Beleidsregel bijzondere bijstand Participatiewet gemeente Zwolle 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle,

 

gelet op:

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht

  • artikel 12, 34, 35 en 36 van de Participatiewet

besluit:

 

vast te stellen de “Beleidsregel bijzondere bijstand Participatiewet gemeente Zwolle 2026”.

 

De inhoud van deze beleidsregel is als volgt:

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet huurtoeslag, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) en de Gemeentewet (Gw).

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      college: het college van burgemeester en wethouders van Zwolle;

    • b.

      bijstandsnorm: de op grond van paragraaf 3.2 van de wet op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 van de wet door het college vastgestelde verlaging;

    • c.

      draagkracht: gedeelte van het inkomen en van het vermogen dat de belanghebbende wordt geacht te gebruiken om de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen;

    • d.

      jongmeerderjarige: persoon in de leeftijd van 18 tot 21 jaar;

    • e.

      middelen: alle vermogens- en inkomensbestandsdelen als bedoeld in artikel 31 lid 1 en 2, van de wet;

    • f.

      oriëntatieperiode: de periode die aan de belanghebbende kan worden opgelegd om eerst zelf op zoek te gaan naar mogelijkheden om te voorzien in de gevraagde kosten;

    • g.

      wet: de Participatiewet.

Artikel 1.2 Reikwijdte

Het bepaalde in deze beleidsregels heeft betrekking op de artikelen 13, 15, 35 en 44 van de wet.

Artikel 1.3 Aanvraag

  • 1.

    De aanvraag bijzondere bijstand kan uitsluitend worden ingediend door middel van het hiervoor door het college beschikbaar gestelde aanvraagformulier.

  • 2.

    De bijstandsverlening gaat in beginsel in op de datum waarop belanghebbende zich voor het eerst meldt voor een aanvraag.

  • 3.

    In afwijking van lid 2 van dit artikel kan het college bij wijze van uitzondering en als dit naar het oordeel van het college door individuele omstandigheden van belanghebbende noodzakelijk is, de bijstand met terugwerkende kracht verlenen tot maximaal drie maanden voor de dag waarop belanghebbende zich voor het eerst heeft gemeld voor een aanvraag.

  • 4.

    Van individuele omstandigheden als bedoeld in lid 3 van dit artikel is in ieder geval sprake als:

    • a.

      belanghebbende niet in staat was om zich tijdig te melden voor een aanvraag;

    • b.

      belanghebbende niet op de hoogte was van de mogelijkheid bijstand aan te vragen;

    • c.

      belanghebbende eerder een bijstandsaanvraag heeft ingediend die buiten behandeling is gesteld omdat belanghebbende niet tijdig alle gegevens heeft aangeleverd omdat belanghebbende onvoldoende inzicht had in de hoogte van zijn inkomen en vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van flexibel werk, scheiding, detentie, erfenis;

    • d.

      belanghebbende met terugwerkende kracht in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

  • 5.

    Met inachtneming van de grenzen als bedoeld in lid 3 van dit artikel stemt het college de duur van de terugwerkende kracht af op de op de individuele omstandigheden van belanghebbende, waarbij het college het belang dat belanghebbende heeft om niet terecht te komen in een problematische schuldsituatie of verergering van de al aanwezig problematische schuldensituatie zwaar weegt.

Artikel 1.4 Advisering

  • 1.

    Bij de beoordeling van de noodzaak of de hoogte van de bijzondere bijstand kan het noodzakelijk zijn om een (medisch)deskundigenadvies op te vragen.

  • 2.

    Het vragen van een advies kan achterwege blijven indien:

    • a.

      het jaarlijks terugkerende kosten betreft en het aannemelijk is dat de situatie sinds het laatste (medisch)deskundigenadvies niet is gewijzigd; of

    • b.

      de (medische) noodzaak op een andere wijze is vastgesteld; of

    • c.

      de aanvraag op andere gronden, dan de grond waarvoor (medisch)deskundigenadvies gevraagd zou worden, wordt afgewezen.

HOOFDSTUK 2. UITGANGSPUNTEN BEOORDELING

Artikel 2.1 Recht op bijzondere bijstand

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende die voldoet aan voorwaarden die zijn gesteld in de artikelen 11 tot en met 16 van de wet en die verder ook nog voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      belanghebbende heeft aangetoond dat de kosten zich voordoen; en

    • b.

      belanghebbende heeft aangetoond dat de kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn; en

    • c.

      er is vastgesteld dat de kosten het gevolg zijn van bijzondere individuele omstandigheden; en

    • d.

      er is vastgesteld dat de kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag bedoeld in artikel 36 van de wet, de studietoeslag bedoeld in artikel 36b van de wet en de bij belanghebbende en diens gezin aanwezige draagkracht zoals beschreven in artikel 2.3 van deze beleidsregels.

Artikel 2.2 De hoogte van de bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald door de noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstandsverlening mogelijk is te verminderen met de bij de belanghebbende aanwezige draagkracht.

Artikel 2.3 De hoogte van de draagkracht

  • 1.

    Voor het bepalen van de hoogte van de draagkracht wordt in aanmerking genomen:

    • a.

      het deel van het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet, voor zover dat meer bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; en

    • b.

      het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 en 50 van de wet, voor zover dat meer bedraagt dan de in die artikelen aangegeven maxima.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel bedraagt de hoogte van de draagkracht bij de kostensoort woonkostentoeslag de som van:

    • a.

      het deel van het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet, voor zover dat meer bedraagt dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; en

    • b.

      het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 en 50 van de wet, voor zover dat meer bedraagt dan de in die artikelen aangegeven maxima.

  • 3.

    In afwijking van het gestelde in lid 1 en 2 van dit artikel kan de vastgestelde draagkracht worden verminderd met het bedrag van de bijzondere noodzakelijke bestaanskosten die gemaakt zijn of zullen worden tijdens de draagkrachtperiode en hiervoor geen bijzondere bijstand is verleend.

  • 4.

    In afwijking van het bepaalde in lid 1, 2 en 3 van dit artikel wordt de belanghebbende die een traject Minnelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen of een traject Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen volgt en die beschikt over een inkomen dat niet hoger is dan het vrij te laten bedrag wordt geacht niet te beschikken over draagkracht.

Artikel 2.4 De draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden.

  • 2.

    De periode van 12 maanden gaat in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend, of met terugwerkende kracht vanaf de dag dat de bijstand wordt verleend.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel kan de draagkracht voor een kortere periode dan 12 maanden worden vastgesteld als de aard van de bijzondere bijstand daarvoor aanleiding geeft.

  • 4.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel kan de draagkracht eerder dan 12 maanden worden gewijzigd als er sprake is van een omvangrijke wijziging in de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.

  • 5.

    Als een aanvraag wordt ingediend binnen een reeds vastgestelde draagkracht-periode wordt geen nieuwe draagkracht vastgesteld.

Artikel 2.5 De vorm van de bijzondere bijstand

  • 1.

    De bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verleend.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel kan het college de bijzondere bijstand geheel of gedeeltelijk verlenen in de vorm van een geldlening als:

    • a.

      redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen beschikt om over de betreffende periode zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; of

    • b.

      de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; of

    • c.

      de kosten bestaan uit een door de belanghebbende te betalen waarborgsom; of

    • d.

      de bijzondere bijstand wordt verleend aan de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorende erf, terwijl het in de woning gebonden vermogen meer bedraagt dan het in artikel 34 lid 2 sub d van de wet genoemde bedrag.

Artikel 2.6 Incidentele en periodieke verstrekkingen

  • 1.

    Als het college incidentele bijzondere bijstand verleent wordt de draagkracht over de vastgestelde draagkrachtperiode in één keer verrekend met de kosten.

  • 2.

    Als het college periodieke bijzondere bijstand verleent, wordt de draagkracht maandelijks over de vastgestelde draagkrachtperiode verrekend met de kosten.

Artikel 2.7 Drempelbedrag

Het college hanteert bij de verlening van bijzondere bijstand geen drempelbedrag.

HOOFDSTUK 3. DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN EN OVERIGE WOON- EN INRICHTINGSKOSTEN

Artikel 3.1 Noodzakelijke kosten en bijzondere omstandigheden

  • 1.

    De kosten voor de aanschaf of reparatie of vervanging van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichting worden in beginsel aangemerkt als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor de belanghebbende moet reserveren.

  • 2.

    De belanghebbende wordt geacht algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen betalen uit een inkomen op bijstandsniveau, de in aanmerking te nemen draagkracht en voor zover belanghebbende daar recht op heeft, de individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag.

  • 3.

    De reserveringscapaciteit van de belanghebbende bedraagt 5% van de per 1 januari van het betreffende kalenderjaar voor belanghebbende geldende bijstandsnorm.

  • 4.

    In afwijking van lid 1, 2 en 3 van dit artikel kan het college toch bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichting als de belanghebbende deze kosten door bijzondere individuele omstandigheden niet zelf kan betalen.

Artikel 3.2 Oriëntatieperiode

  • 1.

    Het college kan aan de belanghebbende die een aanvraag indient voor de in artikel 3.1 bedoelde kosten een oriëntatieperiode opleggen voor de duur van maximaal twee termijnen van twee weken, gedurende welke periode de belanghebbende op zoek moet gaan naar mogelijkheden om zelf te voorzien in de gevraagde kosten en in een duurzame en een zo goedkoop mogelijke, adequate oplossing.

  • 2.

    Het college legt de oriëntatieperiode niet op als de belanghebbende bijzondere bijstand voor witgoed of een matras aanvraagt of als de belanghebbende is aan te merken als een adresloze, een ex-gedetineerde of een statushouder.

Artikel 3.3 Hoogte van de bijzondere bijstand

  • 1.

    Als reparatie mogelijk is dan verleent het college uitsluitend bijzondere bijstand voor de kosten van die reparatie, tenzij de kosten van reparatie niet verantwoord zijn in relatie tot de te verwachten gebruiksduur na reparatie en of restwaarde van het te repareren goed.

  • 2.

    Als reparatie niet mogelijk is, verleent het college bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van het aan te schaffen goed tot maximaal het bedrag dat als richtprijs wordt genoemd in de Nibud-prijzengids, verhoogd met eventuele kosten van montage, installatie en bezorging.

  • 3.

    Indien de aanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een woning bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 50% van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids genoemd wordt per inventarisatiepakket naar huishoudtype.

  • 4.

    Indien de aanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een kamer bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 25% van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids genoemd wordt per inventarisatiepakket naar huishoudtype.

  • 5.

    Bij een echtscheiding of een daarmee te vergelijken situatie wordt er - bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijke kosten - van uitgegaan dat belanghebbende over ten minste 50% van de inboedel kan beschikken.

  • 6.

    Van de in dit artikel in aanmerking te nemen kosten wordt het door belanghebbende te reserveren bedrag, althans voor zover dit gelet op artikel 3.1 van belanghebbende wordt gevraagd, afgetrokken.

Artikel 3.4 Vorm van de bijzondere bijstand

  • 1.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.5 van deze beleidsregel kan het college de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten geheel of gedeeltelijk verlenen in de vorm van een geldlening als:

    • a.

      de belanghebbende zonder adres zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet basisregistratie persoonsgegevens zelfstandig gaat wonen;

    • b.

      de belanghebbende na een aaneengesloten detentieperiode van ten minste 12 maanden aansluitend zelfstandig gaat wonen;

    • c.

      het college van oordeel is dat de situatie een lening rechtvaardigt.

  • 2.

    Indien bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen of inrichtingskosten in de vorm van een geldlening wordt verleend aan een adresloze of een ex-gedetineerde, geldt het volgende:

    • a.

      de aflossing van de lening begint op de eerste dag van de twaalfde maand na de maand waarin de bijzondere bijstand is uitbetaald;

    • b.

      het college kan besluiten de lening om te zetten in bijstand om niet (een gift) als na die twaalf maanden:

      • i.

        de belanghebbende nog steeds zelfstandig woont; én

      • ii.

        de belanghebbende naar het oordeel van het college volledig heeft voldaan aan zijn verplichtingen en voldoende heeft meegewerkt aan een noodzakelijk geacht traject.

Artikel 3.5 Bijzondere bijstand voor eerste maand huur

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de eerste maand huur en administratiekosten als:

    • a.

      de belanghebbende als gevolg van een noodzakelijke verhuizing dubbele woonlasten heeft; of

    • b.

      de belanghebbende onder de doelgroep dak- en thuislozen valt; of

    • c.

      de belanghebbende onder de doelgroep statushouders valt; of

    • d.

      er sprake is van overige bijzondere individuele omstandigheden.

  • 2.

    In het geval van dubbele woonlasten zoals vermeld in lid 1, sub a van dit artikel wordt er bijzondere bijstand verleend voor de laagste huur.

  • 3.

    In het geval van dubbele woonlasten zoals vermeld in lid 1, sub a van dit artikel en de aanvrager verhuist naar een andere gemeente, dan wordt de bijzondere bijstand verleend door het college van de gemeente Zwolle zolang aanvrager nog staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Zwolle.

  • 4.

    In het geval de huurovereenkomst van de nieuwe woning ingaat na de 15e van de maand, wordt bijzondere bijstand verleend voor de resterende dagen van de maand en de daaropvolgende maand.

  • 5.

    In het geval de huurovereenkomst van de nieuwe woning ingaat voor de 15e van de maand, wordt bijzondere bijstand verleend voor de maand waarin het huurcontract ingaat.

  • 6.

    De bijzondere bijstand wordt verleend onder aftrek van de ontvangen huurtoeslag.

  • 7.

    Indien de aanvrager geen huurtoeslag ontvangt, wordt de bijzondere bijstand verleend voor de huur en eventuele service- of administratiekosten. Het deel van de bijzondere bijstand waarvoor aanvrager huurtoeslag had kunnen ontvangen, wordt als geldlening verstrekt.

Artikel 3.6 Kosten tijdens en na detentie

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de opslag van meubels aan de belanghebbende die is gedetineerd mits:

    • a.

      de duur van de detentie langer is dan 6 maanden, maar korter dan 2 jaar; en

    • b.

      de belanghebbende geen partner of huisgenoten heeft.

  • 2.

    Het college kan bijzondere bijstand als overbrugging verlenen als de gedetineerde belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstandsuitkering geen inkomen had.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor de opslag van meubels wordt bepaald door de in het individuele geval goedkoopst passende oplossing.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor overbrugging is het bedrag dat overeenkomt met één maand bijstandsnorm, verminderd met de vakantietoeslag.

  • 5.

    De bijzondere bijstand voor opslag van meubels en de overbruggingsuitkering wordt als bijstand om niet verleend.

Artikel 3.7 Voorwaarden en uitbetaling

  • 1.

    Belanghebbende dient bewijsstukken van de aankoop of reparatie, gerekend vanaf de maand waarin de bijzondere bijstand is uitbetaald, 12 maanden te bewaren.

  • 2.

    Het college kan, zonder toestemming van belanghebbende, besluiten de bijzondere bijstand uit te betalen aan de leverancier indien er - naar het oordeel van het college - redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat belanghebbende niet tot een verantwoorde besteding van de bijzondere bijstand zal overgaan.

