Gemeenteblad van Coevorden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Coevorden | Gemeenteblad 2025, 538041 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Coevorden | Gemeenteblad 2025, 538041 | beleidsregel |
Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Coevorden 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden,
vast te stellen de: ‘Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Coevorden 2026’.
Met deze beleidsregels geeft de gemeente Coevorden invulling aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) en aan de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Coevorden (vastgesteld op 3 januari 2025). De beleidsregels laten zien hoe het college de verordening toepast in de praktijk en welke uitgangspunten daarbij worden gehanteerd.
De verordening bevat de algemene regels en bevoegdheden, vastgesteld door de gemeenteraad. De beleidsregels werken deze regels verder uit: zij beschrijven hoe het college met die bevoegdheden omgaat en welke afwegingen in de praktijk worden gemaakt. Samen vormen verordening en beleidsregels het kader voor besluiten over ondersteuning.
De Wmo heeft drie hoofddoelen (artikel 1.1.1 Wmo 2015):
De wet gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van inwoners om hun leven te organiseren en deel te nemen aan de samenleving. Ook wordt verwacht dat inwoners elkaar helpen. Als dit niet voldoende is, kan iemand een beroep doen op de gemeente. Eerst wordt gekeken naar wat iemand zelf of met het netwerk kan doen, daarna naar algemene voorzieningen en, als dat niet volstaat, naar een maatwerkvoorziening.
Ons uitgangspunt daarbij is: zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig.
Deze beleidsregels zijn een dynamisch document. Nieuwe inzichten, jurisprudentie of ervaringen uit de praktijk kunnen aanleiding zijn om de regels aan te passen. Zo blijft de ondersteuning aansluiten bij wat inwoners nodig hebben.
Resultaatgebieden en algemeen afwegingskader
Dit zijn de Wmo verschillende resultaatgebieden die kunnen worden onderscheiden:
De beleidsregels geven een afwegingskader voor elke taak van de Wmo. Dit is om richtlijnen te geven voor de uitvoering en om duidelijk te maken hoe de gemeente een geschikte vorm van ondersteuning kiest. Om te bepalen wie in aanmerking komt voor ondersteuning en om te voorkomen dat ondersteuning onbeperkt toegankelijk is, zijn afwegingskaders belangrijk. Deze kaders dienen als ondersteuning tijdens het gesprek tussen de inwoner en de professional (en eventuele begeleider/cliëntondersteuner) om een oplossing op maat te vinden.
Hieronder vatten wij het algemene afwegingskader samen:
Toegankelijkheid voor iedereen:
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Abonnementstarief: Het abonnementstarief is de vaste, door het Rijk vastgestelde, eigen bijdrage die inwoners betalen voor het gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget (PGB) op grond van de Wmo. Het tarief geldt ongeacht inkomen, vermogen of de omvang van de voorziening. De inning van de eigen bijdrage vindt plaats via het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het bedrag van het abonnementstarief wordt jaarlijks geïndexeerd.
Financiële tegemoetkoming: Een financiële tegemoetkoming is een inkomensondersteunende maatregel op grond van artikel 2.1.7 Wmo. Deze kan worden verstrekt aan inwoners die te maken hebben met aannemelijke meerkosten als gevolg van hun beperking of van de noodzakelijke aanpassing van hun leefsituatie.
Gebruikelijke hulp: Een gezamenlijk huishouden heeft ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden. Het wordt normaal geacht dat een inwonende partner of huisgenoot waar nodig en waar mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Van huisgenoten van 18 jaar en ouder mag verwacht worden dat zij naast bezigheden zoals een fulltime baan of studie, in staat zijn tot het verrichten van gebruikelijke hulp. Dit kan gaan om het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.
Lokale (sociale) infrastructuur: Het geheel van beschikbare organisaties, (vervoers-) diensten, voorzieningen (gebouwen) en betrekkingen binnen de gemeente, waarbij die partijen kunnen samenwerken en eraan kunnen bijdragen om cliënten te ondersteunen in hun zelfredzaamheid, in staat kunnen stellen tot participatie of handhaving in de samenleving.
Mantelzorg: Onbetaalde en vaak langdurige zorg die wordt verleend aan een naaste met een ziekte, beperking of hulpvraag. Het gaat om zorg die verder gaat dan de gebruikelijke hulp die huisgenoten elkaar geven en die voortkomt uit een bestaande persoonlijke band, zoals familie, partner, vriend of buur.
Melding: Een melding is het kenbaar maken van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning bij de gemeente. Dit kan schriftelijk, mondeling of telefonisch door de inwoner zelf of namens hem door iemand anders. De melding is de eerste stap waarna de gemeente een onderzoek start naar de ondersteuningsvraag.
Onafhankelijke Cliëntondersteuning: Ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Doel is het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek
Artikel 2.1 Melding en onderzoek algemeen
In de Wmo-verordening van Coevorden staat beschreven hoe een inwoner, of iemand met een machtiging of vertegenwoordiging, een melding of aanvraag kan doen. Daarnaast wordt uitgelegd hoe een onderzoek in zijn werk gaat. In dit hoofdstuk gaan we dieper in op een aantal specifieke onderwerpen.
Artikel 2.2 Spoedeisende gevallen
Als de gemeente besluit dat er sprake is van een spoedeisend geval, kan direct een tijdelijke maatwerkvoorziening worden ingezet. Pas daarna wordt het onderzoek gestart. Van een spoedeisend geval is onder andere sprake als direct ondersteuning nodig is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Of als de inschatting is dat de situatie binnen een of twee dagen onhoudbaar zal zijn.
Artikel 2.3 Onafhankelijke cliëntondersteuning
Volgens de Wmo moet de gemeente de inwoner en zijn of haar mantelzorger vóór het onderzoek informeren over de optie om gratis gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Dit staat in artikel 2.3.2 lid 3 van de wet en in artikel 3 van de Wmo-verordening gemeente Coevorden. De gemeente vermeldt dit in de schriftelijke ontvangstbevestiging van de melding.
