Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Coevorden 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden,

 

Overwegende, dat:

 

  • -

    de huidige Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning uit 2015 dateren en niet meer aansluiten op de actuele wetgeving en gemeentelijke werkwijze;

  • -

    de gemeenteraad in 2025 een nieuwe Wmo-verordening heeft vastgesteld, waardoor actualisatie van de beleidsregels noodzakelijk is;

  • -

    met de herziening van de beleidsregels wordt beoogd de uitvoering te verduidelijken en beter te laten aansluiten bij de praktijk.

Gelet op het bepaalde in:

 

  • -

    Verordening Wmo 2025 gemeente Coevorden;

  • -

    Artikel 4:81 van de Algemene wet Bestuursrecht,

B E S L U I T E N:

 

vast te stellen de: ‘Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Coevorden 2026’.

 

Inleiding

 

Met deze beleidsregels geeft de gemeente Coevorden invulling aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) en aan de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Coevorden (vastgesteld op 3 januari 2025). De beleidsregels laten zien hoe het college de verordening toepast in de praktijk en welke uitgangspunten daarbij worden gehanteerd.

 

De verordening bevat de algemene regels en bevoegdheden, vastgesteld door de gemeenteraad. De beleidsregels werken deze regels verder uit: zij beschrijven hoe het college met die bevoegdheden omgaat en welke afwegingen in de praktijk worden gemaakt. Samen vormen verordening en beleidsregels het kader voor besluiten over ondersteuning.

 

De Wmo heeft drie hoofddoelen (artikel 1.1.1 Wmo 2015):

 

  • het bevorderen van sociale samenhang, mantelzorg en vrijwilligerswerk, en het bestrijden van huiselijk geweld;

  • ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie van inwoners met een beperking of psychische of psychosociale problemen;

  • het bieden van beschermd wonen en opvang.

De wet gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van inwoners om hun leven te organiseren en deel te nemen aan de samenleving. Ook wordt verwacht dat inwoners elkaar helpen. Als dit niet voldoende is, kan iemand een beroep doen op de gemeente. Eerst wordt gekeken naar wat iemand zelf of met het netwerk kan doen, daarna naar algemene voorzieningen en, als dat niet volstaat, naar een maatwerkvoorziening.

Ons uitgangspunt daarbij is: zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig.

 

Deze beleidsregels zijn een dynamisch document. Nieuwe inzichten, jurisprudentie of ervaringen uit de praktijk kunnen aanleiding zijn om de regels aan te passen. Zo blijft de ondersteuning aansluiten bij wat inwoners nodig hebben.

 

Resultaatgebieden en algemeen afwegingskader

Dit zijn de Wmo verschillende resultaatgebieden die kunnen worden onderscheiden:

  • Het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden;

  • Het zich kunnen verplaatsen in en om de woning;

  • Het kunnen wonen in een geschikt huis;

  • Het zich lokaal kunnen verplaatsen;

  • Het hebben van contacten met medemensen en deelnemen aan maatschappelijke activiteiten;

  • Begeleiding;

  • Kortdurend verblijf;

  • Beschermd wonen en opvang.

De beleidsregels geven een afwegingskader voor elke taak van de Wmo. Dit is om richtlijnen te geven voor de uitvoering en om duidelijk te maken hoe de gemeente een geschikte vorm van ondersteuning kiest. Om te bepalen wie in aanmerking komt voor ondersteuning en om te voorkomen dat ondersteuning onbeperkt toegankelijk is, zijn afwegingskaders belangrijk. Deze kaders dienen als ondersteuning tijdens het gesprek tussen de inwoner en de professional (en eventuele begeleider/cliëntondersteuner) om een oplossing op maat te vinden.

Hieronder vatten wij het algemene afwegingskader samen:

 

Eigen verantwoordelijkheid:

  • De inwoner is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn of haar eigen leven, zelfredzaamheid en participatie, met betrokkenheid van familie en het sociale netwerk.

  • De inwoner wordt aangemoedigd om zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten, ongeacht eventuele beperkingen, en gebruik te maken van mogelijkheden in de eigen omgeving.

Toegankelijkheid voor iedereen:

  • Elke inwoner kan zich melden met een hulpvraag en niemand wordt uitgesloten.

  • Eerst wordt een beroep gedaan op de eigen mogelijkheden, het sociale netwerk, gebruikelijke hulp en algemene/algemeen gebruikelijke voorzieningen, voordat de gemeente algemene en/of maatwerkvoorzieningen biedt.

  • Er moet een balans zijn tussen eigen kracht, sociaal netwerk en Wmo-ondersteuning om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven.

Inspanning van de inwoner:

  • De gemeente verwacht dat de inwoner zich maximaal inspant en bereid is stappen te zetten; ook als dit niet zijn of haar eerste keuze is.

  • De inwoner wordt aangemoedigd om mee te werken aan voorgestelde oplossingen en deze te proberen. Afwijken is mogelijk, maar moet onderbouwd en gemotiveerd worden.

  • Elke situatie vraagt om een individuele afweging voor de meest passende oplossing, gebaseerd op de persoonlijke situatie.

  • Als onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt, waardoor het besluit anders zou zijn genomen, kan het college het besluit aanpassen of intrekken. In dat geval kunnen de kosten (de voorziening) geheel of gedeeltelijk worden teruggevraagd.

  • Als een inwoner een Wmo-voorziening nodig heeft door toedoen van een derde (bijvoorbeeld een verkeersongeval of onrechtmatig handelen), kan de gemeente de kostenverhalen op de veroorzaker van de beperking. Dit kan conform artikel 2.4.3 van de Wmo 2015. Dit is het Regresrecht.

Hoofdstuk 1: Begrippen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a)

      Aanbieder: Een persoon of organisatie die algemene of op maat gemaakte ondersteuning biedt.

    • b)

      Aanvaardbaar niveau van participeren: een inwoner kan op een aanvaardbaar niveau participeren als hij of zij, ondanks lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen en in redelijke mate:

      • i.

        Mensen kan ontmoeten;

      • ii.

        Contacten kan onderhouden;

      • iii.

        Boodschappen kan doen;

      • iv.

        Aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen;

      • v.

        Zich kan verplaatsen.

    • c)

      Abonnementstarief: Het abonnementstarief is de vaste, door het Rijk vastgestelde, eigen bijdrage die inwoners betalen voor het gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget (PGB) op grond van de Wmo. Het tarief geldt ongeacht inkomen, vermogen of de omvang van de voorziening. De inning van de eigen bijdrage vindt plaats via het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het bedrag van het abonnementstarief wordt jaarlijks geïndexeerd.

    • d)

      Acute Noodsituatie: Een acute nootsituatie is een onverwachte en onmiddellijke situatie waarin de gezondheid of veiligheid van de inwoner ernstig in gevaar komt, en waarin onverwijlde ondersteuning noodzakelijk is om verdere schade of risico’s te voorkomen.

    • e)

      Algemeen gebruikelijke voorziening: Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als deze:

      • i.

        Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

      • ii.

        Daadwerkelijk beschikbaar is;

      • iii.

        Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is;

      • iv.

        Deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

    • De gemeente hanteert hierbij de volgende berekeningswijze: een voorziening wordt financieel gedragen geacht als de kosten daarvan binnen zesendertig maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van vijf procent van de toepasselijke bijstandsnorm (alleenstaand of samenwonend).

      Berekening: bijstandsnorm × 0,05 × 36.

    • f)

      Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten, dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

    • g)

      Begeleiding: Activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving, zodat iemand zo lang mogelijk in zijn eigen omgeving kan blijven.

    • h)

      Beschermd Wonen: Een veilige woonomgeving met begeleiding voor mensen die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen vanwege psychische of psychosociale problemen. Er moet een 24-uurs noodzaak zijn.

    • i)

      Budgethouder: Dit is de persoon die een pgb krijgt en de taken uitvoert die horen bij het beheren van een persoonsgebonden budget. De budgethouder kan ook een vertegenwoordiger aanstellen voor het beheer van het pgb.

    • j)

      CIZ: Centrum Indicatiestelling Zorg is een landelijke organisatie die beoordeelt of iemand recht heeft op zorg uit de Wet langdurige zorg (Wlz).

    • k)

      Crisisopvang: Onder crisisopvang wordt verstaan ’niet-uitstelbare hulp bij ondersteuning’ ten gevolge van:

      • a.

        Onverwachte uithuiszetting;

      • b.

        Feitelijke dakloosheid;

      • c.

        Acute psychiatrische aanleiding;

      • d.

        Acute beëindiging van opname in een zorginstelling, psychiatrische kliniek of maatschappelijke opvang;

      • e.

        Uitval van informele hulp vanuit sociale verbanden.

    • l)

      Dagbesteding: Overkoepelende term. Hieronder vallen bijvoorbeeld dagactiviteiten, dagopvang, arbeidsmatige dagbesteding en creatieve dagbesteding.

    • m)

      Eigen bijdrage: Het bedrag dat iemand moet betalen voor een maatwerkvoorziening.

    • n)

      Eigen kracht: Het vermogen van de betrokkene om zelf zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of om een oplossing te vinden voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang.

    • o)

      Financiële tegemoetkoming: Een financiële tegemoetkoming is een inkomensondersteunende maatregel op grond van artikel 2.1.7 Wmo. Deze kan worden verstrekt aan inwoners die te maken hebben met aannemelijke meerkosten als gevolg van hun beperking of van de noodzakelijke aanpassing van hun leefsituatie.

    • p)

      Gebruikelijke hulp: Een gezamenlijk huishouden heeft ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden. Het wordt normaal geacht dat een inwonende partner of huisgenoot waar nodig en waar mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Van huisgenoten van 18 jaar en ouder mag verwacht worden dat zij naast bezigheden zoals een fulltime baan of studie, in staat zijn tot het verrichten van gebruikelijke hulp. Dit kan gaan om het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.

    • q)

      Gebruikelijke zorg: Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders en inwonende kinderen elkaar bieden binnen een gezamenlijk huishouden. Deze zorg valt niet onder de Wmo, omdat het gaat om de verantwoordelijkheid die hoort bij het voeren van een huishouden.

    • r)

      Huiselijke kring: Familieleden, huisgenoten, partners, voormalige echtgenoten of mantelzorgers.

    • s)

      Huishouden of leefeenheid: De sociale eenheid waartoe de inwoner behoort en die bestaat uit één of meer personen die samen een huishouding voeren.

    • t)

      Hulp in natura: Hulp in natura betekent dat de gemeente de ondersteuning rechtstreeks regelt bij een gecontracteerde aanbieder. De inwoner ontvangt de voorziening of ondersteuning in de afgesproken vorm en hoeft dit niet zelf in te kopen of te organiseren.

    • u)

      Hulpmiddelen: Voorwerpen die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid te verminderen of op te heffen, of om deelname aan de samenleving te verbeteren.

    • v)

      Lokale (sociale) infrastructuur: Het geheel van beschikbare organisaties, (vervoers-) diensten, voorzieningen (gebouwen) en betrekkingen binnen de gemeente, waarbij die partijen kunnen samenwerken en eraan kunnen bijdragen om cliënten te ondersteunen in hun zelfredzaamheid, in staat kunnen stellen tot participatie of handhaving in de samenleving.

    • w)

      Maatwerkvoorziening: Voorziening die door het college wordt verstrekt wanneer eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of een algemene voorziening niet voldoende zijn en die na onderzoek wordt afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruiker.

    • x)

      Mantelzorg: Onbetaalde en vaak langdurige zorg die wordt verleend aan een naaste met een ziekte, beperking of hulpvraag. Het gaat om zorg die verder gaat dan de gebruikelijke hulp die huisgenoten elkaar geven en die voortkomt uit een bestaande persoonlijke band, zoals familie, partner, vriend of buur.

