Gemeenteblad van Nijmegen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 547168 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 547168 | beleidsregel |
Beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Nijmegen 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen,
Gelet op de bepalingen van artikel 18, 19a, 20, 22a, 23, 27, 31 lid 2 onder j en m, 33 lid 1 en 4, 34 lid 2 en 3, 41 lid 4 en 11, 43, 43a, 44 lid 5, 45 lid 1, 48 lid 2 en 3, 50, 53a, 62 en 78ff lid 1 van de Participatiewet,
Vast te stellen de beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Nijmegen 2026
Artikel 43 van de Participatiewet geeft bepalingen omtrent het vaststellen van het recht op bijstand op aanvraag. Als aanvulling op deze bepalingen hanteert het college de volgende regels.
Ambtshalve vaststelling op een aanvraag
In bijzondere gevallen kan het recht op bijstand ambtshalve worden vastgesteld. Dit betekent dat het recht op bijstand wordt vastgesteld terwijl een schriftelijke aanvraag ontbreekt. Deze situatie kan zich voordoen als:
Indien na het eindigen van de algemene bijstand vanwege werkaanvaarding binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, zal het college op basis van artikel 43a Participatiewet de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.
1c. Uitzondering zoektermijn personen tot 27 jaar
Het college zal op basis van artikel 41 lid 11 Participatiewet de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.
Hierbij kan in ieder geval worden gedacht aan:
2. Verstrekking gegevens en bewijsstukken
Artikel 53a van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens door een belanghebbende in ieder geval verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op en de voortzetting van de bijstand. Tevens bepaalt het college welke bewijsstukken moeten worden verstrekt en de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van de gegevens moet plaatsvinden.
Ter verificatie van de inkomens- en vermogenspositie van de belanghebbende hanteert het college de volgende regels:
Bij een aanvraag om bijstand voor de kosten van levensonderhoud gaat het om afschriften over de laatste 3 maanden voor de datum van de aanvraag. Bij een rechtmatigheidsonderzoek gaat het om afschriften over de laatste 3 maanden voor de datum van het onderzoek. Het college is bevoegd inzage te vragen over een periode verder in het verleden dan 3 maanden als op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door een belanghebbende over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen en op basis daarvan twijfel bestaat over het recht dan wel de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering. De belanghebbende mag de uitgaven op zijn bankafschriften onleesbaar maken. Doorvragen over onleesbaar gemaakte transacties/saldi mag als dat voor de vaststelling van het recht op bijstand nodig is.
Artikel 45 lid 1 van de Participatiewet bepaalt dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld en betaald. Het college betaalt als hoofdregel de bijstand maandelijks voor het eind van de maand, middels overmaking op een door de belanghebbende opgegeven bankrekening. In individuele gevallen kan van voorgaande worden afgeweken als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan wisselende inkomsten die anders zouden leiden tot terugvorderingen wegens te veel verstrekte bijstand.
Bij wijze van hoge uitzondering wordt de bijstand per kas betaald.
Jaarlijks informeert het college de belanghebbenden over de exacte betaaldata.
Artikel 33 lid 4 Participatiewet bepaalt dat inkomsten uit verhuur of kostgangers worden vastgesteld op de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijk kosten van het bestaan, indien daarmee nog geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de norm in het kader van de kostendelersnorm. Voor inkomsten uit verhuur of kostganger(s) hanteert het college de volgende regels:
Inkomsten uit verhuur van woonruimte in verband met en tijdens de Vierdaagse, worden vrijgelaten naar de hoogte van het bedrag zoals dit door de VVV jaarlijks wordt vastgesteld.
4.2 Indien inkomsten in natura
Artikel 33 lid 1 Participatiewet bepaalt dat als inkomen in natura in aanmerking wordt genomen, de waarde daarvan wordt vastgesteld op het daarvoor door belanghebbende opgeofferd bedrag. Het college hanteert hierbij in de volgende situatie de volgende regel:
Als het inkomen in natura bestaat uit gratis inwoning in de situatie dat na een scheiding de ex-partner de woonlasten bij wijze van alimentatie doorbetaalt, wordt het door betrokkenen opgeofferde bedrag gesteld op het bedrag van de basishuur ingevolge de Wet op de huurtoeslag. Dit is het bedrag dat een belanghebbende met een bijstandsuitkering in ieder geval zelf aan woonlasten moet betalen. Het verschil tussen het bedrag van de werkelijke woonlasten en het bedrag van de basishuur wordt als gift vrijgelaten.
Volgens de huidige jurisprudentie is het uitkeringsgerechtigden met volledige arbeidsverplichtingen toegestaan om zelfstandige werkzaamheden van bescheiden omvang te verrichten. Daarbij wordt gesproken van parttime ondernemerschap (pto).
Het college geeft hieronder aan hoe hiermee zal worden omgegaan.