Artikel 2.4 Persoonlijk plan door de hulpvrager
Lid 1. Indienen van het persoonlijk plan
Voordat het onderzoek wordt gestart, heeft de inwoner de mogelijkheid om zelf een persoonlijk plan in te dienen. Dit plan moet binnen zeven dagen na de melding schriftelijk bij het college zijn ingeleverd.
Lid 2. Inhoud van het persoonlijk plan
In het persoonlijk plan beschrijft de inwoner zijn of haar situatie, behoeften en voorkeuren, en geeft aan welke ondersteuning volgens hem of haar de beste oplossing is. Daarbij kan de inwoner onder meer ingaan op:
Lid 3. Betrekken bij het onderzoek
Het persoonlijk plan wordt altijd betrokken bij het onderzoek. Het plan maakt onderdeel uit van het dossier. Relevante onderdelen van het persoonlijk plan kunnen in het verslag worden opgenomen.
Lid 1. Stappen in het onderzoek
De hulpvraag wordt in beeld gebracht volgens de stappen die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft vastgesteld:
Lid 2. Gespreksverslag en aanvraag
Een maatwerkvoorziening kan zorg in natura of als persoonsgebonden budget (Pgb) worden verstrekt. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar het hoofdstuk over pgb.
In de gemeente Coevorden worden de stappen 1 t/m 5 vastgelegd in een gespreksverslag. Dit verslag wordt gedeeld met de inwoner en door hem of haar ondertekend. De inwoner kan hierbij ook een reactie geven, bijvoorbeeld wanneer de situatie is veranderd. Tijdens het gesprek wordt de inwoner bovendien in begrijpelijke taal geïnformeerd over de mogelijkheid en gevolgen van een pgb. Het verslag vormt de basis voor het indienen van een aanvraag.
Artikel 2.6 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Bij elke hulpvraag onderzoekt het college of de inwoner gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit is een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die voor iedereen verkrijgbaar is en die niet of nauwelijks duurder is dan vergelijkbare producten. Het college beoordeelt daarbij of de voorziening financieel haalbaar is voor iemand met een minimuminkomen. In de bijlage staat een lijst met voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen (Bijlage 1: Voorbeelden algemeen gebruikelijke voorzieningen).
Hoofdstuk 3: Aanvraag en beslissing maatwerkvoorziening
Lid 2. Wanneer kunt u aanvragen
Lid 3. Hoe dient u de aanvraag in
Lid 4. Wat is een volledige aanvraag
De consulent controleert of de aanvraag compleet is. In elk geval bevat de aanvraag:
Als informatie ontbreekt, vraagt de gemeente deze gericht op en legt uit waarom dit nodig is.
Artikel 3.2 Formeel besluit naar aanvraag
Lid 3. Relatie met spoed en voorlopige voorziening
Lid 5. Kosten (eigen bijdrage)
Lid 2. Psychische, psychosociale problemen en huiselijk geweld
Lid 3. Voorrang van algemene voorzieningen
Lid 1. Goedkoopst compenserend
Lid 2. Veilig en passend gebruik
Lid 4. Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid
Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden
De gemeente verstrekt geen maatwerkvoorziening in de volgende situaties:
Lid 1. Andere wettelijke regeling
Lid 2. Zelf regelen vóór melding
Lid 3. Zelf regelen ná melding maar vóór besluit
Lid 4. Vervanging binnen afschrijvingstermijn
Hoofdstuk 4: Maatwerkvoorzieningen
Artikel 4.1 Herstelgerichte hulp
Herstelgerichte hulp is gericht op het verbeteren van de spierkracht, de fysieke belastbaarheid en het dagelijks functioneren, zodat de inwoner (weer) zelfredzamer wordt bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten. De voorziening wordt doorgaans uitgevoerd door gespecialiseerde fysiotherapie.
Lid 1. Indicatie voor herstelgerichte hulp
Lid 2. Relatie met andere maatwerkvoorzieningen
Andere maatwerkvoorzieningen worden niet ingezet wanneer uit deskundig advies blijkt dat deze anti-revaliderend werken op de inzet van herstelgerichte hulp (bijvoorbeeld: het structureel inzetten van huishoudelijke hulp kan herstel belemmeren wanneer het doel juist is dat de inwoner opnieuw leert om huishoudelijke taken zelf uit te voeren).
Lid 3. Opbouw van de voorziening
Lid 4. Voortijdige beëindiging
Lid 5. Geen aanspraak op andere voorzieningen
Artikel 4.2 Begeleiding en dagbesteding
Als een inwoner door een beperking onvoldoende in staat is de dag in aanvaardbare mate zelfstandig en zinvol in te vullen, kan hij in aanmerking komen voor begeleiding of dagbesteding. Beide voorzieningen zijn erop gericht dat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven functioneren. Belangrijkste doelen zijn het bevorderen van de zelfredzaamheid, het voorkomen van sociaal isolement en het verminderen van de belasting van mantelzorgers.
De gemeente maakt hierbij onderscheid tussen gebruikelijke zorg en Wmo-ondersteuning. Partners, volwassen huisgenoten en ouders voor hun kinderen hebben een eigen zorgplicht. Alleen wanneer deze gebruikelijke zorg niet toereikend is, kan begeleiding of dagbesteding als maatwerkvoorziening worden ingezet.
Begeleiding kan worden ingezet wanneer een inwoner ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren, oefenen of behouden van dagelijkse en (psycho)sociale vaardigheden.
Lid 1. Afwegingskader en normenkader
Lid 2. Evaluatie van de voortgang
Lid 3. Deskundigheid medewerkers
Een inwoner met een licht verstandelijke beperking krijgt wekelijks begeleiding bij het aanleren van huishoudelijke taken, zodat hij leert zelf boodschappen te doen en zijn woning op orde te houden.
