Verordening Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2025

De gemeenteraad van Wassenaar,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 oktober 2025;

 

overwegende de ambitie om een uitvoerbaar en juridisch actueel jeugdhulpbeleid uit te voeren;

 

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;

 

gelet op artikel 2.9 van de Jeugdwet;

 

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein;

 

 

b e s l u i t:

 

De Verordening Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2025 vast te stellen.

 

Hoofdstuk 1: Definities en afbakening

Artikel 1. Definities

Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten passend binnen de Jeugdwet dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is.

 

Andere voorziening: Voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.

 

Budgetbeheerder: Wettelijke vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder.

 

Budgethouder: De persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet.

 

Cliëntondersteuning: Ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige en de ouder(s) en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke, ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

 

College: College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar.

 

Eigen kracht: De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (capaciteit), tijd en middelen van de jeugdige en/of ouder(s) om, zelf of met personen uit het sociaal netwerk, de opgroei en/of opvoedingsproblemen op te lossen

 

Familiegroepsplan: Hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld (in aanvulling op een ondersteuningsplan) door of met de ouder(s), samen met de familie, aanverwanten, jeugdhulpverlener of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige en de ouder(s) behoren.

 

Hulpvraag: Behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.

 

Individuele voorziening: Een op de jeugdhulpbehoefte van de jeugdige of zijn ouder toegesneden voorziening dan wel een voorziening bedoeld voor een groep jeugdigen met specifieke kenmerken waarvoor het college een beschikking afgeeft.

 

Informatiestandaard Jeugdwet (iJw): Door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15 derde lid, van de Jeugdwet, bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1 van de Regeling Jeugdwet.

 

Jeugdhulp:

  • 1.

    Ondersteuning van hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouder(s) bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen.

  • 2.

    Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.

  • 3.

    Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. De leeftijdsgrens van achttien jaar geldt niet voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

Jeugdhulpaanbieder:

  • 1.

    Natuurlijke of rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college.

  • 2.

    Solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college.

Jeugdige: Een persoon die:

  • 1.

    De leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.

  • 2.

    De leeftijd van achttien jaar heeft bereikt ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of:

  • 3.

    De leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt voor zover de te verlenen jeugdhulp uit pleegzorg bestaat, indien:

    • -

      de pleegzorg was aangevangen voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, of:

    • -

      de pleegzorg die was aangevangen voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar binnen een termijn van een half jaar na beëindiging wordt hervat, of:

  • 4.

    Onverminderd onderdeel 3, de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van de Jeugdwet:

    • -

      is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1 van de begripsbepaling van jeugdhulp, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is;

    • -

      vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of;

    • -

      is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.

Jeugdwet: De Jeugdwet is bedoeld voor jeugdigen (kinderen en jongeren) tot 18 jaar en hun ouders die ondersteuning nodig hebben bij het opgroeien of bij de opvoeding.

 

Lokale toegang gemeente Wassenaar: Een op gemeentelijk niveau georganiseerd multidisciplinair team van professionals die de eerste verheldering van de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) doet, waar mogelijk verwijst naar een algemene voorziening en/of de aanvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en kan eventueel worden doorgeleid naar het college voor de toegang tot individuele voorzieningen.

 

Ondersteuningsplan: Een plan met daarin:

  • -

    een beschrijving van de hulpvraag;

  • -

    de doelen van de behandeling met een beoogd resultaat;

  • -

    welk deel van de hulpvraag binnen het eigen netwerk kan worden opgepakt;

  • -

    de algemene gegevens van de jeugdige en zijn systeem;

  • -

    en de afspraken die zijn gemaakt over de inhoud van de jeugdhulp.

Dit plan is de basis voor de in te zetten jeugdhulp. De inhoud van het plan wordt in dialoog tussen de jeugdige en/of ouder(s) door de jeugdhulpverlener ontwikkeld. Indien nodig wordt niet alleen een ondersteuningsplan gemaakt voor de jeugdige, maar voor het gehele gezin.

 

Ouder: Gezaghebbende ouder, adoptieouder, stiefouder, voogd, wettelijk vertegenwoordiger of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

 

Pgb: Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.