Regeling parttime ondernemerschap
Bijstandsverlening aan zelfstandigen is gebaseerd op de Participatiewet, maar geregeld in het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). De Participatiewet zelf kent het begrip “zelfstandigen” niet en kent geen bepalingen over bijstandsverlening aan zelfstandigen. Mensen die als zelfstandig ondernemer bijstand nodig hebben, kunnen een beroep doen op het Bbz 2004.
Zelfstandige werkzaamheden van bescheiden omvang
Op grond van de jurisprudentie van de CRvB is het belanghebbenden met een bijstandsuitkering toegestaan om werkzaamheden te verrichten als zelfstandige, mits die werkzaamheden niet van een meer dan bescheiden omvang zijn en niet gericht zijn op het (op termijn) wel zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan. Men spreekt in dit verband ook wel van "parttime ondernemerschap".
Volgens het ministerie van SZW kan men van marginale zelfstandige activiteiten of parttime ondernemerschap spreken als het betreft: “Productieve activiteiten van geringe omvang, die bescheiden inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd door uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vanwege oorzaken als sociaal-culturele achtergronden, het ontbreken van opleiding, het gebrek aan ervaring met het werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur. Kenmerkend voor de activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien.”
Uit de bovenstaande definitie, die het college overneemt, blijkt dat activiteiten als zelfstandige die gericht zijn op het (op termijn) wel zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan niet worden gerekend tot het parttime ondernemerschap. Om die reden worden gevestigde zelfstandigen, startende zelfstandigen en bijstandsgerechtigden die in de voorbereidingsfase zitten niet als parttime ondernemers of marginaal zelfstandige aangemerkt.
Mensen die op basis van parttime ondernemerschap werkzaamheden voor eigen rekening en risico verrichten, dat wil zeggen minder dan gemiddeld 15 uur per week, en een bescheiden inkomen verdienen, kunnen voor bepaalde tijd aanvullende bijstand via de Participatiewet, dan wel een aanvullende IOAW-uitkering krijgen, als zij voldoen aan de voorwaarden die het college hieraan verbindt.
Voorwaarde is wel dat vooraf hiervoor schriftelijke toestemming wordt verkregen.
Na verkregen toestemming wordt ten aanzien van de persoon die op basis van parttime ondernemerschap bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden voor eigen rekening verricht, het recht op de bijstand per kalenderjaar vastgesteld.
Bij de jaarvaststelling wordt het jaarinkomen uit die werkzaamheden omgerekend naar een gemiddeld maandbedrag; dit wordt in aanmerking genomen over de maanden waarin de klant recht heeft op een uitkering/bijstand. Bedrijfskosten mogen daarbij van het inkomen worden afgetrokken. Kosten van investeringen worden in principe niet meegenomen als zijnde bedrijfskosten, dit ter beoordeling in het concrete geval.
Indien belanghebbende geen schriftelijke toestemming heeft voor het werken op basis van parttime ondernemerschap en toch inkomsten als kleine zelfstandige (dus minder dan 15 uur per week) geniet, dient de volledige omzet zonder aftrek van bedrijfskosten te worden ingehouden op de uitkering.
Attentie: voor een IOAW-uitkering geldt een ander inkomstenbegrip dan bij de Participatiewet. Bij een IOAW-uitkering wordt altijd uitgegaan van de winst (dus de winst, na aftrek van alle zakelijke kosten; art 2.2. Algemeen Inkomensbesluit Socialezekerheidswetten).
Voorwaarden van de regeling parttime ondernemerschap:
Belanghebbende moet een deugdelijke boekhouding voeren. Dit is een eis van zowel de gemeente als van de Belastingdienst. De administratie bevat tenminste: de opeenvolgend genummerde facturen, uitgebrachte offertes, ontvangen opdrachten, rekeningen en andere bewijzen van gemaakte beroepskosten en de bankafschriften.
Aanvraag en beslissing over zelfstandig werk
Een klant met bijstand of IOAW-uitkering moet vooraf toestemming vragen, om met behoud van uitkering als zelfstandige werkzaamheden op basis van parttime ondernemerschap te mogen verrichten. Hij moet aantonen dat hij aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoet.
Verrekening inkomsten op jaarbasis
De uitkeringsadministratie verrekent bij toepassing van de ‘regeling parttime ondernemerschap’ de inkomsten uit zelfstandige arbeid op maandbasis. Dit bedrag wordt na overleg met klant vastgesteld.
Ter voorkoming van een onverwachte vordering aan het eind van het jaar, dient de klant per kwartaal met het statusformulier een opgave mee te sturen van de inkomsten over de afgelopen 3 maanden. De uitkeringsadministratie beoordeelt deze inkomsten, stelt zo nodig de maandelijkse korting bij en sluit dit kort met de klant.
Definitieve verrekening van de inkomsten
De definitieve verrekening vindt altijd plaats na afsluiting van het boekjaar, met de winst- en verliesrekening en de aangifte inkomstenbelasting. Zo nodig kunnen ook andere stukken worden opgevraagd, zoals facturen. Zoals aangegeven dient de belanghebbende binnen 4 maanden na het boekjaar de gemeente te voorzien van deze stukken.
