Nadere regels en beleidsregels jeugdhulp gemeente Ridderkerk

Besluit:

Vast te stellen de Nadere regels en beleidsregels jeugdhulp gemeente Ridderkerk

 

Hoofdstuk 1 Algemene begripsbepaling

Artikel 1.1 definities

De begrippen die in deze Nadere regels en beleidsregels worden gebruikt en niet anders zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet 2015, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verordening Jeugdhulp Ridderkerk (gepubliceerd: 2026). In deze Nadere regels en beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    budgetplan: een plan voorzien van een omschrijving van de problematiek, doelen en welke middelen en werkzame elementen nodig zijn om de doelen te behalen en dat de jeugdige of zijn ouders verplicht zijn om op te stellen wanneer zij hulp willen inkopen met een pgb;

  • b.

    budgethouder: degene die het persoonsgebonden budget krijgt toegekend;

  • c.

    budgetbeheerder: de persoon die het persoonsgebonden budget voor de jeugdige beheert en de taken en verantwoordelijkheden die samenhangen met het budgethouderschap uitvoert;

  • d.

    college: het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk;

  • e.

    ED-specialist: een professional die gespecialiseerd is in het behandelen van ernstige dyslexie bij jeugdigen;

  • f.

    gebruikelijke zorg: de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden onderling te bieden;

  • g.

    gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert;

  • h.

    ondersteuningsplan: een door het college opgesteld plan zoals bedoeld in de Verordening Jeugdhulp gemeente Ridderkerk;

  • i.

    professional: een beroepskracht die beschikt over aantoonbare kennis en vaardigheden over problemen bij de ontwikkeling, opvoeding en het opgroeien van kinderen en ouders. De beroepskracht weet welke individuele maatwerkvoorzieningen nodig zijn. Hij of zij voldoet aan de geldende kwaliteitseisen in het vakgebied en is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel of een beroepsregister, of werkt in loondienst bij een erkende zorgaanbieder;

  • j.

    SVB (Sociale Verzekerings Bank): de overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor de administratie en uitbetaling van het persoonsgebonden budget (pgb) en waarmee de ouders of jeugdige moeten kunnen communiceren over betalingen, verantwoording en gerelateerde administratieve zaken;

  • k.

    toekomstplan: ondersteuningsplan, aangevuld met leef- en resultaatgebieden die voorsorteren op de toekomst van jongeren dat onder andere informatie bevat over vervolghuisvesting na de leeftijd van 18 jaar, zorg, hulp en ondersteuning vanuit verschillende wetten, mentorschap, financiën, onderwijs en werk, netwerk en relaties, wensen en talenten van jongeren, informatie over regelzaken voordat een jongere 18 jaar wordt waaronder verzekeringen en toeslagen en veiligheidszaken;

  • l.

    verblijfsproduct: de toewijzing van een plaats aan een jeugdige in een residentiële jeugdhulpvoorziening voor voltijds verblijf, inclusief ten minste de begeleiding, verzorging en financiële voorzieningen die met het verblijf samenhangen. Pleegzorg valt hier niet onder; daarvoor gelden specifieke afspraken;

  • m.

    verordening: de Verordening Jeugdhulp gemeente Ridderkerk;

  • n.

    ZIN: zorg in natura door een gecertificeerde zorgaanbieder uit het aanbod van de gemeente Ridderkerk.

Hoofdstuk 2 Toeleiding naar Jeugdhulp

Artikel 2.1 Toegang tot jeugdhulp

  • 1.

    Aanmelding

    • a.

      Iedere jeugdige, ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan zich met een hulpvraag melden bij het college.

    • b.

      Dit eerste contact wordt beschouwd als een aanmelding. Aanmeldingen kunnen schriftelijk, digitaal, telefonisch of mondeling plaatsvinden.

  • 2.

    Aanvraag volgens de Awb

    • a.

      Een aanmelding wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb zodra is voldaan aan de vormvereisten uit de artikelen 4:1 en 4:2 Awb. Dat betekent dat:

      • a.

        er een volledig ingevuld en ondertekend aanmeld- of aanvraagformulier aanwezig is bij het wijkteam Ridderkerk;

      • b.

        de aanvraag de naam, het adres en een dagtekening bevat;

      • c.

        de noodzakelijke gegevens en bescheiden zijn verstrekt om de aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen;

    • b.

      Het college beoordeelt of aan deze vereisten is voldaan en bevestigt schriftelijk dat de aanmelding als formele aanvraag in behandeling wordt genomen.

  • 3.

    Andere situaties die als aanvraag gelden

    • a.

      Een door de jeugdige of ouder ondertekend onderzoeksrapport van het gesprek, bedoeld in artikel 4.4 van de verordening, geldt eveneens als aanvraag, mits de belanghebbende dit uitdrukkelijk aangeeft.

    • b.