    • y)

      Melding: Een melding is het kenbaar maken van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning bij de gemeente. Dit kan schriftelijk, mondeling of telefonisch door de inwoner zelf of namens hem door iemand anders. De melding is de eerste stap waarna de gemeente een onderzoek start naar de ondersteuningsvraag.

    • z)

      Onafhankelijke Cliëntondersteuning: Ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Doel is het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

    • aa)

      Opvang: Onderdak en begeleiding voor personen die hun thuissituatie hebben verlaten, al dan niet vanwege veiligheidsrisico's door huiselijk geweld, en die niet in staat zijn om op eigen kracht in de samenleving te blijven.

    • bb)

      Participatie: Deelname aan het maatschappelijk leven.

    • cc)

      Pgb (persoonsgebonden budget): Een budget zoals gedefinieerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 1.1.1 en 2.3.5, waarmee mensen zelf hun ondersteuning kunnen regelen.

    • dd)

      Programma van eisen: Een overzicht van de specifieke eisen en voorwaarden die gelden voor een maatwerkvoorziening of ondersteuning.

    • ee)

      Sociaal netwerk: Personen uit de direct omgeving of andere mensen waarmee de inwoner een sociale relatie heeft, waaronder familieleden, huisgenoten, echtgenoten, voormalige echtgenoten, mantelzorgers of buren.

    • ff)

      Gespreksverslag: Na afloop van het keukentafelgesprek ontvangt de inwoner een verslag. Hierin staan de uitkomsten van het onderzoek, een samenvatting van wat is besproken en de gemaakte afspraken.

    • gg)

      Verkort verslag: Inwoners waarvan vooraf duidelijk is dat hun situatie niet gewijzigd is ontvangen (eventueel na een telefonisch gesprek) een verkort verslag voor de benodigde verlenging van hun beschikking.

    • hh)

      Wlz (Wet langdurige zorg): Landelijke wet voor mensen die blijvend intensieve zorg en toezicht nodig hebben, bijvoorbeeld bij een zware lichamelijke of verstandelijke beperking of bij dementie. Het CIZ beoordeelt of iemand hiervoor in aanmerking komt.

    • ii)

      Woningaanpassing: Bouwkundige of woontechnische aanpassingen aan een woonruimte.

    • jj)

      Zelfredzaamheid: In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

    • kk)

      Zvw (Zorgverzekeringswet): Landelijke wet die regelt dat iedereen een zorgverzekering moet hebben voor de basiszorg, zoals huisarts, ziekenhuiszorg en medicijnen.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels voorkomen en hier niet apart zijn uitgelegd, hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek

Artikel 2.1 Melding en onderzoek algemeen

In de Wmo-verordening van Coevorden staat beschreven hoe een inwoner, of iemand met een machtiging of vertegenwoordiging, een melding of aanvraag kan doen. Daarnaast wordt uitgelegd hoe een onderzoek in zijn werk gaat. In dit hoofdstuk gaan we dieper in op een aantal specifieke onderwerpen.

Artikel 2.2 Spoedeisende gevallen

Als de gemeente besluit dat er sprake is van een spoedeisend geval, kan direct een tijdelijke maatwerkvoorziening worden ingezet. Pas daarna wordt het onderzoek gestart. Van een spoedeisend geval is onder andere sprake als direct ondersteuning nodig is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Of als de inschatting is dat de situatie binnen een of twee dagen onhoudbaar zal zijn.

Artikel 2.3 Onafhankelijke cliëntondersteuning

Volgens de Wmo moet de gemeente de inwoner en zijn of haar mantelzorger vóór het onderzoek informeren over de optie om gratis gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Dit staat in artikel 2.3.2 lid 3 van de wet en in artikel 3 van de Wmo-verordening gemeente Coevorden. De gemeente vermeldt dit in de schriftelijke ontvangstbevestiging van de melding.

Artikel 2.4 Persoonlijk plan door de hulpvrager

Lid 1. Indienen van het persoonlijk plan

Voordat het onderzoek wordt gestart, heeft de inwoner de mogelijkheid om zelf een persoonlijk plan in te dienen. Dit plan moet binnen zeven dagen na de melding schriftelijk bij het college zijn ingeleverd.

 

Lid 2. Inhoud van het persoonlijk plan

In het persoonlijk plan beschrijft de inwoner zijn of haar situatie, behoeften en voorkeuren, en geeft aan welke ondersteuning volgens hem of haar de beste oplossing is. Daarbij kan de inwoner onder meer ingaan op:

  • wat op eigen kracht of met hulp van het netwerk kan worden opgelost;

  • welke rol mantelzorg kan spelen;

  • welke algemene voorzieningen of activiteiten mogelijk bijdragen;

  • welke ondersteuning nodig is voor mantelzorgers;

  • welke samenwerking met andere partijen (zoals zorgverzekeraar, onderwijs of werk en inkomen) gewenst is.

Lid 3. Betrekken bij het onderzoek

Het persoonlijk plan wordt altijd betrokken bij het onderzoek. Het plan maakt onderdeel uit van het dossier. Relevante onderdelen van het persoonlijk plan kunnen in het verslag worden opgenomen.

Artikel 2.5 Onderzoek

Lid 1. Stappen in het onderzoek

De hulpvraag wordt in beeld gebracht volgens de stappen die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft vastgesteld:

  • vaststellen van de precieze hulpvraag;

  • in kaart brengen van de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie;

  • bepalen welke maatschappelijke ondersteuning noodzakelijk is naar aard en omvang;

  • nagaan in hoeverre eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociale netwerk en algemene voorzieningen bijdragen;

  • concluderen of en in welke mate het college nog moet compenseren.

Lid 2. Gespreksverslag en aanvraag

Een maatwerkvoorziening kan zorg in natura of als persoonsgebonden budget (Pgb) worden verstrekt. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar het hoofdstuk over pgb.

In de gemeente Coevorden worden de stappen 1 t/m 5 vastgelegd in een gespreksverslag. Dit verslag wordt gedeeld met de inwoner en door hem of haar ondertekend. De inwoner kan hierbij ook een reactie geven, bijvoorbeeld wanneer de situatie is veranderd. Tijdens het gesprek wordt de inwoner bovendien in begrijpelijke taal geïnformeerd over de mogelijkheid en gevolgen van een pgb. Het verslag vormt de basis voor het indienen van een aanvraag.

Artikel 2.6 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Bij elke hulpvraag onderzoekt het college of de inwoner gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit is een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die voor iedereen verkrijgbaar is en die niet of nauwelijks duurder is dan vergelijkbare producten. Het college beoordeelt daarbij of de voorziening financieel haalbaar is voor iemand met een minimuminkomen. In de bijlage staat een lijst met voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen (Bijlage 1: Voorbeelden algemeen gebruikelijke voorzieningen).

Artikel 2.7 Andere wetgeving

In sommige situaties is een andere wet voorliggend op de Wmo zoals de Wlz, Zvw en jeugdwet. Dan wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. De meest actuele versie van deze tabel is online te vinden.

Hoofdstuk 3: Aanvraag en beslissing maatwerkvoorziening

Artikel 3.1 Aanvraag

Lid 1. Wie kan aanvragen

  • De inwoner zelf of iemand namens de inwoner (bijv. partner, mantelzorger, wettelijk vertegenwoordiger).

  • Bij aanvragen namens de inwoner vraagt de gemeente om een machtiging of bewijs van vertegenwoordiging (bijv. curatele/bewind/mentorschap).

Lid 2. Wanneer kunt u aanvragen

  • Een aanvraag kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond.

  • Uitzondering: als het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is uitgevoerd, mag de inwoner toch een aanvraag indienen.

Lid 3. Hoe dient u de aanvraag in

  • Een aanvraag kan schriftelijk worden ingediend. Inwoners kunnen hiervoor contact opnemen met de gemeente Coevorden.

  • Het ondertekende gespreksverslag (opgesteld na het keukentafelgesprek) geldt als volwaardige aanvraag.

  • De gemeente biedt waar nodig hulp bij het aanvragen.

Lid 4. Wat is een volledige aanvraag

De consulent controleert of de aanvraag compleet is. In elk geval bevat de aanvraag:

  • een geldig identiteitsbewijs van de inwoner en (indien van toepassing) de vertegenwoordiger;

  • informatie over de benodigde hulpmiddelen of hulpondersteuning;

  • de handtekening van de inwoner en (indien van toepassing) de vertegenwoordiger.

Als informatie ontbreekt, vraagt de gemeente deze gericht op en legt uit waarom dit nodig is.

Artikel 3.2 Formeel besluit naar aanvraag

Lid 1. Bevestiging en vervolg

  • De gemeente beoordeelt na afronding van het onderzoek of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en neemt op basis daarvan een besluit.

  • De uitkomst wordt vastgelegd in een beschikking (toekenning/afwijzing), inclusief duur, resultaat en eventuele eigen bijdrage.

  • Bij een zorg in natura wordt er zo snel mogelijk gewerkt aan de uitvoering van het formele besluit. In het geval van een pgb moet de inwoner dit zelf zo snel mogelijk regelen en het budget besteden volgens de gemaakte afspraken.

Lid 2. Inhoud beschikking

  • Zorg in natura: omschrijving van de voorziening, het beoogde resultaat, de ingangsdatum en duur, en eventuele eigen bijdrage.

  • Bij pgb: resultaat waarvoor het pgb wordt ingezet, hoogte en berekening, ingangsdatum en duur, verantwoording en kwaliteitseisen, en eventuele eigen bijdrage.

  • Bij een financiële tegemoetkoming: resultaat waarvoor de tegemoetkoming bedoeld is, hoogte en berekening, voorwaarden en wijze van uitbetaling, en eventuele eigen bijdrage. Voorbeelden kunnen zijn een tegemoetkoming in een woningaanpassing of een verhuiskostenvergoeding.

Lid 3. Relatie met spoed en voorlopige voorziening

  • Bij acute noodsituaties kan de gemeente een tijdelijke/voorlopige voorziening treffen. De procedure hiervoor staat in een aparte paragraaf Spoed.

Lid 4. Bezwaar en beroep

  • Tegen de uiteindelijke beslissing op de aanvraag (de beschikking) kan de inwoner binnen zes weken bezwaar maken. Als de inwoner het na het ontvangen van de beslissing op bezwaar nog steeds niet eens is met de uitspraak, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank.

Lid 5. Kosten (eigen bijdrage)

  • De hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld volgens de regels van het CAK.

Artikel 3.3 Algemene criteria

Lid 1. Compensatieladder

  • Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als de beperking niet kan worden opgelost met eigen mogelijkheden of voorliggende wet- en regelgeving. De consulent doorloopt hierbij de zogeheten compensatieladder:

  • Eigen kracht (bijvoorbeeld zelf een hulpmiddel aanschaffen of het huishouden anders organiseren).

  • Gebruikelijke hulp van huisgenoten.

  • Mantelzorg en ondersteuning uit het sociale netwerk.

  • Algemeen gebruikelijke voorzieningen (zoals een fiets, standaard keukenapparaten of eenvoudige hulpmiddelen die betaalbaar zijn op minimumniveau).

  • Algemene voorzieningen in de buurt (zoals vrijwilligersorganisaties, buurthuizen of openbaar vervoer).

Lid 2. Psychische, psychosociale problemen en huiselijk geweld

  • Voor inwoners met psychische of psychosociale problemen, of inwoners die vanwege huiselijk geweld of een andere reden hun thuissituatie hebben verlaten, geldt hetzelfde afwegingskader. Daarbij wordt ook gekeken naar andere passende voorzieningen, zoals opvang, maatschappelijk werk of ggz.

Lid 3. Voorrang van algemene voorzieningen

  • Als een algemene voorziening passend en toereikend is, gaat deze altijd vóór een maatwerkvoorziening.