Dagbesteding is een vorm van groepsbegeleiding en is een overkoepelende term voor onder meer dagactiviteiten, dagopvang, arbeidsmatige dagbesteding en creatieve dagbesteding. Het doel is inwoners een herkenbare dagstructuur en een zinvolle invulling te bieden, passend bij hun mogelijkheden.
Lid 5. Deskundigheid medewerkers
Een oudere inwoner met dementie kan bijvoorbeeld twee dagdelen per week een daglocatie bezoeken, waar activiteiten structuur bieden en mantelzorgers tijdelijk ontlasten. Sporten of andere therapeutische activiteiten vallen niet onder dagbesteding, maar onder dagbehandeling en behoren daarmee tot de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Respijtzorg is bedoeld om (dreigende) overbelasting van mantelzorgers te voorkomen. Een inwoner die niet zelfredzaam is en een mantelzorger heeft die overbelast dreigt te raken, kan in aanmerking komen voor respijtzorg. Het doel is dat mantelzorgers tijdelijk worden ontlast en zo de zorg op langere termijn vol kunnen houden.
Lid 2. Afweging in het gesprek
Een mantelzorger die 24 uur per dag voor zijn partner met dementie zorgt, kan ontlast worden door twee weekenden per kwartaal logeeropvang te regelen. Zo krijgt de mantelzorger tijd om bij te komen en kan hij de zorg duurzaam blijven volhouden.
Artikel 4.4 Kortdurend verblijf
Kortdurend verblijf betekent dat een inwoner tijdelijk elders verblijft om de gebruikelijke hulp en/of mantelzorg te ontlasten en zo overbelasting te voorkomen. Kortdurend verblijf omvat persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding van een inwoner met beperkingen, langdurige psychische of psychosociale problemen, die doorgaans continu toezicht nodig heeft. Het doel van kortdurend verblijf is om zelfstandig wonen in de thuissituatie te behouden. Kortdurend verblijf wordt uitsluitend verstrekt als maatwerkvoorziening wanneer eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociaal netwerk en algemene voorzieningen onvoldoende toereikend zijn.
Het kortdurend verblijf kan worden verstrekt voor maximaal 3 etmalen per week en maximaal 12 etmalen per kalenderjaar.
Artikel 4.5 Afwegingskader kortdurend verblijf
Deskundige medewerkers met een passend mbo- of hbo-niveau voeren de ondersteuning uit. De aanbieder waarborgt dat de dienstverlening veilig, doelmatig en cliëntgericht plaatsvindt en legt afspraken over overdracht van zorg en medicatie vast.
Artikel 4.6 Verplaatsen in en om de woning
Verplaatsingen in en om de woning zijn bedoeld voor inwoners die afhankelijk zijn van een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik. Het gaat hierbij om verplaatsingen die rechtstreeks vanuit huis worden gemaakt.
Wanneer een rolstoel via een persoonsgebonden budget (PGB) wordt verstrekt, ontvangt de inwoner een bedrag ter hoogte van de aanschafprijs, vermeerderd met een opslag (5%) voor onderhoud, verzekering en reparaties gedurende de afschrijvingsperiode. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het beheer van het budget en voor de kosten van onderhoud, reparaties en verzekering. Omdat hiervoor een vast percentage wordt verstrekt, kan dit in de praktijk betekenen dat de kosten niet altijd volledig gedekt zijn.
Artikel 4.7 Sportrolstoel en sportvoorziening
Wanneer het voor een inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen, en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die iemand zonder beperking heeft voor dezelfde of een vergelijkbare sport, kan het college een sportvoorziening verstrekken. Dit kan een sportrolstoel zijn, maar ook een ander hulpmiddel.
De volgende uitgangspunten gelden:
Artikel 4.8 Vervoer / Het zich lokaal kunnen verplaatsen
Vervoer op grond van de Wmo is bedoeld voor inwoners die door een beperking niet zelfstandig in hun directe woon- en leefomgeving kunnen reizen. Het gaat om verplaatsingen rondom de woning, om lokaal vervoer binnen een straal van maximaal vijfentwintig kilometer, en om vervoer naar activiteiten binnen de gemeente. Voor bovenregionaal vervoer (meer dan vijfentwintig kilometer) is het landelijke systeem Valys beschikbaar; dit valt buiten de Wmo.
Een inwoner komt alleen in aanmerking voor een vervoersvoorziening wanneer sprake is van een structurele, zelfstandige reisbehoefte die niet op een andere manier kan worden opgelost, bijvoorbeeld door eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk of algemene voorzieningen (openbaar vervoer).
Lid 2. Voorzieningen en voorwaarden
Met een systeem van collectief vervoer of een andere maatwerkvoorziening kan in beginsel maximaal tweeduizend kilometer per jaar worden gereisd. Het college kan dit aantal na onderzoek door een consulent verhogen of verlagen indien blijkt dat dit noodzakelijk is. Daarbij kan het gebruik van andere verstrekte voorzieningen, zoals een scootmobiel, worden meegewogen.
Bij voorzieningen die afgeleid zijn van de auto beoordeelt het college of er sprake is van aantoonbare meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen bij aantoonbare meerkosten als gevolg van de beperking kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie, de beschikbare financiële middelen en de extra verplaatsingen die nodig zijn.
Wanneer iemand om medische redenen niet zelfstandig gebruik kan maken van collectief vervoer, kan het college – op basis van een structurele medische noodzaak – een indicatie afgeven voor begeleiding. Deze medische begeleider reist gratis mee en de kilometers tellen niet mee voor het jaarlijkse kilometerbudget van de cliënt.
Bij elektrisch aangedreven individuele vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet er een brandveilige stallingsplek beschikbaar zijn. De inwoner moet meewerken aan het realiseren van een geschikte individuele of gezamenlijke stalling. Een aanvraag kan worden geweigerd als er geen geschikte stallingsplek in of rond de woning mogelijk is.