      Voor een persoonsgebonden budget geldt dat een door jeugdige of ouder ondertekend zorg- en budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag.

  • 4.

    Termijnen en besluiten

    • a.

      Het college neemt zo spoedig als mogelijk, maar uiterlijk binnen 10 weken na ontvangst van de aanvraag, een besluit.

    • b.

      In spoedeisende gevallen treft het college onmiddellijk een passende voorziening. De beschikking hierover wordt zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de hulp, vastgelegd.

Artikel 2.2 Aanmeldprocedure

  • 1.

    Een inwoner die jeugdhulp nodig heeft, meldt zich bij het aanmeldpunt van het wijkteam, op de wijzen zoals genoemd in artikel 2.1 lid 1 sub b;

  • 2.

    Het wijkteam registreert de aanmelding en legt deze voor aan het triageteam;

  • 3.

    Het triageteam beoordeelt de aanmelding en wijst de hulpvraag toe aan het passende team voor verdere opvolging.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

Artikel 3.1 Toekenning individuele voorziening

  • 1.

    Een individuele voorziening wordt toegekend wanneer:

    • a.

      de hulpvraag niet kan worden opgelost met eigen kracht, gebruikelijke hulp, het sociaal netwerk of voorliggende voorzieningen;

    • b.

      er sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de ontwikkeling, veiligheid of participatie van de jeugdige;

    • c.

      de voorziening naar aard, inhoud en duur passend en toereikend is voor de situatie van de jeugdige;

    • d.

      de voorziening doelmatig en doeltreffend kan worden ingezet.

  • 2.

    Bij de beoordeling wordt in ieder geval gekeken naar:

    • a.

      de ernst en aard van de problematiek, rekening houdend met de ontwikkelingsfase;

    • b.

      de mogelijkheden binnen het gezinssysteem en de omgeving;

    • c.

      de afstemming met voorzieningen op grond van onderwijs, Wmo, Zvw of Wlz.

  • 3.

    Een individuele voorziening wordt in beginsel voor bepaalde duur verstrekt, afgestemd op de gestelde doelen en het hulpverleningsplan (zoals beschreven in het onderzoeksrapport).

  • 4.

    Bij de aanvraag of verlenging van een voorziening maakt het college gebruik van de landelijke handreikingen en richtlijnen voor indicatiestelling, zoals gehanteerd in de regio Rijnmond.

Artikel 3.2 Onderzoeksrapport

  • 1.

    In het onderzoeksrapport is opgenomen hoe een benodigde voorziening bijdraagt aan het behalen van gestelde doelen.

  • 2.

    Het onderzoeksrapport wordt door het college digitaal verzonden aan de jeugdige en/of de ouder(s) via een beveiligde e-mailomgeving. Binnen vijf werkdagen na ontvangst van het onderzoeksrapport door de jeugdige en/of ouders kunnen zij eenmaal schriftelijk opmerkingen en/of aanvullingen indienen. Indien binnen deze termijn geen reactie is ontvangen, wordt het onderzoeksrapport door de jeugdige en/of ouders geacht te zijn goedgekeurd en als ondertekend beschouwd.

  • 3.

    Indien de jeugdige en/of de ouder(s) gebruik maken van de mogelijkheid zoals bedoeld in lid 2 worden de aanvullingen toegevoegd als bijlage aan het onderzoeksrapport. Wanneer deze aanvullingen leiden tot een herziening van de conclusies uit het onderzoeksrapport kunnen de stappen van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.1 van de verordening worden herhaald.

Hoofdstuk 4 Dyslexie

Artikel 4 Dyslexiezorg

  • 1.

    Een aanvraag voor vergoede dyslexiezorg wordt door de school van de leerling in het primair onderwijs gedaan wanneer zij een vermoeden van ernstige dyslexie hebben.

  • 2.

    De aanvraag wordt gecontroleerd en beoordeeld door de ED-specialist van het Samenwerkingsverband.

  • 3.

    De ED-specialist van het Samenwerkingsverband stelt ouders op de hoogte dat zij kunnen starten en zelf contact kunnen opnemen met de zorgaanbieder hiervoor.

  • 4.

    De ouder voert zelf regie over de vergoede dyslexiezorg, die zij ontvangen.

Hoofdstuk 5 Zak- en kleedgeld

Artikel 5 Zak- en kleedgeld

  • 1.

    Verstrekkingscriteria:

    • a.

      Zak- en kleedgeld wordt verstrekt aan jeugdigen die:

      • 1.

        Minimaal één maand voltijds verblijven in een residentiële jeugdhulpvoorziening; én

      • 2.

        Van wie de ouders niet (volledig) voldoen aan hun wettelijke onderhoudsplicht.

    • b.

      Pleegzorg valt buiten deze regeling; in dat geval gelden de specifieke afspraken van pleegzorg.

