Gemeenteblad van Staphorst
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Staphorst | Gemeenteblad 2025, 543814 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Staphorst | Gemeenteblad 2025, 543814 | beleidsregel |
Beleidsregels Bijzondere bijstand
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
maatwerk: bijzondere bijstand wordt primair op grond van de wettelijke bepalingen en deze beleidsregels vastgesteld, maar bij (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die de persoon, zijn sociale omgeving of zijn gezin of kinderen raken, kan de bijstand worden afgestemd op de individuele situatie;
Hoofdstuk 2 Vorm en voorwaarden
Bijzondere bijstand is een uitkering voor extra of hoge kosten. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand als de kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn, zijn ontstaan uit bijzondere omstandigheden en de kosten niet (geheel) zelf kunnen worden betaald uit een andere uitkering of regeling of uit het inkomen en vermogen.
Artikel 7 Te verstrekken informatie
Bij de aanvraag worden die gegevens ingeleverd die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn om het recht op bijzondere bijstand te kunnen beoordelen.
Artikel 10 In aanmerking te nemen inkomen
Bij de vaststelling van de jaardraagkracht uit inkomen wordt uitgegaan van het inkomen gedurende de laatste drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zijn gemaakt waarop de aanvraag om bijstand betrekking heeft. Bij zelfstandigen wordt gekeken naar het gemiddelde netto-inkomen over het afgelopen boekjaar.
Artikel 13 Periode van declareren
Kosten die zijn gemaakt binnen het draagkrachtjaar, en waarvoor bijzondere bijstand is toegekend, dienen binnen twee maanden na afloop van het draagkrachtjaar te worden gedeclareerd.
Hoofdstuk 5 Soorten bijzondere bijstand
Artikel 16 Zelfstandig of in een instelling wonende jongeren 18 tot 21 jaar
Als een eigen woning wordt bewoond met hoge lasten in verhouding tot het inkomen of een huurwoning wordt bewoond waarbij geen aanspraak kan worden gemaakt op een (volledige) bijdrage op grond van de Wet op de huurtoeslag, kan de belanghebbende in aanmerking komen voor een woonkostentoeslag voor de maximale duur van twaalf maanden.
Hoofdstuk 6 Overige en slotbepalingen
De bevoegdheid tot (periodieke) aanpassing van de in deze beleidsregels genoemde bedragen berust bij de manager afdeling Samenleving.
Door of namens het college kan met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van deze beleidsregels, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Staphorst in zijn vergadering van 2 december 2025.
Het college voornoemd,
de burgemeester,
de gemeentesecretaris,
Toelichting beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Staphorst
De verlening van bijzondere bijstand is geregeld in de Participatiewet. In artikel 35 van deze wet is bepaald dat bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de noodzakelijk kosten van het bestaan die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Bij de bijzondere bijstand is niet alleen de aard van de kosten bepalend, maar ook de omstandigheden van belanghebbende. De beoordeling van de noodzaak van kosten en van bijzondere individuele omstandigheden is aan het college van burgemeester en wethouders. Het kan gaan om bijzondere bijstand in de vorm van een lening en om bijzondere bijstand als een gift (om niet).
Bijzondere bijstand in Staphorst
Bijzondere bijstand moet bijdragen aan activering en participatie van belanghebbenden in de maatschappij. En de verhoging van de zelfredzaamheid van belanghebbenden. De (inkomens)ondersteuning die geboden wordt dient zodanig te zijn vormgegeven dat deze terecht komt waar het echt nodig is. Anders gezegd, de ondersteuning is maatwerk.
De individuele uitvoering van de bijzondere bijstand vraagt om richtlijnen die de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid bevorderen en die leiden tot uniforme afhandeling van aanvragen bij gelijke situaties. Deze beleidsregels bieden echter ook voldoende ruimte voor noodzakelijk maatwerk.
In dit artikel worden enkele relevante begrippen toegelicht.
Artikel 2. Bijzondere bijstand
In principe wordt ervan uitgegaan dat algemene kosten van bestaan kunnen worden bekostigd vanuit de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Bijzondere bijstand wordt daarom alleen toegekend voor noodzakelijke kosten die ontstaan zijn uit bijzondere omstandigheden die de aanvrager zelf niet kan bekostigen. Hierop kan aanspraak worden gemaakt voor allerlei kostensoorten.
