Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2025

De raad van de gemeente Mook en Middelaar;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 juni 2025;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet;

gezien het advies van de Raadscommissie;

overwegende dat:

  • burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  • van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

  • de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;

  • het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

  • het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp;

  • het wenselijk is de regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en in één verordening onder te brengen;

 

besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2025.

 

Hoofdstuk 1 Procedure

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • a.

    Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;

  • b.

    Aanvraag: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen (artikel 1:3 van de Awb);

  • c.

    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een overige voorziening;

  • d.

    Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken;

  • e.

    Andere voorziening: voorziening op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • f.

    Beschermd Thuis: de inwoner woont in zijn eigen (al of niet gedeelde) woning met de benodigde begeleiding en een vorm van (24-uurs) bereikbaarheid. Er kan sprake zijn van het wonen in een groep (waarin men voorzieningen deelt) of (zelfstandig) geclusterd wonen (waarbij men zodanig geclusterd woont dat inzet van groepsbegeleiding mogelijk is). In deze gevallen is er ook een component groepsbegeleiding die door de zorginstelling geleverd wordt.

  • De inwoner woont zelfstandig en is dus zelf verantwoordelijk voor de huur, vaste lasten en alle kosten van het levensonderhoud;

  • g.

    Beschermd Wonen: verblijf in een accommodatie met toezicht en een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden afgestemd geheel van diensten die worden geleverd ten behoeve van een inwoner die als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en 24-uurs toezicht i.v.m. risico op (zelf)verwaarlozing of overlast en intensieve ondersteuning nodig heeft;

  • h.

    Beschikking: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan (artikel 1:3 van de Awb);

  • i.

    Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015;

  • j.

    Budgethouder: cliënt die een persoonsgebonden budget op grond van de wet toegekend gekregen heeft;

  • k.

    Cliënt: persoon die op grond van Jeugdwet of Wmo 2015 gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een jeugdige en zijn ouders;

  • l.

    College: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Mook en Middelaar;

  • m.

    Gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont;

  • n.

    Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 5;

  • o.

    Herindicatie: het opnieuw vaststellen van de aard en mate van de zorgbehoefte;

  • p.

    Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp;

  • q.

    Informele ondersteuning: ondersteuning door het eigen netwerk van een cliënt op basis van een persoonsgebonden budget;

  • r.

    Ingezetene: cliënt die in het kader van maatschappelijke ondersteuning woonachtig is in de gemeente Mook en Middelaar. Voor cliënten in het kader van de Jeugdwet is de term ‘ingezetene’ niet relevant omdat daar gekeken wordt naar het woonplaatsbeginsel;

  • s.

    Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als individuele voorziening;

  • t.

    Mantelzorg: bovengebruikelijke hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, Beschermd Wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • u.

    Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens de cliënt;

  • v.

    Overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift dan wel andere (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder of budgethouder zijn gemaakt;

  • w.

    Persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid;

  • x.

    Persoonsgebonden budget (pgb): zijnde een door het college verstrekt budget aan een cliënt, dat de cliënt in staat stelt de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort, van derden te betrekken;

  • y.

    Pgb-aanbieder: een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon die ondersteuning verleent aan een cliënt met een persoonsgebonden budget (budgethouder);

  • z.

    Pleegzorgwaardering: blijk van waardering voor pleegouders;

  • aa.

    Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • ab.

    Toezichthouder: de toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 Wmo 2015 en artikel 24 van deze verordening, belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde in of krachtens de Wmo 2015 en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft;

  • ac.

    Verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek en een advies aan het college over het treffen van een voorziening;

  • ad.

    Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven;

  • ae.

    Wet: de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 en/of Jeugdwet.

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college of een andere daartoe door het college aangewezen organisatie, verder te noemen de andere organisatie, worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte.

  • 2.

    Het college of de andere organisatie bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

  • 3.

    Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding, een onderzoek uit overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6, tenzij met de cliënt een andere termijn is afgesproken.

  • 4.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of artikel 2.6 van de Jeugdwet verstrekt het college of de andere organisatie na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp aan de rechter.

  • 5.

    Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij de andere volgens de wet bevoegde verwijzer naar gecontracteerde jeugdhulp. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beoordeelt welke maatwerkvoorziening nodig is.

  • 6.

    Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

Artikel 3. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is, conform artikel 2.3.2 lid 2 Wmo.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet.

  • 3.

    Het college of de andere organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 4. Vooronderzoek

  • 1.

    Het college of de andere organisatie verzamelt enkel de voor het onderzoek noodzakelijk zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaft de cliënt het college of de andere organisatie alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college of andere organisatie voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt op verzoek van het college of de andere organisatie een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3.

    Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    Het college of de andere organisatie brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding schriftelijk de hulpvraag te beschrijven, wat hij daar zelf, eventueel met hulp van zijn sociale netwerk in kan betekenen en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn.

  • 5.

    Teneinde hun eigen kracht en regie te versterken stelt het college tijdens het vooronderzoek de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

  • 6.

    Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van de Verordening Jeugdhulp.

Artikel 5. Gesprek

  • 1.

    Het college voert een onderzoek uit naar aanleiding van de melding. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij sprake is van de situatie bedoeld in het vijfde lid.

  • 2.

    Het college of de andere organisatie onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de cliënt, diens vertegenwoordiger en/of mantelzorger(s) zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

  • a.

    de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt en in het geval van een jeugdige zijn ouders;

  • b.

    het gewenste resultaat van de hulpvraag;

  • c.

    de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

  • d.

    de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

  • e.

    de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

  • f.

    de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen;

  • g.

    de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

  • h.

    welke bijdrage in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, verschuldigd zal zijn;

  • i.

    de mogelijkheid een pgb te verstrekken als de cliënt dit wenst, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die mogelijke keuze;

  • j.

    de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt of, in het geval van een jeugdige, de jeugdige en zijn ouders.

  • 3.

    Als de cliënt de beschrijving als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college of de andere organisatie heeft verstrekt, betrekt het college of de andere organisatie dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Het college of de andere organisatie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 5.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

  • 1.

    Het college of de andere organisatie zorgt voor een schriftelijk verslag van het onderzoek en de uitkomsten daarvan.

