Gemeenteblad van Borger-Odoorn
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Borger-Odoorn | Gemeenteblad 2025, 54365 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Borger-Odoorn | Gemeenteblad 2025, 54365 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borger-Odoorn 2025
De gemeente Borger-Odoorn werkt in haar beleid met het onderstaande Regenboogmodel.
Het model stelt het gezin/huishouden centraal en geeft aan welke vormen van ondersteuning mogelijk zijn. Groen staat voor geen of hele lichte ondersteuning. Rood staat voor zware, individuele ondersteuning. De onderste balken geven aan op welke manier de gemeente de ondersteuning wil organiseren en uitvoeren. De voorzieningen die in de bogen staan, zijn bedoeld als illustratie, niet als een complete opsomming. Hierna beschrijven we de vijf bogen.
Boog gezin/huishouden: het gezin/huishouden staat centraal en wordt gezien als één geheel. In deze boog is geen sprake van ondersteuning. Het gezin/huishouden redt zichzelf.
Boog sociaal netwerk: bij een vraag of probleem wordt eerst een beroep gedaan op het sociale netwerk. Met hulp uit dit netwerk redt het gezin/huishouden zich meestal zelf. Vindt het gezin/huishouden het lastig om een beroep te doen op het sociale netwerk? Of is dat niet of nauwelijks aanwezig? Dan kan (kortdurend) ondersteuning worden gegeven om het sociale netwerk aan te spreken en/of op te bouwen.
Boog algemene voorziening: algemene voorzieningen zijn breed toegankelijke voorzieningen. Ze kunnen een (deel van de) oplossing bieden als het gezin/huishouden zichzelf niet redt met hulp van het sociale netwerk.
Boog collectieve voorziening: collectieve voorzieningen zijn bedoeld voor een bepaalde groep. Hiervoor is een ‘toegangsbewijs’ (besluit van een instantie) nodig. Deze boog komt aan bod als de bogen eronder geen of maar een deel van de oplossing bieden.
Boog individuele voorziening: individuele voorzieningen worden afgestemd op de persoon (maatwerk). Ook hierbij geldt dat de bogen eronder geen of maar een deel van de oplossing bieden.
Er zit dus een bepaalde volgorde in de bogen. Dit betekent niet dat eerst de ondersteuning uit de ene boog ‘geprobeerd’ moet zijn voordat ondersteuning uit de volgende boog kan worden gegeven. Het kan nodig zijn om direct ondersteuning uit een volgende boog te bieden. Een combinatie van ondersteuning uit verschillende bogen kan ook nodig zijn.
De gemeente Borger-Odoorn heeft drie teams:
Deze (sociale) teams zijn ondergebracht in de Stichting Sociale Teams Borger-Odoorn. Deze stichting zorgt ervoor dat de sociale teams werken volgens het beleid van de gemeente.
De sociale teams vormen de brede toegang. Ze hebben onder andere de taak om het onderzoek uit te voeren. Zij beoordelen of en welke ondersteuning nodig is. De gemeente beslist over de toekenning van een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Het sociaal team bepaalt wat de inwoner, die ondersteuning vraagt nog kan, niet (meer) kan en wat het te bereiken doel is. Het uitgangspunt is resultaatgericht werken. De te bereiken resultaten vanuit het Regenboogmodel en de gemaakte afspraken worden vastgelegd in een plan van aanpak. Op basis van dit plan wordt een verzoek voor een voorziening gedaan en door de gemeente een beschikking afgegeven.
Plan van aanpak: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de cliënt is vastgelegd. In dit document staan ook de doelen, de te bereiken resultaten en de manier waarop deze bereikt kunnen worden. Ook staat hier in op welke manier het college, de cliënt en het sociale netwerk hieraan een bijdrage kunnen leveren.
Artikel 11. Tweedehands voorziening
Als de verstrekking een tweedehands voorziening is, wordt de hoogte van het pgb op de kostprijs daarvan gebaseerd. De looptijd is dan gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven. Hierbij wordt rekening gehouden met onderhoud en verzekering.
Blijkt na die tijd dat de voorziening nog in goede staat verkeerd, dan wordt de gebruiksduur verlengd.
Artikel 12. Toekenningsduur pgb
Het pgb wordt voor een minimale periode toegekend. Binnen de toegekende verstrekkingsduur kan de cliënt niet nogmaals in aanmerking komen voor een pgb voor dezelfde maatwerkvoorziening of een dergelijke voorziening in natura. Tenzij vaststaat dat de verstrekte voorziening niet meer passend is.