 

Vaktherapie: Overkoepelende naam voor de vaktherapeutische disciplines. Hieronder wordt verstaan beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie.

 

VOG: Verklaring Omtrent het Gedrag

 

Zorg in natura (ZIN): Een door het college verstrekte voorziening die door de gemeente rechtstreeks wordt betaald.

Artikel 2. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake

  • 1.

    Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners die daarom verzoeken:

    • a.

      kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke hulpvraag;

    • b.

      kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van:

      • het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in de Jeugdwet, en

      • hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd;

    • c.

      worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en

    • d.

      dat degene die een aanvraag indient, wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke en kosteloze cliëntondersteuning.

  • 2.

    Op verzoek van de betrokkene kunnen relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs

De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld:

 

  • 1.

    Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.

  • 2.

    Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet.

  • 3.

    Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning onder de jeugdhulpplicht vanuit de Jeugdwet.

  • 4.

    Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs tot een duidelijke analyse van het onderwijsgerelateerde probleem gericht op het leerproces met een daarbij passende schoolgerichte oplossing te komen voor de hulpvraag.

Artikel 4. Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg

De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet langdurige zorg is als volgt geregeld:

 

  • 1.

    Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft:

    • a.

      ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige of;

    • b.

      omdat jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen,

      • i.

        door fysieke problemen, of

      • ii.

        door zware regieproblemen.

  • 2.

    Ondersteuning die gezien voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet valt, betreft:

    • a.

      logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg;

    • b.

      verblijf in een instelling op basis van een Wlz-indicatie;

    • c.

      vervoer naar en van een locatie voor Wet langdurige zorg.

  • 3.

    Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit, bijvoorbeeld bij de noodzaak tot meer dan 4 dagdelen dagbesteding, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet.

  • 4.

    Van de jeugdhulpaanbieder wordt een actieve medewerking gevraagd voor het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg.

  • 5.

    Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een voorziening voor jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg.

Artikel 5. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet

De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld:

 

  • 1.

    Indien jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn:

    • a.

      hulpmiddelenzorg;

    • b.

      ziekenvervoer;

    • c.

      zintuiglijke gehandicaptenzorg.

  • 2.

    Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, verleent het college een voorziening.

  • 3.

    Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.

  • 4.

    Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Jeugdhulp met verblijf valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als het een verblijf van jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf.

  • 5.

    Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als onderdeel van een (totaal)behandelplan en als als de uitvoering door of onder verantwoordelijkheid van een jeugdhulpverlener gebeurt die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

Artikel 6. Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is als volgt geregeld:

 

Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet, tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het betreft dan bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening voor opvang, indien jeugdige met (een van) de ouder(s) meekomt als een ouder de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld, mishandeling of een huisuitzetting.

Artikel 7. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen

De afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen is als volgt geregeld:

 

  • a.

    Het college ziet erop toe dat de lokale toegang, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering vroegtijdig signaleren.

  • b.

    Het college ziet er daarnaast op toe dat jeugdigen en hun ouder(s) waar nodig de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen krijgen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen – om de financiële belemmeringen weg te nemen.

  • c.

    Het college ziet erop toe dat er voorzieningen beschikbaar zijn op het terrein van arbeidsparticipatie van jonggehandicapten en draagt zorg voor voldoende mogelijkheden van loonkostensubsidies en beschut werk voor deze doelgroep op het moment dat zij 18 jaar worden.

Artikel 8. Kinderopvang en buitenschoolse opvang

  • 1.

    Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.

  • 2.

    In uitzonderlijke situaties, als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse kortdurende opvang begeleiding worden ingezet.

Artikel 9. Dyslexie

  • 1.

    De zorg voor kinderen met ernstige dyslexie (ED) vanaf de leeftijd van zeven jaar tot het einde van de basisschoolperiode valt onder de Jeugdwet. De overige vormen van dyslexie vallen niet onder de Jeugdwet.

  • 2.

    Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de school en de jeugdhulpaanbieder volgens het meest actuele Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling hebben gehandeld, voorafgaand aan de aanvraag voor diagnostisch onderzoek.

Artikel 10. Vervoer

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 3.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.

  • 4.

    Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. Van onvoldoende eigen mogelijkheden of probleemoplossend vermogen is sprake als de deskundige constateert dat de jeugdige ernstige gedragsproblemen heeft, waardoor reizen met de fiets, openbaar vervoer onder begeleiding van ouders of andere personen uit het netwerk en vervoer in de auto niet mogelijk is.

  • 5.

    Het college kan nadere regels stellen omtrent het jeugdhulpvervoer.

Artikel 11. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1.

    Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van de volgende voorliggende wetten:

    • a.

      de Leerplichtwet;

    • b.

      de Participatiewet;

    • c.

      de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • d.

      de Wet Inburgering 2021;

    • e.

      de Wet kinderopvang;

    • f.

      de Wet langdurige zorg;

    • g.

      de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • h.

      de Wet passend onderwijs;

    • i.

      de Wet publieke gezondheid;

    • j.

      de Wet tijdelijk huisverbod;

    • k.

      de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en

    • l.

      de Zorgverzekeringswet,

    zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.

  • 2.

    Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:

    • a.

      voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning zoveel als mogelijk is afgerond; en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

  • 3.

    Ter uitvoering van het tweede lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. Daar waar nodig betrekt het college ook het onderwijs.

Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp

Artikel 12. Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Informatie en advies;

    • b.

      Jeugdgezondheidszorg;

    • c.

      Schoolmaatschappelijk werk;

    • d.

      Maatschappelijk werk;

    • e.

      Jongerenwerk;

    • f.

      Opvoedondersteuning;

    • g.

      Gezinsbegeleiding.

  • 2.

    De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar (na beschikking):

    • a.

      Crisisopvang;

    • b.

      Landelijk ambulant en verblijf;

    • c.

      Ambulante jeugd-ggz;

    • d.

      Ambulante jeugdhulp;

    • e.

      Verblijf met en zonder behandeling;

    • f.

      Dagbehandeling en dagbesteding Jeugd;

    • g.

      Juridische jeugdinterventies;

    • h.

      Hulp op basis van sociaal medische indicaties;

    • i.

      Vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden.

  • 3.

    De maximale duur en frequentie van de in lid 2 genoemde individuele voorzieningen is vastgelegd in het Regionaal Richtinggevend Kader en het Regionaal Normenkader. Het college is bevoegd deze kaders vast te stellen.

  • 4.

    Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het derde lid van dit artikel met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen:

    • a.

      doelgroepen;

    • b.

      activiteiten;

    • c.

      doorlooptijd;

    • d.

      intensiteit;

    • e.

      kwaliteit;

    • f.

      beoogd resultaat; en

    • g.

      vermelding productcode iJW.

Hoofdstuk 3: Toegang en onderzoek

Artikel 13. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Bij een verwijzing door de huisarts, jeugdarts of een andere medisch specialist van een en/of de ouders voor hulp, overlegt de jeugdhulpaanbieder waarnaar verwezen wordt, met de lokale toegang over de toeleiding, continuïteit en bekostiging. De beoordeling over de aard en omvang berust primair bij de medisch verwijzer en de beoogde jeugdhulpaanbieder. Bij gerede twijfel kan het college onafhankelijk medisch advies inwinnen.

  • 2.

    Bij een verwijzing door de huisarts, jeugdarts of een andere medisch specialist naar een jeugdhulpaanbieder houdt het college zich het recht voor in een beschikking vast te leggen om welke te verstrekken voorziening het gaat, de omvang daarvan, het beoogde resultaat, de ingangsdatum en duur van de verstrekking en de wijze van verstrekking.

  • 3.

    Het college geeft alleen een beschikking af voor een individuele voorziening van een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente een contractuele- of subsidierelatie heeft.

  • 4.

    Van het derde lid kan worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.

Artikel 14. Toegang jeugdhulp via de lokale toegang

  • 1.

    Jeugdigen en ouder(s) kunnen een aanvraag doen bij het college. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de hulpvraag.

  • 2.

    Het eerste schriftelijke contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15. Toegang via justitieel kader

  • 1.

    Het college is bij verwijzing van een jeugdige en/of de ouders voor hulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting alleen verantwoordelijk voor de financiering van de jeugdhulp binnen de met de jeugdhulpaanbieders gemaakte contractafspraken dan wel subsidiebepalingen.