Artikel 4.9 Inleverpremie scootmobiel bij niet-gebruik
Deze regeling heeft tot doel om zorgvuldig en doelmatig om te gaan met verstrekte scootmobielen. Wanneer een scootmobiel niet of nauwelijks wordt gebruikt, kan een financiële prikkel inwoners stimuleren om de voorziening vrijwillig in te leveren. Dit bevordert een bewuster gebruik van voorzieningen en draagt bij aan een besparing op de huurlasten van hulpmiddelen.
De gemeente kent de mogelijkheid om aan personen die een door de gemeente verstrekte scootmobiel niet gebruiken, een premie toe te kennen. Ondanks een geldige indicatie voor een scootmobiel kunnen inwoners er om uiteenlopende redenen voor kiezen om spontaan en vrijwillig afstand te doen van deze voorziening.
Deze scootmobiel premie is bekend onder de naam ‘inleverpremie scootmobiel bij niet-gebruik’.
Lid 5. Wijziging of beëindiging van de regeling
De gemeente behoudt zich het recht voor om deze regeling te wijzigen of te beëindigen indien daar aanleiding toe is.
Een inwoner kan in aanmerking komen voor een woningaanpassing wanneer het vanwege een beperking niet mogelijk is de woning op een normale manier te gebruiken. Uitgangspunt is dat inwoners zelf verantwoordelijkheid dragen voor het wonen in een geschikte woning. Daarbij mag worden verwacht dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen en met de toekomst. Dit geldt zowel voor koop- als huurwoningen, en ook voor woonwagens en woonboten met vaste stand- en ligplaats.
Lid 2. Woningaanpassing, verhuisprimaat en uitvoering
Een woningaanpassing is gericht op het bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maken van de woning voor normaal gebruik. Met normaal gebruik wordt bedoeld dat de inwoner de elementaire woonvoorzieningen, zoals slaapkamer, badkamer en keuken, kan bereiken en benutten. Voorbeelden zijn trapliften, aangepaste sanitaire voorzieningen of verbreding van deuren.
Als verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is, gaat dit voor op het aanpassen van de woning. Bij deze afweging worden belangen zorgvuldig tegen elkaar afgewogen, zoals de beschikbaarheid van geschikte woningen, kostenvergelijking, sociale omstandigheden, woonlasten en de bereidheid van de cliënt om te verhuizen.
Indien verhuizen noodzakelijk is, kan de inwoner een financiële tegemoetkoming ontvangen voor redelijke kosten, zoals de inzet van een verhuisbedrijf of functionele aankleding van de nieuwe woning (bijvoorbeeld vloerbedekking of gordijnen). De hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Financieel besluit Wmo.
Voorbeeld: een inwoner met een dwarslaesie kan de bovenverdieping van zijn woning niet meer bereiken. Uit onderzoek blijkt dat een woningaanpassing ruim boven de €10.000 kost, terwijl er binnen drie maanden een gelijkvloerse huurwoning beschikbaar komt. Het college besluit het verhuisprimaat toe te passen en vergoedt de verhuiskosten en de functionele aankleding van de nieuwe woning, zoals vloerbedekking en gordijnen, in plaats van een dure woningaanpassing.
Artikel 4.11 Hulp bij het huishouden
De regels voor hulp bij het huishouden staan in artikel 4.7 van de verordening. Bij het bepalen van de omvang van de ondersteuning gebruiken wij het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 van bureau HHM. Dit kader geeft richtlijnen in minuten per week. De consulent beoordeelt altijd de persoonlijke situatie.
Het doel is dat de inwoner kan beschikken over een schoon en leefbaar huis. Hieronder vallen de woonkamer, gebruikte slaapkamers, keuken, badkamer/toilet en hal/trap.
Wasverzorging: in Coevorden wordt hiervoor in principe de voorziening WasT ingezet. Alleen in uitzonderlijke situaties waarin WasT niet passend of toereikend is, kan wasverzorging als onderdeel van huishoudelijke hulp worden geïndiceerd. In dat geval geldt gemiddeld 40 minuten per week bij volledige overname. Wanneer de inwoner of het netwerk zelf kleine delen van de was kan doen, wordt dit verminderd met 20 minuten.
Lid 6. Huishouden of leefeenheid
De Wmo geeft geen vaste definitie van een huishouden of leefeenheid. Bij de beoordeling kijkt de gemeente naar de feitelijke situatie. Daarbij wegen meerdere factoren mee, zoals het samen gebruiken van voorzieningen, een eventuele huurrelatie, de manier waarop de woning wordt gebruikt en de inschrijving in de BRP. Geen van deze factoren is op zichzelf bepalend; het gaat altijd om het totaalbeeld.
Lid 7. Taken van een volwassen huisgenoot van 18 tot en met 23 jaar
Van een volwassen en gezonde huisgenoot van achttien tot en met drieëntwintig jaar mag worden verwacht dat hij of zij de gebruikelijke huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger tijdelijk of blijvend uitvalt.
Wij gaan ervan uit dat een persoon in deze leeftijdsgroep in staat is om een eenpersoonshuishouden te voeren. Dit omvat in ieder geval:
De voorziening wordt toegekend in minuten per week. De consulent gebruikt het HHM-normenkader als richtlijn en stemt de omvang af op de individuele situatie van de inwoner.
Artikel 4.12 Herstelgerichte Hulp
Bij (dreigende) beperkingen in de zelfredzaamheid kan Herstelgerichte Hulp (gerichte fysiotherapie) worden ingezet. Deze hulp richt zich op het verbeteren van de spierkracht, de fysieke belastbaarheid en het dagelijks functioneren, zodat de inwoner zelfredzamer wordt bij het uitvoeren van huishoudelijke taken en andere dagelijkse activiteiten, onder meer door het versterken van de explosieve spierkracht.
