Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025

Intitulé

Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025

 

De raad van de gemeente Almelo;

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2025, raadsstuk 806947;

Gelet op de artikelen artikel 4. van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4. van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 149 van de Gemeentewet;

 

B e s l u i t :

vast te stellen de:

‘Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025’

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1. Definities

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      aangepast vervoer: het door het college georganiseerd besloten vervoer zijnde (school)busvervoer, taxi of taxibus;

    • b.

      aanvraag: een volledig ingevuld (digitaal) aanvraagformulier leerlingenvervoer en alle daarbij noodzakelijke informatie en bijlagen;

    • c.

      afstand: de afstand tussen het woonadres van de leerling en de school gemeten met www.anwb.nl langs de kortst mogelijke voor de leerling (meest) begaanbare en veilige weg dat door de leerling zelfstandig te belopen is;

    • d.

      begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;

    • e.

      deskundige: onafhankelijk medisch, psychologisch, pedagogisch of een deskundige vanuit de onderwijsinstelling;

    • f.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo;

    • g.

      dichtstbijzijnde toegankelijke school: de toegankelijke school die naar afstand het dichtstbij gelegen is vanaf de woning, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg;

    • h.

      eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt;

    • i.

      inkomen: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21., aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4., zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

    • j.

      leerling met een beperking: een leerling, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;

    • k.

      leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in deze verordening en die zijn woonadres binnen de gemeente heeft;

    • l.

      leerlingenvervoer: de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek volgens artikel 4., eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4., eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020);

    • m.

      onderzoek: beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening;

    • n.

      openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken;

    • o.

      opstapplaats: een plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het leerlingenvervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider;

    • p.

      ouder(s): met gezag over de leerling belaste ouder(s), pleegouder(s), voogd(en) of verzorger(s) van de leerling;

    • q.

      persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen;

    • r.

      reistijd: de totale tijdsduur tussen het verlaten van de woning en het aankomen bij school volgens de schooltijd in de schoolgids en vice versa, berekend met het door het college gebruikte www.anwb.nl en rekening houdend met maximaal 10 minuten als extra wachttijd;

    • s.

      samenwerkingsverband: samenwerkingsverband 23 (SWV23) dat toeziet op de uitvoering van de navolgende wet- en regelgeving:

  • 1°. Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;

  • 2°. Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of

  • 3°. Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

    • t.

      school: een schoollocatie waar de leerling basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs 2020, voortgezet speciaal basisonderwijs in de Wet op de expertisecentra volgt;

    • u.

      schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;

    • v.

      stage: de praktische leertijd bij de beroepsopleiding;

    • w.

      structureel: een aaneengesloten periode van minimaal 6 maanden;

    • x.

      toegankelijke school: toegankelijke school binnen de gemeente of het werkgebied van de gemeente als bedoeld in artikel 4., vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4., vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouder(s) of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;

    • y.

      vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele beperking van een leerplichtige leerling die aansluit onmogelijk maakt;

    • z.

      vervoersvoorziening:

  • 1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider;

  • 2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider;

  • 3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; of

  • 4°. Gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte

  • vervoersvoorziening voor de leerling en zo nodig diens begeleider;

    • aa.

      woning: de woning waar de leerling feitelijk en structureel (tijdelijk) verblijft. Het kan daarbij ook gaan om verblijf in een instelling.

Artikel 2. Reikwijdte en doelstelling van de verordening

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op leerlingen die in verband met hun individuele omstandigheden niet zelfstandig van en naar school kunnen reizen of die door de grote afstand voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen.

  • 2.

    Deze verordening heeft tot doel ten behoeve van het schoolbezoek aan de ouders van leerlingen op aanvraag de goedkoopst passende vervoersvoorziening toe te kennen met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

  • 3.

    Het uitgangspunt is dat de leerling zo zelfstandig en zelfredzaam mogelijk reist naar en van school. Daarom zal er zoveel als mogelijk worden ingezet op gebruikelijke of breder inzetbare vervoersmogelijkheden, zoals de fiets, het openbaar vervoer en eigen vervoer van ouders of vervoer door gebruik van eigen netwerk.

Hoofdstuk 2. Aanvraag van een vervoersvoorziening

Artikel 3. Aanvraagprocedure

  • 1.

    Het college stelt een aanvraagformulier voor een vervoersvoorziening leerlingenvervoer vast.

  • 2.

    Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan door de ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling bij het college worden ingediend voor een leerling die zijn/haar woning in de gemeente heeft.

  • 3.

    Een aanvraag kan bij het college worden ingediend door middel van een volledig ingevuld digitaal formulier, voorzien van de op het formulier benodigde gegevens.

  • 4.

    Als het voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouder(s) verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.

Artikel 4. Onderzoek

  • 1.

    Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling, het vervoersontwikkelingsperspectief van de leerling, de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van zijn ouder(s) en het sociale netwerk, de afstand en de route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school en de noodzakelijkheid om een vervoersvoorziening toe te kennen.

  • 2.

    Het college kan in een gesprek met de ouder(s) en desgewenst de leerling, nader onderzoek doen naar de noodzakelijk geachte vervoersvoorziening.

  • 3.

    Bij dit gesprek kan het college desgewenst ook een medewerker uit een ander domein of een (extern) deskundige betrekken bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.

  • 4.

    De ouder(s) en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek en verschaffen daartoe in het kader van de medewerkings- en inlichtingenplicht de benodigde informatie.

  • 5.

    Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.

  • 6.

    Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 15. van deze verordening.

  • 7.

    De mogelijke afstemming van de vervoersvoorziening met andere in het kader van het sociaal domein aan de leerling of het gezin verstrekte voorzieningen maakt ook deel uit van het onderzoek.

Artikel 5. Opstellen persoonlijk vervoersontwikkelingsplan

  • 1.

    Wanneer de leerling op 1 augustus van het betreffende schooljaar de leeftijd van 9 jaar bereikt, wordt door het college, in overleg met de ouder(s) en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opgesteld

  • 2.

    Het college stelt in overleg met de ouder(s) en desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan op. In dit plan wordt de weg naar zelfstandig reizen naar en van school beschreven, alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit.

  • 3.

    Met het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. Het uitgangspunt hierbij is dat ontwikkelingsmogelijkheden die uit het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan blijken zoveel mogelijk worden gevolgd.

Artikel 6. Beslistermijn en besluit

  • 1.

    Het college besluit binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.

  • 2.

    Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste 4 weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

  • 3.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

  • 4.

    Bij de toekenning van een vervoersvoorziening is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het betreffende schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft.

  • 5.

    Ingeval er een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan wordt opgesteld, dan maakt deze deel uit van het besluit.

  • 6.

    Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.

Artikel 7. Ingangsdatum vervoersvoorziening

  • 1.

    Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt een ingangsdatum waarbij die datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Wanneer het een verstrekking van aangepast vervoer betreft, wordt deze met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum.

Artikel 8. Aanwijzing opstapplaats

  • 1.

    Het college kan bij het verstrekken van een vervoersvoorziening een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.

  • 2.

    Het college kan tussentijds een andere opstapplaats aanwijzen.

  • 3.

    De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.

  • 4.

    De ouder(s) zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van de leerling van de woning naar de opstapplaats en van de opstapplaats naar de woning.

  • 5.

    Het college wijst geen opstapplaats aan als:

    • a.

      door de ouder(s) wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen uit hun sociaal netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden;

    • b.

      als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan inzet van een vervoersvoorziening vanaf de woning van de leerling.

Artikel 9. Andere regeling

  • 1.

    Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening.

  • 2.

    Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.

Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria

Artikel 10. Algemene bepalingen

  • 1.

    Aan het schoolbezoek van een leerling, die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouder(s) of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt.

  • 2.

    De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouder(s) voor het schoolbezoek van hun kinderen. Uitgangspunt daarbij is dat het begeleiden bij het vervoeren naar school de verantwoordelijkheid is van ouders.

  • 3.

    De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, toezicht, begeleiding en opvoeding die een ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind passend bij de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dit overneemt. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een veilige en stimulerende opvoedomgeving.