Artikel 13. Onderhouds- en verzekeringsplicht
De cliënt is verplicht om gedurende de gebruiksduur de voorziening of de aangeschafte zaak voldoende te laten onderhouden en, voor zover van toepassing, voldoende te verzekeren.
Artikel 14. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Kan iemand aantonen dat hij een beperking of chronische, psychische/psychosociale problemen heeft? En maakt hij hierdoor aannemelijke extra kosten? Dan kan het college hem een tegemoetkoming geven ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Iedere inwoner van 18 jaar of ouder met een inkomen van maximaal 120% van de bijstandsnorm die van toepassing is, kan een aanvraag indienen.
De extra kosten worden als aannemelijk beschouwd als de inwoner kan aantonen dat hij een beperking of chronische, psychische/psychosociale problemen heeft én wanneer de inwoner beschikt over:
De inwoner die dit aanvraagt moet het bovenstaande aantonen door bij het aanvraagformulier mee te sturen:
Er moet een kopie van een (geldig) legitimatiebewijs (ID-kaart of paspoort) beschikbaar zijn.
Artikel 15. Een woonvoorziening
Een inwoner met een beperking kan voor een woonvoorziening in aanmerking komen. Dit is mogelijk als deze voorziening noodzakelijk is voor het compenseren van de belemmeringen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte. De inwoner is echter allereerst zelf verantwoordelijk voor de woning. Hierbij wordt er van uit gegaan dat de inwoner rekening houdt met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst.
In het kader van de Wmo verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening. In het geval van een woonvoorziening wordt ook onderzocht of verhuizen de meest passende oplossing is. Blijkt uit de beoordeling van het college dat het wonen in een geschikt huis ook te bereiken is via een verhuizing? Dan heeft dit de voorkeur als dit de goedkoopst adequate oplossing is. De aangeboden woning moet aansluiten bij de omstandigheden qua gezinssamenstelling, inkomen, leeftijd en dergelijke van de cliënt.
Het primaat van verhuizen houdt in dat de gemeente een inwoner vraagt te verhuizen naar een geschikte woning in plaats van de huidige woning aan te passen. Als het primaat van verhuizen wordt toegepast, ontvangt de cliënt eenmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding, bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning wordt dan niet aangepast.
Komt het college tot de conclusie dat een passende woning beschikbaar is? Dan kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Is er geen passende woning aanwezig? Dan kan het primaat van verhuizen in sommige gevallen alsnog worden toegepast. Kan een nieuwe woning goedkoper of eenvoudiger worden aangepast dan de huidige woning, zodat deze wel aansluit bij de hulpvraag? Dan kan het primaat alsnog worden toegepast.
Is verhuizen de goedkoopst adequate oplossing voor de hulpvraag van de cliënt? Dan kan voor deze oplossing worden gekozen. Dit geldt zowel voor een eigen woning als voor een huurwoning. Een weigering om te verhuizen leidt niet tot het alsnog verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het weigeren van een geschikte woning wordt gelijkgesteld aan de weigering om te verhuizen. Verkoop van een huis is geen argument om niet te verhuizen.
Artikel 18. Meewerken aan verhuizen na wegvallen indicatie
Overlijdt of verhuist degene voor wie een grote woningaanpassing aan een huurwoning is gerealiseerd? En hebben de achtergebleven partner of andere gezinsleden geen indicatie voor een aangepaste woning? Dan geldt het volgende:
Artikel 19. Bouwkundige aanpassingen
Het bedrag voor een woonvoorziening (maatwerkvoorziening) van bouwkundige of bouwtechnische aard, wordt vastgesteld op basis van de laagste uitgebrachte offerte (minimaal twee). De offerte moet een gespecificeerde begroting bevatten en moet voldoen aan het programma van eisen. Is voor een woonvoorziening van bouwkundige of bouwtechnische aard een omgevingsvergunning vereist? En wordt deze verstrekt in de vorm van een pgb? Dan is de cliënt zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de benodigde vergunning.
Artikel 20. Reikwijdte bouwkundige en bouwtechnische aanpassingen
De volgende uitgaven worden gerekend tot de kosten van een woonvoorziening:
Artikel 21. Vergoeding huurderving
De vergoeding huurderving is een vergoeding voor de verhuurder die op verzoek van het college een aangepaste woning vrijhoudt voor iemand die deze aanpassing kan gebruiken. Of wiens woning niet direct weer bewoond kan worden als gevolg van uitgevoerde woningaanpassingen. De eerste maand leegstand komt niet voor vergoeding in aanmerking. De tegemoetkoming is maximaal zes maanden en op basis van de netto (kale) huurprijs. In bijzondere gevallen, te bepalen door het college, kan het college deze periode verlengen met maximaal zes maanden.
