Gemeenteblad van Nijmegen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 547215 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 547215 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen,
gelet op de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen;
gelet op Hoofdstuk 2, paragraaf 1, 2 en 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
gelet op hoofdstuk 2, artikelen 2.1, 2.3 en 2.9 van de Jeugdwet;
gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;
gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind;
besluit vast te stellen de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen.
In de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp heeft de gemeenteraad de regels voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet vastgelegd. In deze beleidsregels is opgenomen hoe het college van burgemeester en wethouders deze verordening uitvoert. De beleidsregels leveren een bijdrage aan de ambities en doelen zoals opgenomen in de Wet maatschappelijke ondersteuning, Jeugdwet, het Regioprogramma Jeugd en de Nijmeegse koersdocumenten en stadsbegroting.
In deze beleidsregels gebruiken wij begrippen uitgelegd in de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp en landelijke regelgeving. Daarnaast gebruiken wij deze begrippen:
Bij het uitvoeren van de beleidsregels moet altijd oog worden gehouden voor schrijnende situaties. Bij schrijnende situaties kan worden afgeweken van de beleidsregels.
Hoofdstuk 2 Maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
In de verordening staat beschreven hoe de gemeente een hulpvraag beoordeelt. In dit hoofdstuk gaan wij nader in op verschillende specifieke situaties en onderwerpen waar een Wmo-hulpvraag voor kan bestaan. Deze situaties en onderwerpen vragen om nuancering bij de beoordeling van passende maatschappelijke ondersteuning. Ook gaan wij nader in op de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die de gemeente kan toekennen.
2.1 Nadere toelichting beoordeling maatschappelijke ondersteuning
Eigen kracht en (boven)gebruikelijke hulp in de Wmo
In het onderzoek naar een hulpvraag in het kader van de Wmo wordt als eerste de benodigde hulp en ondersteuning bepaald. Daarna wordt beoordeeld:
Het onderzoeken van bovengebruikelijke hulp betekent niet dat een vergelijking wordt gemaakt tussen de hulpbehoevende persoon en een vergelijkbaar persoon zonder hulpbehoefte. Onderzocht wordt wat voor een bepaalde persoon, gezien alle omstandigheden, boven de voor hem gebruikelijke hulp uitgaat.
Afhankelijk van de situatie zijn mensen meer of minder in staat om iets te betekenen voor een ander. Het is maatwerk in hoeverre mantelzorg en steun vanuit het sociaal netwerk, bovenop gebruikelijke hulp, meeweegt in het besluit om al dan niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Na de beoordeling van gebruikelijke hulp, wordt met de cliënt en het netwerk besproken wat zij voor elkaar kunnen betekenen en in hoeverre aanvullende ondersteuning nodig is, bijvoorbeeld om de mantelzorger te ontlasten.
Bovengebruikelijke hulp wordt alleen gecompenseerd als hierom wordt gevraagd, Dit betekent niet dat alle bovengebruikelijk hulp wordt gecompenseerd met een maatwerkvoorziening. Dit moet per situatie worden beoordeeld. Concretisering en motivering zijn dan ook noodzakelijk.
In bijlage 1 staat beschreven wat in de Wmo onder gebruikelijke hulp wordt verstaan.
Uitwonende kinderen of ouders als onderdeel van het sociaal netwerk
Uitwonende kinderen of ouders zijn geen huisgenoten en daarom zijn zij in juridische zin ook niet verplicht tot het bieden van gebruikelijke hulp. Er mag echter wel een redelijke verwachting zijn dat zij vanuit hun sociale relatie zijn betrokken bij de cliënt. Dit kan bijvoorbeeld betekenen:
Uitwonende kinderen of ouders kunnen niet door de gemeente worden verplicht ondersteuning te bieden aan de cliënt.
Respijtzorg is een overkoepelende term voor verschillende vormen van ondersteuning die mantelzorgers van volwassenen (tijdelijk) ontlasten. Hiermee kunnen zij bij (dreigende) overbelasting in staat worden gesteld hun rol als mantelzorger te blijven vervullen. Degene die de mantelzorg ontvangt is vaak een volwassene met een verstandelijke, psychiatrische, NAH- of lichamelijke beperking. Als deze persoon niet voldoende eigen kracht heeft om de hulp zelf, met ondersteuning van het sociaal netwerk of andere voorzieningen, te organiseren, kan een maatwerkvoorziening verkregen worden (art. 8 lid 5 verordening) om de mantelzorger te ontlasten.
De ondersteuning kan gericht zijn op de mantelzorger en/of op degene die de mantelzorg ontvangt.
2.2 Soorten maatwerkvoorzieningen
De gemeente kan verschillende maatwerkvoorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning toekennen. Op hoofdlijnen gaat het om deze categorieën:
De categorieën bestaan veelal uit meerdere diensten of producten. Meer informatie over de maatwerkvoorzieningen is te vinden via de Vraaghulp-website (www.vraaghulpnijmegen.nl).
Sommige voorzieningen worden lokaal door de gemeente georganiseerd. Andere voorzieningen worden samen met andere gemeenten georganiseerd. De essentiële functies voor zintuigelijk gehandicapten worden landelijk door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten georganiseerd.
Voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen geldt dat de gemeente Nijmegen op grond van de wet als centrumgemeente verantwoordelijk is voor het organiseren van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de regio Gelderland-Zuid (Rijk van Nijmegen en Rivierenland). De gemeente Nijmegen koopt beschermd wonen en maatschappelijke opvang in en draagt zorg voor de toegang voor de cliënten van de regiogemeenten. Hierbij is het uitgangspunt dat alle samenwerkende gemeenten, dus niet alleen de centrumgemeente Nijmegen, de verantwoordelijkheid dragen en met elkaar samenwerken.
Maatschappelijke opvang bestaat niet alleen als maatwerkvoorziening, maar ook als algemene voorziening. De eerste opvang en bemoeizorg zijn algemene voorzieningen. Alle vormen van voltijdopvang, de crisisopvang, vrouwenopvang en begeleidingstrajecten tijdens (bijv. budgetbeheer) of na de opvang (bijv. woonbegeleiding) zijn maatwerkvoorzieningen. De algemene voorzieningen zijn in principe toegankelijk voor elke persoon met (dreigende) dak- of thuisloosheid die onvoldoende zelfredzaam is. Mensen die opvang nodig hebben kunnen zich melden bij de aanbieder van opvang.
Het uitgangspunt van de Wmo is dat inwoners normaal en zelfstandig gebruik kunnen maken van de woning waar zij hun hoofdverblijf hebben. Als uit het onderzoek blijkt dat er geen voorliggende mogelijkheden zijn, kan de gemeente een woningaanpassing als maatwerkvoorziening verstrekken. Hieronder lichten wij nader toe hoe de gemeente afwegingen maakt bij specifieke situaties rondom woningaanpassingen.
Verhuizen in plaats van aanpassen
Bij woningaanpassingen boven een bedrag van € 8.000,- wordt onderzocht of een verhuizing naar een meer passende woning een doelmatige oplossing kan zijn. Alleen als verhuizen geen reële mogelijkheid is, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt (artikel 10, lid 2e Verordening). In deze afweging spelen onder meer de volgende aspecten een rol:
Een woningaanpassing kan worden geweigerd (artikel 10, lid 1h en lid 2e Verordening) als de cliënt bij de verhuizing naar zijn woning in redelijkheid had kunnen voorzien dat beperkingen in de woning zouden ontstaan. In deze beoordeling wordt altijd gekeken naar de concrete omstandigheden van de cliënt.
Onder algemeen gebruikelijke voorzieningen valt ook onderhoud en vervanging van bijvoorbeeld een badkamer of keuken. Kosten die hierbij naar maatschappelijke opvattingen gebruikelijk zijn, worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Bij woningaanpassingen wordt daarom rekening gehouden met de leeftijd en staat van bijvoorbeeld de badkamer of keuken. Als dat waarvoor een woningaanpassing wordt gevraagd afgeschreven is, ligt renovatie voor de hand en geen vergoeding vanuit de Wmo.
De gemeente gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van mensen voor het hebben van een woning. Dit geldt ook voor het wonen nabij de mantelzorger. Daarbij is het uitgangspunt dat de huisvestingskosten (huur of hypotheek, energie, etc.) die de verzorgde(n) had(den) vóór de verhuizing naar de mantelzorgwoning, besteed kunnen worden aan de kosten voor de mantelzorgwoning.
Tegemoetkoming logeerbaar maken woning
In bijzondere situaties kan de gemeente een eenmalige tegemoetkoming verstrekken voor het logeerbaar maken van één woonruimte (artikel 24, lid 3 verordening). Dit kan alleen wanneer:
Hulpmiddelen kunnen vanuit verschillende wetgevingen worden verstrekt: de Wmo, de Wet langdurige zorg (met een Wlz-indicatie) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een hulpmiddel tijdelijk nodig is vanwege een operatie, blessure of ziekte. In bijlage 3 van deze beleidsregels is een afwegingskader opgenomen voor inzet van hulpmiddelen vanuit de Wmo.
De gemeente kan op basis van het onderzoek een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden toekennen. In bijlage 2 wordt door middel van het indicatieprotocol beschreven hoe de indicatiestelling verder tot stand komt.
2.6 Landelijke toegankelijkheid beschermd wonen en maatschappelijke opvang
In de Wmo is bepaald dat cliënten zich in alle gemeenten in Nederland kunnen melden als zij toegang willen tot beschermd wonen intramuraal of de maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang. Cliënten moeten daarbij de mogelijkheid krijgen om hun eigen woonplaats te kiezen.
De gemeente beoordeelt meldingen voor beschermd wonen intramuraal volgens de ''Handreiking landelijke toegang beschermd wonen”. Deze handreiking bevat model-beleidsregels om te bepalen waar een cliënt het meest aangewezen is op beschermd wonen. De handreiking is niet van toepassing op de maatwerkvoorzieningen beschermd thuis of trainingshuis.
