Gemeenteblad van Nieuwegein
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nieuwegein | Gemeenteblad 2025, 545479 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nieuwegein | Gemeenteblad 2025, 545479 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Algemene subsidieverordening Nieuwegein 2026
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld, waaronder, inclusief eventuele wijzigingen:
Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1);
Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies en garanties door het college met uitzondering van subsidies en garanties waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb. Dit zijn subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is.
Hoofdstuk III Weigeringsgronden
Artikel 10. Weigerings- en intrekkingsgronden
Hoofdstuk IV Verantwoording, verplichtingen en vaststelling
Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger
Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.
Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, zoals opgenomen in het vorige lid, wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het moment waarop de vergoeding verschuldigd is, met dien verstande dat in geval van ontvangst van een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat aan de subsidieontvanger daartoe wordt uitgekeerd. Indien het onroerende zaken betreft, wordt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige verricht.
Bij (meer)jaarlijkse subsidies die meer dan € 125.000 bedragen kan het college bij de vaststelling van de subsidie toestemming verlenen aan de subsidieontvanger om het positieve verschil tussen de verleende subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten toe te voegen aan de egalisatiereserve. Dit kan slechts wanneer de subsidieontvanger alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend heeft verricht en aan alle verplichtingen opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening heeft voldaan.
Artikel 15. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000
Als bij verleningsbeschikking de aanvrager wordt verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt de vaststelling plaats binnen 12 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Artikel 18. Subsidievaststelling
Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 15, tweede lid, 16, eerste lid en 17, eerste lid, is ingediend of volledig is, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Hoofdstuk V Overig en slotbepalingen
Het college controleert de getrouwheid van de in hoofdstuk IV van deze verordening bedoelde gegevens en kan aanvullend onderzoek (laten) verrichten om een oordeel te krijgen de rechtmatigheid van besteding van de toegekende subsidie en de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde voorwaarden en verplichtingen.
In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een aanvrager of ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering [datum vermelden].
Jan Karens
griffier
Marijke van Beukering-Huijbregts
voorzitter
Toelichting bij de Algemene subsidieverordening Nieuwegein 2026
Subsidies zijn voor de gemeente een belangrijk instrument om beleidsdoelen te verwezenlijken. Subsidies moeten doel- en rechtmatig zijn. Om subsidies doelgericht in te kunnen zetten, misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan én om aanvragers en ontvangers voldoende rechtszekerheid te bieden, is het van belang dat de rechten, plichten en bevoegdheden van hen en die van de subsidieverstrekker op een heldere wijze worden vastgelegd. De Algemene subsidieverordening Nieuwegein 2026 (Asv) voorziet hierin.
De Asv bevat samen met titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het algemene juridische kader voor subsidieverstrekking door de gemeente. Het uitgangspunt is dat subsidies op grond van een wettelijk voorschrift worden verstrekt. De Asv vormt samen met de subsidieregelingen het wettelijk voorschrift op basis waarvan de subsidies kunnen worden verstrekt.
Dit artikel bevat een aantal definities. Deze definities gelden ook voor de op de Asv gebaseerde subsidieregelingen of nadere regels.
Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Awb. Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen.
In principe worden subsidies verstrekt aan rechtspersonen. Subsidies kunnen ook worden verstrekt aan natuurlijke personen.
De-minimissteun & Europees steunkader
Bij subsidieverstrekking aan ondernemingen moet worden voorkomen dat deze in strijd is met de Europese regelgeving over staatssteun. Europese steunkaders en de-minimissteun bieden daarvoor mogelijkheden en geven de daarbij behorende kaders. Mocht het zo zijn dat een Europees steunkader, dan wel De-minimisverordening, wordt gewijzigd, aangepast of verlengd dan is het van belang dat de subsidieverstrekking in overeenstemming is met de nieuwe bepalingen die daarin zijn opgenomen. Dit kan leiden tot aanpassing van de desbetreffende subsidieregeling. Bij het vervallen van een Europees steunkader, dan wel een de-minimisverordening, kan er niet langer rechtmatig staatssteun worden verstrekt.
Subsidies kunnen ook verleend worden in de vorm van garanties. Dat is subsidieverlening onder de opschortende voorwaarde dat zich een onzekere gebeurtenis voordoet. Voorbeeld:
Wanneer de situatie zich voordoet dat de maatschappelijke organisatie de rente en aflossing niet kan betalen, wordt de subsidie verstrekt.
Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid overgedragen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Asv van toepassing is. Dit betreft in beginsel alle subsidies en garanties, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is.
Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is (zoals bijvoorbeeld incidentele subsidies) is de Asv in beginsel niet van toepassing. Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om de Asv (deels) van toepassing te verklaren als daartoe aanleiding bestaat.
De Asv wordt vastgesteld door de raad. Het uitvoering geven aan de Asv is een bevoegdheid van het college. De raad verplicht het college om in nadere regels, verder subsidieregeling(en) genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit eveneens in de subsidieregeling te gebeuren.
In andere artikelen van de Asv worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond.
Voor zover het college geen gebruik maakt van de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen is het slechts in beperkte mate mogelijk om subsidies te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling, waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. Op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb bestaan hierop maar vier uitzonderingen:
Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
Het college stelt de subsidieplafonds vast (eerste lid). Onder subsidieplafond wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt tevens de wijze van verdelen vermeld (eerste lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De wijze van verdelen kan ook worden bekendgemaakt door te verwijzen naar de subsidieregeling waarin de wijze van verdeling is vastgelegd. In dat laatste geval zal verwezen moeten worden naar een reeds geldende subsidieregeling. In andere gevallen zal geregeld (moeten) zijn dat óf de subsidieregeling en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden óf dat de subsidieregeling weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking treedt maar dat aanvragen pas ná het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. Als dit niet (juist) geregeld is kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag hebben ingediend voor bekendmaking (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb).
Daarnaast is er, indien van toepassing, de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen. De raad stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen. Het college, dat via de artikelen 2 en 3 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (tweede en vierde lid).
De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb).
Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan:
Om te waarborgen dat het college alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt zijn het tweede en derde lid opgenomen. Het komt erop neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moesten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij de bekendmaking van het plafond.
Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er in de subsidieregeling afgeweken wordt van de Asv, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.
Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.
Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (vierde lid). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, kunnen ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (vijfde lid). Hetzelfde geldt voor subsidies die op grond van de De-minimisverordening worden verstrekt (zesde lid).
In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan; en dat als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier gedaan moet worden. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overlegd dienen te worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; dit volgt uit de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG).
Wanneer de aanvrager € 125.000 of meer subsidie aanvraagt, dient een organisatiebegroting te worden overlegd. Deze begroting omvat alle geraamde baten en lasten van de aanvrager.
Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten in het tweede lid onder e opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (sub 1°). Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder een de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden (sub 2°). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening.
Het derde lid geldt alleen voor de aanvrager die een rechtspersoon is. Wanneer eerder is gesubsidieerd én verantwoord, wordt deze informatie geacht bekend te zijn bij het college. Dan hoeft deze informatie niet te worden overlegd. Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, dient een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten te overleggen. Daarnaast ook het jaarverslag, de jaarrekening en de balans (op 31 december) van het voorgaande jaar. Voor rechtspersonen die pas zijn gestart en om die reden nog geen jaarstukken kunnen overleggen, kan worden bepaald dat zij de jaarstukken niet of op een later moment mogen overleggen.
Om te kunnen beoordelen of de gevraagde subsidie nodig is, dienen rechtspersonen door het inleveren van hun balans inzage te geven in hun vermogenspositie
Bij subsidieregeling kan het college besluiten van (bepalingen in) dit artikel af te wijken (vijfde lid), bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies minder, meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen.
Artikel 7. Meerjarige subsidies
Een meerjarige subsidie is een vorm van structurele subsidie en kan door het college worden verleend in het geval er sprake is van activiteiten die met grote continuïteit plaatsvinden en jaarlijks vrijwel in gelijke vorm worden uitgevoerd. Een meerjarige subsidie leidt in dat geval tot beperking van administratieve lasten, zowel voor de betreffende organisatie als voor de gemeente.
De meerjarige subsidie wordt voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft aangevraagd. De aanvraag tot vaststelling wordt ingediend na afloop van het laatste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft.
Rekening dient gehouden te worden met de (tijdsperiode van de) beleids- en de visiedocumenten (zoals de ‘Koers Sociaal Domein’, de ‘Omgevingsvisie’ en het ‘Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie’) waarop de subsidieverstrekking is gebaseerd.
De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en andersoortige subsidies.
Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de in dit artikel genoemde aanvraagtermijnen.
Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en andere. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid.
De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden.
Artikel 10. Weigerings- en intrekkingsgronden
In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.
Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a).
Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de Asv echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat).
In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren (van de Europese Commissie) voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.
In het derde lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. Deze gelden in aanvulling op artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Deze weigeringsgronden worden zowel in de regelingen nader uitgewerkt als in besluit.