Artikel 22. Tijdelijke huisvesting
Aan personen met een beperking of chronische problemen kan, ten behoeve van tijdelijke huisvesting, maximaal vier maanden een eenmalige tegemoetkoming meerkosten worden gegeven. Maar alleen als deze meerkosten moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van:
Artikel 23. Huishoudelijke hulp en schoonmaakondersteuning: uitzonderingen bij bijzondere typen leefsituaties
Bij een aantal typen leefsituaties wordt anders omgegaan met het begrip “leefeenheid” waardoor er mogelijk geen/beperkt sprake is van “gebruikelijke hulp”.
Kamer huren bij cliënt: als een cliënt een kamer verhuurt aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend.
De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(n) schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten. In de berekening van de omvang van de hulp wordt het schoonmaken van gehuurde ruimte(n) dus niet meegerekend.
Geclusterd wonen: een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in een huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen.
In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. In de berekening van de omvang van hulp wordt het schoonmaken van de eigen woonruimte(n) en slechts een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend.
Leef- en woongemeenschappen: een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt hiermee wel een leefeenheid.
Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Een voorbeeld hiervan zijn kloostergemeenschappen waarbij er sprake is van een leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten die vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw. Bibliotheken, gebedsruimten etc. vallen erbuiten en behoren daardoor tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.
Artikel 24. Vertrouwenspersoon sociaal domein
Het college stelt een vertrouwenspersoon sociaal domein aan waarop cliënten een beroep kunnen doen.
Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel
Op de datum van inwerkingtreding van deze nadere regels worden de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Borger-Odoorn 2015, de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Borger-Odoorn 2017 en de regeling Tegemoetkoming chronisch zieken en mensen met een beperking 2017 ingetrokken.
Hoogachtend,
Burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn,
de secretaris,
E.W. Bennema
de burgemeester,
mr. J. Seton
De afweging of iemand PGB vaardig is wordt zorgvuldig gedaan. Hierbij zijn veel factoren van belang. Het kan bijvoorbeeld meewegen als:
Om een Pgb af te wijzen op overwegende bezwaren moet er een feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan de afwijzing plaatsvindt. In de beschikking wordt voor de motivering verwezen naar het plan van aanpak, dat onderdeel is van de beschikking. De inwoner kan hiertegen bezwaar aantekenen.
Bijlage 1: Richtlijn gebruikelijke hulp in de Wmo
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt dus bepaald door wat op dat moment normaal is en kan in de loop van de tijd veranderen. Volgens de regering is het op dit moment in onze samenleving normaal dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid.
Van wie wordt gebruikelijke hulp verwacht?
De leefeenheid van de cliënt die een beroep doet op ondersteuning is primair verantwoordelijk voor het functioneren van de leefeenheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. De huisgenoten moeten meewerken aan het onderzoek dat noodzakelijk is om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij moeten de huisgenoten alles aangeven wat van belang kan zijn voor het onderzoek.
Doen zij dit niet, dan kan dat inhouden dat de gemeente de noodzaak tot of de omvang van de
maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Dit kan dus betekenen dat er geen maatwerkvoorziening kan worden verstrekt.
De leefeenheid waartoe cliënt behoort, bestaat, gelet op artikel 1.1.1 Wmo 2015, uit de:
Gelet op de definitie van gebruikelijke hulp in de Wmo 2015, en Memorie van Toelichting, kunnen meer dan twee volwassen personen tot de leefeenheid behoren. Het begrip gezamenlijke huishouding heeft betekenis in relatie tot ‘andere huisgenoten’. Hiermee is bedoeld om bijvoorbeeld kamerhuurders uit te sluiten of personen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen.
Als de cliënt deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de medewerker van de stichting vaststellen wat, gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar.
Hoofdverblijf in dezelfde woning
Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. De enkele inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat een persoon in het BRP is ingeschreven op het adres van de cliënt is onvoldoende om te spreken van hoofdverblijf in dezelfde woning.