Bij het vaststellen van het inkomen zal aansluiting worden gezocht bij de aangifte Inkomstenbelasting en de door de fiscus voor ondernemers geaccepteerde zakelijke kosten. Zakelijke kosten zijn kosten die binnen redelijke grenzen nodig zijn voor de uitoefening van de onderneming en de kosten die rechtstreeks op de onderneming betrekking hebben. Voorbeelden van zakelijke kosten zijn (niet limitatief):
Sommige kosten hebben zowel een zakelijk als een persoonlijk karakter. Van deze gemengde kosten is alleen het zakelijke deel aftrekbaar. Alle kosten dienen aannemelijk te kunnen worden gemaakt aan de hand van rekeningen, kwitanties en/of bankafschriften.
Groei naar het zelfstandig ondernemerschap
Zijn de werkzaamheden meer dan 15 uur per week of is er sprake van ondernemersaftrek (zelfstandigen- of startersaftrek) dan dient belanghebbenden tijdig verwezen te worden naar het Bureau zelfstandigen. Dit beoordeelt dan of belanghebbende in aanmerking komt voor de startersfaciliteiten van Bbz 2004.
Als de werkzaamheden en de tijd die daarmee is gemoeid uitkomen boven de vastgestelde grenzen, moet de klant, met zijn eventuele partner, binnen redelijke termijn een keuze gaan maken:
4.4. Verrekening inkomsten uit arbeid
Inkomsten uit arbeid moeten worden verrekend met de bijstandsuitkering, maar een deel van de inkomsten wordt bij de verrekening niet meegenomen (en dus feitelijk vrijgelaten). Voor personen tot 27 jaar wordt dit met de Participatiewet in balans ook mogelijk gemaakt. Hierop wordt vooruitgelopen, waardoor met ingang van 1 januari 2026 voor de groep personen van 18 tot 27 jaar het volgende aanvullend (naast de vrijlatingen van artikel 31 lid 2 Participatiewet voor personen van 27 jaar en ouder) zal gelden:
Voor personen van 18 tot 27 jaar (maximaal 12 maanden aaneengesloten 15 %) en personen van 27 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd (vrijlatingen van artikel 31 lid 2 Participatiewet) gelden de volgende uitgangspunten:
Alle arbeid draagt bij aan arbeidsinschakeling; inkomsten uit deze arbeid zullen worden vrijgelaten voor de maximale duur van 12 maanden (aaneengesloten) voor 15 procent van de netto-inkomsten per maand (personen jonger dan 27 jaar) dan wel voor personen van 27 jaar en ouder voor de duur zoals vermeld in artikel 31 lid 2 Participatiewet.
Minstens een maand voor het eindigen van de vrijlatingsperiode, beoordeelt het college of er aanleiding is voor een verlenging met maximaal 12 maanden (personen jonger dan 27 jaar). Hiervan is sprake, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht. De belanghebbende wordt in het kader van de beoordeling gesproken. Belanghebbende wordt schriftelijk geïnformeerd of de periode van vrijlating wordt verlengd.
Bovenstaande bijverdienregeling geldt niet voor uitkeringen op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).
4.5. Inkomsten of onkostenvergoeding?
In het kader van de inkomstenvrijlating is de vraag wanneer sprake is van inkomsten of wanneer er sprake is van vrijwilligerswerk met daaruit voortvloeiende onkostenvergoedingen. Het is niet mogelijk om per geval aan te geven hoe hiermee om te gaan, maar het college hanteert het volgende bij de vraag of iets gekwalificeerd kan worden als vrijwilligerswerk.
Vrijwilligerswerk is werk dat onbetaald en onverplicht verricht wordt ten behoeve van anderen of van (de kwaliteit van) de samenleving in het algemeen, in enig georganiseerd verband.
Voor het begrip vrijwilligerswerk wordt aangesloten bij bovenstaande landelijke definitie die afkomstig is van de VNG. De vraag of en in welke mate rekening moet worden gehouden met inkomsten voortvloeiend uit de werkzaamheden, dient in twee fasen te worden beantwoord. In de eerste plaats dienen de werkzaamheden te voldoen aan de definitie zoals hierboven weergegeven. Daarbij wordt onder “onbetaald” ook verstaan de betaling van een onkostenvergoeding die niet overeenkomt met een marktconform tarief en waar daadwerkelijke kosten tegenover staan. In de tweede plaats dient rekening te worden gehouden met een contra-indicatie. Als het werkzaamheden betreft die in de regel vanuit een reguliere werkplek tegen marktconform tarief worden verricht, wordt het niet als vrijwilligerswerk geaccepteerd. Het college wil hiermee verdringing van reguliere arbeidsplaatsen door vrijwilligerswerk voorkomen.
4.6. Giften en bijdragen die leiden tot een kostenbesparing
Giften en bijdragen die leiden tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18 lid 8 Participatiewet worden tot het totaalbedrag van artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet per kalenderjaar vrijgelaten. Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd en geldt per uitkering van een alleenstaande (ouder) dan wel van gehuwden met of zonder kinderen en ongeacht of het een incidenteel of periodiek karakter heeft.
