Beleidsregel giften, kostenvoordelen en schadevergoedingen Participatiewet gemeente Zwolle 2026

Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle,

 

gelet op:

  • de artikelen 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; en

  • artikel 18 lid 8 van de Participatiewet; en

  • artikel 31 lid 2 onder l, m en n van de Participatiewet;

besluit:

Vast te stellen de “Beleidsregel giften, kostenvoordelen en schadevergoedingen Participatiewet gemeente Zwolle 2026”.

 

De inhoud van deze beleidsregel is als volgt:

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      bijdrage: een door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin indirect ontvangen bijdrage in geld of direct ontvangen bijdrage in natura, zonder dat er een tegenprestatie tegenover staat;

    • b.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle;

    • c.

      gift: een door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen geldbedrag, zonder dat er een tegenprestatie tegenover staat;

    • d.

      immateriële schadevergoeding: een door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen financiële vergoeding voor schade die niet direct in geld is uit te drukken zoals pijn, verdriet, emotioneel trauma verlies van levensvreugde of geestelijk gemis, waarvan de hoogte door de schadeverzekeraar of rechter is bepaald;

    • e.

      materiële schadevergoeding: door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen financiële vergoeding voor geleden schade die direct in geld is uit te drukken;

    • f.

      wet: de Participatiewet;

Artikel 2 Waarde van de bijdragen

De waarde van de ontvangen bijdragen in natura wordt bepaald op basis van de waarde in het economisch verkeer.

Hoofdstuk 2. Giften en bijdragen

Artikel 3. Giften en bijdragen onder het grensbedrag

Door bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen giften en bijdragen worden niet als vermogen of inkomen in aanmerking genomen voor zover de som van deze giften en bijdragen het grensbedrag per kalenderjaar zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de wet niet overstijgt.

Artikel 4. Giften en bijdragen boven het grensbedrag

  • 1.

    Als door het ontvangen van een gift of bijdrage het grensbedrag wordt overschreden, wordt het meerdere in aanmerking genomen voor de beoordeling van het recht op algemene bijstand.

  • 2.

    De in lid 1 van dit artikel bedoelde gift of bijdrage wordt als inkomen in aanmerking genomen als de gift of de bijdrage, al dan niet periodiek of incidenteel, is bedoeld om te voorzien in de kosten van het dagelijks levensonderhoud.

  • 3.

    De in lid 1 van dit artikel bedoelde gift of bijdrage wordt als vermogen in aanmerking genomen als de gift of de bijdrage niet is bedoeld voor direct levensonderhoud.

Hoofdstuk 3. Giften en bijdragen in bijzondere situaties

Artikel 5. Giften en bijdragen voor bijzondere kosten

  • 1.

    Door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen giften en bijdragen worden niet als inkomen of vermogen in aanmerking genomen als deze zijn verstrekt voor:

    • a.

      kosten waarvoor anders aanspraak had kunnen worden gemaakt op bijzondere bijstand;

    • b.

      uit medische oogpunt noodzakelijke of wenselijke kosten;

    • c.

      een auto:

      • i.

        waarvan de dagwaarde van de auto lager is dan het bedrag dat bij de vermogensvrijlating als algemeen gebruikelijk voor een auto wordt aangemerkt; en

      • ii.

        die noodzakelijk is wegens:

        • 1.

          medische redenen; of

        • 2.

          het behouden of verwerven van betaalde arbeid; of

        • 3.

          mantelzorg; of

        • 4.

          een andere reden, passend bij het gedachtengoed van de Participatiewet in balans.

  • 2.

    Door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin van hun werkgever ontvangen onbelaste inkomsten worden niet als inkomen of vermogen in aanmerking genomen.

Artikel 6. Giften en bijdragen ten tijde van de bijstandsaanvraag

Door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin tijdens de afhandeling van de bijstandsaanvraag ontvangen giften en bijdragen hebben, mits niet hoger dan de voor de bijstandsgerechtigde geldende bijstandsnorm, geen invloed op de hoogte van en de begindatum van de uitkering. Deze giften en bijdragen tellen ook niet mee voor wat betreft de in artikel 3 en 4 van deze beleidsregel genoemde vrijlating van giften en bijdragen.

Artikel 7. Giften en bijdragen in schulden

  • 1.

