Beleidsregels ondersteuning minima 2026

Het college van B&W van de gemeente Altena, gelet op:

  • -

    Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de artikelen 7, eerste lid, onderdeel b, en 35 Participatiewet, en hoofdstuk 7 van de Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022, voor wat betreft de hoofdstukken 1 en 2;

  • -

    artikel 36 Participatiewet, en hoofdstuk 7 van de Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022, voor wat betreft hoofdstuk 3.1;

  • -

    artikel 36b Participatiewet, voor wat betreft hoofdstuk 3.3;

  • -

    de artikelen 108, tweede lid, en 147 Gemeentewet, en hoofdstuk 7 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Altena 2022, voor wat betreft hoofdstukken 3.2 en 4.

overwegende dat:

  • -

    Het college het wenselijk vindt om beleidsregels vast te stellen betreffende de uitvoering van het minimabeleid en aanverwante regelgeving van het college van burgemeester en wethouders verleende taken en bevoegdheden;

Besluit:

De beleidsregels voor ondersteuning minima als volgt vast te stellen

 

1. Algemeen

1.1 Uitgangspunten

Deze beleidsregels gaan over wat de gemeente kan doen als inwoners onvoldoende geld hebben om rond te komen en mee te doen aan de samenleving. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf aan zet om in hun levensonderhoud te voorzien en een oplossing te vinden voor hun kosten. Als het inwoners niet lukt om zelf hun bestaanskosten te betalen, kan de gemeente inwoners financieel ondersteunen als zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. De volgende onderwerpen worden in deze beleidsregels geregeld:

  • Hoofdstuk 2: daarin is geregeld wanneer de gemeente bepaalde noodzakelijke kosten kan vergoeden. Deze vergoeding heet bijzondere bijstand.

  • Hoofdstuk 3: daarin staan regels over de individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag. De individuele inkomenstoeslag is een bedrag dat inwoners kunnen krijgen als ze langdurig weinig of geen financiën hebben. De studietoeslag is een maandelijkse bijdrage voor studenten die naast hun studie niets kunnen bijverdienen vanwege medische redenen. Ook staan in hoofdstuk 3 uitvoeringsregels over de maaltijdvoorziening van de gemeente Altena.

  • Hoofdstuk 4: daarin zijn regels opgenomen over het Activiteitenfonds en het Kindpakket. Dat zijn voorzieningen die inwoners helpen om mee te doen aan de samenleving.

Deze beleidsregels vullen de hoofdregels over ondersteuning aan minima aan. De hoofdregels staan in de Participatiewet, de Gemeentewet en de Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022. Die regels vormen de wettelijke basis om een hulpvraag van een inwoner te beoordelen, een voorziening of bijstand te verlenen, terug te vorderen of te verhalen.

 

1.2 Begrippen

Veel voorkomende begrippen in de beleidsregels zijn:

  • a.

    bijstandsnorm: de norm, inclusief (reservering) vakantietoeslag, bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, zonder rekening te houden met de kostendelersnorm en met de verlaging op grond van paragraaf 3.3;

  • b.

    draagkracht: wat de inwoner zelf moet bijdragen aan de kosten;

  • c.

    draagkrachtruimte: het deel van het inkomen en/of vermogen dat beschikbaar is voor de kosten;

  • d.

    draagkrachtjaar: de gemeente stelt de draagkracht vast voor een periode van 12 maanden;

  • e.

    gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena;

  • f.

    inkomensgrens: boven dit inkomen heeft de inwoner geen recht meer op een voorziening of uitkering. Deze grens wordt bepaald ten opzichte van de bijstandsnorm;

  • g.

    samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren, als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet;

  • h.

    vermogensgrens: boven dit vermogen heeft de inwoner geen recht meer op een voorziening of uitkering, en geen recht meer op (volledige) bijstand. Dit is het bedrag dat vrijgelaten wordt voor de algemene bijstand, uit artikel 34, derde lid, van de wet;

  • i.

    verordening sociaal domein: Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022;

  • j.

    wet: Participatiewet;

  • k.

    Voor de in deze beleidsregels gehanteerde begrippen wordt aangesloten bij de definities zoals vastgesteld in de Participatiewet en Verordening Sociaal Domein 2022;

  • l.

    beleidsregels: Beleidsregels ondersteuning minima gemeente Altena 2026;

2. Bijzondere bijstand

Inwoners moeten voldoen aan een aantal voorwaarden om bijzondere bijstand te kunnen krijgen. Die voorwaarden staan in de wet, met name in de artikelen 15 en 35. Ook in de verordening staan enkele bepalingen die van belang zijn, zoals artikel 7.4.1. De belangrijkste voorwaarden benoemen we hier in het kort.

 

2.1 Voorwaarden

2.1.1 KAN DE INWONER EEN BEROEP DOEN OP EEN ANDERE VOORZIENING?

Een inwoner kan geen bijzondere bijstand krijgen, als hij een beroep kan doen op een andere (voorliggende) voorziening. Het gaat om een voorziening die toereikend en passend in de kosten van de inwoner voorziet en daarom voorgaat op de bijzondere bijstand (art. 15 van de wet). Daar moet de inwoner dan eerst een beroep op doen. Als de kosten niet vergoed worden, omdat een andere regeling dat niet nodig vindt, dan kan de inwoner voor die kosten ook geen bijzondere bijstand ontvangen.

2.1.2 DOEN DE KOSTEN ZICH VOOR?

De inwoner kan alleen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, als de kosten zich voordoen wanneer de inwoner een aanvraag indient. Bijzondere bijstand is niet mogelijk voor kosten die zich (mogelijk) in de toekomst voordoen. Bijzondere bijstand is ook niet mogelijk voor kosten die in het verleden zijn ontstaan. Uitzondering op die regel is, dat een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt ingediend binnen drie maanden nadat de kosten zijn gefactureerd, mits de gemeente nog kan beoordelen of de inwoner aan de voorwaarden voldoet.

 

De inwoner dient een aanvraag bij de gemeente in door middel van een vastgesteld aanvraagformulier.

2.1.3 ZIJN DE KOSTEN NOODZAKELIJK?

De kosten moeten noodzakelijk zijn (art. 35 lid 1 van de wet). Dat bepaalt de gemeente per geval, maar voor sommige kosten nemen we aan dat dit het geval is. Dat geldt voor een aantal kosten die hieronder in paragraaf 2.5 staan genoemd. We geven aan welke bijzondere regels daarvoor gelden.

2.1.4 ZIJN DE KOSTEN HET GEVOLG VAN BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN?

Inwoners worden geacht voorzienbare en gebruikelijke kosten te voldoen uit het reguliere inkomen. Wanneer echter sprake is van niet-voorzienbare of uitzonderlijk hoge kosten die noodzakelijk zijn en niet op andere wijze vergoed kunnen worden, kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden vormen een noodzakelijke voorwaarde voor het verstrekken van bijzondere bijstand. In paragraaf 2.5 wordt per kostensoort toegelicht wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden staan los van het toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.

2.1.5 HEEFT DE INWONER VOLDOENDE INKOMEN OF VERMOGEN?

De inwoner kan pas bijzondere bijstand krijgen als hij de kosten niet zelf kan betalen. In paragraaf 2.4 wordt uitgelegd wanneer de inwoner de kosten geheel of gedeeltelijk zelf moet betalen uit zijn inkomen of vermogen. Dat noemen we ook wel: draagkracht.

2.1.6 BLIJVEN DE KOSTEN ONDER DE DREMPEL?

De gemeente kent een ondergrens voor het toekennen van bijzondere bijstand. Bijzondere bijstand wordt pas toegekend als de kosten waarvoor die bijstand wordt gevraagd hoger zijn dan € 25,- per jaar.

2.1.7 ZIJN DE KOSTEN DOOR EIGEN SCHULD ONTSTAAN?

Als de inwoner de kosten zelf heeft veroorzaakt, dan kan de gemeente besluiten om de bijzondere bijstand als lening te verstrekken. Dat is geregeld in artikel 48 lid 2 van de wet.

 

2.2 Hoogte van de bijstand

De hoogte van de bijstand wordt (individueel) vastgesteld op basis van de hoogte van de noodzakelijke kosten. Indien voor de betreffende kosten verschillende voorzieningen mogelijk zijn, geldt als uitgangspunt dat de gemeente bijstand verleent voor de goedkoopste adequaatste voorziening. Indien de meest recente prijzengids van het Nibud normbedragen vermeldt voor de betreffende kosten, sluit de gemeente hierbij aan bij de bepaling van de hoogte van de bijstand, tenzij in het individuele geval sprake is van lagere noodzakelijke kosten, of de hoogte van de bijstand in de beleidsregels anders is vastgesteld.

 

2.3 Vorm van de bijstand

Bijzondere bijstand betaalt de gemeente in principe ‘om niet’ (als schenking). Soms is bijzondere bijstand een lening. Dit is bijvoorbeeld als de inwoner op korte termijn voldoende geld krijgt om de kosten te kunnen betalen of als de kosten voorkomen hadden kunnen worden. Per situatie bepaalt de gemeente of de bijstand dan als lening wordt verstrekt.

 

De lening moet worden terugbetaald in 36 aaneengesloten maanden. Het bedrag dat de inwoner per maand moet terugbetalen is gelijk aan de draagkrachtruimte, maar minimaal 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. Als de inwoner na 36 maanden zijn betalingsverplichting niet helemaal is nagekomen, wordt de resterende lening pas omgezet in een schenking als de inwoner zijn achterstallige betalingsverplichting is nagekomen. Als de inwoner zijn betalingsverplichting wel is nagekomen en de lening na 36 maanden nog niet is afgelost, wordt het restant omgezet in een schenking.

 

2.4 Draagkracht

De gemeente onderzoekt of de kosten kunnen worden betaald uit het inkomen en het vermogen van de inwoner. Daarvoor gelden de volgende regels.

2.4.1 WELK INKOMEN TELT MEE?

Voor het bepalen van het inkomen sluit de gemeente aan bij de wet. Inkomsten tellen netto mee, dus na aftrek van verplichte inhoudingen zoals loonbelasting en premies volksverzekeringen. De inwoner moet over de inkomsten beschikken of kunnen beschikken. Een inwoner kan niet beschikken over inkomsten waarop executoriaal beslag is gelegd of die gereserveerd worden voor schuldeisers omdat een schuldregeling op grond van de WSNP is uitgesproken. Inkomsten tellen ook niet mee als er een minnelijke schuldregeling met de inwoner is afgesproken waarmee de schulden worden afgelost volgens de zgn. VTLB-berekening (vrij te laten bedrag dat overblijft na inhouding voor de schulden). Ook het deel van de bestuursrechtelijke premie voor de zorgverzekering dat uitstijgt boven de gemiddelde nominale premie, wordt niet als inkomen aangemerkt, omdat de inwoner hier niet over kan beschikken.

 

Inkomsten die de wet vrijlaat voor de algemene bijstand, laat de gemeente ook vrij voor de bijzondere bijstand. Dit betekent dat die inkomsten niet meetellen bij het bepalen van de draagkracht. De individuele inkomenstoeslag en studietoeslag tellen we ook niet mee.

 

Het inkomen wordt vergeleken met de bijstandsnorm (zie art. 2.4.2). Is het inkomen hoger, dan heeft de inwoner draagkracht. De inwoner betaalt dan zelf de kosten Bij het bepalen van de bijstandsnorm houdt de gemeente geen rekening met eventuele medebewoners op het adres van de inwoner (de zgn. kostendelers). Ook houdt de gemeente geen rekening met de vraag of de inwoner een schoolverlater is of een woonruimte heeft waaraan weinig of geen kosten verbonden zijn. Die situaties blijven buiten beschouwing. Bij het inkomen houdt de gemeente geen rekening met de vakantietoeslag. Het inkomen exclusief vakantietoeslag wordt afgezet tegen de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Hierdoor kan de inwoner in sommige gevallen meer inkomen hebben voordat hij boven de norm uitkomt. De opgebouwde vakantietoeslag wordt dus niet meegerekend als onderdeel van het inkomen, maar maakt wel deel uit van de bijstandsnorm, conform de wettelijke kaders (artikel 19 lid 2 en 3 en artikel 35 lid 1 Participatiewet).

 

De gemeente beoordeelt wat het inkomen in de maand vóór de aanvraag is. Heeft de inwoner een wisselend inkomen, dan wordt het gemiddelde inkomen over de achterliggende zes maanden genomen. Als de inwoner bijzondere bijstand aanvraagt voor kosten die vóór de aanvraagdatum liggen, dan wordt het inkomen vastgesteld in de maand waarin de kosten zijn gefactureerd.

 

Let op: Als een inwoner langer dan een jaar algemene bijstand ontvangt en de bijstand wordt beëindigd omdat de inwoner gaat werken, dan gaat de gemeente ervan uit dat de inwoner tot een jaar na de einddatum van de bijstand geen draagkracht uit het inkomen en vermogen heeft (dit is niet van toepassing voor artikel 2.4.2).