Onderdelen a, c en d geven de mogelijkheid tot weigeren wanneer de subsidieverstrekking niet of onvoldoende in dienst staat van de gemeentelijke beleidsdoelstellingen, waaronder die van het lokale sociale domein. In de betreffende beleidskaders en de subsidieregeling(en) zijn (en worden) deze doelstellingen nader omschreven en geconcretiseerd.
Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt. De reserves die opgebouwd zijn en noodzakelijk zijn voor een bestendige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, tellen hierbij niet mee.
Onderdeel e geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager in financieel opzicht en/of organisatorisch opzicht onvoldoende stabiel is om de gesubsidieerde activiteiten uit te voeren. Bij twijfel over de levensvatbaarheid (bijvoorbeeld bij een negatief eigen vermogen, dreigend faillissement of plotseling bestuur dat opstapt), mag subsidie worden geweigerd. Dit voorkomt risico’s op voortijdige beëindiging van de activiteiten of misbruik van publieke middelen.
Onderdeel f geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de activiteiten al op voldoende wijze worden gerealiseerd door andere organisaties, die al dan niet subsidie ontvangen. Het doel hiervan is om doublures, versnippering en ondoelmatige inzet van middelen te voorkomen.
Onderdeel g betreft een weigeringsgrond waarmee het college een aanvraag kan weigeren als samenwerking in het beleidsveld (denk aan cultuur, sport, welzijn, zorg of onderwijs) vereist is of gevraagd wordt, de aanvrager solistisch opereert en geen afstemming zoekt of wil zoeken met bestaande relevante organisaties. Samenwerking bevordert namelijk de samenhang en efficiëntie.
Onderdeel h geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als er commerciële winstdoeleinden worden beoogd.
Onderdeel i betreft een weigeringsgrond waarmee het college een aanvraag kan weigeren als de kosten waar subsidie voor wordt gevraagd onevenredig hoog zijn in verhouding tot wat er tegenover staat (output). Of tot de te bereiken doelgroep. Hier speelt het maatschappelijke bereik een rol: hoeveel inwoners profiteren van de activiteit en wie zijn het?
Onderdeel j geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als er met de subsidie wordt bijgedragen aan levensbeschouwelijke (denk aan religieuze) of politieke beïnvloeding. Activiteiten die uitgevoerd worden door levensbeschouwelijke organisaties zijn alleen subsidiabel wanneer deze uitsluitend gericht zijn op het publieke doel wat neutraal van aard is.
Onderdeel m geeft het college de bevoegdheid een subsidie (te weigeren en) in te trekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet. Bij deze weigeringsgrond is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen. Naast subsidie weigeren, kan het college in dergelijke gevallen ook een reeds verleende en vastgestelde subsidies intrekken.
Onderdeel o ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.
Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger
Dit artikel bevat een aantal algemene verplichtingen die gelden voor subsidieaanvragers/-ontvangers. Onder lid 2 wordt onder andere begrepen voornemens tot fusie, liquidatie of ontbinding. Al deze zaken moeten onverwijld worden gemeld aan het college. Dit kan leiden tot intrekking of wijziging van de subsidie, eventueel in combinatie met terugvordering van (een gedeelte van) de subsidie.
Lid 4 verwijst naar artikel 4:71 van de Awb. Dit artikel noemt een aantal juridische handelingen, zoals het oprichten van of deelnemen in een rechtspersoon, het wijzigen van statuten, het verwerven van eigendom, het vervreemden of bezwaren van registergoederen, het aangaan van geldleningen of kredietovereenkomsten, enz. Toestemming van het college voor deze handelingen is nodig als dit leidt tot risico’s ten aanzien van de besteding van subsidiegelden.
Met ‘schriftelijk’ in het eerste lid is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. De melding kan ook digitaal worden gedaan als het college de digitale weg open heeft gesteld.
Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).
Wat betreft het tweede en derde lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) van de Awb. In beginsel dient de Asv hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking.
Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren.
Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten, een verklaring omtrent gedrag (VOG-verklaring) voor (vrijwillige) medewerkers die werken met kinderen en/of mensen met een verstandelijke beperking of om de activiteiten op een duurzame en milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Of bijvoorbeeld om het realiseren van plaatsingen in het kader van sociale wederdienst (social return on investment), het toepassen van governance codes, het maatschappelijk betrokken of maatschappelijk verantwoord ondernemen, het afsluiten van een verzekering of het verhogen van de toegankelijkheid van de activiteiten voor mensen met een beperking. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.
