Gemeenteblad van Zwolle
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zwolle | Gemeenteblad 2025, 538742 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zwolle | Gemeenteblad 2025, 538742 | beleidsregel |
Beleidsregel bijzondere bijstand Participatiewet gemeente Zwolle 2026
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet huurtoeslag, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) en de Gemeentewet (Gw).
In afwijking van lid 2 van dit artikel kan het college bij wijze van uitzondering en als dit naar het oordeel van het college door individuele omstandigheden van belanghebbende noodzakelijk is, de bijstand met terugwerkende kracht verlenen tot maximaal drie maanden voor de dag waarop belanghebbende zich voor het eerst heeft gemeld voor een aanvraag.
Van individuele omstandigheden als bedoeld in lid 3 van dit artikel is in ieder geval sprake als:
belanghebbende eerder een bijstandsaanvraag heeft ingediend die buiten behandeling is gesteld omdat belanghebbende niet tijdig alle gegevens heeft aangeleverd omdat belanghebbende onvoldoende inzicht had in de hoogte van zijn inkomen en vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van flexibel werk, scheiding, detentie, erfenis;
Met inachtneming van de grenzen als bedoeld in lid 3 van dit artikel stemt het college de duur van de terugwerkende kracht af op de op de individuele omstandigheden van belanghebbende, waarbij het college het belang dat belanghebbende heeft om niet terecht te komen in een problematische schuldsituatie of verergering van de al aanwezig problematische schuldensituatie zwaar weegt.
HOOFDSTUK 2. UITGANGSPUNTEN BEOORDELING
Artikel 2.1 Recht op bijzondere bijstand
Het college kan bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende die voldoet aan voorwaarden die zijn gesteld in de artikelen 11 tot en met 16 van de wet en die verder ook nog voldoet aan de volgende voorwaarden:
er is vastgesteld dat de kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag bedoeld in artikel 36 van de wet, de studietoeslag bedoeld in artikel 36b van de wet en de bij belanghebbende en diens gezin aanwezige draagkracht zoals beschreven in artikel 2.3 van deze beleidsregels.
Artikel 2.2 De hoogte van de bijzondere bijstand
De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald door de noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstandsverlening mogelijk is te verminderen met de bij de belanghebbende aanwezige draagkracht.
Artikel 2.3 De hoogte van de draagkracht
In afwijking van het bepaalde in lid 1, 2 en 3 van dit artikel wordt de belanghebbende die een traject Minnelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen of een traject Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen volgt en die beschikt over een inkomen dat niet hoger is dan het vrij te laten bedrag wordt geacht niet te beschikken over draagkracht.
HOOFDSTUK 3. DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN EN OVERIGE WOON- EN INRICHTINGSKOSTEN
Het college kan aan de belanghebbende die een aanvraag indient voor de in artikel 3.1 bedoelde kosten een oriëntatieperiode opleggen voor de duur van maximaal twee termijnen van twee weken, gedurende welke periode de belanghebbende op zoek moet gaan naar mogelijkheden om zelf te voorzien in de gevraagde kosten en in een duurzame en een zo goedkoop mogelijke, adequate oplossing.
Artikel 3.4 Vorm van de bijzondere bijstand
Artikel 3.5 Bijzondere bijstand voor eerste maand huur
In het geval van dubbele woonlasten zoals vermeld in lid 1, sub a van dit artikel en de aanvrager verhuist naar een andere gemeente, dan wordt de bijzondere bijstand verleend door het college van de gemeente Zwolle zolang aanvrager nog staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Zwolle.
Artikel 3.7 Voorwaarden en uitbetaling
Het college kan, zonder toestemming van belanghebbende, besluiten de bijzondere bijstand uit te betalen aan de leverancier indien er - naar het oordeel van het college - redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat belanghebbende niet tot een verantwoorde besteding van de bijzondere bijstand zal overgaan.
HOOFDSTUK 4. WOONKOSTENTOESLAG
Artikel 4.2 Hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning
Als belanghebbende geen recht heeft op huurtoeslag en als de rekenhuur hoger is dan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de rekenhuur.
Artikel 4.3 Hoogte woonkostentoeslag bij een eigen woning
Als de rekenhuur hoger is dan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de rekenhuur.
HOOFDSTUK 5. EIGEN BIJDRAGE RECHTSBIJSTAND, GRIFFIERECHT, KOSTEN BEWINDVOERING, ONDER CURATELESTELLING EN MENTORSCHAP
Artikel 5.2 Kosten bewindvoering, curatele en mentorschap
In het geval aanvrager naast een uitkering voor periodieke kosten van levensonderhoud bijzondere bijstand aanvraagt voor de kosten van bewindvoering of ondercuratelestelling of mentorschap, binnen 4 weken na de aanvraag voor de uitkering voor levensonderhoud, wordt – indien recht bestaat – bijzondere bijstand toegekend vanaf de dag van aanvraag van de uitkering voor levensonderhoud.
Artikel 5.3 Kosten beheerrekening
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de extra kosten van de door de curator of bewindvoerder aangehouden beheerrekening.
Artikel 5.4 Kosten intake eenmalige wijziging van bewindvoerder, curator of mentor
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de eenmalige kosten van intake, als de kantonrechter van oordeel is dat er, om welke redenen dan ook, ontslag van de (vorige) bewindvoerder, curator of mentor dient te worden verleend en er een nieuwe bewindvoerder, curator of mentor nodig is. In dat geval staat de noodzaak van de eenmalige intakekosten vast.
Artikel 6.1 Reiskosten gerechtelijke procedure
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die verband houden met het voeren van gerechtelijke procedures als de Raad voor Rechtsbijstand aan belanghebbende een toevoeging heeft verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand.
Artikel 6.2 Reiskosten bezoek gedetineerd familielid
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten als gevolg van het bezoeken van een gedetineerd familielid in de eerste graad of van een gedetineerde pleegouder of pleegkind, dit zolang het gedetineerde familielid of pleegouder of pleegkind nog geen toestemming heeft om met weekendverlof te gaan.
Artikel 6.7 Reiskosten uitvaart
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die zijn gemoeid met reizen tussen de woning van belanghebbende en de locaties van de condoleance en de uitvaart van een familielid in de eerste of tweede graad of van een pleegouder of een pleegkind.
Artikel 6.10 Duur en hoogte van de bijzondere bijstand
Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand voor de reiskosten wordt telkens uitgegaan van een (retour)reis per trein 2e klas of bus conform de prijzen van de website van OV9292. Indien het niet mogelijk is om de locatie per openbaar vervoer te bereiken, bijvoorbeeld omdat de reisduur onaanvaardbaar lang is of de locatie niet per openbaar vervoer bereikbaar is, wordt uitgegaan van een kilometervergoeding conform de tarieven van de Belastingdienst.
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een voordeelkaart voor het openbaar vervoer als de verwachting bestaat dat de reiskosten zoals bedoeld in lid 1van dit artikel voor langere periode zullen worden gemaakt en de aanschaf van de voordeelkaart vanwege het kunnen reizen met korting per saldo zal leiden tot lagere te declareren reiskosten.
HOOFDSTUK 7. MEDISCH GERELATEERDE KOSTEN
Artikel 7.1 Medische kosten algemeen
Als belanghebbende geen voor zijn situatie passende aanvullende verzekering heeft afgesloten, terwijl dit in redelijkheid wel van belanghebbende kon worden gevraagd, kan het college bij wijze van uitzondering toch bijzondere bijstand voor de noodzakelijke medische kosten aan belanghebbende verlenen als:
Als het college bijzondere bijstand als bedoeld in lid 3 van dit artikel aan belanghebbende verleent, wordt belanghebbende, behalve als dit in redelijkheid niet van belanghebbende kan worden gevraagd, er schriftelijk op gewezen zich in het volgende kalenderjaar alsnog aanvullend te verzekeren met een pakket dat past bij zijn omstandigheden.
Als belanghebbende in een volgend kalenderjaar wederom een aanvraag bijzondere bijstand voor medische kosten indient en als dan blijkt dat belanghebbende zich zonder goede reden niet aanvullend heeft verzekerd met een pakket dat past bij zijn omstandigheden, dan wordt de eventueel te verlenen bijzondere bijstand voor het gedeelte van de kosten waarvoor belanghebbende zich aanvullend had kunnen verzekeren, verleend in de vorm van een renteloze geldlening.
Als belanghebbende een aanvraag bijzondere bijstand voor medische kosten indient die niet door de verzekeraar worden vergoed omdat deze kosten het maximaal door de verzekeraar per kalenderjaar te vergoeden bedrag overstijgen en er geen mogelijkheid is de kosten te spreiden, dan kan het college hiervoor bijzondere bijstand verlenen.
Artikel 7.2 Kosten van tandheelkundige behandeling
Als het college toch bijzondere bijstand als bedoeld in lid 3 van dit artikel verleent, wordt belanghebbende, behalve als dit in redelijkheid niet van belanghebbende kan worden gevraagd, er schriftelijk op gewezen zich in het volgende kalenderjaar alsnog aanvullend te verzekeren voor tandheelkundige behandeling met een dekking van € 500,-.
De in lid 3 van dit artikel door het college te verlenen bijzondere bijstand wordt, ingeval van belanghebbende in redelijkheid kon worden gevraagd een aanvullende verzekering af te sluiten, tot een bedrag van maximaal € 500,- verleend in de vorm van een renteloze geldlening en voor de volgende € 500,- als bijstand om niet.
Voor kosten die uitgaan boven het bedrag van € 1.000,- oordeelt het college of het medisch verantwoord is van belanghebbende te vragen de behandeling te spreiden over een langere periode. Mocht het college van oordeel zijn dat dit niet verantwoord is, dan kan het college de bijzondere bijstand voor het bedrag dat hoger is dan € 1.000,- verlenen in de vorm van een renteloze geldlening.
