Verordening op de heffing en invordering afvalstoffenheffing Beek 2026

DE RAAD VAN DE GEMEENTE BEEK;

 

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 10 november 2025;

 

gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer

 

en artikel 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h Gemeentewet ;

 

B E S L U I T :

 

vast te stellen de volgende:

 

"Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Beek 2026".

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    “gebruik maken”: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

  • -

    kalenderweek: een aaneengesloten periode van zeven dagen, beginnende met een maandag en eindigend met een zondag;

  • -

    kalenderjaar: een tijdvak van twaalf kalendermaanden beginnende op 1 januari;

  • -

    (verzamel-)container en/of emmer: een ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval door of vanwege de gemeente per perceel of per groep van percelen ter beschikking gesteld of geplaatst inzamelmiddel.

Artikel 2. Aard van de belasting en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, dan wel het aanbieden van afvalstoffen bij het milieupark als bedoeld in hoofdstuk 1.3 van de tarieventabel behorende bij deze verordening.

Artikel 3. Voorwerp van de belasting

  • 1.

    Voorwerp van de belasting is een perceel.

  • 2.

    Als perceel wordt aangemerkt:

    • a.

      de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;

    • b.

      de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

    • c.

      een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • d.

      een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

    • e.

      het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 4. Belastingplicht

  • 1.

    De belasting als bedoeld in de hoofdstukken 1.1, 1.2 en 1.4 van de tarieventabel, wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of per-soonlijk recht gebruik maakt van een perceel.

  • 2.

    De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.3 van de tarieventabel wordt geheven van de-gene die afval aanbiedt bij een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats.

Artikel 5. Belastingtijdvak

  • 1.

    Met betrekking tot de belasting die per belastingjaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6. Reductie heffing medisch afval

  • 1.

    Indien de belastingplichtige, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, als gevolg van chronische ziekte of handicap dan wel chronische ziekte of handicap van personen die behoren tot zijn of haar huishouden, extra afval moet aanbieden aan de aangewezen inzameldienst komt de belastingplichtige aanmerking voor:

    • a.

      vermindering van de belasting als bedoeld in hoofdstuk I, onderdelen 1.2.2.1 tot en met 1.2.2.3 en 1.2.3.

    • b.

      vermindering van de belasting als bedoeld in hoofdstuk I, onderdelen 1.1.2.1 of 1.1.2.3. van de tarieventabel voor één extra container van 240 liter restafval of één extra emmer van 40 liter restafval.

  • 2.

    De in het eerste lid onder a. bedoelde vermindering van de belasting bedraagt 60% van de totaal verschuldigde belasting als bedoeld in hoofdstuk I, onderdelen 1.2.2.1 tot en met 1.2.2.3 en 1.2.3 met een maximum van € 109,50 per belastingjaar

  • 3.

    De belastingplichtige die in aanmerking wil komen voor vermindering op grond van het eerste lid, dient uiterlijk binnen 6 maanden na dagtekening van de opgelegde belasting, zoals bedoeld in het eerste lid, een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de heffingsambtenaar. Bij dit verzoek dient een schriftelijke verklaring van de huisarts, medisch specialist, ziektekostenverzekeraar, apotheker of medische groothandel te worden overlegd, waaruit blijkt dat als gevolg van een chronische ziekte of handicap extra afval wordt aangeboden en - indien van toepassing - de kennisgevingen (aankoopbonnen) van de afvalzakken.

  • 4.

    De berekening van de vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats na afloop van het betreffende belastingjaar.

Artikel 7. Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

  • 2.

    Deze maatstaven en tarieven worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

  • 3.

    Voor de berekening van de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.2, onderdelen 1.2.1.1 en 1.2.2.1, van de tarieventabel, wordt uitgegaan van de gewichten die zijn vastgesteld met behulp van de weegapparatuur op de wegende inzamelauto.

  • 4.