  • 4.

    Bij een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt uitgegaan van de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van het kind, zijn ouder(s) en het sociale netwerk.

  • 5.

    Kiezen ouders op andere gronden dan godsdienstige of levensbeschouwing voor een verder weg gelegen school, bijvoorbeeld vanwege onderwijsinhoudelijke redenen, dan komt de leerling in principe niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. In deze situatie heeft de gemeente de vrijheid om het vervoer gedeeltelijk te vergoeden door de kosten tot de dichtstbijzijnde school te vergoeden. De gemeente is dat evenwel niet verplicht.

  • 6.

    Het college weegt, conform artikel 3. t/m 9. van deze verordening, bij het onderzoek mee dat ouder(s) naast het recht ook een plicht hebben om hun minderjarig kind(eren) te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek) en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen (art. 1:82 Burgerlijk Wetboek). Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking.

  • 7.

    Indien de noodzaak voor een vervoersvoorziening is aangetoond verstrekt het college een vervoersvoorziening voor het goedkoopst passende vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

  • 8.

    De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouder(s), tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder(s) of anderen uit hun sociaal netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

  • 9.

    De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouder(s).

  • 10.

    Bij de keuze voor de toe te kennen vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:

  • 1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling;

  • 2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling;

  • 3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling; of

  • 4°. Gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoersvoorziening voor de leerling.

  • 11.

    Er wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een leerling betreft met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking.

  • 12.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

Artikel 11. Toekenningscriteria

  • 1.

    Met in achtneming van hetgeen in de verordening is bepaald wordt een vervoersvoorziening toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor:

    • a.

      basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer;

    • b.

      speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer; of

    • c.

      speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer.

Artikel 12. Afwijzingsgronden

  • 1.

    Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt in ieder geval afgewezen, als:

    • a.

      Er naar oordeel van het college geen noodzaak is voor het toekennen van een vervoersvoorziening; b. de vervoersvoorziening niet is aangevraagd voor het vervoer van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school;

    • b.

      De ouder naar het oordeel van het college redelijkerwijs in staat is om het vervoer van en/of naar school zelf te verzorgen, gelet op de eigen verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 10., tweede, derde en zesde lid;

    • c.

      Niet is voldaan aan de afstandsgrens zoals bedoel in lid 4. van dit artikel;

    • d.

      De leerling of ouder geen gebruik wil maken van een aangewezen opstapplaats.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder c van dit artikel is de ouder niet in staat om het vervoer van de leerling van en naar school redelijkerwijs te verzorgen als de ouder een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking heeft die het verzorgen van het vervoer van de leerling van en naar school onmogelijk maakt. In dat geval kan een vervoersvoorziening worden toegekend. De ouder dient de beperking door middel van een verklaring van een arts aan te tonen.

  • 3.

    Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan tevens worden geweigerd als niet wordt voldaan aan de inlichtingen- of medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 3. lid 4., artikel 4. lid 4. en artikel 24. van deze verordening.

  • 4.

    Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school minder dan 6 kilometer bedraagt.

  • 5.

    Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij:

    • a.

      Er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of

    • b.

      De leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Hoofdstuk 4. Aanspraak op een vervoersvoorziening

Artikel 13. Vervoersvoorziening voor de leerling

  • 1.

    Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

  • 2.

    Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

  • 3.

    De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets wordt jaarlijks door het college vastgesteld.

Artikel 14. Vervoersvoorziening voor de begeleider

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider van de leerling als:

    • a.

      de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft jonger dan 9 jaar is;

    • b.

      de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft ouder dan 9 jaar is en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.

  • 2.

    Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één leerling voor vergoeding in aanmerking.

  • 3.

    Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.

  • 4.

    De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets wordt jaarlijks door het college vastgesteld.

Artikel 15. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1.

    In overeenstemming met artikel 4., vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4., vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de opstapplaats dan wel de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouder(s) of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt.

  • 2.

    Er wordt, overeenkomstig artikel 4., vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de opstapplaats of woning, en:

    • a.

      de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor speciaal basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouder(s) daar schriftelijk mee instemmen; of

    • b.

      een andere school voor speciaal basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor speciaal basisonderwijs als bedoeld onder a en ouder(s) daar schriftelijk mee instemmen.

  • 3.

    Als de ouder(s) of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      aan het college is door de ouder(s) of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en

    • b.

      aan het college is door de ouder(s) of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.

Artikel 16. Schooltijden en wachttijden

  • 1.

    Het leerlingenvervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de betreffende school die de leerling bezoekt.

  • 2.

    Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één of meerdere lesuren in te stellen, om het gecombineerde vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten en aan te sluiten op de reguliere schooltijden.

  • 3.

    Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouder(s) of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele beperking van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

Artikel 17. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

  • 1.

    Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal 6 weken toekennen aan de ouder(s) van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente Almelo verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;

    • b.

      in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente Almelo, is door het college een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en

    • c.

      de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de gemeente Almelo.

  • 2.

    Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente en Almelo herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.

  • 3.

    Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college van de gemeente Almelo, in overleg met de gemeente waar de leerling tijdelijk verblijf heeft, besluiten dat het college van de gemeente waar het tijdelijk verblijf gevestigd is, de vervoersvoorziening regelt en uitvoert.

Artikel 18. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat

  • 1.

    Met inachtneming van de hoofdstukken 2 t/m 4 van deze verordening kent het college op aanvraag een vervoersvoorziening toe voor het weekeinde en de schoolvakantie aan de in de gemeente Almelo wonende ouder(s) van de leerling die met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.

  • 2.

    Het college kent aan de ouder(s) een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouder(s) en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de schoolvakanties volgens de schoolgids.

  • 3.

    Het college kent aan de ouder(s) een vervoersvoorziening toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties volgens de schoolgids. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouder(s), eenmaal aan het begin van de schoolvakantie en eenmaal aan het einde van de schoolvakantie.

  • 4.

    Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn/haar structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.

  • 5.

    Het college kan toestaan dat de ouder(s) de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouder(s) aanspraak zouden maken.

Artikel 19. Vervoersvoorziening naar stageadres

  • 1.

    Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden aangevraagd voor het vervoer naar een stageadres. Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres dient een aparte aanvraag ingediend te worden.

  • 2.

    De stage-overeenkomst moet toegevoegd worden bij een aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres.

  • 3.

    De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;

    • b.

      de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;

    • c.

      de stage vindt plaats op één stageadres;

    • d.

      het stageadres is gelegen binnen een door het college vastgestelde maximum aantal kilometers zijnde 6 kilometer van de woning dan wel de opstapplaats.

  • 4.

    Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

Artikel 20. Vervoersvoorziening op basis van de kosten van eigen vervoer door de ouder(s)

  • 1.

    Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouder(s) vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

  • 2.

    Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren.

  • 3.

    De vergoeding voor het door ouders zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije bedrag per kilometer, gebaseerd op twee retourreizen per dag. Het door het college vastgestelde maximaal aantal kilometers zijnde in dit geval twee keer 6 kilometer per dag van de woning dan wel de opstapplaats, wordt in mindering gebracht op de kilometervergoeding.

  • 4.

    Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouder(s) is verleend, vergoedt het college aan de ouder(s) die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling.

  • 5.

    Aan de ouder(s) die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer al een vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt.

  • 6.

    Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college, in afwijking van het derde lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

Artikel 21. Aangepast vervoer

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als:

  • a.

    aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 13. en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

  • b.

    aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 15. en openbaar vervoer ontbreekt tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van vervoer per fiets;

  • c.

    aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van artikel 15. en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder(s) of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een anders oplossing niet mogelijk is;

  • d.

    de leerling, naar het oordeel van het college gelet op een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken; of

  • e.

    dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten

Artikel 22. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag

  • 1.

    Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een school voor speciaal basisonderwijs bezoekt, van wie het gezinsinkomen meer bedraagt dan het in artikel 4., zevende lid van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag van € 31.500 (prijspeil 2025) wordt het door het college vastgestelde maximaal aantal kilometers, zijnde in dit geval twee keer 6 kilometer per dag gerekend van de woning dan wel de opstapplaats, in mindering gebracht op de kilometervergoeding.