  • 2.

    Uitvoering en verantwoordelijkheden

    • a.

      Tijdens de intake beoordeelt de jeugdhulpaanbieder of ouders financieel kunnen bijdragen aan zak- en kleedgeld.

    • b.

      Indien ouders niet kunnen bijdragen, verstrekt de jeugdhulpaanbieder het zak- en kleedgeld en declareert dit bij de gemeente Ridderkerk.

    • c.

      De verstrekking van zak- en kleedgeld eindigt gelijktijdig met de beëindiging van het verblijfsproduct. De einddatum van de toewijzing van het verblijf geldt daarbij als einddatum voor de verstrekking.

  • 3.

    Handreiking en werkinstructie

    De gemeente Ridderkerk past de landelijke richtlijnen toe voor zak- en kleedgeld, zoals vastgelegd in:

    • a.

      Handreiking Zak- en Kleedgeld in residentiële jeugdhulp, Ministerie van VWS, JenV, VNG, Jeugdzorg Nederland en VGN.

    • b.

      Werkinstructie zak- en kleedgeld (Werkinstructie-zak-en-kleedgeld.pdf).

Hoofdstuk 6 Eigen mogelijkheden & probleemoplossend vermogen

Artikel 6.1 Wettelijk kader

Wanneer jeugdigen en de ouder(s) vragen en/ of ondersteuning nodig hebben als het gaat om opgroeien en opvoeden van hun kind, kunnen zij terecht bij de gemeente. In de Jeugdwet is dit in artikel 4.2 als volgt verwoord:

  • 1.

    Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een opvoeder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

    • a.

      gezond en veilig op te groeien;

    • b.

      te groeien naar zelfstandigheid, en

    • c.

      voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met de leeftijd en ontwikkelingsniveau.

  • 2.

    De Jeugdwet kent een jeugdhulpplicht voor gemeenten. Hierin staat maatwerk centraal; op individueel niveau wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning nodig is. In dit hoofdstuk wordt beschreven welk afwegingskader wordt gehanteerd voor jeugdhulp.

Artikel 6.2 Algemeen afwegingskader

Voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van de ouder(s) moet(en) een aantal factoren worden onderzocht. Het college dient alleen een voorziening te treffen voor jeugdhulp voor zover de eigen mogelijkheden van de ouder(s) ontoereikend zijn. De factoren kunnen worden samengevat in de volgende vervolgvragen:

  • a.

    Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?;

  • b.

    Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?;

  • c.

    Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?;

  • d.

    Blijft de ouder de (bovengebruikelijke) hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de ouder daardoor niet in de financiële problemen?

Artikel 6.3 Normaliseren

  • 1.

    In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak van de hulpvraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt:

    • a.

      Kwetsbaarheid en problemen horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost.

    • b.

      Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen.

    • c.

      Door opvoedvaardigheden en kennis over opvoeden te versterken, willen we bereiken dat de ouder(s) de jeugdhulpvraag of beperking beter kunnen hanteren of accepteren.

    • d.

      Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem een onmisbaar onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouder(s) en jeugdige wordt gekeken.

  • 2.

    Bij de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten met betrekking tot normalisatie: ouder(s) dragen primair de verantwoordelijkheid voor de positieve ontwikkeling van hun kind(eren). Dit uitgangspunt blijft van toepassing, ook indien sprake is van een jeugdhulpvraag en de inzet van een individuele voorziening.

  • 3.

    De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt.

  • 4.

    De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige bepaalt welke gedragingen en problemen als passend bij de leeftijd worden gezien. Gedragingen en uitdagingen die typerend zijn voor de ontwikkelingsfase van een jeugdige vallen onder normale ontwikkeling. Ernstige problematiek daarentegen belemmert de normale ontwikkeling en kan een aanleiding zijn voor jeugdhulp. Bij de beoordeling wordt gekeken of een gedraging of probleem voortkomt uit de ontwikkelingsfase van de jeugdige, of dat er sprake is van een afwijking die professionele ondersteuning vereist.

Artikel 6.4 Sociaal netwerk & eigen kracht

Als er een hulpvraag is, wordt waar mogelijk een beroep gedaan op de eigen kracht en het netwerk van de jeugdige en de ouder(s). Op basis van artikel 1:247 van het Burgerlijk wetboek zijn de ouder(s) verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kind. Bij eigen kracht geldt dat er een balans moet zijn tussen opvoeden, werk en het sociale leven:

  • a.

    Eigen kracht moet breed worden opgevat. Het gaat om bijvoorbeeld de opvoedkundige vaardigheden, maar ook om de mogelijkheden om kinderen op te vangen, te begeleiden of verzorgen. Daarbij geldt ook dat het toekomstperspectief (zoals carrièreplannen) van de ouder(s) het inzetten van eigen kracht in beginsel niet in de weg kunnen staan volgens een uitspraak van de rechtbank Den Haag in 2020. 1

  • b.