HOOFDSTUK 4. WOONKOSTENTOESLAG

Artikel 4.1 Recht op woonkostentoeslag

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een woonkostentoeslag aan de belanghebbende die

    • a.

      een huurwoning of koopwoning bewoont; en

    • b.

      die geen of in onvoldoende mate aanspraak kan maken op een huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    De belanghebbende die jonger is dan 21 jaar komt niet in aanmerking voor een woonkostentoeslag, tenzij:

    • a.

      de woning is toegewezen of gekocht op basis van een eerder hoger (gezamenlijk) inkomen; of

    • b.

      het een aangepaste woning betreft; of

    • c.

      de huurwoning is toegewezen omdat belanghebbende statushouder is.

Artikel 4.2 Hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning

  • 1.

    Als de rekenhuur lager is of gelijk aan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag wordt de hoogte van de woonkostentoeslag vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    Als belanghebbende geen recht heeft op huurtoeslag en als de rekenhuur hoger is dan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de rekenhuur.

  • 3.

    Als belanghebbende wel recht heeft op huurtoeslag en de rekenhuur is hoger dan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag vastgesteld op basis van het verschil tussen de maximale huurgrens en de rekenhuur.

Artikel 4.3 Hoogte woonkostentoeslag bij een eigen woning

  • 1.

    Voor het vaststellen van de rekenhuur bij een eigen woning worden de volgende kosten van de door belanghebbende bewoonde woning in aanmerking genomen:

    • a.

      de hypotheekrente voor aankoop en onderhoud, niet zijnde de aflossing van de hypotheek of de premie van een spaar- of beleggingshypotheek of het deel van de hypotheekrente dat geen betrekking heeft op de voor de woning afgesloten lening;

    • b.

      het eigenaarsgedeelte van de onroerendzaakbelasting, voor zover geen gedeeltelijke of gehele kwijtschelding kan worden verkregen;

    • c.

      het eigenaarsgedeelte van de waterschaps- en polderlasten, voor zover geen gedeeltelijk of gehele kwijtschelding kan worden verkregen;

    • d.

      de erfpachtcanon;

    • e.

      de rioolheffing, voor zover geen geheel of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verkregen;

    • f.

      de opstal- of woonhuisverzekering, niet zijnde de inboedel- en glasverzekering;

    • g.

      de bijdrage aan de vereniging van eigenaren;

    • h.

      de kosten van groot onderhoud volgens de berekeningsmethode van Stimulansz.

  • 2.

    De hoogte van de woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt per maand vastgesteld volgens de berekening van de Wet op huurtoeslag.

  • 3.

    Als de rekenhuur lager is of gelijk aan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag wordt de hoogte van de woonkostentoeslag vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag.

  • 4.

    Als de rekenhuur hoger is dan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de rekenhuur.

Artikel 4.4 Verhuisplicht

  • 1.

    Als het college een woonkostentoeslag verleent, kan het college een verhuisplicht opleggen.

  • 2.

    Een verhuisplicht houdt dat in dat de belanghebbende verplicht is om:

    • a.

      zich binnen 1 maand na de eerste toekenning van de bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag als woningzoekende in te schrijven en ingeschreven te blijven gedurende de hele periode dat er woonkostentoeslag wordt ontvangen; en

    • b.

      gedurende de periode dat de woonkostentoeslag wordt ontvangen aantoonbare activiteiten te verrichten om een passende woning te zoeken en te accepteren.

  • 3.

    Onder aantoonbare activiteiten wordt verstaan:

    • a.

      minimaal twee keer per maand reageren op passende huurwoningen bij de woningcorporaties en particuliere aanbieders;

    • b.

      In geval van een eigen woning: het zo spoedig mogelijk na toewijzing van een passende huurwoning te koop aanbieden van de eigen woning via een erkende makelaar en het door die makelaar blijven verrichten activiteiten die bijdragen aan de verkoop van de woning.

  • 4.

    Onder een passende woning wordt verstaan, een huurwoning:

    • a.

      die past bij de gezinssituatie van de belanghebbende;

    • b.

      waarvoor belanghebbende in aanmerking komt voor huurtoeslag.

  • 5.

    Het college legt de verhuisplicht niet op als:

    • a.

      belanghebbende of een persoon uit diens huishouden een beperking heeft en de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege die beperking;

    • b.

      bij belanghebbende een door een deskundige vastgestelde geobjectiveerde sociale of medische problematiek is vastgesteld, waardoor verhuizen in redelijkheid niet van de belanghebbende kan worden gevergd;

    • c.

      het huishouden van belanghebbende bestaat uit meer dan acht personen;

    • d.

      de belanghebbende jonger is dan 21 jaar en na het overlijden van de ouders in het ouderlijk huis is blijven wonen.

Artikel 4.5 Duur van de woonkostentoeslag

  • 1.

    Het college verleent een woonkostentoeslag voor de duur van maximaal 12 maanden.

  • 2.

    Het college kan, zolang de belanghebbende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 4.4 van deze beleidsregel, de verleende woonkostentoeslag telkens voor de duur van maximaal 12 maanden verlengen.

  • 3.

    Het college beëindigt de woonkostentoeslag in ieder geval met ingang van de dag waarop de belanghebbende in voldoende mate aanspraak kan maken op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag.

HOOFDSTUK 5. EIGEN BIJDRAGE RECHTSBIJSTAND, GRIFFIERECHT, KOSTEN BEWINDVOERING, ONDER CURATELESTELLING EN MENTORSCHAP

Artikel 5.1 Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand en griffierecht.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde kosten bedraagt de verschuldigde eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht, verminderd met een eventuele toegepaste korting voor onvermogenden.

  • 3.

    Er bestaat geen aanspraak op de lid 1 van dit artikel bedoelde bijzondere bijstand als belanghebbende voor deze kosten is verzekerd.

  • 4.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de in lid 1 bedoelde kosten is tijdig ingediend als de aanvraag binnen één maand na dagtekening van de toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand en de factuurdatum is ingediend.

  • 5.

    De kosten gemaakt in de bezwaarfase, anders dan de eigen bijdrage op grond van de Wet op de rechtsbijstand, komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand

Artikel 5.2 Kosten bewindvoering, curatele en mentorschap

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde kosten wordt bepaald door de bedragen die staan vermeld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

  • 3.

    De bijzondere bijstand kan bij aanvang van de onderbewindstelling of ondercuratelestelling of mentorschap met terugwerkende kracht toegekend worden:

    • a.

      vanaf de 1e dag of de 16e dag van de maand waarin de bewindvoerder of curator of mentor is benoemd; en

    • b.

      als de aanvraag binnen 3 maanden na de benoeming door de kantonrechter is ingediend.

  • 4.

    In het geval aanvrager naast een uitkering voor periodieke kosten van levensonderhoud bijzondere bijstand aanvraagt voor de kosten van bewindvoering of ondercuratelestelling of mentorschap, binnen 4 weken na de aanvraag voor de uitkering voor levensonderhoud, wordt – indien recht bestaat – bijzondere bijstand toegekend vanaf de dag van aanvraag van de uitkering voor levensonderhoud.

Artikel 5.3 Kosten beheerrekening

Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de extra kosten van de door de curator of bewindvoerder aangehouden beheerrekening.

Artikel 5.4 Kosten intake eenmalige wijziging van bewindvoerder, curator of mentor

Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de eenmalige kosten van intake, als de kantonrechter van oordeel is dat er, om welke redenen dan ook, ontslag van de (vorige) bewindvoerder, curator of mentor dient te worden verleend en er een nieuwe bewindvoerder, curator of mentor nodig is. In dat geval staat de noodzaak van de eenmalige intakekosten vast.

Artikel 5.5 Extra bankkosten

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de extra bankkosten die bewindvoerders en curatoren éénmaal per kalenderjaar in rekening mogen brengen.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal het bedrag dat is vastgesteld door het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM.

Artikel 5.6 Legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de legeskosten verblijfsvergunning ten behoeve van de echtgenoot of partner en de kinderen van een vluchteling of asielgerechtigde die niet binnen 3 maanden zijn nagereisd.

  • 2.

    De volgende kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:

    • a.

      de legeskosten ten behoeve van een aanvraag voor een verblijfsvergunning;

    • b.

      de kosten van naturalisatie;

    • c.

      vertaalkosten.

HOOFDSTUK 6. REISKOSTEN

Artikel 6.1 Reiskosten gerechtelijke procedure

Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die verband houden met het voeren van gerechtelijke procedures als de Raad voor Rechtsbijstand aan belanghebbende een toevoeging heeft verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand.

Artikel 6.2 Reiskosten bezoek gedetineerd familielid

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten als gevolg van het bezoeken van een gedetineerd familielid in de eerste graad of van een gedetineerde pleegouder of pleegkind, dit zolang het gedetineerde familielid of pleegouder of pleegkind nog geen toestemming heeft om met weekendverlof te gaan.

  • 2.

    Er wordt uitgegaan van een bezoekfrequentie van één keer per twee weken door maximaal twee personen en van de reiskosten die zijn gemoeid met het reizen tussen de woningen van de bezoekers en de penitentiaire inrichting.

  • 3.

    Er wordt geen bijzondere bijstand verleend voor reiskosten in verband met bezoek aan een in het buitenland gedetineerd familielid in de eerste graad of pleegouder.

Artikel 6.3 Reiskosten omgangsregeling

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die zijn gemoeid met de uitvoering van de omgangsregeling als blijkt dat de andere ouder na aanhoudende verzoeken weigert te betalen voor de voor diens rekening komende reiskosten.

  • 2.

    Er wordt uitgegaan van de bezoekfrequentie zoals die door de rechter is vastgesteld en van de kosten die zijn gemoeid met het reizen tussen de woning van woning van het kind en de woning van de andere ouder.

Artikel 6.4 Reiskosten van uithuisgeplaatste kind naar de ouder(s)

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die zijn gemoeid met het reizen van het uithuisgeplaatste kind tussen zijn woonplaats en de woonplaats van de ouder(s).

  • 2.

    Er wordt uitgegaan van de bezoekfrequentie zoals die door de rechter of andere bevoegde persoon is vastgesteld.

Artikel 6.5 Reiskosten van ouder(s) naar uithuisgeplaatst kind

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die zijn gemoeid met het reizen van de ouder(s) tussen hun woonplaats en de woonplaats van het uithuisgeplaatste kind.

  • 2.

    Er wordt uitgegaan van de bezoekfrequentie zoals die door de rechter of andere bevoegde persoon is vastgesteld.

Artikel 6.6 Reiskosten zieke gezinsleden en logieskosten

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die zijn gemoeid met het reizen tussen de woonplaats van belanghebbende of ten laste komende (pleeg)kind(eren) naar een ziekenhuis of inrichting waar de partner of ten laste komend (pleeg)kind of (pleeg)ouder is opgenomen.

  • 2.

    Er wordt uitgegaan van een bezoekfrequentie van maximaal twee keer per week door maximaal twee personen of van een bezoekfrequentie van maximaal één keer per dag door maximaal twee personen als de opgenomen persoon terminaal is of op de intensive care ligt.

  • 3.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de logieskosten van een Ronald McDonald huis als deze kosten niet door een aanvullende verzekering worden vergoed.

Artikel 6.7 Reiskosten uitvaart

Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die zijn gemoeid met reizen tussen de woning van belanghebbende en de locaties van de condoleance en de uitvaart van een familielid in de eerste of tweede graad of van een pleegouder of een pleegkind.

Artikel 6.8 Reiskosten waar geen bijzondere bijstand voor wordt verstrekt

  • 1.

    Het college verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor reiskosten die zijn gemoeid met:

    • a.

      medische of paramedische behandelingen;

    • b.

      het onderhouden van sociale contacten;

    • c.

      de kosten van woon-werkverkeer;

    • d.

      de uitvaart van een familielid in de eerste of tweede graad of van een pleegouder of een pleegkind in het buitenland.

Artikel 6.9 Reiskosten voor scholing voor rechthebbenden op WTOS

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor reiskosten aan een aanvrager die een uitkering op grond van de WTOS ontvangt en een opleiding in het Voortgezet Onderwijs volgt.

  • 2.

    De reiskosten worden verstrekt op basis van 10 x de kosten van een maandabonnement in de periode september – juni of de kosten van een jaarabonnement, voor zover deze kosten lager zijn dan 10 keer het maandabonnement.

Artikel 6.10 Duur en hoogte van de bijzondere bijstand

  • 1.

    De bijzondere bijstand voor periodieke reiskosten zoals bedoeld in dit hoofdstuk wordt telkens verleend voor de duur van maximaal 12 maanden.

  • 2.

    Er wordt geen bijzondere bijstand verleend voor afstanden korter dan 10 kilometer enkele reis.

  • 3.

    Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand voor de reiskosten wordt telkens uitgegaan van een (retour)reis per trein 2e klas of bus conform de prijzen van de website van OV9292. Indien het niet mogelijk is om de locatie per openbaar vervoer te bereiken, bijvoorbeeld omdat de reisduur onaanvaardbaar lang is of de locatie niet per openbaar vervoer bereikbaar is, wordt uitgegaan van een kilometervergoeding conform de tarieven van de Belastingdienst.

  • 4.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een voordeelkaart voor het openbaar vervoer als de verwachting bestaat dat de reiskosten zoals bedoeld in lid 1van dit artikel voor langere periode zullen worden gemaakt en de aanschaf van de voordeelkaart vanwege het kunnen reizen met korting per saldo zal leiden tot lagere te declareren reiskosten.

HOOFDSTUK 7. MEDISCH GERELATEERDE KOSTEN

Artikel 7.1 Medische kosten algemeen

  • 1.

    Het college verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor medische kosten als belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening en als belanghebbende zich aanvullend voor deze kosten kan verzekeren.

  • 2.

    Het college gaat er hierbij vanuit dat belanghebbende een voor zijn situatie passende aanvullende verzekering voor ziektekosten afsluit, behalve als dit door individuele omstandigheden niet van belanghebbende kan worden gevraagd.

  • 3.

    Als belanghebbende geen voor zijn situatie passende aanvullende verzekering heeft afgesloten, terwijl dit in redelijkheid wel van belanghebbende kon worden gevraagd, kan het college bij wijze van uitzondering toch bijzondere bijstand voor de noodzakelijke medische kosten aan belanghebbende verlenen als:

    • a.

      belanghebbende op geen andere wijze in deze kan voorzien; en

    • b.

      het uitstellen of het niet kunnen volgen van een medische behandeling of het niet kunnen aanschaffen van een medische voorziening leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijke functioneren van belanghebbende.

  • 4.

    Als het college bijzondere bijstand als bedoeld in lid 3 van dit artikel aan belanghebbende verleent, wordt belanghebbende, behalve als dit in redelijkheid niet van belanghebbende kan worden gevraagd, er schriftelijk op gewezen zich in het volgende kalenderjaar alsnog aanvullend te verzekeren met een pakket dat past bij zijn omstandigheden.

  • 5.

    Als belanghebbende in een volgend kalenderjaar wederom een aanvraag bijzondere bijstand voor medische kosten indient en als dan blijkt dat belanghebbende zich zonder goede reden niet aanvullend heeft verzekerd met een pakket dat past bij zijn omstandigheden, dan wordt de eventueel te verlenen bijzondere bijstand voor het gedeelte van de kosten waarvoor belanghebbende zich aanvullend had kunnen verzekeren, verleend in de vorm van een renteloze geldlening.

  • 6.

