Gemeenteblad van De Ronde Venen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| De Ronde Venen | Gemeenteblad 2025, 547486 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| De Ronde Venen | Gemeenteblad 2025, 547486 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen;
Gelet op de artikelen 1, 2 en 14 van de Verordening jeugdhulp De Ronde Venen 2025;
overwegende dat het noodzakelijk is om nadere regels vast te stellen ter uitvoering van de Verordening jeugdhulp De Ronde Venen 2025 met betrekking tot:
Op grond van de Jeugdwet 2015 heeft de gemeenteraad de Verordening jeugdhulp De Ronde Venen 2025 vastgesteld. De Verordening jeugdhulp De Ronde Venen 2025 vormt samen met deze Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026 het kader waaronder de Jeugdwet in De Ronde Venen wordt uitgevoerd.
Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Jeugdwet 2015, de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening Jeugdhulp de Ronde Venen 2025 (de verordening).
Jeugdige en/of hun ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij de gemeente. In een eerste contact wordt de hulpvraag verder geïnventariseerd. Als hieruit blijkt dat informatie of advies voldoende is voor de jeugdige en/of ouder om het ondervonden probleem op te lossen, is daarmee de hulp- en ondersteuningsvraag beantwoord.
Indien verdere vraagverheldering of verdieping nodig is, volgt een afspraak met de jeugdconsulent van de gemeente. Vooraf krijgen inwoners informatie over:
Het college behoudt na start van de hulpverlening een regiefunctie. Vanuit deze functie wordt de voortgang van de hulpverlening gemonitord en geëvalueerd of de zorgaanbieder aan de gestelde resultaten werkt. Dit betekent waar nodig ook de intensiteit en duur van het traject monitoren, indien nodig opschalen en waar mogelijk afschalen dan wel afronden.
Artikel 4 Persoonsgebonden budget (pgb)
Op het moment dat uit onderzoek de noodzaak van jeugdhulp is vastgesteld, is het uitgangspunt dat de jeugdige en zijn ouders zich oriënteren op de mogelijkheden van zorg in natura. Dat wil zeggen dat de jeugdige en/of zijn ouders hulp ontvangen van een jeugdhulpaanbieder die door de gemeente is gecontracteerd. Pas wanneer het contracteerde aanbod onvoldoende passend is, kunnen jeugdige en zijn ouders gebruik maken van een pgb. Aan het toekennen van een pgb zijn wel voorwaarden verbonden.
Het college verstrekt een pgb als na onderzoek blijkt dat er een individuele voorziening jeugdhulp passend is en als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De jeugdige of zijn ouders zijn naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen. Of ze zijn met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
4.1.1 Bekwaamheid van de aanvrager
Om na te gaan of de aanvrager op verantwoorde wijze om kan gaan met een pgb wordt de bekwaamheid beoordeeld. Is de budgethouder in staat, met hulp uit zijn sociale netwerk, of met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde de eigen situatie en de situatie van de jeugdige te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en aan te sturen. Daarbij zijn de tien punten voor pgb-vaardigheid het uitgangspunt (zie bijlage 2).
Voorbeelden voor een contra-indicatie ten aanzien van de pgb-vaardigheid zijn: problematische schulden, ernstige verslavingsproblematiek, aanmerkelijke verstandelijke beperking, ernstig psychiatrisch ziektebeeld, vastgestelde blijvende cognitieve stoornis, of onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal.
4.1.2 Motivering dat zorg in natura niet passend is
Uit de argumentatie moet blijken dat de jeugdige of zijn ouders zich voldoende hebben georiënteerd op de mogelijkheden voor zorg in natura. De jeugdige of zijn ouders kunnen onderbouwen dat de individuele voorziening, die wordt geleverd door een aanbieder, voor hen niet passend is en beschrijven dit in het budgetplan. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als:
De jeugdige wordt vertegenwoordigd in het beheer van het pgb door een ouder/wettelijk vertegenwoordiger, met behulp van iemand vanuit het sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde. In de meest voorkomende situaties wordt het pgb beheerd door de ouder/wettelijk vertegenwoordiger.