Artikel 4.13 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Soms is de hulpvraag zo zwaar dat ambulante begeleiding of ondersteuning in de thuissituatie niet meer voldoende is. Dan kan een maatwerkvoorziening beschermd wonen, beschermd thuis of maatschappelijke opvang passend zijn.
Lid 3. Voorwaarden beschermd wonen
Een inwoner komt in aanmerking voor beschermd wonen wanneer:
Lid 4. Vormen van beschermd wonen
Omdat iedere zorgvraag uniek is, zijn er verschillende vormen van beschermd wonen:
Lid 5. Maatschappelijke opvang
Maatschappelijke opvang is er voor inwoners die niet meer veilig thuis kunnen wonen of feitelijk dakloos zijn.
Lid 6. Afwegingskader beschermd wonen en opvang
Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel.
Het sporten heeft een structureel karakter. De sport wordt al gedurende minimaal vier maanden beoefend en is passend. Dit kan bijvoorbeeld via Uniek Sporten (Externe link:unieksporten.nl/hulpmiddelen).
Lid 3. Relatie met Zorgverzekeringswet
Sportrolstoelen of andere hulpmiddelen die worden gebruikt om therapeutische doelen te bereiken vallen onder de Zorgverzekeringswet. Er bestaat geen aanspraak op een vergoeding op basis van voorzieningen op grond van aanpalende wet- en regelgeving zoals de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg).
Kosten voor het feitelijk kunnen bezoeken van of deelnemen aan activiteiten zoals entreegelden of lidmaatschapsbijdragen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Verwacht mag worden dat de levensduur van een sportvoorziening minimaal drie jaar is.
Artikel 4.15 Progressieve Ziekte
Onder progressieve ziekten worden ziekten verstaan die chronisch zijn en steeds ernstiger worden. Het gaat bijvoorbeeld om ziekten zoals ALS. Geen enkel ziekteverloop is hetzelfde en hangt af van de ziekte en haar kenmerken. Maatwerk is in deze situaties van groot belang.
Lid 2. Zorgvuldigheid en snelheid
Een groot verschil met ‘reguliere’ meldingen is dat de procedure zorgvuldig, snel en adequaat moet gebeuren. De cliënt met een snel progressieve ziekte heeft vaak niet veel tijd. Het is noodzakelijk om tijdig in te spelen op veranderingen en ontwikkelingen in het ziektebeeld.
Lid 3. Toekomstgericht indiceren
Indien van toepassing werkt het college volgens relevante landelijke protocollen, zoals het ALS-protocol of protocollen van Spierziekten Nederland. Deze protocollen worden toegepast in situaties waarin snelheid, samenwerking en passende ondersteuning van groot belang zijn, bijvoorbeeld bij progressieve aandoeningen of levensbedreigende situaties. Er is geen nieuw onderzoek vereist bij aanpassingen aan eerder geïndiceerde voorzieningen, zodat wachttijden beperkt blijven.
Indien noodzakelijk kan het college afwijken van standaardprocedures, zoals het opvragen van meerdere offertes, om tijdige en passende ondersteuning te garanderen. De leverancier van hulpmiddelen houdt de benodigde voorzieningen zo veel mogelijk op voorraad.
Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget (PGB)
Artikel 5.1 Vormen van verstrekking
Lid 1. Vormen van verstrekking
Een maatwerkvoorziening kan door het college op drie manieren worden verstrekt: in natura, via een persoonsgebonden budget (PGB) of als een financiële tegemoetkoming. De regels over financiële tegemoetkomingen en de hoogte daarvan zijn beschreven in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels en de verordening. In dit hoofdstuk lichten wij het PGB nader toe.
Artikel 5.2 Afwegingskader PGB
Een inwoner kan een maatwerkvoorziening inkopen met een PGB als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan (artikel 2.3.6 Wmo en artikel 5.1 van de verordening). Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Lid 2. Zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid
De inwoner moet in staat zijn om verantwoord om te gaan met een PGB, zelf of met hulp van een vertegenwoordiger of iemand uit het sociale netwerk. Hij of zij moet goed kunnen inschatten wat het beste aansluit bij de eigen situatie en verantwoordelijk handelen bij het beheren van het budget.
Lid 3. Motivatie en budgetplan
Bij de aanvraag moet de inwoner een budgetplan indienen met daarin ten minste:
Voordat een PGB wordt toegekend, wordt altijd de PGB-vaardigheid getoetst met de PGB Oké-toets. Als een vertegenwoordiger het PGB beheert, wordt ook diens vaardigheid getoetst. Wij beoordelen het pgb-plan op kwaliteit en haalbaarheid, met nadruk op de resultaten die ermee bereikt moeten worden. Het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten worden gevolgd en waar nodig besproken met de cliënt.
Lid 5. Doelmatigheid en kostprijs
Een PGB kan worden geweigerd als de voorziening duurder is dan de voorziening in natura, of als de voorziening niet doelmatig, effectief of passend is. Ook kan een PGB worden geweigerd in de gevallen genoemd in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 (bijvoorbeeld fraude of misbruik) of als verstrekking een negatief effect heeft op het systeem van zorg in natura (bijvoorbeeld bij collectief vervoer).
Bij progressieve ziektebeelden kan een PGB minder geschikt zijn, omdat voorzieningen op korte termijn mogelijk herhaald moeten worden vervangen. In zulke situaties maakt het college per casus een afweging. Er moet altijd sprake zijn van een langdurige ondersteuningsbehoefte.
Lid 7. Verantwoordelijkheid en evaluatie
De inwoner (budgethouder) heeft de leiding en verantwoordelijkheid over de ingekochte ondersteuning. Het college kan regelmatig evalueren of de gestelde doelen worden bereikt. Als dit niet het geval is, wordt onderzocht of het PGB moet worden aangepast of beëindigd.
