ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING GEMEENTE ALMELO 2026

De raad van de gemeente Almelo;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025,

 

inzake de Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2026;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

 

BESLUIT:

 

vast te stellen de volgende verordening:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo;

  • b.

    raad: gemeenteraad van de gemeente Almelo;

  • c.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:21 Awb, zijnde de aanspraak op financiële middelen, door het college verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het college geleverde goederen of diensten.

  • e.

    eenmalige subsidie: subsidie die wordt verstrekt ten behoeve van specifieke projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de rechtspersoon en waarvoor het college slechts voor een van tevoren bepaalde looptijd van het project of de activiteiten subsidie wil verstrekken;

  • f.

    jaarlijkse subsidie: subsidie die per kalenderjaar of voor een bepaald aantal kalenderjaren wordt verstrekt ten behoeve van de reguliere en in hoofdzaak verrichte activiteiten van die rechtspersoon;

  • g.

    subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidie krachtens een wettelijk voorschrift;

  • h.

    egalisatiereserve: een reserve bedoeld voor het dekken van risico’s als bedoeld in artikel 4:72, lid 1 Awb.

Artikel 2. Reikwijdte verordening

De raad stelt vast dat voor de volgende beleidsterreinen subsidie kan worden

verstrekt:

  • a.

    algemeen bestuur;

  • b.

    openbare orde en veiligheid;

  • c.

    verkeer, vervoer en waterstaat;

  • d.

    economie;

  • e.

    onderwijs;

  • f.

    cultuur, sport en recreatie;

  • g.

    sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening en activiteiten;

  • h.

    volksgezondheid en milieu;

  • i.

    klimaat en duurzaamheid;

  • j.

    ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en stedelijke vernieuwing.

Artikel 3. Bevoegdheid college

  • 1.

    Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies.

  • 2.

    Het college is bevoegd om voorschriften aan de beschikking tot subsidie¬verlening te verbinden.

  • 3.

    Het college kan ter uitvoering van deze subsidieverordening nadere regels vaststellen. Deze nadere regels kunnen onder meer betrekking hebben op de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen, de verdeling van de subsidie per beleidsterrein als in artikel 2 bedoeld, de aan de subsidieontvanger te stellen kwaliteitseisen, reservevorming en risico-inventarisatie.

  •  

Artikel 4. Rechtspersoonlijkheid

  • 1.

    Subsidie kan slechts worden verleend aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan subsidie, indien de doelmatigheid en doeltreffendheid zich daartegen niet verzetten, ook worden verleend aan rechtspersonen zonder volledige rechtsbevoegdheid.

HOOFDSTUK 2. SUBSIDIEPLAFOND EN BEGROTINGSVOORBEHOUD

Artikel 5. Subsidieplafond

  • 1.

    De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten tot het instellen van subsidie¬plafonds.

  • 2.

    Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen omtrent de verdeling van het beschikbare bedrag.

  • 4.

    De raad kan het subsidieplafond verlagen indien:

    • a.

      het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd, en

    • b.

      de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

  • 5.

    Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

Artikel 6. Begrotingsvoorbehoud

Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.

HOOFDSTUK 3. AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE EN BESLISTERMIJNEN

Artikel 7. Bij aanvraag in te dienen gegevens

  • 1.

    De aanvraag voor een subsidie wordt op de door het college voorgeschreven wijze ingediend bij het college.

  • 2.

    Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende gegevens en informatie:

  • a.

    een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor wordt aangevraagd (activiteitenplan);

  • b.

    een beschrijving van de doelstellingen en resultaten, die met de activiteiten worden nagestreefd, en van de wijze waarop de activiteiten aan dat doel bijdragen;

  • c.

    een beschrijving van de wijze waarop en mate waarin de activiteiten gericht zijn op de gemeente en/of haar ingezetenen en op door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsterreinen als in artikel 2 genoemd;

  • d.

    een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat tevens een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde en toegekende subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

  • e.

    jaarstukken of andere documenten waaruit de actuele stand van het (eigen) vermogen en de reserves van de aanvrager blijken;

  • f.

    de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag;

  • g.

    een verklaring van de aanvrager, dat in de aanvraag geen kosten met betrekking tot de bezoldiging van bestuurders of functionarissen zijn opgenomen die uitgaan boven de norm genoemd in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.

  • 3. Een rechtspersoon die voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie aanvraagt, voegt bij de aanvraag een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar.