  • 2.

    Bij verwijzing van een jeugdige en/of de ouders voor hulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting, overlegt de gecertificeerde instelling in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering met het college.

  • 3.

    De Raad voor de Kinderbescherming raadpleegt het college als deze een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindigende maatregel aanvraagt, over de in te zetten gecertificeerde instelling die de maatregel gaat uitvoeren. Bij de inzet van spoedhulp via het Crisis Interventie Team (CIT), zal het college zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na de inzet het besluit over de inzet van deze hulp vastleggen in een beschikking en/of toewijzing richting de aanbieder.

Artikel 16. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1.

    Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      als eerste of er sprake is van een spoedeisend geval. In dat geval beslist het college direct tot verstrekking van een tijdige voorziening;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid, de ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • c.

      of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja:

      • welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

      • of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en de personen die tot hun sociale omgeving inclusief de school behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, met inachtneming van in artikel 21 van deze verordening, en

      • voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;

    • d.

      hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s).

    • e.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen.

  • 2.

    Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek.

  • 3.

    Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 4.

    Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) medegedeeld welke mogelijkheden bestaan voor verstrekking van de zorg, namelijk via zorg in natura of pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 5.

    De jeugdige en/of zijn ouder(s) leveren het college de gegevens en documenten die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

  • 6.

    Het college wijst de jeugdige en zijn ouder(s) voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.

Hoofdstuk 4: Verslag, aanvraag, criteria en inhoud beschikking

Artikel 17. Identificatie

  • 1.

    Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.

  • 2.

    Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:

    • a.

      een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;

    • b.

      een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);

    • c.

      een buitenlands paspoort; of

    • d.

      een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Artikel 18. Verslag

  • 1.

    Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag als bedoeld in artikel 14 verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het verslag). Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het verslag toegevoegd.

  • 2.

    Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

  • 3.

    Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd.

  • 4.

    De aanvrager wordt gevraagd de aanvraag voor een individuele voorziening in te trekken indien uit het verslag blijkt dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere voorziening.

Artikel 19. Aanvraag individuele voorziening

  • 1.

    Jeugdigen en ouder(s) kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Als het onderzoek als bedoeld in artikel 16 leidt tot een aanvraag voor een individuele voorziening, dan stelt het college binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een ondersteuningsplan op. Bij de opstelling van het ondersteuningsplan wordt, indien aanwezig, het familiegroepsplan betrokken. In het ondersteuningsplan worden de kosten van de individuele voorziening, die voor rekening komen van de gemeente, opgenomen en deze kosten worden ook in de beschikking vermeld.

  • 2.

    Het college geeft de beschikking binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag af.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen betreffende de voorwaarden voor de aanvraag, toekenning, beoordeling en het afwegingskader van een individuele voorziening.

  • 4.

    De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten zich binnen 6 maanden na het afgeven van de beschikking melden bij een jeugdhulpaanbieder. Of de jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten binnen 3 maanden het pgb besteden aan het resultaat waarvoor het is verstrekt. Als de jeugdige en/of ouder(s) dit niet doen, voldoen zij niet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb. In dat geval kan het college op grond van artikel 32 lid 2 van deze verordening de aanvraag beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken.

  • 5.

    In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding direct tot verstrekking van een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp aan bij de rechter.

  • 6.

    Het kan zijn dat het niet nodig is om verder in gesprek te gaan over de aanvraag. De gemeente overlegt hierover met de jeugdige en zijn ouder(s).

  • 7.

    Jeugdigen en ouder(s) kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening.

  • 8.

    Jeugdige en ouder(s) kunnen zich rechtstreeks wenden tot een jeugdhulpaanbieder als zij zelf de volledige kosten van de voorziening dragen.

  • 9.

    Kosten die de jeugdige en/of ouders maken voorafgaand aan, of in het kader van, een aanvraag voor een jeugdhulpvoorziening worden alleen vergoed als hier vooraf toestemming en instemming is verkregen van het college.

Artikel 20. Criteria voor een individuele voorziening

  • 1.