Beheer door hulpverlener niet toegestaan
Voorwaarden voor het verstrekken van een pgb is dat de budgethouder voldoende in staat is de eigen situatie en de situatie van de jeugdige te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en aan te sturen. Volgens de wetsgeschiedenis moet bij deze taken gedacht worden aan bijvoorbeeld het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen.
De dubbelrol vertegenwoordiger/hulpverlener (zowel formeel als informeel) is dan ook niet toegestaan, omdat de zorgverlener niet in staat is om met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken uit te voeren.
Hulp vanuit het sociaal netwerk bij het beheer
De jeugdige en/of ouders kunnen bij het beheer ondersteund worden door iemand uit hun sociale netwerk. De verantwoordelijkheid voor het beheer van het pgb blijft bij de wettelijk vertegenwoordiger.
4.3 Uitgangspunten pgb in sociaal netwerk
De ondersteuning van een familielid of van iemand uit het sociaal netwerk valt onder de eigen kracht van het gezin. Het uitgangspunt van het college is dat met een pgb geen mensen uit een sociaal netwerk worden gefinancierd, tenzij alle andere vormen van zorg in natura of pgb, onvoldoende aansluiten bij de ondersteuningsvraag van de jeugdige en/of ouders.
Jeugdigen en ouders die voor een pgb in aanmerking komen kunnen dit inzetten om ondersteuning te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. De jeugdige en/of zijn ouders aan wie een persoonsgebonden budget wordt toegekend kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociaal netwerk behoren voor begeleiding, persoonlijke verzorging of kortdurend verblijf/logeren.
De hierbij behorende tarieven hebben een max van € 20,- per uur voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging, € 25,- per dagdeel voor begeleiding groep en € 50,- per etmaal voor kortdurend verblijf.
Het pgb is geen inkomensondersteuning, maar wordt ingezet als financiering voor jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner ontoereikend zijn.
Artikel 5 Jeugdhulp na 18e levensjaar
De Jeugdwet geeft in artikel 1.1 onder de definitie ‘jeugdige’ aan dat jeugdhulp soms ook mogelijk is tot de leeftijd van 23 jaar (verlengde jeugdhulp). Dit kan voorkomen als:
wanneer de jeugdhulp wordt geboden in het kader van straffen en maatregelen of van reclasseringstoezicht (jeugdstrafrecht). De kinderrechter kan een machtiging gesloten jeugdhulp verlengen. Dit kan tot maximaal zes maanden na de 18e verjaardag. Het jeugdstafrecht wordt toegepast voor jeugdigen die op het moment van het begaan van het delict jonger zijn dan 23 jaar. Op het moment van berechting of gedurende de tenuitvoerlegging van de straf, kunnen ze echter ouder zijn dan 23 jaar. De jeugdhulp loopt in dat geval dus ook door na het 23e jaar.
In geval van een ondertoezichtstelling is het van groot belang dat de gecertificeerde instelling tijdig het college betrekt die de jongere ook na het 18e jaar kan ondersteunen in de regievoering. De gecertificeerde instelling neemt bij 16-jarige leeftijd contact op met ouders en het college om afspraken te maken over eventueel noodzakelijke vervolghulp.
5.2 Procedure Jeugdhulp na 18e levensjaar
Het college ziet erop toe dat de zorgaanbieder die de ondersteuning voor het 18e jaar levert vroegtijdig (minimaal 24 maanden voor de 18e verjaardag) een (toekomst/perspectief)plan opstelt waarin (indien nodig) de doorloop van ondersteuning na het 18e levensjaar centraal staat. Het opstellen van het (toekomst/perspectief)plan gebeurt samen met de jeugdige en/of ouders en samen met een eventuele aanbieder die na het 18e levensjaar wordt ingezet. Op het moment dat een jeugdige 17 jaar of ouder is, beschrijft de jeugdhulpaanbieder in het plan hoe en wie de volgende zaken heeft geregeld voor de jeugdige als deze de leeftijd van 18 jaar bereikt op het gebied van:
In het plan wordt bekeken of ondersteuning die na het 18e levensjaar eventueel wordt ingezet gefinancierd kan worden uit de Wmo, Zvw of Wlz. Als de zorgbehoefte van een 18-jarige jeugdige niet onder een van deze wetten valt, dan kan de verlengde jeugdhulp worden ingezet rekening houdend met de voorwaarden genoemd in punt 5.1.