 

Let op: Wanneer een inwoner een aanvraag indient en het inkomen in de afgelopen 12 maanden voor één van de in deze beleidsregels genoemde regelingen al is vastgesteld op basis van bewijsstukken, wordt deze vaststelling gehanteerd 1 . De draagkracht uit inkomen wordt in dat geval niet opnieuw berekend. Niet de datum van aanvraag, maar de datum van vaststelling van het inkomen is bepalend.   

2.4.2 WAT KAN DE INWONER ZELF UIT ZIJN INKOMEN BETALEN?

Uitgangspunt is, dat de inwoner uit zijn inkomen niets kan bijdragen, als het inkomen lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Dan heeft de inwoner geen draagkracht uit inkomen. Inkomen boven de 120% van de bijstandsnorm telt de gemeente volledig mee als draagkracht.

 

Uitzonderingen:

De inwoner betaalt zelf (een deel van) de kosten vanaf een inkomen boven de bijstandsnorm. Dit is het geval bij de volgende kosten:

  • a.

    Kosten voor jongmeerderjarigen (18 tot 21-jarigen), in aanvulling op algemene bijstand (2.5.1);

  • b.

    Woonkosten (2.5.2);

  • c.

    Kosten in verband met een uitvaart (2.5.11);

  • d.

    Kosten gehandicaptenparkeerkaart (2.5.20);

  • e.

    Kosten eindboekhouding bij bedrijfsbeëindiging (2.5.21);

  • f.

    Kosten in verband met een tijdelijke opname in een inrichting of detentie.

Is het inkomen hoger dan de bijstandsnorm, dan telt in deze situaties al het meerinkomen mee als draagkracht.

2.4.3 WELK VERMOGEN TELT MEE?

Het vermogen stelt de gemeente vast op dezelfde manier als voor de algemene bijstandsuitkering. De regels uit de wet voor het vaststellen van het vermogen gelden ook voor de bijzondere bijstand. Daarnaast zijn de beleidsregels die gelden voor de vaststelling van het vermogen bij de algemene bijstand van overeenkomstige toepassing op de bijzondere bijstand. Dit betreft onder andere de wijze waarop de waarde van bezittingen, zoals een auto, wordt bepaald en de aftrek van een bijstandsnorm op het vermogen2 .

 

Als de inwoner een vermogen heeft dat niet hoger is dan de vermogensgrens, dan hoeft hij zijn vermogen niet aan te spreken om de kosten te betalen, tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald. Is het vermogen hoger dan de vermogensgrens, dan telt het meerdere volledig mee als draagkracht. De gemeente beoordeelt wat de hoogte van het vermogen is op de dag vóór de aanvraag.

 

Let op: Wanneer een inwoner een aanvraag indient en het vermogen in de afgelopen 12 maanden voor één van de in deze beleidsregels genoemde regelingen al is vastgesteld op basis van bewijsstukken, wordt deze vaststelling gehanteerd3 . Niet de datum van aanvraag, maar de datum van vaststelling van het vermogen is bepalend.

2.4.4 OVER WELKE PERIODE WORDT DE DRAAGKRACHT BEREKEND?

De gemeente berekent wat de inwoner in het draagkrachtjaar zelf kan bijdragen aan de kosten. Die bijdrage wordt afgetrokken van de bijstand waarop de inwoner recht heeft. Het draagkrachtjaar begint op de eerste dag van de maand waarin de inwoner de aanvraag voor bijzondere bijstand indient en eindigt twaalf maanden later. Als de kosten eerder zijn gemaakt, gaat het draagkrachtjaar in op de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn gefactureerd.

 

Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de eerder vastgestelde draagkracht tijdens dit draagkrachtjaar; de vastgestelde draagkrachtruimte blijft gelden.

 

Indien zich tijdens het draagkrachtjaar een substantiële wijziging voordoet in het inkomen, vermogen of de leefsituatie van de inwoner, kan de gemeente besluiten het draagkrachtjaar te heropenen en de draagkracht opnieuw vast te stellen. Deze wijziging gaat in op de eerste van de maand waarin de wijziging zich heeft voorgedaan en geldt tot het einde van de eerder vastgestelde draagkracht periode. De vastgestelde draagkracht over de voorliggende maanden blijft van kracht. Onder een substantiële wijziging wordt in ieder geval verstaan: een stijging of daling van het inkomen of vermogen met ten minste 20%, of een ingrijpende wijziging in het beschikbare inkomen, zoals het beëindigen van de WSNP.

 

Gaat het om eenmalige kosten, zoals bijvoorbeeld de aanschaf van een bril, dan wordt de draagkracht in één keer in mindering gebracht op het bedrag van de kosten. Zijn de kosten hoger dan de draagkracht, dan wordt voor het restant bijzondere bijstand verstrekt. Zijn de kosten lager dan de draagkracht, dan wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. De resterende draagkrachtruimte blijft gedurende het vastgestelde draagkrachtjaar van kracht.

 

Gaat het om kosten die maandelijks terugkeren, dan wordt de berekende draagkracht gelijkmatig verdeeld over het draagkrachtjaar. De inwoner betaalt maandelijks een deel van de draagkracht en de gemeente vult het restant aan via de bijzondere bijstand. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, mits dit schriftelijk wordt vastgelegd en gemotiveerd.

 

Wanneer een inwoner tijdens het draagkrachtjaar bijzondere bijstand ontvangt voor periodieke kosten, en in de loop van het jaar ook bijzondere bijstand aanvraagt voor een eenmalige kostenpost, dan wordt beoordeeld hoeveel draagkracht er op dat moment reeds is aangewend. Op basis daarvan wordt het nog resterende deel van de draagkracht betrokken bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag.

 

2.5 Veel voorkomende kosten

Voor een aantal veel voorkomende kostensoorten gelden bijzondere regels:

  • a.

    levensonderhoud van 18 tot 21-jarigen (2.5.1)

  • b.

    woonkosten (2.5.2)

  • c.

    verhuizing (2.5.3)

  • d.

    alarmering (2.5.4)

  • e.

    duurzame gebruiksgoederen (huishoudelijke apparaten) (2.5.5)

  • f.

    woninginrichting (2.5.6)

  • g.

    laptop (2.5.7)

  • h.

    reiskosten (2.5.8)

  • i.

    medische kosten (2.5.9)

  • j.

    de collectieve zorgverzekering (2.5.9.1)

  • k.

    kosten met een medische kant (2.5.9.2)

  • l.

    uitvaartkosten (2.5.11)

  • m.

    rechtsbijstand (2.5.12)

  • n.

    legeskosten verblijfsvergunning (2.5.13)

  • o.

    ontheffing inburgeringsplicht (2.5.14)

  • p.

    bewindvoering (2.5.15)

  • q.

    curatele (2.5.16)

  • r.

    mentorschap (2.5.17)

  • s.

    Schuldhulpverlening (2.5.18)

  • t.

    bijzondere bijstand voor ondernemers bij schulden en bedrijfsbeëindiging (2.5.19)

  • u.

    overbruggingsuitkering (2.5.20)

  • v.

    gehandicaptenparkeerkaart (2.5.21)

  • w.

    Reiskosten ISK (2.5.22)

  • x.

    eigen bijdrage kinderopvang (2.5.23)

Let op:  de voorwaarden voor bijzondere bijstand gelden voor al deze kostensoorten. Dat betekent dat de inwoner bijzondere bijstand kan krijgen als aan de voorwaarden uit hoofdstuk 2.1 is voldaan. Soms gelden er bijzondere regels over bepaalde voorwaarden, zoals de noodzaak van de kosten of de invulling van bijzondere omstandigheden of de draagkracht. Dat wordt per kostensoort dan aangegeven.

2.5.1 LEVENSONDERHOUD VAN 18 TOT 21-JARIGEN

De jongerennorm conform het nieuwe lid 3 in artikel 20 van de Participatiewet in Balans wordt aangevuld vanuit de bijzondere bijstand indien de leefsituatie vergelijkbaar is met een alleenstaande van 21 jaar of ouder. De totale norm inclusief deze ophoging wordt niet hoger vastgesteld dan de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag voor een 21-jarige of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in een vergelijkbare situatie.

 

Let op:  jongeren van 18 tot 21 jaar die in een instelling wonen hebben geen recht op algemene bijstand. Wel kunnen zij bijzondere bijstand krijgen. Ook daarvoor geldt, dat de gemeente eerst moet beoordelen, of de onderhoudsplicht van de ouder(s) aangesproken kan worden. De inrichtingsnormen uit de wet zijn van toepassing (artikel 23).

 

2.5.1.1 Jongeren van 18 tot 21 jaar in of uitstromend uit een Nidos-opvangvoorziening

Jongeren van 18, 19 of 20 jaar die verblijven in een Nidos-opvangvoorziening of recent zijn uitgestroomd naar zelfstandige huisvesting kunnen bijzondere bijstand ontvangen ter aanvulling op de lage jongerennorm, zoals bedoeld in artikel 20 van de Participatiewet. Van deze jongeren wordt aangenomen dat zij de onderhoudsplicht van de ouders niet ten gelde kunnen maken. De bijzondere bijstand is bedoeld om te voorzien in de hogere algemene kosten van het bestaan die voor deze doelgroep aan de orde zijn, zoals kosten voor voeding, verzekeringen en persoonlijke verzorging.

 

Bij verblijf in een Nidos-opvangvoorziening is er sprake van een aangepaste norm omdat jongeren bepaalde kosten in deze opvangvoorziening niet zelf hoeven te betalen. De hoogte van deze aanvullende bijzondere bijstand (peil 1 januari 2024) bedraagt € 348,16 per maand4 . De hoogte wordt jaarlijks herijkt op basis van actuele Nibud-normen.

 

Voor jongeren die verhuizen vanuit een Nidos-opvangvoorziening naar zelfstandige huisvesting geldt dat zij dezelfde algemene bestaanskosten hebben als een zelfstandig wonende 21-jarige. In die situatie wordt de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag uit het nieuwe lid 3 van artikel 20 van de Participatiewet in Balans aangevuld. De totale norm inclusief deze ophoging wordt niet hoger vastgesteld dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in een vergelijkbare situatie.

2.5.2. WOONKOSTEN

Woonkosten moet de inwoner uit het inkomen betalen. Soms is dat lastig, omdat de inwoner niet altijd huurtoeslag kan krijgen. Onder bepaalde voorwaarden kan de inwoner dan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Dat noemen we: woonkostentoeslag.

 

2.5.2.1 Woonkostentoeslag bij huur

Voor de huur van een woning kan de inwoner in principe huurtoeslag krijgen. Bijzondere bijstand is daarom niet mogelijk. In drie situaties is dat anders. De gemeente kan bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag verstrekken, als de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen:

  • a.

    over de eerste maand huur;

  • b.

    omdat de inwoner niet de maximale huurtoeslag kan krijgen; of

  • c.

    omdat de huur te hoog is.

Onder ‘huur’ verstaan we de ‘kale’ huur. Dat is de huur die voor de berekening van de huurtoeslag meetelt. Daarnaast kunnen servicekosten meegenomen worden. Het gaat om de servicekosten waarvoor huurtoeslag kan worden verstrekt. Zie ook: www.toeslagen.nl.

 

Bij uitzondering kan woonkostentoeslag worden aangevraagd voor de huur van een kamer of voor bewoning in een recreatiewoning (vanwege de schaarse woningmarkt)5 Bij de aanvraag van woonkostentoeslag voor kostgeld kan alleen woonkostentoeslag worden verstrekt voor het deel dat betrekking heeft op de huur van een kamer of woning. Woonkostentoeslag is een bedrag ‘om niet’ (als schenking). Het inkomen van de inwoner boven de bijstandsnorm telt volledig mee als draagkracht. Het vermogen boven de vermogensgrens telt ook volledig mee bij het berekenen van de woonkostentoeslag.

 

Woonkostentoeslag kan niet met terugwerkende kracht worden aangevraagd.

 

2.5.2.2 Eerste maand huur

Huurtoeslag gaat in op de eerste dag van de maand, mits de inwoner op die eerste dag al op dat adres was ingeschreven. Anders gaat de huurtoeslag een maand later in. Als dat het geval is, kan de gemeente woonkostentoeslag verstrekken ter hoogte van de niet ontvangen huurtoeslag over het deel van de eerste maand vanaf de dag van inschrijving.

 

Let op:  als de inwoner een overbruggingsuitkering kan krijgen (zie artikel 2.5.19), dan is die uitkering ook bedoeld voor de eerste maand huur. In dat geval kan de inwoner niet ook nog bijzondere bijstand voor de niet ontvangen huurtoeslag krijgen.

