Gemeenteblad van Culemborg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Culemborg | Gemeenteblad 2025, 542254 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Culemborg | Gemeenteblad 2025, 542254 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026
De raad van de gemeente Culemborg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2025;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 [en 8.1.1, derde, vierde lid,] van de Jeugdwet; gelet op artikel 156 van de Gemeentewet;
De gemeente inzet op het versterken van het gewone leven, door te normaliseren, te werken vanuit het principe “zo licht als kan, zo zwaar als nodig, zo dichtbij mogelijk en zo snel mogelijk passende hulp wanneer nodig”, en daarbij waar mogelijk gebruik te maken van preventieve ondersteuning, informele steunfiguren en een systeemgerichte aanpak;
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026.
1 HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.2. Reikwijdte van de verordening
Deze verordening is van toepassing op alle vormen van jeugdhulp die onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Culemborg vallen, met uitzondering van jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Artikel 3.2 Toegang via huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Indien verwijzing plaatsvindt naar een niet door het college gecontracteerde aanbieder, is vooraf toestemming van het college vereist. Het college kan aan deze toestemming voorwaarden verbinden, waaronder eisen ten aanzien van kwaliteit, tarief, doelmatigheid en duur van de inzet. Een weigering van toestemming wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.3 Toegang via rechter of gecertificeerde instelling
Indien verwijzing plaatsvindt naar een niet door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, is vooraf toestemming van het college vereist. Het college kan aan deze toestemming voorwaarden verbinden, waaronder eisen ten aanzien van kwaliteit, tarief, doelmatigheid en duur van de inzet. Een weigering van toestemming wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.4 Afstemming met andere voorzieningen
Het college bevordert de samenwerking met onder meer huisartsen, jeugdartsen, medisch specialisten, gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen, schuldhulpverlening, re-integratiediensten en andere relevante partijen, met het oog op een samenhangende aanpak en het voorkomen van tegenstrijdige of overlappende hulp.
Het college kan ter uitvoering van dit artikel beleidsregels of samenwerkingsafspraken vaststellen, waarin nadere invulling wordt gegeven aan de wijze van afstemming, de rolverdeling, verantwoordelijkheden, afspraken met ketenpartners en procedures voor signalering van werk-/inkomens- en schuldenproblematiek.
4 HOOFDSTUK 4 HULPVRAAG EN ONDERZOEK
Artikel 4.2 Eerste contact en gesprek
Het gesprek richt zich op het in kaart brengen van de hulpvraag, de omstandigheden die daartoe hebben geleid, de veiligheid en ontwikkelbehoefte van de jeugdige, en de mogelijkheden van het gezin en netwerk. Het gesprek wordt gevoerd in begrijpelijke taal, afgestemd op de leeftijd en het bevattingsvermogen van de jeugdige.
Het college verifieert, voor zover dit redelijkerwijs noodzakelijk is, de identiteit van de jeugdige of diens ouder(s) aan de hand van een geldig identiteitsdocument of gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). Het ontbreken van een identiteitsdocument vormt geen grond om de hulpvraag buiten behandeling te laten, tenzij er gerede twijfel bestaat aan de identiteit.
Het college kan, uitsluitend met uitdrukkelijke toestemming van de jeugdige of diens ouder(s) en voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de hulpvraag, informatie opvragen bij andere instanties of professionals, zoals de huisarts, en zo nodig met hen in gesprek gaan over de aard van de problemen en de meest aangewezen hulp. Het college legt vast voor welk doel de informatie wordt gevraagd en deelt deze niet verder zonder toestemming.
Artikel 4.4 Beoordeling eigen mogelijkheden en netwerk
Het college beoordeelt of de onder het eerste lid genoemde mogelijkheden toereikend zijn voor het beantwoorden van de hulpvraag. Daarbij worden de leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige, de aard en duur van de benodigde hulp, de draagkracht van ouder(s) en de inzetbaarheid van het sociaal netwerk betrokken. Het college betrekt hierbij de resultaten van eventueel eerder ingezet(e) hulp of voorzieningen.
Indien uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en diens ouder(s) over toereikende eigen mogelijkheden beschikken, kan worden volstaan met ondersteuning binnen die eigen mogelijkheden. Indien de eigen mogelijkheden ontoereikend blijken, onderzoekt het college of en in welke mate aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is.
5 HOOFDSTUK 5 AANVRAAG EN BESLUITVORMING
Artikel 5.2 Criteria toekenning
Bij de beoordeling van de goedkoopst adequate voorziening motiveert het college op welke wijze is vastgesteld dat de gekozen voorziening toereikend en passend is voor het bereiken van het beoogde resultaat. Het college toont daarbij aan dat met de goedkopere voorziening in het concrete geval een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt als met andere beschikbare voorzieningen.
Een weigering op grond van dit artikel wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb). Het college weegt in elk individueel geval de omstandigheden van de jeugdige en diens ouder(s) af en motiveert waarom de gekozen afwijzing proportioneel is in verhouding tot het beoogde doel.
Artikel 5.5 Vervoer van en naar jeugdhulp
Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder vervoer wordt toegekend, waaronder:
Daarbij geldt als richtlijn dat vervoer over een afstand tot 10 kilometer enkele reis in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van ouders behoort.
Indien de feitelijke afstand, de frequentie van de hulpverlening, de bereikbaarheid of andere omstandigheden dit onredelijk maken, kan het college gemotiveerd afwijken en alsnog een vervoersvoorziening toekennen.