Het voorgaande betekent niet dat iedere euro die boven het totaalbedrag uitkomt, automatisch gekort moet worden. Daarboven vindt een maatwerkbeoordeling plaats.
5.1. Vermogensvaststelling bij wisseling leefvorm
In artikel 34 lid 3 is vastgelegd tot welke grens vermogen (als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder b) wordt vrijgelaten bij alleenstaanden, alleenstaande ouders en gezinnen.
Bij wisseling van leefvorm is niet wettelijk bepaald hoe om te gaan met het vaststellen van de grens van het vrij te laten vermogen.
Het college hanteert in de situatie dat een belanghebbende van alleenstaande ouder alleenstaande wordt de volgende regel:
In de situatie dat men van alleenstaande ouder alleenstaande wordt, en er is een vermogen dat meer is dan mag worden vrijgelaten bij een alleenstaande, wordt de grens van het vrij te laten vermogen op het feitelijk aanwezige vermogen vastgesteld.
5.2. Vermogensvaststelling bij co-ouderschap
Het co-ouderschap is geen wettelijk gedefinieerde leefvorm, maar geeft een feitelijke situatie weer.
Ouders, al dan niet gescheiden, die niet bij elkaar wonen, kunnen afspreken om hun kind(eren) gezamenlijk te (blijven) verzorgen en opvoeden. Er is sprake van co-ouderschap als zowel de moeder, als de vader in een regelmatige afwisseling de zorg voor het kind of de kinderen hebben. Het kind of de kinderen verblijven regelmatig en met een vast patroon bij elk van de ouders. Er moet sprake zijn van een verblijf van minstens gemiddeld twee dagen per week. Bij co-ouderschap is de feitelijke situatie van het verblijf en de feitelijke verzorging doorslaggevend. Niet van belang is welke ouder de kinderbijslag ontvangt. Van co-ouderschap kan slechts sprake zijn indien beide ouders dit wensen en zij hun wens aan het college kenbaar maken.
Er is geen co-ouderschap als het kind of de kinderen incidenteel en voor een korte periode bij de andere ouder verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie). Ook als de verdeling van het ouderschap zodanig is dat deze niet afwijkt van een gebruikelijke omgangsregeling, is er geen co-ouderschap. Als het kind of de kinderen minder dan twee dagen per week bij een van de ouders verblijven, dan wordt dit niet beschouwd als co-ouderschap, maar als een verblijf in het kader van een omgangsregeling.
Het college hanteert bij het vaststellen van de vermogensgrens bij co-ouders de volgende regel:
De vermogensgrens voor een alleenstaande wordt vermeerderd met een bepaald bedrag. Dit bedrag bestaat uit het aantal dagen in de week dat de co-ouder voor de kinderen zorgt, gedeeld door zeven, maal het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder en die van een alleenstaande. Let op, dit geldt voor de vermogensgrens. Het daadwerkelijke vermogen telt volledig mee en wordt afgezet tegen deze grens. Tot het daadwerkelijk vermogen behoort ook het saldo op de rekening van minderjarige kinderen.
Artikel 34 lid 2 onder a van de Participatiewet geeft aan dat niet als vermogen in aanmerking genomen wordt de bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel gelet op de omstandigheden van de persoon en gezin noodzakelijk zijn. Het college geeft op de volgende drie onderdelen een nadere invulling:
Vrijlating van vermogen voor begrafenis
Gereserveerde bedragen voor een begrafenis worden buiten beschouwing gelaten tot maximaal € 4.000,- per verzekerde. Verder geldt als eis dat de bedragen niet opvraagbaar zijn tijdens het leven van de verzekerde. De belanghebbende kan over het algemeen niet redelijkerwijs beschikken over dit geld, zodat dit bedrag niet tot de middelen wordt gerekend.
Vrijlating van vermogen in een auto of motor
Indien een belanghebbende beschikt over een auto of motor wordt de waarde van dit vervoermiddel tot een bedrag van € 5.000,- niet als vermogen in aanmerking genomen. De waarde is de dagwaarde volgens de ANWB koerslijst. Uitzondering op deze hoofdregel geldt voor de auto die op basis van een Wmo-voorziening is aangepast. De waarde van dit vervoermiddel wordt volledig niet als vermogen in aanmerking genomen.
Voor het overige wordt door het college de volgende vrijlating toegepast:
Indien een belanghebbende in het kader van een niet tijdige beslissing een dwangsom van een bestuursorgaan ontvangt, wordt deze telkens tot het maximale totaalbedrag voor ten hoogste 42 dagen zoals vermeld in artikel 4:17 lid 1 en 2 Algemene wet bestuursrecht vrijgelaten. Voor het overige wordt de dwangsom als vermogen in aanmerking genomen.
6. Bijstand als geldlening bij eigen woningbezit
Artikel 50 lid 1 Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht heeft op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
Onder een woning wordt mede een woonwagen of een woonschip (artikel 3 lid 6 Participatiewet) verstaan.