Artikel 3. Vorm van de bijstand
De bijstand wordt in principe om niet verleend. Dat betekent dat er geen terugbetalingsverplichting is voor de verstrekte bijstand. In bepaalde situaties kan worden gekozen voor een renteloze geldlening.
Indien belanghebbende over voldoende middelen beschikt om de kosten te betalen waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, komt belanghebbende niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
De beleidsregels bepalen tot slot dat bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan worden afgeweken van het verstrekken om niet. We gaan er daarbij vanuit dat mensen alles doen of nalaten om een beroep op bijzondere bijstand te voorkomen. De bijstand is immers het vangnet voor diegene die dat echt nodig hebben. Als men zich onvoldoende inspant om aanspraak op bijzondere bijstand te voorkomen, is sprake van een onnodig beroep op bijzondere bijstand en van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand wordt (individueel) bepaald door de hoogte van de noodzakelijke kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat, wanneer ter zake van bepaalde kosten meerdere (adequate) voorzieningen mogelijk zijn, voor de goedkoopste voorziening moet worden gekozen.
Als richtlijn wordt hierbij gebruik gemaakt van de Nibud-prijzengids. Gezien de individuele afweging die gemaakt moet worden, kan hier beargumenteerd van worden afgeweken. Wanneer de te maken kosten hoger zijn mogen deze vergoed worden, tenzij de meerkosten ten opzichte van de richtprijzen niet noodzakelijk zijn. Bijvoorbeeld als een luxere, duurdere versie wordt gewenst, maar ook kan worden volstaan met een goedkopere basisuitvoering.
Artikel 5. Bestedingsverplichting
Bijzondere bijstand die wordt verstrekt voor noodzakelijke kosten, dienen ook aan die kosten besteed te worden. De bijzondere bijstand wordt uitbetaald op vertoon van nota of pro-forma nota. Als een pro-forma nota wordt ingediend, wordt de bijzondere bijstand niet eerder uitbetaald dan wanneer de definitieve nota is ingediend. Een uitzondering hierop vormt de lening voor woninginrichting. Belanghebbende moet binnen 3 maanden na het verstrekken van de bijzondere bijstand door middel van bewijsstukken aantonen dat het bedrag verantwoord is besteed. Het niet juist verantwoorde deel wordt teruggevorderd. De bewijzen van de besteding moeten door aanvragers 12 maanden worden bewaard.
Artikel 6. Voorliggende voorziening
Bijzondere bijstand is een vangnet. Dat betekent dat eerst moet worden gekeken of kosten niet op een andere wijze vergoed kunnen worden. Dan is er sprake van een voorliggende voorziening, waar eerst aanspraak op gemaakt moet worden. In dit artikel worden diverse voorliggende voorzieningen opgesomd.
Deze opsomming is niet limitatief. Bij elke aanvraag wordt opnieuw gekeken of er voorliggende voorzieningen zijn.
Artikel 7. Te verstrekken informatie
Dit artikel bepaalt dat het college alle informatie kan opvragen van de aanvrager die nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen.
Artikel 8. Moment indiening aanvraag
In principe dient eerst een aanvraag ingediend en goedgekeurd te worden, voordat kosten gemaakt worden. Dit artikel beschrijft echter ook de handelswijze bij omstandigheden waarbij dat redelijkerwijs niet mogelijk is en geeft de maximale termijn weer waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend.
Artikel 9. Uitgangspunt draagkracht
Draagkracht is dat deel van het vermogen en inkomen dat de aanvrager zelf dient aan te wenden om de bijzondere kosten te voldoen. Uitgangspunt is dat het vermogen en inkomen boven een vastgestelde grens als draagkracht dienen te worden aangemerkt. Het college maakt van zijn bevoegdheid gebruik om de individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag niet in de draagkrachtbepaling te betrekken.
Artikel 10. In aanmerking te nemen inkomen
In dit artikel is beschreven welke inkomsten meegerekend moeten worden bij het bepalen van de draagkracht van een aanvrager. In artikel 31 lid 5 wordt voor jongeren onder de 27 jaar een onderscheid gemaakt. Voor de toepassing van artikel 10 is dit niet van toepassing. Er worden enkele specifieke kosten genoemd waarmee het inkomen in de berekening verlaagd mag worden.