  • 2.

    Na het gesprek verstrekt het college of de andere organisatie het schriftelijk verslag zo spoedig mogelijk aan de cliënt.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het schriftelijk verslag toegevoegd en maken daar deel van uit.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    Een cliënt, zijn gemachtigde of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college, dit kan ook elektronisch.

  • 2.

    Het college kan een ondertekend verslag als bedoeld in artikel 6 lid 1 als aanvraag aanmerken als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

  • 3.

    Een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt niet ingediend voordat een gesprek als bedoeld in artikel 5 heeft plaatsgevonden, tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 5, vijfde lid.

  • 4.

    Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag om een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af, tenzij met de betreffende cliënt een andere termijn is afgesproken.

  • 5.

    Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op een aanvraag van gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader.

 

Hoofdstuk 2 Maatwerkvoorziening

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

      • op eigen kracht;

      • met gebruikelijke hulp;

      • met mantelzorg;

      • met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

      • met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of

      • met algemene voorzieningen.

  • De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

    • b.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

      • op eigen kracht;

      • met gebruikelijke hulp;

      • met mantelzorg;

      • met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

      • met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

  • De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan Beschermd Wonen, Beschermd Thuis of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

    • c.

      indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder ondersteuning vanuit de Jeugdwet nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn.

    • d.

      Het college betrekt daarbij in ieder geval de mate waarin de jeugdige een oplossing kan vinden voor de ondersteuningsvraag::

      • op eigen kracht of met zijn ouders;

      • met mantelzorg;

      • met gebruikelijke hulp;

      • met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

      • met gebruikmaking van algemene voorzieningen;

      • met gebruikmaking van andere voorzieningen.

  • De maatwerkvoorziening stelt de jeugdige of de ouder in staat, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

    • gezond en veilig op te groeien;

    • te groeien naar zelfstandigheid, en

    • voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

    • e.

      indien er sprake is van een verwijzing zoals bedoeld in artikel 2, lid 5 van deze verordening, en de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 3.

    Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie, op grond van de Wmo 2015, geldt bovendien dat:

    • a.

      de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs onvermijdbaar moet zijn geweest;

    • b.

      deze voorziening langdurig noodzakelijk dient te zijn, met uitzondering van kortdurende hulp bij het huishouden;

    • c.

      in het geval de voorziening voorzienbaar was, vast komt te staan dat van de cliënt redelijkerwijs niet kon worden verwacht, dat de cliënt maatregelen had getroffen die de hulpvraag overbodig maakte;

  • 4.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze maatwerkvoorziening slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven,

    • a.

      tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    • b.

      tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

    • c.

      als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 9. Afwijzingsgronden

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • b.

      voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp kan voorzien;

    • c.

      voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan verminderen of wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp kan voorzien;

    • d.

      als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • e.

      als cliënt voor de Wmo 2015 geen ingezetene is van de gemeente Mook en Middelaar, met uitzondering van Beschermd Wonen en opvang, of volgens het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Mook en Middelaar valt;

    • f.

      als het een voorziening betreft die de cliënt voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd;

    • g.

      als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

    • h.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

    • i.

      als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt geen of onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond;

    • j.

      voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie;

    • k.

      voor zover de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

    • l.

      voor zover de voorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht;

    • m.

      ten behoeve van het gebruik van de woning die niet het hoofdverblijf van de cliënt betreft.

  • 2.

    Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat er in ieder geval geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      in het geval de beperkingen bij het normaal gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      indien de woning waar een woonvoorziening voor aangevraagd wordt niet het duurzaam hoofdverblijf is van de belanghebbende;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

    • d.

      ten behoeve van specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden;

    • e.

      indien verhuizen de goedkoopst adequate tijdig beschikbare oplossing is, maar de cliënt weigert te verhuizen.

  • 3.

    Voor Beschermd Wonen geldt dat er in ieder geval geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer is van huiselijk geweld.

  • 4.

    Voor opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer:

    • a.

      een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels;

    • b.

      een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt;

    • c.

      een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject;

    • d.

      er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is;

    • e.

      een cliënt zich ernstig misdraagt richting andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling;

    • f.

      de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt;

    • g.

      in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.

  • 5.

    Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in de artikelen 9a en 12 t/m 15.

Artikel 9a. Wonen en zorg

Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie.

Artikel 10. Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is;

    • b.

      wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • c.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • d.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en

    • e.

      indien van toepassing, welke andere (algemene) voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4.

    Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Een cliënt doet aan het college of de andere organisatie op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing.

  • 2.

    Het college kan een beslissing tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beëindigen, herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing had geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

    • e.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

    • f.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt;

    • g.

      de cliënt zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening.

  • 3.

    Als het college een beslissing heeft ingetrokken en de cliënt redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte een maatwerkvoorziening of daaraan gekoppeld pgb ontving kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 4.

    Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 5.

    Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 6.

    Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pgb verrekenen met te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering.

 

Hoofdstuk 3 Persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 12. Algemene regels voor pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • 2.

    Het college verstrekt geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en waarvan niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    De cliënt die een pgb wenst motiveert schriftelijk in een plan, bedoeld in lid 3 onder a:

    • a.

      waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een derde in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

    • b.

      waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht;

    • c.

      hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden;

    • d.

      dat voldaan is aan het gestelde in artikel 9a. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken;

    • e.

      voor zover het Beschermd Wonen betreft: een uiteenzetting van de kosten voor begeleiding, inclusief aanvullende specialistische begeleiding en dagbesteding;

    • f.

      de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het pgb plan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een individuele voorziening nodig is. Deze activiteiten kunnen vervolgens in uren per week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn dan ook de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder.

  • 4.

    Het pgb kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering van een hulpmiddel voor zover onderhoud en verzekering door het college wordt verlangd en het geen onderdeel is van het pgb.

  • 5.

    Het tarief voor een pgb:

    • a.

      is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen;

    • c.

      wordt afgestemd om de verschillende vormen van ondersteuning en de verschillende typen hulpverleners;

    • d.

      voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt;

    • e.

      voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, ziekte, verzekeringen en reiskosten;

    • f.

      voor Beschermd Wonen omvat mede het schoonmaken van appartement of kamer en gemeenschappelijke ruimten;

    • g.

      is een all-in tarief, buiten het pgb-plan is geen bestedingsvrij budget.