 

2.5.2.3 Te hoge huur

Per 1 januari 2026 vervallen de maximale huurgrenzen als voorwaarde voor huurtoeslag. Inwoners met een huur boven de sociale huurgrens kunnen dan toch huurtoeslag krijgen, maar alleen over het deel van de kale huur dat binnen de sociale huurgrens valt. Ook vervalt de leeftijdgrens van 23 jaar. In 2026 krijgen jongeren vanaf 21 jaar recht op de volledige huurtoeslag.

 

De gemeente kan aanvullende bijstand verstrekken voor het bedrag dat de huurder aan huur moet betalen boven de sociale huurgrens.

 

De gemeente berekent de woonkostentoeslag als volgt:

  • 1.

    Aanvulling tot het niveau van de maximale huurtoeslag:

    De gemeente verstrekt bijzondere bijstand voor het verschil tussen het bedrag aan huurtoeslag dat de inwoner feitelijk heeft ontvangen en het bedrag aan huurtoeslag waarop de inwoner, gelet op zijn actuele situatie (zoals inkomen, leeftijd en huishoudsamenstelling), aanspraak zou kunnen maken. Dit doet zich met name voor bij een gewijzigde inkomenssituatie gedurende het kalenderjaar.

  • 2.

    Aanvulling voor huur boven de sociale huurgrens:

    Indien de kale huurprijs van de woning de toepasselijke sociale huurgrens voor de huurtoeslag overschrijdt, beoordeelt de gemeente of ook voor het deel boven deze grens bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Daarbij betrekt de gemeente de individuele omstandigheden van de inwoner, waaronder de noodzaak van de huisvesting, het ontbreken van alternatieven en de inspanningen van de inwoner om goedkopere woonruimte te verkrijgen.

  • 3.

    De situaties genoemd onder 1 en 2 kunnen zich gelijktijdig voordoen. Indien dit het geval is, worden de bedragen die vergoed worden uit de bijzondere bijstand bij elkaar opgeteld.

De gemeente verstrekt de woonkostentoeslag voor maximaal twaalf maanden. De inwoner is in die periode in principe verplicht om:

  • a.

    te zoeken naar goedkopere woonruimte;

  • b.

    als woningzoekende ingeschreven te staan bij een woningcorporatie; en

  • c.

    een urgentieverklaring voor verhuizing naar een geschikte woning aan te vragen, als dat woningtoewijzing versnelt.

De woonkostentoeslag kan met een jaar worden verlengd, wanneer de inwoner geen goedkopere woonruimte heeft gevonden en de gemeente vindt dat de inwoner zich daarvoor voldoende ingespannen heeft. De gemeente kan de woonkostentoeslag maximaal twee keer verlengen.

 

2.5.2.4 Woonkostentoeslag bij eigen woning

Een inwoner die een eigen woning bewoont, komt niet in aanmerking voor huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag. De inwoner kan in aanmerking komen voor woonkostentoeslag, mits de eigen woning qua aard en gebruik vergelijkbaar is met een woning waarvoor, indien deze zou worden gehuurd, in beginsel recht op huurtoeslag zou kunnen bestaan.

 

De gemeente berekent de woonkostentoeslag op dezelfde manier als bij een huurwoning, zie artikel 2.5.2.1. De volgende woonkosten tellen mee:

  • a.

    de kosten van de hypotheekrente, na aftrek van de teruggaaf Inkomstenbelasting voor die kosten (niet de maandelijkse aflossing);

  • b.

    de zakelijke lasten van de woning, zoals premie brand- en opstalverzekering, eigenaarsdeel van waterschapslasten, rioolrechten, en onroerend zaakbelasting; en

  • c.

    een bedrag voor de kosten van onderhoud. Hiervoor maken we gebruik van de door Nibud opgestelde kosten van onderhoud.

De gemeente verstrekt de woonkostentoeslag voor maximaal twaalf maanden. De inwoner is in die periode in principe verplicht om:

  • a.

    te zoeken naar goedkopere woonruimte waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag; en

  • b.

    als woningzoekende ingeschreven te staan bij Bazalt wonen en Land van Altena; en

  • c.

    een urgentieverklaring voor verhuizing naar een geschikte woning aan te vragen, als dat woningtoewijzing versnelt.

Deze verplichtingen gelden niet, als de inwoner over dezelfde periode algemene bijstand voor levensonderhoud ontvangt en daarvoor krediethypotheek is gevestigd op de woning.

 

De woonkostentoeslag kan met een jaar worden verlengd, wanneer de inwoner geen goedkopere woonruimte heeft gevonden en de gemeente vindt dat de inwoner zich daarvoor voldoende ingespannen heeft. De gemeente kan de woonkostentoeslag maximaal twee keer verlengen.

 

2.5.2.5 Vergoeding kosten afsluiten krediethypotheek

Indien een inwoner een beroep doet op algemene bijstand en beschikt over een eigen woning met overwaarde, kan bijstand worden verstrekt als geldlening, mits een krediethypotheek wordt afgesloten. De kosten die hierbij komen kijken kunnen voor de inwoner een belemmering vormen om aan deze voorwaarde te voldoen.

 

Vanuit de bijzondere bijstand kunnen daarom de noodzakelijke kosten die rechtstreeks verband houden met het afsluiten van een krediethypotheek worden vergoed, voor zover deze kosten niet op andere wijze kunnen worden bekostigd. Het gaat hierbij om:

  • de kosten voor een (eventuele) taxatie van de woning;

  • de kosten voor het opstellen van de akte van krediethypotheek of pandovereenkomst;

  • de kosten voor de inschrijving in de openbare registers; en

  • bijkomende noodzakelijke notariële kosten.

2.5.3 VERHUIZING

De kosten van een verhuizing moet de inwoner in principe zelf betalen. De gemeente kan toch bijzondere bijstand verstrekken, als de verhuizing noodzakelijk is, én de inwoner geen andere voorziening kan aanspreken (zoals de Wmo2015), én de inwoner de verhuizing niet heeft kunnen voorzien.

 

De inwoner dient eerst te onderzoeken of binnen het eigen sociale netwerk ondersteuning bij de verhuizing mogelijk is. Alleen als dit niet mogelijk blijkt, kunnen de kosten voor het inschakelen van een professioneel verhuisbedrijf voor het verhuizen van spullen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, mits de huur van een aanhangwagen dan wel 'verhuisbus' niet mogelijk is, en deze kosten aantoonbaar zo laag mogelijk zijn gehouden.

 

De bijzondere bijstand in de kosten van verhuizing is in principe een bedrag ‘om niet’.

 

2.5.3.1 Urgentieverklaring

De inwoner kan ook in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de kosten voor het aanvragen van een urgentieverklaring voor een woning en een woonzorgindicatie voor een gelijkvloerse- of aangepaste woning, als aan de voorwaarden is voldaan (zie artikel 2.1).

2.5.4 ALARMERING

Inwoners kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de kosten van een alarmsysteem, als zij voor die kosten geen beroep kunnen doen op een andere regeling (zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wmo2015, of de collectieve zorgverzekering pakket VGZ, artikel 2.5.9.2) en aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand is voldaan (zie artikel 2.1 e.v.). Er is wel een indicatie nodig waaruit de noodzaak blijkt.

2.5.5 DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN (HUISHOUDELIJKE SPULLEN)

Duurzame gebruiksgoederen, zoals een koelkast of wasmachine, moet een inwoner in principe uit het inkomen betalen. Lukt het de inwoner niet om voor die kosten te sparen of de kosten achteraf te betalen, dan kan de inwoner een lening aanvragen bij de Kredietbank. Als zo’n lening niet mogelijk is, kan een inwoner in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, als de kosten noodzakelijk zijn. Bij het beoordelen van de noodzaak van bijzondere bijstand kijkt de gemeente naar:

  • a.

    de grootte van de woning;

  • b.

    de grootte van het gezin; en

  • c.

    andere feiten en omstandigheden die van belang zijn.

De hoogte van de bijstand wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen voor gebruiksgoederen uit de actuele prijzengids van het Nibud (inclusief verwijderingsbijdrage). Uitgangspunt is dat de bijstand de vorm van een geldlening heeft. De inwoner moet de lening in principe aflossen (zie artikel 2.3). In bijzondere omstandigheden kan de bijstand ‘om niet’ (als schenking) worden verstrekt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de inwoner naar verwachting niet in staat is om de lening terug te betalen of in een schuldregeling zit.

 

Let op:  inwoners die op grond van artikel 2.5.6 bijzondere bijstand of een lening hebben ontvangen voor woninginrichting, komen gedurende een periode van 36 maanden niet in aanmerking voor een lening of bijzondere bijstand op grond van dit artikel (2.5.5). Hiermee wordt voorkomen dat binnen korte tijd opnieuw ondersteuning voor vergelijkbare kosten wordt aangevraagd.

2.5.6 WONINGINRICHTING

Inwoners die hun woning moeten inrichten na een verhuizing, betalen de kosten in principe zelf. Bijzondere bijstand kan echter worden verstrekt als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • De verhuizing en de inrichtingskosten zijn noodzakelijk en onvoorzien;

  • De inwoner heeft niet kunnen sparen voor de kosten;

  • De inwoner kan geen gebruik maken van een lening bij de Kredietbank;

De gemeente beoordeelt de noodzaak van de verhuizing en de kosten van de woninginrichting op basis van alle relevante feiten en omstandigheden.

 

Maximale bedragen woninginrichting

Voor inwoners die verhuizen naar een zelfstandige woning en behoefte hebben aan een volledige woninginrichting, geldt een bijzondere regeling: zij kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand die maximaal het bedrag is dat in de onderstaande tabel staat:

 

Aantal personen

Bedrag vanaf 1 januari 2025 6

1 persoon, kamerbewoner

€ 2347

1 persoon, zelfstandig wonend

€ 4568

2 personen, gehuwd/samenwonend

€ 6534

2 personen, kostendeler e.a.

€ 7169

3 personen

€ 7803

4 personen

€ 8438

5 personen

€ 9135

6 personen

€ 9770

Meer personen, per persoon extra

€ 634

 

Uitgangspunt is dat de inwoner een lening van de Kredietbank krijgt. De hoogte van die lening is maximaal 36 x 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. Op de lening worden de kosten van het afsluiten van de lening en de te betalen rente over de looptijd van 36 maanden in mindering gebracht. Is het bedrag van de lening dat dan resteert lager dan het (bovengenoemde) normbedrag, dan kan het verschil als aanvullende bijzondere bijstand ‘om niet’ worden verstrekt.

 

De inwoner is verplicht om de lening en de bijzondere bijstand te besteden aan inboedel en andere spullen voor een huishouden (zoals een fiets en laptop). De inwoner kan pas na 36 maanden opnieuw in aanmerking komen voor een lening of bijstand om duurzame gebruiksgoederen aan te schaffen.

 

Besteding en verantwoording

De inwoner is verplicht de lening en/of bijzondere bijstand uitsluitend te besteden aan inboedel en andere noodzakelijke goederen voor het huishouden. De gemeente vraagt in alle gevallen achteraf om bewijsstukken, zoals bonnen of bankafschriften, om te kunnen beoordelen of de verstrekte middelen doelmatig zijn besteed. Als uit een globale controle van de opgevraagde gegevens blijkt dat er mogelijk sprake is van ondoelmatige besteding of misbruik, kan de gemeente aanvullend onderzoek instellen. Indien sprake is van ondoelmatige besteding of het niet (tijdig) overleggen van verantwoording, kan (gedeeltelijke) terugvordering plaatsvinden.

 

Bijzondere situaties: gezinshereniging

Bij gezinshereniging kan het gezin in aanmerking komen voor extra bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting. De hoogte van de bijzondere bijstand is dan:

  • a.

    per kind maximaal het bedrag dat geldt voor 'Meer personen, per persoon extra' zoals opgenomen in dit artikel;

  • b.

    voor de partner wordt geen extra bijzondere bijstand verstrekt;

  • c.

    voor een volwassen kind en andere betrokkenen (bijvoorbeeld zus of neef) wordt eveneens maximaal het bedrag dat geldt voor 'Meer personen, per persoon extra' verstrekt. De aanvraag moet door de volwassene zelf worden ingediend.

Deze bijzondere bijstand wordt verstrekt als bijzondere bijstand om niet.

 

Let op:

  • Inwoners die op grond van artikel 2.5.5 bijzondere bijstand of een lening hebben ontvangen voor woninginrichting, komen gedurende een periode van 36 maanden niet in aanmerking voor een lening of bijzondere bijstand op grond van dit artikel (2.5.6). Hiermee wordt voorkomen dat binnen korte tijd opnieuw ondersteuning voor vergelijkbare kosten wordt aangevraagd.

  • Deze regeling is niet van toepassing op jongeren die voor het eerst uit het ouderlijk huis op zichzelf gaan wonen. Zij komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand op grond van dit artikel.

