloten buitenwagen of een auto-aanpassing.

 

Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Dat betekent dat eerst wordt bekeken of de inwoner in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer. Pas als de inwoner daarvan geen gebruik kan maken, of als collectief vervoer geen passende of volledige voorziening is, wordt een andere maatwerkvoorziening verstrekt.

Voor verstrekking van een vervoersvoorziening gelden de volgende algemene voorwaarden:

  • a.

    Er is sprake van een mobiliteitsprobleem/beperking, waardoor het gebruik van het regulier openbaar vervoer (OV), taxi of een eigen vervoersmiddel ernstig wordt verhinderd.

  • Om normaal gebruik te kunnen maken van het OV moet een inwoner in staat zijn 800 meter (eventueel met hulpmiddel) zelfstandig te overbruggen en het openbaar vervoermiddel kunnen betreden en verlaten.

  • b.

    De vervoersvoorziening mag niet anti revaliderend zijn.

  • c.

    Er is sprake van een regelmatige en structurele vervoersbehoefte. De bestemming en het doel van de reis zijn daarbij ook belangrijk. Bij het bepalen van iemands vervoersbehoefte gaat het niet om hoe vaak hij een bepaalde bestemming wil bereiken. Het gaat om hoe vaak hij dat moet kunnen om deel te nemen aan het alledaagse leven en om zijn sociale contacten te onderhouden.

  • d.

    De beperkingen zijn langdurend van aard

Artikel 6.1 Collectief vervoer

De maatwerkvoorziening collectief vervoer is bedoeld voor inwoners die hun eigen vervoer niet meer zelfstandig of met hulp van familie of vrienden kunnen organiseren. Het collectief vervoer is een vervoerssysteem met (rolstoel)busjes en taxi’s. Het biedt vervoer van deur tot deur, in een straal van 25 km vanaf het woonadres van de cliënt.

Artikel 6.1.2 Medische begeleider

Een inwoner die, volgens de gemeente, bij het vervoer met het collectief vervoer (medische) ondersteuning nodig heeft of 24 uurs zorg/toezicht heeft, is verplicht een (medische) begeleider mee te nemen. Deze begeleider kan zonder kosten meereizen. Om hier gebruik van te kunnen maken moet de gemeente een aanvullende indicatie verstrekken.

Artikel 6.2 Fietsvoorzieningen

Fietsvoorzieningen worden verstrekt voor sociaal vervoer in de directe woon- en leefomgeving. Fietsvoorzieningen zijn er in veel soorten, zoals onder andere een drie- of vierwielfiets, handbike of aankoppelfiets. Fietsen in bijzondere uitvoeringen, speciaal bestemd voor mensen met een beperking en alleen verkocht door gespecialiseerde bedrijven, worden niet als algemeen gebruikelijk gezien.

 

De inwoner dient veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te kunnen nemen met de fietsvoorziening. Factoren die daarbij onder andere een rol spelen zijn: verkeersinzicht, kennis van de regels, gezichtsvermogen, gehoor, reactievermogen. De mate van rijvaardigheid en leerbaarheid van de inwoner zal mede afhankelijk zijn van het feit of hij kort daarvoor zelf nog actief deelnam aan het verkeer.

Artikel 6.3 Scootmobiel

Een scootmobiel kan geïndiceerd zijn voor die mensen, die een uiterst beperkte mobiliteit hebben.

Een scootmobiel wordt in beginsel in bruikleen verstrekt. Dit betekent dat de cliënt deze mag gebruiken, maar dat de scootmobiel geen eigendom van hem is.

Een scootmobiel verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget, wordt wel eigendom van de cliënt.

 

Voor verstrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • a.

    Er is sprake van een loopbeperking van langdurige aard, waardoor (brom- en snor)fietsen, met of zonder elektrische trapondersteuning of zijwielen, niet mogelijk is. Daardoor is de aanvrager ernstig beperkt in zijn bewegingsvrijheid.

  • b.

    De aanvrager dient veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te kunnen nemen met de scootmobiel. Factoren die daarbij onder andere een rol spelen zijn: verkeersinzicht, kennis van de regels, gezichtsvermogen, gehoor, reactievermogen. De mate van rijvaardigheid en leerbaarheid van de cliënt zal mede afhankelijk zijn van het feit of hij kort daarvoor zelf nog actief deelnam aan het verkeer.

  • c.

    Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als er een adequate en brandveilige stalling aanwezig is of gerealiseerd kan worden.

Artikel 6.4 Autoaanpassingen

Als iemand door zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer, een (rolstoel)taxi of andere vervoersvoorzieningen en deze niet voldoende helpen bij zijn zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving, dan kan een vergoeding voor aanpassingen aan de auto mogelijk zijn onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    De aanvrager heeft een eigen auto; én

  • b.