  • 4. Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.

Artikel 8. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan uiterlijk 1 juli in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar, of de kalenderjaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt ingediend uiterlijk 13 weken voor aanvang van de projecten of activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regels andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.

  • 4.

    Indien bij het indienen van een aanvraag de termijnen als in het eerste en tweede lid niet zijn nageleefd, kan het college de subsidie weigeren.

Artikel 9. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Bij nadere regels en in specifieke gevallen kan het college van de in lid 1 en lid 2 genoemde termijnen afwijken. De aanvrager wordt hiervan voor het verstrijken van de uit lid 1 en lid 2 voortvloeiende beslistermijn op de hoogte gesteld.

  • 4.

    Bij aanvragen om subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47) worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

HOOFDSTUK 4. WEIGERING, INTREKKING EN WIJZIGING VAN DE SUBSIDIE

Artikel 10. Weigeringsgronden

  • 1.

    Naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 Awb genoemde gevallen, kan de subsidie geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat:

    • a.

      de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente;

    • b.

      de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie is gevraagd en beschikbaar zou worden gesteld;

    • c.

      de aanvrager doelstellingen beoogt, activiteiten ontplooit of boodschappen uitdraagt die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

    • d.

      de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente;

    • e.

      de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen (waaronder vermogen en reserves), hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;

    • f.

      de aanvrager voor de activiteiten reeds uit andere hoofde of op basis van een andere subsidieregeling van de gemeente gelden heeft ontvangen;

    • g.

      de subsidie niet noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • h.

      zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • i.

      de aanvrager niet voldoet aan enige bepaling uit deze verordening.

  • 2.

    Subsidie wordt voorts geweigerd indien:

    • a.

      de Europese Commissie ingevolge artikel 108, derde lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47) heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of

    • b.

      het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien subsidieverlening in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    • a.

      subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    • b.

      de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

Artikel 11. Intrekking en wijziging

Onverminderd het bepaalde in afdeling 4.2.6 Awb kan het college een verleende subsidie intrekken of ten nadele van de aanvrager wijzigen indien zich een van de omstandigheden voordoet als in artikel 10 bedoeld.

HOOFDSTUK 5. VERLENING VAN DE SUBSIDIE

Artikel 12. Verlening subsidie

  • 1.

    Het besluit tot verlenen van de subsidie bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend;

    • b.

      de periode waarvoor subsidie wordt verleend;

    • c.

      het bedrag van de verleende subsidie;

    • d.

      de voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn verbonden;

    • e.

      een beschrijving van de wijze waarop verantwoording van de subsidie dient plaats te vinden.

  • 2.

    Voorwaarden en verplichtingen als in het eerste lid onder d bedoeld kunnen, afgezien van de verplichtingen als in artikel 4:37 Awb bedoeld, betrekking hebben op:

    • a.

      het beheer en gebruik van de subsidie;

    • b.

      het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten;

    • c.

      duurzaamheid en bevordering van de kwaliteit van het milieu bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;

    • d.

      integratie van bepaalde bevolkingsgroepen dan wel emancipatie op een bepaald terrein;

    • e.

      de toegankelijkheid van de gesubsidieerde activiteiten voor mensen met een beperking;

    • f.

      andere verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 3.

    Het college kan bij de subsidieverlening voorts verplichtingen opleggen als bedoeld in artikel 4:39 Awb, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteiten worden verricht.

Artikel 13. Betaling en bevoorschotting

  • 1.

    Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.

  • 2.

    In overige gevallen wordt in het besluit tot subsidieverlening bepaald wanneer betaling plaatsvindt. Indien daarbij wordt besloten tot bevoorschotting van de subsidie, worden in het besluit tot subsidieverlening de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald.

HOOFDSTUK 6. VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER

Artikel 14. Meldingsplicht

Onverminderd de in het besluit tot verlening van de subsidie opgenomen voorwaarden en verplichtingen als in artikel 12 bedoeld, doet de ontvanger van subsidie zo spoedig mogelijk mededeling aan het college van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag dan wel een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Bij deze mededeling worden de voor die mededeling relevante stukken overgelegd.

Artikel 15. Overige verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    Onverminderd de in het besluit tot verlening van de subsidie opgenomen voorwaarden en verplichtingen is de subsidieontvanger verplicht tot het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, alsook tot het effectief en efficiënt besteden van de ontvangen subsidiegelden ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten.