De CRvB oordeelde in CRvB 19-1-2021, ECLI:NL: CRVB:2021:110 dat inkomen waar beslag op ligt niet in aanmerking moet worden genomen bij de draagkrachtbepaling. De CRvB is hierover duidelijk. Het college kan bij de draagkrachtvaststelling alleen inkomsten en vermogen in aanmerking nemen die feitelijk kunnen worden aangewend om te voorzien in de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd.
Uit artikel 35 lid 1 Participatiewet volgt namelijk dat beoordeeld moet worden of de belanghebbende de betreffende kosten kan voldoen uit de beschikbare middelen.
In het kader van de draagkrachtvaststelling kan niet worden gezegd dat de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over zijn inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd. Hij kan dat inkomensdeel niet feitelijk besteden, is ter zake niet beschikkingsbevoegd en hij kan ook niet de beslagene aanspreken om het bedoeld inkomensdeel aan hem uit te betalen.
Artikel 11. In aanmerking te nemen vermogen
In dit artikel is beschreven welk vermogen meegerekend moet worden bij het bepalen van de draagkracht van een aanvrager. Voor het bepalen van de waarde van een voertuig (auto/brommobiel/motor) wordt gebruik gemaakt van de ANWB-koerslijst. Als er meerdere voertuigen zijn worden deze meegerekend bij de vaststelling van het vermogen. De waarde van één voertuig wordt vrijgelaten tot een maximumbedrag van € 5.000. Deze vermogensvrijlating is ook bij de algemene bijstand van toepassing.
Zelfstandigen kunnen ook een beroep doen op bijzondere bijstand. Het bepalen van het vermogen is bij deze doelgroep anders dan bij personen in loondienst. Uitgangspunt bij het bepalen van het vermogen is het fiscale eigen vermogen. Hierbij wordt uitgegaan van de vermogensgrenzen zoals vastgelegd in artikel 3 van het Bbz. De vermogen grenzen maken onderscheid tussen zelfstandigen geboren vóór en na 1-1-1960. Dit verschil is nog aanwezig tot 1-1-2027 omdat deze groep dan recht op AOW heeft.
Artikel 12. Draagkrachtperiode en de duur van de toekenning van bijzondere bijstand
De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van twaalf maanden. Er kan aanleiding zijn om de draagkracht tussentijds te wijzigen. Afwijken van de periode van twaalf maanden kan ook. Bijvoorbeeld bij wisselende inkomsten kan de draagkrachtperiode worden vastgesteld op 3 of 6 maanden. Of bijvoorbeeld bij woonkostentoeslag die moet worden afgestemd op het verkrijgen van huurtoeslag. Na 12 maanden wordt, als de bijzondere bijstand wordt verlengd, de draagkracht en draagkrachtperiode opnieuw vastgesteld.
De draagkracht wordt bij het beoordelen van de aanvraag om bijzondere bijstand vastgesteld op basis van de informatie die op het moment van de aanvraag beschikbaar en bekend is. Als de financiële situatie van de belanghebbende wijzigt nadat de draagkracht is vastgesteld volgt een aanpassing.
Bij het wijzigen van de draagkracht wordt een drempel van 10% van het inkomen gehanteerd. Dit houdt in dat het verschil in inkomen minimaal 10% moet zijn om de draagkracht aan te kunnen passen.
De draagkracht wordt bij incidentele kosten ineens verrekend met de bijzondere bijstand. Als het periodieke kosten zijn, kan de draagkracht maandelijks verrekend worden.
Periodieke bijzondere bijstand wordt toegekend voor een periode van maximaal 12 maanden. Na deze periode kan het recht op de bijzondere bijstand opnieuw worden vastgesteld. Voor personen met een Participatiewet-uitkering kan de toekenning ambtshalve plaatsvinden. Personen met een andere inkomstenbron moeten opnieuw een aanvraag doen. Deze bepaling is met name gericht op bijzondere bijstand die periodiek wordt uitbetaald (bijv. reiskosten, kosten bewindvoering).
Artikel 13. Periode van declareren
Kosten die zijn gemaakt binnen het draagkrachtjaar, en waarvoor bijzondere bijstand is toegekend, dienen binnen twee maanden na afloop van het draagkrachtjaar te worden gedeclareerd.
Het college mag bepalen dat de aanvrager de kosten moet opsparen totdat deze in totaal meer bedragen dan een drempelbedrag. In deze beleidsregels is ervoor gekozen geen drempelbedrag te hanteren.
