Verordening bedrijveninvesteringszone (BIZ) Boxmeer Centrum Eigenaren 2026-2030

De raad van de gemeente Land van Cuijk;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 juli 2025;

 

gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones en artikel 220h van de Gemeentewet;

 

besluit:

 

onder de opschortende voorwaarde van een positief resultaat van de wettelijke draagvlakmeting, vast te stellen de navolgende verordening overeenkomstig de volgende bepalingen:

 

Verordening bedrijveninvesteringszone (BIZ) Boxmeer Centrum Eigenaren 2026-2030

 

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Bedrijveninvesteringszone (BIZ): het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente Land van Cuijk, waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart;

  • b.

    BIZ-bijdrage: bestemmingsbelasting die op verzoek van eigenaren jaarlijks wordt geheven om met de opbrengst activiteiten te realiseren als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de wet;

  • c.

    BI-zone / -gebied: de aangewezen bedrijveninvesteringszone in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven;

  • d.

    College: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Land van Cuijk;

  • e.

    Stichting: de Stichting BIZ Vastgoedeigenaren Centrum Boxmeer;

  • f.

    Wet: de Wet op de bedrijveninvesteringszones;

  • g.

    Eigenaar: zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak;

  • h.

    Uitvoeringsovereenkomst: overeenkomst tussen de gemeente land van Cuijk en de Stichting BIZ Vastgoedeigenaren Centrum Boxmeer als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet.

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 2. Belastbaar feit en aard van de heffing

  • 1.

    Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks gedurende een periode van vijf jaar een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.

  • 2.

    De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.

Artikel 3. Voorwerp van de belasting

Het belastingobject is de onroerende zaak, zoals bedoeld in artikel 16, hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).

Artikel 4. Belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt gedurende een periode van vijf jaren (2026 t/m 2030), jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI- zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

  • 2.

    Middels de bij deze verordening behorende en daarvan deeluitmakende gewaarmerkte kaart wordt duidelijk gemaakt welke onroerende zaken binnen het gebate gebied vallen. Het zijn de onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk rechtstreeks zijn gelegen aan de volgende straten en huisnummers:

    • -

      Burgemeester Verkuijlstraat 1 t/m 26 (even en oneven)

    • -

      De Kloostertuin 1 t/m 52 (even en oneven)

    • -

      De Raetsingel 1 t/m 2 (even en oneven)

    • -

      D’n Entrepot 1 t/m 9 (even en oneven)

    • -

      Hoogkoorpassage 3 t/m 27 (even en oneven)

    • -

      Koorstraat 1 t/m 69 (even en oneven)

    • -

      Raadhuisplein 3 t/m 13 (even en oneven)

    • -

      Steenstraat 43 t/m 156 (even en oneven)

    • -

      Veerstraat 2 t/m 15 (even en oneven)

    Hierna te noemen ‘BI-zone’

  • 3.

    Voor vrijstellingen wordt verwezen naar artikel 6 van deze verordening.

  • 4.

    De BIZ-bijdrage wordt geheven van de eigenaar, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de bedrijveninvesteringszone gelegen belastingobject.

  • 5.

    De eigenaar van een niet-woning in de BI-zone blijft bijdrageplichtig, ook als het pand niet verhuurd is.

Artikel 5. Heffingsmaatstaf

  • 1.

    De heffingsmaatstaf is de WOZ-waarde. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar.

  • 2.

    Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 6. Vrijstellingen

  • 1.

    In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:

    • a.

      voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

    • b.

      glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

    • c.

      onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

    • d.

      één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

    • e.

      natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

    • f.

      openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

    • g.

      waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • h.

      werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • i.

      werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

    • j.

      belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente met uitzondering van het gemeentehuis;

    • k.

      straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen;

    • l.

      plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • m.

      begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • n.

      belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs;

    • o.

      belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid;

    • p.

      onroerende zaken die worden beheerd door een vereniging of stichting die geen onderneming drijft, voor zover die objecten bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs, voor club- en buurthuiswerk, of voor andere activiteiten van sociale aard.

    • q.

      belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn als geldautomaat.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de BIZ-bijdrage van de eigenaar buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 7. Tarief BIZ-bijdrage

  • 1.

    De BIZ-subsidie wordt bepaald op basis van een gedifferentieerd tarief per belastingobject. Er is gekozen om een percentage van de WOZ-waarde te hanteren daar daarmee recht wordt gedaan aan de ligging van het WOZ-object ten opzichte van het meest bezochte gedeelte van het centrum van Boxmeer.

  • 2.

    Het gekozen percentage is 0,12% van de WOZ-waarde (heffingsmaatstaf) met een minimum van € 100,-- en een maximum van € 550,-- per object.

  • 3.

    De minimale en maximale bijdragen worden gedurende de BIZ-periode 2026 – 2030 niet geïndexeerd.

  • 4.

    Indien de vastgestelde WOZ-waarde voor het betreffende jaar naar beneden wordt bijgesteld, wordt de aanslag ambtshalve verminderd.

Artikel 8. Heffing

  • 1.

    De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven, aan het begin van elk kalenderjaar, gelijktijdig met de OZB-aanslag.

  • 2.

    De gemeente zorgt voor bevoorschotting van de subsidie. De BIZ-bijdrage wordt als subsidie uitgekeerd in drie termijnen en wel per 1 maart, 1 juni en 1 september. Voor de eerste termijn geldt een voorschot van 60%. Voor de resterende twee termijnen bedraagt het voorschot 20% van de verwachte subsidie. Voor 2026 zal het voorschot uiterlijk op 1 juni 2026 worden overgemaakt.

Artikel 9. Kwijtschelding

Er wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10. Betalingstermijnen

  • 1.

    De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand, volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 35,00 of minder dan € 10.000,00 dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later

  • 3.

    In gevallen bedoeld in het tweede lid geldt in afwijking in zoverre van het aldaar bepaalde, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 4.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 11. Looptijd

De BIZ-bijdrage wordt geheven voor de periode van vijf jaar: van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Artikel 12. Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage.

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

Artikel 13. Afwijking Algemene subsidieverordening

De Algemene subsidieverordening van de gemeente Land van Cuijk is niet van toepassing op subsidies op grond van deze verordening.

Artikel 14. Aanwijzing Vereniging

De Stichting BIZ Vastgoedeigenaren Centrum Boxmeer wordt aangewezen als uitvoerende partij zoals bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht.

Artikel 15. Subsidieverlening

  • 1.

    De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.

  • 2.

    De subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen. Er worden geen perceptiekosten in mindering gebracht.

Artikel 16. Subsidieverplichtingen

Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de stichting ook andere doelgebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de stichting gesloten uitvoeringsovereenkomst.

Artikel 17. Vaststelling subsidie

  • 1.

    De stichting is verplicht om binnen 6 maanden na afloop van het subsidiejaar de in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen stukken te overleggen.

  • 2.

    De subsidie wordt vastgesteld uiterlijk 6 weken na ontvangst van de in het voorgaande lid genoemde stukken.

Artikel 18. Meldplicht wijzigingen

De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van:

  • -

    meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie,

  • -

    een wijziging van de statuten,

  • -

    verandering of beëindiging van activiteiten.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 19. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 20. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening bedrijveninvesteringszone (BIZ) Boxmeer Centrum Eigenaren 2026-2030’.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Land van Cuijk

in zijn openbare vergadering van 18 september 2025.

De griffier,

Olof Mudde

De voorzitter,

Marieke Moorman

Bijlage RIS 2025-R-60c: Gebiedsafbakening centrum Boxmeer (BI-zone).

 

Naar boven