  • 2.

    De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over:

    • a.

      besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel ontbinding van de rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan het besluit tot subsidieverlening verbonden voorwaarden geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon.

  • 3. De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Awb. Zonder deze toestemming is het de subsidieontvanger niet toegestaan om deze handelingen te verrichten.

HOOFDSTUK 7. VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE

Artikel 16. Verantwoording en vaststelling subsidies tot en met € 10.000,--

  • 1.

    Subsidies tot en met € 10.000,-- worden door het college:

    • a.

      direct met de subsidieverlening vastgesteld, of

    • b.

      ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de activiteiten op grond van het besluit tot subsidieverlening uiterlijk moeten zijn verricht.

  • 2.

    Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het college de aanvrager in het besluit tot verlening van de subsidie verplichten om op de door het college aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat ook is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Het college kan hierbij een termijn stellen waarbinnen een en ander moet zijn aangetoond.

Artikel 17. Verantwoording subsidies van meer dan € 10.000,-- tot en met € 125.000,--

  • 1.

    Indien de in totaal verleende subsidie meer dan € 10.000,-- en maximaal € 125.000,-- bedraagt, dient een aanvraag tot vaststelling van de subsidie te worden ingediend:

    • a.

      bij eenmalige subsidies uiterlijk binnen 13 weken nadat de activiteiten waarop de subsidie betrekking heeft zijn verricht;

    • b.

      bij jaarlijkse subsidies uiterlijk voor 1 juni in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2. Indien de verleende subsidie niet meer dan € 50.000,-- bedraagt, worden bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in ieder geval de volgende gegevens gevoegd:

    • c.

      een verslag waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • d.

      een financieel verslag waaruit de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten blijken.

  • 3. Indien de verleende subsidie € 50.000,-- of meer bedraagt, wordt bij de aanvraag naast de gegevens als in het tweede lid bedoeld, een jaarrekening overgelegd die betrekking heeft op het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend.

  • 4. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 18. Verantwoording subsidies van meer dan € 125.000,--

  • 1.

    Indien de in totaal verleende subsidie meer dan € 125.000,-- bedraagt, dient een aanvraag tot vaststelling van de subsidie te worden ingediend voor 1 juni in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarvoor of waarin de subsidie is verleend.

  • 2.

    Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt naast de gegevens als in artikel 17, lid 2 en lid 3 genoemd, een controleverklaring van de accountant gevoegd.

  • 3.

    Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

Artikel 19. Beslistermijn vaststelling subsidie

  • 1.

    Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

  • 2.

    Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling, doch in ieder geval voor het aflopen van de termijn als in lid 1 bedoeld.

  • 3.

    Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet binnen de in artikel 17 en 18 geregelde termijn is ingediend, stelt het college de subsidieontvanger in de gelegenheid om de aanvraag tot vaststelling alsnog binnen een daarbij te bepalen termijn in te dienen. Indien de aanvraag tot vaststelling binnen deze nadere termijn nog altijd niet is ingediend, gaat het college over tot ambtshalve vaststelling.

HOOFDSTUK 8. AANVULLENDE BEPALINGEN OVER MEERJARENSUBSIDIES

Artikel 20. Meerjarensubsidies

Dit hoofdstuk is in aanvulling op de voorgaande bepalingen van toepassing op een jaarlijkse subsidie die voor meerdere jaren wordt verstrekt.

Artikel 21. Periodiek verstrekken van gegevens

  • 1.

    Indien een jaarlijkse subsidie voor meerdere jaren wordt verleend, wordt aan de subsidieverlening de verplichting verbonden tot het periodiek aan het college verstrekken van gegevens die voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

  • 2.

    Bij de subsidieverlening wordt bepaald welke gegevens in verband met het eerste lid dienen te worden overlegd en op welke tijdstippen.

  • 3.

    Tot de gegevens als in het tweede lid bedoeld behoren in ieder geval de gegevens als bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid.

Artikel 22 Vaststelling van de subsidie

  • 1.

    In geval van een jaarlijkse subsidie die voor meerdere jaren wordt verleend, wordt het verzoek tot vaststelling ingediend voor 1 juni in het kalenderjaar volgend op het laatste kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2.