Artikel 3.4 Voorwaarden

Lid 1. Goedkoopst compenserend

  • De gemeente verstrekt altijd de goedkoopst compenserende voorziening. Dit betekent dat wordt gekozen voor de oplossing die het probleem van de inwoner oplost, zonder dat er onnodig hoge kosten worden gemaakt.

  • De beoordeling wordt gemaakt op basis van prijs, doelmatigheid en beschikbaarheid. Voorzieningen die duurder zijn dan noodzakelijk, komen alleen in aanmerking als er zwaarwegende redenen zijn (bijvoorbeeld veiligheid of medische noodzaak).

Lid 2. Veilig en passend gebruik

  • Een voorziening wordt alleen verstrekt als deze veilig is voor de inwoner en zijn omgeving, geen gezondheidsrisico’s oplevert en het functioneren van de inwoner langdurig ondersteunt en verbetert.

  • In dit geval wordt bijvoorbeeld geen scootmobiel verstrekt wanneer iemand niet veilig en verantwoord kan deelnemen aan het verkeer.

Lid 3. Langdurige noodzaak

  • In principe wordt alleen een maatwerkvoorziening verstrekt die langer dan zes maanden nodig is.

  • Uitzonderingen: bij een korte levensverwachting of bij hulp bij het huishouden kan sprake zijn van een kortdurende noodzaak.

Lid 4. Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid

  • Er wordt beoordeeld of de hulpvraag redelijkerwijs vermijdbaar of voorzienbaar was.

  • Als de voorziening voorzienbaar was, maar de inwoner redelijkerwijs niet in staat was om zelf maatregelen te treffen, kan alsnog een maatwerkvoorziening worden toegekend.

  • In dit verband kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het volgende:

  • Een traplift wordt niet verstrekt als de inwoner kort daarvoor bewust naar een woning met veel trappen is verhuisd, terwijl dit niet noodzakelijk was.

  • Een verhuizing naar een geschikte woning kan wel worden verlangd als dit een goedkopere en passende oplossing is dan woningaanpassing.

Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden

De gemeente verstrekt geen maatwerkvoorziening in de volgende situaties:

 

Lid 1. Andere wettelijke regeling

  • Als er al een passende voorziening bestaat vanuit een andere wet (bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg).

Lid 2. Zelf regelen vóór melding

  • Als de inwoner de voorziening al zelf heeft aangeschaft of gerealiseerd vóórdat er een melding bij de gemeente is gedaan.

  • Uitzondering: bij een acute noodsituatie kan de gemeente achteraf beoordelen of vergoeding alsnog noodzakelijk was.

Lid 3. Zelf regelen ná melding maar vóór besluit

  • Als de inwoner de voorziening zelf heeft aangeschaft nadat de melding is gedaan en zonder overleg met een Wmo-consulent, maar voordat de gemeente een besluit heeft genomen, dan komt de voorziening niet voor vergoeding in aanmerking.

  • Uitzondering: als de gemeente hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven, of als achteraf alsnog vastgesteld kan worden dat de voorziening noodzakelijk was.

Lid 4. Vervanging binnen afschrijvingstermijn

  • Als de gevraagde voorziening eerder al is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken.

  • Uitzondering: als de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of als de inwoner de restwaarde (geheel of gedeeltelijk) vergoedt.

Lid 5. Voorzienbaarheid

  • Als de voorziening niet nodig zou zijn geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen of met te verwachten ontwikkelingen.

  • Voorbeeld: een inwoner verhuist naar een woning met veel trappen, terwijl bekend was dat traplopen steeds moeilijker zou worden.

Artikel 3.6 Weigeringsgronden woonvoorziening

Lid 1. Woningkwaliteit en onderhoud

  • Als de beperkingen voortkomen uit de aard van de gebruikte materialen, achterstallig onderhoud of het feit dat de woning niet voldoet aan wettelijke eisen (bijvoorbeeld bouw- of veiligheidsvoorschriften).

Lid 2. Vaste woon- en verblijfplaats

  • Een voorziening wordt alleen getroffen in de woning waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft.

  • Uitzondering: bij co-ouderschap kan een voorziening ook in de woning van de andere ouder worden verstrekt.

Lid 3. Niet-permanent bewoonbare ruimtes

  • Geen voorziening voor woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning (bijv. recreatiewoningen, vakantiewoningen, tuinhuisjes).

Lid 4. Gemeenschappelijke ruimten

  • In een aantal situaties zijn deze voorzieningen echter de verantwoordelijkheid van de eigenaar of verhuurder van het gebouw, zoals een woonstichting, onder andere bij doelgroep gebouwen.

Lid 5. Verhuizing zonder medische noodzaak

  • Geen voorziening als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestond vanuit de beperking van de inwoner en er ook geen belangrijke reden was voor de verhuizing.

Lid 6. Niet naar geschikte woning verhuisd

  • Geen voorziening als de inwoner niet is verhuisd naar de meest geschikte beschikbare woning, tenzij vooraf schriftelijke toestemming van de gemeente is verkregen.

Lid 7. Nieuwbouw of renovatie

  • Geen voorziening als de aanpassing bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen had kunnen worden.

Hoofdstuk 4: Maatwerkvoorzieningen

Artikel 4.1 Herstelgerichte hulp

Herstelgerichte hulp is gericht op het verbeteren van de spierkracht, de fysieke belastbaarheid en het dagelijks functioneren, zodat de inwoner (weer) zelfredzamer wordt bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten. De voorziening wordt doorgaans uitgevoerd door gespecialiseerde fysiotherapie.

 

Lid 1. Indicatie voor herstelgerichte hulp

  • Een inwoner kan in aanmerking komen voor herstelgerichte hulp als uit deskundig advies blijkt dat dit een passende voorziening is.

  • Herstelgerichte hulp kan als zelfstandige maatwerkvoorziening worden verstrekt of worden gecombineerd met andere maatwerkvoorzieningen.

Lid 2. Relatie met andere maatwerkvoorzieningen

  • Andere maatwerkvoorzieningen worden niet ingezet wanneer uit deskundig advies blijkt dat deze anti-revaliderend werken op de inzet van herstelgerichte hulp (bijvoorbeeld: het structureel inzetten van huishoudelijke hulp kan herstel belemmeren wanneer het doel juist is dat de inwoner opnieuw leert om huishoudelijke taken zelf uit te voeren).

Lid 3. Opbouw van de voorziening

  • De voorziening bestaat in beginsel uit een startfase van veertien weken met twee trainingen per week, gevolgd door een borgingsfase van maximaal twee jaar.

Lid 4. Voortijdige beëindiging

  • Als de herstelgerichte hulp voortijdig wordt beëindigd, ontvangt de gemeente een afrondende rapportage van de deskundige. Voortijdige beëindiging betekent niet automatisch dat een andere maatwerkvoorziening wordt ingezet; dit wordt altijd afzonderlijk beoordeeld.

Lid 5. Geen aanspraak op andere voorzieningen

  • Wanneer herstelgerichte hulp is ingezet als goedkoopst adequate voorziening en hiervan zonder gegronde reden geen gebruik wordt gemaakt, bestaat er geen aanspraak op andere maatwerkvoorzieningen voor dezelfde ondersteuningsbehoefte.

Artikel 4.2 Begeleiding en dagbesteding

Als een inwoner door een beperking onvoldoende in staat is de dag in aanvaardbare mate zelfstandig en zinvol in te vullen, kan hij in aanmerking komen voor begeleiding of dagbesteding. Beide voorzieningen zijn erop gericht dat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven functioneren. Belangrijkste doelen zijn het bevorderen van de zelfredzaamheid, het voorkomen van sociaal isolement en het verminderen van de belasting van mantelzorgers.

De gemeente maakt hierbij onderscheid tussen gebruikelijke zorg en Wmo-ondersteuning. Partners, volwassen huisgenoten en ouders voor hun kinderen hebben een eigen zorgplicht. Alleen wanneer deze gebruikelijke zorg niet toereikend is, kan begeleiding of dagbesteding als maatwerkvoorziening worden ingezet.

Artikel 4.2a Begeleiding

Begeleiding kan worden ingezet wanneer een inwoner ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren, oefenen of behouden van dagelijkse en (psycho)sociale vaardigheden.

 

Lid 1. Afwegingskader en normenkader

  • Binnen de gemeente wordt gewerkt met de bouwsteen zelfredzaamheid, die in varianten licht, regulier en zwaar is uitgewerkt in het normenkader van bureau HHM. Dit normenkader vormt de basis voor de omvang, intensiteit en duur van de voorziening.

Lid 2. Evaluatie van de voortgang

  • Tijdens of aan het einde van de geïndiceerde periode wordt de voortgang geëvalueerd. Als doelen niet zijn behaald, wordt opnieuw bekeken welke resultaten wel haalbaar zijn en of de aanbieder passende ondersteuning kan bieden.

Lid 3. Deskundigheid medewerkers

  • De aanbieder zet deskundige medewerkers in met een passend opleidingsniveau (mbo, hbo of wo), afhankelijk van de variant en zwaarte van de bouwsteen.

Voorbeeld

Een inwoner met een licht verstandelijke beperking krijgt wekelijks begeleiding bij het aanleren van huishoudelijke taken, zodat hij leert zelf boodschappen te doen en zijn woning op orde te houden.

Artikel 4.2b Dagbesteding

Dagbesteding is een vorm van groepsbegeleiding en is een overkoepelende term voor onder meer dagactiviteiten, dagopvang, arbeidsmatige dagbesteding en creatieve dagbesteding. Het doel is inwoners een herkenbare dagstructuur en een zinvolle invulling te bieden, passend bij hun mogelijkheden.

 

Lid 1. Ondersteuningsdoelen

  • Afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte kan dagbesteding gericht zijn op behoud van vaardigheden, het ontwikkelen van nieuwe vaardigheden of het ontlasten van mantelzorgers.

  • Bij de beoordeling van de inzet wordt uitgegaan van het HHM-normenkader.

Lid 2. Duur en dagdelen

  • Een dagdeel bestaat uit minimaal drie en maximaal vier uur, exclusief vervoer van en naar de dagbestedingslocatie.

Lid 3. Vervoer

  • Indien vervoer nodig is, maakt dit onderdeel uit van de bouwsteen participatie. Wanneer het eigen netwerk of de inwoner dit niet zelf kan organiseren, regelt de aanbieder het vervoer. De kosten hiervan zijn in de bouwsteen inbegrepen.

Lid 4. Evaluatie

  • De voortgang wordt geëvalueerd om te bepalen of de gestelde doelen behaald worden en of bijstelling nodig is.

Lid 5. Deskundigheid medewerkers

  • Ook bij dagbesteding geldt dat de aanbieder deskundige medewerkers inzet met de vereiste kennis, competenties en vaardigheden.

Voorbeeld

Een oudere inwoner met dementie kan bijvoorbeeld twee dagdelen per week een daglocatie bezoeken, waar activiteiten structuur bieden en mantelzorgers tijdelijk ontlasten. Sporten of andere therapeutische activiteiten vallen niet onder dagbesteding, maar onder dagbehandeling en behoren daarmee tot de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Artikel 4.3 Respijtzorg

Respijtzorg is bedoeld om (dreigende) overbelasting van mantelzorgers te voorkomen. Een inwoner die niet zelfredzaam is en een mantelzorger heeft die overbelast dreigt te raken, kan in aanmerking komen voor respijtzorg. Het doel is dat mantelzorgers tijdelijk worden ontlast en zo de zorg op langere termijn vol kunnen houden.

 

Lid 1. Vormen van respijtzorg

  • Respijtzorg kan worden ingezet in de vorm van dagopvang, kortdurende verblijf of crisisopvang.