  • 2.

    In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een school voor speciaal basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11. lid 1 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 31.500 tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van deze bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.

  • 3.

    De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 11. lid 1 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

  • 4.

    Het inkomensbedrag van € 31.500 genoemd in het eerste en tweede lid, wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 31.500.

  • 5.

    Op verzoek van de ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

  • 6.

    Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van pleegzorg.

Artikel 23. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage

  • 1.

    Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt, overeenkomstig artikel 4., elfde lid van de Wet op het primair onderwijs, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 2.

    In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 3.

    De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin per schooljaar en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen:

     

    Inkomen vanaf

    Tot

    Eigen bijdrage per gezin per schooljaar

    0

    € 42.000

    nihil

    € 42.000

    € 50.000

    € 185

    € 50.000

    € 58.000

    € 820

    € 58.000

    € 65.000

    € 1.520

    € 65.000

    € 74.500

    € 2.230

    € 74.500

    € 81.500

    € 2.990

    Vanaf € 81.500

    Voor elke € 5.000 hoger

    € 715 erbij

  • 4.

    De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van het nieuwe kalenderjaar jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500.

  • 5.

    De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van het nieuwe kalenderjaar jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5.

  • 6.

    Het drempelbedrag bedoeld in artikel 22. kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin.

  • 7.

    Op verzoek van de ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

  • 8.

    Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van pleegzorg.

  •  

Hoofdstuk 6. Rechtmatigheid

Artikel 24. Doorgeven van wijzigingen

De ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, binnen 5 werkdagen schriftelijk mede te delen aan het college.

Artikel 25. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien, of intrekken, als het vaststelt dat:

    • a.

      niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening;

    • b.

      beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;

    • c.

      de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;

    • d.

      ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 22. te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;

    • e.

      ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 23. te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;

    • f.

      sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het leerlingenvervoer; het gedrag van de leerling berust ten alle tijde bij de ouder(s) of verzorger(s); of

    • g.

      het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het leerlingenvervoer.

  • 2.

    De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend bij een eventuele nieuwe, maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 26. Beleidsregels en Nadere regels

Het college kan beleidsregels en nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

Artikel 27. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, met betrekking tot het leerlingenvervoer, gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan een deskundige.

Artikel 28. Intrekking oude regeling

  • 1.

    De verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden ingetrokken.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening (verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025), tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager.

  • 3.

    Een leerling houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening leerlingenvervoer 2016, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken dan wel wordt gewijzigd.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 is genomen, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 29. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 december 2025.

Ondertekening

Gedaan ter openbare vergadering van 9 december 2025,

de griffier, de voorzitter,

drs. J.W. Scherpenzeel R.T.A. Korteland

Toelichting op de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025

Algemeen

Het college hechte er waarde aan om alvorens over te gaan tot een artikelsgewijze toelichting de belangrijkste punten rondom leerlingenvervoer met nadruk uit te leggen.

Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school lang of kan het kind wegens zijn/haar structurele beperking niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer. Ook meerderjarige leerlingen kunnen, nadat zij meerderjarig zijn geworden, een beroep doen op leerlingenvervoer.

Leerlingenvervoer wordt niet toegekend worden wanneer ouder(s)/verzorger(s) als gevolg van werk niet de mogelijkheid hebben om hun kind(eren) zelf naar school te brengen. Leerlingenvervoer kan enkel verstrekt worden voor een leerling met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking.

De verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025 biedt mogelijkheden om maatwerk te kunnen bieden. Besloten is het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan op te nemen in de verordening. Door een onderzoek uit te voeren wordt beoordeeld in hoeverre een leerling zelfstandig dan wel zelfredzaam is en wat er gedaan moet worden om deze doelen te bereiken. De consulent kan op basis van het onderzoek en de vastlegging daarvan in het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan eigentijdse oplossingen opnemen zoals het verstrekken van een elektrische fiets of bakfiets als meest passende goedkoopst adequate oplossing te verstrekken ten opzichte van andere mogelijkheden voor leerlingenvervoer. Hiermee kan in sommige gevallen een meer kosteneffectieve bekostiging aangeboden worden.

De reikwijdte en de doelstelling van de verordening zijn uitgeschreven. Ook zijn de aanvraagprocedure, het onderzoek, het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan, de toekenningscriteria en de afwijzingsgronden expliciet opgenomen in de ontwerpverordening leerlingenvervoer. In de ontwerpverordening leerlingenvervoer wordt ook nadrukkelijk gewezen op de zorgplicht van ouders. Ook wordt uitgegaan van de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van het kind, zijn ouder(s) en het sociaal netwerk. Ouders moeten eerst zelf aantonen welke mogelijkheden zij hebben benut om de leerling te vervoeren van een naar school alvorens overgegaan wordt tot het bekostigen van leerlingenvervoer.

Een aantal onderdelen in deze verordening zijn van belang om nader toe te lichten:

Wettelijke plicht

De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een verordening vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4., eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4., eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020), heet dit: ‘een vergoeding van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal basisonderwijs en voortgezet speciaal basisonderwijs, als om instellingen voor cluster 1. en cluster 2. onderwijs.

De zorgplicht van ouders strekt zich in ieder geval uit over de verzorging, toezicht, begeleiding en opvoeding die een ouder normaal gesproken geeft aan het kind passend bij de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dit overneemt. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een veilige en stimulerende opvoedomgeving. Bij een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt uitgegaan van de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van het kind, zijn ouder(s) en het sociale netwerk. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouder(s) voor het schoolbezoek van hun kinderen. Uitgangspunt daarbij is dat het begeleiden bij het vervoeren naar school de verantwoordelijkheid is van ouders.

De verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het college om leerlingenvervoer te regelen voor kinderen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders en meerderjarige leerlingen de aanvraag kunnen indienen (de procedure), bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan het college kan beoordelen of de ouders of de meerderjarige leerling aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.

Vervoersvoorziening

In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan daarbij gaan om een vergoeding voor de kosten van een fiets of openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn beperking geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. In deze verordening spreken we van een goedkoopst passende vervoersvoorziening.

Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich in het aangepast vervoer onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer.

Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten of als de toestemming leidt tot een aantasting van de instandhouding van het aangepast vervoer.

Zelfstandigheid en zelfredzaamheid

De verordening leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren kan de aanvraag met ouders worden besproken en wordt vanaf de 9-jarige leeftijd van de leerling in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld (zie artikel 5.).

Verantwoordelijkheid van ouders

De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag van de leerling beïnvloedbaar is als ouders de leerling kunnen begeleiden, dan is er geen reden om de leerling individueel te vervoeren.

Artikelsgewijze toelichting

In onderstaande artikelsgewijze toelichting worden enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, nader behandeld.

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1. Definities

Aangepast vervoer

Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat verzorgen. Het kan dan gaan om vervoer per besloten (school)busvervoer maar bijvoorbeeld ook vervoer met een taxi of een (taxi)bus in individueel of groepsverband.

Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, de praktische organisatie van het vervoer mogelijk enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder andere om het inroosteren van de leerling door de vervoerder en het eventueel aanpassen van de vervoersroute door de vervoerder, zodat de leerling mee kan.

Afstand

De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gebruikt: www.anwb.nl. Het gaat daarbij om de voor de leerling kortst mogelijke, langs de (meest) begaanbare en veilige weg die door de leerling zelfstandig te belopen is.

Dichtstbijzijnde toegankelijke school

Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4., van de WPO staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4. WPO bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen.

Leerling met een beperking

Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een leerling met een beperking in de zin van deze verordening leerlingenvervoer. Centraal staat het feit dat de leerling vanwege een beperking niet in staat is om zelfstandig naar school te reizen, de aard van de beperking is daarbij ondergeschikt (Kamerstukken II 2013/14, 34 022, nr. 3., p. 5.). In deze verordening vervangen wij het woord handicap of gehandicapte leerling door: een leerling met een lichamelijk, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking.

Wanneer een leerling, ondanks zijn beperking wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de verordening leerlingenvervoer géén leerling met een beperking. De beperking die de leerling ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan 6 maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is.