    Als belanghebbende een aanvraag bijzondere bijstand voor medische kosten indient die niet door de verzekeraar worden vergoed omdat deze kosten het maximaal door de verzekeraar per kalenderjaar te vergoeden bedrag overstijgen en er geen mogelijkheid is de kosten te spreiden, dan kan het college hiervoor bijzondere bijstand verlenen.

  • 7.

    In de situatie als bedoeld in lid 6 van dit artikel kan van belanghebbende worden gevraagd in het volgende kalenderjaar een aanvullende verzekering af te sluiten met een hogere dekking.

  • 8.

    Ingeval van terugkomende kosten waarvoor bijstandsverlening mogelijk is kan het college de bijstand voor een langere periode verlenen, bijvoorbeeld voor de periode van één jaar.

Artikel 7.2 Kosten van tandheelkundige behandeling

  • 1.

    Het college verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor de kosten van tandheelkundige behandeling als belanghebbende de mogelijkheid heeft zich hier aanvullend voor te verzekeren.

  • 2.

    Het college gaat er van uit dat belanghebbende zich aanvullend verzekert voor tandheelkundige behandeling met een dekking van € 500,- per kalenderjaar, behalve als dit door individuele omstandigheden niet van belanghebbende kan worden gevraagd.

  • 3.

    Als belanghebbende zich om wat voor reden dan ook niet aanvullend heeft verzekerd, kan het college bij wijze van uitzondering toch bijzondere bijstand voor de noodzakelijke tandartskosten verlenen als:

    • a.

      belanghebbende op geen andere wijze in deze kosten kan voorzien; en

    • b.

      het uitstellen van tandheelkundige behandeling leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijke functioneren van belanghebbende.

  • 4.

    Als het college toch bijzondere bijstand als bedoeld in lid 3 van dit artikel verleent, wordt belanghebbende, behalve als dit in redelijkheid niet van belanghebbende kan worden gevraagd, er schriftelijk op gewezen zich in het volgende kalenderjaar alsnog aanvullend te verzekeren voor tandheelkundige behandeling met een dekking van € 500,-.

  • 5.

    De in lid 3 van dit artikel door het college te verlenen bijzondere bijstand wordt, ingeval van belanghebbende in redelijkheid kon worden gevraagd een aanvullende verzekering af te sluiten, tot een bedrag van maximaal € 500,- verleend in de vorm van een renteloze geldlening en voor de volgende € 500,- als bijstand om niet.

  • 6.

    De in lid 3 van dit artikel door het college te verlenen bijzondere bijstand wordt, ingeval van belanghebbende in redelijkheid niet kon worden gevraagd een aanvullende verzekering af te sluiten, tot een bedrag van maximaal € 1.000,- verleend als bijstand om niet.

  • 7.

    Voor kosten die uitgaan boven het bedrag van € 1.000,- oordeelt het college of het medisch verantwoord is van belanghebbende te vragen de behandeling te spreiden over een langere periode. Mocht het college van oordeel zijn dat dit niet verantwoord is, dan kan het college de bijzondere bijstand voor het bedrag dat hoger is dan € 1.000,- verlenen in de vorm van een renteloze geldlening.

  • 8.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage voor volledig uitneembare prothetische voorzieningen voor de boven- en/of onderkaak.

Artikel 7.3 Kosten van orthodontie voor minderjarige kinderen

  • 1.

    Het college verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor kosten van orthodontie voor minderjarige kinderen als de ouder zich aanvullend kan verzekeren voor deze kosten.

  • 2.

    Het college gaat ervan uit dat belanghebbende die deze kosten kan zien aankomen zich aanvullend heeft verzekerd, behalve als dit door individuele omstandigheden niet van de ouder kan worden gevraagd.

  • 3.

    Als van de ouder in redelijkheid wel kan worden gevraagd een aanvullende verzekering af te sluiten, maar de ouder dit heeft nagelaten te doen, dan kan het college bij wijze van uitzondering bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van orthodontie voor minderjarige kinderen verlenen als:

    • a.

      de ouder op geen andere wijze in deze kosten kan voorzien; en

    • b.

      het uitstellen van orthodontie behandeling leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijke functioneren van het kind.

  • 4.

    De in lid 3 van dit artikel bedoelde bijzondere bijstand wordt dan verleend als bijstand om niet.

  • 5.

    Als het college bijzondere bijstand als bedoeld in lid 4 van dit artikel aan de ouder verleent, wordt de ouder, behalve als dit in redelijkheid niet van de ouder kan worden gevraagd, er schriftelijk op gewezen zich zo spoedig mogelijk alsnog aanvullend te verzekeren.

  • 6.

    Als de ouder een aanvullende verzekering voor orthodontiekosten heeft afgesloten met een wachttijd, dan verleent het college geen bijzondere bijstand voor deze kosten totdat de wachttijd is afgelopen.

  • 7.

    Het college kan bij wijze van uitzondering tijdens de wachttijd als bedoeld in lid 6 van dit artikel bijzondere bijstand verlenen als:

    • a.

      de ouder op geen andere wijze in deze kosten kan voorzien; en

    • b.

      het uitstellen van de orthodontie behandeling leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijke functioneren van het kind.

  • 8.

    Als de door de ouder afgesloten aanvullende verzekering voor kosten van orthodontie niet alle noodzakelijke kosten dekt, kan het college aanvullende bijzondere bijstand voor deze noodzakelijke meerkosten verlenen.

Artikel 7.4 Stapeling van eigen bijdragen

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van betaalde eigen bijdragen als dit bedrag in het betreffende kalenderjaar hoger is dan de door het college verleende subsidie voor hoge zorgkosten op grond van de Verordening hoge zorgkosten en het verplicht eigen risico zorgverzekeringswet Zwolle 2025.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld door de totale kosten van betaalde eigen bijdragen in het betreffende kalenderjaar te verminderen met de in lid 1 van dit artikel verleend subsidie.

Artikel 7.5 Kosten van een bril

  • 1.

    Het college kan aan belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eerste bril.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor het montuur en de glazen wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst adequate oplossing.

Artikel 7.6 Extra kosten als gevolg van een beperking of chronische ziekte

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor noodzakelijke, medische kosten als gevolg van een beperking of een chronische ziekte.

  • 2.

    Het college beoordeelt zo nodig aan de hand van een advies van de medisch adviseur van de gemeente of belanghebbende als gevolg van een beperking of chronische ziekte noodzakelijke meerkosten heeft.

  • 3.

    Het college merkt in ieder geval de volgende kosten aan als noodzakelijke meerkosten als bedoeld in lid 2 van dit artikel:

    • a.

      de meerkosten van het wassen en de slijtage van kleding en beddengoed als gevolg van een handicap of ziekte;

    • b.

      de meerkosten van een dieet of van voedingssupplementen;

    • c.

      de meerkosten van een maaltijdvoorziening;

    • d.

      de meerkosten van verwarming;

    • e.

      de meerkosten en de eigen bijdrage voor orthopedisch schoeisel;

    • f.

      de eigen bijdrage in de kosten van het verblijf in een hospice;

    • g.

      de eigen bijdrage voor een alarmeringssysteem.

  • 4.

    Het college stelt de hoogte van de noodzakelijke meerkosten vast aan de hand van de Nibud-normen.

  • 5.

    In afwijking van lid 4 van dit artikel wordt de hoogte van de meerkosten als bedoeld in lid 3 aanhef en onder a van dit artikel voor kinderen tussen de 4 en 15 jaar vastgesteld op 75% van de in de Nibud-normen.

Artikel 7.7 Kosten van een uitvaart

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een uitvaart als:

    • a.

      belanghebbende een nabestaande is die woonachtig is in de gemeente Zwolle; en

    • b.

      de verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene ontoereikend zijn om deze kosten te dekken.

  • 2.

    Onder nabestaande wordt verstaan een erfgenaam die bloed- en aanverwante is en die op grond van de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek verplicht zou zijn geweest tot onderhoud van de overledene.

  • 3.

    In het geval er meerdere erfgenamen zijn, is eenieder verantwoordelijk voor zijn deel van de uitvaartkosten. Elke erfgenaam die voor zijn deel van de uitvaartkosten aanspraak wil maken op bijzondere bijstand voor zijn deel van de kosten van de uitvaart, moet zelf een aanvraag bijzondere bijstand indienen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk van elkaar beoordeeld.

  • 4.

    Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de Nibud-normen voor een eenvoudige uitvaart.

HOOFDSTUK 8. BIJZONDERE BIJSTAND VOOR JONGMEERDERJARIGEN

Artikel 8.1 Bijzondere bijstand voor jongmeerderjarigen in een instelling

  • 1.

    Het college kan aan een jongmeerderjarige die in een instelling verblijft bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud als de jongmeerderjarige geen beroep kan doen op zijn ouders omdat:

    • a.

      de middelen van de ouders niet toereikend zijn; of

    • b.

      de jongmeerderjarige redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

  • 2.

    Van geen of onvoldoende beroep op de ouders is in ieder geval sprake als:

    • a.

      de jongmeerderjarige ouderloos is;

    • b.

      de ouders onbereikbaar zijn;

    • c.

      de jongmeerderjarige buiten het gezinsverband van de ouders is geplaatst in het kader van verlengde jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of het jeugdstrafrecht;

    • d.

      de jongmeerderjarige als alleenstaande vluchteling in Nederland is gekomen;

    • e.

      de jongmeerderjarige niet verantwoord nog langer bij de ouders kan wonen; of

    • f.

      de jongmeerderjarige de zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de toepasselijke norm voor een in een instelling verblijvende persoon van 21 jaar als bedoeld in artikel 23 van de wet.

  • 4.

    Het recht op bijzondere bijstand wordt in ieder geval beëindigd met ingang van de datum waarop de belanghebbende de leeftijd van 21 jaar bereikt.

  • 5.

    Indien het college bijzondere bijstand verleent aan de jongmeerderjarige, wordt geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot verhaal, bedoeld in artikel 62 van de wet.

HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN

Artikel 9.1 Overgangsrecht bijstand aan jongmeerderjarigen die niet in een instelling verblijven

  • 1.

    De jongmeerderjarige die niet in een instelling verblijft en die voor 1 januari 2026 bijzondere bijstand heeft aangevraagd dat vervolgens door het college is toegekend, blijft, voor zolang de jongmeerderjarige voldoet aan de criteria die voor 1 januari 2026 golden om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud, tot uiterlijk de datum dat de jongmeerderjarige 21 jaar wordt, in aanmerking komen voor de bijzondere bijstand.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jongmeerderjarig die niet in een instelling verblijft bedraagt, samen met de van toepassing zijnde norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, de norm als bedoeld in artikel 21 van de wet.

  • 3.

    Voor wat betreft de in lid 1 bedoelde bijzondere bijstand maakt het college geen gebruik van de bevoegdheid tot verhaal bedoeld in artikel 62 van de wet.

Artikel 9.2 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregel bijzondere bijstand Participatiewet gemeente Zwolle 2026”.

Artikel 9.3 Inwerkingtreding

  • 1.

    De Beleidsregel bijzondere bijstand Participatiewet gemeente Zwolle 2026 treedt na publicatie in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    De volgende beleidsregels worden ingetrokken per 1 januari 2026:

    • a.

      Beleidsregels draagkracht bijzondere bijstand en reserveren Zwolle 2024;

    • b.

      Beleidsregels bijzondere bijstand voor reiskosten 2020;

    • c.

      Beleidsregels bijzondere bijstand duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten gemeente Zwolle 2024.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 december 2025

Burgemeester en wethouders van Zwolle,

Burgemeester

P. Snijders

Secretaris

D. Emmer

Toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In dit artikel wordt voor de uitleg van begrippen verwezen naar definities uit de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Bbz, de Awb, de WHT, de Wtos, de Wsf 2000 en de Gemeentewet. Begrippen die in deze wetten niet of anders worden omschreven zijn opgenomen in lid 2 van dit artikel.

Onder wet wordt verstaan de Participatiewet in Balans.

 

Artikel 1.2 Reikwijdte

Zoals in het artikel wordt aangegeven, heeft de inhoud van deze beleidsregels betrekking op de wijze waarop de bijzondere bijstand zoals bedoeld in artikel 35 van de wet in Zwolle wordt uitgevoerd.

 

Artikel 1.3 Aanvraag

Lid 2

Dit is het uitgangspunt zoals dat staat vermeld in artikel 44 lid 1 van de wet. Bepaald is dat als recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze niet ligt voor de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld voor een aanvraag. Dus in beginsel geen bijstand met terugwerkende kracht.

 

Lid 3

Aan artikel 44 van de wet is – als gevolg van de inwerkingtreding van de Participatiewet in balans - een nieuw lid toegevoegd, lid 5. In dat lid staat het volgende vermeld:

“In afwijking van lid 1 van dit artikel kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.”

 

Het begrip individuele omstandigheden is hier nieuw en ruimer dan het begrip bijzondere omstandigheden dat voorheen werd gebruikt en impliceert dat de omstandigheden op zich niet bijzonder hoeven te zijn, maar wel dat de individuele omstandigheden om een afwijkend besluit vragen.

 

Met het nieuwe lid 5 van artikel 44 van de wet heeft het college meer ruimte dan voorheen om de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht grote betalingsachterstanden en problematische schulden voorkomt. Zo zou dreigende uithuiszetting als gevolg van huurachterstand hiermee kunnen worden voorkomen. Dit is niet alleen voor de aanvrager goed, maar ook voor de gemeente een betere en goedkopere oplossing in vergelijking met de situatie dat iemand een schuldentraject zou moeten volgen. Het is echter niet de bedoeling dat het college de bijstand altijd met terugwerkende kracht toekent.

 

Voor kosten die zijn gemaakt tussen de dag van eerste melding en drie maanden voor de dag van eerste melding zal het belang dat de gemeente heeft bij tijdig aanvragen en het belang dat belanghebbende heeft bij het met terugwerkende kracht verkrijgen van de bijzondere bijstand tegen elkaar worden afgewogen. Dit is maatwerk.

Het besluit over het wel of niet toekennen met terugwerkende kracht zal evenredig moeten zijn. Het is goed voorstelbaar dat de bijzondere bijstand alsnog wordt verleend als aannemelijk is dat belanghebbende door het niet ontvangen van die bijzondere bijstand ernstig financieel in de knel komt. Het college zal het belang van belanghebbende zwaar moet laten wegen.

 

Lid 4

In dit lid worden enkele voorbeelden van individuele omstandigheden genoemd waarbij in ieder geval aanleiding bestaat de bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Uiteraard zijn er altijd nog meer omstandigheden mogelijk. Maatwerk is het uitgangspunt.

 

Lid 5

Behoudens de mogelijkheid om de periodieke of incidentele bijzondere bijstand in individuele situaties met terugwerkende kracht te verlenen tot drie maanden voor de datum van eerste melding, staan hieronder staan enkele veel voorkomende situaties vermeld, waarbij het uitgangspunt is de terugwerkende kracht van periodieke of incidentele bijzondere bijstand te beperken tot vier weken voor de datum van eerste melding:

  • Verhuizing naar Zwolle

    Als belanghebbende vanuit een andere gemeente naar Zwolle verhuist, dan is er aanleiding soepel met de ingangsdatum om te gaan. Uitgangspunt is dan de mogelijkheid om de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht te laten ingaan vanaf de datum van inschrijving in de BRP van Zwolle, mits belanghebbende zich binnen vier weken na die inschrijving voor een aanvraag bijzondere bijstand heeft gemeld.