  • In de gemeente worden tijdelijke woonvormen voor alleenstaande statushouders gefaciliteerd. De woning wordt aangeboden door een woningcorporatie en de inrichting wordt door de gemeente bekostigd. Wanneer deze statushouders doorstromen naar een permanente woning, kunnen zij opnieuw in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, mits zij voldoen aan de geldende voorwaarden.

2.5.7 LAPTOP

De meerderjarige inwoner kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de aanschaf van een laptop, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a.

    het inkomen is in een periode van twaalf maanden voor de aanvraag niet hoger dan de bijstandsnorm;

  • b.

    het vermogen is bij de aanvraag lager dan de vermogensgrens voor de algemene bijstand;

  • c.

    de bijstand kan eens in de vijf jaar worden toegekend; en

  • d.

    inwoners die een lening of bijzondere bijstand voor woninginrichting hebben ontvangen (zie artikel 2.5.6) kunnen pas 36 maanden na de ontvangst van die bijstand in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor een laptop.

De bijstand die de inwoner kan ontvangen is maximaal € 500,-. De inwoner overlegt een factuur waaruit de kosten blijken. Als de kosten lager dan € 500,- zijn, dan vergoedt de gemeente het lagere bedrag.

 

Let op:

  • Inwoners die gehuwd zijn of samenwonen, kunnen samen een aanvraag indienen en moeten beiden aan de voorwaarden voldoen. Er wordt in dit geval 1 laptop vergoed. De bijzondere bijstand kan ook worden besteed aan een tablet, maar is niet bedoeld voor een mobiele telefoon of een softwarepakket van bijvoorbeeld Microsoft Office.

  • De bijstand is niet bedoeld voor de aanschaf van een laptop voor kinderen. Ouders van schoolgaande kinderen met een inkomen tot 130% van de geldende bijstandsnorm kunnen bij Stichting Leergeld een bijdrage voor een laptop uit het Kindpakket aanvragen.

2.5.8 REISKOSTEN

Reiskosten moeten in principe uit het inkomen worden betaald en blijven daardoor voor eigen rekening van de inwoner. De inwoner kan toch bijzondere bijstand ontvangen voor onderstaande reiskosten als aan de voorwaarden is voldaan (zie artikel 2.1).

  • a.

    Bij ziekenbezoek aan een familielid dat thuis of in een ziekenhuis of verpleeginrichting wordt verpleegd. Dan geldt het volgende:

    • -

      Voor bezoek aan familieleden die bloed- of aanverwant zijn in de eerste en tweede graad, en aan de partner, geldt als uitgangspunt dat de inwoner tweemaal per week de zieke kan bezoeken;

    • -

      voor bezoek aan kinderen tot 18 jaar geldt als uitgangspunt dat de ouder(s) dit kind dagelijks kan bezoeken; en

  • b.

    Bij het bezoeken van uit huis geplaatste kinderen door ouders geldt als uitgangspunt de voorgestelde omgangsregeling vanuit Jeugdzorg.

  • c.

    Bij het bezoeken van een naast familielid in een penitentiaire inrichting is de bezoekregeling die de penitentiaire inrichting voorstelt leidend. In bijzondere omstandigheden kan gemotiveerd van dit uitgangspunt worden afgeweken.

  • d.

    Bij het bezoeken van een medisch specialist, verbonden aan een ziekenhuis, of van de GGD en de GGZ. Onder medisch specialist wordt niet verstaan: huisarts, fysiotherapeut, tandarts en andere eerstelijns zorgverleners.

Wat betreft de hoogte van de bijstand: de inwoner ontvangt een vergoeding voor de daadwerkelijk gemaakte reiskosten op basis van vervoer per auto (€ 0,23 per km7 ), tenzij met het openbaar vervoer wordt gereisd. Dan worden deze kosten op basis van bewijsstukken vergoed. Voor het bepalen van de afstand is de kortste route via de ANWB-routeplanner (vervoersmiddel: auto) bepalend. Noodzakelijke bijkomende kosten, zoals parkeergeld en toltarieven komen ook voor bijzondere bijstand in aanmerking.

 

De inwoner is verplicht een bewijs van het afgelegde bezoek te overleggen, evenals bewijsstukken van de gemaakte kosten voor het openbaar vervoer of de bijkomende kosten van het eigen vervoer (parkeergeld en toltarieven). Zonder toereikende onderbouwing worden de kosten niet vergoed.

2.5.9 MEDISCHE KOSTEN

Uitgangspunt is dat de inwoner een beroep doet op de basisverzekering uit de Zorgverzekeringswet (ZVW) voor de noodzakelijke medische kosten. Toch biedt de basisverzekering niet altijd voldoende dekking. Daarom heeft de gemeente met de zorgverzekeraars VGZ en CZ afspraken gemaakt over aanvullende collectieve zorgverzekeringen voor minima (zie 2.5.9.1). Met deze verzekeringen wordt een groot aantal medische kosten gedekt, maar niet altijd worden alle kosten vergoed. Daarom kan de inwoner onder bepaalde voorwaarden bijzondere bijstand krijgen voor de extra kosten. Bijzondere bijstand is soms ook mogelijk voor inwoners die op een andere manier verzekerd zijn, bijv. bij andere zorgverzekeraars (zie 2.5.9.2).

 

2.5.9.1 De collectieve zorgverzekering

Inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm kunnen deelnemen aan de collectieve zorgverzekering voor minima. De gemeente heeft hiervoor afspraken gemaakt met zorgverzekeraars VGZ en CZ.

 

De voorwaarden zijn als volgt:

  • a.

    het inkomen is lager dan 120% van de bijstandsnorm. De kostendelersnorm is niet van toepassing;

  • b.

    het vermogen is lager dan de vermogensgrens voor de algemene bijstand; en

  • c.

    De inwoner is door de zorgverzekeraar geaccepteerd als deelnemer en heeft op het moment van aanvraag geen betalingsachterstand.

De inwoner kan een keus maken uit verschillende pakketten bij VGZ en CZ. De aangeboden pakketten bieden een verschillende dekking voor de medische kosten van een inwoner. Deelnemers ontvangen een maandelijkse gemeentelijke bijdrage in de premie.

 

De gemeentelijke bijdrage wordt tot het eind van het betreffende kalenderjaar toegekend.

De gemeentelijke bijdrage in de premie stopt in ieder geval voor het eind van het kalenderjaar als:

  • 1.

    de zorgverzekeraar de aanvullende verzekering heeft beëindigd;

  • 2.

    de inwoner naar het buitenland is verhuisd;

  • 3.

    de inwoner naar een andere gemeente is verhuisd én de inwoner in deze gemeente gebruik kan maken van een collectieve zorgverzekering;

  • 4.

    de inwoner overlijdt.

De gemeentelijke bijdrage in de premie stopt dan op de eerste dag nadat de wijziging is ingegaan.

 

Voor de jaarlijkse beoordeling van voortzetting van deelname aan de collectieve zorgverzekering maakt de gemeente zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare gegevens in de voor haar toegankelijke systemen. Hierdoor kan het zijn dat de gebruikte inkomens- en vermogenscriteria bij voortzetting van de deelname iets afwijken van de beleidsregels. Deze afwijking is echter altijd ten gunste van de inwoner. Als blijkt uit de beschikbare gegevens dat er een belemmering is om de deelname voort te zetten, wordt altijd informatie opgevraagd bij de inwoner.

 

Eigen bijdrage per aanvullend zorgpakket

Inwoners die deelnemen aan de collectieve zorgverzekering via de gemeente betalen per type aanvullend pakket een eigen bijdrage:

 

VGZ

  • VGZ Compact: € 10 per maand

  • VGZ Compleet: € 15 per maand

  • VGZ Compleet met afkoop eigen risico: € 15 per maand + de helft van de premie voor de afkoop van het eigen risico

CZ

  • CZ Start: € 10 per maand

  • CZ Extra Uitgebreid: € 15 per maand

Voor de uitwerking van de jaarlijkse beoordeling van deelname aan de collectieve zorgverzekering worden aanvullende uitvoeringsregels vastgesteld. Deze regels hebben betrekking op de voortzetting van deelname na de eerste toekenning.

 

2.5.9.2 Bijzondere bijstand voor medische kosten

De inwoner is vrij om wel of niet gebruik te maken van één van de pakketten van VGZ of CZ. Als de inwoner kiest voor een andere zorgverzekeraar, dan verwacht de gemeente dat de inwoner zich goed verzekerd. Daaronder verstaan we een verzekering die een vergelijkbare dekking heeft als het VGZ-GemeentePakket Compleet. Als de inwoner zich goed heeft verzekerd, kan voor medische kosten bijzondere bijstand worden verkregen in de volgende gevallen:

 

Nr

Dekking zorgverzekering inwoner

Bijzondere bijstand

1

Het pakket VGZ-GemeentePakket Compleet, VGZ_GemeentePakket Compleet met 0,- eigen risico of CZ Zorg-op-Maatpolis Gemeenten Extra uitgebreid

Bijzondere bijstand is mogelijk:

  • a)

    voor kosten die niet volledig worden vergoed;

  • b)

    voor kosten die uitgaan boven de maximumbedragen uit de verzekering;

  • c)

    omdat de maximale vergoeding van de zorgverzekeraar al ontvangen is in het betreffende kalenderjaar.

De hoogte van de bijzondere bijstand is in deze gevallen maximaal het bedrag dat voor eigen rekening blijft.

 

In afwijking van bovenstaande geldt het volgende:

  • 1.

    De kosten die bij de verzekeraar onder de alternatieve zorg vallen komen niet voor vergoeding in aanmerking als het maximale bedrag van de zorgverzekeraar al ontvangen is in het betreffende kalenderjaar.

  • 2.

    Als wordt gekozen voor een niet-gecontracteerde zorgaanbieder en daardoor hogere kosten ontstaan, komen deze meerkosten niet voor vergoeding in aanmerking.

  • 3.

    Voor tandartskosten wordt maximaal € 500,- bijzondere bijstand per persoon per kalenderjaar verstrekt. Ook als de voor eigen rekening blijvende kosten hoger zijn.

2

Een andere aanvullende verzekering op het niveau van VGZ-GemeentePakket Compleet, incl. tandheelkundige zorg

De vergoedingen genoemd in rij 1 zijn van toepassing.

3

Het pakket VGZ-GemeentePakket Compact of CZ Zorg-op-Maatpolis Gemeenten Start

In deze gevallen wordt bijzondere bijstand verstrekt tot een bedrag dat overeenkomt met de vergoeding die zou gelden bij deelname aan de verzekering zoals bedoeld onder 1 als ware men verzekert via het pakket VGZ-GemeentePakket Compleet.

 

Het deel dat vergoedt zou worden door de verzekeraar als men verzekert zou zijn conform het pakket VGZ compleet wordt niet vergoed via de bijzondere bijstand.

4

Een andere aanvullende verzekering met minder uitgebreide dekking dan het VGZ-GemeentePakket Compleet

De vergoedingen genoemd in rij 3 zijn van toepassing.

5

Alleen de basisverzekering

In deze gevallen wordt bijzondere bijstand verstrekt tot een bedrag dat overeenkomt met de vergoeding die zou gelden bij deelname aan de verzekering zoals bedoeld onder 1 als ware men verzekert via het pakket VGZ-GemeentePakket Compleet.

 

Op dit bedrag wordt de jaarpremie voor de aanvullende verzekering VGZ-gemeentepakket compleet in mindering gebracht (zonder rekening te houden met de gemeentelijke bijdrage) afgetrokken.

6

Alleen de basisverzekering omdat de inwoner door schuldproblemen niet wordt toegelaten tot een aanvullende verzekering

De hoogte van de bijzondere bijstand is in deze gevallen gelijk aan het bedrag dat overeenkomt met de vergoeding die zou gelden bij deelname aan de verzekering zoals bedoeld onder 1 als ware men verzekert via het pakket VGZ-GemeentePakket Compleet. Dit bedrag wordt aangevuld met het bedrag dat de zorgverzekeraar zou vergoeden bij deelname aan het gemeentepakket Compleet.

 

Op dit totaalbedrag wordt de jaarpremie voor de aanvullende verzekering VGZ-gemeentepakket compleet in mindering gebracht. Hierbij wordt rekening gehouden met de gemeentelijke bijdrage voor het gemeentepakket Compleet.

