Wijziging van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,

 

gelezen het voorstel van de directeur Sport, Onderwijs en Cultuur van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling van 26 november 2025 met kenmerk M2511-1619;

 

gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, tweede lid en 6, derde lid, van de Subsidieverordening Rotterdam 2014;

 

overwegende, dat het wenselijk is de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026 te wijzigen met het oog op het bereiken van meer Rotterdamse doelgroeppeuters waarvan de ouders een verzamelinkomen hebben van minder dan 110% van het wettelijk sociaal minimum, het wijzigen van de maximale hoogte van de subsidie, het samenvoegen van de deelplafonds tot één subsidieplafond en enkele technische aanpassingen;

 

besluit:

Artikel I  

De Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Na de begripsbepaling ‘plusopvang’ worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

    • -

      110%-regeling: maatregel op grond waarvan een ouder woonachtig in Rotterdam, en waarvan diens verzamelinkomen lager is dan 110%, diens peuter met de indicatie Extra spelen en leren, gratis een ve-programma kan laten volgen;

    • -

      130%-regeling: maatregel op grond waarvan een ouder woonachtig in het NPRZ-gebied, en waarvan diens verzamelinkomen ligt tussen de 110% en 130%, diens peuter met de indicatie Extra spelen en leren, gratis een ve-programma kan laten volgen in het NPRZ-gebied;

  • 2.

    Na de begripsbepaling ‘ve-programma dagopvang’ wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:

    • -

      verzamelinkomen: verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

 

B.

Aan artikel 3 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h.

    het implementeren van gratis ve voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren met ouders met een verzamelinkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum.

 

C.

Aan artikel 5, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • j.

    de eenmalige kosten voor het implementeren van de 110%-regeling.

 

D.

Artikel 6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In onderdeel a wordt ‘€ 102.765’ vervangen door ‘€ 107.739’.

  • 2.

    In onderdeel d wordt ‘€ 455’ vervangen door ‘€ 477’.

  • 3.

    In onderdeel g wordt ‘€ 10.805’ vervangen door ‘€ 11.328’.

  • 4.

    In onderdeel h wordt ‘€ 910’ vervangen door ‘€ 954’.

  • 5.

    In onderdeel h, subonderdeel 1°, wordt ‘€ 9.100’ vervangen door ‘€ 9.540’.

  • 6.

    In onderdeel h, subonderdeel 2°, wordt ‘€ 910’ vervangen door ‘€ 954’.

  • 7.

    In onderdeel h, subonderdeel 3°, wordt ‘€ 14.456’ vervangen door ‘€ 15.265’.

  • 8.

    In onderdeel j wordt ‘€ 76.090’ vervangen door ‘€ 79.773’.

  • 9.

    Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

    • k.

      € 2.621 per houder en € 52 per doelgroeppeuter met de indicatie Extra Spelen en leren volgens opgave van de houder in de eerste telweek van de eerste tussenrapportage in 2026 voor de kosten, bedoeld in artikel 5, onderdeel j.

 

E.

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7 Subsidieplafond

Voor subsidieverlening op grond van deze subsidieregeling geldt voor het kalenderjaar 2026 een subsidieplafond van € 54.730.246, onder voorbehoud dat voldoende middelen voor ve door de gemeenteraad op de begroting beschikbaar worden gesteld. Dit bedrag omvat mede middelen uit de specifieke uitkering ten behoeve van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid bedoeld in de Regeling kansrijke wijk, en de ouderbijdragen voor deelname aan het ve-programma peuteropvang.

 

F.

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a Aanvulling aanvraag

De aanvullende subsidie bedoeld in artikel 3, onderdeel h, wordt aangevraagd door een verzoek om wijziging van de subsidieverlening. Dit verzoek wordt ingediend gelijktijdig met de eerste tussenrapportage 2026, onder gebruikmaking van het door het college beschikbaar gestelde formulier.

 

G.

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vijfde tot en met dertiende lid tot zesde tot en met veertiende lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

 

  • 5.

    De houder brengt geen ouderbijdrage in rekening voor de deelname van de doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren aan het ve-programma peuteropvang, bedoeld in artikel 14, onderdelen b en c, dan wel het ve-programma dagopvang, bedoeld in artikel 15, onderdelen b en c, als aan de volgende eisen wordt voldaan:

    • a.

      het ve-programma wordt uitgevoerd met subsidie van het college in een kindercentrum gevestigd in Rotterdam;

    • b.

      de doelgroeppeuter en de ouder zijn woonachtig in Rotterdam; en

    • c.

      de ouder heeft een verzamelinkomen lager dan 110% van het wettelijk sociaal minimum.