Lid 2. Afweging in het gesprek

  • Tijdens het gesprek wordt bekeken of een maatwerkvoorziening in de vorm van respijtzorg nodig is. Daarbij wordt het volledige systeem van de cliënt, inclusief de mantelzorger, besproken en wordt gekeken naar de belasting en belastbaarheid van de mantelzorger.

Lid 3. Pgb en mantelzorger

  • Indien respijtzorg via een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, mag de mantelzorger niet zelf als betaalde zorgverlener optreden, omdat dit in strijd zou zijn met het doel om overbelasting te voorkomen.

Voorbeeld

Een mantelzorger die 24 uur per dag voor zijn partner met dementie zorgt, kan ontlast worden door twee weekenden per kwartaal logeeropvang te regelen. Zo krijgt de mantelzorger tijd om bij te komen en kan hij de zorg duurzaam blijven volhouden.

Artikel 4.4 Kortdurend verblijf

Kortdurend verblijf betekent dat een inwoner tijdelijk elders verblijft om de gebruikelijke hulp en/of mantelzorg te ontlasten en zo overbelasting te voorkomen. Kortdurend verblijf omvat persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding van een inwoner met beperkingen, langdurige psychische of psychosociale problemen, die doorgaans continu toezicht nodig heeft. Het doel van kortdurend verblijf is om zelfstandig wonen in de thuissituatie te behouden. Kortdurend verblijf wordt uitsluitend verstrekt als maatwerkvoorziening wanneer eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociaal netwerk en algemene voorzieningen onvoldoende toereikend zijn.

Het kortdurend verblijf kan worden verstrekt voor maximaal 3 etmalen per week en maximaal 12 etmalen per kalenderjaar.

Artikel 4.5 Afwegingskader kortdurend verblijf

Lid 1. Criteria

  • De inwoner heeft vanwege beperkingen, langdurige psychische of psychosociale problemen continu toezicht nodig.

  • Het is noodzakelijk om de gebruikelijke hulp of mantelzorger tijdelijk te ontlasten ter voorkoming van overbelasting.

  • Er wordt beoordeeld of een indicatie voor langdurige zorg (Wlz) meer passende ondersteuning biedt indien structureel 24-uurs zorg noodzakelijk is.

  • Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening, conform artikel 6.2 van de Wmo-verordening.

  • De voorziening mag niet anti-revaliderend of onveilig zijn en moet voldoen aan een verantwoord kwaliteitsniveau.

Lid 2. Uitvoering

Deskundige medewerkers met een passend mbo- of hbo-niveau voeren de ondersteuning uit. De aanbieder waarborgt dat de dienstverlening veilig, doelmatig en cliëntgericht plaatsvindt en legt afspraken over overdracht van zorg en medicatie vast.

Artikel 4.6 Verplaatsen in en om de woning

Lid 1. Doel en doelgroep

Verplaatsingen in en om de woning zijn bedoeld voor inwoners die afhankelijk zijn van een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik. Het gaat hierbij om verplaatsingen die rechtstreeks vanuit huis worden gemaakt.

 

Lid 2. Voorziening rolstoel

  • Een rolstoel wordt alleen verstrekt wanneer iemand hier aantoonbaar en structureel op is aangewezen. Indien passend wordt eerst een reguliere rolstoel verstrekt voor dagelijks gebruik.

  • Voor een rolstoel kan een programma van eisen worden opgesteld. Daarbij kan een medisch en/of ergotherapeutisch advies worden gevraagd.

  • Als iemand in een instelling verblijft en daar behandeling krijgt, wordt een rolstoel verstrekt via de Wet langdurige zorg (Wlz) en niet via de Wmo. Wanneer iemand met een Wlz-indicatie thuis woont, kan wel een rolstoel via de Wmo worden verstrekt.

  • Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de voorziening.

  • Wanneer een rolstoel via een persoonsgebonden budget (PGB) wordt verstrekt, ontvangt de inwoner een bedrag ter hoogte van de aanschafprijs, vermeerderd met een opslag (5%) voor onderhoud, verzekering en reparaties gedurende de afschrijvingsperiode. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het beheer van het budget en voor de kosten van onderhoud, reparaties en verzekering. Omdat hiervoor een vast percentage wordt verstrekt, kan dit in de praktijk betekenen dat de kosten niet altijd volledig gedekt zijn.

  • Een sportrolstoel valt niet onder de voorziening voor het verplaatsen in en om de woning, tenzij uit deskundig advies blijkt dat deze aanvullend noodzakelijk is. In dat geval kan een sportrolstoel als aparte maatwerkvoorziening worden verstrekt.

Artikel 4.7 Sportrolstoel en sportvoorziening

Lid 1. Doel en reikwijdte

Wanneer het voor een inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen, en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die iemand zonder beperking heeft voor dezelfde of een vergelijkbare sport, kan het college een sportvoorziening verstrekken. Dit kan een sportrolstoel zijn, maar ook een ander hulpmiddel.

 

Lid 2. Uitgangspunten

De volgende uitgangspunten gelden:

  • De sport heeft een structureel karakter en wordt al ten minste vier maanden beoefend. De inwoner toont aan lid te zijn van een sportvereniging of via een andere vorm regelmatig deel te nemen.

  • Eerst wordt onderzocht of de sportrolstoel kan worden geleend via de sportvereniging. Alleen wanneer dit niet mogelijk is, komt een maatwerkvoorziening in beeld.

  • Voor de beoordeling is een deskundig advies (bijvoorbeeld van een arts of ergotherapeut) nodig, waaruit blijkt dat een sportrolstoel noodzakelijk is voor de sportbeoefening.

  • De voorziening wordt in beginsel verstrekt via een persoonsgebonden budget (PGB).

  • Het PGB voor een elektrische sportrolstoel wordt vastgesteld op de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening die passend is voor het beoefenen van de betreffende sport. Het bedrag wordt verhoogd met 5% voor onderhoud, reparatie en eventuele verzekeringen.

  • Voor andere sportvoorzieningen geldt het bedrag zoals opgenomen in het financieel besluit

  • Na afloop van de gebruiksperiode van drie jaar kan opnieuw een aanvraag worden gedaan, mits er nog steeds sprake is van structurele sportdeelname. Daarbij wordt ook beoordeeld of de huidige voorziening nog in goede staat verkeert of kan worden aangepast.

  • Van de inwoner mag worden verwacht dat hij zelf ook een redelijke bijdrage levert, zoals gebruikelijk is bij sportbeoefening.

Artikel 4.8 Vervoer / Het zich lokaal kunnen verplaatsen

Lid 1. Doel en doelgroep

Vervoer op grond van de Wmo is bedoeld voor inwoners die door een beperking niet zelfstandig in hun directe woon- en leefomgeving kunnen reizen. Het gaat om verplaatsingen rondom de woning, om lokaal vervoer binnen een straal van maximaal vijfentwintig kilometer, en om vervoer naar activiteiten binnen de gemeente. Voor bovenregionaal vervoer (meer dan vijfentwintig kilometer) is het landelijke systeem Valys beschikbaar; dit valt buiten de Wmo.

Een inwoner komt alleen in aanmerking voor een vervoersvoorziening wanneer sprake is van een structurele, zelfstandige reisbehoefte die niet op een andere manier kan worden opgelost, bijvoorbeeld door eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk of algemene voorzieningen (openbaar vervoer).

 

Lid 2. Voorzieningen en voorwaarden

  • Het college onderzoekt eerst of de vervoersbehoefte op een andere wijze kan worden ingevuld, bijvoorbeeld door gebruik van eigen vervoer, inzet van het netwerk of een algemene voorziening. Alleen wanneer dit niet passend of toereikend is, wordt een maatwerkvoorziening verstrekt.

  • De maatwerkvoorziening vervoer kan onder andere bestaan uit collectief vervoer, een taxi, een scootmobiel of, indien passend, deelname aan het traject herstelgerichte hulp.

  • Wanneer gebruik kan worden gemaakt van collectief vervoer of het (tijdelijk) huren of lenen van een scootmobiel, gaat dit vóór op andere vervoersvoorzieningen.

  • Een inwoner mag de scootmobiel niet meenemen in de taxi, ongeacht de afstand (binnen 25 km).

  • Met een systeem van collectief vervoer of een andere maatwerkvoorziening kan in beginsel maximaal tweeduizend kilometer per jaar worden gereisd. Het college kan dit aantal na onderzoek door een consulent verhogen of verlagen indien blijkt dat dit noodzakelijk is. Daarbij kan het gebruik van andere verstrekte voorzieningen, zoals een scootmobiel, worden meegewogen.

  • Voor het gebruik van deze voorziening geldt een minimumgebruik van één kilometer per rit. Een rit dient minimaal duizend meter te bedragen. De voorziening kan worden ingenomen wanneer gedurende een aaneengesloten periode van één jaar geen gebruik van de voorziening is gemaakt.

  • Als het maximaal aantal geïndiceerde kilometers wordt overschreden, betaalt de inwoner voor de extra kilometers het gebruikelijke commerciële tarief van de vervoerder.

  • Bij voorzieningen die afgeleid zijn van de auto beoordeelt het college of er sprake is van aantoonbare meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen bij aantoonbare meerkosten als gevolg van de beperking kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie, de beschikbare financiële middelen en de extra verplaatsingen die nodig zijn.

  • Indien collectief vervoer of een rolstoeltaxi geen adequate oplossing biedt, kan het college een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van noodzakelijke aanpassingen aan een auto.

  • Indien vervoer via een persoonsgebonden budget (PGB) wordt verstrekt, is het PGB bedoeld voor de aanschaf, het onderhoud, reparaties en de verzekering gedurende de volledige afschrijvingsperiode. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het beheer, onderhoud en reparaties.

  • Voor vervoer geldt, net als voor inwoners zonder beperking, dat er geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid wordt aangeboden. Een bijdrage is altijd verschuldigd, hetzij via het CAK, hetzij in de vorm van een ritbijdrage.

  • Wanneer iemand om medische redenen niet zelfstandig gebruik kan maken van collectief vervoer, kan het college – op basis van een structurele medische noodzaak – een indicatie afgeven voor begeleiding. Deze medische begeleider reist gratis mee en de kilometers tellen niet mee voor het jaarlijkse kilometerbudget van de cliënt.

  • Overige medereizigers, zoals kinderen, partner of huisdieren, vallen niet onder dit beleid. Hun aanwezigheid of vervoer valt buiten de indicatie en telt mee onder de normale voorwaarden.

  • Bij elektrisch aangedreven individuele vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet er een brandveilige stallingsplek beschikbaar zijn. De inwoner moet meewerken aan het realiseren van een geschikte individuele of gezamenlijke stalling. Een aanvraag kan worden geweigerd als er geen geschikte stallingsplek in of rond de woning mogelijk is.

Artikel 4.9 Inleverpremie scootmobiel bij niet-gebruik

Lid 1. Doel

Deze regeling heeft tot doel om zorgvuldig en doelmatig om te gaan met verstrekte scootmobielen. Wanneer een scootmobiel niet of nauwelijks wordt gebruikt, kan een financiële prikkel inwoners stimuleren om de voorziening vrijwillig in te leveren. Dit bevordert een bewuster gebruik van voorzieningen en draagt bij aan een besparing op de huurlasten van hulpmiddelen.

 

Lid 2. Omschrijving

De gemeente kent de mogelijkheid om aan personen die een door de gemeente verstrekte scootmobiel niet gebruiken, een premie toe te kennen. Ondanks een geldige indicatie voor een scootmobiel kunnen inwoners er om uiteenlopende redenen voor kiezen om spontaan en vrijwillig afstand te doen van deze voorziening.

Deze scootmobiel premie is bekend onder de naam ‘inleverpremie scootmobiel bij niet-gebruik’.

 

Lid 3. Voorwaarden

  • De inleverpremie bedraagt € 100,- en wordt binnen zes weken na het inleveren van de scootmobiel uitgekeerd.