De gemeente beoordeelt meldingen voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang volgens de ''Handreiking landelijke toegang maatschappelijke opvang''. Om te bepalen in welke regio/gemeente de kans op een succesvol traject voor de cliënt het grootst is, wordt gekeken naar het volgende:
Woonplaatsbeginsel: als eerste wordt gekeken wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid. De woonplaats is de gemeente waarvan de cliënt ingezetene is of was volgens de Wet basisregistratie personen (BRP). Kan de woonplaats op grond van de BRP niet worden vastgesteld, wordt de plaats van het werkelijke verblijf van de cliënt op het moment van de melding gehanteerd als ‘woonplaats’. Dit kan ook de plaats zijn waar de cliënt eerder gebruikt heeft gemaakt van ondersteuning.
Als kan worden vastgesteld wat de woonplaats was van de cliënt vóór het ontstaan van dakloosheid, wordt de uitvoering van het onderzoek overgedragen aan deze gemeente van herkomst (of het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort). Tot aan het moment van daadwerkelijke overdracht van de cliënt blijft de gemeente maatschappelijke opvang bieden, dan wel blijft de gemeente andere maatregelen treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang;
Als blijkt dat een traject in een andere gemeente of regio waarschijnlijk de grootste kans van slagen heeft, betrekt de gemeente deze gemeente of regio bij het onderzoek. Vervolgens maken de gemeentenen de cliënt concrete afspraken over de datum van overdracht, welke aanbieder de cliënt maatschappelijke opvang of andere ondersteuning zal bieden, hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt. Indien de cliënt weigert mee te werken aan de overdracht, kan de gemeente overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang.
Bij verschil van mening tussen de gemeenten over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de cliënt, spant de gemeente zich maximaal in om tot een oplossing te komen. Indien de gemeente én de andere gemeente of regio niet tot een oplossing komen, kan de gemeente het geschil voorleggen aan de Commissie Geschillen Landelijke Toegankelijkheid. In afwachting van het oordeel van de commissie blijft de gemeente een voorziening maatschappelijke opvang bieden, dan wel op andere wijze voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang. De gemeente volgt in het geschil het oordeel van de commissie.
De gemeente hanteert de volgende definitie voor beschermd wonen: een vorm van ondersteuning met onplanbare zorg voor cliënten die als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening en/of cliënten die vanwege een licht verstandelijke beperking niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en 24-uurs toezicht, bereikbaarheid, beschikbaarheid en intensieve ondersteuning nodig hebben in verband met risico op (zelf)verwaarlozing of overlast. Voor beide groepen geldt dat sprake moet zijn van een vastgestelde psychiatrische of lvb diagnose van een specialist op het gebied van geestelijke gezondheidszorg (ggz) of lvb (IQ tussen 50 en 85). Er kunnen meerdere diagnoses tegelijkertijd bestaan met daarnaast verslavingsproblematiek, een verstandelijke beperking en/of lichamelijke klachten.
Toelatingscriteria Beschermd Wonen
De Toegang Beschermd Wonen (TBW) van de GGD adviseert de gemeente over een maatwerkvoorziening beschermd wonen en stelt vast of de cliënt tot de doelgroep behoort waarvoor de maatwerkvoorziening beschermd wonen is. Dit vindt plaats op basis van de volgende criteria:
Er is sprake van vastgestelde psychiatrische problematiek of de cliënt heeft een IQ tussen 50 en 85. Psychiatrische problematiek of lvb is vastgesteld door een specialist ggz of lvb.* Daarbij kan sprake zijn van verstandelijke, lichamelijke, of zintuiglijke problematiek, maar de psychiatrische- of lvb problemen staan op de voorgrond;
*Hiermee wordt één van deze beroepen bedoeld: psychiater, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, psychotherapeut, specialist ouderengeneeskunde, verslavingsarts in profielregister KNMG, klinisch geriater, verpleegkundig specialist ggz, gz-psycholoog, sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, orthopedagoog.
Een maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt voor de duur van maximaal drie jaar (zorg in natura) dan wel twee jaar (pgb) verstrekt. Dit om sturing te geven aan het structureel begeleiden van cliënten in beschermd wonen en daar waar het kan cliënten daadwerkelijk de kans te geven door te stromen.
Zoals ook voor andere Wmo-maatwerkvoorzieningen geldt, krijgt een cliënt geen maatwerkvoorziening voor vervoer als er een voorliggende voorziening bestaat waarmee in de behoefte aan vervoer kan worden voorzien. Dit betekent dat de cliënt onder andere in de volgende situaties niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening:
Soms kan een cliënt (nog) niet zelfstandig kan reizen. Er wordt dan beoordeeld of de cliënt kan leren om zelfstandig of met behulp van iemand uit zijn sociaal netwerk, een vrijwilliger of maatje te reizen. Bijvoorbeeld door te leren met het openbaar vervoer of de fiets te reizen. Er wordt ook dan niet gecompenseerd voor eigen kracht (waaronder gebruikelijke hulp) of algemeen gebruikelijke voorzieningen.
Als een cliënt in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening, wordt beoordeeld welke van de volgende voorzieningen de goedkoopst passende voorziening is:
Voor elk van deze voorzieningen gelden een aantal voorwaarden.