Pleegzorg als vorm van verlengde jeugdhulp, zoals beschreven in de Jeugdwet, blijft mogelijk vanaf 21 jaar tot 23 jaar. Pleegkinderen kunnen tot een half jaar na hun 21e verjaardag een beroep doen op verlengde jeugdhulp. Voorwaarde is dat de jeugdige al pleegzorg ontvangt en voortzetting noodzakelijk is.
Het verblijf in een gezinshuis is standaard tot 21 jaar tenzij:
6.1 Criteria vervoersvoorziening
De criteria voor een vervoersvoorziening staan opgenomen in artikel 5b van de verordening. Uitgangspunt hierbij is dat ouder(s) primair zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt 1 keer (heen en terug) per week zelf brengen en halen (met de auto, fiets of het OV) in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden.
6.2 Passende vervoersvoorziening
Indien vervoer niet is inbegrepen bij de ingekochte zorg die wordt ingezet en als aan de criteria onder 6.1 is voldaan bepaalt het college in overleg met de ouders welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) passend is. De volgende vormen worden onderscheiden op volgorde van afweging:
6.3 Toekenning vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming
6.4 Berekening financiële tegemoetkoming
Een financiële tegemoetkoming is mogelijk voor de vervoerskosten mits voldaan wordt aan de criteria beschreven in artikel 6.1.
De tegemoetkoming van het eigen vervoer, wordt berekend met € 0,23 per km x gereden km – 6 km op basis van een enkele reis.
Artikel 7 Onderwijs en jeugdhulp
7.1 Jeugdhulp op het onderwijs
Bij het bepalen van een passend ondersteuningsaanbod moet worden vastgesteld welk domein, onderwijs of jeugdhulp (en daarmee de gemeente), primair verantwoordelijk is voor het in kaart brengen en financieren van de ondersteuningsbehoefte.
Voor de domeinen ‘onderwijs’ en ‘jeugdhulp’ is duidelijk waar de verantwoordelijkheid ligt. Voor ‘onderwijs in combinatie met jeugdhulp en ‘jeugdhulp in combinatie met onderwijs’ geldt dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid.
Mijdrecht, 2 december 2025
Burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,
de secretaris,
de burgemeester,
Bijlage 1 Samenvattend overzicht van ontwikkelings- taken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen
Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.
Bijlage 2 Afwegingskader onderwijs-jeugdhulp
Dit afwegingskader beschrijft de verantwoordelijkheden van het onderwijsveld en de gemeente op het gebied van leerlingondersteuning. In de meeste gevallen geldt de verdeling van verantwoordelijkheden tussen gemeente en onderwijs zoals beschreven. Heel soms moet worden afgeweken van deze verdeling, bijvoorbeeld wanneer er meer of juist minder problematiek speelt. In deze specifieke situaties is het belang van het kind leidend bij het verdelen van verantwoordelijkheden tussen gemeente en onderwijs.
Het afwegingskader kent drie onderdelen. Het eerste deel bevat de algemene uitgangspunten voor de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Het tweede deel gaat over jeugdigen die (grotendeels) op school zitten en daarbij extra ondersteuning nodig hebben. Het derde deel gaat over jeugdigen die (grotendeels) geen onderwijs volgen en jeugdhulp ontvangen.
Deel 1: Uitgangspunten voor samenwerking onderwijs en jeugdhulp
Er is sprake van een onderwijs-jeugdhulparrangement (OJA) wanneer de ondersteuning van een leerling verder gaat dan wat de school vanuit de onderwijsondersteuning kan bieden of wanneer er vanuit jeugdhulp onderwijs aan het jeugdhulptraject wordt toegevoegd.