    Een algemene voorziening die passend en toereikend is, is voorliggend op een individuele voorziening. In elke situatie wordt eerst beoordeeld of algemene voorzieningen passend en toereikend zijn voor de gestelde hulpvraag. Als dit zo is, komen jeugdigen en de ouder(s) niet in aanmerking voor een individuele voorziening. Dit geldt als de algemene voorziening:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is voor de jeugdige en/of de ouder(s);

    • b.

      passend en toereikend is voor de jeugdige en/of de ouder(s).

  • 2.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening indien het college bij de gemeentelijke toegangsroute van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen; óf, bij medische verwijzing (art. 13), indien de medisch verwijzer van oordeel is dat inzet van individuele jeugdhulp nodig is.

  • 3.

    Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1 van deze verordening wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit de meest recent vastgestelde Beleidsregels indicatiestelling Wlz.

  • 4.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college in principe een bewezen effectieve interventie.

  • 5.

    Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de ggz;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).

  • 6.

    Indien eerder is vastgesteld dat de inzet van een individuele voorziening niet heeft geleid tot het beoogde resultaat zoals beschreven in het ondersteuningsplan, houdt het college zich het recht voor geen nieuwe beschikking af te geven voor een individuele voorziening.

  • 7.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.

  • 8.

    In situaties waarbij ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

  • 9.

    Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van veiligheidsproblematiek in de context van het gezin.

  • 10.

    Voor het bepalen van de soort individuele voorziening die het college inzet, wordt aangesloten bij de dienstomschrijvingen in de door of namens de gemeente gesloten overeenkomsten met, of verleende subsidiebesluiten aan jeugdhulpaanbieders voor het leveren van individuele voorzieningen, waarbij in dialoog tussen de lokale toegang, de jeugdige en de ouder(s) een gezamenlijk beeld ontwikkeld is over de hulpvraag en de meest passende aanpak alvorens een keuze gemaakt wordt voor het soort voorziening.

  • 11.

    Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels vaststellen.

Artikel 21. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1.

    Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk, school of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 2.

    Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor, en bijdragen aan het, welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 3.

    Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een (aanvullende) zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 4.

    Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 5.

    Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie en

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

Artikel 22. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

  • 1.

    Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3.

    Medewerkers van de organisatie die jeugdhulp biedt, of mogelijk gaat bieden, kunnen niet ook het advies geven over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit nemen. Het college treft daartoe voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt.

Artikel 23. Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking ook in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke voorziening wordt verstrekt;

    • b.

      de omvang van de voorziening;

    • c.

      wat en op welke datum het beoogde resultaat van de voorziening is;

    • d.

      op welke momenten tussen de ingangs- en einddatum van de verstrekte voorziening de voortgang wordt besproken tussen de jeugdige en zijn ouder(s), de jeugdhulpaanbieder en het college;

    • e.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • f.

      hoe de voorziening wordt verstrekt;

    • g.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn, en

    • h.

      De kosten voor rekening van de gemeente van de verstrekte individuele voorziening.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      op welke momenten tussen de ingangs- en einddatum van de verstrekte voorziening de voortgang wordt besproken tussen de jeugdige en zijn ouder(s) en het college;

    • c.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • d.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • e.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • f.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    • g.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Hoofdstuk 5: Bepalingen met betrekking tot pgb

Artikel 24. Regels voor pgb

  • 1.

    Verstrekking van een individuele voorziening via ZIN gaat boven verstrekking van een individuele voorziening via pgb.

  • 2.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.

  • 3.

    Een pgb is alleen mogelijk als:

    • a.

      blijkt dat voldaan wordt aan de in artikel 8.1.1. lid 2 van de Jeugdwet opgenomen voorwaarden;

    • b.

      er op geen enkele manier druk is uitgeoefend om de voorziening van de beoogde pgb-aanbieder te betrekken en

    • c.

      het niet gaat om een onvoorziene situatie die geen uitstel verdraagt.

Artikel 25. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1.

    Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-budgetplan is opgenomen:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet aan de hulpvraag kan voldoen;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • f.

      indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en

    • g.

      de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 26 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 2.

    Het college verstrekt een pgb als:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet aan de hulpvraag kan voldoen.;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 26 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 35 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-budgetplan opgenomen beoogde resultaat.