Artikel 7.3 Kosten van orthodontie voor minderjarige kinderen
Als van de ouder in redelijkheid wel kan worden gevraagd een aanvullende verzekering af te sluiten, maar de ouder dit heeft nagelaten te doen, dan kan het college bij wijze van uitzondering bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van orthodontie voor minderjarige kinderen verlenen als:
Artikel 7.4 Stapeling van eigen bijdragen
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van betaalde eigen bijdragen als dit bedrag in het betreffende kalenderjaar hoger is dan de door het college verleende subsidie voor hoge zorgkosten op grond van de Verordening hoge zorgkosten en het verplicht eigen risico zorgverzekeringswet Zwolle 2025.
Artikel 7.7 Kosten van een uitvaart
In het geval er meerdere erfgenamen zijn, is eenieder verantwoordelijk voor zijn deel van de uitvaartkosten. Elke erfgenaam die voor zijn deel van de uitvaartkosten aanspraak wil maken op bijzondere bijstand voor zijn deel van de kosten van de uitvaart, moet zelf een aanvraag bijzondere bijstand indienen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk van elkaar beoordeeld.
HOOFDSTUK 8. BIJZONDERE BIJSTAND VOOR JONGMEERDERJARIGEN
Artikel 8.1 Bijzondere bijstand voor jongmeerderjarigen in een instelling
Artikel 9.1 Overgangsrecht bijstand aan jongmeerderjarigen die niet in een instelling verblijven
De jongmeerderjarige die niet in een instelling verblijft en die voor 1 januari 2026 bijzondere bijstand heeft aangevraagd dat vervolgens door het college is toegekend, blijft, voor zolang de jongmeerderjarige voldoet aan de criteria die voor 1 januari 2026 golden om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud, tot uiterlijk de datum dat de jongmeerderjarige 21 jaar wordt, in aanmerking komen voor de bijzondere bijstand.
Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregel bijzondere bijstand Participatiewet gemeente Zwolle 2026”.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 december 2025
Burgemeester en wethouders van Zwolle,
Burgemeester
P. Snijders
Secretaris
D. Emmer
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In dit artikel wordt voor de uitleg van begrippen verwezen naar definities uit de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Bbz, de Awb, de WHT, de Wtos, de Wsf 2000 en de Gemeentewet. Begrippen die in deze wetten niet of anders worden omschreven zijn opgenomen in lid 2 van dit artikel.
Onder wet wordt verstaan de Participatiewet in Balans.
Zoals in het artikel wordt aangegeven, heeft de inhoud van deze beleidsregels betrekking op de wijze waarop de bijzondere bijstand zoals bedoeld in artikel 35 van de wet in Zwolle wordt uitgevoerd.
Dit is het uitgangspunt zoals dat staat vermeld in artikel 44 lid 1 van de wet. Bepaald is dat als recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze niet ligt voor de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld voor een aanvraag. Dus in beginsel geen bijstand met terugwerkende kracht.
Aan artikel 44 van de wet is – als gevolg van de inwerkingtreding van de Participatiewet in balans - een nieuw lid toegevoegd, lid 5. In dat lid staat het volgende vermeld:
“In afwijking van lid 1 van dit artikel kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.”
Het begrip individuele omstandigheden is hier nieuw en ruimer dan het begrip bijzondere omstandigheden dat voorheen werd gebruikt en impliceert dat de omstandigheden op zich niet bijzonder hoeven te zijn, maar wel dat de individuele omstandigheden om een afwijkend besluit vragen.
Met het nieuwe lid 5 van artikel 44 van de wet heeft het college meer ruimte dan voorheen om de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht grote betalingsachterstanden en problematische schulden voorkomt. Zo zou dreigende uithuiszetting als gevolg van huurachterstand hiermee kunnen worden voorkomen. Dit is niet alleen voor de aanvrager goed, maar ook voor de gemeente een betere en goedkopere oplossing in vergelijking met de situatie dat iemand een schuldentraject zou moeten volgen. Het is echter niet de bedoeling dat het college de bijstand altijd met terugwerkende kracht toekent.
Voor kosten die zijn gemaakt tussen de dag van eerste melding en drie maanden voor de dag van eerste melding zal het belang dat de gemeente heeft bij tijdig aanvragen en het belang dat belanghebbende heeft bij het met terugwerkende kracht verkrijgen van de bijzondere bijstand tegen elkaar worden afgewogen. Dit is maatwerk.
Het besluit over het wel of niet toekennen met terugwerkende kracht zal evenredig moeten zijn. Het is goed voorstelbaar dat de bijzondere bijstand alsnog wordt verleend als aannemelijk is dat belanghebbende door het niet ontvangen van die bijzondere bijstand ernstig financieel in de knel komt. Het college zal het belang van belanghebbende zwaar moet laten wegen.
In dit lid worden enkele voorbeelden van individuele omstandigheden genoemd waarbij in ieder geval aanleiding bestaat de bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Uiteraard zijn er altijd nog meer omstandigheden mogelijk. Maatwerk is het uitgangspunt.
Behoudens de mogelijkheid om de periodieke of incidentele bijzondere bijstand in individuele situaties met terugwerkende kracht te verlenen tot drie maanden voor de datum van eerste melding, staan hieronder staan enkele veel voorkomende situaties vermeld, waarbij het uitgangspunt is de terugwerkende kracht van periodieke of incidentele bijzondere bijstand te beperken tot vier weken voor de datum van eerste melding:
Als belanghebbende vanuit een andere gemeente naar Zwolle verhuist, dan is er aanleiding soepel met de ingangsdatum om te gaan. Uitgangspunt is dan de mogelijkheid om de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht te laten ingaan vanaf de datum van inschrijving in de BRP van Zwolle, mits belanghebbende zich binnen vier weken na die inschrijving voor een aanvraag bijzondere bijstand heeft gemeld.
Als belanghebbende is ontslagen uit detentie, dan is er aanleiding soepel met de ingangsdatum van de bijstandsverlening om te gaan. Uitgangspunt is dan kan de mogelijkheid om de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht te laten ingaan vanaf de datum van ontslag uit detentie, mits de belanghebbende zich binnen vier weken na deze datum heeft gemeld voor bijzondere bijstand. Er moet dan wel een ontslagbewijs van detentie worden aangeleverd.
Samenwoning ingeval van onderbewindstelling, ondercuratelestelling en/of mentorschap
Als belanghebbende bijzondere bijstand voor de kosten van onderbewindstelling, ondercuratelestelling en/of mentorschap ontvangt en gaat samenwonen, dan moet het (alleenstaande) recht op bijzondere bijstand worden beëindigd en een gezamenlijke aanvraag bijzondere bijstand voor deze kosten worden ingediend. In dat geval is er aanleiding soepel met de ingangsdatum van de bijstandsverlening om te gaan. Uitgangspunt is dan de bijstand met terugwerkende kracht te laten ingaan vanaf de datum van de gezamenlijke aanvraag mits die aanvraag binnen vier weken na datum samenwoning is ingediend.
Als het besteedbaar inkomen van belanghebbende is gedaald, waardoor mogelijk weer recht bestaat op bijzondere bijstand is dit aanleiding soepel met de ingangsdatum van de bijstandsverlening om te gaan. Uitgangspunt is dan dat de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend vanaf de datum dat het besteedbaar inkomen is gedaald, mits de belanghebbende zich binnen vier weken na dagtekening bewijsstuk van wijziging inkomen of hoogte eigen bijdrage CAK heeft gemeld voor bijzondere bijstand.
Als belanghebbende bijzondere bijstand voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand heeft aangevraagd is er aanleiding soepel met de ingangsdatum van de bijstandsverlening om te gaan. Uitgangspunt is dat de bijstand met terugwerkende kracht kan worden verleend vanaf de datum van de toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand en de factuur van de advocaat, mits belanghebbende zich binnen vier weken heeft gemeld voor een aanvraag bijzondere bijstand. Het maakt daarbij niet uit of belanghebbende de eigen bijdrage zelf al heeft betaald. Een aanvraag voor deze kosten kan namelijk pas worden beoordeeld wanneer zoals de toevoeging als de factuur van de advocaat aanwezig zijn. De factuur toont de hoogte van de kosten aan en de toevoeging de noodzaak van de kosten.
Bij de beoordeling van de noodzaak of de hoogte van de bijzondere bijstand kan het noodzakelijk zijn om extern medisch deskundigenadvies op te vragen.
Het advies moet volledig zijn. Anders gezegd: het advies moet de vragen beantwoorden die door het college aan de adviseur zijn gesteld1.
Aanvullende eisen aan een extern medisch advies:
Is er contact gezocht met of informatie ingewonnen bij de behandelend arts? Zo ja met wie en welke informatie is opgevraagd?
Het is daarbij aan de adviseur en niet aan de belanghebbende om te bepalen bij wie inlichtingen worden ingewonnen voor een goed advies.2
Als de adviseur vindt dat voldoende medische informatie voorhanden is dan is het voor een deugdelijk advies niet verplicht om contact op te nemen met de behandelend arts3.
Er kan toch aanleiding zijn om informatie in te winnen bij de behandelende sector. Daarvoor is aanleiding als belanghebbende wordt behandeld en het gaat om een ziekte of aandoening heeft die relevant is voor het te nemen besluit.4
Als de adviseur de huisarts van belanghebbende schriftelijk benadert en als de huisarts daarna niet op het verzoek om medische informatie reageert, dan is het advies van de medisch expert toch deugdelijk tot stand gekomen. Het ontbreken van de niet verkregen informatie staat daaraan niet in de weg5.
Wijkt daarentegen het oordeel van de adviseur af van dat van de behandelende sector, dan moeten de daarbij gebruikte criteria duidelijk zijn6.
Worden de beperkingen van belanghebbende opgesomd en bevatten deze geen medische gegevens, dan vallen deze gegevens niet onder het medisch beroepsgeheim. Medische gegevens vallen uiteraard wel onder het medisch beroepsgeheim. Medische gegevens zijn bijzondere persoonsgegevens. De adviseur kan in zijn advies de vastgestelde beperkingen objectief benoemen en verder toelichten. Bijvoorbeeld: belanghebbende is vanwege beperkingen aangewezen op zittend werk.