  • Ontslag uit detentie

    Als belanghebbende is ontslagen uit detentie, dan is er aanleiding soepel met de ingangsdatum van de bijstandsverlening om te gaan. Uitgangspunt is dan kan de mogelijkheid om de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht te laten ingaan vanaf de datum van ontslag uit detentie, mits de belanghebbende zich binnen vier weken na deze datum heeft gemeld voor bijzondere bijstand. Er moet dan wel een ontslagbewijs van detentie worden aangeleverd.

  • Samenwoning ingeval van onderbewindstelling, ondercuratelestelling en/of mentorschap

    Als belanghebbende bijzondere bijstand voor de kosten van onderbewindstelling, ondercuratelestelling en/of mentorschap ontvangt en gaat samenwonen, dan moet het (alleenstaande) recht op bijzondere bijstand worden beëindigd en een gezamenlijke aanvraag bijzondere bijstand voor deze kosten worden ingediend. In dat geval is er aanleiding soepel met de ingangsdatum van de bijstandsverlening om te gaan. Uitgangspunt is dan de bijstand met terugwerkende kracht te laten ingaan vanaf de datum van de gezamenlijke aanvraag mits die aanvraag binnen vier weken na datum samenwoning is ingediend.

  • Daling (besteedbaar) inkomen

    Als het besteedbaar inkomen van belanghebbende is gedaald, waardoor mogelijk weer recht bestaat op bijzondere bijstand is dit aanleiding soepel met de ingangsdatum van de bijstandsverlening om te gaan. Uitgangspunt is dan dat de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend vanaf de datum dat het besteedbaar inkomen is gedaald, mits de belanghebbende zich binnen vier weken na dagtekening bewijsstuk van wijziging inkomen of hoogte eigen bijdrage CAK heeft gemeld voor bijzondere bijstand.

  • Eigen bijdrage rechtsbijstand

    Als belanghebbende bijzondere bijstand voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand heeft aangevraagd is er aanleiding soepel met de ingangsdatum van de bijstandsverlening om te gaan. Uitgangspunt is dat de bijstand met terugwerkende kracht kan worden verleend vanaf de datum van de toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand en de factuur van de advocaat, mits belanghebbende zich binnen vier weken heeft gemeld voor een aanvraag bijzondere bijstand. Het maakt daarbij niet uit of belanghebbende de eigen bijdrage zelf al heeft betaald. Een aanvraag voor deze kosten kan namelijk pas worden beoordeeld wanneer zoals de toevoeging als de factuur van de advocaat aanwezig zijn. De factuur toont de hoogte van de kosten aan en de toevoeging de noodzaak van de kosten.

  • Aansluiting bij ingangsdatum algemene bijstand

    Het is mogelijk om de ingangsdatum van de bijzondere bijstand aan te laten sluiten bij de ingangsdatum van de algemene bijstand indien:

    • 1.

      er eerst een aanvraag is ingediend voor periodieke algemene bijstand; en

    • 2.

      er is daarna een aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, ondercuratelestelling en/of mentorschap ingediend; en

    • 3.

      de aanvraag voor de bijzondere bijstand is ingediend binnen vier weken nadat belanghebbende zich voor het eerst heeft gemeld voor een aanvraag algemene bijstand.

Artikel 1.4 Advisering

Lid 1

Bij de beoordeling van de noodzaak of de hoogte van de bijzondere bijstand kan het noodzakelijk zijn om extern medisch deskundigenadvies op te vragen.

 

Eisen aan extern advies

  • 1.

    Het advies moet volledig zijn. Anders gezegd: het advies moet de vragen beantwoorden die door het college aan de adviseur zijn gesteld1.

  • 2.

    Het advies moet begrijpelijk en leesbaar zijn. Het moet duidelijk zijn welke voorziening de adviseur adviseert.

  • 3.

    Het advies moet in overeenstemming zijn met de wet en het gemeentelijk beleid.

 

Aanvullende eisen aan een extern medisch advies:

  • 1.

    Is er een diagnose gesteld of een stoornis geconstateerd? Zo ja, is dit door een arts gebeurd? Alleen artsen mogen namelijk een diagnose stellen en een stoornis constateren.

  • 2.

    Is er contact gezocht met of informatie ingewonnen bij de behandelend arts? Zo ja met wie en welke informatie is opgevraagd?

    Het is daarbij aan de adviseur en niet aan de belanghebbende om te bepalen bij wie inlichtingen worden ingewonnen voor een goed advies.2

    Als de adviseur vindt dat voldoende medische informatie voorhanden is dan is het voor een deugdelijk advies niet verplicht om contact op te nemen met de behandelend arts3.

  • 3.

    Er kan toch aanleiding zijn om informatie in te winnen bij de behandelende sector. Daarvoor is aanleiding als belanghebbende wordt behandeld en het gaat om een ziekte of aandoening heeft die relevant is voor het te nemen besluit.4

  • 4.

    Het is niet noodzakelijk dat de verklaringen van de huisarts of behandelend specialist precies geciteerd worden. Wel moeten de door hen aangegeven beperkingen voldoende duidelijk zijn in het advies.

  • 5.

    Als de adviseur de huisarts van belanghebbende schriftelijk benadert en als de huisarts daarna niet op het verzoek om medische informatie reageert, dan is het advies van de medisch expert toch deugdelijk tot stand gekomen. Het ontbreken van de niet verkregen informatie staat daaraan niet in de weg5.

  • 6.

    Is de ingewonnen informatie bij de behandelende arts recent en voldoende duidelijk? Zo nee, dan zal de adviseur een uitgebreid zelfstandig medisch onderzoek moeten uitvoeren.

  • 7.

    Wijkt daarentegen het oordeel van de adviseur af van dat van de behandelende sector, dan moeten de daarbij gebruikte criteria duidelijk zijn6.

  • 8.

    Worden de beperkingen van belanghebbende opgesomd en bevatten deze geen medische gegevens, dan vallen deze gegevens niet onder het medisch beroepsgeheim. Medische gegevens vallen uiteraard wel onder het medisch beroepsgeheim. Medische gegevens zijn bijzondere persoonsgegevens. De adviseur kan in zijn advies de vastgestelde beperkingen objectief benoemen en verder toelichten. Bijvoorbeeld: belanghebbende is vanwege beperkingen aangewezen op zittend werk.

  • 9.

    Komt de voorgestelde voorziening voort uit de opgesomde beperking(en)?7

 

 

Aanvullend advies

Als het advies tekortkomingen laat zien, moet de adviseur gevraagd worden om zijn advies aan te vullen.8.  Een andere optie is het vragen van advies aan een andere deskundig adviseur.9

 

Zorgvuldige voorbereiding van het besluit

Het college moet bij gebruik van externe adviseurs nagaan of het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dit staat in artikel 3:9 Awb (Vergewisplicht). Artikel 3:2 Awb bevat een algemene zorgvuldigheidseis over de voorbereiding van besluiten.

Het baseren van een besluit op een medisch advies is dus niet zomaar toegestaan. Voorwaarde is dat het medisch advies voldoet aan de eisen die uit oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf worden gesteld. Dit is het geval als uit het advies tenminste blijkt op basis van:

  • 1.

    welke gegevens dit tot stand is gebracht en

  • 2.

    welke procedure bij het tot stand brengen van het advies is gevolgd. Zie Wanneer en waar medisch advies vragen;10

Het is niet mogelijk om een besluit te baseren op een heel kort (en onduidelijk) geformuleerd advies. Gebeurt dit toch? Dan is het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb.11

Alleen het verloop van een - niet al te lange - periode van 1,5 jaar is onvoldoende voor de conclusie dat het advies niet meer actueel was ten tijde van het besluit.12

 

College wijkt af van het advies

Het college mag een van het advies afwijkende beslissing te nemen. Het afwijken van een advies van een extern adviseur dat gegeven is volgens een wettelijk voorschrift moet op grond van artikel 3:50 Awb uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Ook moet het college in dat geval aan de adviseur in ieder geval de vraag voorleggen of hij het afwijkende standpunt van het college deelt.13

 

Belanghebbende is het niet eens met advies

Is de belanghebbende het niet eens met een medisch advies dat voldoet aan de zorgvuldigheidseisen? Dan zal hij zijn standpunt goed moeten onderbouwen met concrete medische gegevens of een gemotiveerd tegenadvies.14.

 

Lid 2

In dit lid gaat het bij situatie zoals beschreven onder a en b om situaties waarin bij wijze van uitzondering evident duidelijk is dat een medisch advies geen nieuwe inzichten meer toevoegt aan wat al bekend is over de specifieke (medische) situatie van de belanghebbende. Dit kan het geval zijn als de belanghebbende uit eigen beweging een advies of diagnose van zijn of haar medisch specialist is overlegd dat voldoende duidelijkheid geeft voor het nemen van een besluit over de bijzondere bijstand.

 

Hoofdstuk 2. Uitgangspunten beoordeling

 

Artikel 2.1 Recht op bijzondere bijstand

Artikel 35 lid 1 van de wet stelt de volgende voorwaarden aan het recht op bijzondere bijstand:

  • 1.

    de kosten moeten zich voordoen;

  • 2.

    het moet gaan om noodzakelijke kosten;

  • 3.

    de noodzakelijke kosten moeten het gevolg zijn van bijzondere individuele omstandigheden van belanghebbende;

  • 4.

    er is vastgesteld dat de kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag bedoeld in artikel 36 van de wet, de studietoeslag bedoeld in artikel 36b van de wet en de bij belanghebbende en diens gezin aanwezige draagkracht zoals beschreven in artikel 2.3 van deze beleidsregels.

Met aanwezige middelen wordt bedoeld:

  • 1.

    de bijstandsnorm (paragraaf 3.2 en 3.3 van de wet);

  • 2.

    de individuele inkomenstoeslag (artikel 36 van de wet);

  • 3.

    de studietoeslag (artikel 36b van de wet);

  • 4.

    het vermogen (artikel 34 van de wet);

  • 5.

    het inkomen (artikel 32 van de wet, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm).

Algemene voorwaarden voor algemene bijstand gelden ook  

Voor het recht op bijzondere bijstand gelden ook de algemene voorwaarden voor bijstand15 16 . Dit betekent dat de algemene voorwaarden voor het recht op bijstand van toepassing zijn. Een belanghebbende moet dus eerst voldoen aan de algemene voorwaarden zoals vermeld in de artikelen 11 tot en met 16 van de wet om recht te hebben op (bijzondere) bijstand.

 

Een belanghebbende hoeft geen algemene bijstand te ontvangen om recht te kunnen hebben op bijzondere bijstand. Een belanghebbende kan toch recht op bijzondere bijstand hebben als hij een andere bron van inkomsten heeft, maar zijn inkomen volgens het college te laag is17 .

 

Voorliggende voorziening

Een belangrijke algemene voorwaarde is, dat geen recht op bijstand bestaat als een belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening18. Het college zal daarom bij iedere aanvraag bijzondere bijstand moeten beoordelen of sprake is van een voorliggende voorziening. Als dat zo is, bestaat er geen recht op (bijzondere) bijstand.19

 

Voorbeelden van een voorliggende voorziening zijn:

  • Zorgverzekeringswet (Zvw) → medische kosten, hulpmiddelen of tandheelkundige zorg die via de basis- of aanvullende verzekering gedekt worden.

  • Wet langdurige zorg (Wlz) → voorzieningen en zorg voor mensen die blijvend intensieve zorg nodig hebben.

  • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) → bijvoorbeeld hulp bij het huishouden, vervoersvoorzieningen of woningaanpassingen.

  • Jeugdwet → jeugdhulp en ondersteuning voor kinderen en jongeren.

  • Toeslagen van de Belastingdienst → zoals huurtoeslag, zorgtoeslag of kinderopvangtoeslag.

  • Voorzieningen UWV → zoals re-integratievoorzieningen, jobcoaching of vervoerskosten in verband met werk.

  • Studiefinanciering (DUO) → als het gaat om kosten die verband houden met studie en opleiding.

  • Kinderbijslag (SVB) of kindgebonden budget.

  • Verzekeringen.

Kort gezegd: als de wetgever een regeling heeft getroffen die passend en toereikend is voor de betreffende kosten in de betreffende situatie, moet de burger daar eerst gebruik van maken. Alleen als die voorziening ontbreekt of niet toereikend is, kan er nog bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

Territorialiteitsbeginsel  

Het territorialiteitsbeginsel staat in de weg aan bijzondere bijstandsverlening. Het territorialiteitsbeginsel betekent dat een wet of regeling alleen geldt binnen het grondgebied van het land dat die wet heeft gemaakt. Toegepast op de bijzondere bijstand houdt dit het volgende in:

  • bijstand is er alleen voor mensen die in Nederland verblijven en hier hun woonplaats hebben;

  • kosten die iemand maakt buiten Nederland komen in principe niet voor (bijzondere) bijstand in aanmerking.

Artikel 2.2 De hoogte van de bijzondere bijstand

Als iemand recht heeft op bijzondere bijstand, wordt de hoogte daarvan berekend op basis van de noodzakelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Op dat bedrag wordt eerst het deel afgetrokken dat de belanghebbende zelf kan betalen (de draagkracht). Het bedrag dat daarna overblijft, is de bijzondere bijstand.

 

Voor het bepalen van de hoogte wordt in veel gevallen rekening gehouden met landelijke richtlijnen die over een onderwerp zijn opgesteld zoals de Nibud-richtlijnen.

 

Artikel 2.3 De hoogte van de draagkracht

Het inkomen bestaat uit alle netto inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Voor de bijzondere bijstand wordt alleen rekening gehouden met het inkomen als dit meer is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit geldt voor alle kosten soorten met uitzondering van de woonkostentoeslag. Hiervoor geldt dat er rekening wordt gehouden met het inkomen als het meer is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm.

 

Het vermogen bestaat uit alle vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

 

Het college bepaalt zelf welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De wetgever heeft het college dus de vrijheid gegeven om te beoordelen in hoeverre belanghebbende het op grond van artikel 31 lid 2 van de wet en artikel 34 lid 2 van de wet vrijgelaten inkomen of vermogen in aanmerking te nemen om de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd te voldoen. Het college heeft ervoor gekozen het inkomen zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 van de wet en het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 van de wet niet in aanmerking te nemen.

 

In artikel 34 lid 2 van de wet staat dat niet als vermogen meetelt:

  • a.

    bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;

  • b.

    het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;

  • c.

    spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;

  • d.

    het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voor zover dit minder bedraagt dan € 65.500,-;

  • e.

    vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.

Artikel 2.4 De draagkrachtperiode

Het college bepaalt het begin van de draagkrachtperiode. Dit volgt uit de laatste zin van artikel 35 lid 1 van de wet.20

 

Lid 1

In beginsel wordt de draagkracht voor een periode van 12 maanden vastgesteld.

 

Lid 3

Als periodieke bijzondere bijstand, bijvoorbeeld woonkostentoeslag, wordt verleend voor de duur van een half jaar, is het logisch de draagkrachtperiode ook voor 6 maanden in plaats van 12 maanden vast te stellen.

 

Lid 4

Wanneer sprake is van een omvangrijke wijziging in de persoonlijke omstandigheden is maatwerk mogelijk.