 

Medisch advies

Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand gelden de voorwaarden die genoemd zijn in artikel 2.1 e.v. De gemeente kan voor het bepalen van de noodzaak van de kosten een medisch advies opvragen, als de kosten waarvoor de inwoner bijstand aanvraagt hoger zijn dan € 500. Het medisch advies wordt extern opgevraagd. De inwoner wordt hierover geïnformeerd en kan worden gevraagd toestemming te geven voor het delen van relevante medische gegevens. Zijn de kosten minder dan € 500,- dan wordt er in beginsel geen medisch advies opgevraagd. Bij tandartskosten is dit anders. De noodzaak van de tandartskosten wordt niet zondermeer aangenomen als het maximale bedrag van de zorgverzekeraar al ontvangen is in het betreffende kalenderjaar. Om deze vast te stellen moet onderzoek ingesteld worden naar de noodzaak van de gemaakte kosten. Hierbij moet vastgesteld worden of voorgestelde behandeling de meest goedkope en adequate behandeling is.

 

Tandartskosten vormen hierop een uitzondering

Bij tandartskosten wordt de noodzaak van de kosten niet automatisch aangenomen, ongeacht het bedrag. Ook als de kosten lager zijn dan € 500,- kan een medisch advies worden opgevraagd om te beoordelen of de behandeling noodzakelijk is en of er geen goedkopere, adequate alternatieven zijn. Dit gebeurt met name als het maximale bedrag van de zorgverzekeraar (bijvoorbeeld € 500,- per kalenderjaar) al is benut. De gemeente kijkt daarbij naar de totale kosten van de behandeling, dus niet alleen naar het bedrag dat de inwoner uiteindelijk niet vergoed krijgt van de zorgverzekeraar. Met andere woorden: de hoogte van de factuur en de gekozen behandeling is bepalend voor de beoordeling, niet alleen het resterende deel dat de zorgverzekering niet dekt.

 

Let op:  bij tandartskosten moet het medisch advies worden opgevraagd vóórdat de behandeling plaatsvindt. Als dit niet gebeurt, kan de noodzaak van de kosten niet meer worden vastgesteld, wat kan betekenen dat er geen bijzondere bijstand wordt toegekend.

 

Uitzondering 1 – Bijzondere noodzakelijke kosten

Voor de volgende medische kosten kan in ieder geval (aanvullende) bijzondere bijstand worden verstrekt. De zorgverzekering en een aanvullende zorgverzekering worden als voorliggende voorziening aangemerkt. Bij de bepaling van de noodzaak, de hoogte en de frequentie van de verlening van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening:

  • De eigen bijdragen die de inwoner moet betalen voor het ontvangen van een voorziening in het kader van de WLZ en Wmo;

  • de aanschafkosten van een hoortoestel, de kosten van het schoonmaken van het hoortoestel en de aanschafkosten van de voor het gehoortoestel benodigde batterijen;

  • de eigen bijdrage die in verband met een bevalling voor rekening van de inwoner blijft;

  • de kosten van pedicurebehandeling tot maximaal € 250 op jaarbasis. Als de kosten op jaarbasis hoger zijn dan € 250 kan voor de meerkosten alleen bijstand worden verstrekt na voorafgaand medisch advies; en

  • de kosten van een medische behandeling door huisarts of specialist en de kosten van opname en behandeling in een ziekenhuis als:

    • o

      er sprake is van een acute noodsituatie én

    • o

      er geen alternatief voor de verstrekking is én

    • o

      het niet verlenen van de bijzondere bijstand ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid van de inwoner

Uitzondering 2 – Bril en contactlenzen

De inwoner kan voor bijzondere bijstand in aanmerking komen, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • De vergoeding van de zorgverzekeraar is niet voldoende;

  • de inwoner heeft zich goed verzekerd (VGZ GemeentePakket compleet of vergelijkbaar);

  • de oogsterkte is binnen een periode van drie jaar zo sterk veranderd, dat nieuwe glazen/contactlenzen noodzakelijk zijn, na een verklaring van een opticien; en

  • de inwoner heeft geen bijstand voor een bril/contactlenzen ontvangen in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag.

Medisch bewijs

Voor het verkrijgen van bijzondere bijstand voor een bril of contactlenzen is het verplicht dat de aanvrager een schriftelijke verklaring van een erkende opticien of oogarts overlegt. Deze verklaring moet aantonen dat de oogsterkte binnen de afgelopen drie jaar zodanig is veranderd dat nieuwe glazen of contactlenzen noodzakelijk zijn. Daarnaast wordt bij de beoordeling gecontroleerd of er in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bijzondere bijstand is toegekend voor een bril of contactlenzen.

 

Voor de kosten van een montuur wordt maximaal € 100 verstrekt, naast de vergoeding van de glazen. Kosten van een tweede bril of zonnebril/ mee kleurende glazen worden als niet noodzakelijk gezien.

 

De hoogte van de bijstand wordt als volgt bepaald:

  • als de inwoner een VGZ GemeentePakket Compleet heeft of een vergelijkbare verzekering: het verschil tussen de aanschafprijs en de vergoeding uit deze verzekering (rekening houdend met de maximale vergoeding voor een montuur);

  • als de inwoner een verzekering heeft met een minder uitgebreide dekking: het verschil tussen de aanschafprijs en de vergoeding vanuit de eigen verzekering. Deze aanvullende vergoeding bedraagt nooit meer dan de maximale vergoeding die van toepassing is binnen het VGZ GemeentePakket Compleet (rekening houdend met de maximale vergoeding voor een montuur).

2.5.10 KOSTEN ALS GEVOLG VAN EEN ZIEKTE OF HANDICAP

De inwoner kan door ziekte of handicap voor extra kosten komen te staan, die niet gedekt worden door de ZVW of de Wlz. Het gaat bijvoorbeeld om de kosten van kledingslijtage, waskosten, dieetkosten en hogere stookkosten.

 

2.5.10.1 Kledingslijtage en bewassing

De inwoner die extra kosten moet maken voor het wassen of aanschaffen van kleding of beddengoed, als gevolg van een ziekte of handicap, kan bijzondere bijstand voor de extra kosten krijgen. De inwoner moet wel aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand voldoen (zie artikel 2.1). De gemeente vraagt medisch advies aan om vast te stellen of de inwoner vaker dan gemiddeld kleding moet aanschaffen of moet wassen. Voor het vaststellen van de extra kosten sluit de gemeente aan bij de normbedragen voor kleding, beddengoed en/of waskosten uit de Nibud-prijzengids. De gemeente gaat ervan uit dat ouders van kinderen tot vier jaar geen extra kledingkosten voor die kinderen maken.

 

2.5.10.2 Aanschaf nieuwe kleding

De inwoner die een nieuwe garderobe moet aanschaffen na een ongeval, langdurige ziekte, langdurige opname in een inrichting of na revalidatie, kan bijzondere bijstand krijgen, als aan de voorwaarden is voldaan (zie artikel 2.1). Een medisch advies kan worden opgevraagd om de noodzaak vast te stellen. De gemeente sluit aan bij de normbedragen voor de aanschaf van kleding uit de Nibud-prijzengids, om te bepalen hoe hoog de bijstand is.

 

2.5.10.3 Dieetkosten

Extra kosten voor een noodzakelijk dieet worden niet vergoed door de ZVW. De gemeente kan bijzondere bijstand voor de extra kosten verbonden aan een dieet verstrekken, als aan de voorwaarden is voldaan (zie artikel 2.1). De gemeente vraagt medisch advies aan om vast te stellen of de inwoner een speciaal dieet moet volgen en daar extra kosten voor moet maken. Voor het vaststellen van de extra kosten sluit de gemeente aan bij de normbedragen voor voeding uit de Nibud-prijzengids.

2.5.11 UITVAARTKOSTEN

De kosten van een begrafenis of crematie moet de inwoner betalen uit de eventuele nalatenschap en een uitvaartverzekering. Als de inwoner de overblijvende kosten niet kan betalen, kan de gemeente bijzondere bijstand verstrekken, als de inwoner erfgenaam is en meebetaalt aan de uitvaart. Kosten die voor een uitvaart in het buitenland worden gemaakt, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

 

Uitgangspunt is dat bijzondere bijstand wordt verleend tot maximaal het erfrechtelijk deel van de overblijvende uitvaartkosten.

 

De maximale bijzondere bijstand voor uitvaartkosten bedraagt in totaal € 4.0008 ,- per uitvaart. Hier kan een eenvoudige crematie of begrafenis van betaald worden. Indien er meerdere erfgenamen zijn, wordt dit bedrag naar evenredigheid verdeeld over de erfgenamen. Eventuele bedragen die worden verkregen uit nalatenschap of een uitvaartverzekering worden hierop in mindering gebracht. De bijzondere bijstand bedraagt dan maximaal het restant van de uitvaartkosten tot aan € 4.0009 ,-, gedeeld door het aantal erfgenamen dat bijstand aanvraagt. De inwoner kan eenmalig verlenging grafrecht aanvragen voor 10 jaar. Het bedrag dat hiervoor maximaal kan worden vergoed is €1.000 10 .

2.5.12 RECHTSBIJSTAND

De inwoner die een advocaat krijgt, toegevoegd op grond van de Wet op de rechtsbijstand, betaalt meestal een eigen bijdrage. Voor die eigen bijdrage is bijzondere bijstand mogelijk, mits de toevoeging is toegekend. Indien de inwoner géén toevoeging heeft aangevraagd, wordt bijzondere bijstand voor juridische kosten in beginsel geweigerd. De gesubsidieerde rechtsbijstand wordt beschouwd als een passende en toereikende voorliggende voorziening.

 

De gemeente verstrekt geen bijstand voor:

  • a.

    de proceskosten van de tegenpartij, als de inwoner deze kosten moet betalen;

  • b.

    vertaalkosten;

  • c.

    proceskosten ten behoeve van een niet in Nederland verblijvende partner of familielid;

  • d.

    reiskosten voor het bijwonen van rechtszittingen van bestuursrechters; of

  • e.

    de kosten die de inwoner maakt vanwege een ingediend bezwaarschrift, zoals reiskosten voor het bijwonen van een hoorzitting of kosten van ondersteuning door een adviseur 11 .

2.5.13 LEGESKOSTEN VERBLIJFSVERGUNNING

Voor de legeskosten in verband met een verzoek voor afgifte van een verblijfsvergunning kan bijzondere bijstand worden toegekend. Dit geldt ook voor legeskosten in verband met een verzoek voor verlenging van een verblijfsvergunning. Voor de kosten van naturalisatie verstrekt de gemeente geen bijzondere bijstand.

2.5.14 ONTHEFFING INBURGERINGSPLICHT

De inwoner die op grond van de Wet inburgering verplicht is om in te burgeren, kan daarvoor bij DUO ontheffing aanvragen. Dit is het geval wanneer de inwoner door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking, blijvend niet in staat is om aan de inburgeringsplicht, of een gedeelte daarvan te voldoen. Voor het onderzoek of daarvan sprake is, betaalt de inwoner € 225,-. Voor die kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

Let op:  als DUO op grond van een deskundigenverklaring door een arts vaststelt dat aan de voorwaarden voor een ontheffing is voldaan, dan betaalt DUO de kosten aan de inwoner terug. De ontvangen bijzondere bijstand wordt niet van de inwoner teruggevorderd.

 

Oude Inburgeringswet

Het kan voorkomen dat inwoners nog onder het regime van de (oude) Inburgeringswet ontheffing aanvragen van de inburgeringsplicht en daarvoor kosten moeten maken. Er zijn drie mogelijkheden voor ontheffing:

  • a.

    Ontheffing op medische gronden. Daarvoor is een medisch advies nodig. Kosten (2021): € 225,0012 ;

  • b.

    ontheffing omdat de inwoner niet in staat is om het inburgeringstraject te volgen. Hieraan zijn géén kosten verbonden; of

  • c.

    ontheffing vanwege het volgen van een alfabetiseringscursus. Hiervoor moet een toets worden gemaakt. Kosten (2021): € 150,00.

Voor deze kosten kan de inwoner bijzondere bijstand ontvangen, als aan de voorwaarden is voldaan (zie artikel 2.1).

2.5.15 BEWINDVOERING

Zodra de kantonrechter de inwoner onder beschermingsbewind stelt, kan de inwoner in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de kosten die de bewindvoerder maakt. De bijstand die de gemeente verstrekt, wordt berekend volgens de Regeling curatoren, bewindvoerders en mentoren, tenzij de rechter in zijn beschikking iets anders aangeeft. Gaat het om schuldenbewind, dan wordt de bijstand voor een jaar toegekend en zal telkens na een jaar opnieuw een aanvraag moeten worden ingediend. Bij beschermingsbewind wordt de bijstand voor onbepaalde tijd toegekend, tenzij de rechter een einddatum heeft benoemd. Zit de inwoner in een wettelijke schuldsanering (WSNP-traject), dan kan de inwoner niet in aanmerking komen voor bijstand voor de kosten die de WSNP-bewindvoerder daarvoor maakt. De aangestelde bewindvoerder is verplicht om wijzigingen door te geven.