Komt de voorgestelde voorziening voort uit de opgesomde beperking(en)?7
Als het advies tekortkomingen laat zien, moet de adviseur gevraagd worden om zijn advies aan te vullen.8. Een andere optie is het vragen van advies aan een andere deskundig adviseur.9
Zorgvuldige voorbereiding van het besluit
Het college moet bij gebruik van externe adviseurs nagaan of het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dit staat in artikel 3:9 Awb (Vergewisplicht). Artikel 3:2 Awb bevat een algemene zorgvuldigheidseis over de voorbereiding van besluiten.
Het baseren van een besluit op een medisch advies is dus niet zomaar toegestaan. Voorwaarde is dat het medisch advies voldoet aan de eisen die uit oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf worden gesteld. Dit is het geval als uit het advies tenminste blijkt op basis van:
welke procedure bij het tot stand brengen van het advies is gevolgd. Zie Wanneer en waar medisch advies vragen;10
Het is niet mogelijk om een besluit te baseren op een heel kort (en onduidelijk) geformuleerd advies. Gebeurt dit toch? Dan is het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb.11
Alleen het verloop van een - niet al te lange - periode van 1,5 jaar is onvoldoende voor de conclusie dat het advies niet meer actueel was ten tijde van het besluit.12
College wijkt af van het advies
Het college mag een van het advies afwijkende beslissing te nemen. Het afwijken van een advies van een extern adviseur dat gegeven is volgens een wettelijk voorschrift moet op grond van artikel 3:50 Awb uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Ook moet het college in dat geval aan de adviseur in ieder geval de vraag voorleggen of hij het afwijkende standpunt van het college deelt.13
Belanghebbende is het niet eens met advies
Is de belanghebbende het niet eens met een medisch advies dat voldoet aan de zorgvuldigheidseisen? Dan zal hij zijn standpunt goed moeten onderbouwen met concrete medische gegevens of een gemotiveerd tegenadvies.14.
In dit lid gaat het bij situatie zoals beschreven onder a en b om situaties waarin bij wijze van uitzondering evident duidelijk is dat een medisch advies geen nieuwe inzichten meer toevoegt aan wat al bekend is over de specifieke (medische) situatie van de belanghebbende. Dit kan het geval zijn als de belanghebbende uit eigen beweging een advies of diagnose van zijn of haar medisch specialist is overlegd dat voldoende duidelijkheid geeft voor het nemen van een besluit over de bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 2. Uitgangspunten beoordeling
Artikel 2.1 Recht op bijzondere bijstand
Artikel 35 lid 1 van de wet stelt de volgende voorwaarden aan het recht op bijzondere bijstand:
er is vastgesteld dat de kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag bedoeld in artikel 36 van de wet, de studietoeslag bedoeld in artikel 36b van de wet en de bij belanghebbende en diens gezin aanwezige draagkracht zoals beschreven in artikel 2.3 van deze beleidsregels.
Met aanwezige middelen wordt bedoeld:
de studietoeslag (artikel 36b van de wet);
het inkomen (artikel 32 van de wet, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm).
Algemene voorwaarden voor algemene bijstand gelden ook
Voor het recht op bijzondere bijstand gelden ook de algemene voorwaarden voor bijstand15 16 . Dit betekent dat de algemene voorwaarden voor het recht op bijstand van toepassing zijn. Een belanghebbende moet dus eerst voldoen aan de algemene voorwaarden zoals vermeld in de artikelen 11 tot en met 16 van de wet om recht te hebben op (bijzondere) bijstand.
Een belanghebbende hoeft geen algemene bijstand te ontvangen om recht te kunnen hebben op bijzondere bijstand. Een belanghebbende kan toch recht op bijzondere bijstand hebben als hij een andere bron van inkomsten heeft, maar zijn inkomen volgens het college te laag is17 .
Een belangrijke algemene voorwaarde is, dat geen recht op bijstand bestaat als een belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening18. Het college zal daarom bij iedere aanvraag bijzondere bijstand moeten beoordelen of sprake is van een voorliggende voorziening. Als dat zo is, bestaat er geen recht op (bijzondere) bijstand.19
Voorbeelden van een voorliggende voorziening zijn:
Kort gezegd: als de wetgever een regeling heeft getroffen die passend en toereikend is voor de betreffende kosten in de betreffende situatie, moet de burger daar eerst gebruik van maken. Alleen als die voorziening ontbreekt of niet toereikend is, kan er nog bijzondere bijstand worden verstrekt.
Het territorialiteitsbeginsel staat in de weg aan bijzondere bijstandsverlening. Het territorialiteitsbeginsel betekent dat een wet of regeling alleen geldt binnen het grondgebied van het land dat die wet heeft gemaakt. Toegepast op de bijzondere bijstand houdt dit het volgende in:
Artikel 2.2 De hoogte van de bijzondere bijstand
Als iemand recht heeft op bijzondere bijstand, wordt de hoogte daarvan berekend op basis van de noodzakelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Op dat bedrag wordt eerst het deel afgetrokken dat de belanghebbende zelf kan betalen (de draagkracht). Het bedrag dat daarna overblijft, is de bijzondere bijstand.
Voor het bepalen van de hoogte wordt in veel gevallen rekening gehouden met landelijke richtlijnen die over een onderwerp zijn opgesteld zoals de Nibud-richtlijnen.
Artikel 2.3 De hoogte van de draagkracht
Het inkomen bestaat uit alle netto inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Voor de bijzondere bijstand wordt alleen rekening gehouden met het inkomen als dit meer is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit geldt voor alle kosten soorten met uitzondering van de woonkostentoeslag. Hiervoor geldt dat er rekening wordt gehouden met het inkomen als het meer is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Het vermogen bestaat uit alle vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Het college bepaalt zelf welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De wetgever heeft het college dus de vrijheid gegeven om te beoordelen in hoeverre belanghebbende het op grond van artikel 31 lid 2 van de wet en artikel 34 lid 2 van de wet vrijgelaten inkomen of vermogen in aanmerking te nemen om de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd te voldoen. Het college heeft ervoor gekozen het inkomen zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 van de wet en het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 van de wet niet in aanmerking te nemen.
In artikel 34 lid 2 van de wet staat dat niet als vermogen meetelt:
het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voor zover dit minder bedraagt dan € 65.500,-;
vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
Artikel 2.4 De draagkrachtperiode
Het college bepaalt het begin van de draagkrachtperiode. Dit volgt uit de laatste zin van artikel 35 lid 1 van de wet.20
In beginsel wordt de draagkracht voor een periode van 12 maanden vastgesteld.
Als periodieke bijzondere bijstand, bijvoorbeeld woonkostentoeslag, wordt verleend voor de duur van een half jaar, is het logisch de draagkrachtperiode ook voor 6 maanden in plaats van 12 maanden vast te stellen.
Wanneer sprake is van een omvangrijke wijziging in de persoonlijke omstandigheden is maatwerk mogelijk.
Artikel 2.5 De vorm van de bijzondere bijstand
De bijstand, dus ook de bijzondere bijstand, wordt in beginsel om niet verleend21. De wet kent daarnaast ook andere vormen van bijstandsverlening, zoals een geldlening22 of bijstand in natura23.
In sommige gevallen kan de bijzondere bijstand geheel of gedeeltelijk worden verleend in de vorm van een geldlening. De criteria – waaraan voldaan moet worden om hiervoor in aanmerking te komen - staan vermeld in dit lid van de beleidsregel.
Het uitgangspunt is dat de bijzondere bijstand moet worden terugbetaald. Als de belanghebbende de verplichtingen die voortvloeien uit de geldlening niet of onvoldoende nakomt, kan het college (het restant van) de geldlening direct terugvorderen op grond van artikel 58 lid 2 onderdeel b Participatiewet.24
Artikel 2.6 Incidentele en periodieke verstrekkingen
In dit artikel wordt voor wat betreft de systematiek van de verrekening van de in aanmerking te nemen draagkracht onderscheid gemaakt tussen incidentele en periodieke bijzondere bijstand.
Het college heeft op 9 januari 2007 besloten om met ingang van 1 januari 2007 geen drempelbedrag te hanteren bij de verlening van bijzondere bijstand.
HOOFDSTUK 3. DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN EN OVERIGE WOON- EN INRICHTINGSKOSTEN
Artikel 3.1 Noodzakelijke kosten en bijzondere omstandigheden
De wet gaat ervan uit dat de kosten van duurzame gebruiksgoederen en inrichting horen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dat betekent dat de belanghebbende wordt geacht deze kosten te betalen uit een inkomen op bijstandsniveau, de in aanmerking te nemen draagkracht en voor zover belanghebbende daar recht op heeft, de individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag.
Omdat deze kosten voorzienbaar zijn, wordt van de belanghebbende verwacht dat er wordt gereserveerd voor deze kosten. De reserveringscapaciteit van de belanghebbende bedraagt 5% van de per 1 januari van het betreffende kalenderjaar voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Heeft belanghebbende recht op de individuele inkomenstoeslag of studietoeslag, dan wordt er geen rekening gehouden met de reserveringscapaciteit.
Het college heeft ervoor heeft gekozen dat de belanghebbende zijn vermogen zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 van de wet niet hoeft aan te spreken. Dit volgt uit artikel 2.3 van deze beleidsregels.
Lid 4 geeft – met een kanbepaling - ruimte aan het college voor maatwerk. Het college kan beoordelen of er sprake is van een situatie waarin het onredelijk is om van de inwoner te verwachten dat hij of zij de kosten zelf betaalt.
Uitzonderingen: bijzondere individuele omstandigheden
Toch kan het college bijzondere bijstand verlenen als de belanghebbende door bijzondere individuele omstandigheden de kosten niet zelf kan dragen. Hieronder wordt een aantal situaties genoemd waarin dat in elk geval zo is:
Het college kan de belanghebbende die een aanvraag indient verplichten zich gedurende maximaal twee termijnen van twee weken te oriënteren om zelf te voorzien in de gevraagde kosten en in een duurzame oplossing. Gedurende die periode wordt van de belanghebbend gevraagd zich daar zichtbaar voor in te spannen. Als de belanghebbende dat niet heeft gedaan kan het college de aanvraag afwijzen.
In de in dit lid genoemde situaties legt het college geen oriëntatieperiode op.
Artikel 3.3 Hoogte van de bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst mogelijke passende oplossing:
De kosten verbonden aan een gebruikelijke inventaris van een woning worden als noodzakelijke kosten beschouwd. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de Nibud-Prijzengids.