 

Artikel 2.5 De vorm van de bijzondere bijstand

Lid 1

De bijstand, dus ook de bijzondere bijstand, wordt in beginsel om niet verleend21. De wet kent daarnaast ook andere vormen van bijstandsverlening, zoals een geldlening22 of bijstand in natura23.

 

Lid 2

In sommige gevallen kan de bijzondere bijstand geheel of gedeeltelijk worden verleend in de vorm van een geldlening. De criteria – waaraan voldaan moet worden om hiervoor in aanmerking te komen - staan vermeld in dit lid van de beleidsregel.

 

Het uitgangspunt is dat de bijzondere bijstand moet worden terugbetaald. Als de belanghebbende de verplichtingen die voortvloeien uit de geldlening niet of onvoldoende nakomt, kan het college (het restant van) de geldlening direct terugvorderen op grond van artikel 58 lid 2 onderdeel b Participatiewet.24 

 

Artikel 2.6 Incidentele en periodieke verstrekkingen

In dit artikel wordt voor wat betreft de systematiek van de verrekening van de in aanmerking te nemen draagkracht onderscheid gemaakt tussen incidentele en periodieke bijzondere bijstand.

 

Artikel 2.7 Drempelbedrag

Het college heeft op 9 januari 2007 besloten om met ingang van 1 januari 2007 geen drempelbedrag te hanteren bij de verlening van bijzondere bijstand.

 

HOOFDSTUK 3. DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN EN OVERIGE WOON- EN INRICHTINGSKOSTEN

 

Artikel 3.1 Noodzakelijke kosten en bijzondere omstandigheden

De wet gaat ervan uit dat de kosten van duurzame gebruiksgoederen en inrichting horen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dat betekent dat de belanghebbende wordt geacht deze kosten te betalen uit een inkomen op bijstandsniveau, de in aanmerking te nemen draagkracht en voor zover belanghebbende daar recht op heeft, de individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag.

 

Lid 3

Reserveringsplicht

Omdat deze kosten voorzienbaar zijn, wordt van de belanghebbende verwacht dat er wordt gereserveerd voor deze kosten. De reserveringscapaciteit van de belanghebbende bedraagt 5% van de per 1 januari van het betreffende kalenderjaar voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Heeft belanghebbende recht op de individuele inkomenstoeslag of studietoeslag, dan wordt er geen rekening gehouden met de reserveringscapaciteit.

 

Vermogen

Het college heeft ervoor heeft gekozen dat de belanghebbende zijn vermogen zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 van de wet niet hoeft aan te spreken. Dit volgt uit artikel 2.3 van deze beleidsregels.

 

Lid 4  

Lid 4 geeft – met een kanbepaling - ruimte aan het college voor maatwerk. Het college kan beoordelen of er sprake is van een situatie waarin het onredelijk is om van de inwoner te verwachten dat hij of zij de kosten zelf betaalt.

 

Uitzonderingen: bijzondere individuele omstandigheden 

Toch kan het college bijzondere bijstand verlenen als de belanghebbende door bijzondere individuele omstandigheden de kosten niet zelf kan dragen. Hieronder wordt een aantal situaties genoemd waarin dat in elk geval zo is:

  • de belanghebbende die zelfstandig gaat wonen zonder eerder adres (bijvoorbeeld uit de opvang of van de straat);

  • de belanghebbende die na een lange detentie (minimaal 12 maanden) weer zelfstandig gaat wonen;

  • de belanghebbende die vanwege het aanvaarden van werk moet verhuizen (alleen de verhuiskosten);

  • de belanghebbend die in het kader van schuldhulpverlening verhuizen naar een goedkopere woning (alleen de verhuiskosten);

  • de belanghebbende die statushouder is en die een woning krijgt toegewezen;

  • de belanghebbende die wél had kunnen reserveren, maar dat niet of onvoldoende hebben gedaan door tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef, terwijl de kosten dringend en niet uitstelbaar zijn;

  • de belanghebbende die om redenen buiten hun schuld niet in staat is geweest om te reserveren (bijvoorbeeld inwoners die alleen AOW ontvangen).

Artikel 3.2 Oriëntatieperiode

Lid 1

Het college kan de belanghebbende die een aanvraag indient verplichten zich gedurende maximaal twee termijnen van twee weken te oriënteren om zelf te voorzien in de gevraagde kosten en in een duurzame oplossing. Gedurende die periode wordt van de belanghebbend gevraagd zich daar zichtbaar voor in te spannen. Als de belanghebbende dat niet heeft gedaan kan het college de aanvraag afwijzen.

 

Lid 2

In de in dit lid genoemde situaties legt het college geen oriëntatieperiode op.

 

Artikel 3.3 Hoogte van de bijzondere bijstand

Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst mogelijke passende oplossing:

  • reparatie van het oude product; of

  • aanschaf van een tweedehands product; of

  • aanschaf van een nieuw product.

De kosten verbonden aan een gebruikelijke inventaris van een woning worden als noodzakelijke kosten beschouwd. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de Nibud-Prijzengids.

 

Artikel 3.4 Vorm van de bijzondere bijstand

Lid 1

Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten wordt in beginsel verleend als bijstand om niet.

De bijstand wordt geheel of gedeeltelijk verleend in de vorm van een geldlening in de gevallen zoals beschreven in artikel 2.5 lid 2 van deze beleidsregels. Aanvullend, en specifiek betrekking hebbend duurzame gebruiksgoederen en overige woon- en inrichtingskosten, worden in lid 1 van dit artikel nog drie situaties beschreven waarin de bijstand geheel of gedeeltelijk in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, namelijk als:

  • a.

    het een adresloze betreft die zelfstandig gaat wonen;

  • b.

    het een ex-gedetineerde betreft die na een detentieperiode van ten minste 12 maanden aansluitend zelfstandig gaat wonen;

  • c.

    het college van oordeel is dat de situatie een lening rechtvaardigt.

Lid 2

Als een adresloze of ex-gedetineerde zelfstandig gaat wonen, dan hoeft hij de geldlening de eerste 12 maanden niet af te lossen. Woont deze persoon na 12 maanden nog steeds zelfstandig en heeft hij, naar oordeel van het college, volledig meegewerkt aan een noodzakelijk geacht traject, dan wordt de lening omgezet in bijstand om niet.

 

Zie ook artikel 2.5, tweede lid van deze beleidsregel.

 

Artikel 3.5 Bijzondere bijstand voor eerste maand huur

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Voor wat betreft de vorm van de bijstand wordt verwezen naar de artikelen 2.5, 3.4 van deze beleidsregel en lid 7 van dit artikel.

 

Artikel 3.6 Kosten tijdens en na detentie

Een persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, is op grond van artikel 13 lid 1 onderdeel a van de wet uitgesloten van het recht op bijstand. In de noodzakelijke kosten van het bestaan van deze personen wordt voorzien door het ministerie van Justitie en Veiligheid.

De uitsluiting van het recht op bijstand geldt voor wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Op de dag dat belanghebbende in detentie wordt genomen is deze uitgesloten van het recht op bijstand.

 

Lid 1

Met een aanvraag voor de kosten van de opslag van de meubels in de periode tijdens detentie dient gelet op het voorgaande terughoudend worden omgegaan. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om daarvoor en regeling te treffen. Daarbij wordt gekeken of belanghebbende met eigen spaargeld de detentieperiode kan overbruggen.

 

Lid 3 

Het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand voor de opslag van meubels is maatwerk. Uitgangspunt is de goedkoopst passende oplossing.

 

Lid 4

De hoogte van de bijzonder bijstand voor overbrugging wordt niet naar rato berekend. Hier is voor gekozen omdat de cliënt altijd een hele maand moet overbruggen.

 

Artikel 3.7 Voorwaarden en uitbetaling

Lid 1

De belanghebbende dient de aankoopbonnen en de rekeningen van de reparatie, gerekend vanaf de maand waarin de bijzondere bijstand is uitbetaald, 12 maanden te bewaren en op verzoek van het college te tonen.

Als de belanghebbende niet beschikt over aankoopbonnen of rekeningen omdat de goederen zijn aangeschaft via marktplaats of soortgelijke sites of bij de kringloop, kan belanghebbende volstaan met het opstellen van een lijst met daarop een beschrijving van de aangeschafte goederen, het aankoopbedrag, de aankoopdatum en de naam van de persoon van wie belanghebbende heeft gekocht.

Belanghebbende dient die lijst tenminste 12 maanden te bewaren en het college desgevraagd in de gelegenheid te stellen door middel van een huisbezoek te verifiëren of de goederen zoals die op de lijst staan vermeld ook daadwerkelijk zijn aangeschaft.

 

Uit de aankoopbonnen en/of de rekeningen van de reparatie moet blijken dat belanghebbende of diens partner de goederen heeft aangeschaft en waaraan de verstrekte bijzondere bijstand is besteed.

 

Lid 2

Het college kan op grond van artikel 57 van de wet besluiten de belanghebbende te verplichten dat de bijzondere bijstand rechtstreeks wordt betaald aan de leverancier. De belanghebbende dient dan wel eerst een machtiging te ondertekenen. Het toepassen van artikel 57 Participatiewet is alleen mogelijk indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Er moeten gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp zijn bestaansmiddelen niet verstandig kan besteden. Denk aan situaties waarin de belanghebbende zich in een problematische schuldsituatie bevindt, of daarin dreigt te geraken. Ook kan het gaan om situaties waarbij de belanghebbende beschermd moet worden tegen het afglijden in de samenleving en niet zelfredzaam is. Het kan gaan om bijvoorbeeld dakloos zijn, psychosociale problemen, verslaving en schulden.

 

Een dreigende problematische schuldsituatie kan bijvoorbeeld bestaan als het risico bestaat dat de huur- en energierekeningen niet langer worden betaald. Of dat belanghebbende door het niet betalen van de premie voor de zorgverzekering onverzekerd raakt. Dit kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een slecht bestedingspatroon, verslavingen of onverwachte omstandigheden. 

 

HOOFDSTUK 4. WOONKOSTENTOESLAG

 

Artikel 4.1 Recht op woonkostentoeslag

De bijstandsnorm is erop gericht om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Hiermee worden onder meer de woonlasten bedoeld. Als de woonlasten hoger liggen dan het bedrag waarmee in de bijstandsnorm rekening wordt gehouden, kan de belanghebbende belastingdienst vragen om huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag. De Wet op de huurtoeslag wordt aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor zover het de kosten van een huurwoning betreft. Als de belanghebbende (nog) niet of in onvoldoende mate in aanmerking komt voor huurtoeslag, dan kan de belanghebbende in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag.

De woonkostentoeslag is een onbelaste uitkering. Dat betekent dat een toegekende woonkostentoeslag geen gevolgen heeft voor het recht op huurtoeslag in het jaar daarop.

Er zijn meerdere situaties waarin de belanghebbende geen of onvoldoende een beroep kan doen op de Wet op de huurtoeslag, bijvoorbeeld de volgende:

 

  • a.

    Inkomensdaling

    De huurtoeslag wordt afgestemd op een schatting van het jaarinkomen. Het jaarinkomen wordt door de huurder opgegeven bij de aanvraag huurtoeslag. De huurder is verplicht om relevante wijzigingen gedurende het jaar te melden bij de Belastingdienst. Deze kan dan het voorschot herzien. Bij een inkomensdaling kan er aanleiding zijn om woonkostentoeslag te verstrekken. Dit, omdat bij het vaststellen van het totale jaarinkomen ook de maanden worden meegenomen waarin het hogere inkomen van toepassing was. De huurtoeslag zal dan lager uitvallen.

  • b.

    Echtscheidingsprocedure

    Door de verbintenis met de toekomstige ex-echtgeno(o)t(e) kan het gezamenlijke inkomen nog te hoog zijn voor een huurtoeslag.

  • c.

    Eigen woning of woonwagen

    Bij een eigen woning of woonwagen kan geen beroep worden gedaan op huurtoeslag.

  • d.

    Inkomstenvrijlating

    In tegenstelling tot de wet rekent de Wet op de huurtoeslag wel het bedrag aan inkomstenvrijlating tot het inkomen. Het recht op gedeeltelijke vrijlating van inkomsten uit arbeid kan ertoe leiden dat er minder huurtoeslag wordt ontvangen dan in de situatie zonder inkomstenvrijlating. Als dit aan de orde is betreft het een gering bedrag. Het gemis aan huurtoeslag kan in dat geval met een woonkostentoeslag worden gecompenseerd. Anders zou de stimulans om parttime werk te aanvaarden teniet worden gedaan.

In sommige situaties kan het nodig zijn om niet de volledige woonkostentoeslag aan belanghebbende toe te kennen. Maar alleen dat deel dat redelijkerwijs voor rekening van belanghebbende komt. Bijvoorbeeld bij zoals die van een extreem hoge hypotheeklasten/huur.

 

Vanaf 1 januari 2026 is er geen maximale huurgrens meer om in aanmerking te kunnen komen voor de huurtoeslag. Dat betekent dat voor belanghebbenden die voor 1 januari 2026 niet in aanmerking kwamen voor huurtoeslag daar nu wel voor in aanmerking komen, maar dan alleen voor het deel van de huur dat lager is dan de maximale huurgrens. Immers, voor de berekening van de hoogte van de huurtoeslag blijft de maximale huurgrens wel bestaan. Dit heeft tot gevolgd dat belanghebbenden die vanaf 1 januari 2026 alsnog aanspraak kunnen maken op huurtoeslag er rekening mee moeten houden dat hun woonkostentoeslag wordt verlaagd;

  • a.

    jongeren krijgen vanaf 21 jaar recht op volledige huurtoeslag. Tot 1 januari 2026 was dit nog 23 jaar;

  • b.

    de vergoeding in de huurtoeslag over servicekosten verdwijnt. Vanaf 2026 telt alleen nog de kale huurprijs voor de berekening van de huurtoeslag, dus zonder servicekosten;

  • c.

    de rekenformules en de inkomensafhankelijke afbouw van de huurtoeslag zijn veranderd. Als het inkomen stijgt, daalt de huurtoeslag geleidelijk.

Een aantal cliënten met hogere huur komt wellicht vanaf 1 januari 2026 in aanmerking voor huurtoeslag. Dit is een voor de Participatiewet voorliggende, maar in een aantal situaties niet toereikende voorziening. We hebben geïnventariseerd welke huishoudens nu woonkostentoeslag ontvangen omdat hun huur te hoog is. We informeren hen tijdig over de wetswijziging en wijzen hen erop dat zij huurtoeslag bij de Belastingdienst dienen aan te vragen. Immers, van hen kan worden gevraagd aanspraak te maken op een voorliggende voorziening. Ze worden erop gewezen dat de betaalde woonkostentoeslag van hen kan worden teruggevorderd wegens achteraf door hen ontvangen middelen25. Deze cliënten zullen de gemeente moeten inlichten26 zodra aan hen alsnog huurtoeslag wordt toegekend, zodat kan worden overgegaan tot terugvordering.

 

Artikel 4.2 Hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning

Bij het bepalen van de hoogte van de woonkostentoeslag wordt uitgegaan van de berekening zoals die wordt gemaakt bij de uitvoering van de Wet op de huurtoeslag. Zie de proefberekening zoals die door de Belastingdienst is te vinden op www.toeslagen.nl.

 

Artikel 4.3 Hoogte woonkostentoeslag bij een eigen woning

De eigenaar van een woning heeft geen recht op huurtoeslag. Bij een laag inkomen en hoge woonkosten kunnen zij in aanmerking komen voor woonkostentoeslag.