    Het is verantwoord dat hij zijn eigen auto gebruikt; én

  • c.

    De auto verkeert in een voldoende technische staat om de indicatieperiode van minimaal 5 jaar te overbruggen. Voor het beoordelen hiervan kan inzicht van het kentekenbewijs, onderhoudsboekje en/of APK-rapport worden gevraagd.

  • d.

    Overzetbare voorzieningen worden hoogstens één keer in de vijf jaar verstrekt.

  • a.

    Bij niet overzetbare voorzieningen wordt uitgegaan van de (technische) levensduur van de voorziening.

  • e.

    De verplaatsingen met de auto zijn hoofzakelijk ten behoeve van sociaal maatschappelijke participatie. Voor de verplaatsingen naar werk, re-integratie, sollicitatie of onderwijs kan de auto-aanpassing worden aangevraagd bij het UWV.

Artikel 6.5 Criteria gesloten buitenwagen

Bij een inwoner kunnen zulke medisch noodzakelijke redenen en specifieke objectief aangetoonde beperkingen zijn, dat er geen voorliggende andere vervoersvoorzieningen zijn die in deze situatie geschikt zijn. Dan kan een gesloten buitenwagen worden overwogen. Uitgangspunt van deze voorziening is dat hiermee het noodzakelijke vervoer voor het leven van alledag en de zeer essentiële vervoersbehoefte kan worden ingevuld. Het gaat om een vervoersbehoefte om sociaalmaatschappelijk te kunnen meedoen en een vervoersbehoefte die niet uit te stellen of te plannen is.

Een gesloten buitenwagen dient te voldoen aan de door de Rijksoverheid gestelde criteria voor gehandicaptenvoertuigen met motor 1 .

Artikel 6.6 Forfaitaire tegemoetkoming vervoerskosten

In uitzonderlijke gevallen kan een tegemoetkoming in de vervoerskosten worden toegekend. Hiervoor geldt dat:

  • a.

    De aard van de beperking langdurig is en hierdoor sprake is van extra vervoerskosten die niet vergoed worden van uit de Zorgverzekeringswet (evt. op basis van de Hardheidsclausule).

  • b.

    Vervoersvoorzieningen niet of slechts in beperkte mate in de vervoersbehoefte van de aanvrager voorzien en als deze geen passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner.

  • c.

    Alleen verplaatsingen die te maken hebben met maatschappelijk meedoen en het leven van alledag tellen mee in de afweging of een vervoersvoorziening aan inwoner wordt verstrekt. Het gaat daarbij om plaatselijk vervoer, in elk geval binnen Gemeente Ouder-Amstel.

  • d.

    Bij aantoonbare vereenzaming kunnen de tegemoetkomingen verhoogd worden met een bedrag voor vervoer buiten de regio, op voorwaarde dat de gemeente vaststelt dat bovenregionaal vervoer noodzakelijk is om vereenzaming te voorkomen. Daarbij is het voor de aanvrager niet mogelijk gebruik te maken van Wmo vervoer en Valys voor de invulling van dit bovenregionaal vervoer en het sociaal netwerk kan niet naar de inwoner reizen.

Artikel 6.6.1 Uitbetaling forfaitaire tegemoetkoming vervoerskosten

  • 1.

    De tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto, leaseauto of het gebruik van de auto van iemand anders wordt jaarlijks toegekend en per kwartaal uitgekeerd.

  • 2.

    De tegemoetkoming in de (rolstoel)taxikosten is aan een maximumbedrag gebonden. Op basis van een inschatting van de hoeveelheid kilometers, wordt de hoogte van het voorschot bepaald. Het restant bedrag wordt aan de inwoner betaald op declaratiebasis. De aanvrager toont daarvoor aan hoeveel kilometers hij heeft gereden.

  • 3.

    De tegemoetkomingen in kosten voor vervoersvoorzieningen betreffen een forfaitair (volgens een vastgestelde norm) bedrag dat niet kostendekkend is. De bedragen zijn vastgelegd in hoofdstuk 1 van het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning. De hoogte van de bedragen is gebaseerd op 1500 tot 2000 kilometers per jaar.

Artikel 7 Criteria rolstoelvoorziening

Bij een langdurige noodzaak voor zittend verplaatsen of als er sprake is van noodzakelijke individuele aanpassingen aan een rolstoel, wordt een rolstoel verstrekt. Rolstoelen voor het zogenaamde niet structureel’ en ‘weinig voorkomend’ gebruik vallen niet onder alledaagse verplaatsingen. In deze situaties verwijst de gemeente naar de Zorgverzekeringswet. Onder rolstoelvoorzieningen vallen ook de elektrische rolstoelen, aangepaste buggy’s en duwwandelwagens. De rolstoelvoorzieningen mogen niet anti-revaliderend zijn.