Leerling

Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten tot het basisonderwijs (artikel 39., eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39. van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.

Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.

Loopafstand

Een loopafstand is de afstand tussen het woonadres van de leerling en de school gemeten langs de kortst mogelijke voor de leerling (meest) begaanbare en veilige weg die door de leerling zelfstandig te belopen is.

Onderzoek 

In de onderzoeksfase wordt onderzocht of een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en welke voorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening is. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden en behoeften van de leerling en de zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer zelfstandigheid in het reizen. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar de mogelijkheden van een leerling. Gekeken wordt naar de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.

Het blijft maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan zo zelfstandig mogelijk kan reizen. Daarin speelt niet alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd van de leerling, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.

Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging een nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid.

Openbaar vervoer

Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor eenieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor eenieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd. De definitie in deze verordening is daarmee ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1., Wet personenvervoer 2000.

Opstapplaats

Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de (school)busvervoer, taxi of (taxi)bus worden vervoerd. Leerlingen worden dan niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door het college aangewezen opstapplaats.

De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.

Het college wijst geen opstapplaats aan als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

Persoonlijk vervoersontwikkelingsplan

Het college stelt in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het onderwijs heeft ook tot doel om leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan en het is aan te raden met scholen frequent overleg te hebben over wat te verwachten valt in het leerlingenvervoer.

Een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan is een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen. Om de leerling in staat te stellen zelfstandig naar en van school te reizen kan het nodig zijn om de leerling aanvullende vaardigheden aan te leren. Het hiervoor op te stellen plan is het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan, dat door het college, waar nodig op basis van deskundig advies, wordt opgesteld.

Reistijd

Onder reistijd wordt verstaan de totale tijdsduur tussen het verlaten van de woning en het aankomen bij school volgens de schooltijd in de schoolgids en vice versa, berekend met het door het college gebruikte www.anwb.nl en rekening houdend met maximaal 10 minuten als extra wachttijd.

Stage

Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden aangevraagd voor het vervoer naar een stageadres. Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres dient een aparte aanvraag ingediend te worden. De stage-overeenkomst moet toegevoegd worden bij een aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;

b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;

c. de stage vindt plaats op één stageadres;

d. het stageadres is gelegen binnen een door het college vastgestelde maximum aantal kilometers zijnde 6 kilometer van de woning dan wel de opstapplaats.

Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.

Aangezien stage in feite een verlenging van de schoolactiviteit is, moeten de dagen en tijden, waarvoor de vervoersvoorziening wordt verstrekt in beginsel overeenkomen met de reguliere schooltijden.

Naar analogie van ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ wordt slechts een vervoersvoorziening verstrekt naar het dichtstbijzijnde toegankelijke stageadres en naar één stage-locatie. Om de vervoerskosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is in artikel 19. lid 4. eerste lid van de verordening bepaald dat een vervoersvoorziening slechts wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres gelden verder dezelfde voorwaarden die ook gelden als de leerling of zijn ouders in aanmerking wil komen voor een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (zie de artikelen 3. t/m 12.).

Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school van de leerling. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen.

Structureel

Het woord structureel wordt in twee opzichten in de verordening genoemd. In zijn algemeenheid verstaan wij onder structureel: een aaneengesloten periode van minimaal 6 maanden.

De beperking die de leerling ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval een periode van minimaal 6 maanden duren. Wanneer de beperking met medicatie te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is.

Structureel heeft ook betrekking op waar een leerling structureel en feitelijk verblijft. Ofwel waar een leerling minimaal een periode van 6 maanden feitelijk verblijft.

Toegankelijke school

Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4., van de WPO staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4. WPO bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen.

Vervoer

Onder vervoer wordt verstaan: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele beperking van een leerplichtige leerling die aansluit onmogelijk maakt.

Vervoersvoorziening

In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan bijvoorbeeld gaan over een vergoeding voor de kosten van een fiets of openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn beperking geen gebruik kan maken van de fiets of het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.

Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten of als de toestemming leidt tot een aantasting van de instandhouding van het aangepast vervoer.

De wet bepaalt dat de gemeente het vervoer zelf kan verzorgen, dan wel doen verzorgen. Het kan daarbij ook gaan om een verblijf in een instelling. Ook kan zij een vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt in vier verschillende varianten.

Woning

Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Deze plaats kan ook in meer dan één gemeente zijn (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249).

Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, moet een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.

Hoofdstuk 2. Aanvraag van een vervoersvoorziening

Artikel 3. Aanvraagprocedure

Als ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling moet dit zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft.

Bij de aanvraag worden gegevens gevraagd. Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen en/of bewijsstukken, bijvoorbeeld een medische verklaring, een werkgeversverklaring of een verklaring van de belastingdienst. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Bij twijfel zal het college zelf een onafhankelijke deskundige inschakelen.

Het college dient te beschikken over voldoende informatie om een besluit over de aanvraag voor een vervoersvoorziening te kunnen nemen. Deze gegevens zullen betrokken worden bij het uitvoeren van het onderzoek (artikel 4.). Ouders dienen in het kader van de inlichtingen- of medewerkingsplicht deze informatie op verzoek van het college aan te leveren. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Als het voor een juiste beoordeling noodzakelijk is, kan het college de ouder(s) verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. Als het aanvraagformulier aangevuld of gecorrigeerd moet worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen 4 weken aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan zal het college moeten afwegen of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb zal in een voorkomend geval aan de aanvrager op de hoogte worden gesteld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is (zie ABRvS 9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535).

Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan tevens worden geweigerd als niet wordt voldaan aan de inlichtingen- of medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 4. lid 4. en artikel 24. van deze verordening.

Artikel 4. Onderzoek

Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor een leerling wordt uitgegaan van hoe de leerling zo zelfstandig mogelijk naar en van zijn school kan reizen.

Tijdens het onderzoek wordt onderzocht of de leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en welke voorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening is. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden en behoeften van de leerling en de zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer zelfstandigheid in het reizen naar en van zijn school. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht.

Om ouders te informeren over het leerlingenvervoer wordt een gesprek met de aanvrager(s) gevoerd om:

- Verwachtingen aangaande het leerlingenvervoer voor de eventuele komende jaren te managen;

- De aanvraag goed te kunnen beoordelen;

- Te onderzoeken of de leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en welke voorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening is.

In het gesprek wordt onderzocht in welke mate en in welk tempo te verwachten is, dat een leerling zelfstandig(er) kan reizen en hoe ouders hierbij kunnen ondersteunen en/of welke ondersteuning de gemeente daarbij biedt.

Als het mogelijk is, is het aan te bevelen om ook de leerling te betrekken bij het gesprek. Zo nodig kan ook een deskundige betrokken worden bij het gesprek. Ook ouders kunnen zich tijdens het gesprek laten bijstaan, bijvoorbeeld door een onafhankelijke cliëntondersteuner.

Tijdens het onderzoek wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om de vervoersvoorziening af te stemmen op andere voorzieningen die in het kader van het Sociaal Domein worden verstrekt. Dit sluit aan bij de verplichting uit bijvoorbeeld de Wmo 2015. Daarbij is in de toelichting aangegeven dat het college verplicht is om de problematiek van een betrokkene in het Sociale Domein (zorg, wonen, welzijn, jeugdzorg, onderwijs, schulden etc.) in onderlinge samenhang in kaart te brengen en te bevorderen dat de dienstverlening in dat Sociaal domein zo goed mogelijk op elkaar wordt afgestemd (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3., p. 170). Om deze reden zou ook een bij de gemeente werkzame collega uit het Sociaal Domein bij het gesprek aan kunnen sluiten, zoals een bij het gezin betrokken (SKJ-geregistreerde) coach.

Als de leerling niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school bezoekt is dit onderwerp van gesprek. Wat is er gedaan om wél naar de school dicht bij de woning te gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren?

Tijdens het onderzoek van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar de mogelijkheden van een leerling. Binnen de gestelde toekenningscriteria wordt de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling toegekend. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.

