Gemeenteblad van Ridderkerk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2025, 543509 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2025, 543509 | beleidsregel |
Nadere regels en beleidsregels jeugdhulp gemeente Ridderkerk
Hoofdstuk 1 Algemene begripsbepaling
De begrippen die in deze Nadere regels en beleidsregels worden gebruikt en niet anders zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet 2015, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verordening Jeugdhulp Ridderkerk (gepubliceerd: 2026). In deze Nadere regels en beleidsregels wordt verstaan onder:
professional: een beroepskracht die beschikt over aantoonbare kennis en vaardigheden over problemen bij de ontwikkeling, opvoeding en het opgroeien van kinderen en ouders. De beroepskracht weet welke individuele maatwerkvoorzieningen nodig zijn. Hij of zij voldoet aan de geldende kwaliteitseisen in het vakgebied en is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel of een beroepsregister, of werkt in loondienst bij een erkende zorgaanbieder;
toekomstplan: ondersteuningsplan, aangevuld met leef- en resultaatgebieden die voorsorteren op de toekomst van jongeren dat onder andere informatie bevat over vervolghuisvesting na de leeftijd van 18 jaar, zorg, hulp en ondersteuning vanuit verschillende wetten, mentorschap, financiën, onderwijs en werk, netwerk en relaties, wensen en talenten van jongeren, informatie over regelzaken voordat een jongere 18 jaar wordt waaronder verzekeringen en toeslagen en veiligheidszaken;
verblijfsproduct: de toewijzing van een plaats aan een jeugdige in een residentiële jeugdhulpvoorziening voor voltijds verblijf, inclusief ten minste de begeleiding, verzorging en financiële voorzieningen die met het verblijf samenhangen. Pleegzorg valt hier niet onder; daarvoor gelden specifieke afspraken;
Het onderzoeksrapport wordt door het college digitaal verzonden aan de jeugdige en/of de ouder(s) via een beveiligde e-mailomgeving. Binnen vijf werkdagen na ontvangst van het onderzoeksrapport door de jeugdige en/of ouders kunnen zij eenmaal schriftelijk opmerkingen en/of aanvullingen indienen. Indien binnen deze termijn geen reactie is ontvangen, wordt het onderzoeksrapport door de jeugdige en/of ouders geacht te zijn goedgekeurd en als ondertekend beschouwd.
Indien de jeugdige en/of de ouder(s) gebruik maken van de mogelijkheid zoals bedoeld in lid 2 worden de aanvullingen toegevoegd als bijlage aan het onderzoeksrapport. Wanneer deze aanvullingen leiden tot een herziening van de conclusies uit het onderzoeksrapport kunnen de stappen van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.1 van de verordening worden herhaald.
De gemeente Ridderkerk past de landelijke richtlijnen toe voor zak- en kleedgeld, zoals vastgelegd in:
Werkinstructie zak- en kleedgeld (Werkinstructie-zak-en-kleedgeld.pdf).
Hoofdstuk 6 Eigen mogelijkheden & probleemoplossend vermogen
Wanneer jeugdigen en de ouder(s) vragen en/ of ondersteuning nodig hebben als het gaat om opgroeien en opvoeden van hun kind, kunnen zij terecht bij de gemeente. In de Jeugdwet is dit in artikel 4.2 als volgt verwoord:
Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een opvoeder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
Artikel 6.2 Algemeen afwegingskader
Voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van de ouder(s) moet(en) een aantal factoren worden onderzocht. Het college dient alleen een voorziening te treffen voor jeugdhulp voor zover de eigen mogelijkheden van de ouder(s) ontoereikend zijn. De factoren kunnen worden samengevat in de volgende vervolgvragen:
In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak van de hulpvraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt:
Kwetsbaarheid en problemen horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost.
Bij de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten met betrekking tot normalisatie: ouder(s) dragen primair de verantwoordelijkheid voor de positieve ontwikkeling van hun kind(eren). Dit uitgangspunt blijft van toepassing, ook indien sprake is van een jeugdhulpvraag en de inzet van een individuele voorziening.
De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige bepaalt welke gedragingen en problemen als passend bij de leeftijd worden gezien. Gedragingen en uitdagingen die typerend zijn voor de ontwikkelingsfase van een jeugdige vallen onder normale ontwikkeling. Ernstige problematiek daarentegen belemmert de normale ontwikkeling en kan een aanleiding zijn voor jeugdhulp. Bij de beoordeling wordt gekeken of een gedraging of probleem voortkomt uit de ontwikkelingsfase van de jeugdige, of dat er sprake is van een afwijking die professionele ondersteuning vereist.