    Ouder(s) worden gevraagd hun eigen kracht zoveel mogelijk in te zetten bij het oplossen van hulpvragen van hun kind. Daarbij geldt dat zij keuzes maken die deze inzet mogelijk maken. Als de ouder(s) er bewust voor kiezen om hun eigen kracht te beperken, bijvoorbeeld door keuzes in werk of woonomgeving, komt dat voor rekening en risico van de ouder(s). Alleen wanneer sprake is van omstandigheden buiten de invloed van de ouder(s), zoals ziekte of andere externe factoren, wordt dit bij de beoordeling meegewogen.

  • c.

    Ouder(s) en jeugdigen zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor het inzetten van hun eigen kracht bij het oplossen van een hulpvraag. Wanneer zij ervoor kiezen dit niet te doen, blijft dit hun eigen verantwoordelijkheid. Alleen bij hulpvragen waarbij de veiligheid van de jeugdige in het geding is, zal het wijkteam hierop anticiperen. In alle andere gevallen wordt er in beginsel geen individuele voorziening ingezet voor het deel waarvoor de ouder(s) en jeugdige hun eigen kracht en netwerk niet benutten, terwijl dit wel van hen verwacht mag worden.

Artikel 6.5 (Boven)gebruikelijke zorg

  • 1.

    Bovengebruikelijke zorg is voor de jeugdige noodzakelijke zorg en begeleiding die boven de normale dagelijkse zorg en begeleiding uitstijgt, die een jeugdige zonder beperkingen van gelijke leeftijd redelijkerwijs nodig zou hebben. Van de ouder(s) wordt verwacht dat zij hun kind de zorg bieden die het nodig heeft voor zover dat, gelet op de omstandigheden, in hun vermogen ligt. In bijlage 1 van de verordening is het beoordelingskader gebruikelijke zorg opgenomen. Dit kader is gelijk aan de door het Ministerie van VWS uitgegeven richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van de ouder(s) voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfases.

  • 2.

    Voor gebruikelijke zorg geldt:

    • a.

      Gebruikelijke zorg is een invulling van de uitgangspunten eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in de zin van artikel 2.3 van de Jeugdwet.

    • b.

      Van de ouder(s) wordt verwacht dat zij vanuit eigen kracht doen wat binnen hun mogelijkheden ligt, waarbij gebruikelijke zorg wordt gezien als een ondergrens. Er wordt niet vanzelfsprekend een individuele voorziening ingezet als de ouder(s) meer doen dan het gebruikelijke.

    • c.

      Voor gebruikelijke zorg geldt dat ouder(s) in staat moeten zijn om dit aan hun kind te geven. Als de ouder(s) bijvoorbeeld zelf een lichamelijke beperking hebben kan het zijn dat ze niet in staat zijn de gebruikelijke zorg te bieden die voor de ouder(s) zonder beperking wel van toepassing is.

    • d.

      Voor bovengebruikelijke zorg geldt dat er alleen een voorziening wordt getroffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) ontoereikend zijn. Daarnaast wordt er gekeken in hoeverre en op welke wijze de zorgzwaarte kan afnemen en hoe de draagkracht van de ouder(s) en jeugdige vergroot kan worden.

Artikel 6.6 Beoordelingscriteria (boven)gebruikelijke zorg

Bij het beoordelen of er sprake is van gebruikelijke of bovengebruikelijke zorg wordt, met inachtneming van het beoordelingskader, gekeken naar vier criteria. Hierbij is de samenhang tussen de criteria en de omstandigheden van de jeugdige en de ouder(s) belangrijk. Op basis van het referentiekader, opgenomen in bijlage 1 van de verordening, en de vier criteria hieronder wordt gemotiveerd bepaald in hoeverre hulp gebruikelijk is. De criteria zijn:

  • a.

    Leeftijd van de jeugdige. In principe hebben jonge kinderen met en zonder een beperking meer zorg nodig van hun ouder(s) dan oudere kinderen;

  • b.

    De aard van de zorg. Alle kinderen hebben zorg nodig van hun ouder(s), alleen kan de aard van deze zorg verschillen. Bepaalde zorghandelingen die niet standaard bij alle kinderen voorkomen, kunnen daarom ook vallen onder de gebruikelijke zorg;

  • c.

    Frequentie en duur van de zorg. Naast leeftijd en aard van de zorg wordt gekeken naar de frequentie en of deze past binnen het normale patroon van dagelijkse verzorging. Ook geldt hierbij dat de duur van de zorg wordt meegewogen. Kortdurende hulp (korter dan drie maanden) wordt in principe als gebruikelijk beschouwd; gedurende deze periode wordt van ouder(s) verwacht dat zij een extra inspanning leveren. De 3 maanden is in lijn met de oorspronkelijke AWBZ-richtlijnen. Het gaat hier om hulp die ouder(s) kunnen bieden, zoals vervoer of dagelijkse verzorging. Voor bijvoorbeeld behandeling gelden de 3 maanden niet.