  • 3.

    Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.

  • 4.

    Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. Daarvan is ondermeer sprake in de volgende gevallen:

    • a.

      als naar het oordeel van het college aannemelijk is dat de budgetaanvrager problemen heeft met het beheren van een pgb of het pgb niet besteedt aan het daarvoor bestemde doel;

    • b.

      als aan de jeugdige of zijn ouders in de drie jaren voorafgaand aan de datum van het gesprek als bedoeld in artikel 14 een pgb is verleend en de jeugdige of zijn ouders niet voldeden aan de gestelde of wettelijke voorwaarden aan het pgb;

    • c.

      als het college vindt dat de jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders aanvragen niet of onvoldoende zal bijdragen aan het beoogde resultaat;

    • d.

      als het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland, tenzij het gaat om individuele begeleiding tijdens de vakantieperiode;

    • e.

      als de aanvraag alleen gedaan is voor vaktherapie en er geen individuele voorziening specialistische jeugdhulp is toegekend;

    • f.

      als de beheerder of beoogd beheerder van het pgb-budget ook de zorgverlener danwel de directeur of bestuurder is van de zorgorganisatie;

    • g.

      als het pgb alleen dient als inkomensvoorziening voor de hulpverlener;

    • h.

      als het pgb dient om wachttijden die bij verstrekking van de individuele voorziening via zorg-in-natura aan de orde zijn, te voorkomen.

Artikel 26. Pgb-vaardigheid

  • 1.

    Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2.

    Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend;

    • b.

      er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • 1°.

        schuldenproblematiek;

      • 2°.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • 3°.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • 4°.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • 5°.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • 6°.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • 7°.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of:

      • 8°.

        het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Artikel 27. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over een relevant hbo- of WO-diploma in de sociale gedragswetenschappen, aangevuld met eventuele aanvullende scholing voor de SKJ registratie of

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over een relevant Hbo- of Wo- diploma in de sociale gedragswetenschappen, aangevuld met eventuele aanvullende scholing voor de SKJ registratie en een VOG niet ouder dan drie jaar.

  • 2.

    Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3.

    Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.

  • 4.

    Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp.

  • 5.

    Het college kan bij verlening van informele hulp een Verklaring Omtrent Gedrag vragen van de beoogde informele hulpverlener.

Artikel 28. Hoogte pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.

  • 2.

    De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt 100% van het wettelijke minimumloon.

  • 3.

    De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij:

    • a.

      de indexering wordt berekend uit de som van het geprognosticeerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognosticeerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en

    • b.

      het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 100% op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.

  • 4.

    Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 5.

    Het tarief voor jeugdhulp dat op onverplichte basis wordt verleend door een hulpverlener uit het sociaal netwerk wordt door het college vastgesteld overeenkomstig artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet.

  • 6.

    Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels.

  • 7.

    Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend.

Artikel 29. Uitgesloten van pgb

De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:

 

  • a.

    kosten voor bemiddeling;

  • b.

    kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • c.

    kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • d.

    kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

  • e.

    kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

  • g.

    kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);

  • h.

    kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag en

  • i.

    reiskosten.

Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik bij PGB en individuele voorzieningen

Artikel 30. Niet meewerken ouder(s)

  • 1.

    De jeugdige en zijn ouder(s) zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over, en de doelmatige inzet van, jeugdhulp.

  • 2.

    Als de jeugdige en/of ouders naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Artikel 31. Opschorting betaling uit het pgb

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet.

 

  • a.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 32, derde lid, onder d.

  • b.

    Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek aan de Sociale Verzekeringsbank dat is gedaan op grond van het eerste lid.

Artikel 32. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet

  • 1.

    Het college informeert de jeugdige en zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen de jeugdige of zijn ouder(s) aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening of pgb.

  • 3.

    Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college de beschikking voor een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de inzet van de individuele voorziening of het pgb niet leidt tot het beschreven resultaat uit het ondersteuningsplan;

    • d.

      de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • e.

      de jeugdige langer dan zes weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, of

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening of het pgb.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de individuele voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Als het college een beslissing op grond van lid 3 van dit artikel heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 6.