Nadere regels maatwerkvoorziening vervoer door de aanbieder
De maatwerkvoorziening vervoer door de aanbieder, kan alleen worden toegekend in combinatie met een van de volgende maatwerkvoorzieningen: dagbesteding (Wmo & Jeugdwet), kortdurend verblijf/logeeropvang (Wmo & Jeugdwet), dagbehandeling (Jeugdwet) of BSO+ (Jeugdwet).
Een cliënt die Wmo-vervoer krijgt toegekend, krijgt een vervoerspas. Hierbij geldt een aantal voorwaarden:
Sommige cliënten kunnen in aanmerking komen voor een aanvullende indicatie:
Als de cliënt aan het maximaal aantal kilometers zit, kan nog steeds gereisd worden met Avan tegen het reguliere tarief. Een actueel overzicht van ritprijzen, tarieven en het vervoerreglement is te vinden op de website: www.avan-vervoer.nl/wat-kost-het.
Nadere regels persoonsgebonden budget (pgb) voor vervoer per eigen auto, taxi of rolstoeltaxi
Voor de bepaling van de hoogte van het budget worden de volgende maximale normen gehanteerd:
Echtparen: wanneer echtgenoten beiden op grond van beperkingen vanwege ziekte of gebrek een individuele vervoersvoorziening behoeven, kan als de behoeften van de echtgenoten samenvallen, volstaan worden met een enkele voorziening. Vallen de behoeften niet samen of slechts ten dele, wordt niet meer dan 1,5 maal het normbedrag verstrekt;
Wlz-bewoners: bewoners van een Wlz-instelling met een vervoersbehoefte ontvangen in de regel 60% van het normbedrag als forfaitaire vergoeding. Indien het merendeel van de contacten buiten de Wlz-instelling ligt, kan een hogere vergoeding tot 100% van het normbedrag worden verstrekt. In Bijlage 3 is een afwegingskader opgenomen om te komen tot de juiste inzet.
Nadere regels aanpassing eigen auto
In de verordening staat beschreven hoe de gemeente een hulpvraag beoordeelt. In dit hoofdstuk gaan wij nader in op verschillende specifieke situaties en onderwerpen waar een hulpvraag voor kan bestaan in het kader van de Jeugdwet. Deze situaties en onderwerpen vragen om nuancering bij de beoordeling van passende jeugdhulp. Ook gaan wij nader in op de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die de gemeente kan toekennen.
3.1 Nadere toelichting beoordeling jeugdhulp
Respijtzorg in het kader van de Jeugdwet
Respijtzorg in relatie tot jeugdwet is een overkoepelende term voor verschillende vormen van ondersteuning om ouders (tijdelijk) te ontlasten. Op deze manier kunnen zij bij (dreigende) overbelasting in staat worden gesteld hun rol als ouder te blijven vervullen. Het gaat om ouders van jeugdigen die langdurig bovengebruikelijke hulp nodig hebben. Veelal gaat het om jeugdigen:
Als de ouders niet over voldoende eigen kracht beschikken om de hulp zelf of met ondersteuning van het sociaal netwerk of andere voorzieningen te bieden, kan er aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening (artikel 8, lid 5 verordening). De maatwerkvoorziening kan gericht zijn op de jeugdige of de ouder.
Het uitgangspunt is dat ondersteuning die primair gericht is op onderwijs en het leerproces valt onder de Wet passend onderwijs. Ondersteuning die niet primair gericht is op onderwijs, maar op bijvoorbeeld persoonlijke verzorging, valt wel onder de Jeugdwet.
Huiswerkbegeleiding wordt nooit vergoed vanuit de Jeugdwet. Dit is namelijk de verantwoordelijkheid van ouders en school. Als begeleiding bij planning en structureren van huiswerk primair gericht is op het doorlopen van het onderwijsprogramma, valt de ondersteuning onder de zorgplicht van de Wet passend onderwijs en niet onder de Jeugdwet.
Stage en voorbereiding naar werk
Zolang een jeugdige leerplichtig en nog niet kwalificatieplichtig is, moet hij ingeschreven staan bij een school. Die school is dan verantwoordelijk voor passend onderwijs. Onder deze zorgplicht valt ook de (extra) begeleiding die de leerling tijdens de stage nodig heeft, terwijl hij staat ingeschreven bij een school.
De zorgplicht van school geldt ook voor een leerling die speciaal onderwijs volgt met een uitstroomprofiel dagbesteding. Als deze leerling een stage wil lopen, moeten deze kosten ook door de school worden betaald.
Ondersteuning bij het krijgen van werk wordt evenmin vanuit de Jeugdwet geregeld. Deze ondersteuning kan mogelijk geboden worden op grond van de Participatiewet.
Het enkele motiveren van jeugdigen voor school of werk, valt niet onder de Jeugdwet.
3.2 Soorten maatwerkvoorziening
De gemeente kan verschillende maatwerkvoorzieningen op het gebied van jeugdhulp toekennen. Deze maatwerkvoorzieningen worden veelal samen met andere gemeenten georganiseerd. Op hoofdlijnen gaat het om deze categorieën van maatwerkvoorzieningen:
De categorieën bestaan veelal uit meerdere producten. Meer informatie over de maatwerkvoorzieningen is te vinden via de Vraaghulp website (www.vraaghulpnijmegen.nl).