Artikel 6.7 Respijtzorg

Ouder(s) met een kind met een (omvangrijke) jeugdhulpvraag bieden vaak intensieve en langdurige zorg en hebben hier soms ondersteuning bij nodig. Dit geldt ook voor jeugdigen in het gezin. Het kan voorkomen dat deze zorg resulteert in overbelasting. In deze gevallen, en liever voordat de overbelasting plaatsvindt, kan respijtzorg worden ingezet. De inzet van respijtzorg is dan ook niet zozeer gelegen in problemen bij het opvoeden of opgroeien, maar in de (dreigende) overbelasting van de ouder(s) of het gezin. Hierbij geldt dat:

  • a.

    Respijtzorg wordt ingezet om (dreigende) overbelasting als gevolg van het bieden van mantelzorg in het kader van een jeugdhulpvraag te voorkomen. De overbelasting moet door een professional zijn herkend. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van de Opvoedingsbelastingvragenlijst of een vergelijkbaar instrument.

  • b.

    Respijtzorg wordt zoveel als mogelijk gerealiseerd met ‘gewone’ oplossingen, zoals logeren binnen het netwerk. Er hoeft niet altijd een individuele voorziening ingezet te worden.

  • c.

    Respijtzorg heeft in beginsel een tijdelijk karakter en wordt ingezet om de mantelzorgtaken over te nemen of door de jeugdige tijdelijk een voorziening, zoals een logeerplek, aan te bieden. Respijtzorg kan ook structureel zijn als er sprake is van een langdurige hulpvraag.

  • d.

    Respijtzorg kan worden geboden in de vorm van een jeugdhulpvoorziening, zoals logeren of een andere voorziening dan een jeugdhulpvoorziening met als doel de ouder(s) te ontlasten. Denk bij de laatste vorm aan bijvoorbeeld ondersteuning of zorg voor de ouder(s), andere kinderen of het huishouden.

  • e.

    Voorwaarde voor de inzet van respijtzorg is dat er ingezet wordt op het wegnemen van de oorzaak van de overbelasting. De eigen kracht wordt vergroot waardoor toekomstige overbelasting voorkomen kan worden.

  • f.

    Als de oorzaak van de overbelasting buiten het bieden van jeugdhulp ligt, moet de oplossing ook daar gezocht worden. Bij overbelasting door een te groot dienstverband of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Het lokale team betrekt hulp uit andere domeinen als dit het geval is, bijvoorbeeld ondersteuning vanuit de Wmo of schuldhulpverlening.

  • g.

    Gebruikelijke zorg kan op gespannen voet staan met de inzet en belasting van de ouder(s). Het kan voorkomen dat de ouder(s) tijdelijk minder kunnen doen dan gebruikelijk. Soms is het dan nodig dat de ouder(s) ontlast worden voor zorg die normaliter behoort tot het gebruikelijke.

Artikel 6.8 Systeemproblematiek

Bij ouder-/ systeemproblematiek, ook wel gezinsproblematiek genoemd, geldt:

  • a.

    Voor de problematiek van de ouders wordt hulp vanuit de ZVW ingezet (GGZ), vanuit rechtsbijstand (bijvoorbeeld bij mediation) of vanuit een algemene voorziening en niet vanuit de Jeugdwet;

  • b.

    Voor de problematiek die de jeugdige als gevolg van het ouder-/ systeemproblematiek ondervindt, wordt jeugdhulp ingezet;

  • c.

    Om de hulp die wordt aangeboden vanuit de Jeugdwet effectief te laten zijn wordt de problematiek van de ouders en het systeem in samenhang behandeld;

  • d.

    Als de jeugdhulpvraag samenhangt met ouderproblematiek is het een voorwaarde om het jeugdhulptraject in te zetten dat ook de ouder- / systeemproblematiek wordt behandeld. Uitzondering hierop is als de veiligheid van de jeugdige in het geding komt;

  • e.

    De jeugdhulpaanbieder heeft de verantwoordelijkheid om bij ouder-/ systeemproblematiek het wijkteam of de huisarts te betrekken (met toestemming van de jeugdige en ouders), zodat de juiste hulp kan worden ingezet.

Hoofdstuk 7 Vervoer

Artikel 7.1 Criteria vervoersvoorziening

De criteria voor een vervoersvoorziening staan opgenomen in hoofdstuk 6 van de verordening. Uitgangspunt hierbij is dat de ouder(s) primair zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt één keer (heen en terug) per week zelf brengen en halen (met de auto, fiets of het OV) in ieder geval beschouwd als gebruikelijke zorg van de ouder. Indien de ouder(s) onvoldoende financiële draagkracht hebben en zij geen gebruik kunnen maken van de wetten zoals benoemd in artikel 9.2 lid 1 van de verordening kunnen zij in aanmerking komen voor een vorm van vervoersvoorziening.