    Op de vaststelling is voor het overige het bepaalde in Hoofdstuk 7 van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 9. OVERIGE BEPALINGEN OVER SUBSIDIES

Artikel 23. Vergoeding aan de gemeente bij vermogensvorming

  • 1.

    In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb kan het college een vergoedingsplicht opleggen.

  • 2.

    In het geval dat het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, die uitgaat boven hetgeen als maximale egalisatiereserve is vastgelegd, is de subsidie-ontvanger daar eveneens een vergoeding over verschuldigd.

  • 3.

    Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidie-ontvanger wordt ontvangen.

  • 4.

    Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing in die gevallen waarin de activiteiten door een derde worden voortgezet en activa en passiva met toestemming van het college tegen boekwaarde aan die derde worden overgedragen.

Artikel 24. Liquidatiesaldo

  • 1.

    De bestemming van een eventueel batig liquidatiesaldo bij ontbinding van een subsidieontvanger behoeft de voorafgaande goedkeuring van het college. Het college houdt daarbij rekening met de herkomst en samenstelling van het liquidatiesaldo.

  • 2.

    Het college neemt een besluit binnen acht weken na ontvangst van het voorstel van de subsidieontvanger.

  • 3.

    Indien het college het voorstel afwijst, geeft het tevens een aanwijzing met betrekking tot de gewenste bestemming.

  • 4.

    Indien de subsidieontvanger binnen een door het college te bepalen termijn geen gevolg geeft aan de aanwijzing, kan het college bepalen dat gehele of gedeeltelijke storting in de gemeentekas plaatsvindt.

  • 5.

    Bij het vaststellen of wijzigen van de statuten wordt rekening gehouden met het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 25. Toestemming voor specifieke activiteiten

  • 1.

    Het is voor de subsidieontvanger verboden om één van de activiteiten als bedoeld in artikel 4:71, lid 1 Awb te verrichten zonder toestemming van het college.

  • 2.

    Het college beslist op een verzoek om toestemming binnen vier weken. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste vier weken worden verdaagd.

Artikel 26. Egalisatiereserve

  • 1.

    In gevallen waarin voor ten minste drie achtereenvolgende jaren aan dezelfde subsidieontvanger een jaarlijkse subsidie is verleend, kan het college bij de verlening van subsidie bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve vormt.

  • 2.

    De egalisatiereserve over een kalenderjaar bedraagt niet meer dan 10% van het voor dat kalenderjaar verleende subsidiebedrag.

  • 3.

    Het college kan in afwijking van het tweede lid een hogere egalisatiereserve toestaan.

  • 4.

    Zonder toestemming van het college mag de egalisatiereserve enkel worden benut voor het afdekken van exploitatietekorten. Indien de subsidieontvanger de egalisatiereserve voor een ander doel wil benutten, is daarvoor toestemming van het college vereist.

  • 5.

    Het bepaalde in artikel 4:72, tweede tot en met vijfde lid Awb is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN

Artikel 27. Zaken waarin de verordening niet voorziet

In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 28. Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen kan het college één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 29. Intrekking Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013

De Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013 wordt ingetrokken.

Artikel 30. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

  • 2.

    Op aanvragen om subsidieverlening die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening, blijft de Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013 van toepassing totdat op deze aanvragen is beslist.

Artikel 31. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2026’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 december 2025,

de griffier, de burgemeester,

drs. J.W. Scherpenzeel R.T.A Korteland

Toelichting Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2026

Algemeen

Aanleiding

De vigerende Algemene subsidieverordening (Asv) dateert uit 2013. Nadien zijn er in de uitvoeringspraktijk ontwikkelingen geweest en is de Kadernota subsidiebeleid gemeente Almelo 2025-2030 vastgesteld. Dit alles is aanleiding geweest om de Asv te actualiseren. Op die manier wordt bereikt dat de Asv ook de komende jaren een duidelijk kader biedt waarbinnen subsidieaanvragen worden behandeld. In zijn algemeenheid geldt dat de Asv duurzaam, gebruiksvriendelijk en efficiënt is en bovenal aansluit op de praktijk in Almelo. De nieuwe Asv voldoet aan deze uitgangspunten, en ook aan de subsidieregels uit Hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Enkele belangrijke onderdelen uit de Asv worden hieronder verder toegelicht.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Naast een aantal algemene begrippen wordt in artikel 1 onder meer aangegeven welke subsidies worden onderscheiden:

 

  • 1.