Sommige leerlingen hebben door hun beperking begeleiding nodig op weg naar zelfstandigheid. Dit is een verantwoordelijkheid van de ouders.

Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen de

beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.

Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging een nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid.

Artikel 5. Opstellen persoonlijk vervoersontwikkelingsplan

Eerste lid

Wanneer de leerling op 1 augustus van het betreffende schooljaar de leeftijd van 9 jaar bereikt, wordt door het college, in overleg met de ouder(s) en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opgesteld.

Tweede lid

Het college stelt, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het onderwijs heeft ook tot doel om leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan en het is aan te raden met scholen frequent overleg te hebben over wat te verwachten valt in het leerlingenvervoer.

Het moment waarop de leerling de leeftijd van 9 jaar bereikt, is een goed moment om het eerste persoonlijke vervoersontwikkelingsplan samen met de ouders en de leerling te maken. Dit plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, maar kan jaarlijks naar aanleiding van de nieuwe aanvraag geëvalueerd worden. De ontwikkeling van kinderen staat immers niet stil en maakt dat een kind zich sneller kan ontwikkelen dan gedacht. Voor de leeftijd van 9 jaar in dit artikel geldt geen peildatum, waardoor er spreiding van gesprekken mogelijk is.

Wanneer ouders geen medewerking willen verlenen aan het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling kan het college overwegen om een onafhankelijk advies in te winnen, waarmee onafhankelijk inzicht in de vervoersmogelijkheden van de leerling verkregen kan worden.

Het persoonlijke vervoersontwikkelingsplan maakt onderdeel uit van het besluit.

Artikel 6. Beslistermijn en besluit

Eerste lid

Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat de redelijke termijn waarbinnen een beschikking moet worden gegeven in ieder geval is verstreken als het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. In deze verordening leerlingenvervoer is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken. De beslistermijn kan worden opgeschort als de aanvraag onvolledig is. De aanvrager krijgt dan de kans om, gedurende de termijn dat de beslistermijn is opgeschort, de aanvraag volledig te maken. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Tweede lid

Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor het college. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of als er sprake is van een bijzondere situatie. Het college kan de beslistermijn dan voor ten hoogste 4 weken verlengen.

Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn moet er een beschikking op de ingediende aanvraag door het college zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verlengde termijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van een deskundige, moet er toch een beschikking worden afgegeven.

Derde lid

Een besluit moet voldoen aan de eisen die de Awb daaraan stelt. Zo moet er sprake zijn van een deugdelijke motivering (artikel 3:46, van de Awb). In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in het besluit moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Awb te voldoen.

Om enige beleidsruimte te creëren is bepaald dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking moet deze termijn aangegeven worden. Per geval wordt de termijn bepaald.

Vanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de inwoner is het wenselijk dat het aantal aanvragen zoveel mogelijk wordt beperkt. In dat kader verdient het aanbeveling om te bezien of het mogelijk is om voor een langere periode dan één schooljaar de vervoersvoorziening toe te kennen. Wanneer te verwachten valt dat er geen verandering zal optreden in de lichamelijk of geestelijke toestand van de leerling en deze dus aan de geldende criteria blijft voldoen, is het wenselijk te kiezen voor een periode van enkele jaren, of zelfs voor de hele schoolperiode.

Als er in de situatie van de leerling echter verandering valt te verwachten, bijvoorbeeld een verbetering in de lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische toestand, zal er gekozen worden voor een verstrekking over een termijn van één schooljaar.

Vierde lid

Bij de toekenning van een vervoersvoorziening is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het betreffende schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft.

Vijfde lid

Ingeval er een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan wordt opgesteld, dan maakt deze deel uit van het besluit.

Zesde lid

Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo kan worden bepaald dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel.

Artikel 7. Ingangsdatum vervoersvoorziening

Een vervoersvoorziening wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. De vergoeding is bedoeld om de leerling in staat te stellen (in de toekomst) de school te bezoeken. Het is geen inkomensvoorziening. Dit past ook bij de primaire verantwoordelijkheid van de ouders van de leerling om het schoolbezoek zelf te organiseren en te faciliteren. Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, voor de praktische organisatie van het vervoer enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder andere om het inroosteren van de leerling en het eventueel aanpassen van de vervoersroute, zodat de leerling mee kan.

Eerste lid

Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt een ingangsdatum waarbij die datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag.

Tweede lid

Wanneer het een verstrekking van aangepast vervoer betreft, wordt deze met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum.

Artikel 8. Aanwijzing opstapplaats

Het college kan bij het verstrekken van een vervoersvoorziening (tussentijds) een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. Het uitgangspunt is dat ouders zelf zorgdragen voor de voor de leerling noodzakelijke begeleiding.

Eerste lid en tweede lid

Om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, voorziet deze bepaling in een bevoegdheid aan het college om opstapplaatsen aan te wijzen, vanwaar leerlingen met (schoolbus) vervoer, de taxi of (taxi)bus naar school worden vervoerd. Met het aanwijzen van een opstapplaats worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar moeten zij, al dan niet onder begeleiding, naar de door het college aangewezen opstapplaats, vanwaar zij worden opgehaald.

Derde lid

De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider om gebruik te maken van aangepast vervoer. Ook moet de opstapplaats, mede gelet op de weersomstandigheden, voldoende beschutting bieden.

Het feit dat de opstapplaats aan een drukke verkeersweg ligt is op zichzelf niet voldoende om de locatie als onvoldoende veilig te beoordelen. Van ouders mag in dergelijke situaties verwacht worden dat zij voor begeleiding zorgen tot ten minste het moment dat hun kind is ingestapt.

De opstapplaats moet ook binnen een redelijke afstand van de woning van de leerling zijn gelegen. Het is aan het college om te beoordelen wat in een individuele situatie redelijk is. Een reistijd van niet meer dan dertig minuten is in elk geval alleszins redelijk.

Vierde lid

De ouder(s) zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van de leerling van de woning naar de opstapplaats en van de opstapplaats naar de woning.

Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de leerling naar de opstapplaats te (laten) begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Nu van ouders een redelijke mate van inzet verwacht mag worden zal hier niet snel sprake van zijn. Het is aan het college om te beoordelen of ouders voldoende hebben aangetoond dat het (laten) bieden van begeleiding naar en op de opstapplaats voor hen, door individuele omstandigheden, onmogelijk is.

Vijfde lid

Het college wijst geen opstapplaats aan als:

a. door de ouder(s) wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen uit hun sociaal netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden;

b. als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan inzet van een vervoersvoorziening vanaf de woning van de leerling.

Artikel 9. Andere regeling

De mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening in het kader van deze verordening is niet bedoeld voor situaties waarin leerlingen of hun ouders voor dit vervoer al (gedeeltelijk) gebruik kunnen maken van een andere regeling of vergoeding. Dit artikel voorkomt dat er een (deels) dubbele vergoeding kan worden ontvangen.

Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever van de ouders) een vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school of de stage, mag het college die vergoeding in mindering brengen op de vergoeding die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van deze verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat. Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening.

Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria

Artikel 10. Algemene bepalingen

In deze verordening zijn verschillende voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. Op het moment dat een leerling voldoet aan die voorwaarden en er meerdere vervoersvoorzieningen zijn waarvan de leerling (in redelijkheid) gebruik zou kunnen maken, dan zal de keuze vallen op de voor het college goedkoopst passende oplossing.

Ook als dit betekent dat die oplossing meer van ouders (bijvoorbeeld extra begeleiding) of de leerling (meer reistijd) vraagt. Dit past binnen het uitgangspunt dat ouders en de leerling in de basis zelf verantwoordelijk zijn voor het schoolbezoek en is nodig om het vervoersstelsel toegankelijk en betaalbaar te houden.

Het college kan op grond van deze bepaling bijvoorbeeld weigeren een vervoersvergoeding te verstrekken als de leerling gebruik kan maken van het aangepast vervoer, waarbij de kosten voor het college gelijk blijven omdat er toch al sprake is van (school)busvervoer, taxi of taxibus rijdt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Dit ongeacht het feit of de leerling vervolgens daadwerkelijk van dit aangepast vervoer gebruik wenst te maken.