Het is mogelijk om extern advies in te winnen om te bepalen of kosten daadwerkelijk noodzakelijk en bijzonder zijn. Specifiek worden hierbij medische kosten genoemd, omdat in die gevallen vaker een bewijs van een deskundige gevraagd wordt.
Artikel 16. Zelfstandig of in een instelling wonende jongeren 18, 19 of 20-jarigen
Jongeren tot 21 jaar hebben een lagere bijstandsnorm. In bepaalde situaties kan het echter noodzakelijk zijn om deze norm aan te vullen tot het niveau van iemand van 21 jaar. Dit artikel voorziet in deze mogelijkheid wanneer een jongere zelfstandig woont of in een instelling woont en geen aanspraak kan maken op ouders.
De verstrekte bijzondere bijstand kan verhaald worden op de ouder(s). Dat is in die gevallen waarin er wel aanspraak gemaakt kan worden op de ouders en spoed noodzaakt toch bijzondere bijstand te verstrekken. Dit geldt specifiek voor de periodieke bijzondere bijstand levensonderhoud als aanvulling op de jongerennorm. Voor incidentele bijzondere bijstand en overige periodieke bijzondere bijstand wordt geen verhaal ingesteld.
Per 1 januari 2026 is de Wet op de huurtoeslag gewijzigd. Hierdoor kunnen personen met een huur die meer bedraagt dan de maximale huurgrens toch huurtoeslag krijgen voor het bedrag onder de maximale huurgrens.
Als men (tijdelijk) geen of onvoldoende huurtoeslag ontvangt of de woonkosten om een andere reden te hoog zijn, dan kan men aanspraak maken op een woonkostentoeslag. Dit kan zowel van toepassing zijn voor huurders als voor woningbezitters. Bij het toekennen van een woonkostentoeslag wordt vastgesteld of een verhuisplicht kan worden opgelegd. Na 12 maanden moet opnieuw worden beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor woonkostentoeslag. Daarbij wordt onder andere getoetst of men zich voldoende heeft ingespannen om aan de opgelegde verhuisverplichting te voldoen. De toekenning kan meermaals opnieuw beoordeeld en toegekend worden, maar elke keer maximaal voor 12 maanden.
Bij de berekening van de woonkostentoeslag voor eigen woningen wordt uitgegaan van:
Een (eventuele voorlopige) aanslag renteaftrek van de Belastingdienst wordt niet bij het inkomen opgeteld, maar van de woonkostentoeslag afgetrokken.
Permanente bewoning van recreatiewoningen is niet toegestaan. Wanneer men in een recreatiewoning woont, kan er geen aanspraak worden gemaakt op huurtoeslag. Er kan ook geen aanspraak worden gemaakt op woonkostentoeslag.
Voorbeelden zijn medische behandelingen of ingrepen, tandarts, pedicure of fysiotherapie. Ook meerkosten als gevolg van ziekte of handicap kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Voorbeelden zijn meerkosten voor dieet, schoeisel maaltijdvoorziening. De hoogte van de kosten worden bepaald aan de hand van de Nibudprijzengids.
Om voor vergoeding voor medische kosten in aanmerking te komen moet de aanvraag ingediend worden voordat de kosten gemaakt zijn. Artikel 8 lid 2 is niet van toepassing op medisch kosten.
De vergoedingen vanuit de Zvw en de Wlz zijn voorliggende voorzieningen die passend en toereikend worden geacht. Als de voorliggende voorziening de kosten niet vergoedt, zijn deze niet noodzakelijk en kan daarvoor ook geen bijzondere bijstand worden verleend.
Het uitgangspunt voor medische kosten is dat eenieder zich moet verzekeren op het voorzieningenniveau van de basis- en aanvullende zorgverzekering. Als iemand ervoor kiest zich niet te verzekeren tegen een algemeen aanvaard “risicopakket”, komen deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Onder een algemeen aanvaardbaar “risicopakket” wordt een pakket bedoeld vergelijkbaar met het Optimaal Aanvullend 3/Tand 2-pakket van de collectieve zorgverzekering van Zilveren Kruis. Wanneer aanvragers deze verzekering niet hebben afgesloten geldt deze toch als basis waaraan aanvragen worden gerelateerd.