Indien een vaktherapie aantoonbaar medisch noodzakelijk is op basis van een onderbouwing door een daartoe bevoegde behandelaar (zoals een arts, psychiater of GZ-psycholoog), kan het college hiervan niet afzien enkel op grond van de aard van de therapievorm. In dat geval beoordeelt het college uitsluitend of de inzet doelmatig, passend en proportioneel is in het licht van de beoogde resultaten.
6 HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)
Artikel 6.5 Weigeringsgronden pgb
Een besluit tot weigering van een persoonsgebonden budget wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb). Daarbij weegt het college de individuele omstandigheden van de jeugdige en diens ouder(s) en motiveert het waarom zorg in natura of een afwijzing van het pgb proportioneel is in verhouding tot het beoogde doel.
7 HOOFDSTUK 7 HERZIENING EN HANDHAVING
Artikel 7.1 Rechten, plichten en informatievoorziening
Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s), dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger, in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die verbonden zijn aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget, alsmede over de mogelijke gevolgen van misbruik of oneigenlijk gebruik.
Artikel 7.2 Medewerkingsplicht jeugdige en ouder(s)
Indien de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief, en kan het college besluiten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende voorziening in te trekken.
9 HOOFDSTUK 9 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Het college behandelt klachten van jeugdigen en/of hun ouders die betrekking hebben op de uitvoering van deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de gemeentelijke verordening klachtbehandeling. Dit laat onverlet dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen op grond van de Jeugdwet een eigen klachtenregeling moeten hebben.
Artikel 9.2 Medezeggenschap en participatie
Het college stelt jeugdigen, ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen structureel en vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen te doen voor het beleid betreffende jeugdhulp, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van de ondersteuning die zij nodig hebben om hun rol effectief te kunnen vervullen.
10 HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN
Bezwaarschriften tegen besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020. Indien toepassing van deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst, kan het college hiervan gemotiveerd ten gunste van de jeugdige of diens ouder(s) afwijken.
Aldus besloten in de vergadering van de Raad,
Gehouden op 27 november 2025
Griffier
D. van der Harst
De voorzitter
G.D. Renkema
Toelichting - Toetsingskader gebruikelijke hulp en beoordeling eigen kracht
Dit toetsingskader concretiseert artikel 4.4 van de Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026. Het biedt richting bij de beoordeling van wat in redelijkheid van ouders, huisgenoten en het sociaal netwerk mag worden verwacht en hoe gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp worden afgebakend.
Het kader is richtinggevend: in uitzonderlijke situaties kan het college hiervan gemotiveerd afwijken, mits dit zorgvuldig wordt onderbouwd. Daarmee sluit het aan bij landelijke kaders, zoals de VNG-modelverordening en de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De verdere praktische uitwerking – zoals voorbeelden, uitzonderingen en aanvullende criteria – wordt opgenomen in de beleidsregels. Op die manier biedt het kader houvast voor inwoners en professionals, terwijl er ruimte blijft voor maatwerk.
2. Leeftijdsgebonden afbakening van gebruikelijke hulp
De omvang van gebruikelijke hulp hangt nauw samen met de leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige.
Deze afbakening is richtinggevend; per individuele situatie kan gemotiveerd worden afgeweken.
Wanneer de benodigde hulp uitgaat boven wat leeftijdsgenoten normaal nodig hebben, is sprake van bovengebruikelijke hulp.
De Centrale Raad van Beroep maakt onderscheid tussen:
Langdurende bovengebruikelijke hulp:
structurele of chronische situaties waarbij de jeugdige langdurig of herhaaldelijk intensieve begeleiding of toezicht nodig heeft.
In dergelijke situaties beoordeelt het college of het redelijk is dat ouders deze hulp blijven bieden of dat aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is.
4. Overbelasting en draagkracht
Bij de beoordeling of ouders gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp kunnen bieden, weegt het college:
Wanneer overbelasting vooral voortkomt uit factoren buiten de zorg voor de jeugdige (bijvoorbeeld werkdruk of andere sociale verplichtingen), onderzoekt het college eerst of aanpassing van die factoren mogelijk is.
Van ouders mag in redelijkheid worden verwacht dat zij verkennen of hun sociaal netwerk lichte of tijdelijke ondersteuning kan bieden.
Het college onderzoekt per situatie in hoeverre dit redelijk en haalbaar is, waarbij de beschikbaarheid, bereidheid en belastbaarheid van het netwerk worden meegewogen.
Wanneer het netwerk aantoonbaar ontoereikend is, kan het college aanvullende jeugdhulp inzetten.
Bij het onderzoek naar eigen mogelijkheden kijkt het college of andere wettelijke kaders of voorzieningen de benodigde hulp (deels) dekken.
Het gaat hierbij om onder meer:
Indien een aanvullende verzekering (gedeeltelijke) vergoeding biedt, wordt verwacht dat deze eerst wordt benut.
De beoordeling van de eigen mogelijkheden, gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp en het netwerk wordt vastgelegd in het onderzoeksverslag.
De motivering bevat in ieder geval:
Het college hanteert dit toetsingskader als richtinggevend document en kan in beleidsregels nadere invulling geven aan de weging van factoren en de toepassing in specifieke situaties.
In uitzonderlijke situaties kan het college gemotiveerd afwijken van dit kader, wanneer dat in het belang is van de jeugdige of het gezin en leidt tot een evenredige en redelijke uitkomst.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-542254.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.