Zorg Binnen Onderwijs (ZBO) kan worden ingezet onder de maatwerkvoorziening 'reguliere begeleiding', maar bestaat ook als algemene voorziening. Voor verschillende scholen is afgesproken dat een aanbieder of de Buurtteams Jeugd en Gezin, als algemene voorziening, de ZBO voor jeugdigen op die school verzorgen. Voor zover de ZBO binnen deze afspraken valt, wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt voor ZBO.
Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget (pgb)
Een pgb kan een geschikt instrument zijn voor een cliënt om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Het is een vorm die passend is voor cliënten die zelf en/of met behulp van een vertegenwoordiger de regie over hun leven kunnen voeren. Wanneer recht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp bestaat, kunnen cliënten onder voorwaarden voor een pgb in plaats van zorg in natura kiezen. Criteria voor het verstrekken van een pgb zijn onder andere opgenomen in de artikelen 14 tot en met 20 van de Verordening. In dit hoofdstuk een nadere uitwerking hoe deze criteria worden getoetst.
4.1 Beoordeling en controle pgb-voorwaarden
Een cliënt, bij toepassing van de Jeugdwet ouder, kan tijdens het onderzoek naar een maatwerkvoorziening (hoofdstuk 2 van de verordening) aangeven dat hij een pgb wil. De gemeente kan de cliënt dan vragen een pgb-plan in te vullen of een offerte te overleggen. Op basis hiervan en/of een gesprek wordt tijdens het onderzoek getoetst of de cliënt in redelijkheid aan de pgb-voorwaarden voldoet. De bekwaamheid en vaardigheden tot regie van de cliënt worden getoetst. Daarnaast wordt getoetst of de door de cliënt voorgestelde invulling van voldoende kwaliteit is en tot de beoogde resultaten van de maatwerkvoorziening leidt. Bij toepassing van de Jeugdwet wordt ook getoetst of voldoende is gemotiveerd waarom zorg in natura niet passend is.
De toetsing van de pgb-voorwaarden tijdens het onderzoek kan minder of meer uitgebreid plaatsvinden, afhankelijk van de omstandigheden, de voorziening en resultaten waarvoor de cliënt een pgb wil. Het is altijd een individuele weging en vereist daarom maatwerk.
Ook tijdens de looptijd van het pgb controleert de gemeente of aan de pgb-voorwaarden wordt voldaan.
De gemeente kan via een steekproef bij de budgethouder, huisbezoek of administratieve controle toetsen of het pgb besteed is aan het doel waarvoor het is verstrekt (rechtmatigheid). Ook een onderzoek bij de aanbieder die uit het pgb is betaald, behoort tot de mogelijkheden. Bij het evalueren van de voortgang op de resultaten, bespreekt de gemeente de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de budgethouder (doelmatigheid). Bij beschermd wonen vindt deze evaluatie minstens één keer per jaar plaats. In een steekproef kunnen daarnaast jaarlijks een aantal dossiers worden onderworpen aan een intensieve controle.
Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het pgb wordt geconstateerd, kan de gemeente besluiten om voorwaarden te stellen aan de voortzetting van het pgb of het verstrekken van het pgb heroverwegen en beëindigen. Bij signalen van fraude kan de gemeente besluiten het pgb terug te vorderen.
De budgethouder moet meewerken aan onderzoek en controles en alle gevraagde stukken indienen bij de gemeente. Het niet of niet volledig indienen van gevraagde stukken kan leiden tot volledige of gedeeltelijke terugvordering van het pgb.
4.2 Nadere toelichting pgb-plan
De gemeente kan de cliënt vragen een pgb-plan in te vullen. Het invullen van dit plan stimuleert de cliënt na te denken over invulling van het pgb, deze uit te werken en te concretiseren. In het pgb-plan kan onder andere worden gevraagd:
4.3 Nadere toelichting motivatie
De cliënt wordt gevraagd zijn keuze voor een pgb te motiveren. Het is daarbij altijd belangrijk dat de keuze voor een pgb een keuze is. Ook is het belangrijk dat het de keuze van de cliënt is en niet die van de in te huren persoon uit het sociaal netwerk of pgb-aanbieder.
Aanvullend is het bij toepassing van de Jeugdwet belangrijk dat is gemotiveerd dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is. Daarmee moet duidelijk worden dat de ouder zich voldoende heeft georiënteerd op maatwerkvoorzieningen in natura. Wanneer de motivatie is beargumenteerd, mag de gemeente de aanvraag niet weigeren. Er zijn enkele concrete voorbeelden te noemen die de ouder kan aanvoeren om te motiveren dat zorg in natura niet passend is.