Artikel 3.4 Vorm van de bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten wordt in beginsel verleend als bijstand om niet.
De bijstand wordt geheel of gedeeltelijk verleend in de vorm van een geldlening in de gevallen zoals beschreven in artikel 2.5 lid 2 van deze beleidsregels. Aanvullend, en specifiek betrekking hebbend duurzame gebruiksgoederen en overige woon- en inrichtingskosten, worden in lid 1 van dit artikel nog drie situaties beschreven waarin de bijstand geheel of gedeeltelijk in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, namelijk als:
Als een adresloze of ex-gedetineerde zelfstandig gaat wonen, dan hoeft hij de geldlening de eerste 12 maanden niet af te lossen. Woont deze persoon na 12 maanden nog steeds zelfstandig en heeft hij, naar oordeel van het college, volledig meegewerkt aan een noodzakelijk geacht traject, dan wordt de lening omgezet in bijstand om niet.
Zie ook artikel 2.5, tweede lid van deze beleidsregel.
Artikel 3.5 Bijzondere bijstand voor eerste maand huur
Dit artikel spreekt voor zich.
Voor wat betreft de vorm van de bijstand wordt verwezen naar de artikelen 2.5, 3.4 van deze beleidsregel en lid 7 van dit artikel.
Artikel 3.6 Kosten tijdens en na detentie
Een persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, is op grond van artikel 13 lid 1 onderdeel a van de wet uitgesloten van het recht op bijstand. In de noodzakelijke kosten van het bestaan van deze personen wordt voorzien door het ministerie van Justitie en Veiligheid.
De uitsluiting van het recht op bijstand geldt voor wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Op de dag dat belanghebbende in detentie wordt genomen is deze uitgesloten van het recht op bijstand.
Met een aanvraag voor de kosten van de opslag van de meubels in de periode tijdens detentie dient gelet op het voorgaande terughoudend worden omgegaan. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om daarvoor en regeling te treffen. Daarbij wordt gekeken of belanghebbende met eigen spaargeld de detentieperiode kan overbruggen.
Het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand voor de opslag van meubels is maatwerk. Uitgangspunt is de goedkoopst passende oplossing.
De hoogte van de bijzonder bijstand voor overbrugging wordt niet naar rato berekend. Hier is voor gekozen omdat de cliënt altijd een hele maand moet overbruggen.
Artikel 3.7 Voorwaarden en uitbetaling
De belanghebbende dient de aankoopbonnen en de rekeningen van de reparatie, gerekend vanaf de maand waarin de bijzondere bijstand is uitbetaald, 12 maanden te bewaren en op verzoek van het college te tonen.
Als de belanghebbende niet beschikt over aankoopbonnen of rekeningen omdat de goederen zijn aangeschaft via marktplaats of soortgelijke sites of bij de kringloop, kan belanghebbende volstaan met het opstellen van een lijst met daarop een beschrijving van de aangeschafte goederen, het aankoopbedrag, de aankoopdatum en de naam van de persoon van wie belanghebbende heeft gekocht.
Belanghebbende dient die lijst tenminste 12 maanden te bewaren en het college desgevraagd in de gelegenheid te stellen door middel van een huisbezoek te verifiëren of de goederen zoals die op de lijst staan vermeld ook daadwerkelijk zijn aangeschaft.
Uit de aankoopbonnen en/of de rekeningen van de reparatie moet blijken dat belanghebbende of diens partner de goederen heeft aangeschaft en waaraan de verstrekte bijzondere bijstand is besteed.
Het college kan op grond van artikel 57 van de wet besluiten de belanghebbende te verplichten dat de bijzondere bijstand rechtstreeks wordt betaald aan de leverancier. De belanghebbende dient dan wel eerst een machtiging te ondertekenen. Het toepassen van artikel 57 Participatiewet is alleen mogelijk indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Er moeten gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp zijn bestaansmiddelen niet verstandig kan besteden. Denk aan situaties waarin de belanghebbende zich in een problematische schuldsituatie bevindt, of daarin dreigt te geraken. Ook kan het gaan om situaties waarbij de belanghebbende beschermd moet worden tegen het afglijden in de samenleving en niet zelfredzaam is. Het kan gaan om bijvoorbeeld dakloos zijn, psychosociale problemen, verslaving en schulden.
Een dreigende problematische schuldsituatie kan bijvoorbeeld bestaan als het risico bestaat dat de huur- en energierekeningen niet langer worden betaald. Of dat belanghebbende door het niet betalen van de premie voor de zorgverzekering onverzekerd raakt. Dit kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een slecht bestedingspatroon, verslavingen of onverwachte omstandigheden.
HOOFDSTUK 4. WOONKOSTENTOESLAG
Artikel 4.1 Recht op woonkostentoeslag
De bijstandsnorm is erop gericht om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Hiermee worden onder meer de woonlasten bedoeld. Als de woonlasten hoger liggen dan het bedrag waarmee in de bijstandsnorm rekening wordt gehouden, kan de belanghebbende belastingdienst vragen om huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag. De Wet op de huurtoeslag wordt aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor zover het de kosten van een huurwoning betreft. Als de belanghebbende (nog) niet of in onvoldoende mate in aanmerking komt voor huurtoeslag, dan kan de belanghebbende in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag.
De woonkostentoeslag is een onbelaste uitkering. Dat betekent dat een toegekende woonkostentoeslag geen gevolgen heeft voor het recht op huurtoeslag in het jaar daarop.
Er zijn meerdere situaties waarin de belanghebbende geen of onvoldoende een beroep kan doen op de Wet op de huurtoeslag, bijvoorbeeld de volgende:
De huurtoeslag wordt afgestemd op een schatting van het jaarinkomen. Het jaarinkomen wordt door de huurder opgegeven bij de aanvraag huurtoeslag. De huurder is verplicht om relevante wijzigingen gedurende het jaar te melden bij de Belastingdienst. Deze kan dan het voorschot herzien. Bij een inkomensdaling kan er aanleiding zijn om woonkostentoeslag te verstrekken. Dit, omdat bij het vaststellen van het totale jaarinkomen ook de maanden worden meegenomen waarin het hogere inkomen van toepassing was. De huurtoeslag zal dan lager uitvallen.
In tegenstelling tot de wet rekent de Wet op de huurtoeslag wel het bedrag aan inkomstenvrijlating tot het inkomen. Het recht op gedeeltelijke vrijlating van inkomsten uit arbeid kan ertoe leiden dat er minder huurtoeslag wordt ontvangen dan in de situatie zonder inkomstenvrijlating. Als dit aan de orde is betreft het een gering bedrag. Het gemis aan huurtoeslag kan in dat geval met een woonkostentoeslag worden gecompenseerd. Anders zou de stimulans om parttime werk te aanvaarden teniet worden gedaan.
In sommige situaties kan het nodig zijn om niet de volledige woonkostentoeslag aan belanghebbende toe te kennen. Maar alleen dat deel dat redelijkerwijs voor rekening van belanghebbende komt. Bijvoorbeeld bij zoals die van een extreem hoge hypotheeklasten/huur.
Vanaf 1 januari 2026 is er geen maximale huurgrens meer om in aanmerking te kunnen komen voor de huurtoeslag. Dat betekent dat voor belanghebbenden die voor 1 januari 2026 niet in aanmerking kwamen voor huurtoeslag daar nu wel voor in aanmerking komen, maar dan alleen voor het deel van de huur dat lager is dan de maximale huurgrens. Immers, voor de berekening van de hoogte van de huurtoeslag blijft de maximale huurgrens wel bestaan. Dit heeft tot gevolgd dat belanghebbenden die vanaf 1 januari 2026 alsnog aanspraak kunnen maken op huurtoeslag er rekening mee moeten houden dat hun woonkostentoeslag wordt verlaagd;
Een aantal cliënten met hogere huur komt wellicht vanaf 1 januari 2026 in aanmerking voor huurtoeslag. Dit is een voor de Participatiewet voorliggende, maar in een aantal situaties niet toereikende voorziening. We hebben geïnventariseerd welke huishoudens nu woonkostentoeslag ontvangen omdat hun huur te hoog is. We informeren hen tijdig over de wetswijziging en wijzen hen erop dat zij huurtoeslag bij de Belastingdienst dienen aan te vragen. Immers, van hen kan worden gevraagd aanspraak te maken op een voorliggende voorziening. Ze worden erop gewezen dat de betaalde woonkostentoeslag van hen kan worden teruggevorderd wegens achteraf door hen ontvangen middelen25. Deze cliënten zullen de gemeente moeten inlichten26 zodra aan hen alsnog huurtoeslag wordt toegekend, zodat kan worden overgegaan tot terugvordering.
Artikel 4.2 Hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning
Bij het bepalen van de hoogte van de woonkostentoeslag wordt uitgegaan van de berekening zoals die wordt gemaakt bij de uitvoering van de Wet op de huurtoeslag. Zie de proefberekening zoals die door de Belastingdienst is te vinden op www.toeslagen.nl.
Artikel 4.3 Hoogte woonkostentoeslag bij een eigen woning
De eigenaar van een woning heeft geen recht op huurtoeslag. Bij een laag inkomen en hoge woonkosten kunnen zij in aanmerking komen voor woonkostentoeslag.
Ook de woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt vastgesteld volgens de berekening van de Wet op huurtoeslag27. Voor het vaststellen van de rekenhuur bij een eigen woning wordt een aantal kosten in ogenschouw genomen. Deze optelsom uit artikel 4.3 lid 1 levert de rekenhuur op voor berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag. Ook bij een eigen woning kan het aan de orde zijn dat de rekenhuur (woonkosten) hoger liggen dan de maximale huurgrens. Voor dat deel kan ook bijzondere bijstand worden verleend.
De verhuisplicht houdt in dat belanghebbende binnen een te stellen termijn de nodige inspanningen moet verrichten om zijn woning te verkopen (bij een woning in eigendom) of (bij een huurwoning) woonruimte te zoeken waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op voldoende huurtoeslag.
Artikel 4.5 Duur van de woonkostentoeslag
Het college verleent woonkostentoeslag voor een huurwoning voor maximaal 12 maanden.