Bij het ontbreken van een aanvullende verzekering of bij een verzekering van een lager niveau kan worden gesproken van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Als men nalaat zich aanvullend te verzekeren volgens bovengenoemde richtlijn, dan wordt er bij de verlening van bijzondere bijstand van uitgegaan alsof men wel aanvullend verzekerd is.
De vergoeding vanuit het Optimaal aanvullend 3 pakket van de gemeentepolis van het Zilveren Kruis is passend en toereikend.
Bijzondere bijstand voor eventuele meerkosten is alleen mogelijk als:
De vergoeding vanuit het Optimaal aanvullend 3 pakket van de gemeentepolis van het Zilveren Kruis is passend en toereikend.
Bijzondere bijstand voor eventuele meerkosten is alleen mogelijk als:
De vergoeding vanuit het Optimaal aanvullend 3 pakket van de gemeentepolis van het Zilveren Kruis is passend en toereikend.
Bijzondere bijstand voor eventuele meerkosten is alleen mogelijk als:
Voor Wmo-voorzieningen kan een eigen bijdrage worden berekend. Deze eigen bijdrage komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking1.
Bij verblijf in een AWBZ (Wlz) instelling dient een belanghebbende een eigen bijdrage te betalen; deze is inkomens- en vermogensafhankelijk. Deze bijdrage komt niet voor vergoeding in aanmerking2.
De bijzondere bijstand voor een maaltijdvoorziening wordt alleen verstrekt voor de meerkosten. De noodzaak hiervan moet wel medisch zijn vastgesteld. De meerkosten zijn de extra kosten hoger dan het bedrag dat mensen met een gelijke leeftijd volgens het NIBUD uitgeven aan een warme maaltijd.
Reumapatiënten behoeven soms een gelijkmatige, hoge temperatuur in huis en daardoor hogere verwarmingskosten. De noodzaak hiervan moet wel medisch zijn vastgesteld.
Ook blinden kunnen een beroep doen op de bijstand voor de kosten van extra verwarming. Immers pas bij een hogere temperatuur kunnen brailleletters goed worden onderscheiden. Hiervoor geldt geen aantoonbaar medische noodzaak.
De ziektekostenpremie kan voor de eerste maand om niet verstrekt worden en ten laste van de bijzondere bijstand komen. Dit wordt veroorzaakt door een wijziging in de betaling systematiek van het inkomen (meestal van vooruit betalen naar achteraf). Verstrekking vindt plaats tot de eerste van de eerstkomende maand (na vestiging) én de eerste volledige maand (dus maximaal 2 maanden). Indien zorgtoeslag wordt ontvangen voor de periode waarover de gemeente vergoedt dan wordt dit verrekend dan wel teruggevorderd op grond van artikel 58 Participatiewet.
Alternatieve geneeswijzen, ooglaserbehandeling en kosten mondhygiëne worden expliciet uitgesloten. Daarnaast is er veel variatie in therapieën, behandelingen en medicatie. Voor mogelijke vergoeding op grond van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de vergoedingen van de basis- en aanvullende verzekering. Met andere woorden, als deze alternatieve behandelingen en medicatie niet worden vergoed vanuit deze verzekeringen, wordt hiervoor ook geen bijzondere bijstand verstrekt. Dit geldt ook voor zogeheten zelfmedicatie: medicijnen die in de vrije handel te koop zijn zonder indicatie van de (huis)arts (bijvoorbeeld paracetamol of homeopathische middelen).
Artikel 19. Verhuis- en inrichtingskosten en servicekosten
Het hebben van schulden alleen, is geen reden om niet te kunnen reserveren. Zoals toegelicht in het algemene deel, wordt de reserveringscapaciteit van een bijstand ontvangende in principe gesteld op 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. In de overweging wordt wel rekening gehouden met de voorzienbaarheid van de verhuizing. Bij verhuizing naar een andere gemeente komen de verhuistransportkosten voor rekening van de vertrekgemeente. De inrichtingskosten komen voor rekening van de gemeente van vestiging. De meeste gemeenten conformeren zich aan deze handelswijze. Bij een verhuizing van een gehandicapte wegens ergonomische beperkingen is niet de Participatiewet, maar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van toepassing.