Het college hanteert bij de beoordeling of van de belanghebbende niet kan worden verlangd dat de woning wordt verkocht of (verder) bezwaard de volgende criteria.
6.1. Verkoop of verdere bezwaring van de woning onredelijk
Allereerst is van belang de hoogte van de overwaarde (het verschil tussen de WOZ-waarde van de woning en de openstaande hypothecaire schuld). Als deze overwaarde € 250.000,- of meer bedraagt, zal in beginsel worden verlangd van belanghebbende dat de woning te gelde wordt gemaakt. Voor de duidelijkheid: dat is naast de al bestaande wettelijke vrijlating zoals vastgelegd in artikel 34 lid 2 onder d Participatiewet. Daarnaast kan het zo zijn dat op grond van dringende omstandigheden van medische en sociale aard, het te gelde maken van de woning in redelijkheid niet kan worden verlangd. Daarbij gaat het met name om de situatie dat een huis volledig is aangepast voor een gehandicapte, of een gezin met veel kinderen voor wie het vrijwel onmogelijk is om vervangende woonruimte te vinden. Om als sociale omstandigheden te worden aangemerkt moet er ook sprake zijn van dringende, zwaarwegende omstandigheden. Het feit dat een persoon of gezin al lange tijd in de woning woont, is op zichzelf onvoldoende om te stellen dat het te gelde maken van de woning niet kan worden verlangd. Immers een lange woonduur betekent ook een grotere kans op een vervangende (huur)woning.
Indien het te gelde maken van een woning in redelijkheid niet kan worden verlangd gelet op de hiervoor genoemde criteria, kan van een belanghebbende gevergd worden dat hij zijn woning (verder) moet bezwaren. Dat houdt in dat een hypothecaire lening moet worden afgesloten. Het geld van de lening wordt belanghebbende geacht om te gebruiken voor zijn levensonderhoud. Pas als ook dit niet mogelijk blijkt, wordt de bijstand in de vorm van een lening verstrekt, met vestiging van een hypotheek- of pandrecht.
6.2. Vestiging hypotheek en pandrecht
Artikel 50 lid 2 bepaalt dat indien een belanghebbende als bedoeld in lid 1 recht heeft op bijstand, die bijstand de vorm van een geldlening heeft. Ter meerdere zekerheid tot terugbetaling van de als geldlening verstrekte bijstand hanteert het college de volgende regel:
Ter meerdere zekerheid tot terugbetaling van de als geldlening verstrekte bijstand als het gaat om overwaarde in een woonwagen vestigt het college een pandrecht. Aangezien een woonwagen geen registergoed is, kan er tot meerdere zekerheid tot terugbetaling van de geldlening geen hypotheek gevestigd worden.
Als ingangsdatum voor de als geldlening verstrekte bijstand geldt de datum waarop de bijstand als lening conform de beschikking in gaat.
6.3. Verplichting meewerken aan vestiging hypotheek of pandrecht
Artikel 48 lid 3 van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen te verbinden, die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente en aflossingsverplichtingen.
Van deze bevoegdheid maakt het college in de volgende situatie gebruik.
Indien met toepassing van artikel 50 Participatiewet bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, wordt aan de bijstandsverlening de verplichting verbonden dat de belanghebbende meewerkt aan de vestiging van een hypotheek of pandrecht. Indien de belanghebbende deze verplichting niet nakomt wordt de bijstand beëindigd en de als geldlening reeds verstrekte bijstand direct opeisbaar.
6.4. Waardebepaling eigen woning, woonwagen of woonschip
Voor het vaststellen of er een waarde in een eigen woning is, die meer bedraagt dan op grond van artikel 50 in samenhang met artikel 34 lid 2 onder d van de Participatiewet vrijgelaten mag worden, hanteert het college de volgende regel:
Voor de waardebepaling wordt uitgegaan van de meest recente waarde zoals die door de gemeente in het kader van de Wet waardering onroerende zaken is bepaald. Dit kan door middel van een beschikking dan wel via raadpleging van het Waardeloket. De meeste recente WOZ-waarde is het uitgangspunt. Indien de bekende WOZ-waarde meer dan 12 maanden geleden is vastgesteld dan wel deze waarde wordt betwist, is tegenbewijs in de vorm van een officiële taxatie (op kosten van belanghebbende) mogelijk. Hierbij wordt ook een Calcasa rapport als tegenbewijs geaccepteerd.
Na vaststelling van de waarde in een eigen woning, die meer bedraagt dan op grond van artikel 50 in samenhang met artikel 34 lid 2 onder d van de Participatiewet vrijgelaten mag worden, hanteert het college de volgende regel.
Het verschil tussen de WOZ-waarde en het bedrag aan openstaande hypothecaire schuld is het maximale bedrag dat als geldlening aan bijstand verstrekt wordt. Voor de duidelijkheid: hierop wordt de al bestaande wettelijke vrijlating zoals vastgelegd in artikel 34 lid 2 onder d Participatiewet op in mindering gebracht. Dit bedrag blijft gedurende de gehele bijstandsverlening gelden, tenzij er een onderbreking van het recht op bijstand is van meer dan twee jaren.
