Gemeenteblad van Enschede
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Enschede | Gemeenteblad 2025, 539221 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Enschede | Gemeenteblad 2025, 539221 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Financiële verordening gemeente Enschede 2025
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
gemeentebegroting: een output gerichte begroting die is opgezet langs de lijn van de producten / diensten die de gemeente aanbiedt / realiseert. Het politiek bestuur bepaalt daarbij welke producten worden onderkend en hoeveel middelen aan de verschillende producten worden gealloceerd. De gemeentebegroting dient voor allocatie, sturing en als basis voor verantwoording.
investering: een uitgave voor duurzame kapitaalgoederen of voorzieningen die meerdere jaren bijdragen aan de gemeentelijke taakuitoefening. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen investeringen. Vervangingsinvesteringen zijn gericht op het in stand houden van bestaande activa. Vervanging plus investeringen betreffen vervanging met verbetering of uitbreiding van functionaliteit. Strategische investeringen zijn gericht op versterking van de toekomstige positie en realiseren van (groei)ambities van de stad.
planning & control cyclus: de producten binnen de planning & control-cyclus zijn: zomernota, gemeentebegroting (en meerjarenraming), tussenrapportage, slotwijziging en gemeenterekening. Bij de samenstelling van de gemeentebegroting en gemeenterekening worden de voorschriften voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten volgens het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) opgevolgd.
Hoofdstuk 2. Begroten en verantwoorden
Artikel 2. Programma-indeling, doelstellingen en beleidsindicatoren
De raad stelt op voorstel van het college per programma de doelstellingen en beleidsindicatoren vast. Deze kunnen gedurende de raadsperiode nog aangepast worden. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Bij het bepalen van indicatoren is er aandacht voor dat over een voldoende lange tijdsperiode prestatie informatie beschikbaar is.
Artikel 3. Planning & control cyclus
We hebben één integraal afwegingsmoment per jaar, bij de zomernota. Zo kan bestuur en organisatie werken vanuit een helder financieel kader. De begroting is een uitwerking van de besluitvorming bij de zomernota en bevat enkel nog bijstellingen voor onvoorziene zaken die budgettair relevant zijn en zich na raadsbehandeling van de zomernota hebben voorgedaan.
Het Rijk brengt een aantal keren per jaar circulaires uit met daarin bijstellingen op de algemene uitkering. Ten aanzien van de verwerking van deze circulaires geldt:
de financiële effecten voor het lopende jaar worden door het college verwerkt in de lopende begroting en zo mogelijk meegenomen in de tussenrapportages aan de raad. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen taakmutaties en mutaties in het algemene vrij inzetbare accres. Taakmutaties op het lopende jaar worden direct verwerkt met het product waarvoor ze gelden. Mutaties in het algemene accres worden verrekend met de algemene reserve.
op meerjarige financiële effecten uit circulaires wordt slechts op 1 moment per jaar bijgestuurd en wel bij de zomernota. Concreet betekent dit dat bij de zomernota worden betrokken de gesaldeerde meerjarige effecten van de september- en decembercirculaire van vorig jaar (jaar T-1) en de meicirculaire van het huidige jaar (jaar T).
Het college biedt aan de raad een zomernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders voor de begroting voor het volgende begrotingsjaar (T+1) en de meerjarenraming. In het jaar van gemeenteraadsverkiezingen wordt de zomernota vervangen door een financiële foto voor de raad. Deze kan worden gebruikt voor het opstellen van een raads- of coalitieakkoord met daarin de kaders voor de komende bestuursperiode.
De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de in de begroting voorgelegde investeringskredieten. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Bij nieuwe investeringen wordt het benodigde investeringskrediet getoond. Met het vaststellen van de begroting autoriseert de raad deze kredieten. Met uitzondering van de nieuwe investeringen waarvoor in de begroting is aangegeven dat autorisatie via een afzonderlijk voorstel aan de raad wordt voorgelegd.
Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel aan de raad voor. Bij investeringen informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de financiële positie van de gemeente.
Verschuiving tussen jaarschijven bij een meerjarig investeringskrediet zijn toegestaan, mits aannemelijk is dat het totaal van de uitgaven binnen het krediet blijft. Dit wordt toegelicht in de jaarrekening. Bij dreigende overschrijding van het meerjarig krediet doet het college voorstellen voor wijziging van geautoriseerde investeringskredieten op grond van geactualiseerde ramingen. Bij grondexploitaties gebeurt dit bij de jaarlijkse actualisatie van het MeerjarenPerspectief Grondbedrijf (MPG).
Bij het opstellen van de meerjarenraming is voor sommige posten nog niet te bepalen wat de omvang meerjarig is. In dat geval kan een stelpost opgenomen worden om er in het algemene begrotingsbeeld al rekening mee te houden. De feitelijke concretisering en toekenning vindt dan plaats in het betreffende begrotingsjaar.
De meerjarenbegroting bevat in ieder geval een stelpost voor loon- en prijsindexatie. Daarmee kunnen de stijgingen van prijzen en lonen voor de eigen organisatie, die van gesubsidieerde instellingen en verbonden partijen worden opgevangen.
Voor het eerstvolgende begrotingsjaar (T+1) wordt de stelpost toegerekend aan de betreffende budgetten. Loongevoelige budgetten worden aangepast op basis van de geldende cao-afspraken. Indien deze nog niet bekend zijn, wordt uitgegaan van de loonvoet sector overheid zoals opgenomen in het Centraal Economisch Plan (CEP) voorjaar. Prijsgevoelige budgetten worden aangepast op basis van index prijs materiële overheidsconsumptie (IMOC), zoals opgenomen in het CEP voorjaar.