Na afloop van die termijn wordt beoordeeld of de belanghebbende voldoende inspanningen heeft verricht om in aanmerking te komen voor een woning waarvoor wel of wel voldoende aanspraak kan worden gemaakt op huurtoeslag en of de individuele omstandigheden verder ook nog rechtvaardigen om de woonkostentoeslag na afloop van die termijn voort te zetten28.
Hoofdstuk 5. Eigen bijdrage rechtsbijstand, griffierecht, kosten bewindvoering, onder curatelestelling, mentorschap
Artikel 5.1 Kosten rechtsbijstand en griffierechten
Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand als op grond van de Wet op de rechtsbijstand - een toevoeging van een advocaat wordt verleend.
Wet op de rechtsbijstand (Wrb)
Op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kan iemand met een laag inkomen in aanmerking komen voor een toevoeging van een advocaat. Een toevoeging van een advocaat vindt slechts plaats als de Raad voor de rechtsbijstand de procedure noodzakelijk acht. In dat geval worden de kosten (exclusief de eigen bijdrage) van de advocaat vergoed op grond van de Wrb. Wil iemand een advocaat inschakelen? En wil men bijzondere bijstand aanvragen voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand? Dan kan eerst contact op worden genomen met het Juridisch Loket (0900-8020) voor gratis juridisch advies. Zij beoordelen of het inschakelen van een advocaat nodig is.
Indien de belanghebbende over een rechtsbijstandsverzekering beschikt, dan is dit een voorliggende voorziening. Het is wel mogelijk om bijzondere bijstand te verlenen voor het eventuele eigen risico. Het feit dat de belanghebbende geen rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten, is geen grond om een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.
Bijzondere bijstand is ook mogelijk voor een eigen bijdrage rechtsbijstand die betrekking heeft op een gezinshereniging. In dat geval moet de rekening van deze kosten en de toevoeging op naam van de aanvrager staan.
De volgende kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:
verdergaande rechtsbijstand ten vervolge op een spreekuur29. Betreffende eigen bijdrage kan uit de norm worden voldaan
De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, verminderd met de kosten die via een voorliggende voorziening worden vergoed. De belanghebbende moet hiervan bewijsstukken overleggen.
De bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage rechtsbijstand, griffierecht, kosten bewindvoering, onder curatelestelling, mentorschap wordt in de regel om niet verleend30. Indien de kosten het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, kan de bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht of een geldlening31 worden verstrekt. Zie ook artikel 2.5 lid 2 van deze beleidsregels.
De indiener van het beroepschrift is griffierecht verschuldigd32. In inburgerings-geschillen, bijstandsgeschillen en in procedures op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geldt het verlaagde griffierecht33.
Het griffierecht moet binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier betaald zijn aan de rechtbank34. Dat kan door het bedrag over te maken op de rekening van het gerecht of door bij de griffie contant te betalen. Bij betaling per bank is de datum van bijschrijving op de bankrekening beslissend35.
De beoordeling of deze kosten noodzakelijk zijn, vindt – in eerste instantie - plaats aan de hand van advies van de medewerkers van het juridisch loket. Het college kan daar in bijzondere, individuele omstandigheden van afwijken. Hierbij kan gedacht worden aan op de persoon betrekking hebbende omstandigheden.
Artikel 5.2 Kosten bewindvoering, curatele en mentorschap
In de ‘Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren’ wordt jaarlijks de tarieven voor bewindvoerders, curatoren en mentoren vastgesteld. Deze worden gepubliceerd in de Staatscourant. Zolang de kosten van de bewindvoerder, curator en/of mentor niet hoger zijn dan de bedragen vermeld in deze regeling, komen deze kosten in aanmerking voor bijzondere bijstand.
Voor het declareren van een hoger bedrag en/of meer uren dan het standaard aantal uren is toestemming van de kantonrechter nodig. De toestemming kan worden aangevraagd door een machtigingsverzoek in te dienen bij de kantonrechter. Er moet een bewijs worden aangeleverd dat het machtigingsverzoek is toegestaan door de kantonrechter. Daarnaast moet uit de nota blijken welke extra werkzaamheden zijn verricht.
Artikel 5.3 Kosten beheerrekening
Om bewind of curatele te kunnen voeren zijn twee rekeningen nodig: een beheerrekening en een leefgeldrekening. Wanneer voor beide bankrekeningen rechtstreeks door de bank bij de inwoner kosten in rekening wordt gebracht, kan voor één van deze bankrekeningen bijzondere bijstand worden verleend. Dit zijn noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Voor de andere bankrekening kan geen bijzondere bijstand worden verleend. Het aanhouden van één bankrekening behoort namelijk tot de algemeen noodzakelijke kosten die iemand ook heeft die niet onder bewind of curatele is gesteld.
De hoogte van de bijzondere bijstand voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde kosten bedraagt de hoogte van de werkelijke kosten.
Artikel 5.4 Kosten intake eenmalige wijziging bewindvoerder, curator of mentor
De rechtbank Overijssel heeft op 24 september 202436 heeft in een uitspraak bepaald dat de noodzaak voor de benoeming van de nieuwe bewindvoerder in dit geval is komen vast te staan met de uitspraak van de kantonrechter. De intakekosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd, moeten om die reden noodzakelijk worden geacht.
De Nederlandse banken laten bewindvoerders en curatoren extra betalen voor het aanhouden van bankrekeningen voor hun cliënten. De bewindvoerder of curator is verplicht dit te betalen. Bewindvoerders en curatoren mogen per persoon voor wie zij bewind of curatele uitvoeren éénmaal per kalenderjaar extra bankkosten in rekening brengen. Bij een ontslag/benoeming mag de opvolgende bewindvoerder of curator de bankkosten pas in het volgende kalenderjaar in rekening brengen.
Gemeente Zwolle kent aan iedere inwoner deze extra bankkosten ambtshalve toe in het eerste kwartaal van het jaar als zij op dat moment periodieke bijzondere bijstand ontvangen voor de kosten van onderbewindstelling of ondercuratelestelling. Wordt een inwoner in de loop van het jaar onder bewind of curatele gesteld en wordt een aanvraag gedaan voor (periodieke) bijzondere bijstand? Dan kunnen de bankkosten ambtshalve worden meegenomen in deze aanvraag. Een bewijsstuk dat deze kosten ook daadwerkelijk in rekening worden gebracht bij de inwoner is niet noodzakelijk.
Artikel 5.6 Legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie
Vluchtelingen en asielgerechtigden hoeven geen leges te betalen voor het aanvragen of verlengen van hun asielvergunning. Voor een ‘verblijfsvergunning regulier’ voor gezinshereniging (bijvoorbeeld voor de echtgenoot of kinderen) moeten wél leges worden betaald. Dit geldt ook voor de partner en kinderen van een vluchteling of asielgerechtigde die zelf een reguliere verblijfsvergunning aanvragen.
Uitzondering: als de gezinshereniging binnen drie maanden na het toekennen van de asielstatus plaatsvindt, hoeft deze laatste groep geen leges te betalen.
Als algemene regel geldt dat voor de betaling van de leges in verband met een verblijfsvergunning regulier geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. Er is immers geen noodzaak voor de gemaakte kosten, omdat het verblijf van een vreemdeling in Nederland in het algemeen geen gedwongen karakter heeft. Bijzondere bijstand is wel mogelijk voor zover het de leges betreffen van de echtgenoot/partner en kinderen van een vluchteling of asielgerechtigde die niet binnen 3 maanden zijn nagereisd.
Bijzondere bijstand is ook mogelijk voor een eigen bijdrage rechtsbijstand die betrekking heeft op een gezinshereniging. In dat geval moet de rekening van deze kosten en de toevoeging op naam van de aanvrager staan.
Het verlenen van bijzondere bijstand is mogelijk, omdat het verblijf van de vluchteling of asielgerechtigde een gedwongen karakter heeft en hij/zij recht heeft op voortzetting van zijn gezinsleven.
Deze kosten behoren tot de incidenteel, voorkomende, algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De belanghebbende moet deze kosten in beginsel uit de bijstandsnorm voldoen.
Hoofdstuk 6. Bijzondere bijstand voor reiskosten
Artikel 6.1 Reiskosten gerechtelijke procedures
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten voor het bijwonen van rechtszittingen. Voor de vaststelling van de noodzaak wordt aangesloten bij de noodzakelijkheid die door de Raad voor de rechtsbijstand is vastgesteld door afgifte van een toevoeging. Als er een toevoeging is afgegeven, kan de noodzaak worden aangenomen
Artikel 6.2 Reiskosten bezoek gedetineerd familielid
Er is bijzondere bijstand mogelijk voor bezoekkosten van een gedetineerde, als het gaat om een gedetineerd gezinslid in de eerste graad. Het mag ook gaan om pleegkinderen of pleegouders. Frequentie eenmaal per twee weken voor twee personen.
Voor reiskosten wegens bezoek aan een in het buitenland gedetineerd gezins- of familielid wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.
Zodra de gedetineerde met weekendverlof mag, komt de bijzondere bijstand voor de reiskosten van familieleden te vervallen. De gedetineerde kan voor reiskosten geen beroep doen op de bijzondere bijstand.
Artikel 6.3 Reiskosten omgangsregeling
Woont het kind korter dan een half jaar ergens anders vanwege een ziekenhuisopname? Dan is het kind voor de Sociale Verzekeringsbank (SVB) nog steeds thuiswonend en verandert er niets aan de kinderbijslag. Als een kind langer niet thuis verblijft is het soms wel mogelijk om kinderbijslag te krijgen, bijvoorbeeld als belanghebbende voor het uitwonende kind onderhoudslasten heeft. Het kind mag beperkt bijverdienen. Als er veel kosten zijn voor een uitwonend kind, kan iemand in aanmerking komen voor tweemaal kinderbijslag. In bovenstaande situaties kunnen de reiskosten vanuit de kinderbijslag worden voldaan en is geen bijzondere bijstand mogelijk.