Artikel 7.1 Criteria elektrische ondersteuning op een rolstoelvoorziening

Op een handbewogen rolstoel voor de zeer korte afstand kan ondersteuning worden toegekend. Deze wordt alleen toegewezen als de inwoner rolstoel gebonden is, en niet in staat is om zich zelfstandig hoepelend te verplaatsen vanwege te weinig kracht. Het is een aanpassing van de rolstoel, en geen zelfstandige vervoersvoorziening.

Artikel 7.2 Criteria sport(rolstoel)voorziening

Een inwoner die voor de beoefening van zijn sport een sport(rolstoel)voorziening nodig heeft,

komt in aanmerking voor een sport(rolstoel)voorziening als hij, door de aard van de ziekte of beperking deze langdurig nodig heeft. Een sport(rolstoel)voorziening wordt volgens het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning uitsluitend verstrekt als gemaximeerde forfaitaire tegemoetkoming, voor een periode van 3 jaar.

Het is de bedoeling dat de aanvrager met de tegemoetkoming zelf een sportvoorziening aanschaft én zelf voor 3 jaar onderhoud en verzekering regelt. Hierbij wordt uitgegaan van amateursport. De meerkosten van speciale, duurdere voorzieningen komen voor rekening van de cliënt zelf.

Artikel 8 Woonvoorzieningen

Doel van de woonvoorzieningen is het ondersteunen van iemand die beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woning. Deze paragraaf geeft een toelichting op verschillende soorten woonvoorzieningen en een aantal begrippen die worden gebruikt bij de beoordeling van de noodzaak van een voorziening. In aanvulling op artikel 7 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2024 kan een inwoner in aanmerking komen voor een woonvoorziening als:

  • a.

    de inwoner aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en

  • b.

    de woonvoorziening langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is, of de kosten van de woonvoorziening lager zijn dan het bedrag van het verhuisprimaat.

Er zijn 2 soorten woonvoorzieningen:

  • 1.

    Hulpmiddelen voor het wonen: ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Dit zijn verplaatsbare (niet nagelvaste) voorzieningen zoals bijvoorbeeld een douchestoel, verplaatsbare losse tillift etc.

  • 2.

    Woningaanpassing: ook wel bouwkundige woonvoorziening genoemd. Dit zijn nagelvaste aanpassingen of voorzieningen zoals bijvoorbeeld een traplift, het verbreden van een deur of een douchezitje aan de muur.

Uitgangspunten voor woningaanpassingen

Algemene uitgangspunten voor woningaanpassingen zijn:

  • 1.

    Naast woningen kunnen ook woonwagens met een vaste standplaats en woonschepen met een ligplaats worden aangepast.

  • 2.

    Het budget voor woningaanpassingen bedraagt maximaal 100% van de door de gemeente goedgekeurde offertekosten.

  • 3.

    Hulpmiddelen voor het wonen in natura, waarvan de kosten € 300,00 of minder bedragen, worden in eigendom verstrekt aan de cliënt. Alle hulpmiddelen voor het wonen waarvan de kosten de € 300,00 overstijgen, worden in bruikleen verstrekt.

  • 4.

    Woningaanpassingen, met uitzondering van trapliften, plafondliften, drempelhulpen en deurautomaten, worden eigendom van de woningeigenaar. Trapliften, plafondliften, drempelhulpen en deurautomaten worden altijd in bruikleen verstrekt. Deze voorzieningen zijn herinzetbaar.

  • 5.

    Voor voorzieningen verstrekt in bruikleen dient de cliënt zich te houden aan de bruikleenovereenkomst. Bij de afname van diensten dient de cliënt zich te houden aan de zorgovereenkomst.

Artikel 8.1 Bezoekbaar maken

De gemeente kan bijdragen aan het bezoekbaar maken van één woning binnen de gemeente als dit noodzakelijk is voor de participatie van die burger. Het gaat hier om een buitenwettelijke voorziening, omdat de burger ofwel geen ingezetene is van de gemeente ofwel niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning die bezoekbaar wordt gemaakt.

De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

  • 1.

    Wanneer de burger in een Wlz-instelling woont kan één woning binnen de gemeentegrenzen van Ouder-Amstel waar hij of zij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van de partner of een kind) bezoekbaar worden gemaakt.

  • 2.

    Voor kinderen die in een Wlz instelling wonen en waarvan de ouders zijn gescheiden, maar beide wonen in de gemeente Ouder-Amstel, geldt dat in geval van co-ouderschap de woningen van beide ouders, bezoekbaar gemaakt kunnen worden.

  • 3.