2.5.16 CURATELE

Nadat de kantonrechter de inwoner onder curatele heeft gesteld, kan de inwoner in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de kosten die de curator maakt. De bijstand die de gemeente verstrekt wordt berekend volgens de Regeling curatoren, bewindvoerders en mentoren, tenzij de rechter in zijn beschikking iets anders aangeeft. De bijstand wordt voor de duur van een jaar verstrekt en daarna opnieuw beoordeeld.

2.5.17 MENTORSCHAP

Zodra de kantonrechter een mentor voor de inwoner heeft aangesteld, kan de inwoner in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de kosten die de mentor maakt. De bijzondere bijstand wordt berekend volgens de Regeling curatoren, bewindvoerders en mentoren, tenzij de rechter in zijn beschikking iets anders aangeeft. De bijzondere bijstand wordt voor onbepaalde tijd toegekend. De aangestelde mentor is het verplicht om wijzigingen door te geven.

2.5.18 SCHULDHULPVERLENING

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor kosten van budgetbeheer of andere vormen van schuldhulpverlening die worden uitgevoerd door partijen anders dan de gecontracteerde partijen. De dienstverlening van gecontracteerde partijen is een voorliggende en toereikende voorziening.

2.5.19 BIJZONDERE BIJSTAND VOOR ONDERNEMERS BIJ SCHULDEN EN BEDRIJFSBEËINDIGING

Voor het oplossen van problematische schulden geldt de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening als voorliggende voorziening. In principe wordt daarom geen bijzondere bijstand verstrekt voor kosten die binnen deze wet vallen.

 

Voor zelfstandige ondernemers kan hiervan worden afgeweken als schuldhulpverlening niet opgestart kan worden vanwege een ontbrekende of achterstallige boekhouding. In dergelijke gevallen kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor het afronden van de administratie of het doen van belastingaangifte, mits geen gebruik kan worden gemaakt van gecontracteerde partners of gratis ondersteuning.

 

Ook bij bedrijfsbeëindiging kan een vergelijkbare situatie ontstaan. Als een ondernemer de administratieve afronding van het bedrijf niet kan bekostigen, bijvoorbeeld het opstellen van een eindboekhouding, kunnen hierdoor knelpunten ontstaan bij het aanvragen van schuldhulpverlening of het voldoen aan fiscale verplichtingen. Ook in deze situatie kan de gemeente bijzondere bijstand verstrekken voor het laten opmaken van een eindboekhouding.

 

Voordat bijzondere bijstand wordt toegekend, moet eerst worden nagegaan of:

  • De eigen boekhouder of accountant bereid is de boekhouding pro deo of tegen een symbolisch tarief af te ronden;

  • ondersteuning mogelijk is via partijen als ‘Over Rood’.

Pas wanneer deze opties niet beschikbaar zijn, kan een commerciële boekhouder worden ingeschakeld. Hiervoor is altijd vooraf toestemming van de gemeente vereist. De bijstand kan in overleg rechtstreeks aan de boekhouder worden uitbetaald.

2.5.20 OVERBRUGGINGSUITKERING

De gemeente kan bijzondere bijstand (overbruggingsuitkering) verstrekken, als:

  • a.

    de inwoner een korte periode op geen enkele manier zelf in zijn levensonderhoud kan voorzien, bijv. door een andere uitkering aan te vragen of waardevolle bezittingen te verkopen;

  • b.

    de inwoner geen inkomen heeft; en

  • c.

    het vermogen van de inwoner onder de vermogensgrens uitkomt.

De hoogte van de overbruggingsuitkering is gelijk aan de bijstandsnorm over een periode maximaal van zes weken.

2.5.21 GEHANDICAPTENPARKEERKAART

Inwoners met een fysieke beperking, of hun partners, kunnen in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart, als voldaan is aan de voorwaarden die zijn genoemd in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart. Toekenning van zo’n parkeerkaart geeft hun dan het recht om met een auto te parkeren op parkeerplaatsen die zijn gereserveerd voor mensen met een fysieke beperking.

 

Om te kunnen vaststellen of de inwoner een fysieke beperking heeft die een parkeerkaart noodzakelijk maakt, moet een medisch advies worden aangevraagd. Daarnaast moet de inwoner leges betalen voor het in behandeling nemen van de aanvraag door de gemeente. Voor beide kosten kan bijzondere bijstand worden toegekend, als aan de voorwaarden is voldaan (zie art. 2.1). De inwoner kan dan voor de volgende kosten bijzondere bijstand krijgen:

  • legeskosten aanschaf of verlenging van de gehandicapten parkeerkaart (€ 57,90);

  • kosten medisch advies (€ 205,20), en als het nodig is een;

  • pasfoto (2 stuks).

De aanvraag dient te worden gedaan via het servicecentrum.

 

Let op:  als de parkeerkaart niet wordt toegekend, dan wordt de bijzondere bijstand die is verstrekt voor de kosten van de aanvraag voor de parkeerkaart niet teruggevorderd.

2.5.22 REISKOSTEN ISK 13

Leerlingen die vanuit huis met het openbaar vervoer naar een vestiging van het ISK moeten reizen, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding.

 

Doelgroep

  • Leerlingen tot en met 12 jaar: Zij hebben recht op een vergoeding wanneer de dichtstbijzijnde ISK verder dan 6 kilometer van huis ligt.

  • Leerlingen vanaf 13 jaar: Zij hebben recht op een vergoeding wanneer de kortste afstand naar de dichtstbijzijnde ISK meer dan 13 kilometer bedraagt.

  • Als de afstand korter is dan 13 kilometer, krijgen leerlingen vanaf 13 jaar in principe géén vergoeding.

  • Soms kan een leerling vanaf 13 jaar de afstand nóg niet zelfstandig per fiets afleggen. In dat geval kan er tijdelijk een reiskostenvergoeding worden toegekend, meestal voor maximaal drie maanden.

Hoogte vergoeding

  • De vergoeding is gelijk aan de kosten van een busabonnement (OV-abonnement). Daarbij geldt dat de goedkoopste vorm van openbaar vervoer wordt vergoed.

  • Ouders dienen hiervoor een declaratie in. Als de kosten niet kunnen worden voorgeschoten, kan de consulent alvast een voorschot verstrekken.

Bewijsstukken

Bij het indienen van de declaratie moet ook een bewijs van het OV-abonnement worden meegestuurd.

2.5.23 EIGEN BIJDRAGE KINDEROPVANG 14 15

Het doel van deze regeling is het tijdelijk verlichten van de financiële draaglast van de ouder, zodat deze – vanwege ernstige sociale, lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperkingen – tijdelijk kan worden ontlast in de zorg voor het kind. Daarmee wordt beoogd de ouder in staat te stellen de gezinssituatie duurzaam te verbeteren, ten behoeve van de gezonde ontwikkeling van het kind en/of de ouder.

 

Doelgroep

Ouders met een sociaal medische indicatie kunnen een vergoeding van de eigen bijdrage voor de kosten van kinderopvang krijgen.

 

Indicatie

Een inkomensconsulent laat de indicatie voor een SMI vaststellen door een onafhankelijk adviesorgaan.

In het advies over de inzet van SMI moeten minimaal onderstaande punten aan de orde komen:

  • de noodzaak van de opvang;

  • of opvang binnen het netwerk mogelijk is;

  • de duur van de opvang;

  • de omvang van de opvang;

  • de geschatte duur van de behandeling (duur van de noodzakelijke opvang).

Duur en omvang

De subsidie wordt uitsluitend verleend voor het aantal uren kinderopvang per week dat op grond van een Sociaal Medische Indicatie (SMI) noodzakelijk is. De subsidie wordt verstrekt voor een maximale duur van zes maanden. Binnen deze periode vindt een herbeoordeling plaats door een daartoe aangewezen adviesorgaan, waarin wordt beoordeeld of voortzetting van de kinderopvang noodzakelijk is, alsmede de omvang en duur ervan. Indien uit deze herbeoordeling blijkt dat verlenging van de kinderopvang op basis van een SMI noodzakelijk is, kan de subsidieperiode eenmalig worden verlengd met maximaal zes maanden.

 

Vaststelling bijdrage 16

Bij een positief advies voor de inzet van kinderopvang op grond van een SMI wordt de hoogte van de bijdrage vastgesteld aan de hand van de volgende berekening:

De subsidie wordt berekend op basis van het daadwerkelijk aantal afgenomen uren kinderopvang, tot maximaal het aantal uren dat op grond van het medisch advies als noodzakelijk wordt beschouwd, vermenigvuldigd met het uurtarief en verminderd met de eigen bijdrage.

 

De eigen bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van de kinderopvangtoeslagtabel.

Personen met een inkomen dat valt in de eerste drie treden van de kinderopvangtoeslagtabel, betalen geen eigen bijdrage. Er wordt dan 100% van de kosten vergoed. Voor de bepaling van de hoogte van het inkomen van de aanvrager (en eventuele partner) wordt uitgegaan van een inkomensverklaring van de belastingdienst. Vermogen wordt buiten beschouwing gelaten.

 

Uurtarief dat voor vergoeding in aanmerking komt

De belastingdienst hanteert een maximum uurtarief dat voor vergoeding in aanmerking komt (ook als de kinderopvanginstelling een hoger tarief hanteert dat dit maximum). Het uurtarief dat voor vergoeding in aanmerking komt, is maximaal het door de Belastingdienst gehanteerde uurtarief.

 

Uitbetaling bijdrage

De bijdrage wordt na overhandiging van de factuur betaald aan de aanvrager.

Is de factuur lager dan het toegekende bedrag, wordt het lagere bedrag uitbetaald.

3. Extra ondersteuning voor kwetsbare groepen

3.1 Individuele inkomenstoeslag

3.1.1 DOEL

Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een bedrag dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. In aanvulling op artikel 7.6 Individuele inkomenstoeslag in de verordening sociaal domein gemeente Altena 2022 is het volgende van toepassing:

3.1.2 UITZICHT OP INKOMENSVERBETERING

Bij de beoordeling of een inwoner uitzicht heeft op inkomensverbetering, wordt gekeken naar de individuele omstandigheden van de inwoner. De gemeente gaat ervan uit, dat inwoners die 36 maanden (referteperiode) moeten rondkomen van een laag inkomen, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Bij het beoordelen van een aanvraag toetst de gemeente dus niet of er in het concrete geval uitzicht op inkomensverbetering bestaat.

3.1.3 FINANCIËLE BUFFER

Om voor de toeslag in aanmerking te komen mag de inwoner in een ononderbroken periode van 36 maanden (referte periode) geen goede financiële buffer hebben gehad. Onder een 'goede financiële buffer' wordt verstaan: een vermogen dat hoger is dan het voor de bijstand geldende vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet. Het vaststellen van de hoogte van inkomen en vermogen wordt op dezelfde manier berekend als voor de bijzondere bijstand (zie de artikelen 2.4.1 17 en 2.4.3 18 ).

 

Let op: er wordt niet gekeken naar het inkomen over één maand, maar naar het inkomen over de volledige periode van 36 maanden. Daarbij wordt geen gemiddeld inkomen gehanteerd: het inkomen mag maximaal drie afzonderlijke maanden boven de 120% uitkomen.

3.1.4 HOOGTE VAN DE TOESLAG

De hoogte van de individuele inkomenstoeslag hangt af van het inkomen en de gezinssituatie. Ligt het inkomen tijdens de 36 maanden onder de 120% van de bijstandsnorm, dan kan de inwoner de volledige toeslag krijgen. De hoogte van de toeslag is opgenomen in artikel 7.6.1 uit de verordening sociaal domein gemeente Altena 2026.

3.1.5 ONDERBREKINGEN

Wanneer een inwoner eerder een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen en opnieuw een aanvraag indient, geldt het volgende: het inkomen mag in de referteperiode in maximaal drie afzonderlijke maanden boven de 120% van de bijstandsnorm uitkomen. Deze maanden hoeven niet aaneengesloten te zijn.

 

Deze regeling is bedoeld om te voorkomen dat inwoners door (tijdelijke) werkaanvaarding voor langere tijd worden uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag.

 

Let op:

  • Zijn de inwoners gehuwd of wonen ze samen, dan moeten beide partners aan de voorwaarden voldoen.

  • De gezinssituatie (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden/samenwonenden) wordt bepaald op de datum van aanvraag. Maar als er op die datum nog geen recht is op de toeslag, telt de datum waarop de inwoner wél aan de voorwaarden voldoet.

3.1.6 AANVRAAGPROCEDURE

De inwoner dient een aanvraag bij de gemeente in door middel van een vastgesteld aanvraagformulier.

 

3.2 Maaltijdvoorziening

Inwoners zijn niet altijd zelf in staat om een warme maaltijd te bereiden. Inwoners kunnen dan gebruikmaken van de maaltijdservice van Surplus Welzijn of Stichting Welzijn Pro Seniore. Dat kan een warme maaltijd zijn, of een diepvriesmaaltijd. Deze maaltijden voldoen aan de eisen die worden gesteld aan gezonde maaltijden. Inwoners met een laag inkomen die gebruik maken van deze maaltijdvoorziening kunnen een financiële bijdrage krijgen.