Ook de woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt vastgesteld volgens de berekening van de Wet op huurtoeslag27. Voor het vaststellen van de rekenhuur bij een eigen woning wordt een aantal kosten in ogenschouw genomen. Deze optelsom uit artikel 4.3 lid 1 levert de rekenhuur op voor berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag. Ook bij een eigen woning kan het aan de orde zijn dat de rekenhuur (woonkosten) hoger liggen dan de maximale huurgrens. Voor dat deel kan ook bijzondere bijstand worden verleend.

 

Artikel 4.4 Verhuisplicht

De verhuisplicht houdt in dat belanghebbende binnen een te stellen termijn de nodige inspanningen moet verrichten om zijn woning te verkopen (bij een woning in eigendom) of (bij een huurwoning) woonruimte te zoeken waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op voldoende huurtoeslag.

 

Artikel 4.5 Duur van de woonkostentoeslag

Het college verleent woonkostentoeslag voor een huurwoning voor maximaal 12 maanden.

Na afloop van die termijn wordt beoordeeld of de belanghebbende voldoende inspanningen heeft verricht om in aanmerking te komen voor een woning waarvoor wel of wel voldoende aanspraak kan worden gemaakt op huurtoeslag en of de individuele omstandigheden verder ook nog rechtvaardigen om de woonkostentoeslag na afloop van die termijn voort te zetten28.

     

Hoofdstuk 5. Eigen bijdrage rechtsbijstand, griffierecht, kosten bewindvoering, onder curatelestelling, mentorschap

 

Artikel 5.1 Kosten rechtsbijstand en griffierechten

Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand als op grond van de Wet op de rechtsbijstand - een toevoeging van een advocaat wordt verleend.

 

Wet op de rechtsbijstand (Wrb)

Op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kan iemand met een laag inkomen in aanmerking komen voor een toevoeging van een advocaat. Een toevoeging van een advocaat vindt slechts plaats als de Raad voor de rechtsbijstand de procedure noodzakelijk acht. In dat geval worden de kosten (exclusief de eigen bijdrage) van de advocaat vergoed op grond van de Wrb. Wil iemand een advocaat inschakelen? En wil men bijzondere bijstand aanvragen voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand? Dan kan eerst contact op worden genomen met het Juridisch Loket (0900-8020) voor gratis juridisch advies. Zij beoordelen of het inschakelen van een advocaat nodig is.

 

Rechtsbijstandsverzekering.

Indien de belanghebbende over een rechtsbijstandsverzekering beschikt, dan is dit een voorliggende voorziening. Het is wel mogelijk om bijzondere bijstand te verlenen voor het eventuele eigen risico. Het feit dat de belanghebbende geen rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten, is geen grond om een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

 

Kosten gezinshereniging

Bijzondere bijstand is ook mogelijk voor een eigen bijdrage rechtsbijstand die betrekking heeft op een gezinshereniging. In dat geval moet de rekening van deze kosten en de toevoeging op naam van de aanvrager staan.

 

Geen bijzondere bijstand voor

De volgende kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:

  • vertaalkosten. Advocaten kunnen namelijk kosteloos gebruik maken van een gesubsidieerd tolkencentrum;

  • de kosten gemaakt in de bezwaarfase, anders dan de eigen bijdrage op grond van de Wrb;

  • verdergaande rechtsbijstand ten vervolge op een spreekuur29. Betreffende eigen bijdrage kan uit de norm worden voldaan   

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, verminderd met de kosten die via een voorliggende voorziening worden vergoed. De belanghebbende moet hiervan bewijsstukken overleggen.

 

Vorm bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage rechtsbijstand, griffierecht, kosten bewindvoering, onder curatelestelling, mentorschap wordt in de regel om niet verleend30. Indien de kosten het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, kan de bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht of een geldlening31 worden verstrekt. Zie ook artikel 2.5 lid 2 van deze beleidsregels.

 

Kosten griffierecht

De indiener van het beroepschrift is griffierecht verschuldigd32. In inburgerings-geschillen, bijstandsgeschillen en in procedures op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geldt het verlaagde griffierecht33.

Het griffierecht moet binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier betaald zijn aan de rechtbank34. Dat kan door het bedrag over te maken op de rekening van het gerecht of door bij de griffie contant te betalen. Bij betaling per bank is de datum van bijschrijving op de bankrekening beslissend35.

 

De beoordeling of deze kosten noodzakelijk zijn, vindt – in eerste instantie - plaats aan de hand van advies van de medewerkers van het juridisch loket. Het college kan daar in bijzondere, individuele omstandigheden van afwijken. Hierbij kan gedacht worden aan op de persoon betrekking hebbende omstandigheden.

 

Artikel 5.2 Kosten bewindvoering, curatele en mentorschap

In de ‘Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren’ wordt jaarlijks de tarieven voor bewindvoerders, curatoren en mentoren vastgesteld. Deze worden gepubliceerd in de Staatscourant. Zolang de kosten van de bewindvoerder, curator en/of mentor niet hoger zijn dan de bedragen vermeld in deze regeling, komen deze kosten in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

Extra werkzaamheden

Voor het declareren van een hoger bedrag en/of meer uren dan het standaard aantal uren is toestemming van de kantonrechter nodig. De toestemming kan worden aangevraagd door een machtigingsverzoek in te dienen bij de kantonrechter. Er moet een bewijs worden aangeleverd dat het machtigingsverzoek is toegestaan door de kantonrechter. Daarnaast moet uit de nota blijken welke extra werkzaamheden zijn verricht.

   

Artikel 5.3 Kosten beheerrekening

Om bewind of curatele te kunnen voeren zijn twee rekeningen nodig: een beheerrekening en een leefgeldrekening. Wanneer voor beide bankrekeningen rechtstreeks door de bank bij de inwoner kosten in rekening wordt gebracht, kan voor één van deze bankrekeningen bijzondere bijstand worden verleend. Dit zijn noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Voor de andere bankrekening kan geen bijzondere bijstand worden verleend. Het aanhouden van één bankrekening behoort namelijk tot de algemeen noodzakelijke kosten die iemand ook heeft die niet onder bewind of curatele is gesteld.

 

De hoogte van de bijzondere bijstand voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde kosten bedraagt de hoogte van de werkelijke kosten. 

 

Artikel 5.4 Kosten intake eenmalige wijziging bewindvoerder, curator of mentor

De rechtbank Overijssel heeft op 24 september 202436 heeft in een uitspraak bepaald dat de noodzaak voor de benoeming van de nieuwe bewindvoerder in dit geval is komen vast te staan met de uitspraak van de kantonrechter. De intakekosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd, moeten om die reden noodzakelijk worden geacht.

 

Artikel 5.5 Extra bankkosten

De Nederlandse banken laten bewindvoerders en curatoren extra betalen voor het aanhouden van bankrekeningen voor hun cliënten. De bewindvoerder of curator is verplicht dit te betalen. Bewindvoerders en curatoren mogen per persoon voor wie zij bewind of curatele uitvoeren éénmaal per kalenderjaar extra bankkosten in rekening brengen. Bij een ontslag/benoeming mag de opvolgende bewindvoerder of curator de bankkosten pas in het volgende kalenderjaar in rekening brengen.

 

Gemeente Zwolle kent aan iedere inwoner deze extra bankkosten ambtshalve toe in het eerste kwartaal van het jaar als zij op dat moment periodieke bijzondere bijstand ontvangen voor de kosten van onderbewindstelling of ondercuratelestelling. Wordt een inwoner in de loop van het jaar onder bewind of curatele gesteld en wordt een aanvraag gedaan voor (periodieke) bijzondere bijstand? Dan kunnen de bankkosten ambtshalve worden meegenomen in deze aanvraag. Een bewijsstuk dat deze kosten ook daadwerkelijk in rekening worden gebracht bij de inwoner is niet noodzakelijk.

 

Artikel 5.6 Legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie

Vluchtelingen en asielgerechtigden hoeven geen leges te betalen voor het aanvragen of verlengen van hun asielvergunning. Voor een ‘verblijfsvergunning regulier’ voor gezinshereniging (bijvoorbeeld voor de echtgenoot of kinderen) moeten wél leges worden betaald. Dit geldt ook voor de partner en kinderen van een vluchteling of asielgerechtigde die zelf een reguliere verblijfsvergunning aanvragen.

Uitzondering: als de gezinshereniging binnen drie maanden na het toekennen van de asielstatus plaatsvindt, hoeft deze laatste groep geen leges te betalen.

  

Lid 2, sub a.

Als algemene regel geldt dat voor de betaling van de leges in verband met een verblijfsvergunning regulier geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. Er is immers geen noodzaak voor de gemaakte kosten, omdat het verblijf van een vreemdeling in Nederland in het algemeen geen gedwongen karakter heeft. Bijzondere bijstand is wel mogelijk voor zover het de leges betreffen van de echtgenoot/partner en kinderen van een vluchteling of asielgerechtigde die niet binnen 3 maanden zijn nagereisd.

Bijzondere bijstand is ook mogelijk voor een eigen bijdrage rechtsbijstand die betrekking heeft op een gezinshereniging. In dat geval moet de rekening van deze kosten en de toevoeging op naam van de aanvrager staan.

Het verlenen van bijzondere bijstand is mogelijk, omdat het verblijf van de vluchteling of asielgerechtigde een gedwongen karakter heeft en hij/zij recht heeft op voortzetting van zijn gezinsleven.  

 

Lid 2, sub b

Deze kosten behoren tot de incidenteel, voorkomende, algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De belanghebbende moet deze kosten in beginsel uit de bijstandsnorm voldoen.

 

Hoofdstuk 6. Bijzondere bijstand voor reiskosten

 

Artikel 6.1 Reiskosten gerechtelijke procedures

Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten voor het bijwonen van rechtszittingen. Voor de vaststelling van de noodzaak wordt aangesloten bij de noodzakelijkheid die door de Raad voor de rechtsbijstand is vastgesteld door afgifte van een toevoeging. Als er een toevoeging is afgegeven, kan de noodzaak worden aangenomen

 

Artikel 6.2 Reiskosten bezoek gedetineerd familielid

Er is bijzondere bijstand mogelijk voor bezoekkosten van een gedetineerde, als het gaat om een gedetineerd gezinslid in de eerste graad. Het mag ook gaan om pleegkinderen of pleegouders. Frequentie eenmaal per twee weken voor twee personen.

Voor reiskosten wegens bezoek aan een in het buitenland gedetineerd gezins- of familielid wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

Zodra de gedetineerde met weekendverlof mag, komt de bijzondere bijstand voor de reiskosten van familieleden te vervallen. De gedetineerde kan voor reiskosten geen beroep doen op de bijzondere bijstand.

 

Artikel 6.3 Reiskosten omgangsregeling

Woont het kind korter dan een half jaar ergens anders vanwege een ziekenhuisopname? Dan is het kind voor de Sociale Verzekeringsbank (SVB) nog steeds thuiswonend en verandert er niets aan de kinderbijslag. Als een kind langer niet thuis verblijft is het soms wel mogelijk om kinderbijslag te krijgen, bijvoorbeeld als belanghebbende voor het uitwonende kind onderhoudslasten heeft. Het kind mag beperkt bijverdienen. Als er veel kosten zijn voor een uitwonend kind, kan iemand in aanmerking komen voor tweemaal kinderbijslag. In bovenstaande situaties kunnen de reiskosten vanuit de kinderbijslag worden voldaan en is geen bijzondere bijstand mogelijk.

 

Als de ouders na echtscheiding niet in dezelfde woonplaats wonen, brengt de omgangsregeling kosten met zich mee. Deze kosten behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en worden uit de norm betaald. Het recht van het kind op contact met de ouders en van het recht op gezinsleven is geen reden om tot bijstandsverlening over te gaan. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dienen namelijk de reis- en verblijfkosten die een kind in het kader van een omgangsregeling maakt ten laste te komen van de ouder tot wiens gezin het kind behoort (de verzorgende ouder).

 

Soms komt het voor dat de verzorgende ouder, ook na aanhoudende verzoeken, weigert de reiskosten te betalen. Dan is het voor de niet-verzorgende ouder alleen mogelijk de kinderen te ontvangen als deze zelf de reiskosten betaalt. Als deze ouder bijstandsafhankelijk is en aannemelijk kan maken d.m.v. brief jeugdzorg of advocaat alles te hebben gedaan om de ex-partner tot medewerking te bewegen, maar het toch zonder resultaat blijft, is bijzondere bijstand mogelijk.

Voor de bezoekfrequentie kan aangesloten worden bij de omgangsregeling zoals deze door de rechter is vastgelegd.

 

Artikel 6.4 Reiskosten van uithuisgeplaatst kind naar de ouder(s)

Als kinderen uit huis zijn geplaatst bij een Jeugdinstelling of pleeggezin, kan een beroep worden gedaan op een reiskostenvergoeding van de Jeugdinstelling. Soms wordt eenmaal per maand een vergoeding voor reiskosten verstrekt en soms is incidenteel meer vergoeding voor reiskosten mogelijk. Als het kind in een instelling verblijft die onder de Wlz valt, is er geen vergoeding mogelijk vanuit de Jeugdwet. Als een kind niet thuis verblijft is het soms wel mogelijk om kinderbijslag te ontvangen. Als er veel kosten zijn voor een uitwonend kind kan soms tweemaal kinderbijslag worden toegekend. De kinderbijslag is in dit geval een voorliggende voorziening.

 

Als er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening is bijzondere bijstand voor reiskosten mogelijk. Voor de vergoeding van reiskosten mag bij de bezoekfrequentie aangesloten worden bij de bezoekregeling zoals bepaald door de instelling.

 

Artikel 6.5 Reiskosten van ouders naar uithuisgeplaatst kind

Als kinderen uit huis zijn geplaatst bij een jeugdinstelling of pleeggezin, kan voor kosten van bezoek door de ouders aan het kind geen beroep worden gedaan op een vergoeding van de Jeugdinstelling c.q. de Jeugdwet. Afhankelijk van de omstandigheden kan er bijzondere bijstand voor de bezoekkosten worden verstrekt. Voor de vergoeding van reiskosten mag bij de bezoekfrequentie aangesloten worden bij de bezoekregeling zoals bepaald door de instelling of de rechtbank.

 

Artikel 6.6 Reiskosten zieke gezinsleden en logieskosten

Als gezinsleden in een ziekenhuis of een andere inrichting buiten Zwolle worden verpleegd, is er bijzondere bijstand mogelijk voor de reiskosten naar de gezinsleden. Het gaat hier om reiskosten naar de (pleeg)ouders, partner van belanghebbende en de ten laste komende (pleeg)kinderen. Voor het aantal noodzakelijk geachte bezoeken geldt de volgende regel:

 

  • Elke dag voor maximaal twee personen die direct tot het gezin behoren bij:

    • o

      terminale ziekte;

    • o

      verpleging op een intensive care;

    • o

      bij zieke kinderen.

  • Tweemaal per week voor twee personen die direct tot het gezin behoren bij overige ziekenhuisopnames.

  • Wegens sociale en/of medische redenen kan van deze aantallen worden afgeweken.