Artikel 7.2 Passende vervoersvoorziening

  • 1.

    Indien vervoer noodzakelijk is bij de ingekochte zorg en is voldaan aan de criteria van artikel 7.1, bepaalt het college in overleg met de ouders welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) passend is/zijn.

  • 2.

    Bij de inzet van vervoer voor een jeugdige worden de volgende vormen onderscheiden, in aflopende volgorde van voorkeur:

    • a.

      een vergoeding voor openbaar vervoer indien de jeugdige zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;

    • b.

      een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding, indien door de ouders wordt aangetoond dat de jeugdige niet zelfstandig kan reizen of indien de jeugdige dit kan leren;

    • c.

      kilometervergoeding indien de ouders of iemand uit het sociaal netwerk de jeugdige zelf vervoeren of laten vervoeren;

    • d.

      aangepast vervoer (taxivervoer), indien voorgaande mogelijkheden niet passend of uitvoerbaar zijn.

  • 3.

    Voor de berekening van de kilometervergoeding geldt:

    • a.

      de vergoeding bedraagt het tarief dat conform de fiscale onbelaste norm van de Belastingdienst geldt, per kilometer die de jeugdige meereist;

    • b.

      de berekening vindt plaats op basis van een enkele reis;

    • c.

      voor de afstandsbepaling hanteert de gemeente de kortste route volgens de ANWB-routeplanner.

  • 4.

    Indien blijkt dat begeleiding tijdens vervoer naar en van de jeugdhulplocatie noodzakelijk is, worden tevens de reiskosten van één begeleider en de bijbehorende kilometers vergoed voor de ritten waarbij de jeugdige aanwezig is.

Artikel 7.3 Toekenning vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de tegemoetkoming, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel tegemoetkoming.

  • 2.

    Het college zal altijd bij de afwegingen over de toekenning van een vervoersvraag de mogelijkheden betrekken die er voor een jeugdige zijn om zelfstandig te leren reizen.

 

Hoofdstuk 8 Persoonsgebonden Budget (PGB)

Artikel 8.1 Motivering pgb

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening in natura ontvangen (artikel 7.1 Verordening).

  • 2.

    Indien een pgb wordt gewenst, dienen ouders en jeugdige dit te motiveren in het zorg- en budgetplan. De motivering vormt, samen met de kwaliteit van de zorgverlener en de pgb-vaardigheid, de basis voor het besluit van het college.

  • 3.

    Het college beoordeelt of de motivering van ouders en jeugdige aantoont dat de voorziening in natura voor hen niet passend of niet toereikend is. Daarnaast beoordeelt het college of het persoonsgebonden budget de aangewezen wijze is om de jeugdhulp te verstrekken. Deze beoordeling vormt, samen met de bekwaamheid van de budgetbeheerder en de waarborging van kwaliteit en veiligheid, onderdeel van het besluit om een pgb toe te kennen.

  • 4.

    Voorbeelden van een motivering zijn:

    • hulp die op ongebruikelijke tijden of korte momenten per dag moet worden geboden;

    • hulp die op meerdere locaties geleverd moet worden;

    • hulp die 24 uur per dag op afroep beschikbaar moet zijn.

Artikel 8.2 Kwaliteitscriteria pgb

De keuze voor een pgb brengt verantwoordelijkheden met zich mee. De budgetbeheerder moet voldoen aan kwaliteitscriteria die waarborgen dat de hulp veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt geleverd.

Artikel 8.2.1 Bekwaamheid budgetbeheerder

  • 1.

    Ouders en/of jeugdige moeten aantonen dat zij in staat zijn het pgb te beheren, met name door:

    • inzicht in de eigen situatie en hulpvraag;

    • kennis van de regels rond het pgb of vaardigheid deze te vinden;

    • het bijhouden van een overzichtelijke administratie;

    • communicatie met gemeente, SVB en zorgverleners;

    • afspraken maken over inzet en tarieven en deze monitoren;

    • beoordelen van de kwaliteit van de geboden hulp en zo nodig ingrijpen;

    • continuïteit van zorg waarborgen, ook bij uitval van een zorgverlener.

  • 2.

    Indien nodig kan iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger de rol van budgetbeheerder vervullen. Het college beoordeelt of dit passend is, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

    • het beheer en de uitvoering van de hulp zijn in beginsel gescheiden, alleen bij een informeel pgb kan hiervan in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken;

    • de kwaliteit van de zorg moet altijd gewaarborgd zijn;

    • bewindvoerders en mentoren kunnen optreden als budgetbeheerder mits zij bereid zijn zowel de financiële als administratieve aspecten op zich te nemen.