3.2.1 DOELGROEP

De bijdrage in de maaltijdvoorziening is bedoeld voor inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm, die niet in staat zijn zelf een warme maaltijd te bereiden.

3.2.2 BIJDRAGE

De gemeente vergoedt de meerkosten van een maaltijd geheel of gedeeltelijk. De prijs voor een maaltijd heeft de gemeente vastgesteld op € 4,00. Deze kosten betaalt de inwoner die gebruik maakt van de maaltijdvoorziening altijd zelf. Dit bedrag van € 4,00 is afgeleid van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het consumentenprijsindexcijfer van het CBS (algemeen) en naar boven afgerond op € 0,05. De laatste indexering vond plaats per 1 januari 2025.

 

De bijdrage van de gemeente bestaat uit het verschil tussen de prijs van de maaltijd die Surplus of Pro Seniore bij de inwoner in rekening brengt en het bedrag van € 4,00. Voor inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm geldt dat dit verschil volledig wordt vergoed.

 

De bijdrage van de gemeente wordt aan de betreffende maatschappelijke organisaties overgemaakt en door deze organisaties in mindering gebracht op de prijs voor de maaltijdvoorziening.

 

De bijdrage is een subsidie. De bepalingen van Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn daarop van toepassing.

3.2.3 DRAAGKRACHT

Het inkomen wordt op dezelfde manier berekend als voor de bijzondere bijstand (zie 2.4.1 19 ). Voor het bepalen van de inkomensgrens blijft de kostendelersnorm buiten beschouwing. Het vermogen telt niet mee bij het beoordelen van het recht op een bijdrage.

3.2.4 AANVRAAGPROCEDURE

De regeling wordt op een laagdrempelige wijze uitgevoerd. Surplus Welzijn of Stichting Welzijn Pro Seniore (indicatiestellers) stellen de indicatie van de toekomstige gebruiker vast. Indien uit deze indicatie blijkt dat ondersteuning noodzakelijk is, en de inwoner voldoet aan de vastgestelde inkomensgrens, komt de inwoner in aanmerking voor een bijdrage. De indicatiesteller verstrekt een aanvraagformulier en de inwoner dient deze in bij de gemeente.

 

3.3 Studietoeslag

Studenten met een langdurige medische beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgen deze studenten een financieel steuntje in de rug, als zij niet in staat zijn om naast hun studie met werk inkomen te verdienen. Het inkomen wordt daarmee maandelijks aangevuld. In artikel 36b van de wet is vastgelegd voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld en hoe een aanvraag wordt beoordeeld. In aanvulling daarop het volgende:

  • De student moet een langdurige (structurele) beperking hebben: herstel of verbetering is niet te verwachten binnen twaalf maanden, in die mate dat de student weer inkomen kan verdienen naast de studie. Onder het kopje 'Uitwerking structureel medische beperking' is uitgewerkt wat hieronder wordt verstaan.

  • De student moet niet volledig arbeidsongeschikt zijn: als de student blijvend volledig niet in staat is te werken, kan de student in aanmerking komen voor een Wajong-uitkering met een eigen studieregeling.

  • De gemeente moet vaststellen of er sprake is van een structurele medische beperking. Dit doet de gemeente door het opvragen van een medisch advies bij een door het college aangewezen instantie, tenzij direct duidelijk is dat er sprake is van een structurele medische beperking.

    • o

      Er kan een nieuw medisch advies worden opgevraagd bij voortzetting van de studietoeslag als het eerder opgevraagde advies hier aanleiding toegeeft.

  • De hoogte van het inkomen en vermogen zijn niet van toepassing voor het vaststellen van het recht op studietoeslag.

  • De studietoeslag gaat in op de dag van de aanvraag, tenzij het recht eerder is ontstaan en de student de studietoeslag eerder wil laten ingaan. De maximale terugwerkende kracht is vijf jaar en de vroegst mogelijke ingangsdatum is 1 april 2022 (ingangsdatum nieuwe regeling).

  • De toeslag wordt voor onbepaalde tijd toegekend en maandelijks uitbetaald. Indien de studietoeslag met terugwerkende kracht wordt toegekend, vindt de betaling over die periode plaats als een bedrag ineens. Gedurende de verjaarmaand wordt tot de geboortedatum de norm toegepast die hoort bij de oorspronkelijke leeftijd, vanaf de geboortedatum geldt de norm die past bij de nieuwe leeftijd.

  • De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 4a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021.

3.3.1 UITWERKING STRUCTUREEL MEDISCHE BEPERKING

  • Een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie.

  • Structureel: als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wél in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen.

  • Er is in ieder geval géén sprake van een structurele medische beperking bij:

    • o

      mantelzorg;

    • o

      een gebroken been;

    • o

      kortdurende beperkingen;

    • o

      beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken.

3.3.2 AANVRAAGPROCEDURE

De inwoner dient een aanvraag bij de gemeente in door middel van een vastgesteld aanvraagformulier. Bij de aanvraag verstrekt belanghebbende de volgende documenten:

  • a.

    Een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF) of een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS).

  • b.

    Een kopie van een geldig identiteitsbewijs: paspoort, identiteitskaart, verblijfsdocument of rijbewijs.

  • c.

    Een kopie van een bankafschrift of een download uit de bankomgeving waarop zowel de tenaamstelling van de rekening als het rekeningnummer duidelijk zichtbaar zijn.

  • d.

    Indien sprake is van een stage: een kopie van de stageovereenkomst, waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt.

Daarnaast kan belanghebbende bij de aanvraag een deskundigenverklaring overleggen waarin wordt gemotiveerd waarom hij of zij vanwege een medische beperking niet in staat is om naast de studie te werken.

4. Meedoen aan de samenleving

De gemeente wil graag dat iedere inwoner kan meedoen aan maatschappelijke activiteiten op cultureel, recreatief, sportief, educatief of maatschappelijk vlak. Dat heeft de gemeenteraad vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Verordening sociaal domein, in het bijzonder de paragrafen 7.7 en 7.8. Op grond van die bepalingen kan de inwoner in aanmerking komen voor een bijdrage uit het Activiteitenfonds. Voor ouders met kinderen geldt dat de gemeenteraad het Kindpakket heeft vastgesteld, een pakket voorzieningen waarop ouders beroep kunnen doen en dat wordt uitgevoerd door Stichting Leergeld. In dit hoofdstuk is verder uitgewerkt hoe de gemeente deze ondersteuning geregeld heeft.

 

4.1 Activiteitenfonds

4.1.1 DOEL

Stimuleren dat meerderjarige inwoners met een laag inkomen actief deelnemen aan activiteiten op het gebied van cultuur, educatie, recreatie en sport, door het verstrekken van een financiële bijdrage in de hieraan verbonden kosten. De gemeente wil ook ouders met een laag inkomen ondersteunen om in gezinsverband met kinderen in de leeftijd van 0- 18 jaar (gezamenlijke) activiteiten te ondernemen of hun kinderen te stimuleren recreatieve activiteiten te ondernemen. Daarnaast wil de gemeente sociaal isolement tegengaan van ouderen en mensen met een arbeidsbeperking en een laag inkomen. De gemeente kan daarom een financiële bijdrage verstrekken in een aantal kosten die inwoners moeten maken om deel te nemen aan de samenleving.

4.1.2 DOELGROEP

De inkomensgrens voor het activiteitenfonds is vastgesteld op 120%. Een bijdrage uit het Activiteitenfonds is bedoeld voor inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm en vermogen onder de vermogensgrens. Voor inwonende minderjarige kinderen tot 18 jaar kunnen ouders ook een bijdrage krijgen.

 

Geen recht op een bijdrage heeft de inwoner die:

  • a.

    een tegemoetkoming in de schoolkosten (op grond van hoofdstuk 4 Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten) of studiefinanciering van DUO krijgt;

  • b.

    in een Wlz-instelling verblijft;

  • c.

    of jonger is dan 18 jaar.

4.1.3 BIJDRAGE

Inwoners die aan de voorwaarden voldoen (4.1.2), en een inkomen hebben tot 120% van de bijstandsnorm kunnen een bijdrage ter hoogte van de feitelijke kosten krijgen, maar maximaal € 165,- per persoon per kalenderjaar. Per inwonend kind kan de inwoner maximaal € 100,- per kalenderjaar extra ontvangen, als ze lid zijn van een vereniging of club.

 

In een bijlage bij deze beleidsregels staat welke maatschappelijke activiteiten in ieder geval in aanmerking komen voor een bijdrage uit het Activiteitenfonds.

 

Ook voor reiskosten die de inwoner moet maken om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten, kan een bijdrage worden verstrekt.

4.1.4 DRAAGKRACHT

Het inkomen en vermogen worden op dezelfde manier berekend als voor de bijzondere bijstand (zie de artikelen 2.4.120 en 2.4.3 21 ). Voor het bepalen van de inkomensgrens houdt de gemeente geen rekening met de kostendelersnorm. Ook houdt de gemeente geen rekening met de vraag of de inwoner een schoolverlater is of een woonruimte heeft waaraan weinig kosten verbonden zijn.

 

Als het inkomen van een inwoner toeneemt door werkaanvaarding, gaat de gemeente ervan uit dat deze persoon in het eerste kalenderjaar na de start van het werk in beginsel nog een inkomen heeft dat onder de toepasselijke norm ligt.

4.1.5 AANVRAAGPROCEDURE

De inwoner dient een aanvraag in door middel van een aanvraagformulier dat door de gemeente is vastgesteld. Op het aanvraagformulier geeft de inwoner per persoon in het huishouden aan voor welke activiteiten de kosten gemaakt zijn en wat de hoogte was van die uitgaven. De inwoner moet bewijsstukken van de gemaakte kosten op verzoek kunnen tonen.

 

De inwoner kan een aanvraag indienen tot 1 maart van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt. De aanvraagdatum is bepalend voor het vaststellen van de leef- en woonsituatie van de inwoner.

 

4.2 Kindpakket

4.2.1 DOEL

Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten en het kunnen volgen van onderwijs. Naast het Activiteitenfonds (zie par. 4.1) heeft de gemeente specifieke maatregelen genomen voor minderjarige kinderen. Deze maatregelen worden het Kindpakket genoemd. Met Stichting Leergeld West Brabant-Oost heeft de gemeente afspraken gemaakt over uitvoering van het Kindpakket. In deze paragraaf zijn de belangrijkste regels en afspraken vastgelegd.

4.2.2 DOELGROEP

Voorzieningen uit het Kindpakket zijn bedoeld voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar van inwoners met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm. De kostendelersnorm toepassing.is niet van

4.2.3 VOORZIENINGEN

Inwoners die aan de voorwaarden voldoen (zie artikel 7.7.1 van de verordening), kunnen in aanmerking komen voor vergoeding van kosten voor hun minderjarige kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar. De te vergoeden kosten zijn bestemd voor activiteiten van het kind. Het kind waarvoor de inwoner ondersteuning aanvraagt moet bij de ouder inwonen. Stichting Leergeld betaalt een kostenvergoeding rechtstreeks aan de leverancier of dienstverlener. In Bijlage 2. Inhoud kindpakket bij deze beleidsregels staat welke voorzieningen Stichting Leergeld in ieder geval kan verstrekken en tot welk bedrag. De gemeente stelt jaarlijks met Stichting Leergeld de inhoud van het kindpakket vast.

 

Let op: overblijfkosten van kinderen indien de ouder deelneemt aan een re-integratietraject worden uit het Kindpakket vergoed.

4.2.4 DRAAGKRACHT

Stichting Leergeld hanteert een richtbedrag van ca. 130% van de bijstandsnorm waarbij een onderscheid in richtbedrag wordt gemaakt tussen een eenouder- en tweeoudergezin.

4.2.5 AANVRAAGPROCEDURE

De inwoner kan op verschillende manieren aan stichting Leergeld vragen om ondersteuning. Uitgangspunt is dat de inwoner een hulpvraag vooraf indient via een aanmeldformulier, dus voordat de kosten worden gemaakt. De inwoner is verplicht op verzoek gegevens en bewijsstukken van de kosten te laten zien. Stichting Leergeld streeft ernaar om binnen vier weken een besluit te nemen op een ingediende hulpvraag.

5. Slotbepalingen

5.1 Intrekking en inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2026. De volgende beleidsregels worden per die datum ingetrokken:

  • a.

    Richtlijnen tegemoetkoming bijzondere kosten gemeente Altena 2022;

  • b.

    beleidsregel overgangsregeling bijzondere bijstand;

  • c.

    Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Participatiewet gemeente Altena 2022;

  • d.

    Beleidsregel reiskosten naar internationale schakelklas (ISK) gemeente Altena 2022;

  • e.