Bij onvoorziene en bijzondere omstandigheden kan de huur voor de eerste maand om niet verstrekt worden en ten laste van de bijzondere bijstand komen. Dit wordt veroorzaakt door een wijziging in de betaling systematiek van het inkomen (meestal van vooruit betalen naar achteraf). Verstrekking vindt plaats tot de eerste van de eerstkomende maand (na vestiging) én de eerste volledige maand (dus maximaal 2 maanden). Indien huurtoeslag wordt ontvangen voor de periode waarover de gemeente vergoedt dan wordt dit verrekend dan wel teruggevorderd op grond van artikel 58 Participatiewet. Deze systematiek is identiek aan de te betalen zorgverzekeringspremie en de te ontvangen zorgtoeslag.
Het verstrekken van een lening voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen is in principe alleen aan de orde bij vervanging.
Artikel 20. Reis- en parkeerkosten
Reis- en parkeerkosten vallen in principe onder algemene bestaanskosten. Dit artikel beschrijft diverse gevallen waarin desondanks aanspraak kan worden gemaakt op bijzondere bijstand. Daarbij wordt uitgegaan van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner.
Voor hogere reiskosten voor kinderen in verband met school is het kind gebonden budget en het leerlingenvervoer een passende en toereikende voorliggende voorziening. Wanneer dit toch onvoldoende blijkt te zijn, kan aanspraak worden gemaakt op een aanvullende vergoeding vanuit de bijzondere bijstand. Echter, in principe worden kinderen geacht per fiets naar school te gaan en tien kilometer enkele reis wordt daarbij normaal gevonden.
Gezinsleden die reiskosten maken voor bezoek aan elders verpleegden/verzorgden, omgangsregeling of uit huis geplaatsten, komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. De noodzaak en frequentie wordt op individuele basis vastgesteld en wordt alleen toegekend voor gezinsleden.
Reiskosten voor familiebezoek, ziekenbezoek in ziekenhuisbezoek in detentie, bijwonen van een uitvaart (binnen- en buitenland) en dergelijke behoren tot de algemene bestaanskosten en komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.
Bijzondere bijstand voor reis- en parkeerkosten wordt ééns per twee maanden vastgesteld.
Artikel 21. Kosten voor rechtsbijstand en bewindvoering
In bepaalde gevallen kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van rechtsbijstand en bewindvoering. In lid 1 is vastgelegd dat aanspraak kan worden gemaakt op bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand. Hiervoor is een toevoeging van de raad van rechtsbijstand noodzakelijk. Dat is het geval wanneer sprake is van een strafzaak, een asielzaak en een bestuurlijke sanctie of als het alleen om de griffiekosten gaat. Ook geldt dit bij de gang naar een hogere instantie in een civiele of bestuursrechtelijke zaak.
Een toevoeging (van een advocaat) vindt slechts plaats als de Raad voor de Rechtsbijstand de rechtsprocedure noodzakelijk acht. Als de Raad voor de Rechtsbijstand de rechtsprocedure noodzakelijk acht, dan vergoedt de Wet op de rechtsbijstand de kosten van een op grond van deze wet toegevoegde advocaat. Als een belanghebbende gebruik maakt van een advocaat, is een eigen bijdrage verschuldigd en soms komen daar ook nog andere kosten bij zoals griffierecht en uittreksel BRP.
De hoogte van de eigen bijdrage die wordt opgelegd is afhankelijk van het inkomen en vermogen van belanghebbende. Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand en het maken van kosten van griffierecht in beginsel kan worden aangenomen, als er op grond van de Wrb een advocaat is toegevoegd.
De tarieven voor bewindvoerders worden jaarlijks vastgesteld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Het bewindvoeringstarief voor problematische schulden kan alleen worden vergoed als problematische schulden worden genoemd in de beschikking van de rechtbank of na inlevering van een ingewilligd beloningsverzoek.
Uitgezonderd is de onderbewindstelling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De gevraagde eigen bijdrage op grond van de WSNP is afgestemd op het inkomen van de belanghebbende. Daarnaast geldt de regel dat de eigen bijdrage voor de bewindvoering met voorrang uit het inkomen moet worden betaald. Daarna komen de schuldeisers aan de beurt. Daarom is er geen aanleiding om bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten, tenzij de kosten niet voldaan kunnen worden uit de boedel.
Artikel 22. Overige kostensoorten
Dit artikel geeft een niet-limitatieve opsomming van diverse kosten waarvoor bijzondere bijstand verstrekt kan worden.