  • De premie wordt uitsluitend toegekend aan de persoon aan wie de scootmobiel door de gemeente is verstrekt.

  • De aanvrager moet op het moment van aanvraag minimaal zes maanden in het bezit zijn van een geldige indicatie voor een scootmobiel van de gemeente Coevorden.

  • De scootmobiel moet nog in redelijke staat verkeren (niet moedwillig beschadigd), ter beoordeling van de gemeente of de door de gemeente aangewezen leverancier.

  • De uitbetaling vindt plaats op verzoek van, en rechtstreeks aan, de persoon aan wie de scootmobiel is toegekend.

  • Iedere aanvrager kan slechts éénmaal aanspraak maken op de inleverpremie.

  • Na toekenning van de inleverpremie kan de aanvrager gedurende acht maanden geen nieuwe scootmobiel aanvragen.

  • Bij het inleveren van de scootmobiel stopt de bijbehorende Wmo-indicatie voor dit hulpmiddel. Indien de indicatie ook betrekking heeft op andere voorzieningen, blijft deze voor de overige voorzieningen ongewijzigd geldig. De inwoner hoeft hiervoor geen actie te ondernemen.

  • Indien uitsluitend een scootmobiel via de Wmo is toegekend, stopt na inlevering ook de eigen bijdrage aan het CAK. Wanneer er tevens andere Wmo- of Wlz-voorzieningen zijn, blijft de eigen bijdrage aan het CAK verschuldigd.

Lid 4. Uitzonderingen

  • De regeling is niet van toepassing bij inlevering in geval van overlijden of bij verhuizing naar een andere gemeente.

  • Er wordt geen premie toegekend wanneer de scootmobiel wordt vervangen door een andere scootmobiel of door een andere maatwerkvoorziening, zoals een (elektrische) rolstoel.

Lid 5. Wijziging of beëindiging van de regeling

De gemeente behoudt zich het recht voor om deze regeling te wijzigen of te beëindigen indien daar aanleiding toe is.

Artikel 4.10 Woonvoorziening

Lid 1. Uitgangspunten

Een inwoner kan in aanmerking komen voor een woningaanpassing wanneer het vanwege een beperking niet mogelijk is de woning op een normale manier te gebruiken. Uitgangspunt is dat inwoners zelf verantwoordelijkheid dragen voor het wonen in een geschikte woning. Daarbij mag worden verwacht dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen en met de toekomst. Dit geldt zowel voor koop- als huurwoningen, en ook voor woonwagens en woonboten met vaste stand- en ligplaats.

 

Lid 2. Woningaanpassing, verhuisprimaat en uitvoering

  • Een woningaanpassing is gericht op het bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maken van de woning voor normaal gebruik. Met normaal gebruik wordt bedoeld dat de inwoner de elementaire woonvoorzieningen, zoals slaapkamer, badkamer en keuken, kan bereiken en benutten. Voorbeelden zijn trapliften, aangepaste sanitaire voorzieningen of verbreding van deuren.

  • Het college bekijkt eerst of het resultaat kan worden bereikt met een verhuizing (het verhuisprimaat). Wanneer woningaanpassingen meer dan tienduizend euro kosten, wordt nadrukkelijk beoordeeld of verhuizen een doelmatiger alternatief is.

  • Als verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is, gaat dit voor op het aanpassen van de woning. Bij deze afweging worden belangen zorgvuldig tegen elkaar afgewogen, zoals de beschikbaarheid van geschikte woningen, kostenvergelijking, sociale omstandigheden, woonlasten en de bereidheid van de cliënt om te verhuizen.

  • Indien verhuizen noodzakelijk is, kan de inwoner een financiële tegemoetkoming ontvangen voor redelijke kosten, zoals de inzet van een verhuisbedrijf of functionele aankleding van de nieuwe woning (bijvoorbeeld vloerbedekking of gordijnen). De hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Financieel besluit Wmo.

  • Bij bouwkundige aanpassingen werkt het college met een programma van eisen, opgesteld op basis van deskundig advies. Daarbij worden in principe minimaal twee offertes opgevraagd. Bij koopwoningen is de eigenaar van de woning in principe zelf verantwoordelijk voor het opvragen van deze offertes.

  • De beschikking voor een bouwkundige aanpassing wordt ook toegezonden aan de eigenaar van de woning. De huurder blijft zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van toestemming van de eigenaar.

  • De uitvoering van een aanpassing moet binnen zes maanden na toekenning van de voorziening starten. Na voltooiing moet dit binnen vier weken bij het college worden gemeld.

  • Bij inwoners met een snel progressieve aandoening, zoals ALS, wordt gewerkt met een aangepast protocol. Voorzieningen worden toekomstgericht geïndiceerd en er kan worden afgeweken van standaardprocedures om onnodige vertraging te voorkomen.

  • Er worden geen woningaanpassingen verstrekt om logeren mogelijk te maken.

  • Bij de beoordeling van woningaanpassingen weegt het college ook de belangen van huisgenoten en mantelzorgers mee, bijvoorbeeld wanneer hulpmiddelen zoals tilliften door hen gebruikt moeten worden.

  • Inwoners die ondersteuning nodig hebben bij het maken van keuzes rond woningaanpassing of verhuizing, of die hulp willen bij het gesprek met de gemeente, kunnen gebruik maken van onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO).

Voorbeeld: een inwoner met een dwarslaesie kan de bovenverdieping van zijn woning niet meer bereiken. Uit onderzoek blijkt dat een woningaanpassing ruim boven de €10.000 kost, terwijl er binnen drie maanden een gelijkvloerse huurwoning beschikbaar komt. Het college besluit het verhuisprimaat toe te passen en vergoedt de verhuiskosten en de functionele aankleding van de nieuwe woning, zoals vloerbedekking en gordijnen, in plaats van een dure woningaanpassing.

Artikel 4.11 Hulp bij het huishouden

Lid 1. Doel en kader

De regels voor hulp bij het huishouden staan in artikel 4.7 van de verordening. Bij het bepalen van de omvang van de ondersteuning gebruiken wij het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 van bureau HHM. Dit kader geeft richtlijnen in minuten per week. De consulent beoordeelt altijd de persoonlijke situatie.

Het doel is dat de inwoner kan beschikken over een schoon en leefbaar huis. Hieronder vallen de woonkamer, gebruikte slaapkamers, keuken, badkamer/toilet en hal/trap.

 

Lid 2. Wat valt er niet onder

  • Tuinonderhoud

  • ramen lappen buitenzijde

  • boodschappen doen

  • wassen en strijken van kleding

Lid 3. Afwegingskader

  • Gebruikelijke hulp: huisgenoten leveren naar vermogen een bijdrage.

  • Algemeen gebruikelijke voorzieningen (bijv. robotstofzuiger, boodschappenservice) worden eerst benut.

  • Voor was- en strijkverzorging (WasT) kunnen inwoners zich particulier aanmelden, waarbij zij het volledige tarief betalen. Indien een inwoner een indicatie heeft voor huishoudelijke hulp kan WasT door de gemeente als maatwerkvoorziening worden verstrekt tegen het geldende tarief.

  • Particuliere hulp die de inwoner zelf heeft geregeld wordt meegewogen. Alleen bij ingrijpende veranderingen (bijv. inkomen) kan aanvullende ondersteuning nodig zijn.

  • Voor huisdieren wordt geen extra tijd toegekend, behalve bij een hulphond of aantoonbare extra vervuiling.

  • Ondersteuning kan ook worden ingezet bij (dreigende) overbelasting van mantelzorgers.

Lid 4. Normtijden

  • Wekelijkse schoonmaak van gebruikte ruimtes: stofzuigen, dweilen, afstoffen en opruimen.

  • Incidentele taken: zoals ramen binnenzijde, gordijnen, koelkast, oven en keukenkastjes.

  • Wasverzorging: in Coevorden wordt hiervoor in principe de voorziening WasT ingezet. Alleen in uitzonderlijke situaties waarin WasT niet passend of toereikend is, kan wasverzorging als onderdeel van huishoudelijke hulp worden geïndiceerd. In dat geval geldt gemiddeld 40 minuten per week bij volledige overname. Wanneer de inwoner of het netwerk zelf kleine delen van de was kan doen, wordt dit verminderd met 20 minuten.

  • Extra kamers: een slaapkamer in gebruik vraagt gemiddeld 18 minuten extra per week, een kamer die niet als slaapkamer wordt gebruikt 5 minuten extra.

  • Extra inzet medische noodzaak: als door aandoeningen of beperkingen vaker of intensiever schoonmaken nodig is, kan dit leiden tot extra inzet.

  • Regie of instructie/voorlichting: wanneer de inwoner tijdelijk of structureel extra ondersteuning nodig heeft bij de organisatie van het huishouden, kan extra tijd worden toegekend.

Lid 5. Afschalen

  • De inzet kan worden verminderd met telkens 15 minuten per week als de inwoner of het netwerk zelf lichte taken kan uitvoeren.

  • Indien passend kan schoonmaak één keer per twee weken plaatsvinden. Het uitgangspunt is dan 2,5 uur per twee weken.

Lid 6. Huishouden of leefeenheid

De Wmo geeft geen vaste definitie van een huishouden of leefeenheid. Bij de beoordeling kijkt de gemeente naar de feitelijke situatie. Daarbij wegen meerdere factoren mee, zoals het samen gebruiken van voorzieningen, een eventuele huurrelatie, de manier waarop de woning wordt gebruikt en de inschrijving in de BRP. Geen van deze factoren is op zichzelf bepalend; het gaat altijd om het totaalbeeld.

 

Lid 7. Taken van een volwassen huisgenoot van 18 tot en met 23 jaar

Van een volwassen en gezonde huisgenoot van achttien tot en met drieëntwintig jaar mag worden verwacht dat hij of zij de gebruikelijke huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger tijdelijk of blijvend uitvalt.

Wij gaan ervan uit dat een persoon in deze leeftijdsgroep in staat is om een eenpersoonshuishouden te voeren. Dit omvat in ieder geval:

  • het schoonhouden van de sanitaire ruimte;

  • het schoonhouden van de keuken en één kamer;

  • het doen van de was;

  • het doen van boodschappen;

  • het verzorgen van een maaltijd;

  • het afwassen en opruimen.

Lid 8. Toekenning

De voorziening wordt toegekend in minuten per week. De consulent gebruikt het HHM-normenkader als richtlijn en stemt de omvang af op de individuele situatie van de inwoner.

Artikel 4.12 Herstelgerichte Hulp

Lid 1. Doel en inhoud

Bij (dreigende) beperkingen in de zelfredzaamheid kan Herstelgerichte Hulp (gerichte fysiotherapie) worden ingezet. Deze hulp richt zich op het verbeteren van de spierkracht, de fysieke belastbaarheid en het dagelijks functioneren, zodat de inwoner zelfredzamer wordt bij het uitvoeren van huishoudelijke taken en andere dagelijkse activiteiten, onder meer door het versterken van de explosieve spierkracht.

 

Lid 2. Afwegingskader

  • Herstelgerichte Hulp wordt ingezet als deskundig advies uitwijst dat dit passend is.

  • Het kan een losse of aanvullende maatwerkvoorziening zijn.

  • Bij voortijdige beëindiging volgt een afrondende rapportage door de deskundige.

  • Als de hulp als goedkoopste passende voorziening is aangeboden, vervalt het recht op andere ondersteuning als deze niet wordt benut.

  • De hulp bestaat uit een startfase van 14 weken met twee trainingen per week, gevolgd door een borgingsfase van maximaal twee jaar.

Artikel 4.13 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang

Lid 1. Doel en inzet

Soms is de hulpvraag zo zwaar dat ambulante begeleiding of ondersteuning in de thuissituatie niet meer voldoende is. Dan kan een maatwerkvoorziening beschermd wonen, beschermd thuis of maatschappelijke opvang passend zijn.