    Het gewicht van het per kalenderweek ingezamelde huishoudelijk afval wordt per per-ceel vastgesteld als het verschil van het gewicht van de ter lediging aangeboden container voor en na lediging.

  • 5.

    Indien tijdens een inzamelbeurt door een calamiteit of technische storing aan de wegende inzamelauto, de herkennings-, wegings- of registratieapparatuur of van de middelen waarmee de registratiegegevens van de geledigde containers worden opgeslagen, van een aangeboden container geen of een onjuiste automatische weging, herkenning, registratie of gegevensverwerking plaatsvindt, wordt voor de berekening van de belasting bij alle betrokken percelen, waar zich deze storing heeft voorgedaan, voor de betreffende inzamelbeurt een forfaitair gewicht per perceel vastgesteld. Het forfaitair gewicht wordt vastgesteld overeenkomstig het gestelde in de leden 6 en 7.

  • 6.

    Het forfaitair gewicht als bedoeld in lid 5 wordt bepaald op het totaal over het voorafgaande belastingtijdvak bij het betrokken perceel vastgestelde gewicht van de afvalstoffen, gedeeld door het aantal inzamelbeurten gedurende het voorafgaand belastingtijdvak.

  • 7.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, of indien om andere redenen geen forfaitair gewicht als bedoeld in lid 4 kan worden vastgesteld, wordt het forfaitair gewicht vastgesteld op 6,5 kilogram.

  • 8.

    Voor de berekening van de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.2, onderdeel 1.2.3, van de tarieventabel, wordt uitgegaan van het aantal ledigingen dat wordt vastgesteld door middel van de registratieapparatuur op de inzamelauto.

  • 9.

    Voor de berekening van de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.2, onderdelen 1.2.1.2, 1.2.1.3, 1.2.2.2 en 1.2.2.3, van de tarieventabel, wordt uitgegaan van het aantal inworpen dat wordt vastgesteld door middel van de registratieapparatuur op de verzamelcontainer.

Artikel 8. Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting als bedoeld in de hoofdstukken 1.1 en 1.2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.3 en hoofdstuk 1.4 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

  • 3.

    Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven.

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel, is verschuldigd na afloop van het belastingtijdvak.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voordat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat, voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 5.

    Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.

  • 6.

    De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.3 en hoofdstuk 1.4 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening, of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen

  • 7.

    Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven.

  • 8.

    Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 10. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag als worden betaald: in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt.

  • 3.

    Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de uitvoeringsregel automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW).

  • 4.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen.

  • 5.

    De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan binnen 14 dagen na dagtekening van de kennisgeving.

Artikel 10. Overdracht van Bevoegdheden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het vaststellen en wijzigen van de bij deze verordening behorende tarieventabel zoals bedoeld in artikel 7.

Artikel 12. Kwijtschelding

Bij de invordering van de afvalstoffenheffing kan alleen voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1, onderdeel 1.1.1, van de tarieventabel gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend, indien de belasting niet anders dan met buitengewoon bezwaar kan worden betaald.

Artikel 13. Forfaitaire heffing

Indien de gemeente buiten haar aansprakelijkheid – om wat voor reden dan ook – niet kan beschikken over de informatie die nu de basis vormt voor de gemeentelijke heffing, is de gemeente gerechtigd middels een forfaitaire heffing, conform artikel 7, leden 5, 6, en 7, toch de kosten bij de aanbieder van het huishoudelijk afval in rekening te brengen indien de dienstverlening toch heeft plaatsgevonden.

Artikel 14. Overgangsrecht

De “Verordening Afvalstoffenheffing Beek 2024” van 7 december 2023, of zoals laatstelijk gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 15, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 15. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 16. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening afvalstoffenheffing Beek 2026.

Beek, 11 december 2025

GEMEENTERAAD,

Guliël Erven

Raadsgriffier

Christine van Basten-Boddin

Voorzitter

Naar boven