    Beleidsregel toekenning bijdrage kinderopvang gemeente Altena 2022;

  • f.

    Beleidsregels Studietoeslag Gemeente Altena 2022;

  • g.

    Regeling activiteitenfonds gemeente Altena 2022;

  • h.

    Beleidsregel pleeggeldvergoeding 18+ AMV-er gemeente Altena 2022.

5.2 Overgangsrecht

Met de inwerkingtreding van de herziene minimaregelingen per 1 januari 2026 geldt overgangsrecht voor de volgende regelingen:

  • Bijzondere bijstand

  • Eigen bijdrage kinderopvang SMI

  • Individuele inkomenstoeslag

  • Activiteitenfonds

  • Reiskosten ISK

Voor aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels per 1 januari 2026, blijven de oude (ingetrokken) beleidsregels van toepassing.

 

De eerder vastgestelde draagkracht (op grond van de oude beleidsregels) blijft gelden tot het einde van het bijbehorende draagkrachtjaar. Daarna gelden de nieuwe beleidsregels.

 

Hieronder is per paragraaf het overgangsrecht uitgewerkt:

  • 1.

    Paragraaf 2.1.2 – Doen de kosten zich voor?

    In de oude situatie kon bijzondere bijstand worden aangevraagd voor kosten die tot 12 maanden geleden zijn gemaakt. Dit wijzigt per 1 januari 2026 naar een termijn van maximaal 3 maanden.

    • Voor kosten die in 2025 zijn gefactureerd geldt dat aanvragen tot maximaal 12 maanden na de factuurdatum kunnen worden ingediend, maar niet later dan 31 december 2026.

    • Voor kosten gemaakt vanaf 1 januari 2026 gelden de nieuwe beleidsregels: aanvragen moeten binnen 3 maanden na facturatie van de kosten worden ingediend.

  • 2.

    Paragraaf 2.4.1 – Welk inkomen telt mee?

    • De eerder vastgestelde draagkracht (op grond van de oude beleidsregels) blijft gelden tot het einde van het bijbehorende draagkrachtjaar. Daarna gelden de beleidsregels die vanaf 1 januari 2026 van toepassing zijn. Eindigt het vastgestelde draagkrachtjaar op 1 januari 2026? Dan zijn de beleidsregels die gelden vanaf 1 januari 2026 direct van toepassing.

    • Voor de collectieve zorgverzekering geldt een aparte overgangsbepaling:

      • o

        Aanvragen die betrekking hebben op deelname in 2026 en binnenkomen voor 01-02-2026 worden conform de oude beleidsregels afgehandeld. Aanvragen die vanaf 01-02-2026 binnen komen worden conform de nieuwe beleidsregels afgehandeld. De toekenning van een bijdrage voor deelname aan de collectieve zorgverzekering over 2026 o.g.v. de oude beleidsregels blijft heel 2026 van kracht.

  • 3.

    Paragraaf 2.4.3 - Welk vermogen telt mee?

    • De eerder vastgestelde draagkracht (op grond van de oude beleidsregels) blijft gelden tot het einde van het bijbehorende draagkrachtjaar. Daarna gelden de beleidsregels die vanaf 1 januari 2026 van toepassing zijn. Eindigt het vastgestelde draagkrachtjaar op 01-01-2026? Dan zijn de beleidsregels die gelden vanaf 1 januari 2026 direct van toepassing.

    • Voor de collectieve zorgverzekering geldt een aparte overgangsbepaling:

      • o

        Aanvragen die betrekking hebben op deelname in 2026 en binnenkomen voor 01-02-2026 worden conform de oude beleidsregels afgehandeld. Aanvragen die vanaf 01-02-2026 binnen komen worden conform de nieuwe beleidsregels afgehandeld. De toekenning van een bijdrage voor deelname aan de collectieve zorgverzekering over 2026 o.g.v. de oude beleidsregels blijft heel 2026 van kracht.

  • 4.

    Paragraaf 2.4.4 - Over welke periode wordt de draagkracht berekend?

    • Wanneer het inkomen van een inwoner verandert gedurende een vastgesteld draagkrachtjaar, kan de draagkracht binnen datzelfde jaar worden aangepast.

      • o

        Is de draagkracht vastgesteld op basis van de oude beleidsregels, dan wordt de aanpassing uitgevoerd volgens de oude beleidsregels.

      • o

        Is de draagkracht vastgesteld op basis van de nieuwe beleidsregels, dan wordt de aanpassing uitgevoerd volgens de nieuwe beleidsregels.

    • Als de bijzondere bijstand is toegekend op basis van de oude beleidsregels, dan vindt de verrekening van de draagkracht en de uitbetaling van de bijzondere bijstand als volgt plaats:

      • o

        Bij toekenning op basis van de oude beleidsregels: de verrekening en uitbetaling vinden plaats volgens de oude beleidsregels.

      • o

        Bij toekenning op basis van de nieuwe beleidsregels: de verrekening en uitbetaling vinden plaats volgens de nieuwe beleidsregels.

  • 5.

    2.5.9.2 Bijzondere bijstand voor medische kosten

    • Voor tandartskosten geldt een aparte overgangsbepaling:

      • o

        Voor aanvragen voor tandartskosten die in 2025 zijn ingediend, gelden de beleidsregels en richtlijnen die in 2025 van toepassing waren, ook als de daadwerkelijke behandeling of betaling van de kosten in 2026 plaatsvindt.

  • 6.

    Paragraaf 2.5.15 t/m 2.5.17 - Bewindvoering, curatele en mentorschap

    • Aanvragen die op of na 1 januari 2026 worden ingediend, maar betrekking hebben op kosten die vóór 1 januari 2026 geheel of gedeeltelijk worden gemaakt, worden beoordeeld volgens het oude beleid.

    • Aanvragen die vóór 1 januari 2026 worden ingediend, maar betrekking hebben op kosten die worden gemaakt op of na 1 januari 2026, worden beoordeeld volgens het vanaf 1 januari 2026 geldende beleid.

  • 7.

    Paragraaf 2.5.22 reiskosten ISK

    • Voor aanvragen voor reiskosten ISK voor het schooljaar 2025/2026 die in 2025 zijn ingediend, blijven de oude beleidsregels van toepassing.

    • Voor aanvragen voor reiskosten ISK voor het schooljaar 2025/2026 die in 2026 zijn ingediend en waarvan de kosten betrekking hebben op 2025 en 2026, zijn de vanaf 1 januari 2026 geldende beleidsregels van toepassing.

    • Voor aanvragen voor reiskosten ISK voor het schooljaar 2025/2026 die in 2026 zijn ingediend en waarvan de kosten uitsluitend betrekking hebben op 2026, zijn de vanaf 1 januari 2026 geldende beleidsregels van toepassing.

  • 8.

    Paragraad 2.5.2 eigen bijdrage kinderopvang

    • De lopende toekenning blijft gelden tot de einddatum van de toekenning.

  • 9.

    Paragraaf 3.1.3. Individuele inkomenstoeslag

    • Inwoners die niet eerder een individuele inkomenstoeslag van de gemeente Altena hebben aangevraagd: De nieuwe beleidsregels zijn van toepassing op de gehele referteperiode.

    • Inwoners die vóór 1 januari 2026 een individuele inkomenstoeslag van de gemeente Altena hebben aangevraagd en in 2026 opnieuw een aanvraag indienen: De nog niet beoordeelde periode binnen de referteperiode wordt beoordeeld volgens de nieuwe beleidsregels. Beoordelingen van het deel van de referteperiode die eerder zijn gedaan op grond van de oude beleidsregels blijven ongewijzigd.

    • De vanaf 1 januari 2026 geldende beleidsregels zijn van toepassing op aanvragen voor perioden vanaf 1 januari 2026.

  • 10.

    Paragraaf 4.1 - Activiteitenfonds

    • Voor aanvragen die vanaf 1 januari t/m 31 maart 2026 worden ingediend maar waarin om een bijdrage voor het jaar 2025 wordt gevraagd, gelden de oude beleidsregels.

    • Aanvragen die worden ingediend en waarin om een bijdrage voor 2026 wordt gevraagd, vallen onder de nieuwe beleidsregels.

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels ondersteuning minima gemeente Altena 2026.

Vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena van 9 december 2025,

de secretaris,

P.J.E. Breukers

de burgemeester

Drs. E.B.A. Lichtenberg MCM

Bijlage 1: Inhoud Activiteitenfonds

 

Voor onderstaande kosten kan in ieder geval een bijdrage verstrekt worden:

 

  • A.

    Lidmaatschappen, contributies en vaste bijdragen in verband met actieve, regelmatige deelname aan activiteiten van:

    • o

      muziek-, toneel- en zangverenigingen;

    • o

      sportverenigingen;

    • o

      (groeps)lessen sportschool.

  • B.

    Sportkleding, uniformen etc. die voortvloeien uit het lidmaatschap van deze verenigingen en de kosten die het gevolg zijn van het beoefenen van sportactiviteiten.

  • C.

    Abonnementen en entrees van musea, zwembaden, bibliotheken, artotheken en speelotheken.

  • D.

    Uitgaven in verband met:

    • o

      Volwassenen-educatie;

    • o

      sociaal-culturele activiteiten voor ouderen;

    • o

      lidmaatschap vrouwenverenigingen en ouderenbonden;

    • o

      lidmaatschap volkstuinverenigingen, hobby- en fotoclubs;

    • o

      deelname aan vrijwilligerswerk;

    • o

      museumjaarkaart;

    • o

      mantelzorg.

  • E.

    Entrees voor:

    • o

      tentoonstellingen en festivals;

    • o

      (pop)concerten, opera en theatervoorstellingen;

    • o

      circusvoorstellingen en bioscoopvoorstellingen;

    • o

      sportwedstrijden;

    • o

      evenementen- en recreatieparken.

Bijlage 2: Inhoud kindpakket

 

Voorziening

Maximale kosten-vergoeding 22

Toelichting

Smartphone brugklassers voortgezet onderwijs

€ 225,00

 

Culturele activiteiten, contributie, abonnementen + kleding

€ 500,00

Bijvoorbeeld: muziek, dans of schilderen. De vergoeding is voor culturele, sportieve en hobby-achtige activiteiten.

 

Cursussen waartoe de school bemiddelt of gelegenheid biedt vormen een buitenschoolse activiteit.

En/of sportieve activiteiten, contributie, abonnementen + kleding

€500,00

Bijvoorbeeld: teamsport, individuele sporten, abonnement sportschool. De vergoeding is voor sportieve, culturele en hobby-achtige activiteiten. Bij een aanvraag wordt een bijbehorend kamp samen met de contributie als één activiteit beschouwd. Verder wordt alleen kleding die daadwerkelijk nodig is voor de sport vergoed.

En/of hobby in georganiseerd (vereniging) verband, contributie, materialen benodigdheden

€500,00

Bijvoorbeeld NJN, Jeugdverenigingen houden van dieren, gamen, fotografie etc. De vergoeding is voor sportieve, culturele en hobby-achtige activiteiten inclusief kleding. Cursussen waartoe de school bemiddelt of gelegenheid biedt vormen een buitenschoolse activiteit.

Schoolspullenpas primair onderwijs

€ 30,00

Per kind per jaar, naar keuze te besteden aan zgn. persoonsgebonden materiaal dat langer dan een jaar mee gaat, zoals o.a. gymkleding, een rugzakje met lunchbox en beker.

Schoolspullenpas (speciaal) voortgezet onderwijs/mbo

€ 80,00

Per kind per jaar, vrij te besteden aan zogenoemd persoonsgebonden materiaal dat langer dan een jaar meegaat, zoals een atlas, woordenboek, agenda, gymkleding, werkkleding of gereedschap.

Gezinslaptop

€ 500,00

Laptop vanaf groep 5 basisschool (1 per gezin)

Laptop voortgezet onderwijs (Adviesbrief van de toetsing naar de School)

 

Voorwaarde is dat deze verplicht voorgeschreven is door de school.

Zwemlessen diploma A + B

€ 600,00

Als zwemlessen duurder uitvallen, kan een hoger bedrag worden verstrekt. Diploma C = sport

Overblijfkosten

€ 2,00 per dag

Mits ouders werken, of re-integratietraject naar werk volgen, een inburgeringscursus/traject wet nieuwkomers volgen of als er sprake is van noodzaak op basis van medische sociale gronden.

Internetkosten

€ 180,00

€ 15,- x 12 maanden

Fiets schoolverlaters

€ 300,00

 

Reiskosten vanaf 13 km woon-school verkeer max. € 70,-- per maand

€ 57,00

50% vergoeding. Abonnement kost € 112,10

Pontkosten

€ 150,00

Vergoeding van 59%. Abonnement kost € 311,58

Kindertablet

€ 100,00

Van 4 jaar tot groep 5

Squla

€ 38,00

Van 4 jaar tot groep 5

Naar boven