  • Bij zieke kinderen is het verblijf in een Ronald McDonald huis vaak goedkoper dan de reiskosten die gemaakt moeten worden. Vergoeding van deze kosten via de aanvullende ziektekostenverzekering is soms mogelijk. De goedkoopste oplossing verdient de voorkeur.

Voor mensen die aanvullende zorgverzekering hebben is deze verzekering een voorliggende voorziening. Het niet deelnemen aan een aanvullende zorgverzekering heeft geen consequenties voor het bepalen van de bijzondere bijstand inzake reiskosten zieke familieleden.

 

Artikel 6.7 Reiskosten uitvaart

Er is bijzondere bijstand mogelijk voor deze kosten als het gaat om een overlijden van familie in de eerste of tweede graad of van een pleegouder of pleegkind. Een kopie van de rouwkaart en het treinkaartje zijn voldoende om tot vergoeding van de kosten over te gaan.Voor de reiskosten voor het bijwonen van een begrafenis of crematie in het buitenland is geen bijzondere bijstand mogelijk.

 

Artikel 6.8 Reiskosten waar geen bijzondere bijstand voor wordt verstrekt

Sub a. Medische of paramedische behandelingen

In het algemeen is het zo dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wlz alle noodzakelijke ziektekosten vergoeden. Beide regelingen gelden samen als een toereikende en passende voorliggende voorziening. Dit betekent dat ziektekosten die niet door de Zvw of Wlz worden vergoed ook niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

 

In de Wlz en Zvw is bijvoorbeeld door de wetgever een bewuste beslissing genomen over de noodzaak om zittend ziekenvervoer in bepaalde gevallen wel (behoudens de eigen bijdrage) of niet te vergoeden. Bijstandsverlening dient zich bij die keuze aan te sluiten. Indien immers de voorliggende voorziening bepaalde kosten in het algemeen of in een specifiek geval als niet noodzakelijk aanmerkt bestaat er voor deze kosten evenmin recht op bijzondere bijstand.37

 

Daarnaast zijn medische kosten, vanaf een bepaald drempelbedrag, aftrekbaar bij de belastingaangifte.

 

Sub b. Het onderhouden van sociale contacten

Als er geen familieleden of vrienden in de omgeving van Zwolle wonen zullen reiskosten gemaakt moeten worden voor de sociale contacten. Deze kosten vallen onder de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en zullen vanuit het gewone inkomen moeten worden voldaan. Bijzondere bijstand is niet mogelijk. Mensen met een geringe mobiliteit ten gevolge van een beperking kunnen een beroep doen op de Wmo.

 

Sub c. Kosten van woon-werk verkeer

Dit betreft de reiskosten van en naar het werk. In veel gevallen worden die door de werkgever vergoed. Als dat niet zo is, kunnen deze kosten worden opgenomen in de belastingaangifte.

 

Sub d. De uitvaart in het buitenland

Het territorialiteitsbeginsel verzet zich tegen de vergoeding van deze kosten via de bijzondere bijstand.

 

Artikel 6.9 Reiskosten voor scholing

Als belanghebbende een opleiding volgt in het Voortgezet Onderwijs buiten Zwolle omdat er in Zwolle geen passende opleiding is en recht heeft op een vergoeding vanuit de Wet tegemoetkoming ouderbijdrage scholingen (Wtos) dan kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die belanghebbende maakt van en naar de onderwijsinstelling.

 

Artikel 6.10 Duur en hoogte van de bijzondere bijstand.

Lid 1

De bijzondere bijstand voor periodieke kosten wordt voor maximaal 12 maanden toegekend en per maand vooruitbetaald.

 

Lid 3

Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand wordt uitgegaan van een reis per trein 2e klas of bus. Bij periodieke kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor een voordeelkaart, waarna met korting gereisd kan worden. Per aanvraag zal bezien moeten worden of reizen met een voordeelkaart uit kan. Belanghebbende dient de treinkaartjes en strippenkaarten tenminste 12 maanden gerekend vanaf de maand waarin de bijzondere bijstand is uitbetaald te bewaren en op verzoek van het college te tonen Soms is het gebruik van een auto passender dan het openbaar vervoer bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van goed openbaar vervoer of het openbaar vervoer is duurder. In dat geval wordt uitgegaan van een kilometervergoeding. Voor de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van een kilometervergoeding conform de tarieven van de Belastingdienst.

 

HOOFDSTUK 7. MEDISCH GERELATEERDE KOSTEN

 

Artikel 7.1 Medische kosten algemeen

Lid 1

Medische kosten moeten voor de wet op dezelfde manier worden behandeld als andere noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd.

Dat betekent dus ook dat geen bijzondere bijstand wordt verleend indien belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de kosten waarvoor hij bijstand aanvraagt38.

 

Wet langdurige zorg en Zor gverzekeringswet als passende en toereikende voorliggende voorziening

Belangrijke voorliggende voorzieningen voor medische kosten zijn de vergoedingen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw).

AIs sprake is van medische kosten die niet behoren tot de medische kosten die op grond van de Zvw voor vergoeding in aanmerking komt, dan kan er in beginsel van worden uitgegaan dat in de Zvw de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat het stelsel van deze voorliggende voorziening niet mag worden doorkruist door bijstandverlening. Het is namelijk moeilijk voor te stellen dat ervoor wordt gekozen om op zichzelf noodzakelijke zorg niet in de Zvw op te nemen enkel en alleen vanwege budgettaire redenen.39

 

Verordening hoge zorgkosten en verplicht eigen risico zorgverzekeringswet als passende en toereikende voorliggende voorziening

Een andere voorliggende voorziening voor medische kosten is de mogelijkheid van subsidie voor hoge zorgkosten op grond van de gemeentelijke Verordening hoge zorgkosten en verplicht eigen risico zorgverzekeringswet Zwolle 2025.

Als belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt voor medische kosten en als de kosten niet worden vergoed op grond van de Wlz of Zvw, dient eerst onderzocht te worden of belanghebbende in aanmerking komt voor subsidie op grond van genoemde gemeentelijke verordening.

Als de subsidie voor hoge zorgkosten al is toegekend, dan is bijzondere bijstand voor medische kosten enkel mogelijk voor kosten hoger dan het bedrag dat aan subsidie is ontvangen.

Als de subsidie voor hoge zorgkosten nog niet is aangevraagd, maar een aanvraag wel als kansrijk wordt ingeschat, dan dient belanghebbende die subsidie voor hoge zorgkosten eerst aan te vragen. Als de subsidie voor hoge zorgkosten vervolgens wordt toegekend, dan is bijzondere bijstand voor medische kosten enkel mogelijk voor kosten hoger dan dat het bedrag dat aan subsidie is ontvangen.

Als de subsidie voor hoge zorgkosten nog niet toegekend en een aanvraag als niet kansrijk wordt ingeschat dan hoeft hier geen rekening mee te worden gehouden voor wat betreft de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand.

 

Lid 2

Van belanghebbende wordt gevraagd een bij zijn situatie passende aanvullende verzekering voor ziektekosten af te sluiten. Wat passend is hangt af van de individuele omstandigheden van belanghebbende en vergt dus maatwerk. Zo kan belanghebbende worden gevraagd een aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten die past bij zijn medische omstandigheden en de in zijn situatie te verwachten kosten. Meestal is een aanvullende verzekering pakket 1 toereikend.

Soms kan in redelijkheid niet van belanghebbende worden verwacht een aanvullende verzekering af te sluiten. Voorbeelden van dergelijke situaties zijn:

  • belanghebbende wordt als gevolg van schulden of betalingsachterstanden niet door de verzekeraar wordt geaccepteerd. Het is dan wel van belang de voorwaarde te stellen dat belanghebbende aan zijn schuldenproblematiek werkt via een schulddienstverleningstraject, waardoor verbetering van zijn financiële situatie is verwachten;

  • belanghebbende heeft vanwege taalachterstand of beperkte basisvaardigheden te weinig kennis van het ziektekostenverzekeringssysteem;

  • belanghebbende heeft al jaren geen medische kosten en deze waren ook niet voorspelbaar.

Lid 3

Als belanghebbende zich zonder goede reden niet aanvullend heeft verzekerd met een pakket dat past bij zijn individuele omstandigheden, dan is het gevolg daarvan dat die kosten die door die passende verzekering zouden zijn gedekt, niet voor bijzondere bijstandsverlening aanmerking komen.

Echter, het college kan, bij wijze van uitzondering, toch bijzondere bijstand verlenen als er sprake is van kosten van een noodzakelijke medische behandeling of voorziening, waarin belanghebbende niet kan voorzien en waarvan uitstel leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijk functioneren van belanghebbende.

Belanghebbende moet aantonen dat er sprake is van een noodzakelijke medische behandeling of voorziening. Van belanghebbende wordt gevraagd de noodzaak te onderbouwen met een verklaring van een behandelend arts of andere deskundige. Als belanghebbende om wat voor reden geen onderbouwing van een behandelend arts of andere deskundige kan overleggen of als het college twijfelt over de waarde van de onderbouwing, vraagt het college een medisch advies bij de medisch adviseur van de gemeente.

 

Lid 4

Als het college bij wijze van uitzondering bijzondere bijstand heeft verleend zoals beschreven in lid 3 van dit artikel, wordt belanghebbende er schriftelijk op gewezen zich voor het volgende kalenderjaar alsnog passend te verzekeren.

 

Lid 5

Als belanghebbende zich - zonder goede reden - niet aanvullend verzekerd, kan dit betekenen dat in een volgend kalenderjaar hooguit bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening voor dat deel van (dezelfde) medische kosten die anders zouden zijn vergoed door de aanvullende verzekering

 

Artikel 7.2 Kosten van tandheelkundig behandeling

Lid 1

Als belanghebbende niet aanvullend is verzekerd voor deze kosten en als er geen sprake is van individuele omstandigheden waardoor van belanghebbende in redelijkheid niet kan worden gevraagd zich aanvullend te verzekeren, dan komen de noodzakelijke kosten in beginsel ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstandsverlening.

 

Lid 2

Het uitgangspunt is dat belanghebbende zich aanvullend verzekert voor € 500,- per kalenderjaar, behalve als dit door individuele omstandigheden niet van belanghebbende kan worden gevergd.

Voorbeelden van dergelijke individuele omstandigheden kunnen zijn:

  • belanghebbende wordt als gevolg van schulden of betalingsachterstanden niet door de verzekeraar geaccepteerd. Het is dan wel van belang de voorwaarde te stellen dat belanghebbende aan zijn schuldenproblematiek werkt via een schulddienstverleningstraject, waardoor verbetering van zijn financiële situatie is verwachten;

  • belanghebbende heeft vanwege taalachterstand of beperkte basisvaardigheden te weinig kennis van het ziektekostenverzekeringssysteem;

  • belanghebbende heeft al jaren geen kosten van tandheelkundige behandeling en deze waren ook niet voorspelbaar.

Lid 3

Als belanghebbende zich zonder goede reden niet aanvullend voor tandheelkundige behandeling heeft verzekerd, is het gevolg daarvan dat belanghebbende voor de kosten die door die passende verzekering zouden zijn gedekt, maximaal tot een bedrag van € 500,- per kalenderjaar, niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand.

 

Echter, het college kan, bij wijze van uitzondering, toch bijzondere bijstand voor die kosten verlenen als belanghebbende daarin niet kan voorzien en als uitstel van de behandeling leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijk functioneren van belanghebbende.

Belanghebbende moet dan wel aantonen dat er sprake is van een noodzakelijke tandheelkundige behandeling of voorziening. Van belanghebbende wordt gevraagd de noodzaak te onderbouwen met een verklaring van een behandelend tandarts. Als belanghebbende om wat voor reden geen onderbouwing van een behandelend tandarts kan overleggen of als het college twijfelt over de onderbouwing, vraagt het college een medisch advies bij de medisch adviseur van de gemeente.

 

Lid 4

Als het college toch bijzondere bijstand als bedoeld in lid 3 van dit artikel verleent, wordt belanghebbende, behalve als dit in redelijkheid niet van belanghebbende kan worden gevraagd, er schriftelijk op gewezen zich in het volgende kalenderjaar alsnog aanvullend te verzekeren voor tandheelkundige behandeling met een dekking van € 500,-. Hiermee wordt de belanghebbende voor wie het mogelijk is zich aanvullend te verzekeren, gestimuleerd om er zelf voor te zorgen dat er een adequate verzekering wordt afgesloten.

 

Lid 5 en 6

In deze leden is geregeld dat de eventueel te verlenen bijzondere bijstand voor de belanghebbende die een goede reden heeft om zich niet aanvullend te verzekeren tot een bedrag van € 1.000,- per kalenderjaar wordt verleend in de vorm van bijstand om niet.

 

Voor de belanghebbende die geen goede reden heeft om zich aanvullend te verzekeren, wordt de eerste € 500,- verleend in de vorm van een renteloze geldlening en de volgende € 500,- als bijzondere bijstand om niet.

 

Lid 7

Voor noodzakelijke kosten die uitgaan boven het bedrag van € 1.000,- beoordeelt het college of het medisch verantwoord is van belanghebbende te vragen de behandeling te spreiden over een langere periode. Mocht het college van oordeel zijn dat dit niet verantwoord is, kan het college de bijzondere bijstand voor het bedrag dat hoger is dan € 1.000,- verlenen in de vorm van een renteloze geldlening.

 

Lid 8

Dit betreft buitenwettelijk begunstigend beleid.

 

Artikel 7.3 Kosten van orthodontie voor minderjarige kinderen

Lid 1

In beginsel wordt er van uit gegaan dat ouders zich aanvullend hebben verzekerd voor de kosten van orthodontie. Deze kosten kan men over het algemeen aan zien komen. In veel gevallen gaat het om kinderen van ongeveer 12 jaar die toe zijn aan een beugel.

 

Lid 2

Van de ouders wordt verwacht dat zij zich tijdig aanvullend verzekeren voor kosten van orthodontie, dit voor zover zij deze kosten kunnen zien aankomen.

Voor kosten van orthodontie geldt bij veel zorgverzekeraars een wachttijd van één jaar. Dat betekent dat de zorgverzekeraar de kosten pas vergoedt nadat het kind minimaal één jaar voor orthodontie verzekerd is.

 

Lid 3

Als van de ouders kan worden verwacht zich aanvullend te verzekeren, maar de ouders dit om hen moverende redenen hebben nagelaten te doen, kan het college toch bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van orthodontie verlenen. Dit is het geval als de ouders niet in deze kosten kunnen voorzien en als het uitstellen van de behandeling leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijk functioneren van het kind. Uitgangspunt is dat kinderen niet medisch benadeeld moeten worden door (verkeerde) keuzes die de ouder(s) hebben gemaakt door geen aanvullende verzekering voor deze kosten af te sluiten.

De ouder(s) moet(en) de noodzaak van de kosten en van het niet kunnen uitstellen van de behandeling aantonen met een verklaring van de behandelend orthodontist. Bij twijfel kan het college advies vragen aan de medisch adviseur van de gemeente.

 

Lid 4

Aan de bijzondere bijstandsverlening is geen maximumbedrag gekoppeld.

 

Lid 5

De ouders worden, als dit in redelijkheid van hen kan worden verwacht, geadviseerd zich zo spoedig mogelijk aanvullend te verzekeren.

 

Lid 6

Als de ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten, verleent het college gedurende de wachttijd van de aanvullende verzekering geen bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van orthodontie.

 

Lid 7

Zie lid 3.