    Giften en bijdragen worden niet als inkomen of vermogen in aanmerking genomen als zij zijn verstrekt met het doel de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin in staat te stellen problematische schulden af te lossen.

  • 2.

    Een schuld is problematisch als het gaat om een opeisbare vordering en de bijstandsgerechtigde op het moment dat de gift of bijdrage wordt ontvangen anders niet in staat zou zijn geweest om de schuld binnen 36 maanden af te lossen.

Hoofdstuk 4. Schadevergoeding

Artikel 8. Schadevergoedingen

  • 1.

    De schadevergoeding die is bedoeld als compensatie van materiële schade wordt als vermogen in aanmerking genomen voor zover die schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van schade.

  • 2.

    De schadevergoeding die is bedoeld voor compensatie van verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.

  • 3.

    Bij schadevergoeding voor immateriële schade wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a.

      schade voor gederfde levensvreugde, zoals schending van eer en goede naam, discriminatie of een onterechte detentie en;

    • b.

      schade die blijvend aan aard is en invloed heeft op de verwachte uitstroom van een bijstandsgerechtigde uit de bijstand.

  • 4.

    De vergoeding voor gederfde levensvreugde als bedoeld in lid 3 onder a van dit artikel wordt voor 30% van het deel dan hoger is dan € 3.000,- in aanmerking genomen als vermogen.

  • 5.

    De vergoeding voor schade die blijvend is als bedoeld in lid 3 onder b van dit artikel wordt toegerekend aan de statistisch te verwachten resterende levensduur van de bijstandsgerechtigde, te rekenen vanaf het moment van ontstaan van de schade, en herleid tot een maandbedrag.

  • 6.

    Als het in lid 5 van dit artikel genoemde maandbedrag lager is dan 15% van de voor de bijstandsgerechtigde op het moment van ontstaan van de schade geldende bijstandsnorm, dan wordt de schadevergoeding vrijgelaten.

  • 7.

    Als het in lid 5 van dit artikel genoemde maandbedrag hoger is dan 15% van de voor de bijstandsgerechtigde op het moment van de schade geldende bijstandsnorm dan wordt het bedrag, voor zover dat meer bedraagt dan het genoemde percentage van 15%, vermenigvuldigd met het aantal in maanden gedurende de periode als bedoeld in lid 5.

  • 8.

    Als het bedrag dat conform lid 7 van dit artikel is berekend hoger is dan het bedrag dat conform lid 4 van dit artikel is berekend, dan wordt laatstgenoemd bedrag als vermogen in aanmerking genomen.

Hoofdstuk 5. Overige bepalingen

Artikel 9. Inlichtingenplicht

  • 1.

    Voor giften, bijdragen en schadevergoedingen die het in artikel 31 lid 2 onder m van de wet genoemde grensbedrag per kalenderjaar niet overstijgen geldt geen verplichting om dat te melden.

  • 2.

    Zodra de bijstandsgerechtigde weet of kan weten dat de door hem of leden van diens gezin ontvangen giften, bijdragen en schadevergoedingen in het betreffende kalenderjaar het in artikel 31 lid 2 onder m van de wet genoemde grensbedrag overstijgen, is de bijstandsgerechtigde verplicht dit zo spoedig mogelijk te melden bij de gemeente.

Artikel 10. Citeertitel en Inwerkingtreding

  • 1.

    De “Beleidsregels giften, kostenvoordelen en schadevergoeding Participatiewet Zwolle 2025’ worden ingetrokken per 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel giften, kostenvoordelen en schadevergoedingen Participatiewet gemeente Zwolle 2026”.

  • 3.

    Deze beleidsregel treedt na publicatie in werking per 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 december 2025.

Burgemeester en wethouders van Zwolle,

Burgemeester

P. Snijders

Secretaris

D. Emmer

Toelichting algemeen

Voor giften en (besparings)bijdragen of kostenvoordelen geldt al sinds het ontstaan van de bijstandswetgeving dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten, voor zover dat naar het oordeel van het college verantwoord is. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling om de vrijgevigheid van personen en instellingen te ontmoedigen. Uitkeringsgerechtigden moe(s)ten van deze vrijgevigheid kunnen profiteren.