Artikel 6.4 Sociaal netwerk & eigen kracht
Als er een hulpvraag is, wordt waar mogelijk een beroep gedaan op de eigen kracht en het netwerk van de jeugdige en de ouder(s). Op basis van artikel 1:247 van het Burgerlijk wetboek zijn de ouder(s) verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kind. Bij eigen kracht geldt dat er een balans moet zijn tussen opvoeden, werk en het sociale leven:
Eigen kracht moet breed worden opgevat. Het gaat om bijvoorbeeld de opvoedkundige vaardigheden, maar ook om de mogelijkheden om kinderen op te vangen, te begeleiden of verzorgen. Daarbij geldt ook dat het toekomstperspectief (zoals carrièreplannen) van de ouder(s) het inzetten van eigen kracht in beginsel niet in de weg kunnen staan volgens een uitspraak van de rechtbank Den Haag in 2020. 1
Ouder(s) worden gevraagd hun eigen kracht zoveel mogelijk in te zetten bij het oplossen van hulpvragen van hun kind. Daarbij geldt dat zij keuzes maken die deze inzet mogelijk maken. Als de ouder(s) er bewust voor kiezen om hun eigen kracht te beperken, bijvoorbeeld door keuzes in werk of woonomgeving, komt dat voor rekening en risico van de ouder(s). Alleen wanneer sprake is van omstandigheden buiten de invloed van de ouder(s), zoals ziekte of andere externe factoren, wordt dit bij de beoordeling meegewogen.
Ouder(s) en jeugdigen zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor het inzetten van hun eigen kracht bij het oplossen van een hulpvraag. Wanneer zij ervoor kiezen dit niet te doen, blijft dit hun eigen verantwoordelijkheid. Alleen bij hulpvragen waarbij de veiligheid van de jeugdige in het geding is, zal het wijkteam hierop anticiperen. In alle andere gevallen wordt er in beginsel geen individuele voorziening ingezet voor het deel waarvoor de ouder(s) en jeugdige hun eigen kracht en netwerk niet benutten, terwijl dit wel van hen verwacht mag worden.
Artikel 6.5 (Boven)gebruikelijke zorg
Bovengebruikelijke zorg is voor de jeugdige noodzakelijke zorg en begeleiding die boven de normale dagelijkse zorg en begeleiding uitstijgt, die een jeugdige zonder beperkingen van gelijke leeftijd redelijkerwijs nodig zou hebben. Van de ouder(s) wordt verwacht dat zij hun kind de zorg bieden die het nodig heeft voor zover dat, gelet op de omstandigheden, in hun vermogen ligt. In bijlage 1 van de verordening is het beoordelingskader gebruikelijke zorg opgenomen. Dit kader is gelijk aan de door het Ministerie van VWS uitgegeven richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van de ouder(s) voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfases.
Voor gebruikelijke zorg geldt:
Voor bovengebruikelijke zorg geldt dat er alleen een voorziening wordt getroffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) ontoereikend zijn. Daarnaast wordt er gekeken in hoeverre en op welke wijze de zorgzwaarte kan afnemen en hoe de draagkracht van de ouder(s) en jeugdige vergroot kan worden.
Artikel 6.6 Beoordelingscriteria (boven)gebruikelijke zorg
Bij het beoordelen of er sprake is van gebruikelijke of bovengebruikelijke zorg wordt, met inachtneming van het beoordelingskader, gekeken naar vier criteria. Hierbij is de samenhang tussen de criteria en de omstandigheden van de jeugdige en de ouder(s) belangrijk. Op basis van het referentiekader, opgenomen in bijlage 1 van de verordening, en de vier criteria hieronder wordt gemotiveerd bepaald in hoeverre hulp gebruikelijk is. De criteria zijn:
Frequentie en duur van de zorg. Naast leeftijd en aard van de zorg wordt gekeken naar de frequentie en of deze past binnen het normale patroon van dagelijkse verzorging. Ook geldt hierbij dat de duur van de zorg wordt meegewogen. Kortdurende hulp (korter dan drie maanden) wordt in principe als gebruikelijk beschouwd; gedurende deze periode wordt van ouder(s) verwacht dat zij een extra inspanning leveren. De 3 maanden is in lijn met de oorspronkelijke AWBZ-richtlijnen. Het gaat hier om hulp die ouder(s) kunnen bieden, zoals vervoer of dagelijkse verzorging. Voor bijvoorbeeld behandeling gelden de 3 maanden niet.
Ouder(s) met een kind met een (omvangrijke) jeugdhulpvraag bieden vaak intensieve en langdurige zorg en hebben hier soms ondersteuning bij nodig. Dit geldt ook voor jeugdigen in het gezin. Het kan voorkomen dat deze zorg resulteert in overbelasting. In deze gevallen, en liever voordat de overbelasting plaatsvindt, kan respijtzorg worden ingezet. De inzet van respijtzorg is dan ook niet zozeer gelegen in problemen bij het opvoeden of opgroeien, maar in de (dreigende) overbelasting van de ouder(s) of het gezin. Hierbij geldt dat:
Respijtzorg wordt ingezet om (dreigende) overbelasting als gevolg van het bieden van mantelzorg in het kader van een jeugdhulpvraag te voorkomen. De overbelasting moet door een professional zijn herkend. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van de Opvoedingsbelastingvragenlijst of een vergelijkbaar instrument.
Als de oorzaak van de overbelasting buiten het bieden van jeugdhulp ligt, moet de oplossing ook daar gezocht worden. Bij overbelasting door een te groot dienstverband of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Het lokale team betrekt hulp uit andere domeinen als dit het geval is, bijvoorbeeld ondersteuning vanuit de Wmo of schuldhulpverlening.