Als de ouders na echtscheiding niet in dezelfde woonplaats wonen, brengt de omgangsregeling kosten met zich mee. Deze kosten behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en worden uit de norm betaald. Het recht van het kind op contact met de ouders en van het recht op gezinsleven is geen reden om tot bijstandsverlening over te gaan. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dienen namelijk de reis- en verblijfkosten die een kind in het kader van een omgangsregeling maakt ten laste te komen van de ouder tot wiens gezin het kind behoort (de verzorgende ouder).
Soms komt het voor dat de verzorgende ouder, ook na aanhoudende verzoeken, weigert de reiskosten te betalen. Dan is het voor de niet-verzorgende ouder alleen mogelijk de kinderen te ontvangen als deze zelf de reiskosten betaalt. Als deze ouder bijstandsafhankelijk is en aannemelijk kan maken d.m.v. brief jeugdzorg of advocaat alles te hebben gedaan om de ex-partner tot medewerking te bewegen, maar het toch zonder resultaat blijft, is bijzondere bijstand mogelijk.
Voor de bezoekfrequentie kan aangesloten worden bij de omgangsregeling zoals deze door de rechter is vastgelegd.
Artikel 6.4 Reiskosten van uithuisgeplaatst kind naar de ouder(s)
Als kinderen uit huis zijn geplaatst bij een Jeugdinstelling of pleeggezin, kan een beroep worden gedaan op een reiskostenvergoeding van de Jeugdinstelling. Soms wordt eenmaal per maand een vergoeding voor reiskosten verstrekt en soms is incidenteel meer vergoeding voor reiskosten mogelijk. Als het kind in een instelling verblijft die onder de Wlz valt, is er geen vergoeding mogelijk vanuit de Jeugdwet. Als een kind niet thuis verblijft is het soms wel mogelijk om kinderbijslag te ontvangen. Als er veel kosten zijn voor een uitwonend kind kan soms tweemaal kinderbijslag worden toegekend. De kinderbijslag is in dit geval een voorliggende voorziening.
Als er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening is bijzondere bijstand voor reiskosten mogelijk. Voor de vergoeding van reiskosten mag bij de bezoekfrequentie aangesloten worden bij de bezoekregeling zoals bepaald door de instelling.
Artikel 6.5 Reiskosten van ouders naar uithuisgeplaatst kind
Als kinderen uit huis zijn geplaatst bij een jeugdinstelling of pleeggezin, kan voor kosten van bezoek door de ouders aan het kind geen beroep worden gedaan op een vergoeding van de Jeugdinstelling c.q. de Jeugdwet. Afhankelijk van de omstandigheden kan er bijzondere bijstand voor de bezoekkosten worden verstrekt. Voor de vergoeding van reiskosten mag bij de bezoekfrequentie aangesloten worden bij de bezoekregeling zoals bepaald door de instelling of de rechtbank.
Artikel 6.6 Reiskosten zieke gezinsleden en logieskosten
Als gezinsleden in een ziekenhuis of een andere inrichting buiten Zwolle worden verpleegd, is er bijzondere bijstand mogelijk voor de reiskosten naar de gezinsleden. Het gaat hier om reiskosten naar de (pleeg)ouders, partner van belanghebbende en de ten laste komende (pleeg)kinderen. Voor het aantal noodzakelijk geachte bezoeken geldt de volgende regel:
Voor mensen die aanvullende zorgverzekering hebben is deze verzekering een voorliggende voorziening. Het niet deelnemen aan een aanvullende zorgverzekering heeft geen consequenties voor het bepalen van de bijzondere bijstand inzake reiskosten zieke familieleden.
Artikel 6.7 Reiskosten uitvaart
Er is bijzondere bijstand mogelijk voor deze kosten als het gaat om een overlijden van familie in de eerste of tweede graad of van een pleegouder of pleegkind. Een kopie van de rouwkaart en het treinkaartje zijn voldoende om tot vergoeding van de kosten over te gaan.Voor de reiskosten voor het bijwonen van een begrafenis of crematie in het buitenland is geen bijzondere bijstand mogelijk.
Artikel 6.8 Reiskosten waar geen bijzondere bijstand voor wordt verstrekt
Sub a. Medische of paramedische behandelingen
In het algemeen is het zo dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wlz alle noodzakelijke ziektekosten vergoeden. Beide regelingen gelden samen als een toereikende en passende voorliggende voorziening. Dit betekent dat ziektekosten die niet door de Zvw of Wlz worden vergoed ook niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
In de Wlz en Zvw is bijvoorbeeld door de wetgever een bewuste beslissing genomen over de noodzaak om zittend ziekenvervoer in bepaalde gevallen wel (behoudens de eigen bijdrage) of niet te vergoeden. Bijstandsverlening dient zich bij die keuze aan te sluiten. Indien immers de voorliggende voorziening bepaalde kosten in het algemeen of in een specifiek geval als niet noodzakelijk aanmerkt bestaat er voor deze kosten evenmin recht op bijzondere bijstand.37
Daarnaast zijn medische kosten, vanaf een bepaald drempelbedrag, aftrekbaar bij de belastingaangifte.
Sub b. Het onderhouden van sociale contacten
Als er geen familieleden of vrienden in de omgeving van Zwolle wonen zullen reiskosten gemaakt moeten worden voor de sociale contacten. Deze kosten vallen onder de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en zullen vanuit het gewone inkomen moeten worden voldaan. Bijzondere bijstand is niet mogelijk. Mensen met een geringe mobiliteit ten gevolge van een beperking kunnen een beroep doen op de Wmo.
Sub c. Kosten van woon-werk verkeer
Dit betreft de reiskosten van en naar het werk. In veel gevallen worden die door de werkgever vergoed. Als dat niet zo is, kunnen deze kosten worden opgenomen in de belastingaangifte.
Sub d. De uitvaart in het buitenland
Het territorialiteitsbeginsel verzet zich tegen de vergoeding van deze kosten via de bijzondere bijstand.
Artikel 6.9 Reiskosten voor scholing
Als belanghebbende een opleiding volgt in het Voortgezet Onderwijs buiten Zwolle omdat er in Zwolle geen passende opleiding is en recht heeft op een vergoeding vanuit de Wet tegemoetkoming ouderbijdrage scholingen (Wtos) dan kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten die belanghebbende maakt van en naar de onderwijsinstelling.
Artikel 6.10 Duur en hoogte van de bijzondere bijstand.
De bijzondere bijstand voor periodieke kosten wordt voor maximaal 12 maanden toegekend en per maand vooruitbetaald.
Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand wordt uitgegaan van een reis per trein 2e klas of bus. Bij periodieke kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor een voordeelkaart, waarna met korting gereisd kan worden. Per aanvraag zal bezien moeten worden of reizen met een voordeelkaart uit kan. Belanghebbende dient de treinkaartjes en strippenkaarten tenminste 12 maanden gerekend vanaf de maand waarin de bijzondere bijstand is uitbetaald te bewaren en op verzoek van het college te tonen Soms is het gebruik van een auto passender dan het openbaar vervoer bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van goed openbaar vervoer of het openbaar vervoer is duurder. In dat geval wordt uitgegaan van een kilometervergoeding. Voor de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van een kilometervergoeding conform de tarieven van de Belastingdienst.
HOOFDSTUK 7. MEDISCH GERELATEERDE KOSTEN
Artikel 7.1 Medische kosten algemeen
Medische kosten moeten voor de wet op dezelfde manier worden behandeld als andere noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd.
Dat betekent dus ook dat geen bijzondere bijstand wordt verleend indien belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de kosten waarvoor hij bijstand aanvraagt38.
Wet langdurige zorg en Zor gverzekeringswet als passende en toereikende voorliggende voorziening
Belangrijke voorliggende voorzieningen voor medische kosten zijn de vergoedingen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw).
AIs sprake is van medische kosten die niet behoren tot de medische kosten die op grond van de Zvw voor vergoeding in aanmerking komt, dan kan er in beginsel van worden uitgegaan dat in de Zvw de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat het stelsel van deze voorliggende voorziening niet mag worden doorkruist door bijstandverlening. Het is namelijk moeilijk voor te stellen dat ervoor wordt gekozen om op zichzelf noodzakelijke zorg niet in de Zvw op te nemen enkel en alleen vanwege budgettaire redenen.39
Verordening hoge zorgkosten en verplicht eigen risico zorgverzekeringswet als passende en toereikende voorliggende voorziening
Een andere voorliggende voorziening voor medische kosten is de mogelijkheid van subsidie voor hoge zorgkosten op grond van de gemeentelijke Verordening hoge zorgkosten en verplicht eigen risico zorgverzekeringswet Zwolle 2025.
Als belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt voor medische kosten en als de kosten niet worden vergoed op grond van de Wlz of Zvw, dient eerst onderzocht te worden of belanghebbende in aanmerking komt voor subsidie op grond van genoemde gemeentelijke verordening.
Als de subsidie voor hoge zorgkosten al is toegekend, dan is bijzondere bijstand voor medische kosten enkel mogelijk voor kosten hoger dan het bedrag dat aan subsidie is ontvangen.
Als de subsidie voor hoge zorgkosten nog niet is aangevraagd, maar een aanvraag wel als kansrijk wordt ingeschat, dan dient belanghebbende die subsidie voor hoge zorgkosten eerst aan te vragen. Als de subsidie voor hoge zorgkosten vervolgens wordt toegekend, dan is bijzondere bijstand voor medische kosten enkel mogelijk voor kosten hoger dan dat het bedrag dat aan subsidie is ontvangen.
Als de subsidie voor hoge zorgkosten nog niet toegekend en een aanvraag als niet kansrijk wordt ingeschat dan hoeft hier geen rekening mee te worden gehouden voor wat betreft de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand.
Van belanghebbende wordt gevraagd een bij zijn situatie passende aanvullende verzekering voor ziektekosten af te sluiten. Wat passend is hangt af van de individuele omstandigheden van belanghebbende en vergt dus maatwerk. Zo kan belanghebbende worden gevraagd een aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten die past bij zijn medische omstandigheden en de in zijn situatie te verwachten kosten. Meestal is een aanvullende verzekering pakket 1 toereikend.