    Eenmalige subsidies: Een eenmalige subsidie wordt eenmalig verstrekt voor projecten of activiteiten.

  • 2.

    Jaarlijkse subsidies: Een jaarlijkse subsidie is een subsidie voor één of meer kalenderjaren, bedoeld voor reguliere activiteiten. Het kan daarbij gaan om voortdurende activiteiten, die het gehele jaar door worden uitgevoerd, maar ook om kortstondige activiteiten die jaarlijks terugkeren. Het komt veel voor dat aan bepaalde rechtspersonen voor meerdere jaren achtereen subsidie wordt verleend. Dat kan in de vorm van een jaarlijks terugkerende subsidieverlening, maar dat kan ook in de vorm van een subsidieverlening die betrekking heeft op meerdere jaren. In dat laatste geval dient wel jaarlijks ter verantwoording bepaalde informatie te worden overgelegd. Dat is ook in de Asv geregeld.

Artikel 2. Reikwijdte verordening

In het eerste lid wordt aangegeven voor welke beleidsterreinen subsidies kunnen worden verstrekt. Het ligt voor de hand dat de opsomming van beleidsterreinen aansluit bij de indeling van de programmabegroting.

Er is voor gekozen om zo veel mogelijk op te nemen in deze verordening. Op die manier wordt bereikt dat zowel burger als bestuur direct en zonder zich teveel in onderliggende zaken als beleidsregels en raadsbesluiten hoeven te verdiepen om na te gaan of de betreffende activiteit voor verlening van een subsidie in aanmerking kan komen.

Door de veelheid en verscheidenheid van subsidiemogelijkheden is uiteraard niet te vermijden, dat op onderdelen nadere regels noodzakelijk zullen blijken.

Artikel 3. Bevoegdheid college

Het college besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door de raad vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en deze Algemene subsidieverordening.

Met besluiten over het verstrekken van subsidies (in plaats van verlenen van subsidies) wordt beoogd de bevoegdheid te geven voor het nemen van besluiten over het gehele subsidieproces. Daaronder valt bijvoorbeeld ook bevoorschotting, lager vaststellen en terugvorderen van subsidies.

Op grond van het tweede lid kan het college voorschriften aan de subsidie verbinden. Dat is verderop in de Asv nader uitgewerkt, door explicieter te regelen welke verplichtingen en voorwaarden aan de subsidieverlening kunnen worden verbonden. Het derde lid geeft de grondslag voor het stellen van nadere regels door het college. Die nadere regels kunnen allerlei onderwerpen betreffen. Voorbeelden van die onderwerpen worden in het derde lid genoemd. Dit is geen limitatief overzicht. Nadere regels kunnen per beleidsterrein worden vastgesteld, en kunnen per beleidsterrein ook verschillen.

Artikel 4. Rechtspersoonlijkheid

Uitgangspunt is dat subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen die volledige rechtspersoonlijkheid bezitten, zoals een naamloze vennootschap, besloten vennootschap, stichting of vereniging.

Lid 2 biedt tevens de mogelijkheid om daarvan in bijzondere gevallen af te wijken, en subsidie te verlenen aan rechtspersonen zonder volledige rechtspersoonlijkheid.

Artikel 5. Subsidieplafond

De raad stelt jaarlijks subsidieplafonds vast en maakt daarbij de wijze van verdeling van de beschikbare middelen bekend. Eventueel kan het college nadere regels opstellen omtrent de wijze van verdeling van de beschikbare middelen.

Het subsidieplafond is het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies op een bepaald terrein of voor een bepaalde activiteit. Als het subsidieplafond is bereikt, kunnen er gedurende het lopende jaar op basis van de verordening geen subsidies meer verstrekt worden.

Door in de gemeentelijke begroting een budget te ramen voor de uitvoering van een bijzondere subsidieverordening treedt er niet automatisch een plafond in werking. Als een aanvraag voldoet aan alle vereisten die in een verordening staan terwijl het subsidiebudget inmiddels volledig is besteed en er is géén subsidieplafond vastgesteld, dan zal de aanvraag toch gehonoreerd moeten worden.

Andersom is ook waar: als een subsidieplafond lager wordt vastgesteld dan het in de begroting geraamde budget (bijvoorbeeld omdat het budget niet alleen zal worden besteed aan subsidies) én dat plafond is bereikt, dan moet een aanvraag worden afgewezen, ook als die aan alle vereisten die in een verordening staan, voldoet en ondanks het feit dat er nog wel budget op de begroting aanwezig is.