  • 6.

    Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven niet doen:

    • a.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor bemiddeling;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb;

    • d.

      huur;

    • e.

      eten en drinken;

    • f.

      bijdrage in de kosten;

    • g.

      contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal;

    • h.

      zorg en ondersteuning die onder een andere wet vallen dan de wet op grond waarvan het pgb is verstrekt;

    • i.

      zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorziening vallen;

    • j.

      zorg die te kwalificeren is als een behandeling, met uitzondering van jeugdhulp;

    • k.

      ondersteuning bij inkopen buiten EU-landen.

  • 7.

    Indien de jeugdige niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 8.

    Een pgb voor een hulpmiddel dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te zijn aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld.

  • 9.

    Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als:

    • a.

      op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;

    • b.

      er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden;

    • c.

      er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.

  • 10.

    Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. Het college besluit jaarlijks over indexering van de verschillende bedragen.

Artikel 13. Regels voor pgb’s die ingezet worden bij professionals

  • 1.

    Dit artikel heeft betrekking op de zorgaanbieder die middels een persoonsgebonden budget wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht.

  • 2.

    In het plan voor persoonsgebonden budget kunnen budgethouder en college afspreken binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het plan voor persoonsgebonden budget is aangegeven.

  • 3.

    Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het plan voor persoonsgebonden budget ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet. Ook bij maandbedragen moet de pgb-houder en de betrokken zorgverlener de geleverde zorg (kunnen) verantwoorden in uren en/of dagdelen.

  • 4.

    De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt.

  • 5.

    De zorgaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in bijlage 3. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college (bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject) en het college is van oordeel dat zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitscriteria, worden gedurende 1 jaar (vanaf moment van constatering van niet voldoen) geen pgb’s toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.

  • 6.

    Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, of de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb.

Artikel 14. Regels voor pgb sociaal netwerk

  • 1.

    Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc.

  • 2.

    De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Het college kan bij nadere regeling nadere voorwaarden stellen aan de verstrekking van een pgb aan een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

  • 3.

    Als een pgb wordt verstrekt aan een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor professionals.

  • 4.

    Bij de beoordeling of er sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol:

    • het type hulp dat wordt geleverd (pgb kan niet worden ingezet voor behandeling);

    • de frequentie van de hulp;

    • gaat het om een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode;

    • de mate van verplichting;

    • de nabijheid van ondersteuner;

    • als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben;

    • de persoon uit het netwerk moet aangeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt.

  • 5.

    In aanvulling op de wettelijke voorwaarden en weigeringsgronden, wordt een pgb voor hulp uit sociaal netwerk alleen verstrekt, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      degene die de voorziening met het pgb uitvoert is aantoonbaar deskundig;

    • b.

      degene die de voorziening met het pgb uitvoert lijdt kostenderving: ofwel in de vorm van inkomstenderving in verband met het bieden van mantelzorg, ofwel in de vorm van extra kosten die hij moet maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden;

    • c.

      pgb door het sociaal netwerk leidt tot betere/efficiëntere ondersteuning.

  • 6.

    De hoogte van een pgb dat ingezet wordt om zorg in te kopen bij iemand uit het sociaal netwerk is ten hoogte van de vastgestelde tarieven voor pgb’s in het sociaal netwerk.

Artikel 15. Regels voor pgb-beheer

  • 1.

    Ten aanzien van begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen Wmo geldt dat uitgangspunt van een pgb is dat de cliënt zelf in staat is om regie te voeren op de ingekochte ondersteuning.

  • 2.

    De pgb-beheerder kan de cliënt ondersteunen in het pgb-beheer, maar mag niet volledig in de plaats treden van de cliënt. De cliënt wordt geacht zelf de regie te voeren. Alleen als de pgb-beheerder ouder van de cliënt is of familie in de eerste graad of tweede graad, is het toegestaan dat diegene de regie overneemt. In alle andere gevallen geldt dat het college geen pgb toekent als de cliënt onvoldoende in staat is tot regievoering.

  • 3.

    Pgb-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het sociaal netwerk behoort of door een professional. Een professional levert zijn diensten tegen marktconform tarief. Het college of de andere organisatie kan vragen om een bewijs van betaling.

  • 4.

    De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van zijn cliënt.

  • 5.

    De pgb-beheerder stelt het belang van de cliënt centraal. Er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling. De pgb-beheerder is niet tevens de zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatie adviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet toegestaan), met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen.

  • 6.

    De pgb-beheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt voor zowel de gemeente als de zorgaanbieder.

  • 7.

    De pgb-beheerder heeft minimaal één keer per maand contact met de cliënt en zorgverlener.

  • 8.

    De pgb-beheerder dient aan te geven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt.

  • 9.

    Kosten voor pgb-beheer mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget.

 

Hoofdstuk 4 Eigen bijdrage en overige voorzieningen

Artikel 16. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015)

  • 1.

    Een cliënt is in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten verschuldigd:

    • a.

      voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, als hiervoor een bijdrage wordt gevraagd;

    • b.

      voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, tenzij de specifieke voorziening is uitgezonderd.

  • 2.

    Voor bepaalde groepen personen kan op de bijdrage voor een algemene voorziening een korting gelden.

  • 3.

    De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 4.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald:

    • a.

      door een aanbesteding;

    • b.

      na een consultatie in de markt, of

    • c.

      in overleg met de aanbieder.

  • 5.

    De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het aan een cliënt uitgekeerde bedrag.

  • 6.

    In de financiële bijlage wordt de omvang van de bijdrage in de kosten bepaald met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 7.

    Het college kan de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang mandateren aan de aanbieder die de opvang verzorgt.

  • 8.

    Als een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:

    • a.

      de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene aan wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en

    • b.

      degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 9.

    In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd als de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

  • 10.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vaststelling van de bijdrage in de kosten.

Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders

  • 1.

    Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers en pleegouders.

  • 2.