    Het bezoekbaar maken (gericht op dagbezoek) houdt in dat de woning toegankelijk is voor de burger. De burger heeft toegang tot de woning, de woonkamer en het toilet.

  • 4.

    De gemeente vergoedt geen aanpassingen om logeren mogelijk te maken.

Artikel 8.2 Primaat verhuizen

Het primaat verhuizen houdt in dat verhuizen naar een geschikte woonruimte voorrang heeft boven woonruimteaanpassingen, als de kosten van de aanpassingen waarschijnlijk hoger zijn dan verhuizen naar een andere adequate woonruimte. Als een cliënt is verhuisd naar een voor zijn beperkingen niet geschikte woning, wordt er geen woonvoorziening verstrekt, tenzij de gemeente daar vooraf toestemming voor heeft gegeven.

 

Bij de afweging van het primaat van verhuizen gelden de volgende aanvullende afwegingen:

  • De woonlasten en financiële consequenties van de verhuizing;

  • De termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn);

  • De sociale omstandigheden;

  • Eventueel aanwezige mantelzorg.

Artikel 8.2.1 Verhuizen naar een geschikte woning (medische verhuisindicatie)

Een medische verhuisindicatie is een verklaring van de gemeente dat de huidige woning van de inwoner vanwege langdurige medische beperkingen ongeschikt is en er geen eenvoudige aanpassingen mogelijke zijn. Er moet een duidelijk verband zijn tussen de medische klachten en de ongeschiktheid van de woning.

Er kan alleen een toekenning gedaan worden voor een sociale huurwoning, waarbij voldaan moet worden aan de eisen van sociale huur.

De eisen waaraan de woning moet voldoen, worden door de klantmanagers in Woningnet geplaatst. De woningcorporatie biedt rechtstreeks aan een woningzoekende de woonruimte, zonder dat die woonruimte via het aanbodinstrument te huur is aangeboden. Bij het weigeren van een geschikte woning komt de medische verhuisindicatie te vervallen.

Artikel 8.2.2. Forfaitaire tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten

Als iemand door plotseling optredende beperkingen onverwacht moet verhuizen, dan kan hem mogelijk een forfaitaire tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten door de (vertrekkende) gemeente worden verstrekt. Deze forfaitaire tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten is altijd gekoppeld aan het besluit “primaat van verhuizen”. De hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld voor de kosten van verhuizing en herinrichting, is vastgelegd in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning. De tegemoetkoming heeft niet tot doel helemaal kostendekkend te zijn.

Artikel 8.2.3 Forfaitaire tegemoetkoming in de kosten van verhuizing

Een toegekende tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten wordt pas uitbetaald als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a.

    de woning voldoet aan de in de beschikking genoemde eisen of;

  • b.

    het gaat om rechtmatige bewoning van een zelfstandige woonruimte en;

  • c.

    er is geen sprake van een tijdelijke huurovereenkomst.

  • d.

    er binnen één jaar na verhuisdatum aanspraak gemaakt is op de forfaitaire tegemoetkoming.

Artikel 8.3 Gemeenschappelijke ruimten wooncomplexen

Aan gemeenschappelijke ruimten kunnen de volgende voorzieningen worden toegekend:

  • 1.

    het verbreden van toegangsdeuren;

  • 2.

    het aanbrengen van elektrische deuropeners;

  • 3.

    aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (op voorwaarde dat de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel);

  • 4.

    drempelhulpen of vlonders;

  • 5.

    het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning;

  • 6.

    een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het woongebouw.

Deze lijst is beperkt. Gemeenschappelijke ruimten hoeven maar in beperkte mate te worden aangepast door de Wmo. In gebouwen die speciaal bedoeld zijn voor ouderen of mensen met een beperking kan het zijn dat bepaalde toegankelijkheidsvoorzieningen voor gemeenschappelijke ruimten algemeen gebruikelijk zijn. Dit heeft ermee te maken dat het gebouw voor een bepaalde doelgroep is bestemd.

Hoofdstuk 9 Persoonsgebonden budget (pgb)

Om in aanmerking te komen voor een pgb moet worden voldaan aan wettelijke voorwaarden. Deze zijn beschreven in de verordening en het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 9.1 Kwaliteit ondersteuning

De kwaliteit van de in te kopen of ingekochte ondersteuning is belangrijk om de doelen en resultaten die in het ondersteuningsplan zijn opgesteld, effectief in te zetten en uiteindelijk tot een goed eindresultaat te leiden.

 

  • 1.