Degene die de ondersteuning biedt, mag het PGB niet beheren namens de budgethouder. Dit voorkomt belangenverstrengeling en waarborgt de kwaliteit.
Artikel 5.3 Wat mag niet uit een PGB betaald worden
Een PGB mag niet besteed worden aan:
De kwaliteit van ingekochte ondersteuning moet minimaal gelijkwaardig zijn aan die van gecontracteerde aanbieders in natura. Dit betekent:
Het college verstrekt geen PGB voor hulp die volgens algemeen aanvaarde opvattingen gebruikelijk is (bijvoorbeeld hulp van ouders aan inwonende kinderen of van partners aan elkaar).
Artikel 5.5 Financiële uitgangspunten
Het PGB is kostendekkend maar nooit hoger dan de kosten van de voorziening in natura.
Artikel 5.6 Controle en opschorting
Lid 1. Uitbetaling door SVB en opschorting
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) betaalt de ondersteuning uit het PGB rechtstreeks aan de aanbieder. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken betalingen tot dertien weken op te schorten als er risico is op onrechtmatig gebruik.
Lid 2. Controle door het college
Het college kan steekproeven uitvoeren en in gesprek gaan met budgethouders om te beoordelen of de ondersteuning effectief en doelmatig is.
Artikel 5.7 Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)
Bij een PGB-aanvraag moet de aanbieder een geldige VOG overleggen. Voor ondersteuning door het sociale netwerk kan het college besluiten hiervan af te zien, tenzij de situatie om veiligheidsredenen een VOG vereist.
Artikel 5.8 Onderscheid formele en informele hulp
Bij het vaststellen van de hoogte van een PGB maakt het college onderscheid tussen formele en informele hulp.
Artikel 5.9 Hoogte van het PGB
Het PGB is nooit hoger dan de kostprijs van de voorziening in natura of de prijs uit een door het college geaccepteerde offerte.
Lid 2. Zelfredzaamheid en participatie
Lid 3. Hulp bij het huishouden
Lid 4. Aanpassing bij ontoereikend tarief
Indien het berekende PGB onvoldoende is om de voorziening bij ten minste één aanbieder in te kopen, wordt het tarief verhoogd tot dat wel mogelijk is.
De hoogte wordt bepaald op basis van vergelijkbare offertes. De goedkoopst adequate voorziening is leidend. Het college kan zelf een tegenofferte opvragen.
Hoofdstuk 6: Financiële tegemoetkoming
Artikel 6.1 Wat is een financiële tegemoetkoming
Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag waarmee een inwoner (een deel van) de kosten vergoed krijgt voor het aanschaffen of realiseren van een materiële voorziening.
In tegenstelling tot een persoonsgebonden budget (PGB) is een financiële tegemoetkoming bedoeld voor (primair) materiële voorzieningen, terwijl een PGB vaak wordt verstrekt voor immateriële ondersteuning of zorg.
Voor beide vormen geldt dat de inwoner een eigen bijdrage moet betalen.
De hoogte van de financiële tegemoetkoming moet in een redelijke verhouding staan tot de daadwerkelijk gemaakte kosten.
Artikel 6.2 Voor welke voorzieningen
Een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt voor de volgende resultaatgebieden:
Voor sportvoorzieningen geldt een aparte regel: een tegemoetkoming kan maximaal één keer per drie jaar worden verstrekt voor aanschaf, onderhoud en reparatie.
Artikel 6.3 Hoogte van de financiële tegemoetkoming
De hoogte van de tegemoetkoming is nooit hoger dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening.
In principe is de tegemoetkoming niet kostendekkend, tenzij uit onderzoek blijkt dat dit in het individuele geval noodzakelijk is.
De exacte maximale bedragen en normbedragen zijn vastgelegd in het Financieel Besluit van de gemeente Coevorden.
Artikel 6.4 Uitbetaling en bewijs
Een financiële tegemoetkoming kan zowel aan de inwoner als aan de leverancier van de voorziening worden uitbetaald. Dit kan vooraf of achteraf:
Lid 2. Uitbetaling vooraf aan de inwoner
Binnen zes weken na uitbetaling moet een bewijsstuk worden ingediend waaruit blijkt dat de tegemoetkoming is gebruikt voor de aanschaf van de voorziening.
Lid 3. Uitbetaling achteraf aan de leverancier/inwoner
De tegemoetkoming wordt verstrekt na aanlevering van een factuur of ander bewijsstuk waaruit blijkt dat de voorziening is aangeschaft.
Als een programma van eisen is opgesteld, vindt uitbetaling alleen plaats als aan die eisen wordt voldaan. Als de tegemoetkoming vooraf wordt uitbetaald en er is een programma van eisen, dan voert de gemeente binnen zes weken na realisatie van de voorziening een inspectie uit.
Artikel 6.5 Herziening en terugvordering
Als de inwoner geen bewijsstuk aanlevert terwijl dit wel verplicht is, kan de tegemoetkoming worden teruggevorderd op grond van artikel 2.4.1 lid 1 van de Wmo, voor zover dit de inwoner te verwijten is.
Lid 2. Niet voldoen aan programma van eisen
Als bij inspectie blijkt dat de voorziening niet voldoet aan het programma van eisen, kan het besluit tot toekenning worden herzien of ingetrokken. Als dit aan de inwoner te wijten is, kan de tegemoetkoming worden teruggevorderd.
Artikel 7.1 Waarom een eigen bijdrage
Inwoners betalen voor de meeste maatwerkvoorzieningen een maandelijkse eigen bijdrage in de vorm van een vast abonnementstarief. De inning hiervan loopt via het CAK.
Het tarief wordt jaarlijks geïndexeerd en inwoners ontvangen hierover een brief met de aangepaste bijdrage.
Bij wijzigingen in wet- of regelgeving gelden de landelijk vastgestelde tarieven. Voor de actuele hoogte van dit tarief en meer informatie kunnen inwoners terecht bij het CAK.