    Er is alleen een mantelzorgwaardering mogelijk indien wordt voldaan aan de voorwaarden:

    • a.

      er is geen sprake van een professionele zorgverlener (ook niet via pgb);

    • b.

      de mantelzorgontvanger is een inwoner van de gemeente Mook en Middelaar;

    • c.

      de zorg betreft boven gebruikelijke hulp;

    • d.

      de zorg bedraagt meer dan 8 uur per week volgens artikel 1.1.1. Wmo;

    • e.

      er is sprake van een langdurige zorgsituatie van minimaal een periode van één jaar;

    • f.

      de aanvraag is gedaan tussen 1 januari en 1 oktober van het jaar waarover de waardering aangevraagd wordt;

    • g.

      het sociaal team van de gemeente kan worden betrokken bij het beoordelen van de aanvraag.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de mantelzorg, waaronder de periode en omvang van de mantelzorg

  • 4.

    Er is alleen een pleegzorgwaardering mogelijk indien wordt voldaan aan de voorwaarden:

    • a.

      de pleegouders zijn woonachtig in Mook en Middelaar;

    • b.

      de pleegouders hebben een pleegcontract met een erkende pleegzorgaanbieder.

Artikel 18. Sociaal Medische Indicatie

  • 1.

    Ouders/verzorgers kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van een Sociaal Medische Indicatie als de gezinssituatie aan alle onderstaande criteria voldoet:

    • a.

      Er wordt door de ouders/verzorgers geen kinderopvangtoeslag ontvangen;

    • b.

      Eén of meerdere gezinsleden hebben lichamelijke, psychische of sociale problemen waardoor de ouders/verzorgers gedurende een periode van tenminste 3 maanden niet volledig voor het kind kunnen zorgen;

    • c.

      Ouders/verzorgers zijn niet in staat om zelf adequate opvang voor de kinderen te regelen;

    • d.

      Het kind heeft een leeftijd tussen 0 en 12 jaar of gaat nog naar de basisschool;

    • e.

      Er is geen sprake van een indicatie voor voorschoolse educatie respectievelijk het aantal uren voorschoolse educatie is niet toereikend;

    • f.

      Ouder(s)/verzorger(s) stellen samen met de gemeente een zorgplan op waaruit blijkt dat zij doelgericht werken aan de stabilisatie van de thuissituatie.

  • 2.

    De Sociaal Medische indicatie wordt afgegeven door het college van de gemeente Mook en Middelaar voor de maximale periode van één jaar.

 

Hoofdstuk 5 Kwaliteitseisen

Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

  • 1.

    De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt.

  • 2.

    De zorgaanbieder dient zelfregie en samenredzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie en sociale netwerkstrategieën, inzet van deskundig personeel en het toepassen van de zelfredzaamheidsmatrix.

  • 3.

    De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving.

  • 4.

    Zorgaanbieders dienen invulling te geven aan diversiteitsbeleid, cultuurintensief en LHBTIQ+ sensitief werken.

  • 5.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

  • 6.

    Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 7.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

  • 8.

    Voor het inschakelen van een onderaannemer dient een aanbieder het college om toestemming te vragen. Het college toetst het verzoek om toestemming aan de criteria opgenomen in bijlage 3.

Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet.

  • 2.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen.

  • 3.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 4.

    De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 5.

    Aanbieders van jeugdhulp melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder, ook bij een door het college aan te wijzen ambtenaar van de gemeente Mook en Middelaar.

  • 6.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.11 van de Jeugdwet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

  • 1°. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

  • 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      de indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 22. Klachtregeling volgens de Wmo en de Jeugdwet

  • 1.

    Het college draagt er zorg voor dat een regeling is vastgesteld voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door het college gecontracteerde voorzieningen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door het college gecontracteerde instellingen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden kan het college nadere regels treffen ten aanzien van medezeggenschap en ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

 

Hoofdstuk 6 Controle, toezicht en handhaving

 

 

Paragraaf 6.1 Reikwijdte

Artikel 24. Controle en onderzoek

  • 1.

    Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 (kwaliteit en rechtmatigheid) of Jeugdwet (rechtmatigheid).

  • 2.

    Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het onderzoek naar de besteding.

Artikel 25. Reikwijdte

  • 1.

    Toezicht en handhaving in het kader van deze verordening heeft betrekking op de ondersteuning die op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden.

  • 2.

    Deze verordening heeft betrekking op zowel de hulp en ondersteuning die als maatwerkvoorziening door de gemeente Mook en Middelaar wordt verstrekt als op ondersteuning die op basis van een persoonsgebonden budget door de gemeente Mook en Middelaar wordt bekostigd.

  • 3.

    Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken “bij of krachtens de wet”, wordt bedoeld de Jeugdwet, Wmo 2015, nadere regelgeving en ter uitvoering van de wettelijke taken afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten.

  • 4.

    Voor het toezicht op het bij of krachtens de Jeugdwet gestelde geldt dat toezicht door of namens het College zich beperkt tot rechtmatigheidsaspecten.

 

Paragraaf 6.2 Onderzoeksfase

Artikel 26. Toezicht

  • 1.

    Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels en op basis daarvan opgestelde overeenkomsten.

  • 2.

    Het college wijst daartoe toezichthouders aan die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde bij of krachtens de wet.

  • 3.

    De toezichthouder onderzoekt of de dienstverlening van de aanbieder redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde regels.

  • 4.

    Een onderzoek kan bestaan uit onderzoek naar de werkwijze, kwaliteit alsmede rechtmatigheid van de maatschappelijke ondersteuning.

  • 5.

    Een onderzoek kan steekproefsgewijs of incidenteel (signaal gestuurd) plaatsvinden.

  • 6.

    Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek aangekondigd plaatsvindt, tenzij de belangen van het onderzoek zich daartegen verzetten.

  • 7.

    De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden:

    • a.

      kwaliteitscontrole, een onderzoek of de geleverde hulp of ondersteuning van goede kwaliteit is;

    • b.

      materiële controle, een onderzoek of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze valt binnen een afgegeven indicatie of aanwijzing;

    • c.

      formele controle, een onderzoek of het gedeclareerde bedrag voortvloeit uit een prestatie die voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overeenkomst of subsidieafspraken;

    • d.

      detailcontrole, onderzoek naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot cliënten die hun woonplaats hebben in de gemeente Mook en Middelaar, ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek;

    • e.

      fraudeonderzoek, onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of de SVB een bedrag in rekening brengt voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.