Echter, giften en bijdragen ontvangen zonder deze als inkomen of vermogen aan te merken is niet onbeperkt mogelijk vanwege het vangnetkarakter van de wet.

 

Wetgeving en beleid tot 1 januari 2026

Tot 1 januari 2026 luidden de wetteksten als volgt.

Artikel 31 lid 2 onder l van de wet luidde: “bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;”

Artikel 31 lid 2 onder m luidde: “giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn”.

In de wet werd geen bedrag genoemd. Dit werd overgelaten aan het college. Er was dus beleidsruimte.

In de vanaf 1 januari 2025 geldende ‘Beleidsregels giften, kostenvoordelen en schadevergoeding Participatiewet Zwolle 2025’ had het college invulling gegeven aan wat naar het oordeel van het college aan ontvangen giften, kostenvoordelen en schadevergoeding verantwoord buiten beschouwing kon worden gelaten. In die beleidsregel werden bedragen genoemd.

 

Wetgeving per 1 januari 2026

Per 1 januari 2026 is fase 1 van het wetsvoorstel Participatiewet in balans in werking getreden. Artikel 31 lid 2 onder l van de wet is zo gebleven. Artikel 31 lid 2 onder m is gewijzigd en luidt nu als volgt: “giften, voor zover de som van deze giften en de bijdragen, bedoeld in artikel 18, achtste lid, niet meer bedraagt dan € 1.200,- per kalenderjaar”.

Daarnaast is onder artikel 31 lid 2 van de wet een nieuw onderdeel n dat luidt: “giften, voor zover zij niet op grond van onderdeel m van de middelen zijn uitgezonderd, en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade, voor zover deze giften en vergoedingen naar het oordeel van het college in het individuele geval en uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.”

Verder is er het nieuwe artikel 18 lid 8 van de wet dat als volgt luidt: “Het college neemt bijdragen die leiden tot een kostenbesparing niet in aanmerking, voor zover de som van deze bijdragen en giften het bedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid onderdeel m niet overstijgt. In afwijking van de vorige zin, neemt het college bijdragen van voedselbanken geheel niet in aanmerking”.

Het komt erop neer dat nu wettelijk is geregeld welk bedrag voor giften en kostenvoordelen buiten beschouwing moet worden gelaten, namelijk een bedrag van maximaal € 1.200,- per gezin per kalenderjaar, hierna het grensbedrag. De hoogte van dit bedrag wordt periodiek aangepast. Het volgt de jaarlijkse procentuele stijging van de consumentenprijsindex en wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 50,-.

Het komt er verder op neer dat door de verwijzing naar het nieuwe artikel 18 lid 8 van de wet de (besparings)bijdragen, zowel in geld als in natura, worden gelijkgesteld met de giften. Bijdragen van voedselbanken worden in het geheel niet in aanmerking genomen.

 

Minder beleidsruimte dan voorheen

Het college heeft nu minder beleidsruimte dan voorheen. De in de wet genoemde categorale vrijlating van giften en bijdragen is gemaximeerd tot het in de wet genoemde grensbedrag.

Alleen ingeval van individuele omstandigheden is het geoorloofd een hoger bedrag vrij te laten als dit uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dit is in ieder geval mogelijk in de situaties als bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 van deze beleidsregel.

 

De hoogte van het grensbedrag

Uit de toelichting op het wetsvoorstel Participatiewet in Balans blijkt dat voor het grensbedrag van € 1.200,- is gekozen omdat dit bedrag in redelijke verhouding staat tot:

  • de algemene bijstandsnorm voor een alleenstaande (ouder);

  • de inkomstenvrijlating van 15%; en

  • de vrij te laten kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk.

Daarnaast is gekeken naar de gemiddelde hoogte van giften binnen de doelgroep.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

Lid1

Spreekt voor zich.

 

Lid 2

  • a.

    In de artikelen 31 lid 2 onder m en 18 lid 8 van de wet wordt het begrip bijdrage genoemd. Het gaat hier feitelijk om een besparingsbijdrage. De bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin kunnen die bijdrage direct in natura of indirect in geld ontvangen zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat. Bij een bijdrage in natura kan onder andere worden gedacht aan het verstrekken van huishoudelijke artikelen of aan boodschappen door een instantie of persoon. Overigens is in artikel 18 lid 8 van de wet uitgezonderd door de voedselbank verstrekte pakketten. Bij een indirect verstrekte bijdrage in geld kan onder andere worden gedacht aan geheel of gedeeltelijke betaling door een persoon of instantie van de kosten van gas, elektriciteit, water, huur en zorgpremie.