4.4 Nadere toelichting op beoordeling bekwaamheid
De budgethouder is zowel opdrachtgever/werkgever als ontvanger van ondersteuning. De budgethouder moet daarom op verschillende terreinen over een aantal vaardigheden en kwaliteiten beschikken wil sprake zijn van adequate zelfregie en voldoende bekwaamheid. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft een 'infographic met 10 punten pgb-vaardigheid1' gepubliceerd. De gemeente sluit hierbij aan, wat betekent dat de volgende punten worden beoordeeld:
het coördineren van inzet waardoor de ondersteuning door kan gaan, ook bij verlof en ziekte.
4.5 Nadere toelichting beoordeling kwaliteit
Een budgethouder is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg die hij inkoopt. De budgethouder is hiermee opdrachtgever/werkgever voor de door hem ingehuurde ondersteuning. De kwaliteit van de zorg die ingezet wordt met een pgb moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als dienstverlening in zorg in natura. In bijlage 2 van de verordening is een overzicht opgenomen van de kwaliteitseisen gesteld aan pgb-aanbieders.
Degene die de aanvraag in behandeling heeft, beoordeelt of de kwaliteit voldoende geborgd is en of de ingekochte hulp veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Hierbij weegt mee of de diensten, hulpmiddelen en andere maatregelen geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.
4.6 Nadere uitwerking weigeringsgronden pgb
In artikel 19 van de Verordening staan weigeringsgronden voor pgb geformuleerd. Voor bepaalde resultaten, omstandigheden of maatwerkvoorzieningen is pgb een minder passende verstrekkingsvorm. Voor andere resultaten, omstandigheden of maatwerkvoorzieningen is verder onwaarschijnlijk dat met de inzet van een zzp'er of informele ondersteuners aan de pgb-voorwaarden kan worden voldaan. In deze paragraaf worden een aantal voorbeelden beschreven.
Hulp gericht op vaardigheden die noodzakelijk worden geacht voor pgb-bekwaamheid (4.4)
Als de hulp is gericht op het verminderen van afhankelijkheid van hulp, ofwel het toewerken naar zelfredzaamheid, is een pgb minder passend. Voor een pgb is het immers van belang zelfstandig te kunnen handelen.
Een pgb is een ook minder passende verstrekkingsvorm voor cliënten die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen. Dit vanwege het belang om zelfstandig te kunnen communiceren met instanties (zoals de gemeente en Sociale Verzekeringsbank), informatie te kunnen opzoeken rondom rechten en plichten rondom het pgb en/of werkgever-/opdrachtgeverschap en het begrijpen van formulieren zoals de zorgovereenkomst.
Een pgb is ook minder passend als de maatwerkvoorziening wordt ingezet om overbelasting te voorkomen of verminderen. Een pgb geeft immers ook een bepaalde belasting.
Jeugdhulp gericht op (de interactie met) de ouder (4.4)
Het belang van de cliënt centraal zetten’ betekent voor een pgb bij jeugdhulp dat de ouder het belang van de jeugdige centraal zet en vooropstelt. Dit betekent ook dat het belang van de ouder niet mag botsen met het belang van de jeugdige. Bij jeugdhulp die (ook) gericht is op de interactie met de ouder, is hier sprake van. Denk hierbij aan hulp gericht op het doorbreken van interactie-/systeemproblematiek of hulp gericht op opvoedvaardigheden. Datgene dat in het belang is van het kind, is niet per definitie in het belang van de ouder. Het vooropstellen van het belang van het kind is niet geborgd en een goede beoordeling van de kwaliteit van hulp ook niet. Dit maakt PGB in veel situaties geen passende verstrekkingsvorm voor de maatwerkvoorzieningen orthopedagogische behandeling, specialistische GGZ en specialistische Jeugdhulp.
Jeugdhulp die om meerdere deelnemers en/of professionals en/of een locatie vraagt
In de kwaliteitseisen gesteld aan verschillende maatwerkvoorzieningen is bepaald dat er sprake moet zijn van een minimale- en/of maximale groepsgrootte. De groepsgrootte is nodig om het noodzakelijke geachte pedagogische klimaat en het van elkaar leren (in de interactie) te realiseren en daarmee de effectiviteit van de hulp te borgen.
Voor deze groepsvoorzieningen geldt bovendien dat er minimaal 2 hulpverleners, met vaak ook verschillende deskundigheden, bij de groep betrokken moeten zijn. Niet alleen om de kwaliteit van de hulp, maar ook de veiligheid van de jeugdigen te borgen.
Ook moeten er rondom deze groepsvoorzieningen allerlei randvoorwaarden worden georganiseerd. Zo vraagt de doelgroep om beschikbaarheid van specialistische expertise (bijv. gedragswetenschapper) bij de aanbieder, moet er een duurzame samenwerkingsrelatie tussen de hulpverleners/het team bestaan en is er een vaste locatie nodig.
Deze kwaliteitseisen maken het zeer onwaarschijnlijk dat deze maatwerkvoorzieningen kunnen worden ingekocht bij een informele ondersteuner of zzp’er. Voorbeelden van dit soort maatwerkvoorzieningen zijn: onderwijstoeleidende dagbesteding, dagbehandeling, BSO+, logeeropvang en jeugdhulp met verblijf.