In de begroting moet vanuit het BBV verplicht een post onvoorzien opgenomen worden. In Enschede wordt als werkwijze gehanteerd dat onvoorziene tegenvallers in eerste instantie binnen het betreffende begrotingsproduct worden opgevangen. Mocht dat onvoldoende kunnen dan wordt een negatief jaarresultaat op het begrotingsproduct gerapporteerd. De algemene reserve dient als weerstandsvermogen indien het jaarresultaat gemeentebreed negatief is. Daarmee is de post onvoorzien in de begroting in principe 0 euro.
Artikel 7. Tussenrapportage en informatieplicht
Indien in de tussenrapportage een negatief jaarresultaat wordt geprognosticeerd geeft het college aan wat daarvan de impact is op de financiële positie. Het college geeft daarbij een advies of het verstandig is om direct bij te sturen of de bijsturing uit te stellen tot de volgende zomernota. De raad bepaalt of het college met een bijsturingspakket zal komen.
Artikel 8. Slotwijziging begroting
Onder de slotwijziging begroting verstaan we de jaarlijkse wijziging van de begroting waarmee uitsluitend technische aanpassingen worden doorgevoerd. Het gaat hierbij om correcties, actualisaties en overboekingen die geen nieuw beleid bevatten, geen wijziging van bestaande beleidsinhoud betekenen en geen politieke afweging vragen.
Voorafgaand aan de gemeenterekening stelt de raad het MeerjarenPerspectief Grondbedrijf (MPG) vast. Het MPG bevat de uitkomsten van de jaarlijkse actualisatie van de grondexploitatiebegrotingen, kredieten, parameters en risicoanalyses. Daarnaast is ook een project view omgeving beschikbaar voor de raad. Tweemaal per jaar wordt daarin geactualiseerde informatie verstrekt over de status van grondexploitaties.
De raad kan besluiten om een deel van het financiële jaarresultaat specifiek te bestemmen. Dan moet het gaan om incidentele middelen voor voorstellen die voortkomen uit wetgeving, raadsbesluiten, aangenomen moties of amendementen. Het minimum bedrag voor een specifieke bestemmingsvoorstel om budget over te hevelen is 50.000 euro. Het jaarresultaat wordt niet bestemd voor nieuwe beleidswensen omdat een integrale afweging van beleidswensen plaatvindt bij de zomernota.
Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording
Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording
Met ingang van de jaarrekening over boekjaar 2023 legt het college zelf een verantwoording af over de rechtmatigheid van in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten en de balansmutaties. De rechtmatigheidsverantwoording wordt opgenomen in de jaarrekening en toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.
Artikel 12. Voorwaardencriterium
Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.
Artikel 13. Begrotingscriterium
Het begrotingscriterium gaat over rechtmatigheid in relatie tot de begroting. Het houdt in dat alle baten en lasten passen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde begroting en investeringskredieten. Financiële beheershandelingen zijn alleen rechtmatig als ze binnen deze door de raad geautoriseerde kaders plaatsvinden.
Overschrijdingen van lasten- en investeringsbudgetten die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. In de jaarrekening worden deze begrotingsonrechtmatigheden verklaard en toegelicht. Dit is een onderdeel van de toelichting op het overzicht van baten en lasten.
Hoofdstuk 4. Financieel beleid
Artikel 17. Reserves en voorziening groot onderhoud
Een voorziening om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen wordt met instemming van de raad ingesteld. Dit op basis van een recent beheerplan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagjaar. Kosten van groot onderhoud aan kapitaalgoederen worden ten laste van de vooraf gevormde voorziening gebracht.
Artikel 18. Kostprijsberekening rechten en heffingen
Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.
Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen uit voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.
Artikel 22. Weerstandsvermogen en risicobeheersing
In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Daarbij worden de verplichte en eventuele door de raad benoemde aanvullende financiële kengetallen in samenhang beschouwd zodat de raad een goed inzicht krijgt in de financiële positie van de gemeente.
Artikel 23. Onderhoud kapitaalgoederen
Het college stelt voor het onderhoud van kapitaalgoederen de volgende plannen op: het wegenbeleidsplan, het gemeentelijk water- en klimaatadaptatieplan, het beleidsplan groenbeheer, het beleidsplan openbare verlichting en het beleidsplan onderhoud havens. In deze plannen worden de kaders weergegeven voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning en de kosten van het onderhoud voor wegen en infrastructurele kunstwerken, riolering, het openbaar groen, openbare verlichting en havens. De raad stelt deze plannen vast.
In de paragraaf openbaarheid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 16a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.
Artikel 32. Actualisatie beleidsnota’s
Het college toetst ten minste eens in de 6 jaar of deze documenten moeten worden geactualiseerd. Als dit het geval is wordt de raad een voorstel voorgelegd. Als dit niet het geval is wordt de raad per brief daarover geïnformeerd. Zodra zich tussentijdse ontwikkelingen voordoen die aanpassing van deze documenten vereisen, wordt direct actie ondernomen.
Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer
Het college zorgt voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van informatieverstrekking en de rechtmatigheid van beheershandelingen. Dit ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties. Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording en paragraaf bedrijfsvoering, zoals beschreven in artikel 11 onder lid 2 en 3. Daarnaast informeert het college de raad over maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.
Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 8 december 2025.
De griffier, J.J. Ligteringen
de voorzitter, R.W. Bleker
In dit artikel is de toelichting opgenomen op enkele begrippen die in de financiële verordening worden gebruikt.