Artikel 6. Begrotingsvoorbehoud

In dit artikel is bepaald dat als de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld en er formeel dus nog geen financiële ruimte door de raad beschikbaar is gesteld, subsidie slechts wordt verleend onder de voorwaarde dat de raad daarvoor geld beschikbaar zal stellen; het zogenoemde begrotingsvoorbehoud.

Artikel 7. Bij aanvraag in te dienen gegevens

In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie wordt gedaan op de wijze die het college heeft voorgeschreven. In de gemeente Almelo worden subsidies via het subsidieportaal ingediend. Hierbij is inloggen met e-herkenning vereist.

Het tweede lid geeft een opsomming van gegevens die bij een aanvraag moeten worden overgelegd. Voor de uitvoeringspraktijk is onderdeel e een belangrijk element. Op grond hiervan moeten documenten worden aangeleverd waaruit de financiële reserve en het vermogen van een organisatie blijkt. Het kan hier gaan om jaarstukken, bankafschriften etc.. Deze documenten zijn van belang om te beoordelen of het verlenen van subsidie wel nodig is, dan wel dat de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende middelen beschikt om de betreffende activiteiten te kunnen verrichten. Indien dat laatste zo is, kan de subsidie op grond van artikel 10, lid 1 onder e worden geweigerd.

Artikel 8. Aanvraagtermijn

Hier worden de termijnen genoemd, waarbinnen aanvragen voor subsidie dienen te zijn ingediend bij het college. In dit artikel wordt slechts een uiterste indiendatum genoemd voor het aanvragen van subsidies.

Artikel 9. Beslistermijn

In artikel 9 worden de termijnen gegeven, waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie.

Voor zover een aanvraag niet compleet is, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen (dit vloeit voort uit artikel 4:5 Awb). De beslistermijn wordt opgeschort vanaf de dag nadat de aanvrager is uitgenodigd de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de termijn daarvoor is verstreken (artikel 4:5, eerste lid onder a Awb). Wordt de aanvraag niet of niet voldoende aangevuld, dan kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Dat besluit moet worden genomen binnen vier weken nadat de hersteltermijn ongebruikt is verlopen of de aanvraag onvoldoende is aangevuld (artikel 4:5, vierde lid Awb).

Artikel 10. Weigeringsgronden

De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb, worden hier met een aantal nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden weigeringsgronden aangevuld. Dit betreft bijvoorbeeld de grond dat de activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente Almelo, dan wel haar ingezetenen of daaraan niet of nauwelijks ten goede komen.

Eerder in deze toelichting, bij artikel 7, werd al gewezen op de weigeringsgrond in de situatie dat niet is aangetoond dat subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. Deze situatie kan zich voordoen als het vermogen, de reserves, eigen inkomsten etc. voldoende zijn voor het financieren van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Artikel 11. Intrekking en wijziging

In artikel 11 wordt duidelijk gemaakt dat de weigeringsgronden uit artikel 10 na subsidieverlening ook aanleiding kunnen geven voor intrekking of wijziging van de verleende subsidie.

Artikel 12. Verlening subsidie

Het besluit tot verlening van de subsidie noemt de voorwaarden en verplichtingen en geeft aan hoe verantwoording dient plaats te vinden. De verplichtingen zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 6 van de Asv, de wijze van verantwoording in hoofdstuk 7.

Artikel 13. Betaling en bevoorschotting

Voorschotten worden verstrekt volgens het in de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor bevoorschotting in te dienen. Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren activiteit is ervoor gekozen om de termijnen waarop de (automatische) bevoorschotting plaatsvindt, niet in de verordening te noemen.

De subsidieontvanger is volgens artikel 14 verplicht te melden, indien er omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende bedrag. De subsidieverstrekker kan vervolgens, indien nodig, door een wijziging van de verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten aanpassen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten) uitgekeerd aan de subsidieontvanger.

Artikel 14. Meldingsplicht

Relevante omstandigheden dienen zo spoedig mogelijk te worden gemeld. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie waarin het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. Melding van dergelijke omstandigheden is noodzakelijk omdat dan kan worden onderzocht of er aanleiding is de subsidieverlening te wijzigen of in te trekken, dan wel om de subsidie lager vast te stellen.

Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien de omstandigheden achteraf blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidie worden ingetrokken. Dit op de grond dat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de subsidie onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige subsidieverordening.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te voeren.

Artikel 15. Overige verplichtingen van de subsidieontvanger

In artikel 15 zijn de overige verplichtingen van de ontvanger van de subsidie opgenomen, alsook de plicht om belangrijke ontwikkelingen bij de aanvrager te melden aan het college.

Artikel 16. Verantwoording en vaststelling subsidies tot en met 10.000 euro

Kenmerkend voor subsidies tot en met 10.000 euro is dat er een bedrag wordt verleend en direct wordt vastgesteld. De subsidieontvanger hoeft achteraf niet standaard een verantwoording af te leggen en dus ook niet om subsidievaststelling te vragen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard.

Als de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel a worden toegepast. Hebben de activiteiten nog niet plaatsgevonden, dan zal het college binnen 13 weken na het verrichten van de activiteiten tot vaststelling overgaan. In deze situatie kan het college op grond van het tweede lid de aanvrager opdragen om aan te tonen dat de activiteiten zijn verricht en dat aan de subsidieverplichtingen is voldaan.

Steekproefsgewijze controle na de vaststelling is mogelijk, maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering.

Artikel 17. Verantwoording subsidies van meer dan 10.000 euro tot en met 125.000 euro

In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 12, eerste lid, wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.

Bij subsidies van meer dan 10.000 euro tot en met 125.000 euro (of meer; daarop ziet artikel 18) wordt uitgegaan van afrekening van subsidies op basis van gerealiseerde activiteiten/ prestaties en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Dit maakt dat ten behoeve van de vaststelling in ieder geval de volgende informatie moet worden verstrekt:

  • 1.

    Activiteitenverslag: hiermee kan de subsidieontvanger aantonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd.

  • 2.

    Financieel verslag: hieruit kunnen de aan activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten worden afgeleid.

Artikel 18. Verantwoording subsidies van meer dan 125.000 euro

Ook bij subsidies van 125.000 euro of meer wordt uitgegaan van afrekening van subsidies op basis van gerealiseerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Naast een activiteitenverslag en een financieel verslag (zie ook bij artikel 17) moeten ook worden overgelegd:

  • 1.

    Een getekende jaarrekening inclusief een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.

  • 2.

    Een controleverklaring van de accountant. Dit is een rapport van een accountant waarin hij zijn oordeel geeft over de getrouwheid van de jaarrekening of een ander financieel overzicht van een organisatie. De accountant controleert of de subsidiegelden zijn besteed aan de activiteiten die benoemd zijn in de beschikking.

Artikel 19. Beslistermijn vaststelling subsidie

In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake van de vaststelling van de subsidie.

Voor zover een aanvraag tot vaststelling niet compleet is, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de verantwoording aan te vullen.

De beslistermijn wordt opgeschort vanaf de dag nadat de aanvrager is uitgenodigd de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. Wordt de aanvraag niet of niet voldoende aangevuld, dan kan de subsidie ambtshalve door het college vastgesteld worden.

Artikel 20 tot en met 22

De artikelen 20 tot en met 22 zijn opgenomen in een hoofdstuk over meerjarensubsidies. Dat zijn jaarlijkse subsidies die voor meerdere jaren worden verleend. In geval van een dergelijke meerjarensubsidie vindt niet jaarlijks een formele vaststelling van de subsidie plaats. Die vaststelling vindt plaats na afloop van de looptijd van de subsidie, en een aanvraag daartoe dient dan voor 1 juni in het daarop volgende kalenderjaar te worden ingediend. Dat is geregeld in artikel 22.

Tussentijds dient wel verslag te worden gedaan. Daarvoor is in artikel 21 geregeld dat in de subsidieverlening wordt opgenomen dat op bepaalde momenten bepaalde gegevens aan het college dienen te worden verstrekt. Deze tussentijdse verantwoording is nodig om tussentijds te kunnen controleren of de subsidieontvanger nog altijd aan alle subsidieverplichtingen voldoet.

De regeling sluit aan bij artikel 4:67 Awb.

Artikel 23. Vergoeding aan de gemeente bij vermogensvorming

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 4:41 van de Awb, een facultatief wetsartikel; de verordening moet een grondslag bieden om hiervan gebruik te maken.