2. Het zesde lid, onderdeel c (nieuw), komt te luiden:

  • c.

    de ouder heeft een verzamelinkomen tussen de 110% en 130% van het wettelijk sociaal minimum.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt ‘tot 130%’ vervangen door ‘tot 110% dan wel tussen de 110% en 130%’.

 

H.

 

Het opschrift van bijlage 1 komt te luiden:

 

Bijlage 1 Rotterdamse kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 3, onderdelen c en e, en artikel 12, tweede lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026

 

I.

 

Het opschrift van bijlage 2 komt te luiden:

 

Bijlage 2 Procedure voor bepaling van de indicatie Gelijke kansen, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026

 

J.

Bijlage 3 komt te luiden:

 

Bijlage 3 Procedure voor bepaling van de hoogte tot 110% dan wel tussen 110% en 130% van het wettelijk sociaal minimum, als bedoeld in artikel 16, zevende lid, en voor de bepaling van hoogte van de ouderbijdrage, als bedoeld in artikel 16, tiende lid, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026

 

A

 

De houder toetst volgens de procedure bedoeld in bijlage 2 van deze subsidieregeling bij de intake of de ouder aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van:

  • a.

    de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, hierna te noemen Wgs; of

  • b.

    de Wet schuldsanering natuurlijke personen, hierna te noemen Wsnp.

 

De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder die aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wgs respectievelijk de Wsnp. De houder registreert in dit geval in het administratiesysteem dat de peuter tot de doelgroep Gelijke kansen behoort.

 

B

 

De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang een ouderbijdrage in rekening bij de ouder.

 

De houder toetst bij de intake of de ouder recht heeft op kinderopvangtoeslag.

 

Bij ouders die bevestigen dat zij recht hebben op kinderopvangtoeslag:

  • 1.

    factureert de houder de bruto kosten voor het aantal in rekening gebrachte uren voor het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang aan de ouder. De uurprijs voor deze uren is het maximum uurtarief voor de kinderdagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag.

  • 2.

    Bij ouders die bevestigen dat zij geen recht hebben op kinderopvangtoeslag bepaalt de houder de inkomensafhankelijke ouderbijdrage op basis van de volgende gegevens:

    • a.

      het verzamelinkomen, waaronder wordt verstaan het totaal van het inkomen uit werk en woning uit box 1, het inkomen uit aanmerkelijk belang uit box 2 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen uit box 3 van de beide ouders dan wel verzorgers van het kind;

    • b.

      het aantal uren deelname aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma kinderdagopvang;

    • c.

      het toepasselijke uurtarief volgens de tabel ouderbijdragen, bedoeld in bijlage 4 behorend bij deze subsidieregeling.

 

De procedure voor de houder om het verzamelinkomen te bepalen van de ouder die bevestigt geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag is als volgt.

 

  • 1.

    De houder verzoekt aan de ouder gegevens te verstrekken over de hoogte van het verzamelinkomen op basis van:

    • a.

      de meest recente aanslag inkomstenbelasting;

    • b.

      indien de meest recente aanslag inkomstenbelasting niet kan worden overgelegd, een inkomensverklaring afgegeven door de Belastingdienst over het meest recente jaar, waarbij geldt dat als er twee ouders dan wel verzorgers zijn, voor beiden een inkomensverklaring van de Belastingdienst wordt overgelegd;

    • c.

      een op jaarbasis bruto gekapitaliseerde uitkeringsspecificatie die op de datum van het opmaken van het contract voor plaatsing niet ouder is dan twee maanden indien sprake is van een recente inkomensdaling waardoor de inkomsten lager zijn dan zou blijken uit de aanslag inkomstenbelasting of een inkomensverklaring afgegeven door de Belastingdienst omdat deze gebaseerd zijn op het inkomen in t-2.

  • 2.