 

Lid 2. Melden en onderzoek

  • Inwoners die denken in aanmerking te komen voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, melden zich bij Stichting de Toegang in Emmen. Dit kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal (art. 4.8 verordening).

  • Stichting de Toegang voert het onderzoek uit namens de gemeente Coevorden.

  • Als uit het onderzoek blijkt dat beschermd wonen of maatschappelijke opvang het beste aansluit bij de hulpvraag, verwijst het college de inwoner naar Stichting de Toegang.

  • Indien de inwoner niet tot de doelgroep behoort, vindt – met instemming – een warme overdracht plaats naar de gemeente Coevorden of een andere passende voorziening.

Lid 3. Voorwaarden beschermd wonen

Een inwoner komt in aanmerking voor beschermd wonen wanneer:

  • er sprake is van een psychiatrische of psychosociale aandoening;

  • de inwoner hierdoor onvoldoende voor zichzelf kan zorgen en problemen ervaart op meerdere leefgebieden, zoals financiën, dagbesteding, gezondheid, wonen, relaties, justitie of verslaving, maatschappelijke participatie of sociaal netwerk;

  • er door deze aandoening een noodzaak tot bescherming bestaat voor zichzelf of voor de omgeving;

  • de inwoner is aangewezen op begeleiding die 24 uur per dag beschikbaar is;

  • er geen andere mogelijkheden of voorliggende voorzieningen zijn waardoor de noodzaak voor beschermd wonen kan worden opgeheven.

Lid 4. Vormen van beschermd wonen

Omdat iedere zorgvraag uniek is, zijn er verschillende vormen van beschermd wonen:

  • Beschermd wonen intramuraal: verblijf in een accommodatie van een aanbieder, met 24/7 aanwezigheid van begeleiding.

  • Beschermd wonen nabij: verblijf in een accommodatie van een aanbieder, met 24/7 bereikbaarheid en begeleiding op afroep in de avond/nacht.

  • Begeleid wonen: verblijf in een woning van of via de aanbieder, met 24/7 bereikbaarheid en ondersteuning op afroep.

  • Thuis Plus: intensieve, ambulante ondersteuning in de eigen woning of een geclusterde woonvorm, met 24/7 bereikbaarheid.

  • Aanvullend kan een maatwerkvoorziening modules bevatten voor dagbesteding, extra begeleiding of vervoer.

Lid 5. Maatschappelijke opvang

Maatschappelijke opvang is er voor inwoners die niet meer veilig thuis kunnen wonen of feitelijk dakloos zijn.

  • Dak- en thuislozenopvang: tijdelijk onderdak en begeleiding naar herstel. Voorwaarden:

    • °

      de persoon is minstens 18 jaar oud;

    • °

      de persoon heeft regiobinding;

    • °

      de persoon behoort tot de Advies- en Meldpunt Zorgwekkend Gedrag (AMZG, voorheen OGGZ)-doelgroep;

    • °

      er zijn geen andere oplossingen voor de feitelijke of residentiële dakloosheid.

  • Opvang na huiselijk geweld: een veilige plek (eventueel met kinderen) voor slachtoffers van huiselijk geweld of kindermishandeling die de thuissituatie hebben moeten verlaten. Voorwaarde: 18 jaar of ouder, niet in staat zelf een veilige situatie te creëren, ook niet met hulp van het netwerk.

Lid 6. Afwegingskader beschermd wonen en opvang

  • Wanneer wel:

  • De inwoner is 18+.

  • Er is sprake van een psychiatrische of psychosociale aandoening met complexe/multi-problematiek.

  • Er is een aantoonbare noodzaak tot 24/7 toezicht en onplanbare zorg.

  • Er is gevaar, verwaarlozing of maatschappelijke overlast.

  • Eigen kracht, mantelzorg, algemene voorzieningen en ambulante hulp zijn onvoldoende.

  • Geen voorliggende wet (Zvw, Wlz, Jeugdwet) is van toepassing.

Wanneer niet:

  • Als ambulante of lichtere ondersteuning voldoende is.

  • Als er geen noodzaak is voor 24/7 nabijheid of onplanbare zorg.

  • Als Wlz of Zvw voorliggend zijn.

  • Als er uitsluitend sprake is van feitelijke dakloosheid zonder bijkomende problematiek (crisisopvang is dan voorliggend).

Artikel 4.14 Sportbeoefening

Lid 1. Doel en reikwijdte

Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel.

 

Lid 2. Structureel karakter

Het sporten heeft een structureel karakter. De sport wordt al gedurende minimaal vier maanden beoefend en is passend. Dit kan bijvoorbeeld via Uniek Sporten (Externe link:unieksporten.nl/hulpmiddelen).

 

Lid 3. Relatie met Zorgverzekeringswet

Sportrolstoelen of andere hulpmiddelen die worden gebruikt om therapeutische doelen te bereiken vallen onder de Zorgverzekeringswet. Er bestaat geen aanspraak op een vergoeding op basis van voorzieningen op grond van aanpalende wet- en regelgeving zoals de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg).

 

Lid 4. Kosten en levensduur

Kosten voor het feitelijk kunnen bezoeken van of deelnemen aan activiteiten zoals entreegelden of lidmaatschapsbijdragen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Verwacht mag worden dat de levensduur van een sportvoorziening minimaal drie jaar is.

Artikel 4.15 Progressieve Ziekte

Lid 1. Begripsomschrijving

Onder progressieve ziekten worden ziekten verstaan die chronisch zijn en steeds ernstiger worden. Het gaat bijvoorbeeld om ziekten zoals ALS. Geen enkel ziekteverloop is hetzelfde en hangt af van de ziekte en haar kenmerken. Maatwerk is in deze situaties van groot belang.

 

Lid 2. Zorgvuldigheid en snelheid

Een groot verschil met ‘reguliere’ meldingen is dat de procedure zorgvuldig, snel en adequaat moet gebeuren. De cliënt met een snel progressieve ziekte heeft vaak niet veel tijd. Het is noodzakelijk om tijdig in te spelen op veranderingen en ontwikkelingen in het ziektebeeld.

 

Lid 3. Toekomstgericht indiceren

Indien van toepassing werkt het college volgens relevante landelijke protocollen, zoals het ALS-protocol of protocollen van Spierziekten Nederland. Deze protocollen worden toegepast in situaties waarin snelheid, samenwerking en passende ondersteuning van groot belang zijn, bijvoorbeeld bij progressieve aandoeningen of levensbedreigende situaties. Er is geen nieuw onderzoek vereist bij aanpassingen aan eerder geïndiceerde voorzieningen, zodat wachttijden beperkt blijven.

Indien noodzakelijk kan het college afwijken van standaardprocedures, zoals het opvragen van meerdere offertes, om tijdige en passende ondersteuning te garanderen. De leverancier van hulpmiddelen houdt de benodigde voorzieningen zo veel mogelijk op voorraad.

Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget (PGB)

Artikel 5.1 Vormen van verstrekking

Lid 1. Vormen van verstrekking

Een maatwerkvoorziening kan door het college op drie manieren worden verstrekt: in natura, via een persoonsgebonden budget (PGB) of als een financiële tegemoetkoming. De regels over financiële tegemoetkomingen en de hoogte daarvan zijn beschreven in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels en de verordening. In dit hoofdstuk lichten wij het PGB nader toe.

Artikel 5.2 Afwegingskader PGB

Lid 1. Wettelijk kader

Een inwoner kan een maatwerkvoorziening inkopen met een PGB als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan (artikel 2.3.6 Wmo en artikel 5.1 van de verordening). Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

 

Lid 2. Zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid

De inwoner moet in staat zijn om verantwoord om te gaan met een PGB, zelf of met hulp van een vertegenwoordiger of iemand uit het sociale netwerk. Hij of zij moet goed kunnen inschatten wat het beste aansluit bij de eigen situatie en verantwoordelijk handelen bij het beheren van het budget.

 

Lid 3. Motivatie en budgetplan

Bij de aanvraag moet de inwoner een budgetplan indienen met daarin ten minste:

  • hoe de PGB-taken worden uitgevoerd;

  • de doelen die met de voorziening worden bereikt;

  • de motivatie om voor een PGB te kiezen;

  • de voorziening die wordt ingekocht en bij welke aanbieder;

  • hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd;

  • de kosten (eenheden en tarief).

Lid 4. PGB-vaardigheid

Voordat een PGB wordt toegekend, wordt altijd de PGB-vaardigheid getoetst met de PGB Oké-toets. Als een vertegenwoordiger het PGB beheert, wordt ook diens vaardigheid getoetst. Wij beoordelen het pgb-plan op kwaliteit en haalbaarheid, met nadruk op de resultaten die ermee bereikt moeten worden. Het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten worden gevolgd en waar nodig besproken met de cliënt.

 

Lid 5. Doelmatigheid en kostprijs

Een PGB kan worden geweigerd als de voorziening duurder is dan de voorziening in natura, of als de voorziening niet doelmatig, effectief of passend is. Ook kan een PGB worden geweigerd in de gevallen genoemd in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 (bijvoorbeeld fraude of misbruik) of als verstrekking een negatief effect heeft op het systeem van zorg in natura (bijvoorbeeld bij collectief vervoer).

 

Lid 6. Duurzame behoefte

Bij progressieve ziektebeelden kan een PGB minder geschikt zijn, omdat voorzieningen op korte termijn mogelijk herhaald moeten worden vervangen. In zulke situaties maakt het college per casus een afweging. Er moet altijd sprake zijn van een langdurige ondersteuningsbehoefte.

 

Lid 7. Verantwoordelijkheid en evaluatie

De inwoner (budgethouder) heeft de leiding en verantwoordelijkheid over de ingekochte ondersteuning. Het college kan regelmatig evalueren of de gestelde doelen worden bereikt. Als dit niet het geval is, wordt onderzocht of het PGB moet worden aangepast of beëindigd.

 

Lid 8. Scheiding van rollen

Degene die de ondersteuning biedt, mag het PGB niet beheren namens de budgethouder. Dit voorkomt belangenverstrengeling en waarborgt de kwaliteit.

Artikel 5.3 Wat mag niet uit een PGB betaald worden

Een PGB mag niet besteed worden aan:

  • bemiddelingskosten, belangenbehartiging of administratiekosten;

  • ondersteuning bij het aanvragen of beheren van het PGB;

  • feestdagenuitkering of eenmalige uitkering;

  • cadeaus voor ondersteuners;

  • reistijd of reiskosten van ondersteuners;

  • overheadkosten van de budgethouder of ondersteuner;

  • de eigen bijdrage die via het CAK wordt geïnd;

  • administratietijd van ondersteuners;

  • algemene voorzieningen;

  • ondersteuning in het buitenland zonder toestemming van het college.

Het PGB bevat geen vrij besteedbaar deel.

Artikel 5.4 Kwaliteitseisen

De kwaliteit van ingekochte ondersteuning moet minimaal gelijkwaardig zijn aan die van gecontracteerde aanbieders in natura. Dit betekent:

  • Professionele ondersteuning: inzet van medewerkers met passend mbo- of hbo-werk- en denkniveau, met de juiste kennis, competenties en vaardigheden.

  • Sociaal netwerk: het is mogelijk om met een PGB ondersteuning in te kopen bij iemand uit het sociale netwerk (huiselijke kring of sociale relaties), mits dit uitgaat boven gebruikelijke zorg (zoals opgenomen in hoofdstuk 1: Begrippen). Het moet gaan om doelmatige, effectieve en passende hulp.

Het college verstrekt geen PGB voor hulp die volgens algemeen aanvaarde opvattingen gebruikelijk is (bijvoorbeeld hulp van ouders aan inwonende kinderen of van partners aan elkaar).