Soms kan in redelijkheid niet van belanghebbende worden verwacht een aanvullende verzekering af te sluiten. Voorbeelden van dergelijke situaties zijn:
belanghebbende wordt als gevolg van schulden of betalingsachterstanden niet door de verzekeraar wordt geaccepteerd. Het is dan wel van belang de voorwaarde te stellen dat belanghebbende aan zijn schuldenproblematiek werkt via een schulddienstverleningstraject, waardoor verbetering van zijn financiële situatie is verwachten;
Als belanghebbende zich zonder goede reden niet aanvullend heeft verzekerd met een pakket dat past bij zijn individuele omstandigheden, dan is het gevolg daarvan dat die kosten die door die passende verzekering zouden zijn gedekt, niet voor bijzondere bijstandsverlening aanmerking komen.
Echter, het college kan, bij wijze van uitzondering, toch bijzondere bijstand verlenen als er sprake is van kosten van een noodzakelijke medische behandeling of voorziening, waarin belanghebbende niet kan voorzien en waarvan uitstel leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijk functioneren van belanghebbende.
Belanghebbende moet aantonen dat er sprake is van een noodzakelijke medische behandeling of voorziening. Van belanghebbende wordt gevraagd de noodzaak te onderbouwen met een verklaring van een behandelend arts of andere deskundige. Als belanghebbende om wat voor reden geen onderbouwing van een behandelend arts of andere deskundige kan overleggen of als het college twijfelt over de waarde van de onderbouwing, vraagt het college een medisch advies bij de medisch adviseur van de gemeente.
Als het college bij wijze van uitzondering bijzondere bijstand heeft verleend zoals beschreven in lid 3 van dit artikel, wordt belanghebbende er schriftelijk op gewezen zich voor het volgende kalenderjaar alsnog passend te verzekeren.
Als belanghebbende zich - zonder goede reden - niet aanvullend verzekerd, kan dit betekenen dat in een volgend kalenderjaar hooguit bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening voor dat deel van (dezelfde) medische kosten die anders zouden zijn vergoed door de aanvullende verzekering
Artikel 7.2 Kosten van tandheelkundig behandeling
Als belanghebbende niet aanvullend is verzekerd voor deze kosten en als er geen sprake is van individuele omstandigheden waardoor van belanghebbende in redelijkheid niet kan worden gevraagd zich aanvullend te verzekeren, dan komen de noodzakelijke kosten in beginsel ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstandsverlening.
Het uitgangspunt is dat belanghebbende zich aanvullend verzekert voor € 500,- per kalenderjaar, behalve als dit door individuele omstandigheden niet van belanghebbende kan worden gevergd.
Voorbeelden van dergelijke individuele omstandigheden kunnen zijn:
belanghebbende wordt als gevolg van schulden of betalingsachterstanden niet door de verzekeraar geaccepteerd. Het is dan wel van belang de voorwaarde te stellen dat belanghebbende aan zijn schuldenproblematiek werkt via een schulddienstverleningstraject, waardoor verbetering van zijn financiële situatie is verwachten;
Als belanghebbende zich zonder goede reden niet aanvullend voor tandheelkundige behandeling heeft verzekerd, is het gevolg daarvan dat belanghebbende voor de kosten die door die passende verzekering zouden zijn gedekt, maximaal tot een bedrag van € 500,- per kalenderjaar, niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand.
Echter, het college kan, bij wijze van uitzondering, toch bijzondere bijstand voor die kosten verlenen als belanghebbende daarin niet kan voorzien en als uitstel van de behandeling leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijk functioneren van belanghebbende.
Belanghebbende moet dan wel aantonen dat er sprake is van een noodzakelijke tandheelkundige behandeling of voorziening. Van belanghebbende wordt gevraagd de noodzaak te onderbouwen met een verklaring van een behandelend tandarts. Als belanghebbende om wat voor reden geen onderbouwing van een behandelend tandarts kan overleggen of als het college twijfelt over de onderbouwing, vraagt het college een medisch advies bij de medisch adviseur van de gemeente.
Als het college toch bijzondere bijstand als bedoeld in lid 3 van dit artikel verleent, wordt belanghebbende, behalve als dit in redelijkheid niet van belanghebbende kan worden gevraagd, er schriftelijk op gewezen zich in het volgende kalenderjaar alsnog aanvullend te verzekeren voor tandheelkundige behandeling met een dekking van € 500,-. Hiermee wordt de belanghebbende voor wie het mogelijk is zich aanvullend te verzekeren, gestimuleerd om er zelf voor te zorgen dat er een adequate verzekering wordt afgesloten.
In deze leden is geregeld dat de eventueel te verlenen bijzondere bijstand voor de belanghebbende die een goede reden heeft om zich niet aanvullend te verzekeren tot een bedrag van € 1.000,- per kalenderjaar wordt verleend in de vorm van bijstand om niet.
Voor de belanghebbende die geen goede reden heeft om zich aanvullend te verzekeren, wordt de eerste € 500,- verleend in de vorm van een renteloze geldlening en de volgende € 500,- als bijzondere bijstand om niet.
Voor noodzakelijke kosten die uitgaan boven het bedrag van € 1.000,- beoordeelt het college of het medisch verantwoord is van belanghebbende te vragen de behandeling te spreiden over een langere periode. Mocht het college van oordeel zijn dat dit niet verantwoord is, kan het college de bijzondere bijstand voor het bedrag dat hoger is dan € 1.000,- verlenen in de vorm van een renteloze geldlening.
Dit betreft buitenwettelijk begunstigend beleid.
Artikel 7.3 Kosten van orthodontie voor minderjarige kinderen
In beginsel wordt er van uit gegaan dat ouders zich aanvullend hebben verzekerd voor de kosten van orthodontie. Deze kosten kan men over het algemeen aan zien komen. In veel gevallen gaat het om kinderen van ongeveer 12 jaar die toe zijn aan een beugel.
Van de ouders wordt verwacht dat zij zich tijdig aanvullend verzekeren voor kosten van orthodontie, dit voor zover zij deze kosten kunnen zien aankomen.
Voor kosten van orthodontie geldt bij veel zorgverzekeraars een wachttijd van één jaar. Dat betekent dat de zorgverzekeraar de kosten pas vergoedt nadat het kind minimaal één jaar voor orthodontie verzekerd is.
Als van de ouders kan worden verwacht zich aanvullend te verzekeren, maar de ouders dit om hen moverende redenen hebben nagelaten te doen, kan het college toch bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van orthodontie verlenen. Dit is het geval als de ouders niet in deze kosten kunnen voorzien en als het uitstellen van de behandeling leidt tot ernstige verslechtering van de gezondheid of van het maatschappelijk functioneren van het kind. Uitgangspunt is dat kinderen niet medisch benadeeld moeten worden door (verkeerde) keuzes die de ouder(s) hebben gemaakt door geen aanvullende verzekering voor deze kosten af te sluiten.
De ouder(s) moet(en) de noodzaak van de kosten en van het niet kunnen uitstellen van de behandeling aantonen met een verklaring van de behandelend orthodontist. Bij twijfel kan het college advies vragen aan de medisch adviseur van de gemeente.
Aan de bijzondere bijstandsverlening is geen maximumbedrag gekoppeld.
De ouders worden, als dit in redelijkheid van hen kan worden verwacht, geadviseerd zich zo spoedig mogelijk aanvullend te verzekeren.
Als de ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten, verleent het college gedurende de wachttijd van de aanvullende verzekering geen bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van orthodontie.
In deze situatie kan het college bijzondere bijstand om niet verstrekken.
Artikel 7.4 Stapeling van eigen bijdragen
Voor sommige ziektekosten geldt er een wettelijke eigen bijdrage of een eigen bijdrage die is bepaald door de zorgverzekeraar. Dan kan op basis van ‘stapeling van zorgkosten’ bepaald worden of er recht is op bijzondere bijstand voor deze kosten.
Er moet een bewijsstuk van de zorgverzekeraar ingeleverd worden waaruit blijkt dat de kosten ingediend zijn bij de zorgverzekeraar. Uit het bewijsstuk moet blijken wat de zorgverzekeraar vergoedt en wat belanghebbende zelf moet bijdragen in de kosten.
De eigen bijdrage moet wel onvermijdelijk zijn. Als belanghebbende er bijvoorbeeld voor kiest om een duurder montuur of een duurder hoortoestel aan te schaffen dan medisch noodzakelijk is, dan zijn de extra kosten hiervan voor belanghebbende zelf.
Als er sprake is van een onvermijdelijke stapeling van eigen bijdragen moet eerst worden bezien of belanghebbende aanspraak kan maken op subsidie voor hoge zorgkosten op grond van de Verordening hoger zorgkosten en verplicht eigen risico zorgverzekeringswet Zwolle 2025. Als de hoogte van deze subsidie niet toereikend is voor de stapeling van eigen bijdragen kan het college aanvullend bijzondere bijstand
Artikel 7.5 Kosten van een bril
Er wordt onderscheid gemaakt tussen de startende brildrager en de belanghebbende die al brildragend is.
Situatie 1: De belanghebbende start met het dragen van een bril
Deze belanghebbende wordt geconfronteerd met nieuwe onvoorziene kosten, die uiteindelijk algemeen noodzakelijk gaan worden voor deze belanghebbende.
In deze situaties is bij de start sprake van bijzonder noodzakelijk te maken kosten. Daarom kan er bij de start van het dragen van een bril, bijzondere bijstand verleend worden voor deze kosten. Het betreft hier de kosten van een montuur en de kosten van glazen. Deze kosten tezamen vormen de kosten van een bril.
Situatie 2: De belanghebbende is al brildragend
Deze belanghebbende weet dat hij met enige regelmaat zijn bril moet vervangen. Het zijn geen onvoorziene kosten.
Wanneer de belanghebbende zich niet verzekerd heeft voor deze kosten, bespaart hij op de premie. Door de besparing op de maandelijkse premie, zou de belanghebbende zelf maandelijks geld opzij moeten leggen om in deze kosten te voorzien. Er wordt gesteld dat men dan ruimte in het inkomen heeft om de kosten zelf te betalen. Daarom is er geen bijzondere bijstand mogelijk voor de kosten van een opvolgende bril.