Soms kan er twijfel bestaan of het gaat om huisgenoten of dat men feitelijk in twee verschillende woningen verblijft. Denk hierbij aan de situatie waarbij iemand woont in een apart bijgebouw. In die situatie kunnen de volgende factoren onderzocht worden om te bepalen of het gaat om één
Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld (artikel 1.1.2 Wmo 2015):
Van een gezamenlijke huishouding is sprake wanneer twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
De algemene wettelijke definitie bevat drie eisen waaraan moet zijn voldaan (artikel 1.1.2 lid 3
Behoren er meer dan twee personen tot de leefeenheid, en voeren twee daarvan een gezamenlijke huishouding, dan kan niettemin ten aanzien van de andere huisgenoten ook sprake zijn van gebruikelijke hulp. Dan zal echter vastgesteld moeten worden wat gebruikelijke hulp is voor deze huisgenoten ten opzichte van de cliënt.
Een ander belangrijk criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding wordt ook wel het verzorgingscriterium genoemd en is in de praktijk het lastigste om aan te tonen. De betrokkenen moeten voor elkaar zorgdragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De aanwezigheid van een contract of van bewijsstukken dat huur of kostgeld wordt betaald, betekent niet dat de betrokkenen geen gezamenlijke huishouding kunnen voeren.
Het is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft.
Bij (onder)huurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke relatie. Daarvan is geen sprake als er een mate van financiële verstrengeling aanwezig is, die verder reikt dan de betaling van de huur of het kostgeld en een wederzijdse verzorging die niet beperkt blijft tot het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing. Zoals dat ook het geval is in andere situaties waarin de betrokkenen beweren niet elkaars partners te zijn, kan het college een onderzoek instellen naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen.
Gebruikelijke hulp door kinderen
Wanneer er gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, dan moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind (voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk). Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties.
Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Bovendien hoeven mantelzorgers niet per se een gezamenlijke huishouding te voeren met de zorgvrager. Een huisgenoot kan wel naast gebruikelijke hulp ook mantelzorg verlenen, omdat de zorg die hij verleent boven de gebruikelijke hulp uitstijgt. Deze bovengebruikelijke hulp (mantelzorg) kan, in tegenstelling tot gebruikelijke hulp, echter niet verplicht worden.
Wanneer kan minder of geen gebruikelijke hulp worden verwacht?
Geobjectiveerde beperkingen / ontbreken kennis & vaardigheden
Wanneer partner, ouders, kind en/of elke andere huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist, hoeven zij geen gebruikelijke hulp te bieden. Tenzij de betreffende huisgenoot nog leerbaar is. In dat geval kan er alleen kortdurend ondersteuning toegekend worden, zodat de huisgenoot zich de vaardigheden eigen kan maken.
Niet-inwonende kinderen hoeven geen gebruikelijke hulp te bieden, want zij behoren niet tot de leefeenheid. De medewerker van de stichting kan wel met de cliënt bespreken of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis) een helpende hand kunnen bieden.
Bij gebruikelijke hulp moet onderzocht worden of diegene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht, ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden of dat er sprake is van (dreigende) overbelasting.
Bij dat onderzoek moet het college aandacht besteden aan draaglast en draagkracht. Bekeken moet worden of de echtgenoot of huisgenoot, naast zijn/ haar werk en de door hem te verlenen zorg aan zijn echtgenoot of huisgenoot, fysiek en psychisch nog in staat is gebruikelijke hulp aan cliënt te verlenen. Als dat niet het geval is en er is dus sprake van (dreigende) overbelasting, zal het college (tijdelijk) een voorziening moeten verstrekken.
In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp met andere activiteiten, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp. Dit kan alleen anders zijn als de vrijetijdsbesteding noodzakelijk is om niet overbelast te raken. Dit moet altijd in het individuele geval onderzocht worden.
In geval de zorgvrager een korte levensverwachting heeft, kan ter fysieke en psychische ontlasting van de leefeenheid van de zorgvrager besloten worden om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp.
Respijtzorg doet zich voor in situaties waarin de huisgenoot, partner of ouder die feitelijk gebruikelijke hulp op zich moet nemen daartoe niet in staat is wegens (dreigende) overbelasting, die niet op een andere manier door hem is op te lossen. Het college moet de cliënt met beperkingen dan ondersteunen. Het college beoordeelt de situatie dan alsof de cliënt zonder gebruikelijke hulpverlener woont.
Er is een variëteit aan respijtvoorzieningen waarmee vervangende zorg vorm zou kunnen krijgen.