Artikel 5.5 Financiële uitgangspunten

Het PGB is kostendekkend maar nooit hoger dan de kosten van de voorziening in natura.

Artikel 5.6 Controle en opschorting

Lid 1. Uitbetaling door SVB en opschorting

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) betaalt de ondersteuning uit het PGB rechtstreeks aan de aanbieder. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken betalingen tot dertien weken op te schorten als er risico is op onrechtmatig gebruik.

 

Lid 2. Controle door het college

Het college kan steekproeven uitvoeren en in gesprek gaan met budgethouders om te beoordelen of de ondersteuning effectief en doelmatig is.

Artikel 5.7 Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)

Bij een PGB-aanvraag moet de aanbieder een geldige VOG overleggen. Voor ondersteuning door het sociale netwerk kan het college besluiten hiervan af te zien, tenzij de situatie om veiligheidsredenen een VOG vereist.

Artikel 5.8 Onderscheid formele en informele hulp

Lid 1. Uitgangspunt

Bij het vaststellen van de hoogte van een PGB maakt het college onderscheid tussen formele en informele hulp.

 

Lid 2. Formele hulp

  • Wordt geleverd door personen die werkzaam zijn bij een instelling die ingeschreven staat in het Handelsregister en beschikken over de relevante diploma’s, of;

  • Wordt geleverd door zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) die ingeschreven staan in het Handelsregister en beschikken over de relevante diploma’s.

  • Bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de cliënt worden niet aangemerkt als formele hulp, ook niet als zij voldoen aan bovenstaande criteria.

Lid 3. Informele hulp

  • Wordt geboden door personen die niet voldoen aan de criteria voor formele hulp, of;

  • Wordt geboden door bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de cliënt, ook als zij aan de eisen van formele hulp voldoen.

Artikel 5.9 Hoogte van het PGB

Lid 1. Algemeen uitgangspunt

Het PGB is nooit hoger dan de kostprijs van de voorziening in natura of de prijs uit een door het college geaccepteerde offerte.

 

Lid 2. Zelfredzaamheid en participatie

  • Voor formele hulp: 70% van het natura-tarief.

  • Voor informele hulp: 70% van het PGB-tarief formele hulp.

Lid 3. Hulp bij het huishouden

  • Voor formele hulp: 65% van het natura-tarief.

  • Voor informele hulp: hoogste periodiek van de bijbehorende schaal van de geldende CAO VVT.

  • Bij een dienstverband: minimaal gelijk aan de hoogste periodiek van de benodigde functie in de CAO, verhoogd met vakantiebijslag en tegenwaarde van verlofuren.

Lid 4. Aanpassing bij ontoereikend tarief

Indien het berekende PGB onvoldoende is om de voorziening bij ten minste één aanbieder in te kopen, wordt het tarief verhoogd tot dat wel mogelijk is.

 

Lid 5. Vervoer

  • Voor collectief vervoer: netto zoneprijs die de gemeente betaalt × aantal benodigde zones. Uitgangspunt: met een minimum van 1000 m per rit en maximaal 2000 km per jaar binnen de leef- en woonomgeving.

  • Voor gebruik eigen auto (niet algemeen gebruikelijk): maximaal de belastingvrije kilometervergoeding, tot een maximum van 2000 km per jaar.

Lid 6. Sportvoorzieningen

De hoogte wordt bepaald op basis van vergelijkbare offertes. De goedkoopst adequate voorziening is leidend. Het college kan zelf een tegenofferte opvragen.

Hoofdstuk 6: Financiële tegemoetkoming

Artikel 6.1 Wat is een financiële tegemoetkoming

Lid 1. Begripsomschrijving

Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag waarmee een inwoner (een deel van) de kosten vergoed krijgt voor het aanschaffen of realiseren van een materiële voorziening.

 

Lid 2. Onderscheid met PGB

In tegenstelling tot een persoonsgebonden budget (PGB) is een financiële tegemoetkoming bedoeld voor (primair) materiële voorzieningen, terwijl een PGB vaak wordt verstrekt voor immateriële ondersteuning of zorg.

 

Lid 3. Eigen bijdrage

Voor beide vormen geldt dat de inwoner een eigen bijdrage moet betalen.

 

Lid 4. Redelijke verhouding

De hoogte van de financiële tegemoetkoming moet in een redelijke verhouding staan tot de daadwerkelijk gemaakte kosten.

Artikel 6.2 Voor welke voorzieningen

Lid 1. Resultaatgebieden

Een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt voor de volgende resultaatgebieden:

  • woonvoorzieningen;

  • hulpmiddelen;

  • vervoervoorzieningen.

Lid 2. Sportvoorzieningen

Voor sportvoorzieningen geldt een aparte regel: een tegemoetkoming kan maximaal één keer per drie jaar worden verstrekt voor aanschaf, onderhoud en reparatie.

Artikel 6.3 Hoogte van de financiële tegemoetkoming

Lid 1. Maximering

De hoogte van de tegemoetkoming is nooit hoger dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening.

 

Lid 2. Kostendekkendheid

In principe is de tegemoetkoming niet kostendekkend, tenzij uit onderzoek blijkt dat dit in het individuele geval noodzakelijk is.

 

Lid 3. Financieel Besluit

De exacte maximale bedragen en normbedragen zijn vastgelegd in het Financieel Besluit van de gemeente Coevorden.

Artikel 6.4 Uitbetaling en bewijs

Lid 1. Uitbetaling

Een financiële tegemoetkoming kan zowel aan de inwoner als aan de leverancier van de voorziening worden uitbetaald. Dit kan vooraf of achteraf:

 

Lid 2. Uitbetaling vooraf aan de inwoner

Binnen zes weken na uitbetaling moet een bewijsstuk worden ingediend waaruit blijkt dat de tegemoetkoming is gebruikt voor de aanschaf van de voorziening.

 

Lid 3. Uitbetaling achteraf aan de leverancier/inwoner

De tegemoetkoming wordt verstrekt na aanlevering van een factuur of ander bewijsstuk waaruit blijkt dat de voorziening is aangeschaft.

 

Lid 4. Programma van eisen

Als een programma van eisen is opgesteld, vindt uitbetaling alleen plaats als aan die eisen wordt voldaan. Als de tegemoetkoming vooraf wordt uitbetaald en er is een programma van eisen, dan voert de gemeente binnen zes weken na realisatie van de voorziening een inspectie uit.

Artikel 6.5 Herziening en terugvordering

Lid 1. Bewijsstukken

Als de inwoner geen bewijsstuk aanlevert terwijl dit wel verplicht is, kan de tegemoetkoming worden teruggevorderd op grond van artikel 2.4.1 lid 1 van de Wmo, voor zover dit de inwoner te verwijten is.

 

Lid 2. Niet voldoen aan programma van eisen

Als bij inspectie blijkt dat de voorziening niet voldoet aan het programma van eisen, kan het besluit tot toekenning worden herzien of ingetrokken. Als dit aan de inwoner te wijten is, kan de tegemoetkoming worden teruggevorderd.

Hoofdstuk 7: Eigen bijdrage

Artikel 7.1 Waarom een eigen bijdrage

Lid 1. Abonnementstarief

Inwoners betalen voor de meeste maatwerkvoorzieningen een maandelijkse eigen bijdrage in de vorm van een vast abonnementstarief. De inning hiervan loopt via het CAK.

 

Lid 2. Indexatie

Het tarief wordt jaarlijks geïndexeerd en inwoners ontvangen hierover een brief met de aangepaste bijdrage.

 

Lid 3. Landelijke regels

Bij wijzigingen in wet- of regelgeving gelden de landelijk vastgestelde tarieven. Voor de actuele hoogte van dit tarief en meer informatie kunnen inwoners terecht bij het CAK.

Artikel 7.2 Voor welke voorzieningen

Een eigen bijdrage geldt voor:

  • maatwerkvoorzieningen in natura;

  • persoonsgebonden budgetten (PGB);

  • financiële tegemoetkomingen.

Artikel 7.3 Hoogte van de eigen bijdrage

Lid 1. Abonnementstarief

Voor de meeste maatwerkvoorzieningen geldt het landelijke abonnementstarief: een vast bedrag per maand per persoon (ongehuwd of gehuwd samen).

 

Lid 2. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang

Ook voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang stelt het CAK de eigen bijdrage vast op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Hierbij geldt het hoge verblijftarief in plaats van het vaste abonnementstarief.

 

Lid 3. Vervoer

Voor vervoer is de bijdrage per rit gelijk aan het in de regio geldende basistarief van het openbaar vervoer plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal kilometers.

 

Lid 4. Maximale bijdrage

De eigen bijdrage overstijgt nooit de kostprijs van de voorziening.

Artikel 7.4 Kostprijs van voorzieningen

Lid 1. Voorziening in natura

Voorziening in natura: de kostprijs is gelijk aan de kosten die het college zelf maakt voor de voorziening. Waar mogelijk wordt gekozen voor een oplossing die voldoende is en met de minste middelen.

 

Lid 2. PGB

Bij een voorziening in de vorm van een PGB is de kostprijs gelijk aan de hoogte van het toegekende persoonsgebonden budget. Indien minder wordt besteed dan het toegekende bedrag, is de budgethouder verplicht het niet-bestede deel terug te betalen aan de gemeente.

 

Lid 3. Algemene voorziening

Algemene voorziening: de kostprijs is gelijk aan de kosten die het college per inwoner maakt.

Artikel 7.5 Uitzonderingen

Lid 1. Wettelijke uitzonderingen

Op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo kan in bepaalde gevallen geen bijdrage worden opgelegd.

 

Lid 2. Inkomensgrens

Inwoners met een inkomen onder de bijstandsnorm zijn geen eigen bijdrage verschuldigd.

Hoofdstuk 8: Bestrijding misbruik, oneigenlijk gebruik, niet gebruik

Artikel 8.1 Uitgangspunten

Lid 1. Doel van het beleid

Het college vindt het belangrijk dat de ondersteuning rechtmatig, doelmatig en passend wordt ingezet. Daarom nemen wij maatregelen om oneigenlijk gebruik, misbruik én niet-gebruik van maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten (pgb’s) door inwoners en aanbieders te voorkomen en tegen te gaan.

 

Lid 2. Voorlichting aan inwoners

Wij informeren inwoners in begrijpelijke taal over hun rechten en plichten, en over de gevolgen als voorzieningen verkeerd of onjuist gebruikt worden.

Artikel 8.2 Preventie en samenwerking

Lid 1. Samenwerkingspartners

Wij werken samen met andere gemeenten, zorgkantoren, de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Belastingdienst en de door de gemeente Coevorden aangewezen toezichthouders voor Wmo en Jeugd. Deze partijen houden gezamenlijk toezicht op rechtmatigheid en het voorkomen van fraude in de zorg.

 

Lid 2. Vooraf informeren

Wij geven inwoners en hun vertegenwoordigers vooraf duidelijke informatie en verwijzen waar nodig naar cliëntondersteuning.

Artikel 8.3 Onderzoek, controle en monitoring

Lid 1. Onderzoek bij aanbieders

Het college kan onderzoeken of (formele en informele) zorgaanbieders die via een pgb ondersteuning leveren, voldoen aan hun verplichtingen. Aanbieders zijn verplicht hieraan mee te werken.

 

Lid 2. Afspraken met aanbieders

Met aanbieders worden afspraken gemaakt over facturatie, prestatieafspraken en accountantscontroles. Wij controleren of declaraties overeenkomen met de daadwerkelijk geleverde ondersteuning.

 

Lid 3. Periodieke en steekproefsgewijze controle

Daarnaast voeren wij periodiek en steekproefsgewijs controles uit om te beoordelen:

  • of de inwoner nog is aangewezen op de maatwerkvoorziening;

  • of de voorziening of het pgb nog passend en toereikend is;

  • of aan de voorwaarden wordt voldaan;

  • en of de voorziening of het pgb wordt gebruikt waarvoor deze is verstrekt.