Artikel 2. Programma-indeling, doelstellingen en beleidsindicatoren
Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. Het is geen noodzaak om elke nieuwe raadsperiode de opzet van de begroting en jaarstukken te herzien. In de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende.
Lid 1 regelt dat de indeling van de programma’s bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad wordt vastgesteld.
Lid 2 regelt dat de producten op voorstel van het college aan de programma’s worden toebedeeld.
Lid 3 bepaalt dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt. Dit betreft het zogenaamde SMART maken van de begroting. Er zijn ook enkele verplichte beleidsindicatoren, die benoemd zijn in de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.
Lid 4 gaat over de paragrafen in de begroting en jaarrekening. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. De raad kan aangeven of ze nog aanvullende paragrafen wenst. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf investeringen.
Lid 5 bepaalt dat aan het begin van iedere raadsperiode nadere financiële spelregels kunnen worden vastgesteld, in aanvulling op de bepalingen in deze verordening. Het gaat dan bijvoorbeeld over spelregels die inspelen op de politieke ambities van de raad. Denk aan afspraken rondom één budget sociaal domein of hoe voordelen / meevallers in eerste instantie ingezet worden.
Artikel 3. Planning & control cyclus
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen voor de inrichting van de planning en control cyclus.
Lid 1 benoemt op hoofdlijnen de producten die elk jaar aan de raad worden aangeboden in het kader van de planning en control cyclus.
Lid 2 regelt dat het presidium elk jaar de planning van de planning & control documenten kan bepalen. Het samenstellen en behandelen van deze documenten vergt een goede voorbereiding zowel ambtelijk als voor het stadsbestuur dus het is handig om hierover aan de voorkant afspraken te maken.
Lid 3 bepaald dat we slechts 1 keer per jaar integraal alle beleidswensen afwegen. Dat doen we bij de zomernota. Op dat moment ligt namelijk het financiële meerjarenbeeld op tafel en is er inzicht in hoeveel financiële ruimte er is. Doordat we slechts op 1 moment per jaar alle beleidswensen integraal afwegen is het mogelijk om binnen de schaarste van de middelen die er zijn alle mogelijkheden om die middelen in te zetten tegen elkaar afwegen. Het is tevens efficiënter om deze integrale afweging slechts 1 maal per jaar te doen.
Lid 4 gaat over de resultaten vanuit de mei-, september- en decembercirculaires die jaarlijks door het rijk worden gepubliceerd. Hierin zijn de mutaties van de algemene uitkering uit het gemeentefonds opgenomen voor de gemeente. De ervaring leert dat er tussen circulaires die in één jaar uitkomen sterke fluctuaties kunnen zitten. Dat kan ertoe leiden dat de gemeente telkens bezuinigingen danwel intensiveringen moet heroverwegen en terugdraaien. Om rust te creëren zowel bestuurlijk als voor inwoners en partijen in de stad wordt maar 1 keer per jaar bijgestuurd op het gesaldeerde effect van alle circulaires die in het afgelopen jaar zijn uitgekomen. Dit sluit ook aan bij het streven in lid 3 om 1 integraal afwegingsmoment voor het meerjarig middelenkader te hebben.
Lid 4a. In circulaires zitten voor het lopende jaar zowel taakmutaties als mutaties in het algemene accres. De taakmutaties voor het lopende jaar worden direct verrekend met het betreffende begrotingsproduct. De mutaties in het algemene accres voor het lopende jaar worden direct verrekend met de algemene reserve. De reden hiertoe is dat in het verleden bleek dat grote wijzigingen in het algemene accres een groot effect hadden op het jaarresultaat waardoor deze een vertekend beeld geeft van de werkelijke resultaten die de gemeente in dat jaar neerzet.
Dit artikel geeft kaders voor het opstellen van zomernota.
Lid 1 bepaalt dat het college elk jaar een zomernota aanbiedt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. Een uitzondering is het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen. Dan wordt in plaats van een zomernota een financiële foto opgesteld met daarin een actueel financieel beeld met een meerjarige doorkijk.
Lid 2 regelt dat de raad de zomernota vaststelt. Daarmee geeft de raad kaders mee aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming.
Lid 3 stelt dat de zomernota voor het zomerreces wordt behandeld in de raad. Dit is nodig omdat er reeds in de zomerperiode aan de begroting wordt gewerkt. Indien de zomernota pas na het zomerreces wordt behandeld is er te weinig tijd om de begroting uit te werken en kan deze niet tijdig aan de raad aangeleverd worden.
Lid 4 regelt dat het college de gemeentebegroting uit zal werken in lijn met de kaders die de raad heeft meegegeven.
Lid 5 gaat in de op de strategische investeringsagenda. Om financieel voorbereid te zijn op de toekomstige investeringsvraag wordt jaarlijks voorafgaand aan de zomernota een strategische investeringsagenda opgesteld. Daarin zijn opgenomen de strategische (fysieke) investeringen voor de komende decennia die bijdragen aan het verhogen van de brede welvaart en kwalitatieve en kwantitatieve groei van de stad en haar voorzieningen. De focus van de strategische investeringsagenda ligt op de verdere ontwikkeling van en grote herstructureringsprojecten in de stad. De investeringsagenda geeft inzicht in hoeveel de gemeente de komende jaren moet reserveren (structureel en incidenteel) om strategische investeringen te kunnen uitvoeren. Het is een (financieel) instrument waarmee bestuurlijke afwegingen kunnen worden gemaakt om te anticiperen op en focus aan te brengen in de toekomstige investeringsvraag. Het is tevens een instrument om partijen aan te zetten om samen met ons te investeren in de verdere ontwikkeling van de stad. De afweging om voor de investeringsagenda middelen te reserveren is onderdeel van de integrale afweging bij de zomernota en begroting. Het beschikbaar stellen van investeringskredieten voor individuele investerings- en grondexploitatieprojecten gaat via afzonderlijke raadsbesluiten.