Voor lid vier geldt het volgende. In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:
Deze vergoedingsplicht echter geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met het vierde lid krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen.
De figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger waaraan als bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen. Op grond van artikel 4:58 van de Awb is artikel 4:72 van de Awb alleen van toepassing op per kalenderjaar verstrekte subsidie aan een rechtspersoon en bovendien enkel als dat in de Asv, een subsidieregeling of bij de subsidieverlening is bepaald. De verplichting een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in het eerste lid kan dus enkel aan rechtspersonen worden opgelegd, voor per kalenderjaar verstrekte subsidies.
Het college kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt en die meer dan € 125.000 bedraagt bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve dient te vormen (eerste lid). In dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve (tweede lid). De reserve wordt dus gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen.
Naast een door het college opgelegde verplichting kan op grond van het vijfde lid elke subsidieontvanger het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen.
Omdat de egalisatiereserve dient om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt.
Wanneer één organisatie meerdere subsidies ontvangt, kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking worden bepaald dat voor deze subsidieontvanger kan worden volstaan met één verantwoording voor het totaalbedrag van deze subsidies (of voor een deel ervan).
Artikel 15. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000
Subsidies tot en bedrag van € 5.000 kunnen of direct worden vastgesteld of worden verleend. Het eerste lid geeft het college de bevoegdheid bij subsidieregeling een nadere invulling te geven aan de wijze van verstrekking en eindverantwoording. Het beperken van de administratieve lasten staat voorop.
Artikel 16. Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 125.000
In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen € 5.000 en € 125.000 aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (tweede lid). Ingevolge artikel 14 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.
Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring, andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie of een foto), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG. De financiële verantwoording wordt gegeven in óf een financieel verslag met toelichting óf in een jaarrekening. Ook hier wordt vooraf bij verleningsbeschikking aangegeven welke informatie is vereist. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Zo wordt het mogelijk om ook af te rekenen op basis van gerealiseerde kosten en baten.
Op grond van lid 3 zou het zo kunnen zijn dat er geen verantwoording wordt gevraagd en dat het college de subsidie direct vaststelt.
Artikel 17. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 125.000
Bij subsidies vanaf € 125.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten en op basis van inhoud. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Het derde lid maakt het mogelijk dat het college kan bepalen dat in plaats van een controleverklaring van de accountant kan worden volstaan met een samenstellingsverklaring van de accountant. Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn voor vrijwilligersorganisaties. Het vierde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder meer of minder, gegevens gevraagd worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG.
Artikel 18. Subsidievaststelling
Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden; wel bestaat de mogelijkheid tot verdagen (tweede lid). Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging op grond van het tweede lid is appellabel (dit in tegenstelling tot een mededeling op grond van artikel 4:14 van de Awb dat de – eventueel verdaagde – termijn niet gehaald wordt). Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG.
Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van het gemeentelijke subsidiebeleid. Zij toetst bij de subsidieverstrekking de naleving van de aan de subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen. Het college kan besluiten om nader onderzoek te laten doen als zij dit wenselijk acht. De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een onderzoek.
Artikel 10 lid 3 b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt of kan beschikken. Maar voor organisaties kan het noodzakelijk zijn om reserves te hebben om toekomstige tekorten op te vangen of voor een bepaalde bestemming. Het gaat om reserves die zijn opgebouwd met subsidiemiddelen én om andere reserves. Hiervoor kunnen geen algemene regels gesteld worden. Artikel 20 geeft het college de bevoegdheid om regels te stellen over de omvang van reserves die buiten beschouwing blijven bij de subsidieverstrekking. Deze regels worden vastgelegd in de subsidieregeling of in de beschikking. Uitgangspunt is dat de subsidieontvanger moet aantonen welke reserves noodzakelijk zijn voor een bestendige uitvoering van de activiteiten.
Daarnaast is in artikel 13 bepaald dat het college een egalisatiereserve verplicht kan stellen bij subsidies boven de € 125.000.
Artikel 21. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen
Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling vastgelegd dienen te worden. De aanvrager zal daarmee dan bij zijn aanvraag rekening moeten houden. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.
Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan een termijn in de Asv of de toepasselijke subsidieregeling wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen. Op grond van het eerste lid kan het college dan een andere termijn vaststellen.
Op grond van het tweede lid kan het college bovendien in een subsidieregeling een hardheidsclausule opnemen die ziet op nader in die subsidieregeling aangegeven bepalingen. Een te treffen voorziening, die niet in de verordening of subsidieregeling is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-545479.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.