  • b.

    Het college van burgemeester en wethouders is door de wetgever aangewezen als uitvoerder van de wet.

  • c.

    In artikel 31 lid 2 onder m van de wet wordt het begrip gift genoemd. De gift of de bijdrage die is bestemd voor de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin worden, als gevolg van het beginsel dat bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt, worden voor wat betreft het vaststellen van het recht op bijstand als inkomen of vermogen in aanmerking genomen als de gift en de bijdrage in een kalenderjaar hoger is dan het grensbedrag.

  • d.

    Bij immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder I van de wet, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor schade die niet direct in geld is uit te drukken zoals pijn, verdriet, emotioneel trauma verlies van levensvreugde of geestelijk gemis, waarvan de hoogte door de schadeverzekeraar of rechter is bepaald..

  • e.

    Bij materiële schadevergoeding als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder I van de wet gaat het om een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Het gaat om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat bijstandsgerechtigde al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kan gaan om reeds gemaakt kosten of om kosten die nog gemaakt moeten worden.

Artikel 2 Waarde van de bijdragen

Voor zover de bijdrage in natura is zal de hoogte daarvan moeten worden vastgesteld op basis van de waarde in het economisch verkeer. Een indicatie kan zijn de prijs zoals die staat vermeld in de NIBUD-prijzengids.

 

Voorbeeld:

Mario ontvangt als bijstandsgerechtigde algemene bijstand. Zijn ouders geven hem elke maand boodschappen ter waarde van € 50,-. In juni krijgt Mario van zijn ouders nog eens € 1.000,- om te besteden aan leuke dingen. Hoe moet dit worden beoordeeld?

In juni is het grensbedrag al met € 100,- overschreden. Immers, Mario heeft in totaal voor een waarde van € 300,- aan boodschappen ontvangen. Verder heeft hij een gift van € 1.000,- ontvangen. In totaal dus € 1.300,-. Van dit bedrag moet € 1.200,- worden vrijgelaten. Het resterende bedrag van € 100,- moet als inkomen in aanmerking worden genomen. Dit geldt ook voor de overige maanden, waarin Mario elke maand voor € 50,- boodschappen ontvangt.

 

Hoofdstuk 2. Giften en bijdragen

 

Artikel 3. Giften en bijdragen onder het grensbedrag

Ter bevordering van de leesbaarheid van deze beleidsregel bevat dit artikel niet meer dan een verwijzing naar artikel 31 lid 2 onder m van de wet.

 

Artikel 4. Giften en bijdragen boven het grensbedrag

Lid 1

Spreek voor zich.

 

Lid 2

Middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen kunnen worden ingezet voor de voorziening in levensonderhoud. Ook eenmalig ontvangen middelen die het karakter hebben van een voorziening in het levensonderhoud worden gezien als inkomen1. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een alimentatieafkoopsom. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen2.

 

Lid 3

Als de gift of bijdrage zodanig is dat de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de wet wordt overschreden zal dit moeten leiden beëindiging van de bijstand.

 

Hoofdstuk 3. Giften en bijdragen in bijzondere situaties

 

Artikel 5. Giften en bijdragen voor bijzondere kosten

Lid 1

Giften en bijdragen voor kosten waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is worden niet gerekend tot de middelen waarmee bij de bijstand rekening wordt gehouden. Dit is ook het geval als de bijzondere bijstand tot een bepaald bedrag de kosten vergoedt en de gift of bijdrage hoger is.

Als er geen bijzondere bijstand mogelijk is, maar de kosten wel als noodzakelijk of wenselijk kunnen worden aangemerkt, kan de gift of bijdrage eveneens worden vrijgelaten, mits dit maar niet leidt tot verhoging van de levensstandaard. Dit is bijvoorbeeld het geval als de bijstandsgerechtigde een gift of bijdrage ontvangt voor het aanschaffen van een noodzakelijk hulpmiddel, bijvoorbeeld een scootmobiel, of als het gaat om medische kosten die uit bijstandsoogpunt als niet noodzakelijk worden aangemerkt, maar wel als wenselijk.