Beschermd wonen intramuraal, beschermd thuis en trainingshuis
Veilige hulp betekent ook voldoen aan de wettelijke eisen, zoals de Arbeidstijdenwet en Arbowet (kwaliteitseis 5 pgb-aanbieders, bijlage 2 verordening). Dit betekent bijvoorbeeld dat een medewerker niet langer dan 12 uur aaneengesloten en/of meer dan 60 uur per week mag werken. Naleving hiervan is belangrijk om overbelasting van medewerkers te voorkomen.
Bij de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen intramuraal, beschermd thuis en trainingshuis moet de aanbieder 24/7 geplande en ongeplande ondersteuning kunnen bieden. Het organiseren van deze beschikbaarheid en bereikbaarheid vraagt om minimaal drie medewerkers. Deze maatwerkvoorzieningen kunnen zodoende niet worden ingekocht bij een enkele zzp'er of informele ondersteuner.
Voor beschermd wonen intramuraal en trainingshuis geldt aanvullend dat er ook groepsactiviteiten moeten worden geboden. Het is zeer onwaarschijnlijk dat een informele ondersteuner voor meerdere cliënten voldoet aan de pgb-voorwaarden. Dit is in de afgelopen jaren ook niet voorgekomen. Daarom kunnen deze maatwerkvoorzieningen niet worden ingekocht bij een informele ondersteuner.
Een aantal zorgvormen (de zogenaamde ‘essentiële functies’) stellen dusdanig veel eisen aan zorgaanbieders dat de beschikbaarheid ervan alleen kan worden gerealiseerd door deze zorg bovenregionaal/landelijk te contracteren. Het gaat hierbij veelal om hoogspecialistische zorg die een kapitaal- en kennisintensieve infrastructuur vraagt die niet eenvoudig kan worden opgezet. Organisaties die deze specialistische zorg bieden, hebben deze expertise vaak over langere tijd opgebouwd. Ook gaat het (in ieder geval bij de bovenregionale ingekochte essentiële functies) om zorg die uitsluitend door samenwerkingsverbanden van organisaties kan worden geboden. Het gaat namelijk niet alleen om het bieden van zorg, maar ook om het meelopen met/ondersteunen van andere organisaties in het bieden van die zorg. Het vraagt veel randvoorwaarden om een dergelijke samenwerking te realiseren. Dit aanbod bestaat daarom ook niet binnen pgb. Er is langjarige financiering én een institutionele regisseur om op de samenwerking te sturen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 december 2025,
De Gemeentesecretaris,
A.P.W. van de Klift
De Burgemeester,
H.M.F. Bruls
Bijlage 1: Protocol gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning
In deze bijlage wordt nader uitgelegd wat de gemeente verstaat onder gebruikelijke hulp in het onderzoek van maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In elk individueel geval past een deskundige de richtlijnen zoals opgenomen in dit document toe afgestemd op de individuele situatie.
Criteria voor gebruikelijke hulp
Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen:
‘Gebruikelijke hulp’ geldt niet of minder als uit objectief onderzoek blijkt dat huisgenoten niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege:
Verwachting naar leeftijd en rol van de huisgenoot
In de gebruikelijke hulp die wordt verwacht van huisgenoten wordt onderscheid gemaakt tussen kinderen en volwassen huisgenoten. De hulp die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Daarbij geldt:
Het voeren van een eenpersoonshuishouden betekent huishoudelijke taken (zoals schoonmaken, koken en boodschappen doen) en financiële taken (zoals het betalen rekeningen en doen van administratie) uitvoeren en regie voeren op het dagelijks leven. Het voeren van een meerpersoonshuishouden betekent daarnaast ook organiseren dat leden van het huishouden voor elkaar zorgen.
Ook het ondersteunen van de cliënt bij ‘het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer’ (bijvoorbeeld het bezoeken van familie, vrienden of huisarts) en maatschappelijke participatie (zoals deelnemen aan activiteiten of samen naar de film gaan) is gebruikelijke hulp. Dit geldt ook voor het een paar per maand vervoeren hier naartoe. Tot slot is een ander (familie/vrienden/sportcoach) aanleren om met de cliënt om te gaan ook gebruikelijke hulp.
Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke
hulp niet in de weg. Fysieke afwezigheid van een huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Van iedere volwassene wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeid gerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de huisgenoot de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij wel thuis is. Dit is anders bij langdurige fysieke afwezigheid in verband met werkzaamheden (zie uitzonderingen).
Uitzonderingen bij factoren huisgenoten
Gebruikelijke hulp wordt niet verwacht in de volgende situaties.
Langdurige fysieke afwezigheid
Er is sprake van langdurige fysieke afwezigheid door werk. In dergelijke situaties is het niet redelijk te verlangen dat de huisgenoot van baan verandert. De afwezigheid moet verplicht zijn en horen bij het werk (bijvoorbeeld als internationaal vrachtwagenchauffeur en bij defensie). We spreken van langdurige afwezigheid als de afwezigheid minimaal 7 dagen achter elkaar is.
Beperking of beperkte leerbaarheid
Huisgenoten zijn aantoonbaar niet in staat tot het bieden van gebruikelijke hulp door beperking, ouderdom of beperkte leerbaarheid. Als een huisgenoot 75 jaar of ouder is, wordt niet verwacht dat deze zware huishoudelijke taken overneemt of nieuwe taken aanleert.