Artikel 7.6 Extra kosten als gevolg van een beperking of chronische ziekte
Het college kan bijzondere bijstand voor medische kosten verstrekken wanneer de belanghebbende bijzondere kosten heeft vanwege een handicap of chronische ziekte.
Zie voor de bepalingen rondom het medisch advies artikel 1.4 van deze beleidsregel.
In lid 3 worden de meest voorkomende bijzondere kosten genoemd. Deze lijst is echter niet volledig.
Het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van bewassing en slijtage van kleding en beddengoed is maar beperkt mogelijk. Dit kan namelijk alleen voor de kosten die hoger zijn dan het bedrag dat iedereen uit een bepaalde inkomensklasse per jaar uitgeeft aan deze kosten. Dit komt omdat de kosten van bewassing en kleding behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan.40
Meerkosten van een dieet of van voedingssupplementen
Onder dieetkosten worden verstaan: de meerkosten ten opzichte van de kosten van normale gezonde voeding. Deze meerkosten komen voort uit een (medisch noodzakelijk) dieet. Met voedingssupplementen worden verschillende pillen, tabletten,capsules, druppels en poeders bedoeld. Deze gelden als aanvulling op de dagelijkse voeding.
Dieetkosten en voedingssupplementen zitten niet in het zorgpakket van de wettelijke ziektekostenverzekeringen Wlz en Zvw).41 Voor deze kosten is geen sprake van een voorliggende, toereikende en passende voorziening.42
Vertrekking van bijzondere bijstand voor dieetkosten is enkel mogelijk wanneer het gaat om (aantoonbare) medisch noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze medische noodzaak zal door een deskundige vastgesteld moeten worden43. Zie in dit verband ook voor een voorbeeld waarin de noodzaak onvoldoende is aangetoond. Uit jurisprudentie44 kan voorts worden afgeleid dat de volgende (alternatieve) diëten en voedingssupplementen medisch niet noodzakelijk zijn:
een Myalgische Encephalomyelitis (M.E.)-dieet. Dit dieet werd door de GGD niet medisch noodzakelijk geacht. Dit omdat er geen (wetenschappelijk) bewijs te vinden is dat een dergelijk dieet werkt.45
een Candida-dieet, voorgeschreven door een orthomoleculair therapeut46
voedingssupplementen, voorgeschreven door een osteopaat.47
Een maaltijdvoorziening is één van de basisvoorwaarden om ouderen in staat te stellen een zelfstandige leefwijze te behouden. De maaltijdvoorziening moet gezien worden als een aanvullende dienstverlening voor bepaalde tijd. Ouderen die wel in staat zijn om zelf een maaltijd te bereiden - eventueel met behulp van anderen of na een kookcursus - zullen in het algemeen niet voor een maaltijdvoorziening in aanmerking komen.
De maaltijdvoorziening omvat zowel de thuisbezorgde maaltijd als de open tafel. De indicatiestelling wordt in de regel gedaan door de medisch adviseur. Soms kan dit ook worden gedaan door een onafhankelijke instelling. In sommige situaties is de noodzaak van een maaltijdvoorziening echter overduidelijk. In dat geval hoeft de consulent niet een onafhankelijke indicatiestelling in te zetten.
De maaltijdvoorziening kan noodzakelijk zijn voor ouderen met de volgende fysieke en/of geestelijke handicaps:
Als valide ouderen een beroep doen op de maaltijdvoorziening, omdat men geen ervaring heeft met zelf koken, kan de mogelijkheid van een kookcursus worden besproken. Bij wijze van overgangsregeling kan dan het open-tafelgebruik positief geïndiceerd worden. Als de oudere wel kan koken maar tijdelijk niet de hiervoor benodigde boodschappen kan doen, kan worden verwezen naar buren- of bejaardenhulp.
De meerkosten van een maaltijdvoorziening bedragen het verschil tussen de werkelijke kosten en de Nibud bedragen voor een warme maaltijd.
De noodzaak voor het maken van extra stookkosten is ook in het geval er een medisch aanleiding is, niet altijd aanwezig. De CRvB stelt zich op het standpunt dat medisch nooit is bewezen dat de omgevingstemperatuur van invloed is op gewrichtsklachten, zodat in die gevallen hogere stookkosten niet noodzakelijk zijn.48 Ook oordeelde de CRvB dat reumatische klachten geen medisch noodzaak vormden voor een temperatuur hoger dan de normale kamertemperatuur.49
De omvang van de meerkosten waarop de aanvraag ziet, komt pas vast te staan met de eindafrekening van de energieleverancier over het jaar waarvoor de warmtetoeslag is aangevraagd. Deze omstandigheid brengt mee dat op het moment waarop het college moet beslissen op de aanvraag de omvang van de meerkosten nog niet vaststaat. Dit staat echter niet aan de toekenning van bijzondere bijstand in de weg. Het college zal op basis van een realistische schatting van de meerkosten een bedrag voor de bijzondere bijstand moeten vaststellen.50
De Zvw en Wlz zijn een voorliggende voorziening voor de kosten van orthopedische schoenen.51 Voor deze schoenen geldt een eigen bijdrage. Dat komt doordat iedereen regelmatig schoenen moet kopen. Het is daarom redelijk dat ook belanghebbenden die orthopedische schoenen nodig hebben, zelf een vergelijkbaar bedrag bijdragen aan de kosten.52 Daarom wordt er in principe geen bijzondere bijstand verstrekt voor de eigen bijdrage van orthopedische schoenen.
Eigen bijdrage alarmeringskosten
In het kader van communicatie- en/of alarmeringsvoorzieningen geldt de Regeling zorgverzekering als voorliggende voorziening. Bijzondere bijstand voor een eventuele eigen bijdrage is mogelijk in bijzondere omstandigheden. De noodzaak hoeft niet te worden aangetoond wanneer belanghebbende alarmeringsapparatuur heeft op grond van Zvw of de Regeling zorgverzekering of waarschuwings- of alarmeringsapparatuur heeft vanwege een auditief of lichamelijke handicap53
De tekst van deze leden behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 7.7 Kosten van een uitvaart.
De uitvaartkosten behoren tot de nalatenschap van de overledene. De erfgenamen kunnen recht hebben op bijzondere bijstand voor de uitvaartkosten als de kosten niet betaald kunnen worden uit de erfenis en/of een eventuele uitvaartverzekering.
De bijzondere bijstand moet aangevraagd worden bij de gemeente waar de belanghebbende (erfgenaam) woont.
Aandachtspunten bij de beoordeling van een nalatenschap:
Bij een huwelijk in gemeenschap van goederen bestaat de nalatenschap uit de helft van het gezamenlijke vermogen. De andere helft is van de langstlevende partner. Deze nalatenschap kan volledig worden aangesproken voor bijvoorbeeld uitvaartkosten, ook als het vermogen binnen de grenzen van het vrij te laten bescheiden vermogen valt of als het via een notariële akte (vruchtgebruik) is toegedeeld aan de langstlevende echtgenoot.
Een uitkering uit een levensverzekering hoort niet bij de nalatenschap van de overledene, maar bij het vermogen van de begunstigde. Als de begunstigde bijzondere bijstand aanvraagt voor uitvaartkosten, moet deze uitkering worden meegeteld bij de beoordeling van de aanvraag54.
Zijn er meerdere erfgenamen? Dan is eenieder verantwoordelijk voor zijn deel van de uitvaartkosten. Elke erfgenaam die voor zijn deel van de uitvaartkosten bijzondere bijstand wil krijgen, moet zelf bijzondere bijstand aanvragen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk van elkaar beoordeeld.
Bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt uitgegaan van een eenvoudige uitvaart. Er wordt uitgegaan van de bedragen vermeld in de Prijzengids van het Nibud, onder Uitvaartkosten. De bedragen van het Nibud zijn de maximale tegemoetkomingen die kunnen worden verstrekt voor de kosten van een uitvaart.
Een uitvaart krijgt tegenwoordig steeds vaker een uniek karakter, omdat meer rekening wordt gehouden met de persoonlijke wensen van de overledene en de nabestaanden. Uit respect heeft de gemeente Zwolle ervoor gekozen dat zolang de totale kosten binnen de normbedragen van het Nibud blijven, de nabestaanden zelf mogen bepalen waaraan de middelen voor de uitvaart besteed worden.
HOOFDSTUK 8. BIJZONDERE BIJSTAND VOOR JONGmeerderjarigen
Artikel 8.1 Bijzondere bijstand voor jongmeerderjarigen van 18, 19 of 20 jaar
De aanvulling op de jongmeerderjarigen-norm (18–21 jaar) is per 1 januari 2026 in beginsel gelijk voor alle gemeenten - via algemene bijstand in plaats van bijzondere bijstand. Dit betekent dat gemeenten aanvullend een bedrag (op 1-1-2026 is dit € 634,-) aan jongeren kunnen geven wanneer ze geen steun van hun ouders krijgen. Wanneer blijkt dat dit bedrag niet voldoende is, kan de gemeente het bedrag verhogen, en andersom – wanneer het bedrag gezien de leefsituatie van de jongere te hoog blijkt – ook naar beneden bijstellen. De totale norm (norm plus toeslag) kan nooit hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige in een gelijke situatie.
Tot 1 januari 2026 vond de aanvulling op de jongmeerderjarigen-norm plaats binnen de bijzondere bijstand. De gemeente Zwolle hanteerde hiervoor richtlijnen die voor een deel van de doelgroep ruimer waren dan de bedragen in de wet vanaf 1 januari. Om deze reden kiest de gemeente Zwolle ervoor om aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2026 vast te stellen op basis van de richtlijnen van voor 1 januari 2026. Dit recht blijft zo lang de belanghebbende recht heeft op de aanvulling jongmeerderjarigen-norm.
Aangezien het recht op deze toelage maximaal drie jaar kan bestaan, vervalt dit artikel vanuit rechtswege op 1 januari 2029.
Artikel 9.1 Overgangsbepaling artikel 8.1
Zie toelichting bij artikel 8.1.
Dit artikel behoeft geen toelichting
De bepalingen uit de volgende losse beleidsregels zijn opgenomen in de Beleidsregels bijzondere bijstand en worden daardoor ingetrokken:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-538742.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.