Dit artikel bevat regels rondom de begroting voor komend jaar. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet.
Lid 1 geeft aan wat de essentie van het begrotingsdocument is. De begroting gaat in op wat raad en college komend jaar wil bereiken, wat daarvoor wordt gedaan en wat dat mag kosten.
In lid 2 is opgenomen dat de raad met de begroting autorisatie verleent van de baten en lasten voor komend jaar. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. De raad kan daarbij kiezen op welk niveau budgetten beschikbaar worden gesteld. In Enschede vindt dat plaats op het niveau van producten. Het college en de ambtelijke organisatie kunnen vervolgens slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor in de begroting beschikbaar zijn gesteld (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet).
Lid 3 regelt hoe de raad investeringskredieten autoriseert via de begroting. Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen. Investeringen in grondexploitaties worden via een afzonderlijk voorstel voor autorisatie aan de raad voorgelegd. Daarnaast kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is dan nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan. Kredieten vervallen na vier jaar, tenzij anders besloten. Verschuivingen binnen meerjarige budgetten zijn toegestaan als het totaal binnen het budget blijft; afwijkingen worden toegelicht en bijgesteld via voorstellen, of bij grondexploitaties via het MPG.
In lid 4 is opgenomen dat de raad erop toeziet dat begroting structureel en reëel in evenwicht is. Dit in lijn met artikel 189 van de Gemeentewet. Van structureel evenwicht is sprake als in een jaar de structurele lasten zijn gedekt door de structurele baten. Reëel evenwicht houdt in dat de ramingen volledig, realistisch en haalbaar moeten zijn. Als er voor het komende begrotingsjaar geen sprake is van structureel en reëel evenwicht moet dat in ieder geval in de eerstvolgende jaren (binnen de planperiode van 4 jaar) gerealiseerd worden. Als dat namelijk lukt voorkomt de gemeente preventief financieel toezicht door de toezichthouder. Dat houdt in dat de begroting en wijzigingen daarop pas uitgevoerd mogen worden na goedkeuring door de toezichthouder.
Lid 5 gaat in op het gebruik van stelposten. Soms is voor een post wel bekend dat daar lasten of baten op te verwachten zijn maar is nog niet goed de omvang daarvan te duiden. In dat geval is het verstandig om een stelpost (schatting) op te nemen zodat er in het (meerjaren) begrotingsbeeld al wel rekening mee wordt gehouden. De daadwerkelijke concretisering en toekenning vindt dan plaats in het begrotingsjaar.
Lid 6 gaat in op één van de grotere stelposten, de stelpost loon- en prijscompensatie. Elk jaar nemen de loonkosten toe door CAO wijzigingen en stijgen de prijzen als gevolg van inflatie. Het is vaak echter nog niet goed te duiden hoe hoog die indexatiepercentages de komende jaren zullen zijn. Daarom wordt in dit artikel geregeld hoe de indexatiepercentages worden bepaald. Een eenduidige en transparante werkwijze draagt ertoe bij dat op een objectieve manier wordt omgegaan met deze stelpost. Tevens wordt hiermee gestreefd naar het voorkomen van grote afwijkingen die ertoe leiden dat bij het opstellen van de begroting elk jaar forse bezuinigingen nodig zijn omdat te weinig is gereserveerd voor loon- en prijsstijgingen.
Lid 7 is een nadere uitwerking van artikel 8 van de BBV. Daarin is verplicht gesteld dat gemeenten een post onvoorzien in de begroting hebben. In dit lid is toegelicht hoe we in Enschede met de post onvoorzien omgaan.
Artikel 6. Wijzigingen op de begroting in het lopende jaar
Dit artikel gaat in op wijzigingen van de begroting en de aard van deze wijzigingen. Uiterlijk tot het eind van het begrotingsjaar kan de raad een besluit tot begrotingswijziging nemen (artikel 192 van de Gemeentewet).
Dit artikel maakt onderscheid tussen inhoudelijke en technische wijzigingen op de gemeentebegroting, met als doel om helderheid te bieden over de aard van begrotingsmutaties en de mate van betrokkenheid van de gemeenteraad. Inhoudelijke wijzigingen zijn begrotingsmutaties die een beleidsmatige impact hebben en waarvoor de raad een kaderstellende of controlerende rol heeft. Technische wijzigingen zijn administratief van aard en hebben geen invloed op het beleid en vallen binnen de bestaande kaders.
Artikel 7. Tussenrapportage en informatieplicht
Dit artikel gaat in op de tussenrapportage. Deze tussenrapportage is een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad. Via de tussenrapportage wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en de voortgang van de uitvoering van het beleid.
Lid 3 bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage.
Lid 4 bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in de tussenrapportage moet toelichten. Het college moet (dreigende) overschrijdingen en onderschrijdingen van geautoriseerde lasten en baten aan de raad melden. Dit zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld.
Lid 5 bevat spelregels voor als bij een tussenrapportage een negatief jaarresultaat wordt voorzien. Het college geeft bij een verwacht negatief jaarresultaat aan wat de impact op de financiële positie is en komt met een advies of directe bijsturing wenselijk is of niet. De raad neemt uiteindelijk het besluit of een bijsturingspakket uitgewerkt moet worden.