 

Lid 8

In deze situatie kan het college bijzondere bijstand om niet verstrekken.

 

Artikel 7.4 Stapeling van eigen bijdragen

Voor sommige ziektekosten geldt er een wettelijke eigen bijdrage of een eigen bijdrage die is bepaald door de zorgverzekeraar. Dan kan op basis van ‘stapeling van zorgkosten’ bepaald worden of er recht is op bijzondere bijstand voor deze kosten.

 

Er moet een bewijsstuk van de zorgverzekeraar ingeleverd worden waaruit blijkt dat de kosten ingediend zijn bij de zorgverzekeraar. Uit het bewijsstuk moet blijken wat de zorgverzekeraar vergoedt en wat belanghebbende zelf moet bijdragen in de kosten.

 

De eigen bijdrage moet wel onvermijdelijk zijn. Als belanghebbende er bijvoorbeeld voor kiest om een duurder montuur of een duurder hoortoestel aan te schaffen dan medisch noodzakelijk is, dan zijn de extra kosten hiervan voor belanghebbende zelf.

 

Als er sprake is van een onvermijdelijke stapeling van eigen bijdragen moet eerst worden bezien of belanghebbende aanspraak kan maken op subsidie voor hoge zorgkosten op grond van de Verordening hoger zorgkosten en verplicht eigen risico zorgverzekeringswet Zwolle 2025. Als de hoogte van deze subsidie niet toereikend is voor de stapeling van eigen bijdragen kan het college aanvullend bijzondere bijstand

 

Artikel 7.5 Kosten van een bril

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de startende brildrager en de belanghebbende die al brildragend is.

 

Situatie 1: De belanghebbende start met het dragen van een bril

Deze belanghebbende wordt geconfronteerd met nieuwe onvoorziene kosten, die uiteindelijk algemeen noodzakelijk gaan worden voor deze belanghebbende.

In deze situaties is bij de start sprake van bijzonder noodzakelijk te maken kosten. Daarom kan er bij de start van het dragen van een bril, bijzondere bijstand verleend worden voor deze kosten. Het betreft hier de kosten van een montuur en de kosten van glazen. Deze kosten tezamen vormen de kosten van een bril.

 

Situatie 2: De belanghebbende is al brildragend

Deze belanghebbende weet dat hij met enige regelmaat zijn bril moet vervangen. Het zijn geen onvoorziene kosten.

 

Wanneer de belanghebbende zich niet verzekerd heeft voor deze kosten, bespaart hij op de premie. Door de besparing op de maandelijkse premie, zou de belanghebbende zelf maandelijks geld opzij moeten leggen om in deze kosten te voorzien. Er wordt gesteld dat men dan ruimte in het inkomen heeft om de kosten zelf te betalen. Daarom is er geen bijzondere bijstand mogelijk voor de kosten van een opvolgende bril.

 

Artikel 7.6 Extra kosten als gevolg van een beperking of chronische ziekte

Het college kan bijzondere bijstand voor medische kosten verstrekken wanneer de belanghebbende bijzondere kosten heeft vanwege een handicap of chronische ziekte.

 

Lid 2

Zie voor de bepalingen rondom het medisch advies artikel 1.4 van deze beleidsregel.

 

Lid 3

In lid 3 worden de meest voorkomende bijzondere kosten genoemd. Deze lijst is echter niet volledig.

 

  • a.

    Meerkosten van wassen

    Het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van bewassing en slijtage van kleding en beddengoed is maar beperkt mogelijk. Dit kan namelijk alleen voor de kosten die hoger zijn dan het bedrag dat iedereen uit een bepaalde inkomensklasse per jaar uitgeeft aan deze kosten. Dit komt omdat de kosten van bewassing en kleding behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan.40

  • b.

    Meerkosten van een dieet of van voedingssupplementen

    Onder dieetkosten worden verstaan: de meerkosten ten opzichte van de kosten van normale gezonde voeding. Deze meerkosten komen voort uit een (medisch noodzakelijk) dieet. Met voedingssupplementen worden verschillende pillen, tabletten,capsules, druppels en poeders bedoeld. Deze gelden als aanvulling op de dagelijkse voeding.

    Dieetkosten en voedingssupplementen zitten niet in het zorgpakket van de wettelijke ziektekostenverzekeringen Wlz en Zvw).41 Voor deze kosten is geen sprake van een voorliggende, toereikende en passende voorziening.42 

    Vertrekking van bijzondere bijstand voor dieetkosten is enkel mogelijk wanneer het gaat om (aantoonbare) medisch noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze medische noodzaak zal door een deskundige vastgesteld moeten worden43. Zie in dit verband ook voor een voorbeeld waarin de noodzaak onvoldoende is aangetoond. Uit jurisprudentie44 kan voorts worden afgeleid dat de volgende (alternatieve) diëten en voedingssupplementen medisch niet noodzakelijk zijn:

    • een Myalgische Encephalomyelitis (M.E.)-dieet. Dit dieet werd door de GGD niet medisch noodzakelijk geacht. Dit omdat er geen (wetenschappelijk) bewijs te vinden is dat een dergelijk dieet werkt.45

    • een Candida-dieet, voorgeschreven door een orthomoleculair therapeut46

    • voedingssupplementen, voorgeschreven door een osteopaat.47

     

  • Het college mag zich bij zijn besluitvorming over de medische noodzakelijkheid van de meerkosten van dieet baseren op concrete adviezen van de medisch adviseur.

  • c.

    Maaltijdvoorziening

    Een maaltijdvoorziening is één van de basisvoorwaarden om ouderen in staat te stellen een zelfstandige leefwijze te behouden. De maaltijdvoorziening moet gezien worden als een aanvullende dienstverlening voor bepaalde tijd. Ouderen die wel in staat zijn om zelf een maaltijd te bereiden - eventueel met behulp van anderen of na een kookcursus - zullen in het algemeen niet voor een maaltijdvoorziening in aanmerking komen.

    De maaltijdvoorziening omvat zowel de thuisbezorgde maaltijd als de open tafel. De indicatiestelling wordt in de regel gedaan door de medisch adviseur. Soms kan dit ook worden gedaan door een onafhankelijke instelling. In sommige situaties is de noodzaak van een maaltijdvoorziening echter overduidelijk. In dat geval hoeft de consulent niet een onafhankelijke indicatiestelling in te zetten.

    De maaltijdvoorziening kan noodzakelijk zijn voor ouderen met de volgende fysieke en/of geestelijke handicaps:

    • Bij thuisbezorgde maaltijden:

      • o

        ouderen, die door verminderde validiteit of handicap (tijdelijk) niet meer een maaltijd kunnen maken;

      • o

        ouderen, voor wie het koken op psychische gronden bezwaren of gevaar - bijvoorbeeld bij vergeetachtigheid - oplevert.

    • Bij open-tafelgebruik:

      • o

        valide ouderen, die tijdelijk degene moeten missen die voor hen maaltijden maakt (bijvoorbeeld door ziekenhuisopname of vakantie) en die zelf nooit geleerd hebben een maaltijd te maken;

      • o

        valide ouderen, die er tegenop zien voor zichzelf te koken of alleen te eten; bij wijze van tijdelijke oplossing kan dan open-tafelgebruik noodzakelijk zijn.

  • Als valide ouderen een beroep doen op de maaltijdvoorziening, omdat men geen ervaring heeft met zelf koken, kan de mogelijkheid van een kookcursus worden besproken. Bij wijze van overgangsregeling kan dan het open-tafelgebruik positief geïndiceerd worden. Als de oudere wel kan koken maar tijdelijk niet de hiervoor benodigde boodschappen kan doen, kan worden verwezen naar buren- of bejaardenhulp.

    De meerkosten van een maaltijdvoorziening bedragen het verschil tussen de werkelijke kosten en de Nibud bedragen voor een warme maaltijd.

  • d.

    Meerkosten van verwarming

    De noodzaak voor het maken van extra stookkosten is ook in het geval er een medisch aanleiding is, niet altijd aanwezig. De CRvB stelt zich op het standpunt dat medisch nooit is bewezen dat de omgevingstemperatuur van invloed is op gewrichtsklachten, zodat in die gevallen hogere stookkosten niet noodzakelijk zijn.48 Ook oordeelde de CRvB dat reumatische klachten geen medisch noodzaak vormden voor een temperatuur hoger dan de normale kamertemperatuur.49

    De omvang van de meerkosten waarop de aanvraag ziet, komt pas vast te staan met de eindafrekening van de energieleverancier over het jaar waarvoor de warmtetoeslag is aangevraagd. Deze omstandigheid brengt mee dat op het moment waarop het college moet beslissen op de aanvraag de omvang van de meerkosten nog niet vaststaat. Dit staat echter niet aan de toekenning van bijzondere bijstand in de weg. Het college zal op basis van een realistische schatting van de meerkosten een bedrag voor de bijzondere bijstand moeten vaststellen.50

  • e.

    Orthopedisch schoeisel

    De Zvw en Wlz zijn een voorliggende voorziening voor de kosten van orthopedische schoenen.51 Voor deze schoenen geldt een eigen bijdrage. Dat komt doordat iedereen regelmatig schoenen moet kopen. Het is daarom redelijk dat ook belanghebbenden die orthopedische schoenen nodig hebben, zelf een vergelijkbaar bedrag bijdragen aan de kosten.52 Daarom wordt er in principe geen bijzondere bijstand verstrekt voor de eigen bijdrage van orthopedische schoenen.

  • f.

    Kosten verblijf hospice

    Een hospice is een zorginstelling of instelling met een huiselijke sfeer waar ongeneeslijk zieken in hun laatste levensfase worden verzorgd. Dit wordt ook wel palliatieve terminale zorg genoemd. Vergoeding van palliatieve zorg kan op verschillende manieren plaatsvinden:

    • Als er een Wlz-indicatie is, wordt de palliatieve terminale zorg vergoed door het zorgkantoor. Voor Wlz-zorg geldt een maandelijkse eigen bijdrage.

    • Is er géén Wlz-indicatie? Dan wordt de zorg vergoed door de basisverzekering.

  • Voor de eigen bijdrage in de kosten van het verblijf kan bijzondere bijstand worden verleend.

  • g.

    Eigen bijdrage alarmeringskosten

    In het kader van communicatie- en/of alarmeringsvoorzieningen geldt de Regeling zorgverzekering als voorliggende voorziening. Bijzondere bijstand voor een eventuele eigen bijdrage is mogelijk in bijzondere omstandigheden. De noodzaak hoeft niet te worden aangetoond wanneer belanghebbende alarmeringsapparatuur heeft op grond van Zvw of de Regeling zorgverzekering of waarschuwings- of alarmeringsapparatuur heeft vanwege een auditief of lichamelijke handicap53

Lid 4 en lid 5

De tekst van deze leden behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 7.7 Kosten van een uitvaart.

Lid 1 en 2

De uitvaartkosten behoren tot de nalatenschap van de overledene. De erfgenamen kunnen recht hebben op bijzondere bijstand voor de uitvaartkosten als de kosten niet betaald kunnen worden uit de erfenis en/of een eventuele uitvaartverzekering.

De bijzondere bijstand moet aangevraagd worden bij de gemeente waar de belanghebbende (erfgenaam) woont.

 

Aandachtspunten bij de beoordeling van een nalatenschap:

  • Bij een huwelijk in gemeenschap van goederen bestaat de nalatenschap uit de helft van het gezamenlijke vermogen. De andere helft is van de langstlevende partner. Deze nalatenschap kan volledig worden aangesproken voor bijvoorbeeld uitvaartkosten, ook als het vermogen binnen de grenzen van het vrij te laten bescheiden vermogen valt of als het via een notariële akte (vruchtgebruik) is toegedeeld aan de langstlevende echtgenoot.

  • Een uitkering uit een levensverzekering hoort niet bij de nalatenschap van de overledene, maar bij het vermogen van de begunstigde. Als de begunstigde bijzondere bijstand aanvraagt voor uitvaartkosten, moet deze uitkering worden meegeteld bij de beoordeling van de aanvraag54.

Lid 3

Zijn er meerdere erfgenamen? Dan is eenieder verantwoordelijk voor zijn deel van de uitvaartkosten. Elke erfgenaam die voor zijn deel van de uitvaartkosten bijzondere bijstand wil krijgen, moet zelf bijzondere bijstand aanvragen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk van elkaar beoordeeld.

 

Lid 4

Bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt uitgegaan van een eenvoudige uitvaart. Er wordt uitgegaan van de bedragen vermeld in de Prijzengids van het Nibud, onder Uitvaartkosten. De bedragen van het Nibud zijn de maximale tegemoetkomingen die kunnen worden verstrekt voor de kosten van een uitvaart.

Een uitvaart krijgt tegenwoordig steeds vaker een uniek karakter, omdat meer rekening wordt gehouden met de persoonlijke wensen van de overledene en de nabestaanden. Uit respect heeft de gemeente Zwolle ervoor gekozen dat zolang de totale kosten binnen de normbedragen van het Nibud blijven, de nabestaanden zelf mogen bepalen waaraan de middelen voor de uitvaart besteed worden.

 

HOOFDSTUK 8. BIJZONDERE BIJSTAND VOOR JONGmeerderjarigen

 

Artikel 8.1 Bijzondere bijstand voor jongmeerderjarigen van 18, 19 of 20 jaar

De aanvulling op de jongmeerderjarigen-norm (18–21 jaar) is per 1 januari 2026 in beginsel gelijk voor alle gemeenten - via algemene bijstand in plaats van bijzondere bijstand. Dit betekent dat gemeenten aanvullend een bedrag (op 1-1-2026 is dit € 634,-) aan jongeren kunnen geven wanneer ze geen steun van hun ouders krijgen. Wanneer blijkt dat dit bedrag niet voldoende is, kan de gemeente het bedrag verhogen, en andersom – wanneer het bedrag gezien de leefsituatie van de jongere te hoog blijkt – ook naar beneden bijstellen. De totale norm (norm plus toeslag) kan nooit hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige in een gelijke situatie.

 

Tot 1 januari 2026 vond de aanvulling op de jongmeerderjarigen-norm plaats binnen de bijzondere bijstand. De gemeente Zwolle hanteerde hiervoor richtlijnen die voor een deel van de doelgroep ruimer waren dan de bedragen in de wet vanaf 1 januari. Om deze reden kiest de gemeente Zwolle ervoor om aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2026 vast te stellen op basis van de richtlijnen van voor 1 januari 2026. Dit recht blijft zo lang de belanghebbende recht heeft op de aanvulling jongmeerderjarigen-norm.

 

Aangezien het recht op deze toelage maximaal drie jaar kan bestaan, vervalt dit artikel vanuit rechtswege op 1 januari 2029.

  

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

 

Artikel 9.1 Overgangsbepaling artikel 8.1

Zie toelichting bij artikel 8.1.

 

Artikel 9.2 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting

 

Artikel 9.3 Inwerkingtreding

De bepalingen uit de volgende losse beleidsregels zijn opgenomen in de Beleidsregels bijzondere bijstand en worden daardoor ingetrokken:

  • Beleidsregels Draagkracht bijzondere bijstand en reserveren Zwolle 2024

  • Beleidsregels Bijzondere bijstand voor reiskosten 2020

  • Beleidsregels Bijzondere bijstand duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten gemeente Zwolle 2024.

   

  

  

Naar boven