    De kwaliteit van de voorziening in de vorm van een pgb is zodanig dat:

    • a.

      de dienstverlening veilig, doeltreffend doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt;

    • b.

      de dienstverlening tijdig en volgens afspraak wordt verstrekt;

    • c.

      de dienstverlening is aangepast aan de reële behoefte van de cliënt en aan andere vormen van hulp die de cliënt ontvangt;

    • d.

      de dienstverlening verstrekt wordt met respect voor en rekening houdend met de rechten van de cliënt;

    • e.

      de ondersteuner van zorg een actieve signaleringsplicht heeft als het gaat om veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de cliënt aan meer of andere zorg;

  • 2.

    Voor professionele aanbieders geldt daarbij ook dat:

    • a.

      de professional dan wel de aanbieder staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel

    • b.

      de Ondersteuning wordt geleverd door gekwalificeerd personeel, passend bij de behoeften en Persoonskenmerken van de cliënt;

    • c.

      de aanbieder zorgt voor scholing zodanig (dat de medewerkers) over verantwoorde kennis en kunde van goede kwaliteit, kunnen (blijven) beschikken;

    • d.

      medewerkers, als dat aan de orde is, geregistreerd zijn volgens de geldende beroepsregistratie;

    • e.

      de aanbieder zorgt voor het naleven van beroeps- en meldcodes door de medewerkers.

    • f.

      De ondersteuner heeft een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) met screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en Welzijn van mens en dier’, of de opvolger daarvan. Deze is bij de start van de ondersteuning niet ouder dan 3 jaar. De gemeente betaalt de kosten van de VOG niet. Geld uit het pgb is hier ook niet voor.

  • 3.

    Voor een niet professioneel ondersteuner, zoals een persoon uit het sociaal netwerk, geldt daarbij ook dat:

    • a.

      Als de dienst om hulp gaat waarvoor volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, dan heeft de persoon die kwalificatie;

    • b.

      Deze persoon heeft niet aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem te zwaar valt;

    • c.

      De persoon uit het sociaal netwerk die de dienst levert, zal niet het budget beheren

    • d.

      De persoon heeft een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) met screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en Welzijn van mens en dier’, of de opvolger daarvan. Deze is bij de start van de ondersteuning niet ouder dan 3 jaar. De gemeente betaalt de kosten van de VOG niet. Geld uit het pgb is hier ook niet voor.

Heronderzoek

Om er zeker van te zijn dat de kwaliteit op peil blijft, kan de gemeente regelmatig in gesprek gaan met de budgethouder of zijn gewaarborgde hulp en/of zorgverlener. Hierbij komen onder andere de volgende zaken aan bod:

  • -

    de behaalde resultaten met het persoonsgebonden budget (steekproefsgewijs);

  • -

    het naleven van de daaraan verbonden voorwaarden;

  • -

    of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.

Ook tijdens de beschikkingsperiode kan de gemeente de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning beoordelen.

Artikel 9.2 Pgb voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Voor een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor de aanschaf of betaling van een (hulp)middel, gelden de volgende bepalingen:

    • a.

      Het budget mag alleen gebruikt worden voor aankoop van de voorziening of het hulpmiddel bij een partij die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

    • b.

      Een pgb-houder mag, als hij dat wil, ondersteuning inkopen tegen een hoger tarief dan het gemeentelijke tarief bij een professionele ondersteuner. Deze meerkosten komen voor rekening van de cliënt.

    • c.

      Als een pgb wordt aangevraagd voor een voorziening waarvoor geen tarief “in natura” is vastgesteld, mag de gemeente alsnog een tarief vaststellen.

    • d.

      Als gebruiksduur voor een woonvoorziening, bruikleenauto, gesloten buitenwagen, trap- en plafondlift waarvoor een pgb wordt verstrekt, geldt 10 jaar.

    • e.

      Als gebruiksduur van een hulpmiddel waarvoor een pgb wordt verstrekt, geldt 7 jaar.

  • 2.

    Een pgb voor de aanschaf van een maatwerkvoorziening is bestemd voor:

    • a.

      Een voorziening die voldoet aan het programma van eisen, zoals vermeld in de beschikking

    • b.

      het onderhoud, de reparaties, en eventuele pechhulp;

    • c.

      indien van toepassing minimaal een WA-verzekering met cascodekking van de maatwerkvoorziening.

Artikel 9.3 Pgb-plan

Een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt uitlegt aan de hand van een opgesteld pgb-plan, waarom hij een pgb wil. Uit deze uitleg blijkt dat de cliënt de gemeentelijke mogelijkheden van verstrekking of hulp in natura heeft beoordeeld. En daarbij geeft hij aan waarom deze vormen van hulp voor hem niet voldoen.

Artikel 9.4 Budgetbeheerder

De cliënt is de budgethouder van het Pgb. Als de budgethouder niet zelf het pgb kan beheren is het mogelijk een vertegenwoordiger aan te stellen die het budget beheert. De vertegenwoordiger kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn of een gemachtigde.