Artikel 27. Bevel

  • 1.

    De toezichthouder kan namens het college een schriftelijk bevel geven aan een aanbieder indien hij oordeelt dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Betreft het een aanbieder, betaald vanuit een pgb, dan wordt de budgethouder onverwijld door de toezichthouder in kennis gesteld van het gegeven bevel.

  • 2.

    Indien de toezichthouder van oordeel is dat een schriftelijk bevel niet kan worden afgewacht, kan het bevel mondeling worden gegeven. De toezichthouder draagt onverwijld zorg voor een schriftelijke weergave van het bevel. Een afschrift zal tevens worden verzonden naar het college.

  • 3.

    Het bevel, bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft een geldigheidsduur van maximaal zeven dagen, welke door het college kan worden verlengd.

  • 4.

    De aanbieder dient de maatregelen binnen de bij het bevel gestelde termijn te nemen en schriftelijk te melden aan de toezichthouder dat de maatregelen volledig zijn uitgevoerd. Betreft het een pgb-aanbieder, dan liggen deze verantwoordelijkheden bij de budgethouder.

Artikel 28. Inspectierapport

  • 1.

    De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 26 vast in een inspectierapport.

  • 2.

    Indien de toezichthouder oordeelt dat bij of krachtens de wet gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.

  • 3.

    Voordat het rapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de aanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en feitelijke onjuistheden daarover binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de reactie van de aanbieder in een bijlage bij het rapport of past het rapport hierop aan.

  • 4.

    De toezichthouder zendt het definitieve rapport zoals bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de aanbieder en het college. Het college draagt zorg voor verzending naar eventuele budgethouders.

  • 5.

    Na vaststelling van het inspectierapport wordt deze openbaargemaakt, tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten.

 

Paragraaf 6.3 Herstelfase

Artikel 29. Aanwijzing

  • 1.

    Indien gebleken is dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de wet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en).

  • 2.

    Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, direct overgaan tot het opleggen van sancties of het ontbinden van de overeenkomst of intrekken van het subsidiebesluit.

  • 3.

    In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geeft het college met redenen omkleed aan:

  • op welke punten voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd,

  • de in verband daarmee te nemen maatregelen;

  • de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen.

  • 4.

    Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit zal in de schriftelijke aanwijzing worden opgenomen.

  • 5.

    Indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om bepaalde onderdelen van het hersteltraject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen.

Artikel 30. Hersteltermijn

  • 1.

    Bij het opleggen van een hersteltermijn geldt als uitgangspunt een hersteltermijn van maximaal 12 weken.

  • 2.

    Het college kan een andere hersteltermijn bepalen in verband met veiligheidsrisico’s of als het herstellen van de overtreding binnen een termijn van 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 31. Cliëntenstop en verscherpt toezicht

  • 1.

    Gedurende het hersteltraject, dan wel bij een gegrond vermoeden van fraude, kan het college besluiten dat:

  • a.

    geen nieuwe cliënten aan de aanbieder worden toegewezen, geen nieuwe persoonsgebonden budgetten worden toegekend waar de pgb-aanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden;

  • b.

    geen herindicaties aan de aanbieder worden toegewezen, geen persoonsgebonden budgetten worden toegekend waar de pgb-aanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden;

  • c.

    de aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een persoonsgebonden budget ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder.

  • 2.

    De aanbieder (en in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

  • 3.

    De aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) dient gedurende de periode van het verscherpt toezicht de toezichthouder periodiek door middel van een rapportage op de hoogte te brengen van de voortgang van de verbetering.

Artikel 32. Vervolgonderzoeksrapport

  • 1.

    Na de in artikel 30 genoemde hersteltermijn toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw.

  • 2.

    De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Het gestelde in artikel 28 is van overeenkomstige toepassing op het vervolgonderzoeksrapport.

 

Paragraaf 6.4 Handhavingsfase

Artikel 33. Handhavingsmaatregelen

  • 1.

    Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder de volgende herstelsancties opleggen:

  • a.

    (opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven;

  • b.

    een last onder bestuursdwang opleggen;

  • c.

    een last onder dwangsom opleggen.

  • 2.

    Het college kan:

  • a.

    de aanbieder verbieden de levering van maatschappelijke ondersteuning voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt.

  • b.

    het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget op grond van artikel 2.3.10, eerste lid van de wet intrekken, waarbij dit het recht op ondersteuning in natura of een persoonsgebonden budget waarbij een andere pgb-aanbieder wordt gekozen onverlet laat.

Artikel 34. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling

  • 1.

    De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen gepaard gaan met de inzet van privaatrechtelijke maatregelen op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder zijn gemaakt.

  • 2.

    Indien een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de aanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen.

  • 3.

    Indien de (contractuele) afspraken tussen het college en aanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden.

  • 4.

    De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het pgb als bedoeld in artikel 2b lid 6 Uitvoeringsregeling Wmo 2015.

  • 5.

    De door het college genomen maatregelen moeten in redelijke verhouding staan tot de aard van de overtreding of melding.

 

Paragraaf 6.5 Overige bepalingen

Artikel 35. Register

  • 1.

    Door en namens het college wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde aanbieders zijn opgenomen.

  • 2.

    Indien op een aanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld.

Artikel 36. Meldingsplicht

  • 1.

    Een aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) is verplicht het college onverwijld schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet, kan worden voldaan.

  • 2.

    Het college treedt na deze melding in overleg met de aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan.

 

Hoofdstuk 7 Overig

Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuningen jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van de vorige leden.

Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2023 wordt ingetrokken per de dag dat de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2025 in werking treedt.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2023, wordt beslist met inachtneming van die betreffende verordening tenzij dit voor de bezwaarmaker nadelig uitpakt.

  • 5.

    Indien in andere verordeningen en beleidsstukken wordt verwezen naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2023, mag men in plaats daarvan vanaf de inwerkingtreding een verwijzing naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2025 en de daarbij behorende bijlagen lezen.