De kosten van hypotheekakte, inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten komen ten laste van de eigenaar. Hiervoor kan bijzondere bijstand worden aangevraagd. De daarvoor eventueel te verstrekken bijzondere bijstand wordt in de vorm van een geldlening verstrekt.
6.6. Aflossingsregels van de met toepassing van artikel 50 van de Participatiewet verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening.
Als rente en aflossingsregels van de als geldlening verstrekte bijstand hanteert het college de navolgende regels:
Na beëindiging van de bijstand dient de belanghebbende maandelijks af te lossen voor een periode van ten hoogste tien jaar. Lukt de aflossing niet in tien jaar, dan wordt de resterende schuld verrekend op het moment dat de belanghebbende de woning verkoopt of dat de belanghebbende overlijdt en de woning vererft.
Het maandbedrag aan aflossing wordt telkens voor een periode van twaalf maanden vastgesteld. Dit maandbedrag kan wegens gewijzigde financiële omstandigheden altijd tussentijds worden herzien. In beginsel bedraagt het maandelijks af te lossen bedrag 1/120ste van de totale lening. Het af te lossen bedrag kan hoger zijn als het inkomen dit toelaat, of kan lager zijn als het inkomen niet toereikend is. Bij de feitelijke vaststelling van de maandelijkse aflossing wordt als volgt rekening gehouden met het aanwezige inkomen:
De beschikbare financiële ruimte is het verschil tussen het netto-inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm die de belanghebbende zou hebben als hij recht zou hebben op bijstand. Verder worden noodzakelijke, voor eigen rekening komende, bijzondere bestaanskosten in mindering gebracht op het inkomen.
6.7. Alsnog overgaan tot bijstandverlening in de vorm van een geldlening gedurende bijstandsverlening
Als er bij de opname in een uitkering geen bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, omdat de waarde in de woning zodanig is dat deze op grond van artikel 50 in samenhang met artikel 34 lid 2 onder d van de Participatiewet is vrijgelaten, hanteert het college de volgende regel:
Als de belanghebbende drie jaar na aanvang van de bijstandslening nog een uitkering ontvangt, wordt opnieuw beoordeeld of er overwaarde in de woning zit. Is dit het geval, dan wordt opnieuw beoordeeld of verkoop of verdere bezwaring van de woning in redelijkheid verlangd kan worden. Kan dat niet, dan wordt alsnog overgegaan tot bijstandsverlening in de vorm van een geldlening.
Bij de herbeoordeling wordt gebruik gemaakt van de waarde zoals die door de gemeente op de wijze als in artikel 6.4 omschreven is bepaald. De belanghebbende wordt er bij de opname in de uitkering in de beschikking op gewezen dat het niet verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening op het moment van uitkeringstoekenning geen zekerheid biedt dat dit in de toekomst niet alsnog zal gebeuren.
7. Bijstand als geldlening anderszins
Artikel 48 lid 2 onder a bepaalt dat de bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verstrekt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken.
Het college hanteert als regel dat onder korte termijn wordt verstaan een periode van maximaal 6 maanden. Dat betekent dat op het moment van aanvraag de inschatting moet worden gemaakt of belanghebbende binnen 6 maanden over voldoende middelen zal beschikken. Is dat vermoeden er niet, dan wordt de bijstand op normale wijze (en niet als lening) verstrekt.
8. Algemene bijstand voor de algemeen noodzakelijk kosten van bestaan voor belanghebbenden van 18 tot 21 jaar
Artikel 20 lid 3 van de Participatiewet bepaalt dat belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar (jongmeerderjarigen) recht hebben op aanvullende algemene bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, voor zover deze kosten uitgaan boven de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onder c van de Participatiewet en er geen beroep kan worden gedaan op de onderhoudsplicht van de ouders.
Het college hanteert als regel dat alleen jongmeerderjarigen die noodzakelijk uitwonend zijn, in aanmerking komen voor aanvullende algemene bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. De jongmeerderjarige is noodzakelijk uitwonend in de volgende situaties:
Hierbij geldt dat de jongmeerderjarige redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouder(s) niet te gelde kan maken.
Voor noodzakelijk uitwonende jongmeerderjarigen van 18, 19 of 20 jaar kan de van toepassing zijnde bijstandsnorm uit artikel 20 lid 1 of lid 2 Participatiewet worden aangevuld met het bedrag aan algemene bijstand zoals genoemd in artikel 20 lid 3 Participatiewet.
Hierbij geldt dat het aanvullende bedrag van artikel 20 lid 3 Participatiewet op de situatie van de jongmeerderjarige(n) kan worden afgestemd, indien de jongmeerderjarige duidelijk hogere dan wel lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan (zoals woonlasten) heeft.
Dit geldt met dien verstande dat het totaalbedrag inclusief de aanvulling niet hoger kan zijn dan de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 21 Participatiewet, die geldt voor een 21-jarige of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in een vergelijkbare situatie.