    Als het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen

Artikel 33. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid voorzieningen en pgb’s

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 2.

    Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van de Jeugdwet en deze verordening.

  • 3.

    De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd tot inzage van dossiers.

  • 4.

    Voor zover de toezichthoudende ambtenaar door inzage in bescheiden bij de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader van een melding gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming, heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar.

  • 5.

    Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel van dit beleid is dat het college cliënten en betrokken derden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik daarvan.

  • 6.

    De aanvrager en ontvanger van de individuele voorziening en eventueel betrokken derden verstrekken aan het college alle medewerking en informatie die benodigd is voor het onderzoek als bedoeld in lid 4, 6 en 7 van dit artikel en zijn verplicht kosteloos hun medewerking te verlenen.

  • 7.

    Het college kan onderzoek doen naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een individuele voorziening en op basis daarvan besluiten nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van de voorziening en de wederzijds tussen het college en de jeugdige of zijn ouder resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

  • 8.

    Het college kan een materiële controle en fraudeonderzoek doen bij jeugdhulpaanbieders die werken onder een contract van het college of met een contract welke is aangegaan door een jeugdige of zijn ouder voor de uitvoering van een pgb om te bepalen of de door de aanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd.

  • 9.

    Het college kan cliënten en locaties bezoeken, waarbij door middel van een schouw een feitelijk onderzoek gedaan wordt naar de ervaringen met en de uitvoering van de geboden ondersteuning;

  • 10.

    Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Jeugdwet;

  • 11.

    Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.

Hoofdstuk 7: Kwaliteit

Artikel 34. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

 

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en

  • e.

    de kosten voor bijscholing van het personeel.

Artikel 35. Kwaliteitseisen jeugdzorg

  • 1.

    Jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en derden waar de jeugdige via een persoonsgebonden budget of individuele voorzieningen betrekt, zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van individuele voorzieningen op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of ouder(s);

    • b.

      het afstemmen van individuele voorzieningen op andere vormen van hulp, zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van individuele voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de individuele voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken;

    • e.

      het tijdig afschalen en het niet zwaarder en langer dan nodig inzetten van jeugdhulp;

    • f.

      het inzetten van bewezen effectieve methodieken en interventies, en

    • g.

      het monitoren van de resultaten van de ingezette individuele voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en derden waar de jeugdige via een persoonsgebonden budget of individuele voorzieningen jeugdhulp betrekt, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek in overeenstemming met artikel 3 Regeling Jeugdwet en het zonodig in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Hoofdstuk 8: Slotbepalingen

Artikel 36. Evaluatie en monitoring

  • 1.

    Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid met betrekking tot de uitvoering van de Jeugdwet wordt minimaal eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Het college zendt periodiek na de inwerkingtreding van deze verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

  • 2.

    Ten behoeve van de evaluatie verzamelt het college systematisch informatie over:

    • a.

      het aantal jeugdigen met jeugdhulp (totaal en per type jeugdhulp);

    • b.

      de kosten van jeugdhulp (totaal, gemiddeld per cliënt, gemiddeld per type jeugdhulp);

    • c.

      het aantal verwijzingen (per type verwijzer);

    • d.

      de verhouding tussen Zorg in natura en pgb;

    • e.

      cliënttevredenheid.

Artikel 37. Klachtregeling

Voor deze verordening geldt de gemeentelijke klachtenregeling van de gemeente Wassenaar en hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 38. Overgangsrecht

  • 1.

    Een recht op een lopende individuele voorziening verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2015, zoals vastgesteld op 24 november 2014, blijft gehandhaafd, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening bedoeld in het eerste lid en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de huidige verordening.

  • 3.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2015, zoals vastgesteld op 24 november 2014, wordt beslist met inachtneming van de huidige verordening.

Artikel 39. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen in deze verordening, of van de hieruit voortvloeiende nadere regels.

Artikel 40. Intrekking vorige verordening

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt de Verordening Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2015, zoals vastgesteld op 13 oktober 2014 ingetrokken.

Artikel 41. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking in het gemeenteblad.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Wassenaar gehouden op 25 november 2025

de griffier,

drs. J. Kleinhesselink

de voorzitter,

drs. L.A. de Lange

Naar boven