Artikel 8.2.2 Omstandigheden die meewegen

Bij de beoordeling van de bekwaamheid kunnen contra-indicaties meewegen, zoals:

  • Schuldenproblematiek;

  • Verslavingsproblematiek;

  • Aangetoonde fraude of misbruik van pgb in de afgelopen 4 jaar;

  • Ernstige psychische problematiek;

  • Handelingsonbekwaamheid.

Bij aanwezigheid van een of meerdere omstandigheden kan het college het pgb weigeren.

Artikel 8.2.3 Arbeidstijdenwet

Voor een informeel pgb geldt dat de arbeidstijdenwet van toepassing is. Bij signalen van overbelasting kan het college besluiten dat (een deel van) de hulp niet door ouders zelf mag worden uitgevoerd.

Artikel 8.3 Pgb en zorg in natura

Een pgb kan naast zorg in natura worden ingezet, mits dit verantwoord en afgestemd is. De pgb-beheerder is verantwoordelijk voor de afstemming en coördinatie.

Artikel 8.4 Pgb buitenland

Het pgb kan uitsluitend na schriftelijke toestemming van het college tijdelijk worden ingezet in een andere EU-lidstaat, conform het landelijke afsprakenkader buitenlands zorgaanbod. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • de jeugdige behoudt hoofdverblijf in Ridderkerk;

  • het gaat om tijdelijke verblijven van beperkte duur (maximaal 4 weken per jaar);

  • uitsluitend de zorgkosten zijn uit het pgb te bekostigen, geen reis- en verblijfskosten.

Artikel 8.5 Terugvorderen pgb

  • 1.

    Het pgb wordt verstrekt aan de budgethouder, die verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de juiste besteding.

  • 2.

    Het college kan een pgb herzien, intrekken of terugvorderen in de gevallen genoemd in artikel 8.3 van de Verordening.

  • 3.

    Bij misbruik of fraude kan het college tevens de betrokken zorgverlener rechtstreeks aanspreken tot terugbetaling, conform de Regeling Jeugdwet.

Artikel 8.6 Hoogte pgb

  • 1.

    Het pgb-tarief wordt vastgesteld op basis van de gemeentelijke tarievenlijst voor zorg in natura (all-in tarief).

  • 2.

    De budgethouder kan zorg inkopen tegen een hoger tarief dan beschikbaar gesteld, mits dit leidt tot minder uren of een vrijwillige eigen bijdrage.

  • 3.

    Zorg kan ook tegen een lager tarief worden ingekocht, mits kwaliteit en continuïteit van de zorg gewaarborgd blijven.

Hoofdstuk 9 Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 9.1 Specificatie wetten

  • 1.

    Vanuit een wettelijk kader als bedoeld in artikel 9.2 lid 1 sub b van de verordening, is het college gehouden om ervoor te zorgen dat financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp tijdig worden gesignaleerd, en (waar nodig) jeugdigen en hun ouder(s) te ondersteunen bij het verkrijgen van passende hulp via gemeentelijke voorzieningen, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, minimaregelingen en begeleiding naar werk.

  • 2.

    Vanuit een wettelijk kader als bedoeld in artikel 9.2 lid 1 sub f van de verordening, is het college gehouden om:

    • a.

      ervoor te zorgden dat het wijkteam de jeugdige en/of diens ouder(s) ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

    • b.

      geen individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening, indien de jeugdige en/of diens ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg.

  • 3.

    Vanuit het wettelijk kader zoals bedoeld in artikel 9.2, lid 1 sub g, van de verordening, is het college gehouden om:

    • a.

      zorg te dragen voor een goede afstemming tussen het wijkteam en de aanbieders van de Wet maatschappelijke ondersteuning, indien een jeugdige en/of zijn ouder(s) naast jeugdhulpvoorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • b.

      ervoor te zorgen dat, wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd is en het wijkteam zo nodig een besluit hiertoe (mede) voorbereidt.

  • 4.

    Vanuit een wettelijk kader als bedoeld in artikel 9.2 lid 1 sub h van de verordening, is het college gehouden om:

    • a.

      afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en ondersteuning tijdens onderwijs worden vast te leggen in het ontwikkel- en ondersteuningsplan van de jeugdige en zijn ouder(s).

    • b.

      voor ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, geen individuele voorziening worden te verstrekken.

    • c.

      als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, om in samenwerking met het onderwijs met behulp van het ondersteuningsplan en het ontwikkelperspectiefplan (OPP) tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag.

  • 5.

    Vanuit het wettelijk kader zoals bedoeld in artikel 9.2, lid 1 sub l, van de verordening, is het college gehouden om:

    • a.

      ervoor te zorgen dat, wanneer een besluit wordt genomen over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er reëel te verwachten is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige doorgaat, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan door de zorgverzekeraars worden gesteld.