Ook kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een gift die is bedoeld voor het aanschaffen van een auto of een bijdrage in natura in de vorm van een auto, mits het in bezit hebben van een auto noodzakelijk is vanwege medische redenen of redenen die verband houden met het behouden of verwerven van betaalde arbeid. De waarde van de gift of de bijdrage mag niet hoger zijn dan € 4.500,-3 zijnde het bedrag dat maximaal als algemeen gebruikelijk voor een auto buiten beschouwing wordt gelaten. Als de gift voor de aanschaf van de auto hoger is dan € 4.500,- of als de waarde van de auto hoger is dan € 4.500,- wordt het meerdere als vermogen in aanmerking genomen. Als richtlijn voor de waardebepaling van een auto kan, behoudens tegensbewijs, de ANWB/BOVAG koerslijst worden gebruikt.

Als de gift of bijdrage moet worden aangemerkt als bedoeld om te voorzien in de kosten van levensonderhoud geldt dit artikel niet.

 

Lid 2

Door het onverplicht karakter is er voldoende reden om onverplichte verstrekkingen van werkgevers aan werknemers buiten beschouwing te laten. Veelal gaat het om onbelaste giften met beperkte financiële waarde. Te denken valt bijvoorbeeld aan een kerstpakket, tegoedbonnen of een bedrag met de kerst etc.

 

Artikel 6. Giften en bijdragen ten tijde van de bijstandsaanvraag

Het kan zijn dat als de afhandeling van een bijstandsaanvraag enige tijd duurt bijvoorbeeld familie financieel bijspringt in de meest belangrijke uitgaven. De gemeente kan de keus maken deze - door de familie als overbrugging bedoelde betalingen - veelal gedaan zonder een afdwingbare terugbetalingsverplichting - vrij te laten.

 

Artikel 7. Giften en bijdragen in schulden

De wet biedt maar beperkte mogelijkheden tot bijstandsverlening in schulden. Echter, het hebben van problematische schulden is in algemene zin een belemmering in het sociaal functioneren. Als een derde hierin tegemoet wil komen door een gift of bijdrage die is bedoeld voor betaling van de problematische schulden, dan wordt die gift niet als vermogen in aanmerking genomen.

Voor wat betreft de definitie van problematische schulden is aangesloten bij de definitie van de NVVK. In de praktijk komt het erop neer dat het gaat om een situatie waarin de schuldenaar niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen kan betalen.

 

Hoofdstuk 4. Schadevergoeding

 

Artikel 8. Schadevergoeding

Als de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin een vergoeding voor immateriële schade of materiële schade ontvangt, wordt eerst bezien of de schadevergoeding moet worden vrijgelaten op grond van de artikelen 31 lid 2 onder L van de wet in samenhang met artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Laatstgenoemd artikel bevat een lijst uitkeringen en vergoedingen, waaronder schadevergoedingen, die moeten worden vrijgelaten voor het bepalen van het recht op algemene bijstand. Als de schadevergoeding niet is te vinden in die lijst, moet worden beoordeel of vrijlating van de schadevergoeding uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

 

Lid 1

Als er sprake is van ontvangst van een door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen schadevergoeding voor materiële schade, zal beoordeeld moeten worden of de vergoeding is gebruikt voor het wegnemen van de schade. Indien dit niet (helemaal) het geval is, wordt het deel dat niet is aangewend om de geleden schade weg te nemen als vermogen in aanmerking genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele kosten die in de toekomst nog gemaakt moeten worden, zoals bijvoorbeeld fysiotherapie. Indien hier sprake van is kan de vergoeding niet als vermogen worden aangemerkt

 

Lid 2

Door tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan iemand zijn baan verliezen. Het gevolg zal in veel gevallen zijn dat het inkomen van iemand voor een bepaalde periode, of zelfs helemaal, weg valt. Een vergoeding voor loonderving is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom binnen de bijstand beschouwd als inkomen binnen de bijstand.