Hierbij kan gedacht worden aan begeleiding thuis, informele zorg, dagopvang, een logeerhuis en kortdurend verblijf. Ook kan het maatwerk bestaan uit het bieden van diensten, hulpmiddelen of andere maatregelen die van belang zijn bij het ondersteunen van een cliënt door een mantelzorger.
Afweging gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp
Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke) maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt. Denk hierbij aan stomaverzorging in plaats van toiletgang en sondevoeding in plaats van eten.
Van bovengebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is.
Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Er is sprake van een pluriforme samenleving waarin iedereen gelijke aanspraken op zorg kan maken.
Opvang en verzorging van kinderen
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen, in het kader van de opvoeding. Dit houdt in het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid, en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van een kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte.
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind vereisen. Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende mogelijkheden van zorgverlof. Indien dit niet mogelijk is dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening zoals crèche, buitenschoolse opvang, gastouderbureau e.d. Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden wordt redelijk geacht, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is slechts kortdurende overbrugging nodig, dan kan hulp worden ingezet.
Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, en de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen en een sociaal netwerk zijn niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput, dan is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind hulp mogelijk voor oppas, opvang, begeleiding en verzorging van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 3 maanden), met de bedoeling binnen deze termijn een eigen oplossing te realiseren.
Van wie kan gebruikelijke hulp worden verwacht bij huishoudelijke verzorging?
Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze alle huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.
Uit een uitspraak van de CRvB volgt dat wanneer de echtgenoot, huisgenoot of inwonende zoon of dochter wel in staat is om gebruikelijke hulp te verlenen maar weigert om huishoudelijke taken te verrichten, de gemeente geen hulp bij het huishouden hoeft te verstrekken met toepassing van de hardheidsclausule (ECLI:NL:CRVB:2016:3665).
Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
Dit betekent dat wel huishoudelijke verzorging kan worden toegekend voor het schoonhouden van overige slaapkamer(s) inclusief het verschonen van bedden, het schoonmaken van de hal/bijkeuken en het zemen van ramen aan de binnenzijde. Daarnaast kunnen 18-23 jarigeneventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.
Bijdrage van kinderen aan het huishouden
In geval de leefeenheid van cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat de medewerker van de stichting ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken:
Het aanleren van huishoudelijke activiteiten
Redenen als “niet gewend zijn om” of “geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten” leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Als hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor 6 weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden.
Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (> 75 jaar) kan, indien nodig, huishoudelijke verzorging voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke hulp zouden worden gerekend.
Belasting door werk, studie, maatschappelijke participatie of zorgtaken
Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan ondersteuning te bieden. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren.
Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke hulp niet in de weg. Gebruikelijke hulp gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.
Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke hulp. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijke werk aan te leren.
Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver, om chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.
In geval de leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie voor hulp bij het huishouden worden gesteld op onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In eerste instantie zal getracht worden die indicatie van korte duur te laten zijn, om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het (plotseling) overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
Van wie kan gebruikelijke hulp worden verwacht bij persoonlijke verzorging?
Van belang is onderscheid te maken tussen:
Onder partner wordt verstaan: de volwassene met wie de zorgvrager een intieme, emotionele relatie heeft én een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert.
Van personen uit groep 1 wordt verwacht dat zij elkaar persoonlijke verzorging bieden als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt dat persoonlijke verzorging daarna niet langer is aangewezen.
De zorgplicht van personen uit groep 1 onderling betreft persoonlijke, lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale problemen. Een voorbeeld hiervan is de zorg voor een huisgenoot of partner tijdens een kortdurend gezondheidsprobleem zoals herstel na een operatie, griep, gekneusde ledematen. Deze vorm van zorg is in principe (afhankelijk van de aard, omvang en duur) gebruikelijk.
Bij een zorgvraag die naar verwachting langer dan 3 maanden zal gaan duren, is persoonlijke verzorging ook tussen personen uit groep 1 geen gebruikelijke hulp. Als vanaf de start van de zorgsituatie duidelijk is dat de zorgsituatie een langdurig karakter heeft, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Er hoeft dan dus niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door personen uit groep 1 geleverd te worden, alvorens zorg kan worden ingezet.
Persoonlijke verzorging van personen uit groep 2 is geen gebruikelijke hulp.
Van wie kan gebruikelijke hulp worden verwacht bij begeleiding?
Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Alle begeleiding van de cliënt door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat begeleiding daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Als het gaat om een chronische situatie is de begeleiding van een volwassen cliënt gebruikelijke hulp wanneer die begeleiding normaal gesproken door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt:
Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de cliënt is gebruikelijke hulp.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-54365.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.