    Het verzamelinkomen wordt eenmalig bepaald bij het aangaan van het contract voor plaatsing voor de gehele contractperiode en wordt alleen herzien bij een nieuwe plaatsing van een kind uit het gezin, tenzij er aanleiding is het contract te herzien omdat het verzamelinkomen van de ouder onder de 110% ligt of zou kunnen liggen. Voor contracten van kinderen die onder de eerdere 130% regeling vielen is dit niet van toepassing. Binnen NPRZ-gebied geldt dit alleen op de nieuwe aanmeldingen, contracten van zittende kinderen worden niet opnieuw herzien.

  • 3.

    De documenten die de ouder aan de houder ter inzage geeft voor het bepalen van de hoogte van het verzamelinkomen worden niet door de houder bewaard.

  • 4.

    In het contract dat de houder met de ouder sluit voor deelname aan het ve-programma wordt in ieder geval overeengekomen:

    • a.

      dat de gegevens over het verzamelinkomen naar waarheid zijn verstrekt;

    • b.

      dat maar eenmaal gebruik wordt gemaakt van gratis uren voor doelgroeppeuters, voor zover dat op de ouder van toepassing is.

  • 5.

    Indien de ouders geen inkomensgegevens overleggen aan de houder, gaat de houder voor de bepaling van de hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage uit van het hoogste verzamelinkomen, bedoeld in de kinderopvangtoeslagtabel.

 

C

 

De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder woonachtig in Rotterdam als de peuter de doelgroepindicatie Extra spelen en leren heeft en gebruik maakt van ve op een locatie in Rotterdam en de ouder een verzamelinkomen heeft tot 110% van het wettelijk sociaal minimum

 

De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel het ve-programma dagopvang geen ouderbijdrage in rekening bij de ouder woonachtig in het gebied Charlois, Feijenoord of IJsselmonde als de peuter de doelgroepindicatie Extra spelen en leren heeft en gebruik maakt van ve op een locatie in het gebied Charlois, Feijenoord of IJsselmonde en de ouder een inkomen heeft tussen de 110 en 130% van het wettelijk sociaal minimum.

 

Of het verzamelinkomen lager is dan 110% dan wel ligt tussen de 110 en 130% van het wettelijk sociaal minimum wordt als volgt door de houder bepaald:

 

  • 1.

    op basis van het bruto-jaarinkomen volgens de ouderbijdragetabel ve 2026, bedoeld in bijlage 4:

    • a.

      voor een alleenstaande ouder wordt het maximaal bruto jaarinkomen nader bepaald op basis van gegevens over het wettelijk sociaal minimum per 1 juli 2025 zoals vastgesteld in de Normenbrief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en daarna bekend gemaakt aan de houder;

    • b.

      voor gehuwde dan wel samenwonende ouders wordt het maximaal bruto jaarinkomen nader bepaald op basis van gegevens over het wettelijk sociaal minimum per 1 juli 2025 zoals vastgesteld in de Normenbrief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en daarna bekend gemaakt aan de houder;

  • 2.

    op basis van een specificatie van het netto-maandinkomen exclusief toeslagen:

    • a.

      voor een alleenstaande ouder is het maximaal netto maandinkomen gelijk aan het laag tarief voor de Rotterdampas 2026 voor een alleenstaande ouder dat in oktober 2025 wordt vastgesteld en daarna bekend zal worden gemaakt aan de houder;

    • b.

      voor gehuwde dan wel samenwonende ouders is het maximaal netto maandinkomen gelijk aan het laag tarief voor de Rotterdampas 2026 voor gehuwde dan wel samenwonende ouders dat in oktober 2025 wordt vastgesteld en daarna bekend zal worden gemaakt aan de houder; of,

  • 3.

    op basis van de voucher voor gratis ve in NPRZ-gebied op de Rotterdampas. Deze vouchers worden na 1 maart 2026 niet meer uitgegeven.

 

D

 

De houder kan de peuter uit het ve-programma uitschrijven conform de incassoprocedure van de houder als de ouder de ouderbijdrage niet betaalt. Een peuter wordt uitgeschreven bij een betalingsachterstand van maximaal drie maanden, tenzij er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 16, elfde lid. Uitschrijving van de peuter laat onverlet dat de ouder de niet betaalde ouderbijdrage verschuldigd blijft.

 

K.

Bijlage 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van bijlage 4 komt te luiden:

 

Bijlage 4 Tabel ouderbijdragen voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 16, tiende lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026

 

2. In de derde rij van de tabel wordt in de tweede kolom ‘(gezamenlijk) inkomen*’ vervangen door ‘bruto verzamelinkomen*’.