Naar het oordeel van de gemeente moet de budgetbeheerder (cliënt of vertegenwoordiger) op eigen kracht voldoende in staat zijn om de taken die bij het pgb horen, op verantwoorde wijze uit te voeren. De budgetbeheerder wordt daarom getoetst op vaardigheden als kennis, financieel beheer, zorginhoudelijke beheer en werkgeverschap.

 

Of de budgetbeheerder (cliënt of vertegenwoordiger) voldoende vaardigheden bezit, wordt door de gemeente op basis van de volgende criteria beoordeeld:

  • a.

    Kennis

    • 1.

      Kennis hebben van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb en/of op de hoogte zijn om deze zelf bij de desbetreffende instanties (online) te vinden.

    • 2.

      Kennis hebben van het doel van de Wmo.

    • 3.

      Kennis hebben van de situatie, beperkingen en stoornissen dan wel de hulpvraag.

    • 4.

      Het inzetten van de juiste ondersteunende activiteiten en hun omvang om de geformuleerde doelstellingen/resultaten te kunnen behalen.

  • b.

    Financieel beheer

    • 1.

      Een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden, waardoor de cliënt inzicht heeft in de bestedingen van het pgb.

    • 2.

      Voldoende communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar, SVB en zorgverlener(s).

  • c.

    Zorginhoudelijk beheer

    • 1.

      Zelfstandig kiezen voor en inwerken van een geschikte zorgverlener.

    • 2.

      Inzicht hebben in de activiteiten/ondersteuning die worden geleverd.

    • 3.

      In staat zijn om evaluatiegesprekken te voeren en de effecten te volgen en bij te sturen indien nodig.

    • 4.

      Beoordelen en beargumenteren of de geleverde hulp passend en kwalitatief goed is.

    • 5.

      Indien van toepassing zorgdragen voor het onderhoud, de reparaties en de verzekering van de voorziening

  • d.

    Werkgeverschap

    • 1.

      Het inkopen van de maatwerkvoorziening, hulpmiddel of ondersteuning en het afsluiten van de zorgovereenkomst en contracten

    • 2.

      Overeenkomen van een correct uurtarief conform het wettelijk minimumloon.

    • 3.

      Het betalen van premies voor sociale zekerheid (zoals WW en WIA) en loondoorbetaling bij ziekte.

    • 4.

      Kunnen coördineren van de inzet van zorgverleners. De hulp blijft zo ook bij verlof en ziekte doorgaan.

Artikel 9.5 Weigeringsgronden

De gemeente kent onverminderd artikel 2.3.6. van de wet, geen persoonsgebonden budget toe:

  • a.

    als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;

  • b.

    voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding in het buitenland.

  • c.

    voor zover dit is bedoeld voor de betaling van tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • d.

    voor zover dit is bedoeld voor reis-, parkeer-, middelings-, ondersteunings- of administratiekosten of andere kosten in verband met het persoonsgebonden budget. Het pgb budget is volledig bedoeld voor de ondersteuning.

  • e.

    Als er sprake is van een maandloon. De daadwerkelijk geleverde uren moeten worden geregistreerd, gedeclareerd en moeten gecontroleerd kunnen worden.

  • f.

    als cliënt en zijn vertegenwoordiger niet pgb-vaardig of niet handelingsbekwaam zijn.

  • g.

    als de budgetbeheerder de hulpverlener is.

  • h.

    als er fraude is gepleegd of eerder misbruik is gemaakt van het pgb.

  • i.

    als er sprake is van verslaving- of schuldenproblematiek bij cliënt of zijn vertegenwoordiger.

Artikel 9.6 Beëindiging

De indicatie voor pgb wordt stopgezet als:

  • a.

    De budgetbeheerder de voortgang, het resultaat van de ondersteuning en het gebruik van het budget niet kan verantwoorden;

  • b.

    Op basis van onderzoek blijkt dat de budgethouder niet pgb-vaardig meer is en de ondersteuning onvoldoende kan sturen;

  • c.

    De doelen niet zijn of worden behaald en als de gemeente van mening is dat de activiteiten van de zorgverlener niet voldoende (meer) gericht zijn op het bereiken van de doelen;

Hoofstuk 10 Maatschappelijke opvang en beschermd wonen

Begeleid thuis en beschermd verblijf zijn maatwerkvoorzieningen in het kader van maatschappelijke opvang en beschermd wonen.

Artikel 10. 1 Toegang

  • 1.

    De gemeente Amsterdam is door de gemeente Ouder-Amstel en Ouder-Amstel gemandateerd om de maatwerkvoorzieningen beschermd verblijf en begeleid thuis met wooncomponent in te kopen en te indiceren.

  • 2.

    De wijze van aanvragen, aanvullende criteria en productomschrijvingen zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam. Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op inwoners van Ouder-Amstel.