Artikel 7.1 Criteria vervoersvoorziening
De criteria voor een vervoersvoorziening staan opgenomen in hoofdstuk 6 van de verordening. Uitgangspunt hierbij is dat de ouder(s) primair zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt één keer (heen en terug) per week zelf brengen en halen (met de auto, fiets of het OV) in ieder geval beschouwd als gebruikelijke zorg van de ouder. Indien de ouder(s) onvoldoende financiële draagkracht hebben en zij geen gebruik kunnen maken van de wetten zoals benoemd in artikel 9.2 lid 1 van de verordening kunnen zij in aanmerking komen voor een vorm van vervoersvoorziening.
Hoofdstuk 8 Persoonsgebonden Budget (PGB)
Het college beoordeelt of de motivering van ouders en jeugdige aantoont dat de voorziening in natura voor hen niet passend of niet toereikend is. Daarnaast beoordeelt het college of het persoonsgebonden budget de aangewezen wijze is om de jeugdhulp te verstrekken. Deze beoordeling vormt, samen met de bekwaamheid van de budgetbeheerder en de waarborging van kwaliteit en veiligheid, onderdeel van het besluit om een pgb toe te kennen.
Artikel 8.2 Kwaliteitscriteria pgb
De keuze voor een pgb brengt verantwoordelijkheden met zich mee. De budgetbeheerder moet voldoen aan kwaliteitscriteria die waarborgen dat de hulp veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt geleverd.
Artikel 8.2.1 Bekwaamheid budgetbeheerder
Artikel 8.2.2 Omstandigheden die meewegen
Bij de beoordeling van de bekwaamheid kunnen contra-indicaties meewegen, zoals:
Bij aanwezigheid van een of meerdere omstandigheden kan het college het pgb weigeren.
Artikel 8.2.3 Arbeidstijdenwet
Voor een informeel pgb geldt dat de arbeidstijdenwet van toepassing is. Bij signalen van overbelasting kan het college besluiten dat (een deel van) de hulp niet door ouders zelf mag worden uitgevoerd.
Artikel 8.3 Pgb en zorg in natura
Een pgb kan naast zorg in natura worden ingezet, mits dit verantwoord en afgestemd is. De pgb-beheerder is verantwoordelijk voor de afstemming en coördinatie.
Het pgb kan uitsluitend na schriftelijke toestemming van het college tijdelijk worden ingezet in een andere EU-lidstaat, conform het landelijke afsprakenkader buitenlands zorgaanbod. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:
Hoofdstuk 9 Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 9.1 Specificatie wetten
Vanuit een wettelijk kader als bedoeld in artikel 9.2 lid 1 sub b van de verordening, is het college gehouden om ervoor te zorgen dat financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp tijdig worden gesignaleerd, en (waar nodig) jeugdigen en hun ouder(s) te ondersteunen bij het verkrijgen van passende hulp via gemeentelijke voorzieningen, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, minimaregelingen en begeleiding naar werk.
Vanuit het wettelijk kader zoals bedoeld in artikel 9.2, lid 1 sub l, van de verordening, is het college gehouden om:
ervoor te zorgen dat, wanneer een besluit wordt genomen over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er reëel te verwachten is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige doorgaat, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan door de zorgverzekeraars worden gesteld.
Op grond van de Jeugdwet wordt ondersteuning geboden aan jeugdigen totdat zij het 18e levensjaar bereiken. Hierdoor is de overgang van 17 naar 18 jaar een cruciale tijd. Om tijdig te acteren op de overgang naar volwassenheid wordt er gewerkt met een toekomstplan. Hierin worden de ‘big five’ opgenomen: support, wonen, werk en school, inkomen en schulden, en zorg en ondersteuning. Het toekomstplan kan worden opgesteld voor jeugdigen vanaf 16 jaar. In sommige gevallen is het wenselijk dat de ondersteuning van de jeugdige doorloopt na de 18e verjaardag (verlengde jeugdhulp). De Jeugdwet biedt de mogelijkheid om jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar. In de volgende situaties is verlengde jeugdhulp mogelijk:
Voor de noodzakelijkheid van verlengde jeugdhulp gelden onderstaande uitgangspunten:
De hulp wordt ingezet, of er wordt bepaald dat hulp wordt ingezet, vóór de 18e verjaardag. Echter, één uitzondering is mogelijk: verlengde jeugdhulp kan ingezet worden wanneer er binnen een half jaar na de beëindiging van de jeugdhulp, die ingezet is vóór de 18e verjaardag, wordt geconstateerd dat hulp toch nodig blijkt te zijn;
Indien de hulp inhoudelijk onder de Jeugdwet of Wmo 2015 valt geldt dat (individuele) begeleiding onder de Wmo 2015 valt, niet onder verlengde jeugdhulp. Uitzondering hierop is hulp zoals beschreven in het bovenstaande punt en indien de (individuele) begeleiding samenvalt met verblijf vanuit de Jeugdwet.
Voor verblijf (behalve pleegzorg en gezinshuis) geldt:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-543509.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.