 

L.

Bijlage 5 komt te luiden:

 

Bijlage 5 Accountantscontrole, als bedoeld in artikel 23 van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026

Voor de subsidieverantwoording gelden de voorwaarden, bedoeld in de Subsidieverordening Rotterdam 2014 en het bijbehorende Subsidieprotocol, in de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026 en in de verleningsbeschikking.

 

Bij de aanvraag van de subsidie heeft de houder in het Excel-aanvraagformulier prognoses gegeven voor de uit te voeren activiteiten. Bij de verantwoording vermeldt de houder in het Excel-verantwoordingsformulier de werkelijke realisatie van de uitgevoerde activiteiten.

 

Bij verleende subsidiebedragen vanaf € 50.000,00 overlegt de houder bij het Excel-verantwoordingsformulier een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant. Het assurance-rapport is met beperkte of redelijke mate van zekerheid afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag. De accountant waarmerkt het Excel-verantwoordingsformulier.

 

In overleg met houders is per onderwerp van de verantwoording dat door de accountant wordt gecontroleerd een toelichting en een werkwijze voor de accountant opgesteld. De onderwerpen voor verantwoording zijn voor peuteropvang en kinderdagopvang niet altijd gelijk. Het Excel-verantwoordingsformulier vermeldt of er sprake is van peuteropvang, hierna te noemen POV, of kinderdagopvang, hierna te noemen KDV. Onderstaand schema vermeldt per onderwerp of de accountantscontrole geldt voor POV, KDV of voor beide categorieën.

 

 

TOELICHTING VOOR DE ACCOUNTANT

1a

Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV.

 

 

De houder die ve uitvoert met subsidie van het college van de gemeente Rotterdam registreert van elke peuter die gebruik maakt van de ve: naam, geboortedatum, adres, woonplaats, aanmeldingsdatum, eerste bezoekdatum, laatste bezoekdatum en, indien van toepassing, of het een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren of met de indicatie Gelijke kansen betreft of een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren die gebruik maakt van de 110% dan wel 130%-regeling.

 

1b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV.

 

 

De accountant controleert of de registratie aanwezig is bij de houder.

 

 

 

2a

Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV.

 

 

De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier het aantal peuters aan wie gedurende de subsidieperiode in twee telweken voorschoolse educatie is aangeboden. Voor de verantwoording over het kalenderjaar 2026 gelden de volgende twee telweken:

 

  • a.

    de week van 30 maart 2026 tot en met 3 april 2026

  • b.

    de week van 28 september 2026 tot en met 2 oktober 2026

 

Er wordt onderscheid gemaakt tussen niet-doelgroeppeuters, doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren, dan wel met de indicatie Gelijke kansen en doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren die gebruik maken van de 110% dan wel 130%-regeling.

 

2b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV.

 

 

De accountant controleert of de aantallen peuters zoals opgenomen in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomen met de aantallen ingeschreven peuters in de administratie van de houder en of voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren dan wel met de Gelijke kansen en voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren die gebruik maken van de 110% dan wel 130%-regeling, de doelgroepindicatie aanwezig is.

 

 

 

3a

Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV.

 

 

De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier het aantal weken dat de ve gedurende de subsidieperiode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 is aangeboden.

 

3b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV.

 

 

De accountant controleert of het aantal weken dat ve is aangeboden zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier juist is.

 

 

 

4a

Onderwerp verantwoording. Voor POV en KDV.

 

 

De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier het aantal peuters aan wie gedurende de subsidieperiode ve is aangeboden en van wie de ouders hebben bevestigd geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag. Deze ouders betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor het ve-programma peuteropvang of voor het ve-programma dagopvang.

 

4b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Voor POV en KDV.

 

 

De accountant controleert of voor peuters van wie de ouders hebben bevestigd geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag een inkomensafhankelijke ouderbijdrage is gefactureerd aan de ouders.

 

 

 

5a

Onderwerp verantwoording. Alleen voor POV.

 

 

De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier de gefactureerde en de geïnde ouderbijdragen voor het ve-programma peuteropvang over het kalenderjaar 2026 en over de voorgaande subsidieperiode voor zover niet opgenomen in de verantwoording over 2025. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen ouderbijdragen van ouders met recht op kinderopvangtoeslag en ouderbijdragen van ouders die hebben bevestigd dat zij geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

5b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor POV.