  • 3.

    Aanvragen voor beschermd verblijf en begeleid thuis met wooncomponent worden behandeld door de Centrale Toegang van de GGD Amsterdam.

  • 4.

    De gemeente is verantwoordelijk voor het behandelen van aanvragen en het afgeven van indicaties voor begeleid thuis zonder wooncomponent.

Artikel 10.2 Begeleid Thuis

  • 1.

    Begeleid Thuis is bedoeld voor inwoners die te maken hebben met complexe en meervoudige problematiek, maar die met passende en intensieve begeleiding in staat zijn zelfstandig te wonen. De voorziening kan zowel plaatsvinden in de eigen woning (zonder wooncomponent) als op een tijdelijke stabiele woonplek (met wooncomponent).

  • 2.

    Het doel van Begeleid Thuis is dat de inwoner zelfstandig kan (blijven) wonen, zijn of haar zelfredzaamheid vergroot of behoudt en actief deelneemt aan de samenleving. Daarbij wordt zo veel mogelijk toegewerkt naar afbouw van ondersteuning.

  • 3.

    Een inwoner kan in aanmerking komen voor Begeleid Thuis indien deze beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aangewezen leefgebieden, in staat is een hulpvraag te stellen en deze hulpvraag zodanig kan reguleren dat beschermd verblijf niet passend is, en bereid is de noodzakelijke begeleiding te accepteren.

  • 4.

    Voor toekenning geldt voorts dat sprake moet zijn van meervoudige complexe problematiek op meerdere terreinen, waaronder psychiatrie, psychosociale problematiek (bijvoorbeeld voortkomend uit dakloosheid), verslaving, een (licht) verstandelijke beperking of een forensische achtergrond.

  • 5.

    De problematiek kan van dien aard zijn dat begeleiding intensief, veelvuldig ongepland en in sommige gevallen 24 uur per dag beschikbaar moet zijn.

  • 6.

    Indien de inwoner deel uitmaakt van een meerpersoonshuishouden, wordt de mate van zelfredzaamheid beoordeeld op het niveau van het huishouden als geheel.

  • 7.

    Indien er in het huishouden minderjarige kinderen aanwezig zijn, wordt aanvullend beoordeeld of de opvoedvaardigheden van de ouder(s) toereikend zijn en of de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen voldoende gewaarborgd zijn. Daarbij wordt specifiek gekeken naar lichamelijke verzorging, sociaal-emotionele ondersteuning, scholing en opvang.

Artikel 10.3 Beschermd verblijf

  • 1.

    Beschermd verblijf is bedoeld voor inwoners die vanwege ernstige en meervoudige problematiek niet in staat zijn zelfstandig te wonen, ook niet met intensieve ambulante begeleiding, en die aangewezen zijn op een beschermde woonomgeving met permanent toezicht en ondersteuning.

  • 2.

    De voorziening wordt door de gemeente Amsterdam ingekocht en uitgevoerd. De toegang verloopt via de Centrale Toegang van de GGD Amsterdam, die tevens de indicaties afgeeft.

  • 3.

    Beschermd verblijf biedt een veilige en stabiele woonomgeving waar 24 uur per dag begeleiding, toezicht en ondersteuning aanwezig zijn. De begeleiding richt zich op het stabiliseren van de situatie, het vergroten van zelfredzaamheid waar mogelijk, het voorkomen van crisissituaties en het werken aan persoonlijk herstel.

  • 4.

    Het verblijf is zo veel mogelijk tijdelijk van aard en gericht op doorstroom naar een zelfstandige woonvorm of naar begeleid thuis, zodra de situatie van de inwoner dat toelaat.

  • 5.

    Voor toekenning van beschermd verblijf geldt dat er sprake moet zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden in combinatie met zodanige problematiek dat een lichtere voorziening, zoals begeleid thuis, niet passend is. Hierbij kan het gaan om ernstige psychiatrische of psychosociale problematiek, een verstandelijke beperking, verslaving of een forensische achtergrond.

  • 6.

    Indien de inwoner deel uitmaakt van een meerpersoonshuishouden, wordt de situatie beoordeeld op het niveau van het huishouden als geheel. Wanneer er minderjarige kinderen in het huishouden aanwezig zijn, wordt aanvullend beoordeeld of de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen gewaarborgd zijn.

Hoofdstuk 11 Herziening, intrekking, beëindiging en terugvordering.

11.1 Herziening en intrekking

De gemeente kan een beslissing herzien of intrekken als de gemeente vaststelt dat:

  • -

    de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • -

    de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

  • -

    de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer als voldoende te beschouwen is;

  • -

    de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb gestelde voorwaarden;

  • -

    de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel dan waarvoor deze is verstrekt, heeft gebruikt.