Eerste lid

Aan het schoolbezoek van een leerling, die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouder(s) of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt.

Tweede lid

De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. Ouders zijn verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kinderen en de begeleiding van hun kinderen naar school. Deze verantwoordelijkheid kan, in beginsel, niet afhankelijk gemaakt worden van de verstrekking van een vervoersvoorziening in het kader van Leerlingenvervoer.

In dit lid is deze verantwoordelijkheid nogmaals nadrukkelijk vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Ouders kunnen er dus niet van uit gaan dat zij altijd een vervoersvoorziening krijgen of dat deze altijd wordt voortgezet. Van ouders mag in redelijkheid worden verwacht dat zij hun leven en eventuele werkzaamheden of maatschappelijke activiteiten zo inrichten dat zij hun kind(eren) kunnen begeleiden naar school en dat zij de noodzakelijke keuzes maken om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Daarbij kan gedacht worden aan het aanpassen van werktijden en het verkeersveilig maken van de leerling.

Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat primair een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen al dan niet tijdelijk, geheel of gedeeltelijk kan overnemen. Er ligt echter ook een wettelijke zorgplicht bij de gemeente om passend vervoer aan te bieden. Het is aan het college om een zorgvuldige afweging te maken en te bepalen wat, gelet op de primaire verantwoordelijkheid van ouders, redelijk is (Kamerstukken II 2011/12, 33 106., nr. 7).

Derde lid

Ouders hebben een zorgplicht. Deze strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, toezicht, begeleiding en opvoeding die ouders normaal gesproken geven aan het kind passend bij de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van het kind.

Naast de zorgplicht van ouders voor hun kinderen wordt verwacht dat ouders naast het recht ook een plicht hebben om hun minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek) en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen (art. 1:82 Burgerlijk Wetboek). Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking en de hulp die deze minderjarige, in beginsel daarvoor nodig heeft.

Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dit overneemt. De aanwezigheid van bijvoorbeeld maatschappelijke activiteiten of een vorm van werk, andere (schoolgaande) kinderen in het gezin, dan wel de afwezigheid van een netwerk ter ondersteuning, ontslaan ouders niet van hun verantwoordelijkheid voor de schoolgang en begeleiding van hun kind naar school. Het anders organiseren van werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten en/of verplichtingen wordt in dit geval van de ouders verwacht. Mocht het de ouders niet lukken om hun kind(eren) zelf te begeleiden, dan moeten zij voor een oplossing zorgen, bijvoorbeeld door een familielid of een kennis uit het sociaal netwerk van de ouders de leerling te laten begeleiden, een vorm van opvang (bijvoorbeeld voorschoolse opvang) of een betaalde oppas in te schakelen.

Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een veilige en stimulerende opvoedomgeving.

Vierde lid

Bij een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt uitgegaan van de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van de leerling, zijn ouder(s) en het sociale netwerk. Bij het verstrekken van de vervoersvoorziening staat de zelfredzaamheid en de eigen verantwoordelijkheid van de leerling en zijn ouders voorop. Bij de bepaling van de aard van de vervoersvoorziening wordt hier dan ook naar gekeken. Zelf fietsen heeft daarbij bijvoorbeeld de voorkeur boven aangepast vervoer in de vorm van een door het college georganiseerde vervoer met een (school)bus, taxi of taxibus.

Vijfde lid

Kiezen ouders op andere gronden dan godsdienstige of levensbeschouwing voor een verder weg gelegen school, bijvoorbeeld vanwege onderwijsinhoudelijke redenen, dan komt de leerling in principe niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. In deze situatie heeft de gemeente de vrijheid om het vervoer gedeeltelijk te vergoeden door de kosten tot de dichtstbijzijnde school te vergoeden. De gemeente is dat evenwel niet verplicht.

In artikel 4., tweede en derde lid, van de WPO, artikel 4., tweede lid, van de WEC en artikel 8.29, tweede lid, van de WVO 2020 is bepaald dat de raad bij het vaststellen van de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen. Tevens is in de genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking.

Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare, veilige weg.

Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer van en naar de dichtst bij de woning gelegen school.

Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.

Richting

Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De keuze van de leerling of zijn ouders voor één van de hiervoor genoemde erkende richtingen bepaalt dus (mede) of een school kan worden aangemerkt als toegankelijke school voor de betreffende leerling.

Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc. De voorkeur van de leerling of zijn ouders voor een bepaalde onderwijskundige methode is niet van invloed bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

Zesde lid

Het college weegt, conform artikel 3. t/m 12. van deze verordening, bij het onderzoek mee dat ouder(s) naast het recht ook een plicht hebben om hun minderjarig kind(eren) te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek) en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen (art. 1:82 Burgerlijk Wetboek). Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking.

Zevende lid

Indien de noodzaak voor een vervoersvoorziening is aangetoond verstrekt het college een vervoersvoorziening voor het goedkoopst passende vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

Achtste lid

De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouder(s), tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder(s) of anderen uit hun sociale netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

Negende lid

De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouder(s). Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag beïnvloedbaar is door de leerling te laten begeleiden, is er geen reden om de leerling individueel te vervoeren.

Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer.

Tiende lid

Bij de keuze voor de toe te kennen vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:

1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling;

2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling;

3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling; of

4°. Gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte

vervoersvoorziening voor de leerling.

Elfde lid

Er wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een leerling betreft met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking.

Twaalfde lid

Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

Hieronder volgt een niet limitatieve opsomming van jurisprudentie behorende bij artikel 10.:

 

  • 1.

    ECLI:NL:RVS:2010:BK8359, voorheen LJN BK8359, Raad van State, 200903136/1/H2

  • 2.

    ECLI:NL:RVS:2015:3382, Raad van State, 201502121/1/A2

  • 3.

    ECLI:NL:RVS:2023:402, Raad van State, 202104709/1/A2

  • 4.

    ECLI:NL:RVS:2025:114, Raad van State, 202303177/1/A2

  • 5.

    ECLI:NL:RBMNE:2024:5974, Rechtbank Midden-Nederland, UTR 23/4403 Rectificatie

  • 6.

    ECLI:NL:RBDHA:2024:12496, Rechtbank Den Haag, 23/6888.

Artikel 11. Toekenningscriteria

Eerste lid

Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor:

a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer;

b. speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer; of

c. speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer.

Artikel 12. Afwijzingsgronden

Leerlingen komen in aanmerking voor leerlingenvervoer als zij gezien hun beperking niet in staat zijn om zelfstandig naar school te komen (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 3., p.36). Om te kunnen beoordelen of een leerling door zijn beperking beperkt is om zelfstandig te reizen, is in een aantal gevallen onafhankelijk advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn beperking in het geheel niet van openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken. Het kan ook gaan over een deelaspect van het vervoer, bijvoorbeeld over de vraag of een bepaalde route door de betreffende leerling veilig kan worden afgelegd.

Eerste lid

Deze bepaling geeft invulling aan de op grond van artikel 4., achtste lid, van de WPO en artikel 4., zevende lid, van de WEC bestaande mogelijkheid om in de verordening te bepalen dat er geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van de afstand. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt in ieder geval afgewezen, als:

a. Er naar oordeel van het college geen noodzaak is voor het toekennen van een vervoersvoorziening; b. de vervoersvoorziening niet is aangevraagd voor het vervoer van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school;

c. De ouder naar het oordeel van het college redelijkerwijs in staat is om het vervoer van en/of naar school zelf te verzorgen, gelet op eigen verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 10., tweede, derde en zesde lid;

d. Niet is voldaan aan de afstandsgrens zoals bedoel in lid 4. van dit artikel;

e. De leerling of ouder geen gebruik wil maken van een aangewezen opstapplaats.

Tweede lid

In afwijking van het eerste lid, onder c van dit artikel is de ouder niet in staat om het vervoer van de leerling van en naar school redelijkerwijs te verzorgen als de ouder een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking heeft die het verzorgen van het vervoer van de leerling van en naar school onmogelijk maakt. In dat geval kan een vervoersvoorziening worden toegekend. De ouder dient de beperking door middel van een verklaring van een arts aan te tonen.