Als (dreigende) overbelasting van de huisgenoot is vastgesteld, kan tijdelijk een maatwerkvoorziening worden ingezet. Bij de beoordeling van dreigende overbelasting wordt ook rekening gehouden met de mantelzorg die de huisgenoot biedt. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk, gebruikelijke hulp en andere activiteiten, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan de indicatie voor de maatwerkvoorziening van korte duur zijn om de huisgenoten de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan te passen of oorzaken van overbelasting te verminderen.
De cliënt of een huisgenoot bevindt zich in de terminale levensfase en kan daardoor de gebruikelijke hulp niet uitvoeren.
Uitzonderingen bij bijzondere typen leefsituaties
Bij een aantal leefsituaties zien wij personen die een huis delen niet (volledig) als onderdeel van de leefeenheid of als huisgenoten.
Als een cliënt een kamer verhuurt aan een huurder op basis van een huurcontract, wordt deze huurder niet tot de leefeenheid gerekend. De huurder wordt niet beschouwd als een huisgenoot die gebruikelijke hulp moet bieden. Ook wordt de huurder in staat geacht de gehuurde ruimte(n) schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten. In de berekening van de omvang van hulp bij het huishouden wordt het schoonmaken van gehuurde ruimte(n) dus niet meegerekend
Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in een huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden: de cliënt vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten en zodoende is er ook geen sprake van gebruikelijke hulp. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon-/slaapkamer en worden de overige ruimten in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt.
In de berekening van de omvang van hulp bij het huishouden wordt het schoonmaken van de eigen woonruimte(n) en slechts een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend.
Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt hiermee een leefeenheid. Met andere woorden: cliënt vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze- of spirituele inhoud. Een voorbeeld hiervan zijn kloostergemeenschappen waarbij sprake is van een leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. Er is geen sprake van gebruikelijke hulp.
In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer en voor een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten die vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw. Bibliotheken, gebedsruimten etc. vallen buiten het niveau van de sociale woningbouw en behoren daardoor tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.
Bijlage 2: indicatieprotocol hulp bij het huishouden
1. Normering huishoudelijke taken
Voor de hulp bij het huishouden zijn normtijden ontwikkeld waarin voor elke huishoudelijke taak een bepaald maximaal aantal minuten staat per week. Om tot een juiste normering te komen wordt er maatwerk toegepast. Van de maximale normtijden mag afgeweken worden mits dit wordt gemotiveerd.
1.1 Jurisprudentie en normtijden
Veel gemeenten hanteren in hun gemeentelijke beleid standaard normtijden waarbij rekening gehouden wordt met verschillende types huishoudens: bijvoorbeeld eenpersoonshuishoudens in een seniorenwoning of flat, eenpersoonshuishoudens in een eengezinswoning en meerpersoonshuishouden.
Uit jurisprudentie blijkt dat het gebruik van standaard normtijden niet zonder meer gehanteerd kan worden omdat altijd een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden waarbij persoonlijke kenmerken worden meegenomen.
De volgende uitgangspunten gelden bij normtijden:
Per huishoudelijke taak geldt onderstaande maximale normtijd (per week).
Boodschappen voor het dagelijkse leven doen
Maximale normtijd: 60 minuten per week
Maximale normtijd: 15 minuten per keer, maximaal 2x per dag
Maximale normtijd voor opwarmen: 15 minuten per dag
Maximale normtijd voor koken: 30 minuten per dag
Voorbeelden uitzonderingssituaties:
Maximale normtijd voor eenpersoonshuishouden: 60 minuten
Maximale normtijd voor meerpersoonshuishouden: 90 minuten
Maximale normtijd voor eenpersoonshuishouden, maximaal 2 kamers: 90 minuten
Maximale normtijd voor eenpersoonshuishouden, 3 of meer kamers:180 minuten
Maximale normtijd voor meerpersoonshuishouden: 180 minuten
Maximale normtijd voor eenpersoonshuishouden: 60 minuten
Maximale normtijd voor meerpersoonshuishouden: 90 minuten
Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen
Het gaat hierbij om een ouder die ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging en/of opvang van gezonde kinderen uit te voeren. Denk daarbij aan de persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten.
Dagelijkse organisatie van het huishouden
Advies, instructie en voorlichting (gericht op het huishouden)
Normtijd 30 minuten per activiteit, maximaal 90 minuten per week. Dit komt bovenop de normtijd die geldt voor het overnemen van de activiteit
Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet-uitstelbaar
Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. Het verzorgen van –overigens gezonde- kinderen valt ook onder de Hulp bij het huishouden.
Bijdrage van kinderen aan het huishouden
In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.
De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.
Bijlage 3: Overzicht Wmo/Wlz/Zvw hulpmiddelen, vervoer en woonvoorzieningen
In aanvulling hierop: sociaal vervoer= algemene vervoersvoorziening (bijv. busje) om sociale contacten te onderhouden, zowel binnen (Wmo) als buiten de regio (Valys).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-547215.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.