Artikel 8. Slotwijziging begroting
Dit artikel gaat in op de wijziging van de begroting aan het eind van het begrotingsjaar. Het gaat dan louter om technische wijzigingen, zoals in artikel 6 lid 3 beschreven. Hiermee willen we bereiken dat de raad bij de behandeling van de gemeenterekening de gerealiseerde cijfers kan vergelijken met de meest actuele begrotingscijfers. Daarmee voorkomen we ook dat het nalaten van deze wijzigingen tot onnodige begrotingsonrechtmatigheden leidt.
Dit artikel gaat in op de wijze waarop college verantwoording aflegt over de beleidsmatige en financiële uitvoering in het voorgaande jaar
Lid 1 gaat in op de informatieverstrekking over grondexploitaties; via het MeerjarenPerspectief Grondbeleid en een project view omgeving.
Lid 2 geeft een toelichting op de opbouw van de jaarstukken.
Lid 3 regelt voor welke afwijkingen op geautoriseerde lasten, baten en reservemutaties een toelichting in de jaarrekening wordt opgenomen.
Lid 4 bepaald dat als de raad bij het vaststellen van de jaarrekening decharge verleent aan het college ten aanzien van het verantwoorde financieel beheer. Dit houdt in dat de raad stelt dat het college het bestuurswerk voor dat jaar correct heeft achtergelaten en afgerond. De raad zal het college naderhand niet meer aanspreken op het gevoerde bestuur.
Lid 5 gaat in op situaties waarbij activiteiten waarvoor de gemeenteraad geld beschikbaar heeft gesteld nog niet (geheel) zijn uitgevoerd. Dit leidt tot een voordelig resultaat ten opzichte van de begroting, terwijl activiteiten in het volgende begrotingsjaar worden uitgevoerd. In dit lid is geregeld onder welke voorwaarden deze specifieke niet bestede budgetten mogen worden gereserveerd en rechtmatig kunnen worden besteed in het eerstvolgend jaar.
Lid 6 en 7 geven de regels weer rondom bestemmen van een positief jaarrekeningresultaat. In de basis wordt het jaarrekeningresultaat aan de algemene reserve toegevoegd, omdat we streven naar 1 integraal afwegingsmoment. We willen voorkomen dat eerst bij de jaarrekening over aanwending van middelen wordt besloten en vervolgens korte tijd later bij de zomernota opnieuw financiële afwegingen worden gemaakt. Incidentele middelen zijn middelen die tijdelijk zijn toegekend voor activiteiten en die niet uit het komende jaarbudget kunnen worden bekostigd.
Lid 8 specificeert het detailniveau waarop het overzicht incidentele baten en lasten in de jaarrekening wordt opgenomen.
Lid 9 bepaalt dat in de jaarrekening een overzicht van de actuele status van taakstellingen is opgenomen. 1 keer per jaar bij de jaarrekening wordt dit overzicht integraal geactualiseerd. Vervolgens worden de eventuele financiële consequenties van deze actualisatie betrokken bij de zomernota en begroting.
Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook zijn dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt.
Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.
In lid 1 is opgenomen dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording
Lid 1: Het college is staatsrechtelijk en bestuurlijk verantwoordelijk voor de rechtmatigheid. Tot en met boekjaar 2022 was het de accountant die hierover verslag uitbrengt en het gesprek voert met de gemeenteraad. Vanaf boekjaar 2023 moet het college zelf een rechtmatigheidsverantwoording opstellen, die opgenomen wordt in de jaarrekening. Deze verantwoording valt onder het getrouwheidsoordeel van de accountant. De accountant kijkt dus nog wel of de rechtmatigheidsverantwoording die het college aflegt juist is. Een belangrijke doelstelling van deze wetswijziging is te borgen dat colleges zich nog meer bewust zijn van hun verantwoordelijkheid te zorgen voor een goed financieel beheer, inclusief bijbehorende verordeningen. Aanvullend zullen gemeenten moeten borgen dat de administratieve processen en interne beheersing van goed niveau zijn.
Bij de verantwoording over rechtmatigheid wordt gekeken naar negen criteria. Het college legt verantwoording af over alle negen criteria in de jaarrekening. Zie Kadernota rechtmatigheid voor de criteria en bijbehorende toelichting. De eerste zes criteria zijn niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze betreffen verantwoording met betrekking tot getrouwheid en rechtmatigheid. Ze komen tot uitdrukking in de balans en het overzicht van baten en lasten. Dit zijn het calculatiecriterium, valuteringcriterium, adresseringscriterium, volledigheidscriterium, aanvaardbaarheidscriterium en leveringscriterium.
Daarnaast is er een aantal criteria waarbij de verantwoording specifiek gaat over rechtmatigheid. Deze komen wel tot uitdrukking in de rechtmatigheidsverantwoording:
In het tweede lid stelt de raad de verantwoordingsgrens vast, waarboven het college afwijkingen moet rapporteren aan de raad. Deze grens moet tussen 0 en 2% liggen van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves. De keuze om een verantwoordingsgrens van 2% te hanteren is gebaseerd op een evenwichtige afweging tussen enerzijds de informatiepositie van de raad en anderzijds de inspanningen van het ambtelijk apparaat die nodig zijn voor het detecteren en rapporteren van de afwijkingen. Daarnaast sluit de grens van 2% aan bij de norm die de accountant toepast bij de controle op getrouwheid. Deze wijzigingen van de verordening volgen uit de aanpassingen van het Besluit Begroting Verantwoording (BBV) en het Besluit accountantscontrole decentrale overheden (Bado) in 2025.