Artikel 7.3 Hoogte van de eigen bijdrage
Voor de meeste maatwerkvoorzieningen geldt het landelijke abonnementstarief: een vast bedrag per maand per persoon (ongehuwd of gehuwd samen).
Lid 2. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Ook voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang stelt het CAK de eigen bijdrage vast op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Hierbij geldt het hoge verblijftarief in plaats van het vaste abonnementstarief.
Voor vervoer is de bijdrage per rit gelijk aan het in de regio geldende basistarief van het openbaar vervoer plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal kilometers.
De eigen bijdrage overstijgt nooit de kostprijs van de voorziening.
Artikel 7.4 Kostprijs van voorzieningen
Voorziening in natura: de kostprijs is gelijk aan de kosten die het college zelf maakt voor de voorziening. Waar mogelijk wordt gekozen voor een oplossing die voldoende is en met de minste middelen.
Bij een voorziening in de vorm van een PGB is de kostprijs gelijk aan de hoogte van het toegekende persoonsgebonden budget. Indien minder wordt besteed dan het toegekende bedrag, is de budgethouder verplicht het niet-bestede deel terug te betalen aan de gemeente.
Algemene voorziening: de kostprijs is gelijk aan de kosten die het college per inwoner maakt.
Hoofdstuk 8: Bestrijding misbruik, oneigenlijk gebruik, niet gebruik
Het college vindt het belangrijk dat de ondersteuning rechtmatig, doelmatig en passend wordt ingezet. Daarom nemen wij maatregelen om oneigenlijk gebruik, misbruik én niet-gebruik van maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten (pgb’s) door inwoners en aanbieders te voorkomen en tegen te gaan.
Lid 2. Voorlichting aan inwoners
Wij informeren inwoners in begrijpelijke taal over hun rechten en plichten, en over de gevolgen als voorzieningen verkeerd of onjuist gebruikt worden.
Artikel 8.2 Preventie en samenwerking
Wij werken samen met andere gemeenten, zorgkantoren, de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Belastingdienst en de door de gemeente Coevorden aangewezen toezichthouders voor Wmo en Jeugd. Deze partijen houden gezamenlijk toezicht op rechtmatigheid en het voorkomen van fraude in de zorg.
Wij geven inwoners en hun vertegenwoordigers vooraf duidelijke informatie en verwijzen waar nodig naar cliëntondersteuning.
Artikel 8.3 Onderzoek, controle en monitoring
Lid 1. Onderzoek bij aanbieders
Het college kan onderzoeken of (formele en informele) zorgaanbieders die via een pgb ondersteuning leveren, voldoen aan hun verplichtingen. Aanbieders zijn verplicht hieraan mee te werken.
Lid 2. Afspraken met aanbieders
Met aanbieders worden afspraken gemaakt over facturatie, prestatieafspraken en accountantscontroles. Wij controleren of declaraties overeenkomen met de daadwerkelijk geleverde ondersteuning.
Lid 3. Periodieke en steekproefsgewijze controle
Daarnaast voeren wij periodiek en steekproefsgewijs controles uit om te beoordelen:
Lid 4. Inzet sociale recherche
Bij vermoedens van misbruik of fraude kan het college de sociale recherche inschakelen om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van verstrekte voorzieningen of persoonsgebonden budgetten.
De uitvoering van deze taken vindt regionaal plaats via de gemeente Emmen, die de sociale recherche uitvoert voor de gemeenten Emmen, Coevorden en Borger-Odoorn.
De sociale recherche kan zowel op verzoek van het college als op eigen initiatief onderzoek verrichten. Zij doet dit binnen de wettelijke kaders en kan daarbij gegevens opvragen en hoor- en onderzoekshandelingen uitvoeren.
Lid 7. Gevolgen van vastgestelde fraude
Indien blijkt dat sprake is van opzettelijk misbruik of fraude, kan het college overgaan tot terugvordering en, indien nodig, aangifte doen bij het Openbaar Ministerie.
Artikel 8.4 Oneigenlijk gebruik
Lid 1. Definitie oneigenlijk gebruik
Naast misbruik letten wij ook op oneigenlijk gebruik. Onder oneigenlijk gebruik verstaan wij het gebruik van een voorziening, dienst of ondersteuning op een wijze die niet overeenkomt met het doel waarvoor deze is verstrekt.
Er is hierbij geen sprake van opzet of het bewust verstrekken van onjuiste informatie, maar van feitelijk gebruik dat buiten de bedoeling van de wet of de gemeentelijke beleidsregels valt.
Wanneer sprake is van oneigenlijk gebruik gaat de gemeente in gesprek met de betrokkene om het juiste gebruik van de voorziening toe te lichten.
Lid 4. Aanpassen of beëindigen
Indien nodig wordt de voorziening aangepast, beëindigd of opnieuw beoordeeld via een herindicatie.
Wanneer hierdoor kosten voor de gemeente zijn gemaakt die niet gerechtvaardigd waren, kan de gemeente besluiten deze (gedeeltelijk) terug te vorderen.
Lid 6. Aanvullende maatregelen
Daarnaast kan de gemeente aanvullende maatregelen treffen om herhaling te voorkomen, bijvoorbeeld door voorwaarden aan te scherpen of controles te intensiveren.
Van misbruik is sprake wanneer iemand opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie verstrekt om een voorziening of budget te verkrijgen of te behouden.
Van niet-gebruik is sprake wanneer een inwoner een toegekende voorziening niet of nauwelijks gebruikt. Een voorziening moet bijdragen aan het doel waarvoor deze is verstrekt en het welzijn van de inwoner bevorderen.
Wanneer blijkt dat een hulpmiddel of vervoersvoorziening, zoals een taxipas of scootmobiel, langere tijd niet wordt gebruikt, kan het college besluiten de voorziening in te nemen of te beëindigen.