Het derde lid noemt een aantal kostensoorten waarvoor bijzondere bijstand niet mogelijk is. Met betrekking tot de legeskosten wordt wel bijzondere bijstand toegekend voor legeskosten voor verlenging verblijfsvergunning (meerkosten ten opzichte van de kosten van een ID-kaart) voor een uittreksel uit het BRP nodig voor de schuldsanering.
Artikel 13, lid 1, sub g Participatiewet vermeldt dat het niet mogelijk is ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast bijzondere bijstand te verlenen. Op grond van artikel 49 Participatiewet bestaat de mogelijkheid om in zeer individuele omstandigheden hiervan af te wijken. In geval van schuldproblematiek worden cliënten verwezen naar de consulent schuldhulpverlening. Hoewel de wet de mogelijkheid biedt, wordt voor schulden geen bijstand verleend.
De kosten van een begrafenis of crematie kunnen niet worden geacht te behoren tot de noodzakelijke bestaanskosten van de overledene zelf, zodat bijstandsverlening voor deze kosten aan de overledene niet mogelijk is. Middelen om een begrafenis/crematie te kunnen bekostigen zijn:
Wanneer een voorziening zoals hierboven genoemd beschikbaar is, bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Bij het ontbreken van voldoende middelen komen tekorten ten laste van de erven. Vaak zijn dat de overgebleven partner en de eigen kinderen van de overledene. Door het aanvaarden van de erfenis is het de verantwoordelijkheid van de erven om voor de afhandeling van de begrafenis of crematie zorg te dragen.
Als de erven over onvoldoende middelen beschikken om hun evenredig aandeel in de kosten te voldoen, dan hebben zij, gelet op het aanvaarden van de erfenis, geen recht op bijzondere bijstand.
Wanneer de erfgenamen de nalatenschap verwerpen en/of er geen nabestaanden zijn die de begrafenis of crematie willen verzorgen, dan is op grond van de Wet op de lijkbezorging de gemeente verplicht toe te zien op de lijkbezorging. Als de Wet op de lijkbezorging is toegepast, dan is bijstand voor deze kosten niet meer mogelijk. Er is dan reeds in deze kosten voorzien. De Wet op de lijkbezorging kent de mogelijkheid om het bedrag op de nabestaanden te verhalen.
Voor de kosten van een begrafenis of crematie in het buitenland wordt geen bijzondere bijstand verstrekt (territorialiteitsbeginsel).
Tijdens verblijf van een alleenstaande in een inrichting kan bijzondere bijstand worden verleend voor de doorlopende vaste lasten ten gevolge van het (noodzakelijk) aanhouden van de woning. Met de nutsbedrijven moet worden overlegd om het termijnbedrag lager te stellen (omdat tijdens het verblijf in de inrichting geen gas, water en licht wordt gebruikt). De bijstand wordt in principe slechts voor de periode van zes maanden verstrekt. Verstrekking gedurende een langere periode is alleen mogelijk als er een reëel uitzicht bestaat op spoedige terugkeer in de woning.
Iedereen vanaf 14 jaar moet zich met een geldig identiteitsbewijs kunnen legitimeren. Hiervoor worden uitsluitend een identiteitskaart, een paspoort, een rijbewijs of een vreemdelingenpas (verblijfsvergunning) geaccepteerd. Deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
De kosten van kleding behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en dienen normaal gesproken uit het reguliere inkomen betaald te worden. Er kunnen zich echter bijzondere omstandigheden voordoen, waardoor de kosten voor kleding als bijzondere noodzakelijke bestaanskosten kunnen worden aangemerkt. Deze omstandigheden kunnen gelegen zijn in een sociale situatie en/of het onvoorziene karakter van de noodzakelijke kledingaanschaf, bijvoorbeeld:
In bovengenoemde gevallen en als de verzekering het niet dekt, is verlening van bijzondere bijstand om niet mogelijk, rekening houdend met de draagkracht.
Vreemdelingen die zich tijdelijk of permanent in Nederland willen vestigen dienen daartoe een verblijfsvergunning aan te vragen. Hiervoor zijn legeskosten verschuldigd. Voor zover het de kosten van een verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning betreft, geldt dat de legale vreemdeling zonder een geldige verblijfsvergunning zijn (werk- en inkomens)rechten verliest, en daarmee de mogelijkheid om in zijn bestaan te voorzien. Daarom wordt aangenomen dat deze kosten behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-543814.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.