 

 

De accountant controleert of de totalen van de gefactureerde en de geïnde ouderbijdragen zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomen met de administratie van de houder.

 

 

6a

Onderwerp verantwoording. Alleen voor KDV.

 

 

De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier voor het kalenderjaar 2026:

  • a.

    het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat geen gebruik maakt van de 130%-regeling en aan aan wie gratis uren zijn aangeboden;

  • b.

    het aantal doelgroeppeuters met indicatie Gelijke kansen aan wie gratis uren zijn aangeboden;

  • c.

    het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters, bedoeld in de onderdelen a en b;

  • d.

    het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 130%-regeling en aan wie gratis uren zijn aangeboden;

  • e.

    het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters, bedoeld in onderdeel d;

  • f.

    het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 110%-regeling en aan wie gratis uren zijn aangeboden;

  • g.

    het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters, bedoeld bij onderdeel f.

 

6b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor KDV.

 

 

De accountant controleert:

  • a.

    of het aantal doelgroeppeuters aan wie gratis uren zijn aangeboden zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met de administratie van de houder;

  • b.

    of voor doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren aan wie gratis uren zijn aangeboden de CJG-doelgroepindicatie aanwezig en geregistreerd is in de administratie van de houder;

  • c.

    of voor doelgroeppeuters met indicatie Gelijke kansen aan wie gratis uren zijn aangeboden de doelgroepindicatie geregistreerd is in de administratie van de houder;

  • d.

    of voor doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren die gebruik maken van de 130%-regeling aan wie gratis uren zijn aangeboden de doelgroepindicatie geregistreerd is in de administratie van de houder;

  • e.

    of voor doelgroeppeuters met indicatie Spelen en leren die gebruik maken van de 110% regeling aan wie gratis uren zijn aangeboden de doelgroepindicatie geregistreerd is in de administratie van de houder;

  • f.

    of het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met de administratie van de houder.

 

 

7a

Onderwerp verantwoording. Alleen voor KDV.

 

 

De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier voor het kalenderjaar 2026:

  • a.

    het aantal gefactureerde uren waarvoor subsidie wordt gevraagd voor het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur van ouders die bevestigd hebben geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag;

  • b.

    het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd voor het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke ouderbijdragen van ouders die bevestigd hebben geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag.

 

7b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor KDV.

 

 

De accountant controleert:

  • a.

    of het aantal gefactureerde uren waarvoor subsidie wordt gevraagd zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met het aantal uren dat aan ouders is gefactureerd;

  • b.

    of het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en de gefactureerde inkomensafhankelijke ouderbijdragen.

 

8a

Onderwerp verantwoording. Alleen voor POV.

 

 

De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier voor het kalenderjaar 2026:

  • a.

    het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 110% regeling en aan wie gratis uren zijn aangeboden;

  • b.

    het aantal doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 130%-regeling en aan wie gratis uren zijn aangeboden;

  • c.

    het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters onder a.

 

8b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor POV.

 

 

De accountant controleert:

  • a.

    of doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren dat gebruik maakt van de 110% regeling zijn geregistreerd in de administratie van de houder;

  • b.

    of doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren die gebruik maken van de 130%-regeling zijn geregistreerd in de administratie van de houder;

  • c.

    het aantal gratis uren dat is aangeboden aan deze doelgroeppeuters.

 

 

Artikel II  

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 december 2025.

De secretaris,

G.J.D. Wigmans

De burgemeester,

C.J. Schouten

Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl

Toelichting bij de wijziging van de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026

 

Dit besluit wijzigt de ‘Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2026’.