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de situatie waarin onderwijs en jeugdhulp samenwerken voor de ondersteuning van een leerling of jeugdige. Dit kan zowel op school zijn, waarbij jeugdhulp op school wordt ingezet, als in gevallen waarin een kind niet naar school kan komen en de school onderwijs aanbiedt.
Voor het bepalen van de verantwoordelijkheden zijn de volgende 14 uitgangspunten bepalend:
Als een leerling niet is ingeschreven op een school, moet er vrijstelling zijn van de leerplicht (op grond van artikel 5 onder a van de Leerplichtwet). Dit geldt niet voor 4-jarige kinderen (de leerplicht begint op de 1e dag van de maand nadat een kind 5 jaar is geworden). Bij vrijstelling is er geen sprake van een onderwijs-jeugdhulptraject en ligt er geen verantwoordelijkheid voor het onderwijs.
Bij een onderwijs-jeugdhulptraject moet de school een ontwikkelingsperspectief (OPP) hebben opgesteld, waarbij de ouders akkoord zijn met het handelingsdeel van het OPP. Ouders moeten dit OPP in het kader van de medewerkingsplicht overleggen bij de aanvraag voor jeugdhulp of toestemming geven dat de school het OPP overdraagt.
Bij een combinatie van onderwijs en een zorglocatie, tijdens schooltijd, moet er op basis van de Variawet instemming zijn van de Inspectie van het Onderwijs om af te kunnen wijken van de onderwijstijd. Met behulp van de Keuzehulp onderwijstijd1 kan de school bepalen of de Variawet kan worden ingezet. Indien uit de keuzehulp blijkt dat de inzet van de Variawet mogelijk is kan worden gehandeld alsof de toestemming al is verkregen.
Deel 2: Jeugdige zit (grotendeels) op school en heeft ondersteuning nodig
In dit hoofdstuk gaat het over ondersteuning op school die verder gaat dan de basisondersteuning van de school en die niet direct onderwijs gerelateerd is.
Voordat er jeugdhulp op school kan worden ingezet moeten de volgende stappen zijn doorlopen:
De school heeft onderzoek en/of observatie laten doen door een externe deskundige met relevante expertise, bijvoorbeeld een orthopedagoog. Er is een verslag van dit onderzoek dat met toestemming van de ouders gedeeld mag worden om de inzet van jeugdhulp te kunnen beoordelen. De school heeft de acties uitgevoerd die de externe deskundige heeft geadviseerd en van de resultaten daarvan een verslag gemaakt.
Kwaliteitseisen bij jeugdhulp op school
Wanneer op school jeugdhulp op basis van de Jeugdwet wordt ingezet, moeten de kwaliteitseisen van de Jeugdwet worden nageleefd. Deze eisen zijn vastgelegd in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en artikel 5.1.1. Besluit Jeugdwet. Kort gezegd houden deze in dat de jeugdhulpaanbieder werkt met een professional met minimaal een hbo-opleiding op het gebied van jeugdhulp, die is geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of in het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg). Alleen als een professional heeft aangegeven dat een registratie voor de uit te voeren hulp niet noodzakelijk is mag hiervan worden afgeweken. Daarnaast vereist de Jeugdwet dat de aanpak bij voorkeur bewezen effectief is of wordt gedragen door de beroepsgroep.
Ook jeugdhulp op school moet aan deze eisen voldoen. De jeugdconsulent beoordeelt of aan de kwaliteitseisen is voldaan. Jeugdhulp op school valt daarom onder de regie van de gemeente.
Ondersteuning bij leerproblemen
Individuele begeleiding op school
Persoonlijke verzorging op school
Persoonlijke verzorging in minuten per week
Als een leerling niet valt onder de bovenstaande AWBZ-grondslagen, dan is de Jeugdwet van toepassing.
Deel 3: De leerling zit (grotendeels) niet meer op school: onderwijs niet op een schoollocatie
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-547486.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.