In het kader van het overgangsrecht worden in navolging van artikel 78ff lid 1 Participatiewet tot slot daarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Ten eerste blijft artikel 12 Participatiewet van toepassing op de aanvraag van bijstand die uiterlijk op de dag voor inwerkingtreding is ingediend dan wel op de situatie waarin reeds bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Participatiewet is toegekend. Dit geldt voor de resterende periode van de uitkering tot de leeftijd van 21 jaar is bereikt, dan wel tot het moment waarop de uitkering voor de leeftijd van 21 jaar om een andere reden is beëindigd. Dit betekent daarmee dat in geval de toepasselijke norm zoals bedoeld in artikel 20 lid 3 Participatiewet, geldend vanaf 1 januari 2026, lager is dan de reeds voor 1 januari 2026 aangevraagde dan wel verstrekte bijzondere bijstand, de jongmeerderjarige dit hogere bedrag tot de leeftijd van 21 jaar dan wel tot de beëindiging van de uitkering voor de leeftijd van 21 jaar behoudt.
Ten tweede wordt, indien de toepasselijke norm zoals bedoeld in artikel 20 lid 3 Participatiewet vanaf 1 januari 2026 hoger is, de reeds aangevraagde dan wel toegekende bijzondere bijstand voor de resterende periode tot de leeftijd van 21 jaar (dan wel tot het moment van de beëindiging van de uitkering) telkens tot dit bedrag aangevuld.
Indien in de situatie van de jongmeerderjarige, als hij 21 was geweest, de kostendelersnorm van toepassing zou zijn, wordt het maximaal te verstrekken bedrag bepaald door berekening conform de kostendelersnorm, tenzij dit hoger uitkomt dan berekening conform bovenstaande uitgangspunten.
Artikel 20 lid 3 van de Participatiewet bepaalt dat belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar recht hebben op een aanvulling van de algemene bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, voor zover deze kosten hoger zijn dan de bijstandsnorm genoemd in artikel 20 lid 1 of 2 Participatiewet, en er geen beroep kan worden gedaan op de onderhoudsplicht van de ouders.
Artikel 62 van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid de kosten van bijstand te verhalen op de onderhoudsplichtige ouder(s).
Het college hanteert hierbij de volgende regel:
De ouders worden eerst gewezen op hun onderhoudsplicht en in de gelegenheid gesteld hieraan te voldoen. Doen de ouders dit niet, dan zal het college overgaan tot verlening van bijstand en zullen de ouders achteraf door middel van verhaal op hun onderhoudsplicht aangesproken worden. Slechts als er een dringende reden is, blijft een beroep op de onderhoudsplicht achterwege.
9. Omzetting bijstandsnorm na opname in een inrichting
Personen in een inrichting ontvangen een lagere bijstandsnorm (zogenaamde zak- en kleedgeldnormen), vanwege het hebben van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De normen zijn vastgelegd in artikel 23 Participatiewet.
Wanneer een belanghebbende wordt opgenomen in een inrichting hanteert het college met toepassing van artikel 18 van de Participatiewet de volgende regel:
Belanghebbenden die een uitkering ingevolge de Participatiewet ontvangen, doorlopende woonlasten hebben en worden opgenomen in een inrichting behouden hun bijstandsnorm op grond van artikel 21, 22 en 22a van de Participatiewet, gedurende de maand van opname in de inrichting en 1 aanvullende maand.
9.1. Verblijf in een inrichting en bijzondere bijstand
Jongeren van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven, kunnen bijzondere bijstand ontvangen naar de hoogte van artikel 20 Participatiewet (de norm die normaliter op hem of haar van toepassing zou zijn geweest). De onderhoudsplicht van ouders/verzorgers wordt op dit punt buiten beschouwing gelaten.
Jongeren van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven, kunnen in zeer uitzonderlijke gevallen een ophoging krijgen van het onder a genoemde bedrag conform artikel 20 van de Participatiewet. In dit geval wordt de onderhoudsplicht van de ouders of verzorgers wel beoordeeld. De totale uitkering genoemd onder a en b van de jongere van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft, bedraagt maximaal de hoogte van de zak- en kleedgeldnorm inclusief verhoging zorgverzekering voor rechthebbenden van 21 jaar en ouder.
Het college hanteert als regel dat in aansluiting op de algemene bijstand gedurende de maand van opname (en de daarop aansluitende maand) voor de vaste woonlasten bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Na aanvang van de opname kan tot een periode van maximaal zes maanden – en daarmee tot vier maanden na de beëindiging van de algemene bijstandsnorm – bijzondere bijstand voor de woonlasten worden verstrekt.
Artikel 27 van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid de norm als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Participatiewet, lager vast te stellen als gevolg van de woonsituatie van de belanghebbende, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Van deze bevoegdheid maakt het college gebruik door bij een belanghebbende die geen woning heeft of in een woning woont waar geen woonlasten voor verschuldigd zijn de norm te verlagen met 10 procent van de gehuwdennorm van art. 21 Participatiewet.
Voor het bepalen van de woonlasten hanteert het college de volgende definities.
Indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de hypotheekrente, de kosten van verzekering en belasting die zijn verbonden aan de woning en de kosten per maand van water, gas, elektriciteit, internet, tv en vaste telefonie minus een bijzondere bijstandstoeslag voor woonkosten per maand.
In de artikelen 19a en 22a van de Participatiewet wordt de kostendelersnorm uiteengezet. Dit betreft een verlaging van de bijstandsnorm voor hen die geacht worden de kosten van het bestaan te kunnen delen. De kostendelersnorm wordt in een aantal gevallen niet toegepast, onder andere als sprake is van een huurovereenkomst met een commerciële prijs (artikel 19a, eerste lid, onderdelen b en c Participatiewet).
Ten aanzien van het begrip “commerciële prijs” hanteert het college de volgende regels:
De bovenstaande uitgangspunten zijn weerlegbare rechtsvermoedens. Als een belanghebbende een lagere prijs verschuldigd is dan de bovenstaande en hij toch van mening is dat in zijn geval sprake is van een commerciële prijs, is het aan hem om dit aan te tonen.
11.2. Opvang voor dak- en thuislozen
Een belanghebbende die verblijft in een opvang voor dak- en thuislozen valt naar het oordeel van het college niet onder de kostendelersnorm. Het is inherent aan de situatie dat zij op de bewuste locatie niet hun hoofdverblijf (zullen) hebben.
Artikel 19a eerste lid onder c bepaalt onder andere dat de persoon die van een derde een kamer huurt en een commerciële prijs betaalt niet als kostendeler wordt gezien.
Het college hanteert de regel dat indien er sprake is van een woning van een derde die al dan niet met individuele huurcontracten in gedeelten (kamers) wordt verhuurd, de markt in Nijmegen bepaalt dat er per definitie een commerciële prijs betaald wordt en er daarom tussen de bewoners onderling geen sprake is van kostendeling.
Bij tijdelijke opvang hoeft de uitkering van degene die onderdak biedt niet te worden aangepast. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de volgende situaties:
een vluchteling, die wacht op huisvesting. Hoe lang iemand tijdelijk kan worden opgevangen is afhankelijk van de situatie. Als uitgangspunt geldt een termijn van 6 maanden. Er moet duidelijke aanwijzing zijn dat er een einde komt aan de tijdelijke woonsituatie. Voor degene die opvang krijgt (en bijstandsgerechtigd is) geldt wel de van toepassing zijnde kostendelersnorm.
12. Toeslagen voormalige alleenstaande ouder (garantietoeslag)
Als het laatste kind niet langer ten laste van een alleenstaande ouder komt, vervalt het recht op een kindgebonden budget. Ter compensatie van een terugval in het gezamenlijke inkomen hanteert het college de volgende regel:
Bij een terugval in het gezamenlijke inkomen van de ouder en het kind, wordt ter compensatie, een garantietoeslag toegekend. Voorwaarde hierbij is dat het kind en de ouder hun hoofdverblijf in dezelfde woning houden. De garantietoeslag bedraagt maximaal het verloren recht op kindgebonden budget minus de inkomsten van het inwonende kind. Daarbij wordt rekening gehouden met daadwerkelijk ontvangen inkomsten alsmede inkomsten waar het kind in redelijkheid aanspraak op zou kunnen maken, zoals studiefinanciering of een eigen uitkering. De garantietoeslag stopt als het kind 21 jaar wordt.
13. Alleenstaande ouder met toeslagpartner
De alleenstaande ouder valt op grond van de Participatiewet onder de norm voor alleenstaanden. Dit wordt gecompenseerd door een verhoging van het kindgebonden budget (de zogeheten alo-kop). Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering die een toeslagpartner hebben, hebben geen recht op deze alo-kop. Het betreft vaak een tijdelijke situatie, bijvoorbeeld de afwikkeling van een echtscheiding. Gelet daarop is tijdelijke verstrekking van aanvullende algemene bijstand mogelijk. Dit met toepassing van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet.
Het college hanteert daarbij de volgende regels:
14.1. Begrippen kennismakingsperiode
Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
14.2. Gezamenlijk hoofdverblijf en doelstelling
Van gezamenlijk hoofdverblijf is sprake als twee personen hun verblijf in dezelfde woning hebben.
Doelstelling van de kennismakingsperiode is mensen te laten onderzoeken of zij duurzaam willen gaan samenwonen, zonder dat dit in de eerste zes maanden direct gevolgen heeft voor de uitkering. Dat stelt mensen in de gelegenheid om hun eigen woonruimte aan te houden en bij beëindiging van de samenwoning terug te keren in de oude situatie. Op die manier wordt de stap om te gaan samenwonen minder groot.
Het college kan op ieder moment de toestemming voor een kennismakingsperiode intrekken als blijkt dat aanvragers niet aan de voorwaarden voldoen, of wel onder een van de uitsluitingsgronden vallen en zij daarover onjuiste informatie hebben verstrekt. De inlichtingenplicht uit de wet is onverkort van toepassing.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-547168.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.