    • b.

      ervoor te zorgen dat in de gevallen bedoeld onder lid a de jeugdige en zijn ouder(s) worden gewezen op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag onder de Zorgverzekeringswet valt, en zich in te spannen voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

Artikel 9.2 18-/18+

Op grond van de Jeugdwet wordt ondersteuning geboden aan jeugdigen totdat zij het 18e levensjaar bereiken. Hierdoor is de overgang van 17 naar 18 jaar een cruciale tijd. Om tijdig te acteren op de overgang naar volwassenheid wordt er gewerkt met een toekomstplan. Hierin worden de ‘big five’ opgenomen: support, wonen, werk en school, inkomen en schulden, en zorg en ondersteuning. Het toekomstplan kan worden opgesteld voor jeugdigen vanaf 16 jaar. In sommige gevallen is het wenselijk dat de ondersteuning van de jeugdige doorloopt na de 18e verjaardag (verlengde jeugdhulp). De Jeugdwet biedt de mogelijkheid om jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar. In de volgende situaties is verlengde jeugdhulp mogelijk:

  • Jeugdigen die in een pleeggezin of gezinshuis verblijven. Als de jeugdige het wil kan het verblijf verlengd worden tot het 21e levensjaar, vervolgens is er een mogelijkheid om te verlengen tot het 23e levensjaar;

  • Er is sprake van Jeugdhulp in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering, dan kan het verlengd worden tot het einde van de maatregel;

  • Voortzetting van de hulp die een jeugdige voor de 18e verjaardag ontving is noodzakelijk en er kan geen vergelijkbare hulp op grond van een andere wet worden verleend.

Voor de noodzakelijkheid van verlengde jeugdhulp gelden onderstaande uitgangspunten:

  • In samenspraak met de jeugdhulpaanbieder maakt de lokale toegang de beslissing over de inzet van verlengde jeugdhulp, inclusief de duur van de verlenging;

  • De hulp wordt ingezet, of er wordt bepaald dat hulp wordt ingezet, vóór de 18e verjaardag. Echter, één uitzondering is mogelijk: verlengde jeugdhulp kan ingezet worden wanneer er binnen een half jaar na de beëindiging van de jeugdhulp, die ingezet is vóór de 18e verjaardag, wordt geconstateerd dat hulp toch nodig blijkt te zijn;

  • Verlengde jeugdhulp kan enkel toegepast worden wanneer de hulp niet onder een andere wet (Zvw, Wlz, Wmo 2015 etc.) valt. Bijvoorbeeld, hulp die voor 2015 onder de Wet op de Jeugdzorg viel, zoals pedagogische gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning of vaardigheidstrainingen;

  • Indien de hulp inhoudelijk onder de Jeugdwet of Wmo 2015 valt geldt dat (individuele) begeleiding onder de Wmo 2015 valt, niet onder verlengde jeugdhulp. Uitzondering hierop is hulp zoals beschreven in het bovenstaande punt en indien de (individuele) begeleiding samenvalt met verblijf vanuit de Jeugdwet.

Voor verblijf (behalve pleegzorg en gezinshuis) geldt:

  • Verlengde jeugdhulp kan alleen ingezet worden wanneer er sprake is van een behandelcomponent, en;

  • deze behandelcomponent betrekking heeft op het opgroeien en ontwikkelen van de jeugdige. De behandeling moet gericht zijn op verbetering en moet gestart zijn voor de 18e verjaardag.

Hoofdstuk 10 Overige bepalingen

Artikel 10.1 Meldcode

Alle professionals die door het college ingezet worden voor jeugdhulp, moeten zich houden aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

Artikel 10.2 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de jeugdige of zijn ouders, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing van deze Nadere regels en beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Hoofdstuk 11 Slotbepaling

Artikel 11.1 Overgangsbepalingen

  • 1.

    (Verlengings)aanvragen die zijn ingediend voor 01-01-2026 worden afgehandeld krachtens de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Ridderkerk 2023 en de beleidsregels jeugdhulp Ridderkerk 2022.

  • 2.

    Voor de lopende voorzieningen blijven de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Ridderkerk 2023 en de beleidsregels jeugdhulp Ridderkerk 2022 van kracht.

Artikel 11.2 Inwerkingtreding

Deze Nadere regels en beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Ridderkerk 2023, Nadere regels Jeugdhulp gemeente Ridderkerk 2022 en de beleidsregels jeugdhulp Ridderkerk 2022.

Artikel 11.3 citeertitel

De Nadere regels en beleidsregels wordt aangehaald als: Nadere regels en beleidsregels gemeente Ridderkerk.

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 4 november 2025.

De secretaris,

Mw. M. Kitselar

De burgemeester,

dhr. C.A. Oosterwijk

Naar boven