11.2 Terugvordering

Voor een besluit tot terugvordering moet de gemeente eerst een besluit tot herziening en intrekking nemen. Zonder een besluit tot herziening en intrekking is er geen rechtsgeldig besluit tot terugvordering. De besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering zijn besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat als de budgethouder het niet eens is met die besluiten, hij gebruik kan maken van de rechtsmiddelen bezwaar, beroep en hoger beroep. Terugvordering is alleen mogelijk als er aantoonbaar opzet in het spel is.

Hoofdstuk 12 Slotbepalingen

Artikel 12.1 Inwerkingtreding

De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel treedt in werking op 1 januari 2026.

Artikel 12.2 Citeertitel

De beleidsregels worden aangehaald als: De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2026.

Artikel 12.3 Intrekking en overgangsrecht

De beleidsregels Wmo Ouder-Amstel 2023 worden ingetrokken. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2026 worden afgehandeld krachtens de beleidsregels Wmo Ouder-Amstel 2023.

Aldus besloten op 9 december 2025.

Burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel voornoemd,

De secretaris,

A.J.E. van der Werf-Bramer

De Burgemeester,

S.C.T. de Roy van Zuidewijn-Rive

Begrippenkader

Artikel 13.1 Begripsomschrijving

Alle begrippen, die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel.

 

Artikel 13.2 Aanvullende begrippen

  • -

    Anti-revaliderend: Het versterken of creëren van nieuwe beperkingen als gevolg van de verstrekking van voorzieningen

  • -

    Bouwkundige woningaanpassing: Onderdeel woonvoorziening met een blijvende bouwkundige wijziging van de woning.

  • -

    Budgethouder: Aan wie het Pgb is toegewezen

  • -

    Budgetbeheerder: De cliënt zelf of een vertegenwoordiger die ingesteld is door de budgethouder. Iemand die verantwoordelijk is voor het financieel beheer en toezicht houdt op de kwaliteit en doelmatigheid van de met een pgb ingekochte ondersteuning/hulp.

  • -

    Eigen kracht: De eigen mogelijkheden en het probleemoplossende vermogen (capaciteit), tijd en middelen van de bewoner en/of de leefeenheid van de bewoner (gebruikelijke hulp en boven gebruikelijke hulp). Hiermee kunnen mensen zelf of met personen uit hun sociaal netwerk (mantelzorg) de beperking in zelfredzaamheid en participatie of problemen bij het zich handhaven in de samenleving, oplossen.

  • -

    Goedkoopst adequate maatwerkvoorziening: Als er keuze is uit voorzieningen die allemaal adequaat = passend zijn, dan wordt die gekozen die in geld, over het geheel gezien, voor de gemeente het goedkoopste is.

  • -

    HHT Diensten Thuis: Met de HHT Diensten Thuis kunt u zelf extra huishoudelijke werkzaamheden inkopen. Mantelzorgers die als mantelzorger ingeschreven staan bij de mantelzorgorganisatie(s) kunnen gebruik maken van de HHT Diensten Thuis. Dit geldt ook voor de inwoners van Ouder-Amstel die een indicatie hebben voor Hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

  • -

    Hulpvraag: Na de melding moet eerst de precieze hulpvraag helder worden. Daarna kan het probleem objectief worden bekeken.

  • -

    Leefbaar huis: Een opgeruimd en voor de bewoner bij zijn levensfase passend functioneel ingericht huis.

  • -

    Maatschappelijk Opvang: Onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Of dit nu verband houdt met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, of niet.

  • -

    Begeleid Thuis: verstrekking in het kader van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. De maatwerkvoorziening begeleid thuis kan slechts worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang en beschermd wonen, indien deze maatwerkvoorziening gepaard gaat met onderdak.

  • -

    Beschermd verblijf: verstrekking in het kader van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. De maatwerkvoorziening beschermd verblijf moet worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang en beschermd wonen.

  • -

    Ondersteuningsplan: De uitwerking van het onderzoek in een plan. In dit plan staat een uitwerking van de hulpvraag, het gesprek, de beoogde resultaten en de verschillende vormen van ondersteuning.

  • -

    Participatie of maatschappelijke deelname: De mogelijkheid om mee te doen in het sociaal leven in de dagelijkse leefsituatie, zoals thuis en in relatie met huisgenoten, familie en vrienden.

  • -

    Persoonlijk plan: Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt de gemeente een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest past bij hem.

  • -

    Pgb-plan: Het onderzoeksplan aangevuld met een kostenbegroting en informatie over de eigen situatie, de aard en kwaliteit van de in te zetten ondersteuning.

  • -

    Voorzienbaar: Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren kunnen zien aankomen en dit met een beslissing kunnen voorkomen.

Naar boven