Het proces van afhandelen van de schade kan lange tijd duren. De uiteindelijk toegekende schadevergoeding kan dan ook over een periode gaan die in het verleden ligt. Er zal daarom beoordeeld moeten worden op welke periode de vergoeding precies betrekking heeft. Het bedrag van de toegekende schadevergoeding wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden waarop deze vergoeding betrekking heeft en maandelijks gekort als inkomen. In de meeste gevallen gaat het om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De bijstandsgerechtigde zal moeten aantonen om welk verlies van arbeidsvermogen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld doormiddel van salarisspecificaties of jaaropgaven, maar ook door een overzicht van de nog te lijden schade opgemaakt door een letstelschadespecialist.

 

Lid 3

Als er een schadevergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, gaat het meestal om een zeer ernstige situatie. In een dergelijke situatie heeft de bijstandsgerechtigde het recht om gecompenseerd te worden voor de geleden schade, zonder dat dit direct van invloed is op het recht op bijstand. Schadevergoedingen voor immateriële schade worden daarom niet volledig als vermogen aangemerkt. Aan de andere kant kan deze vrijlating niet onbegrensd zijn. Een bedrag ter hoogte van € 3.000,- wordt gezien als verantwoord. Wanneer de immateriële schadevergoeding hoger is dan € 3.000,-, wordt dat dat het bedrag van € 3.000,- overschrijdt voor 30% in aanmerking genomen als vermogen bedoeld in artikel 34 lid 1 onder b van de wet.

 

Lid 5 tot en met 8

Voor wat betreft de statistisch te verwachten levensduur wordt uitgegaan van de cijfers van CBS-statline.

Het percentage van 15% is geïnspireerd door een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep4 (CRvB). In de uitspraak was sprake van een vrijlating van € 125,- per maand: ten tijde van het letsel circa 10% van de bijstandsnorm. Dit werd door de CRvB als een te beperkte hoogte beschouwd om als vermogen in aanmerking te nemen. Stimulanz adviseert gemeenten uit te gaan van een iets hoger percentage, namelijk 15%.

 

Voorbeeld

Hierbij een rekenvoorbeeld van een bijstandsgerechtigde met schade die blijvend van aard is.

Jan is op 1 januari 2020 betrokken bij een ernstig verkeersongeval. Jan raak ernstig gewond en zal zijn hele leven te kampen hebben met ernstige beperkingen. Jan wordt op 1 oktober 2025 door de schadeverzekeraar gecompenseerd met een vergoeding voor immateriële schade van € 150.000,-. Jan is op 1 januari 2020 40 jaar oud geworden. Volgens CBS-statline bedraagt zijn verwachte levensduur 86 jaar. Jan ontvangt een bijstandsuitkering vanaf 1 februari 2020. De bijstandsnorm bedroeg op 1 februari 2020 € 1400,- per maand. De berekening is nu als volgt:

  • 150.000 : 46 = € 3260,86 per jaar;

  • dat is € 271,73 per maand;

  • dat is hoger dan 15% van € 1400,- = € 210,-;

  • het verschil is € 61,73;

  • dus moet een bedrag € 34.074,96 (12 x 46 x € 61,73) als vermogen in aanmerking worden genomen.

Hoofdstuk 5 Overige bepalingen

 

Artikel 9 Inlichtingenplicht

Het is de bedoeling dat bijstandsgerechtigden giften zelf bijhouden. Zodra de bijstandsgerechtigde ziet dat het grensbedrag aan giften of bijdragen is bereikt moet de bijstandsgerechtigde dit doorgeven aan de gemeente.

Met deze wetswijziging blijft de inlichtingenplicht gelden voor bedragen die samen boven het grensbedrag uitkomen, maar ook voor alle wijzigingen die invloed kunnen hebben op het recht op en de hoogte van de bijstandsuitkering5 en voor de medewerkingsplicht6

#_ftn2. Dit betekent onder andere het volgende:

  • de gemeente moet bijstandsgerechtigden heel goed informeren over wat wel en wat géén gift of (besparings)bijdrage is. Welke bedragen moeten wel direct worden doorgegeven en welke pas als het grensbedrag wordt bereikt? Hoe kan de bijstandsgerechtigde zelf het totaalbedrag aan giften en bijdragen bijhouden?

  • de bijstandsgerechtigde moet inzicht geven in inkomsten als de gemeente hierom vraagt.

Artikel 10 Citeertitel en inwerkingtreding

Behoeft geen toelichting.

 

Naar boven