Derde lid

Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan tevens worden geweigerd als niet wordt voldaan aan de inlichtingen- of medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 3. lid 4, artikel 4. lid 4. en artikel 24. van deze verordening.

Vierde lid

Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school minder dan 6 kilometer bedraagt. Deze afstand van 6 kilometer sluit aan bij de in artikel 4., zevende lid, van de WPO opgenomen bovengrens van 6 kilometer. De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald.

Vijfde lid

Voor het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs zijn de ouders of de leerling, ongeacht de afstand, zelf verantwoordelijk. Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij:

a. Er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of

b. De leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Hoofdstuk 4. Aanspraak op een vervoersvoorziening

Artikel 13. Vervoersvoorziening voor een leerling

Eerste lid

Deze vergoeding kan worden verstrekt voor de leerling die een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs (artikel 4, van de WPO) of een school voor speciaal onderwijs (artikel 4, van de WEC) bezoekt. De wet kent in artikel 4, van de WEC en artikel 8.28, van de WVO 2020 niet de mogelijkheid om het zelfstandig reizen van leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs te vergoeden (zie artikel 9, tweede lid).

De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen. De fietsvergoeding is bedoeld als een voor het college goedkoper alternatief voor leerlingen die recht hebben op een vervoersvoorziening.

Derde lid

De kilometervergoeding voor de fiets voor de leerling bedraagt het door het college jaarlijks vast te stellen bedrag.

Artikel 14. Vervoersvoorziening voor de begeleider

Eerste lid

In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling die in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets te reizen. In dat geval kan er een vergoeding worden verstrekt voor de vervoerskosten die de begeleider van de leerling moet maken om hem tijdens het vervoer te begeleiden. Het zorgen voor een begeleider is de verantwoordelijkheid van de ouders zelf (zie artikel 10., tweede lid).Leerling is ouder dan 9 jaar Als de leerling ouder dan 9 jaar is, en de ouders op een voor het college bevredigende wijze kunnen aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, komen de ouders in aanmerking voor de vergoeding van de vervoerskosten voor een begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties:

  • 1.

    de leerling moet een of meerdere malen overstappen;

  • 2.

    de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten;

  • 3.

    het is voor de leerling door zijn handicap niet veilig om alleen naar school te fietsen.

In artikel 14. is het leeftijdscriterium in het basisonderwijs opgenomen als een van de – wettelijk toegestane – volumebeperkende middelen om al dan niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding. Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gekozen die geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen.

De bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar 8 jaar is, hij in het kader van de Verordening leerlingenvervoer het gehele schooljaar als 8 jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar 9 jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.

Gehandicapte leerling Ouders van leerlingen die door hun handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen (zie toelichting bij artikel 1.), komen in aanmerking voor een vergoeding van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.

Tweede lid

Wie de leerling ook begeleidt, de vergoeding vindt plaats aan de ouders van de leerling voor het deel van de reis, dat de leerling begeleid wordt. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, worden de reiskosten van de begeleider slechts éénmaal vergoed. Dit sluit aan bij de systematiek, dat in het aangepast vervoer ook alleen het deel van de reis betaald wordt, dat de leerling meereist.

Derde lid

De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.

Vierde lid

De kilometervergoeding voor de fiets voor de begeleider van de leerling bedraagt het door het college jaarlijks vast te stellen bedrag.

Artikel 15. Vervo ersvoorzien ing naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: ‘een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school’.

Eerste lid

In overeenstemming met artikel 4., vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4., vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de opstapplaats dan wel de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouder(s) of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt.

Tweede lid

Er wordt, overeenkomstig artikel 4., vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de opstapplaats of woning, en:

a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor speciaal basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouder(s) daar schriftelijk mee instemmen; of

b. een andere school voor speciaal basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor speciaal basisonderwijs als bedoeld onder a en ouder(s) daar schriftelijk mee instemmen.

Derde lid

Als de ouder(s) of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. aan het college is door de ouder(s) of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en

b. aan het college is door de ouder(s) of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.

Artikel 16. Schooltijden en wachttijden

Eerste lid

Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. In alle andere situaties zijn ouders zelf verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Vervoer dat nodig is in verband met een activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) valt buiten het leerlingenvervoer.

Tweede lid

In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen, dat er binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook in dat geval vindt het aangepast vervoer in principe plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan, ingeval van aangepast vervoer, echter overwegen om dan een wachttijd te hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten, dan wel eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden.

De gemeente zal indien mogelijk proberen de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk te vervoeren, wanneer de begin- en/of eindtijden nagenoeg hetzelfde zijn.

Derde lid

Het vervoer op afwijkende tijden kan leiden tot individueel aangepast vervoer buiten de schooltijden en dat brengt extra vervoerskosten met zich mee. De gemeente is hier in principe niet toe verplicht, tenzij de leerling een gedeeltelijke vrijstelling van de leerplicht heeft.

Alleen wanneer de leerling door een structurele beperking slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan er in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke beperkingen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door:

- een verklaring van de leerplichtambtenaar, waaruit een leerplichtakkoord blijkt;

- een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd;

- een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of

- een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog), waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen.

Het college kan, overeenkomstig artikel 4. derde lid, een deskundige inschakelen om het geleverde bewijs te beoordelen.

Artikel 17. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 

Een aanvraag wordt gedaan in de gemeente waarin de leerling zijn woning heeft. De aanwezigheid van een structureel karakter van het feitelijk verblijf van de leerling vormt een onderdeel van het begrip woning. Een tijdelijk verblijf elders verplaatst de structurele feitelijke verblijfplaats dan ook niet.

Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, is het bovendien niet praktisch dat de andere gemeente de vervoerskosten moet dragen. Immers: bij gemeente A moet de vervoersvoorziening (tijdelijk) worden stopgezet, bij gemeente B moet een vervoersvoorziening worden aangevraagd; en een aantal weken later zou het omgekeerde weer moeten gebeuren. Dat zorgt voor een omslachtige belasting voor de leerling of zijn ouders en de gemeenten. Dit artikel regelt hierom wat onder tijdelijk verblijf wordt verstaan en hoe het college daarin handelt.

Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en van gemeentewege al een vergoeding leerlingenvervoer kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf voor de duur van maximaal 6 weken aangemerkt als verblijf in de gemeente. Het college neemt dan de kosten voor vervoer voor de duur van maximaal 6 weken voor zijn rekening. Het college neemt hierover een afzonderlijk besluit, waarbij het oorspronkelijke besluit waarmee een vervoersvoorziening was toegekend tijdelijk wordt opgeschort, zolang de tijdelijke situatie bestaat.

Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. In dat geval is geen sprake van een crisissituatie, maar van een keuze, waarbij ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer.

Artikel 18. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat

Artikel 4., zesde lid, van de WEC geeft aan dat in de verordening moet worden opgenomen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college aan in de gemeente wonende ouders van leerlingen die met het oog op het volgen van voor hen passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven, op aanvraag een vergoeding verstrekt voor de kosten verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer.

Aangepast vervoer, zoals beschreven in artikel 21. van de verordening, kan in principe niet worden ingezet voor weekend- en vakantievervoer. Alleen in uitzonderlijke situaties is hierop een uitzondering mogelijk. Dit is het geval als:

- openbaar vervoer ontbreekt; of

- de leerling wegens zijn structurele beperking niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Dit artikel bevat twee belangrijke componenten: 1- Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC. Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. Het college dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst. Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie. 2- Het college verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders in de gemeente wonen en daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de WEC.

Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.

Vierde en vijfde lid

Het uitgangspunt is een vergoeding voor de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer. Als dit goedkoper is voor het college, of als er sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan er een kilometervergoeding worden verstrekt.

  • 1.

     

Artikel 19. Vervoersvoorziening naar stageadres

Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17., van de WEC en artikel 2.26, derde lid en artikel, 2.27, derde lid, van de WVO 2020). Ook een maatschappelijke stage kan onderdeel uitmaken van het onderwijsprogramma (artikel 22., eerste lid, onder c, onder 3e, van de WEC en artikel 2.32, van de WVO 2020). In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17., eerste lid, van de WEC).

Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.

Aangezien stage in feite een verlenging van de schoolactiviteit is, moeten de dagen en tijden, waarvoor de vervoersvoorziening wordt verstrekt in beginsel overeenkomen met de reguliere schooltijden. In het derde lid zijn de voorwaarden voor toekenning van leerlingenvervoer genoemd.

Naar analogie van ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ wordt slechts een vervoersvoorziening verstrekt naar het dichtstbijzijnde toegankelijke stageadres en naar één stage-locatie. In deze analogie verwijzen in dit geval naar artikel 15. van de verordening.

Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres gelden verder dezelfde voorwaarden die ook gelden als de leerling of zijn ouders in aanmerking wil komen voor een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (zie de artikelen 3. t/m 12.).

Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school van de leerling. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen.

Eerste lid

Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden aangevraagd voor het vervoer naar een stageadres. Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres dient een aparte aanvraag ingediend te worden.

Tweede lid

De stage-overeenkomst moet toegevoegd worden bij een aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres.

Derde lid

De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;

b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;

c. de stage vindt plaats op één stageadres;

d. het stageadres is gelegen binnen een door het college vastgestelde maximum aantal kilometers zijnde 6 kilometer van de woning dan wel de opstapplaats.

Vierde lid

Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

Artikel 20. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van eigen vervoer door de ouder(s)

Dit artikel geeft nadere regels voor de vervoersvergoeding op basis van de kosten van eigen vervoer door de ouder(s). Hiervan is sprake wanneer ouders de leerling zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.).Eerste en tweede lid

Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming is of de vergoeding van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een (school)bus, taxi of (taxi)bus dat toch al rijdt.

Het college kan ouders ook vragen of zij bereid zijn leerlingen van andere ouders naar school te vervoeren. Verplichten is echter niet toegestaan. Derde lid

Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening en zij met toestemming van- of op verzoek van het college de leerling zelf vervoeren, wordt een kilometervergoeding voor de eigen auto verstrekt.

Aangesloten wordt bij de algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding voor het betreffende jaar, gerekend over de kortste afstand tussen de woning en de school. Ook de retourreis ’s morgens en de heenreis ’s middags van de chauffeur moeten vergoed worden. Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.

Ouders kunnen ervoor kiezen om de leerling zelf te vervoeren tegen een lagere vergoeding, om te voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis dat er sprake moet zijn van een goedkoper vervoersalternatief.Vierde lid Het vierde lid bepaalt dat ouders aanspraak maken op een vergoeding per rit op basis van een kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk vervoeren. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt.

Vijfde lid

Het vijfde lid bepaalt, in het verlengde van het vierde lid, dat er geen vergoeding wordt verstrekt aan ouders van de leerling die met een andere ouder meerijdt, die daar al een vergoeding op grond van deze verordening voor ontvangt. Daarmee wordt voorkomen dat er in deze situatie dubbel wordt betaald voor dezelfde rit.

Zesde lid

Wanneer ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college, in afwijking van het tweede lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

Artikel 21. Aangepast vervoer

  • 1.

    Het college verstrekt onder voorwaarden een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer. Aangepast vervoer wordt in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden verstrekt. Uitzonderingen zijn:

- Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel. Er kan aangepast vervoer worden aangeboden, wanneer de reistijd door inzet van aangepast vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht ten opzichte van de reistijd met het openbaar vervoer. Van belang is dat via een individuele meting die conclusie kan worden getrokken. Overigens is het niet zo dat de ouders in voorkomend geval van het college kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht. Het aangepast vervoer wordt veelal voor meerdere leerlingen tegelijk georganiseerd. De reistijd is dan meestal langer, dan gemeten op individuele basis.

De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig om de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit (zie ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis een vergoeding op basis van openbaar vervoer.

- Het kan voorkomen dat het openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of terug.

- De ouders dienen op een voor het college bevredigende wijze aan te tonen dat het voor hen onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is. Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.

- Als de leerling door zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer.

Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten

Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd (zie de artikelen 22. en 23.). Deze bijdrage kan worden verrekend met de eventuele vergoeding. Een wijziging in het inkomen van deze ouders heeft in principe geen invloed op de vergoeding van de vervoerskosten voor datzelfde jaar (zie inkomen artikel 1. onder i). Indien echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de vergoeding aanpassen.

Artikel 22. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag

Eerste en tweede lid

Artikel 4., zevende lid, van de WPO biedt de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een drempelbedrag geheven (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959). Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week. Bij het drempelbedrag is de vergoeding in geld gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen.

De kosten van het openbaar vervoer worden berekend op basis van de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

Vierde lid

Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruik maakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruik maakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van 6 kilometer als bovengrens. Deze afstand wordt in de verordening leerlingenvervoer aangehouden. Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt. Een uitzondering geldt voor leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden. Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening. Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de WEC deze mogelijkheid niet biedt.

Indexatie

Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te raadplegen via:

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82838NED/table

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83131NED/table?searchKeywords=consumentenprijsindexcijfer%20%20vervoersdiensten

Vijfde lid

Als het college zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst. Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt. Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer.

Zesde lid

Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van pleegzorg.

Artikel 23. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage

Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan 20 kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.

Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele beperking op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige beperking niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin per schooljaar geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.

Indexatie

Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te raadplegen via:

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82838NED/table  

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83131NED/table?searchKeywords=consumentenprijsindexcijfer%20%20vervoersdiensten

Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer.

Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van pleegzorg.

Hoofdstuk 6. Rechtmatigheid

Artikel 24. Doorgeven van wijzigingen

Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het college. Zij moeten dit zo snel mogelijk doen.

Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:

- wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;

- verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs);

- wijziging van het adres van de school;

- wijziging van de schooltijden;

- verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer;

- wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen.

Als de wijziging daartoe aanleiding geeft neemt het college een passend besluit tot beëindiging, opschorting, herziening of intrekking van de verstrekte vervoersvoorziening (artikel 25.).

Artikel 25. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening

Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht informatie met betrekking tot wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het college (artikel 24.). Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf ook wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op het recht op de vervoersvoorziening. Het college neemt op basis van deze doorgegeven of geconstateerde informatie een passend besluit.

Beëindigen

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op deze voorziening te beëindigen. Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening.

Opschorten

Als er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, kan het college de werking van het toekenningsbesluit door middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De vervoersvoorziening wordt dan tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek.

Herzien

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen.

Intrekken

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken.

Overig

Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie kan het college een leerling de toegang tot het aangepast vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig of inzittenden in gevaar brengt. Dit kan ook aan de orde zijn indien de zorgvraag van de leerling dermate hoog is dat die niet van een reguliere chauffeur kan worden gevergd. Ook de weigering om de eigen bijdrage te betalen of nalatig zijn in de betaling kan een reden zijn dat de vervoersvoorziening wordt ingetrokken.

Tweede lid

Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte een vergoeding is verstrekt. Het tweede lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde vergoeding terug te vorderen of in mindering te brengen bij een eventueel nieuw te verstrekken vergoeding (zie ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:165).

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 26. Beleidsregels en Nadere regels

Het college kan beleidsregels en nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

Artikel 27. Hardheidsclausule

In dit artikel wordt gesteld dat het college kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4., twaalfde lid, van de WPO, artikel 4., tiende lid, van de WEC en artikel 8.29, vijfde lid, van de WVO 2020.

Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van de vergoeding van openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, vergoeding van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school.

De hardheidsclausule maakt het mogelijk om van alle bepalingen in de verordening af te wijken. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie. In dit verband kan met alle omstandigheden rekening gehouden worden. Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een medische behandeling bijvoorbeeld.

PrecedentwerkingTer voorkoming van – ongewenste – precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben.

Artikel 28. Intrekking van de oude regeling

Eerste lid 

De verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden hiermee ingetrokken.

Tweede lid

Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening (verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025), tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager.

Derde lid

Een leerling houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening leerlingenvervoer 2016, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken dan wel gewijzigd.

Vierde lid

Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 is genomen, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 29. Inwerkingtreding en citeertitel

Eerste lid

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Tweede lid

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025.

Naar boven