Artikel 39. Nadere regels en hardheidsclausule

  • 1.

    De bijlagen opgenomen bij deze verordening maken integraal onderdeel -uit van deze verordening.

  • 2.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening of de bijlagen niet voorzien, beslist het college.

  • 3.

    Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen over de uitvoering van deze verordening.

  • 4.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het Gemeenteblad.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2025.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 3 juli 2025,

De griffier,

W. Huberts

De voorzitter,

I.M. van Dijk

BIJLAGE 1 Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

Vormen van maatschappelijke ondersteuning

Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende voorzieningen worden verstrekt:

  • Huishoudelijke hulp

  • Rolstoel

  • Woonvoorzieningen

  • Woningaanpassingen

  • Vervoersvoorzieningen

  • Vervoersregeling

  • Begeleiding

  • Persoonlijke verzorging

  • Dagbesteding

  • Kortdurend verblijf

  • Beschermd Wonen

  • Opvang

  • Praktische begeleiding

  • Respijtzorg

 

Middels huishoudelijke hulp dienen de volgende resultaten te worden bereikt:

  • in het kader van de leefbaarheid gerealiseerde hulp in het huishouden in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning;

  • adequaat gebruik kunnen maken van goederen voor primaire levensbehoeften;

  • adequaat gebruik kunnen maken van schone, draagbare en doelmatige kleding;

  • het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

  • regie op het huishouden kunnen voeren.

     

Vormen van jeugdhulp

De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar:

  • welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd

  • schoolmaatschappelijk werk

  • opvoedondersteuning en opvoedadvies

  • praktijkondersteuner Jeugd

 

De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar:

Blok B

  • reguliere begeleiding en verzorging

  • specialistische begeleiding

  • dagbesteding (intersectoraal)

  • dagbehandeling (intersectoraal)

  • vaktherapie

  • kortdurend verblijf

  • casemanagement

  • vervoersdiensten

  • GGZ

Blok C

  • time out voorziening / tussenvoorziening

  • pleegzorg

  • gezinshuis

  • deeltijd wonen

  • Beschermd Wonen

  • behandelgroep 24-uurs op terrein

  • jeugdzorgPlus

  • klinische opname

  • spoedopvang i.h.k.v. spoedeisende hulp

  • ambulant in C

  • jeugdbescherming

  • jeugdreclassering

  • drang

 

Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen in blok B:

  • 1.

    Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional.

  • 2.

    Dagbesteding, dagbehandeling en kortdurend verblijf jeugd kunnen alleen geleverd worden indien de zorgaanbieder ook het noodzakelijk geachte vervoer kan regelen.

  • 3.

    Casemanagement Jeugd is een stapel-bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door de gemeentelijke toegangspoort of door een Gecertificeerde Instelling ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de artikelgemeente gecontracteerde zorgaanbieder.

  • 4.

    GGZ omvat:

  • behandeling basis Jeugd GGZ

  • specialistische Jeugd GGZ (incl. observatie en diagnostiek)

  • dyslexie

  • Jeugd GGZ beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg

 

Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen in blok C:

  • 1.

    ambulant in C omvat:

  • ambulante behandeling J&O LVG

  • ambulante groepsgerichte behandeling J&O J-LVG

  • multisysteemtherapie

  • MDFT, ACRA / Craft

  • Gezin Centraal / IOG

De volgende overige vormen van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar:

  • kinderopvang vanuit de sociaal medische indicatie (SMI)

BIJLAGE 2 Financiële bijlage

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

 

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

 

Artikel 1

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • 1.

    Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend.

  • 2.

    Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al dan niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.

  • 3.

    Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.

Paragraaf 2. Bijdrage in de kosten

 

Artikel 2

2.1

Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate komt het meerdere voor rekening van de cliënt.

2.2

Voor maatwerkvoorzieningen die in natura of als persoonsgebonden budget worden verstrekt is een bijdrage in de kosten verschuldigd.

2.3

  • 1.

    In uitzondering op het onder 2.1 gestelde, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor:

    • a.

      rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning);

    • b.

      collectief vervoer (behalve de reizigerstarieven die de vervoersorganisatie rekent) of het persoonsgebonden budget dat als alternatief wordt verstrekt;

    • c.

      woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n);

    • d.

      maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt;

    • e.

      arbeidsmatige dagbesteding;

    • f.

      zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is;

    • g.

      handbike;

    • h.

      pendel;

    • i.

      eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten;

    • j.

      jeugdhulp;

    • k.

      gezinsondersteuning;

    • l.

      Sociaal Medische Indicatie (SMI);

    • m.

      bij overlijden van de cliënt;

    • n.

      cliëntondersteuning op grond van artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • 2.

    In afwijking van in het vorige lid onder e gestelde is wel een bijdrage in de kosten verschuldigd als een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt. Deze bijdrage in de kosten is verschuldigd door:

    • a.

      de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene aan wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en

    • b.

      degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 3.

    In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd als de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of uit de ouderlijke macht zijn ontzet.

 

Artikel 3

3.1

  • 1.

    Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK met de door de gemeente Mook en Middelaar vastgestelde regels.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een algemene voorziening door de aanbieder van deze voorziening.

3.2

  • 1.

    Voor maatwerkvoorzieningen geldt een eigen bijdrage conform de systematiek van het abonnementstarief. Deze eigen bijdrage is verschuldigd door de cliënt (ongehuwd) of de cliënten tezamen (gehuwd). Verder is niet van belang hoeveel maatwerkvoorzieningen de cliënt heeft of de cliënten hebben.

  • Er geldt één eigen bijdrage, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Voor beschermd wonen, opvang geldt een afwijkende eigen bijdrage systematiek.

  • 2.

    De eigen bijdrage kan samengaan met een bijdrage voor algemene voorzieningen die niet onder de systematiek van het abonnementstarief vallen. Gaat het echter om een algemene voorziening die wel onder de systematiek van het abonnementstarief valt (duurzame hulpverleningsrelatie), dan is cumulatie van deze bijdrage met de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen niet mogelijk. Alleen de eigen bijdrage conform het abonnementstarief geldt dan.

  • 3.