Dit wordt altijd vooraf met de inwoner besproken. Het uitgangspunt is dat voorzieningen die niet (meer) nodig zijn of gebruikt worden, beschikbaar komen voor inwoners die er wel baat bij hebben.
Hoofdstuk 9: Kwaliteit en veiligheid
Het college vindt het belangrijk dat inwoners kunnen rekenen op veilige en kwalitatief goede ondersteuning. Wij stellen daarom eisen aan aanbieders en houden toezicht op de uitvoering.
Artikel 9.2 Kwaliteit van ondersteuning
Lid 1. Afstemming en deskundigheid
Aanbieders moeten de ondersteuning afstemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner en waar nodig op andere vormen van zorg. Zij zetten deskundige beroepskrachten in en zorgen dat deze handelen volgens de geldende professionele standaarden. Waar passend sluiten zij aan bij erkende keurmerken in de sector.
Lid 2. Toezicht door het college
Het college ziet toe op naleving van deze kwaliteitseisen, onder andere via:
Artikel 9.3 Deskundigheid en veiligheid
Lid 1. Eisen aan beroepskrachten
Van beroepskrachten verwachten wij dat zij beschikken over de kwalificaties en ervaring zoals vastgelegd in de inkoop, en in overeenstemming met de eisen uit de aanbesteding. Afhankelijk van de aard van de ondersteuning kan een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) verplicht zijn.
Aanbieders en beroepskrachten werken met de landelijke meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en hebben een meldplicht bij calamiteiten en geweldsincidenten.
Artikel 9.4 Prijs-kwaliteitverhouding
Bij het vaststellen van tarieven voor door derden geleverde diensten en voorzieningen houden wij rekening met de kwaliteitseisen en de continuïteit van de ondersteuning. Wij kijken daarbij in ieder geval naar:
Artikel 9.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Het college heeft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten. Aanbieders zijn verplicht ieder incident direct te melden bij de toezichthoudend ambtenaar. Deze onderzoekt het incident en adviseert het college over verbetermaatregelen en het voorkomen van herhaling.
Hoofdstuk 10: Waardering mantelzorgers
Artikel 10.1 Rol van mantelzorgers
Het college houdt bij het nemen van besluiten rekening met de rol en belasting van mantelzorgers. Dit geldt bijvoorbeeld bij woningaanpassingen of het verstrekken van hulpmiddelen die ook door de mantelzorger gebruikt moeten worden, zoals tilliften of duwondersteuning bij een rolstoel. Ook wanneer mantelzorgers zorgen voor kinderen binnen het eigen huishouden, wordt hun situatie zorgvuldig meegenomen in de afweging.
Artikel 10.2 Mantelzorgwoningen
Voor mantelzorgwoningen geldt dat inwoners in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het beschikken over passende woonruimte. Voor het bouwen van een mantelzorgwoning is het omgevingsrecht van toepassing. Het college kan inwoners adviseren en ondersteunen bij vragen over vergunningen, maar het realiseren van een mantelzorgwoning valt niet onder de Wmo.
Hoofdstuk 11. Klachten en medezeggenschap
Aanbieders zijn verplicht een klachtenregeling vast te stellen en toe te passen. Deze regeling moet voor inwoners duidelijk en laagdrempelig zijn. Het college ziet erop toe dat aanbieders hun klachtenregelingen naleven. Dit gebeurt via de reguliere gesprekken met aanbieders en het jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Daarnaast kunnen inwoners zich met klachten ook rechtstreeks tot de gemeente wenden.
Aanbieders beschikken over een regeling voor medezeggenschap, zodat inwoners invloed kunnen uitoefenen op besluiten van de aanbieder die voor hen van belang zijn.
De aanbieder beschikt over een medezeggenschapsraad of cliëntenraad conform artikel 3.2 van de Wmo 2015 en de gemeentelijke verordening.
Daarnaast staan medewerkers van aanbieders open voor wensen, vragen, signalen en feedback van cliënten over de geboden ondersteuning. Deze signalen worden actief benut om de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren.
Aldus besloten bij vergadering van d.d. 02 december 2025,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden,
De burgemeester,
R. Bergsma
De secretaris,
K Brinks
Bijlagen: Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd wanneer deze in het dagelijks leven voor iedereen beschikbaar is en geen specifiek hulpmiddel vormt voor mensen met een beperking of langdurige aandoening. Daarbij geldt in ieder geval dat:
Hieronder volgen voorbeelden van voorzieningen die in beginsel als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt.
Antislipvloer of -coating (bij nieuwbouw of renovatie)
Automatische deuropener voor garage of omheining
Drempelhulpen (binnen- en buitenshuis)
Elektrische of standaard zonwering
Keramische- of inductiekookplaat
Luchtbevochtiger en -ontvochtiger
Meterkast met meerdere groepen
Ophogen van straatwerk of tuin bij verzakking
Spoel-föhninstallatie (douche-föhn-toilet)
Vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair
Aanhangfiets of aankoppelfiets
Auto en de hieraan verbonden gebruikskosten
Autoaanpassingen of -accessoires (zoals stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ramen, airco, trekhaak, cruisecontrol, warmtewerend glas)
Bakfiets (al dan niet elektrisch)
Beenzak, voetenzak of schootskleed
Elektrische step, fatbike of vergelijkbaar
Fiets met hulpmotor of trapondersteuning
Fietskar voor vervoer van kinderen
Transportstoel voor incidenteel gebruik
Crèche, kinderopvang of gastouder
Financieel-administratieve ondersteuning
Voorzieningen in doelgroepgebouwen
Hierbij gaat het om de gemeenschappelijke ruimten in een seniorencomplex of een woonvoorziening specifiek voor mensen met een beperking, zoals:
Onbelemmerde toegang (ook met rolstoel of scootmobiel) tot complex en berging.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-538041.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.