Lid 4. Inzet sociale recherche

Bij vermoedens van misbruik of fraude kan het college de sociale recherche inschakelen om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van verstrekte voorzieningen of persoonsgebonden budgetten.

 

Lid 5. Regionale uitvoering

De uitvoering van deze taken vindt regionaal plaats via de gemeente Emmen, die de sociale recherche uitvoert voor de gemeenten Emmen, Coevorden en Borger-Odoorn.

 

Lid 6. Onderzoeksbevoegdheden

De sociale recherche kan zowel op verzoek van het college als op eigen initiatief onderzoek verrichten. Zij doet dit binnen de wettelijke kaders en kan daarbij gegevens opvragen en hoor- en onderzoekshandelingen uitvoeren.

 

Lid 7. Gevolgen van vastgestelde fraude

Indien blijkt dat sprake is van opzettelijk misbruik of fraude, kan het college overgaan tot terugvordering en, indien nodig, aangifte doen bij het Openbaar Ministerie.

Artikel 8.4 Oneigenlijk gebruik

Lid 1. Definitie oneigenlijk gebruik

Naast misbruik letten wij ook op oneigenlijk gebruik. Onder oneigenlijk gebruik verstaan wij het gebruik van een voorziening, dienst of ondersteuning op een wijze die niet overeenkomt met het doel waarvoor deze is verstrekt.

 

Lid 2. Geen opzet

Er is hierbij geen sprake van opzet of het bewust verstrekken van onjuiste informatie, maar van feitelijk gebruik dat buiten de bedoeling van de wet of de gemeentelijke beleidsregels valt.

 

Lid 3. Gesprek met inwoner

Wanneer sprake is van oneigenlijk gebruik gaat de gemeente in gesprek met de betrokkene om het juiste gebruik van de voorziening toe te lichten.

 

Lid 4. Aanpassen of beëindigen

Indien nodig wordt de voorziening aangepast, beëindigd of opnieuw beoordeeld via een herindicatie.

 

Lid 5. Terugvordering

Wanneer hierdoor kosten voor de gemeente zijn gemaakt die niet gerechtvaardigd waren, kan de gemeente besluiten deze (gedeeltelijk) terug te vorderen.

 

Lid 6. Aanvullende maatregelen

Daarnaast kan de gemeente aanvullende maatregelen treffen om herhaling te voorkomen, bijvoorbeeld door voorwaarden aan te scherpen of controles te intensiveren.

Artikel 8.5 Misbruik

Lid 1. Definitie misbruik

Van misbruik is sprake wanneer iemand opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie verstrekt om een voorziening of budget te verkrijgen of te behouden.

 

Lid 2. Gevolgen van misbruik

  • De voorziening kan worden beëindigd of ingetrokken.

  • Ten onrechte ontvangen bedragen kunnen worden teruggevorderd.

  • Bij ernstige gevallen kan aangifte worden gedaan bij de politie en kan bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhaving plaatsvinden.

Artikel 8.6 Niet-gebruik

Lid 1. Definitie niet-gebruik

Van niet-gebruik is sprake wanneer een inwoner een toegekende voorziening niet of nauwelijks gebruikt. Een voorziening moet bijdragen aan het doel waarvoor deze is verstrekt en het welzijn van de inwoner bevorderen.

 

Lid 2. Innemen of beëindigen

Wanneer blijkt dat een hulpmiddel of vervoersvoorziening, zoals een taxipas of scootmobiel, langere tijd niet wordt gebruikt, kan het college besluiten de voorziening in te nemen of te beëindigen.

 

Lid 3. Vooraf bespreken

Dit wordt altijd vooraf met de inwoner besproken. Het uitgangspunt is dat voorzieningen die niet (meer) nodig zijn of gebruikt worden, beschikbaar komen voor inwoners die er wel baat bij hebben.

Hoofdstuk 9: Kwaliteit en veiligheid

Artikel 9.1 Uitgangspunten

Het college vindt het belangrijk dat inwoners kunnen rekenen op veilige en kwalitatief goede ondersteuning. Wij stellen daarom eisen aan aanbieders en houden toezicht op de uitvoering.

Artikel 9.2 Kwaliteit van ondersteuning

Lid 1. Afstemming en deskundigheid

Aanbieders moeten de ondersteuning afstemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner en waar nodig op andere vormen van zorg. Zij zetten deskundige beroepskrachten in en zorgen dat deze handelen volgens de geldende professionele standaarden. Waar passend sluiten zij aan bij erkende keurmerken in de sector.

 

Lid 2. Toezicht door het college

Het college ziet toe op naleving van deze kwaliteitseisen, onder andere via:

  • periodiek overleg met aanbieders (onder andere uitkomsten klanttevredenheidonderzoek);

  • het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek;

  • zo nodig controles ter plaatse bij inwoners.

Artikel 9.3 Deskundigheid en veiligheid

Lid 1. Eisen aan beroepskrachten

Van beroepskrachten verwachten wij dat zij beschikken over de kwalificaties en ervaring zoals vastgelegd in de inkoop, en in overeenstemming met de eisen uit de aanbesteding. Afhankelijk van de aard van de ondersteuning kan een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) verplicht zijn.

 

Lid 2. Meldcode en meldplicht

Aanbieders en beroepskrachten werken met de landelijke meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en hebben een meldplicht bij calamiteiten en geweldsincidenten.

Artikel 9.4 Prijs-kwaliteitverhouding

Bij het vaststellen van tarieven voor door derden geleverde diensten en voorzieningen houden wij rekening met de kwaliteitseisen en de continuïteit van de ondersteuning. Wij kijken daarbij in ieder geval naar:

  • kosten van beroepskrachten en redelijke overhead;

  • niet-productieve uren (zoals ziekte, scholing, werkoverleg);

  • reis- en opleidingskosten;

  • indexatie van lonen;

  • administratieve verplichtingen vanuit de gemeente;

  • marktprijzen en eventuele extra taken van leveranciers.

Artikel 9.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Het college heeft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten. Aanbieders zijn verplicht ieder incident direct te melden bij de toezichthoudend ambtenaar. Deze onderzoekt het incident en adviseert het college over verbetermaatregelen en het voorkomen van herhaling.

Hoofdstuk 10: Waardering mantelzorgers

Artikel 10.1 Rol van mantelzorgers

Het college houdt bij het nemen van besluiten rekening met de rol en belasting van mantelzorgers. Dit geldt bijvoorbeeld bij woningaanpassingen of het verstrekken van hulpmiddelen die ook door de mantelzorger gebruikt moeten worden, zoals tilliften of duwondersteuning bij een rolstoel. Ook wanneer mantelzorgers zorgen voor kinderen binnen het eigen huishouden, wordt hun situatie zorgvuldig meegenomen in de afweging.

Artikel 10.2 Mantelzorgwoningen

Voor mantelzorgwoningen geldt dat inwoners in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het beschikken over passende woonruimte. Voor het bouwen van een mantelzorgwoning is het omgevingsrecht van toepassing. Het college kan inwoners adviseren en ondersteunen bij vragen over vergunningen, maar het realiseren van een mantelzorgwoning valt niet onder de Wmo.

Artikel 10.3 Jaarlijkse waardering

Mantelzorgers van inwoners in de gemeente kunnen via een melding bij het college of bij een door het college aangewezen instantie in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering.

Hoofdstuk 11. Klachten en medezeggenschap

Artikel 11.1 Klachten

Aanbieders zijn verplicht een klachtenregeling vast te stellen en toe te passen. Deze regeling moet voor inwoners duidelijk en laagdrempelig zijn. Het college ziet erop toe dat aanbieders hun klachtenregelingen naleven. Dit gebeurt via de reguliere gesprekken met aanbieders en het jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Daarnaast kunnen inwoners zich met klachten ook rechtstreeks tot de gemeente wenden.

Artikel 11.2 Medezeggenschap

Aanbieders beschikken over een regeling voor medezeggenschap, zodat inwoners invloed kunnen uitoefenen op besluiten van de aanbieder die voor hen van belang zijn.

De aanbieder beschikt over een medezeggenschapsraad of cliëntenraad conform artikel 3.2 van de Wmo 2015 en de gemeentelijke verordening.

Daarnaast staan medewerkers van aanbieders open voor wensen, vragen, signalen en feedback van cliënten over de geboden ondersteuning. Deze signalen worden actief benut om de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren.

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Artikel 12.1 Hardheidsclausule

In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 12.2 Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1.

    Deze beleidsregels treden na bekendmaking in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels komen de “Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning 2015” te vervallen.

Aldus besloten bij vergadering van d.d. 02 december 2025,

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden,

De burgemeester,

R. Bergsma

De secretaris,

K Brinks

Bijlagen: Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd wanneer deze in het dagelijks leven voor iedereen beschikbaar is en geen specifiek hulpmiddel vormt voor mensen met een beperking of langdurige aandoening. Daarbij geldt in ieder geval dat:

 

  • het product vrij verkrijgbaar is in de reguliere handel;

  • het product niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking;

  • de prijs in redelijke verhouding staat tot vergelijkbare producten;

  • het product betaalbaar is voor iemand met een minimuminkomen.

Hieronder volgen voorbeelden van voorzieningen die in beginsel als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt.

 

Woonvoorzieningen

Aanrechtblad

Antislipvloer of -coating (bij nieuwbouw of renovatie)

Automatische deuropener voor garage of omheining

Badplank

Bedbeugel

Centrale verwarming

Deurdranger

Douchecabine

Douchekop en glijstang

Douchezitje of douchestoel

Drempelhulpen (binnen- en buitenshuis)

Eenhendelmengkraan

Elektrische of standaard zonwering

Hangtoilet

Handgreep/wandbeugel

Keramische- of inductiekookplaat

Luchtbevochtiger en -ontvochtiger

Meterkast met meerdere groepen

Mobiele airco

Ophogen van straatwerk of tuin bij verzakking

Renovatie keuken

Renovatie badkamer

Robotstofzuiger

Sanibroyeur of tweede toilet

Spoel-föhninstallatie (douche-föhn-toilet)

Stalling voor fiets

Thermostatische kraan

Verhoogd toilet

Vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair

Wasdroger

 

Vervoersvoorzieningen

Aanhangfiets of aankoppelfiets

Auto en de hieraan verbonden gebruikskosten

Autoaanpassingen of -accessoires (zoals stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ramen, airco, trekhaak, cruisecontrol, warmtewerend glas)

Bakfiets (al dan niet elektrisch)

Beenzak, voetenzak of schootskleed

Blindering in auto (folie)

Buggy

Elektrische step, fatbike of vergelijkbaar

Fiets met hulpmotor of trapondersteuning

Fietskar voor vervoer van kinderen

Kosten voor rijbewijs of APK

Ligfiets

Opvouwbare scootmobiel

Segway

Snor- of bromfiets, scooter

Spartamet

Tandem

Transportstoel voor incidenteel gebruik

Windscherm

 

Algemeen dagelijks gebruik

Boodschappendienst

Crèche, kinderopvang of gastouder

Financieel-administratieve ondersteuning

Glazenwasser

Hondenuitlaatservice

Klussendienst

Kreuk- of strijkvrije kleding

Maaltijdvoorziening

Tuinonderhoud

Was- en strijkservice

 

Voorzieningen in doelgroepgebouwen

Hierbij gaat het om de gemeenschappelijke ruimten in een seniorencomplex of een woonvoorziening specifiek voor mensen met een beperking, zoals:

 

Elektrische deuropeners

Intercomsystemen

Onbelemmerde toegang (ook met rolstoel of scootmobiel) tot complex en berging.

Naar boven