Het derde lid geeft aan boven welk bedrag afzonderlijke afwijkingen nader moeten worden toegelicht (rapportagegrens) in de paragraaf bedrijfsvoering.
Artikel 12. Voorwaardencriterium
In het eerste lid wordt de definitie weergegeven van het voorwaardencriterium, het zogenaamde “normenkader”.
Lid 2 geeft aan dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de rechtmatigheidsverantwoording door de gemeenteraad moet worden vastgesteld en voor een bepaalde datum aan de raad moet worden aangeboden.
Artikel 13. Begrotingscriterium
Dit artikel gaat expliciet in op de begrotingsrechtmatigheid. In het eerste lid wordt het begrip begrotingsrechtmatigheid gedefinieerd.
De baten en lasten moeten zich bewegen binnen de door de raad goedgekeurde en vastgestelde budgetplafonds. Indien er Dat is geregeld in het tweede lid.
Volgens lid 4 wordt een overschrijding van een lastenbudget beschouwd als een begrotingsonrechtmatigheid. Verder gaat dit lid in op de lasten- en kredietoverschrijdingen die acceptabel zijn voor de raad en passen binnen het bestaande beleid. Melden van overschrijdingen kan volgens de met de raad afgesproken planning & control cyclus. Afwijkingen van de (bijgestelde) begroting zijn als acceptabel te beschouwen als de gemeenteraad via een informatiebrief dan wel uiterlijk in de gemeenterekening door het college is geïnformeerd.
Andere begrotingsafwijkingen zoals overschrijdingen van baten en/of onderschrijdingen van lasten en baten zijn op zichzelf niet onrechtmatig. Deze kunnen alleen onrechtmatig zijn als die niet tijdig tot een begrotingswijziging hebben geleid of te laat aan de raad zijn gemeld. Onder tijdig melden wordt verstaan het melden volgens de met de raad afgesproken planning & control cyclus, oftewel via de tussenrapportage en de gemeenterekening.
Het is aan de raad om te bepalen in hoeverre afwijkingen acceptabel zijn. In artikel 11 zijn daarom afspraken vastgelegd hoe wordt omgegaan met deze afwijkingen. Bij de vaststelling van de jaarstukken stemt de raad in met alle afwijkingen. Dit is in lijn met een stellige uitspraak van de commissie BBV. De genoemde en voor de raad acceptabele overschrijdingen op lastenbudgetten worden wel in de rechtmatigheidsverantwoording opgenomen.
Artikel 14. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
Dit artikel voorziet in het zogenaamde “misbruik en oneigenlijk gebruik criterium”. In het eerste lid wordt het criterium gedefinieerd. Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen. Van oneigenlijk gebruik is sprake indien bij het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is.
Het college moet maatregelen treffen ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
Artikel 15. Waardering en afschrijving vaste activa
In artikel 212 Gemeentewet staat dat de financiële verordening de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Dit artikel geeft hieraan invulling. Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en -termijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast.
In lid 1 is opgenomen dat voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en -termijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt verwezen naar de bijlage bij de verordening. In de bijlage zijn naast de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën (im)materiële vaste activa met economisch nut en maatschappelijk nut opgenomen.
In lid 3 zijn de grenzen opgenomen die bij onze gemeente worden gehanteerd om te bepalen of goederen en diensten moeten worden geactiveerd of direct ten laste van de exploitatie mogen worden gebracht. Daarbij gaat het om een afweging tussen enerzijds het voorkomen van administratieve lasten en anderzijds voldoen aan de lijn vanuit de commissie BBV dat activa van materiele omvang moeten worden geactiveerd. Bij het bepalen van de grens is ook gekeken naar wat gemeenten met een vergelijkbare grootte als activeringsgrens aanhouden.
Artikel 16. Voorziening voor oninbare vorderingen
Lid 1 bepaald dat voor de oninbaarheid van vorderingen de gemeente een voorziening moet vormen. Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze voorziening. Daarbij worden deze vorderingen individueel beoordeeld op oninbaarheid.
In lid 2 is benoemd dat voor gemeentelijke aanslagen, heffingen en bijstandsverstrekkingen een voorziening wordt getroffen op basis van het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per aanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk.
Artikel 17. Reserves en voorziening groot onderhoud
In lid 1 is benoemd dat de raad beslist over het instellen, toevoegen, onttrekken of opheffen van reserves.
In lid 2 is opgenomen dat het algemene uitgangspunt is dat we het aantal en de omvang van reserves beperken. Hiermee voorkomen we een te groot onnodig beslag op gemeenschapsgeld en een vertroebeld beeld op de financiële positie en houden we de bestedingsvrijheid voor de raad zo groot mogelijk. Dit impliceert niet dat er geheel geen reserves worden ingesteld, maar wel dat zorgvuldig gekeken wordt naar nut en noodzaak. Hierbij moet natuurlijk ook rekening worden gehouden met de wettelijke voorschriften.
In lid 3 is opgenomen welke instellingscriteria moeten worden uitgewerkt bij het instellen van een reserve. Dit zodat te allen tijde duidelijk is waarvoor de reserve is ingesteld en welke uitgangspunten voor de reserve geldig zijn.
Lid 4 is opgenomen omdat investeringsvoornemens niet altijd tot uitgaven leiden. Er bestaat het gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Daarom wordt voor elke bestemmingsreserve een maximale looptijd opgenomen en is in deze bepaling opgenomen dat als die looptijd wordt overschreden de bestemmingsreserve wordt heroverwogen en mogelijk vrijvalt aan de algemene reserve.