    De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet begrensd door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      Verstrekking (ook vervanging) in natura:

  • huurprijs per zorgperiode;

  • kostprijs (verstrekt bedrag) gedeeld door afschrijvingstermijn maatwerkvoorziening.

Indien de huurprijs lager is dan het geldende abonnementstarief dan wordt kostprijs (bewaking) gehanteerd. De kostprijs wordt als volgt vastgesteld:

  • Volwassen (vanaf 18): 7 jaar x 12 maanden x (huurprijs per maand) = kostprijs

  • Kinderen (tot 18): 5 jaar x 12 maanden x (huurprijs per maand) = kostprijs

  • b.

    Verstrekking als persoonsgebonden budget: verstrekt bedrag.

  • c.

    Verstrekking als persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden en begeleiding/dagbesteding: verstrekt bedrag per zorgperiode.

3.3

De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door de duur van de verstrekking.

3.4

  • 1.

    Voor de duur van de verstrekking als bedoeld onder artikel 3.2 sub a en b wordt voor maatwerkvoorzieningen een economische afschrijvingstermijn gehanteerd van 7 jaar . Voor kinderhulpmiddelen is het afschrijvingstermijn 5 jaar en voor trapliften wordt het afschrijftermijn van 10 jaar gehanteerd.

  • De volgende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd voor hulpmiddelen:

    • Afschrijvingstermijn van 5 jaar voor kinderhulpmiddelen

    • Afschrijvingstermijn van 7 jaar voor hulpmiddelen

    • Afschrijvingstermijn van 10 jaar voor trapliften

  • 2.

    Als een minderjarige meerderjarig wordt dan wordt de afschrijvingstermijn verminderd met het aantal jaren dat de minderjarige de maatwerkvoorziening heeft toegekend gekregen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan voor tweedehands maatwerkvoorzieningen de afschrijvingstermijn worden verminderd met de actuele leeftijd van de maatwerkvoorziening.

 

HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING

 

Paragraaf 1. Activiteiten dagelijks leven

 

Artikel 4

4.1

De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente bedongen uurtarieven middels een aanbesteding.

4.2

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van een bedrag per uur.

4.3

Bij overlijden van de cliënt die een inwonende partner heeft, wordt de hulp bij het huishouden in natura en de woonvoorziening in natura na vier weken beëindigd.

4.4

Bij verhuizing van een cliënt naar een andere gemeente, kan cliënt gedurende maximaal drie maanden gebruik blijven maken van het hulpmiddel.

 

Paragraaf 2. Huisvesting

 

Artikel 5

5.1

Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huisvesting die in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de goedkoopst aan het college overlegde offerte die voldoet aan het programma van eisen.

5.2

Kosten van woningsanering worden in beginsel vergoed als eenmalig persoonsgebonden budget. Daarbij wordt rekening gehouden met de ouderdom van de te vervangen vloerbedekking en gordijnen. Voor de afschrijving wordt een lineaire afschrijvingstermijn van 8 jaar gehanteerd.

Als normbedragen voor een woningsanering gelden maximaal:

  • a.

    voor zeil of linoleum € 53,- per meter (kamerbreed) inclusief egalisatiekosten;

  • b.

    voor gordijnen € 15,- per meter.

Voor rolstoelvast tapijt geldt als normbedrag maximaal € 53,- per meter (kamerbreed) inclusief egalisatiekosten.

5.4

Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huurderving (in natura of als persoonsgebonden budget) wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of aan te passen valt voor een bedrag van meer dan € 4.628,56. De tegemoetkoming is gemaximeerd op zes maanden op basis van de netto (kale) huurprijs.

5.5

Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten dat verstrekt wordt bij het logeerbaar maken bedraagt maximaal €3.000,-.

 

Paragraaf 3. Verplaatsen en vervoer

 

Artikel 6

Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. Dit budget wordt verhoogd met een vast bedrag voor onderhoud en reparatie dat het college afspreekt te betalen aan een gecontracteerde leverancier bij de aanschaf van dezelfde voorziening in natura.

 

Artikel 7

Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vermeerderd met de instandhoudingskosten (voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering) over een periode van 7 jaar.

 

Artikel 8

8.1

Bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een eigen auto of (rolstoel)taxi, wordt rekening gehouden met de individuele vervoersbehoefte en de mate waarin met een andere (vervoers-)voorziening in die vervoersbehoefte kan worden voorzien.

8.2

Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto of van een (rolstoel) taxi bedraagt € 540,- (2000 km * € 0,27) als eenmalig persoonsgebonden budget.

8.3

Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college aannemelijk kan maken, dat een financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 2 onvoldoende is, wordt de tegemoetkoming verhoogd tot maximaal het bedrag waarmee in de vervoersbehoefte kan worden voorzien.

 

Artikel 9

Indien geïndiceerd kan een cliënt van het vraagafhankelijk vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning gebruik maken voor maximaal 2.000 kilometer per jaar.

 

Paragraaf 4. Maatschappelijke participatie

 

Artikel 10

10.1

De eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor een sportvoorziening bedraagt maximaal

€ 2.520,-.

10.2

Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar.

 

Paragraaf 5. Beschermd wonen en beschermd thuis

 

Artikel 11

11.1

De tarieven voor Beschermd Wonen in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente gedongen uurtarieven bij een aanbesteding.

11.2

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van Beschermd Wonen of Beschermd Thuis vindt plaats op basis van vijf categorieën. De vorm van wonen (woongroep of individueel) en de intensiteit/kwaliteit van de benodigde (groeps-)begeleiding bepalen welke categorie Beschermd Wonen of Beschermd Thuis wordt toegekend.

11.3

Binnen Beschermd Wonen en Beschermd Thuis wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door professionals en niet-professionals. Bij zorgverlening door professionals hanteren wij een standaardtarief per dag. Voor niet-professionals geldt dat er wordt gerekend met een uurtarief. Onder niet-professionals wordt het sociaal netwerk van een cliënt verstaan. Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociale netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is een relevant diploma. Deze persoon wordt dus niet aangemerkt als beroepskracht.

11.4

Vaststelling van het persoonsgebonden budget voor Beschermd Wonen of Beschermd Thuis is gebaseerd op het totaal aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben. De cliënt mag, binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen.