De subsidieontvanger is onder bepaalde omstandigheden verplicht tot het betalen van een vergoeding aan de gemeente, wanneer subsidie tot vermogensvorming bij de subsidieontvanger heeft geleid.

Hierbij gaat het in het bijzonder om situaties, waarbij vermogensbestanddelen niet langer dienen voor de verwezenlijking van het doel, waarvoor subsidie is verleend.

Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een instelling zichzelf ontbindt of een vorm van samenwerking met een andere instelling aangaat en het mede door middel van subsidie in eigendom verworven instellingspand verkoopt.

Deze vergoedingsverplichting is wel gekoppeld aan een verjaringstermijn van maximaal vijf jaar.

Artikel 24. Liquidatiesaldo

De bedoeling van dit artikel is, dat indien in geval van ontbinding van de subsidieontvanger met subsidie verkregen eigendommen aan de doelstelling zouden worden onttrokken, een evenredig deel van het vermogen dat met de subsidie is opgebouwd, terugvloeit naar de gemeente.

Het vijfde lid is bedoeld om te voorkomen dat een instelling in verband met het naleven van deze verplichting ten opzichte van de gemeente in strijd moet handelen met haar statuten.

Artikel 25. Toestemming voor specifieke activiteiten

De aanvrager behoeft toestemming van het college voor de activiteiten die zijn opgenomen in artikel 4:71, lid 1 Awb. Eén van die activiteiten (genoemd in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel g Awb) betreft het vormen van fondsen en reserveringen. Daarvoor is dus toestemming nodig. Voorkomen moet worden dat de ontvanger subsidiegeld ongewenst oppot dan wel daarmee een vermogen opbouwt. Door de toets hierop bij het college te leggen, kan zo nodig per geval maatwerk worden toegepast.

Artikel 26. Egalisatiereserve

Voor structurele subsidies aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid geldt niet de algemene verplichting een egalisatiereserve te vormen. Per instelling beoordeelt het college de noodzaak of wenselijkheid daarvan. Indien het college het vormen van een egalisatiereserve wenselijk of noodzakelijk acht, kan daartoe een verplichting worden opgelegd.

Een egalisatiereserve kan noodzakelijk zijn om eventuele tegenvallers op te vangen en mag enkel benut worden voor het afdekken van exploitatietekorten.

Artikel 27. Zaken waarin de verordening niet voorziet

De regels over subsidie in deze verordening en in de Awb zijn op zichzelf bezien compleet. Toch kan zich in de praktijk een situatie voordoen waaraan bij het opstellen van de verordening niet is gedacht en waarin de verordening niet voorziet. Voor die uitzonderlijke situaties regelt artikel 27 dat het college mag beslissen.

Als het gaat om situaties die zich vaker voordoen, dan kan er aanleiding zijn de verordening aan te passen. Ook dan heeft artikel 27 toegevoegde waarde, omdat

de tijd die gemoeid is met het aanpassen van de verordening (in verband met voorgeschreven termijnen of belangen van de gemeente en/of instellingen) te lang kan zijn.

Artikel 28. Hardheidsclausule

Naast situaties waarin de verordening niet voorziet (zie hiervoor in artikel 27) kunnen zich ook bijzondere situaties voordoen waarin toepassen van de verordening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor die situaties geeft de in artikel 28 opgenomen hardheidsclausule de mogelijkheid om van de verordening af te wijken. Deze hardheidsclausule dient terughoudend en met grote zorgvuldigheid te worden toegepast.

Artikel 29. Intrekking Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013

Gekozen is voor een nieuwe verordening en niet voor wijziging van de Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013. Dit vanwege de grote hoeveelheid wijzigingen. Met de vaststelling van de nieuwe verordening wordt de Asv 2013, laatstelijk gewijzigd op 5 juni 2021, ingetrokken.

Artikel 30. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

Voor de hier opgenomen overgangs- en slotbepalingen is gebruik gemaakt van de daarvoor gebruikelijke formuleringen.

Aanvragen om subsidie die zijn ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van deze verordening, vallen onder de werking van de Asv 2026.

Dat geldt ook voor aanvragen om vaststelling van subsidies die voor inwerkingtreding van de Asv 2026 (en dus op grond van de Asv 2013) zijn verleend. De Asv 2013 blijft enkel van toepassing op aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van de Asv 2026 en waarop ten tijde van die inwerkingtreding nog niet is beslist.

Naar boven