Lid 5 is opgenomen omdat in het verleden bleek dat niet altijd voor alle reserves netjes alle instellingscriteria waren vastgelegd. Door dit in een centrale administratie bij te houden is er een duidelijk overzicht van onze reserves en waarom die zijn ingesteld. Tevens is opgenomen dat elke raadsperiode minimaal 1 keer een onderzoek naar reserves wordt uitgevoerd. Hiermee geven we een concrete invulling aan het in lid 4 benoemde streven om het aantal en de omvang van reserves te beperken. In dit onderzoek wordt getoetst of de instellingscriteria voor reserves nog voldoen en in hoeverre reserves in stand moeten blijven of (deels) vrij kunnen vallen. De resultaten van dit onderzoek worden opgeleverd aan de raad.
In lid 6 is opgenomen dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Met de wijziging van het BBV in 2018 is de noodzaak daarvoor vervallen.
In lid 7 wordt ingegaan op de voorziening groot onderhoud. De vorming van deze voorziening en omvang van de periodieke toevoeging moet gebaseerd zijn op een (meerjarig) beheerplan. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de kosten over een langere periode worden uitgemiddeld en grote fluctuaties in de jaarlijkse kosten bij een tariefproduct worden voorkomen.
In dit artikel is geen lid opgenomen over andere voorzieningen dan de voorziening groot onderhoud. In het algemeen is het vormen van een voorziening geen vrije keuze maar verplicht op basis van bovenliggende wetgeving. Vandaar dat het college zelf bevoegd is deze voorzieningen in te stellen op basis van die bovenliggende wetgeving. Ook de feitelijke mutaties in voorzieningen vallen onder verantwoordelijkheid van het college.Daarvoor geldt dan ook dat voorzieningen naar beste schatting dekkend dienen te zijn voor de achterliggende verplichtingen en risico’s. Ze mogen derhalve niet groter of kleiner zijn dan de verplichtingen of risico’s waarvoor ze zijn gevormd. Toevoegingen moeten dan ook altijd gebaseerd zijn op de tijdige opbouw van de noodzakelijke omvang van de voorziening.
Artikel 18. Kostprijsberekening rechten en heffingen
In artikel 212 van de Gemeentewet staat dat in de financiele verordening in ieder geval de grondslagen moeten staan voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten overheadkosten daarbij apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.
Lid 1 bepaalt dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet.
Lid 2 bepaalt dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen.
Lid 3 gaat in op de wijze waarop overheadkosten worden toegerekend.
Lid 4 handelt over de toerekening van rente over de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van activa aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en aan de kostprijs van goederen, werken en diensten die aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd.
Artikel 19. Prijzen economische activiteiten
Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt.
In lid 1 is dit bevoordelingsverbod nader uitgewerkt in die zin dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen betreffen:
In lid 2 is opgenomen dat van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is het wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.
Artikel 20. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet).
In lid 1 is bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. Een gemeenteraad die ook de tarieven voor andere rechten, leges en heffingen jaarlijks wenst vast te stellen kan het eerste lid met deze rechten, leges en heffingen uitbreiden.
Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet, is een privaatrechtelijk besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college (eerste lid, onder d, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad. Deze prijsstelling wordt separaat geregeld, bijvoorbeeld voor vastgoed en grondbedrijf.
Artikel 21 tot en met 32. Paragrafen
Artikel 21 t/m 28 gaat over de verplichte paragrafen volgens het BBV. Deze paragrafen gaan vooral over onderwerpen die inzicht geven in de financiële positie, voor de raad van belang zijn en vaak op verschillende plekken in de begroting en jaarrekening zijn opgenomen.
Voor deze verplichte paragrafen geeft het BBV in de artikelen 10 tot en met 16a aan wat er ten minste in moet staan. Het gaat om de onderwerpen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen, grondbeleid en openbaarheid. Zie in dit verband bijlage B – Relevante artikelen Gemeentewet, Wet Houdbare Overheidsfinanciën en Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). De raad kan bepalen om ook over aanvullende zaken in de paragrafen van de begroting en jaarrekening te worden geïnformeerd. Daarnaast zijn in deze paragrafen ook bepalingen opgenomen over de actualisatie van beleidsnota’s, die door het college ter vaststelling aan de raad worden aangeboden.
Artikel 29 t/m 31 gaat over de paragrafen doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoeken, subsidieverwerving en investeringen, die de raad zelf heeft ingesteld. Deze paragrafen gaan in op specifieke onderwerpen die de raad belangrijk vindt om in samenhang te presenteren.
Artikel 32 regelt de periodieke toetsing van de beleidsstukken die horen bij de paragrafen in de gemeentebegroting en gemeenterekening. Het college toetst minimaal eens per 6 jaar of deze beleidsnota’s nog actueel zijn. Als aanpassing nodig is, ontvangt de raad een voorstel. Als dat niet nodig is, wordt de raad hierover per brief geïnformeerd, zodat de raad goed geïnformeerd blijft en haar kaderstellende en controlerende rol kan vervullen. Het college zal met aangepaste beleidsstukken komen als zich tussentijds ontwikkelingen voordoen die directe aanpassing vragen.
Onder artikel 33 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen.
Artikel 34. Financiële organisatie
Artikel 34 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie.
Artikel 34 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand, dat het college onder andere een organisatiebesluit en een treasurystatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt.
Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden.
Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.
Het college moet maatregelen treffen ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Het M&O beleid van de gemeente is dat elk organisatieonderdeel verantwoordelijk is voor het treffen van voldoende beheersmaatregelen binnen processen of activiteiten, waarbij informatie van derden van groot belang is voor het verlenen c.q. vaststellen van uitkeringen, vergoedingen, subsidies, heffingen, belastingen en vergunningen. Het gaat bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden.