 

Met deze wijziging wordt geregeld dat de houders die op grond van deze subsidieregeling van het college subsidie ontvangen, een aanvullend subsidiebedrag kunnen ontvangen ter uitvoering van de zogeheten ‘110%-regeling’. Deze maatregel beoogt financiële drempels voor deelname aan voorschoolse educatie (ve) voor de ouders van deze doelgroeppeuters weg te nemen, en draagt daarmee bij aan het verbeteren van het bereik van doelgroeppeuters. Het college wil zo het bereik onder doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren in Rotterdam verder vergroten. Vooral voor gezinnen met een laag inkomen is de financiële drempel groot. In deze wijziging is uitgewerkt, dat ouders van Rotterdamse doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren met een verzamelinkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum, geen ouderbijdrage aan de houder hoeven te betalen voor ve in Rotterdam. Met ingang van 1 januari 2026 wordt deelname aan ve door deze doelgroeppeuters volledig door het college bekostigd. Deze nieuwe maatregel wordt aangeduid als de ‘110%-regeling’. Deze maatregel geldt voor heel Rotterdam, voor het kalenderjaar 2026 (het subsidietijdvak). De houders maken ter uitvoering van deze maatregel aanspraak op extra subsidie op grond van de subsidieregeling.

 

Voor ouders van doelgroeppeuters in het NPRZ-gebied met de indicatie Extra spelen en leren met een verzamelinkomen tot 130% van het wettelijk sociaal minimum, blijft ve in 2026 gratis. Dit beleid voor het NPRZ-gebied (aangeduid als de ‘130%-regeling’) wordt voortgezet. Door de invoering van de 110%-regeling in Rotterdam vermindert de benodigde extra inzet in het NPRZ-gebied. De categorie ouders die vallen onder de 130%-regeling verkleint immers als gevolg van de 110%-regeling. Met ingang van 1 januari 2026 ziet de 130%-regeling nog op de categorie ouders woonachtig in NPRZ-gebied met een verzamelinkomen tussen de 110% en 130% van het wettelijk sociaal minimum; diens peuters met de indicatie Extra spelen en leren kunnen in het NPRZ-gebied gratis een ve-programma volgen. In deze wijziging wordt de subsidieregeling daarop aangepast. Voor deze categorie ouders in het NPRZ-gebied maakt dit geen verschil.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel I, onderdeel A

 

Aan artikel 1 worden de begrippen ‘110%-regeling’, ‘130-regeling’ en ‘verzamelinkomen’ toegevoegd ter verduidelijking.

 

Artikel I, onderdeel B, C, D en F

 

Het nieuwe onderdeel h in artikel 3 heeft betrekking op de uitvoering van de 110%-regeling. Dit onderdeel ziet op de vereiste administratieve aanpassingen die houders eenmalig in hun bedrijfsvoering doorvoeren in het kader van de implementatie van deze maatregel. De (extra) kosten voor houders in 2026 die hiermee verband houden komen in aanmerking voor een aanvullende subsidie. Deze subsidiabele kosten zijn vermeld in het nieuwe onderdeel j, in artikel 5, tweede lid. De houder komt in dit verband in aanmerking voor een subsidie van maximaal € 2.621, plus € 52 per doelgroeppeuter (artikel 6, eerste lid, onderdeel k), voor het implementeren van gratis ve voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren voor ouders met een verzamelinkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum.

 

De aanvullende subsidie in het kader van de 110%-regeling wordt aangevraagd door middel van een verzoek om wijziging van de subsidieverlening. De houder dient zijn verzoek tot wijziging van de subsidieverlening in bij de eerste tussenrapportage 2026 (d.w.z. uiterlijk op 19 april 2026). Voor dit verzoek moet gebruik worden gemaakt van het door het college beschikbaar gestelde formulier.

 

Artikel I, onderdeel D

 

De Rijksoverheid heeft besloten het maximale fiscale uurtarief te indexeren met een percentage van 4,84%. In navolging hiervan zijn de subsidietarieven in artikel 6 van de subsidieregeling met 4,84% verhoogd.

 

Artikel I, onderdeel E

 

De twee deelplafonds zijn in het nieuwe artikel 7 samengevoegd tot één subsidieplafond. Er is geen noodzaak om in het kader van deze subsidieregeling twee deelplafonds te hanteren. Voor het totale beschikbare budget maakt deze wijziging geen verschil.

 

Ook de aanvullende subsidie in het kader van de 110%-regeling wordt verstrekt vanuit het subsidieplafond van artikel 7. Die subsidie zal worden meegenomen in de subsidieverlening 2026.

 

Artikel I, onderdeel J

 

Bijlage 3 wordt vervangen door een nieuwe bijlage 3 in verband met de invoering van de 110%-regeling.

 

Artikel I, onderdeel L

 

Bijlage 5 wordt vervangen door een nieuwe bijlage 5 in verband met de invoering van de 110%-regeling.

 

 

 

Naar boven