Deze maatregelen zijn in voorkomende gevallen geformaliseerd in raadsbesluiten, verordeningen of beleidsstukken. Dit is veelal ingebed in procedures van maatregelen gericht op interne controle en risicobeheersing.
Het gaat er om dat de organisatie een mix van effectieve maatregelen heeft getroffen om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen, dan wel op te sporen en dat de vigerende wet- en regelgeving duidelijk is, toegesneden is op de actuele situatie binnen de gemeente Enschede en voorts te handhaven is.
De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de getrouwheid van de jaarrekening.
De accountant toetst jaarlijks of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën. Daarbij toetst de accountant ook of de rechtmatigheidsverantwoording van het college juist is.
Lid 1 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of voorafgaand aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen.
Lid 2 bepaalt dat het college maatregelen treft zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd.
Artikel 36. Intrekken oude verordening en overgangsrecht
Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een kalenderjaar. In begrotingsjaar T worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar T-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar T en wordt tot slot de begroting voor het jaar T+1 vastgesteld. De nieuwe verordening is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar T en later.
De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1. Hiervoor is in artikel 36 een overgangsbepaling opgenomen.
Bij het opstellen van de rechtmatigheidsverantwoording én bij het beoordelen of overschrijdingen van lasten in de jaarstukken van het vorige begrotingsjaar (t-1) acceptabel zijn, gelden voortaan artikel 11 lid 2 en artikel 13 lid 4 van de nieuwe verordening.
Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 26 is een overgangsbepaling opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut vóór 2017 zijn de bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht.
Artikel 37. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule
De raad beslist in gevallen waarin deze verordening niet voorziet. Daarnaast kan de raad ook afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Bijlage A Afschrijvingsbeleid bij artikel 9
Op de immateriële en materiële vaste activa wordt jaarlijks afgeschreven volgens de termijnen in onderstaande tabel. De afschrijvingstermijn is afgestemd op de verwachte toekomstige levensduur. In principe wordt lineair afgeschreven tot restwaarde nul.
Het vaste activum wordt geactiveerd in het jaar van ingebruikname. Immateriële en financiële activa wordt geactiveerd in het jaar van verkrijging. De afschrijving start met ingang van het daaropvolgende begrotingsjaar.
Bijlage B Relevante artikelen Gemeentewet, Wet Houdbare Overheidsfinanciën en Besluit Begroting en Verantwoording (BBV)
De raad kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot:
de heffing van andere belastingen dan de belastingen, genoemd in artikel 225, de precariobelasting, de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a, de rechten, genoemd in artikel 229, de rechten waarvan de heffing geschiedt krachtens andere wetten dan deze wet en de heffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
Het college besluit slechts tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
Verplichte uitgaven van de gemeente zijn:
Geen rechten kunnen worden geheven ter zake van het gebruik van voorzieningen en het genot van diensten waarvan de kosten kunnen worden bestreden door het heffen van een belasting als bedoeld in artikel 228a, zulks met uitzondering van het aanbrengen van een aansluiting op een voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Omgevingswet of op een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.
Wet Houdbare Overheidsfinanciën:
Artikel 3. Normering budgettair beleid decentrale overheid
Het vastgestelde resultaat in termen van een collectief aandeel in het EMU-saldo van de decentrale overheden gezamenlijk, uitgesplitst naar een aandeel voor de provincies gezamenlijk, de gemeenten gezamenlijk en de waterschappen gezamenlijk wordt openbaar gemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV):
De paragraaf betreffende de lokale heffingen bevat ten minste:
een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen, waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoe bij de berekening van tarieven van heffingen, die hoogstens kostendekkend mogen zijn, wordt bewerkstelligd dat de geraamde baten de ter zake geraamde lasten niet overschrijden, wat de beleidsuitgangspunten zijn die ten grondslag liggen aan deze berekeningen en hoe deze uitgangspunten bij de tariefstelling worden gehanteerd;
1. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:
2. De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen en risicobeheersing bevat ten minste:
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kengetallen, genoemd in het tweede lid, onderdeel d, door provincies en gemeenten worden vastgesteld en in de begroting en het jaarverslag worden opgenomen.
De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille en geeft inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend en de financieringsbehoefte.
De paragraaf betreffende de bedrijfsvoering geeft ten minste inzicht in de stand van zaken en de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering.
1. De paragraaf betreffende de verbonden partijen bevat ten minste:
2. In de lijst van verbonden partijen wordt ten minste de volgende informatie opgenomen:
De paragraaf betreffende het grondbeleid bevat ten minste:
De paragraaf betreffende openbaarheid, bedoeld in artikel 3.5 van de Wet open overheid, geeft ten minste inzicht in de beleidsvoornemens inzake de toepassing van de artikelen 3.1, 3.3, 3.3a en hoofdstuk 4 van de Wet open overheid en de wijze waarop toepassing is gegeven aan deze beleidsvoornemens.
De toelichting op de uiteenzetting van de financiële positie bevat ten minste de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en de motivering daarvan en een toelichting op belangrijke ontwikkelingen ten opzichte van de uiteenzetting van de financiële positie van het vorig begrotingsjaar.
Het jaarverslag bevat de paragrafen die ingevolge artikel 9 in de begroting zijn opgenomen. Ze bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige paragrafen in de begroting is opgenomen.
Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan.
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd indien:
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien:
De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd.
Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-539221.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.