Categorie

Aantal uren groepsbegeleiding per week

Aantal uren individuele begeleiding per week

Beschermd Thuis: licht

0

2-3

Beschermd Thuis: middel

0

4-6

Beschermd Thuis: zwaar

0

6-9

Beschermd Wonen intramuraal: licht

7

4-6

Beschermd wonen intramuraal: middel

7

7-9

Beschermd wonen intramuraal: zwaar

7

10-14

Trainingshuis licht

7

2,5-4,5

Trainingshuis middel

7

5-7

Met het aantal in te zetten uren individuele en/of groepsbegeleiding mag worden gewisseld, waarbij we gebruikmaken van de omrekenfactor 1 op 6. Dat wil zeggen dat 6 groepsuren gelijk staan aan 1 individueel uur.

11.5

In bepaalde gevallen wordt het persoonsgebonden budget niet berekend op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het gaat hierbij om de volgende situaties:

  • 1.

    De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van niet-professionele zorg.

  • 2.

    De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet-professionele (informeel) en professionele zorg (formeel). Een uitsplitsing wordt gemaakt om te bepalen hoeveel uren niet-professioneel en hoeveel uren professioneel de budgethouder nodig heeft. Deze zullen worden toegekend conform de uurtarieven in bovenstaande tabel.

  • 3.

    De indicatiesteller (GGD Gelderland Zuid, Toegang Beschermd Wonen/Maatschappelijke Opvang) constateert dat de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen zal de GGD een advies geven over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft.

Indien een cliënt met een persoonsbudget voor Beschermd Wonen zowel professionele zorg inkoopt bij een aanbieder als niet-professionele zorg uit zijn eigen netwerk leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg. Het totale persoonsgebonden budget is gebaseerd op een totaal aantal uren dat de uren in bovenstaande tabel niet kan overschrijden.

 

Paragraaf 6. Begeleiding/dagbesteding

 

Artikel 12

12.1

De tarieven voor begeleiding/dagbesteding in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding.

12.2

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding/dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.

 

Paragraaf 7. Opvang

 

Artikel 13

13.1

Vervallen

13.2

De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling.

13.3

De bijdrage in de kosten voor opvang bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.

13.4

Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) aan de cliënt geen maaltijden verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor maaltijden. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het bedrag niet bekend is, bepaalt het college het bedrag dat hiervoor in de plaats komt.

13.5

Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten.

13.6

Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm.

 

HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP

 

Artikel 14

14.1

De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding.

14.2

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.

 

HOOFDSTUK 4 OVERIG

 

Paragraaf 1. Sociaal Medische Indicatie

 

Artikel 15

15.1

  • 1.

    Een tegemoetkoming wordt allen verstrekt indien de opvang waarvan het kind/de kinderen gebruik maken, geregistreerd staat in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK).

  • 2.

    De tegemoetkoming bedraagt maximaal de feitelijke kosten die het kindercentrum of de gastouder in rekening brengt.

  • 3.

    De ouders dienen een opgave te verstrekken van de Kinderopvangtoeslag respectievelijk een verklaring te overleggen dat zij geen kinderopvangtoeslag ontvangen.

  • 4.

    De gemeente kan een lagere tegemoetkoming vaststellen indien er binnen een straal van 6 km van de woning van het kind/de kinderen een goedkopere opvangvoorziening voorhanden is.

15.2

Onverminderd het bepaalde in artikel 15.1, tweede lid, is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een sociaal medische indicatie als bedoeld in artikel 2.

15.3

De ouder(s) verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van belang zijn.

 

Paragraaf 3. Persoonsgebonden budget

 

Artikel 16

De pgb-beheerder dient de pgb-administratie te bewaren gedurende een termijn van 7 jaar conform artikel 5.3.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 7.3.8 van de Jeugdwet.

 

Artikel 17

Bij overlijden van de pgb-houder wordt het persoonsgebonden budget na een dag beëindigd.

 

Bijlage 3 Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers

Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgb-zorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven.

 

Algemene criteria

 

Geschiktheidseisen

  • Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en;

  • De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen, afhankelijk van de te leveren ondersteuning: een bewijs als geregistreerd professional jeugd of certificering Wmo;

  • Ervaring blijkend uit één relevante referentieopdracht (1) uitgevoerd in de laatste drie jaar (2). Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer.

  •  

  • 1.

    De vereiste capaciteit, kennis en ervaring moeten zijn opgedaan in en moeten blijken uit één relevante referentieopdracht die in de afgelopen drie jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie:

    - ZIN referentie (één of meerdere referenties met minimaal vijf cliënten), of

    - PGB referentie geanonimiseerd (één of meerder referenties met minimaal vijf cliënten)

  • 2.

    Deze eis geldt niet voor pgb-zorgaanbieders die behoren tot het sociaal netwerk.

 

Uitsluitingsgronden

Er is bij de zorgaanbieder geen sprake van:

  • 1.

    Het niet betalen van belasting en/of sociale premies

  • 2.

    Deelneming in een criminele organisatie

  • 3.

    Fraude

  • 4.

    Terroristische misdrijven

  • 5.

    Witwassen

  • 6.

    Kinderarbeid/mensenhandel

  • 7.

    Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht

  • 8.

    Faillissement

  • 9.

    Vervalsing van mededinging

  • 10.

    Een belangenconflict

  • 11.

    Valse verklaring(en)

  • 12.

    Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie

  • 13.

    Onrechtmatige beïnvloeding

  • 14.

    Ernstige beroepsfouten:

    • a.

      doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst;

    • b.

      verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens;

    • c.

      handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht;

    • d.

      begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes;

    • e.

      het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde;

    • f.

      alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.

Screening kan bestaan uit:

  • 1.

    Het door een zorgaanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG);

  • 2.

    Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen;

  • 3.

    Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob.

 

Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers

De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de Cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming moet de hoofdaannemer garant staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) tekortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie ‘kwaliteitseisen’).

 

1. Het hulpverleningsplan en evaluatieverslag dienen aan de volgende eisen te voldoen (3) :

De gemeente hecht (er) veel waarde aan:

  • 1.

    “één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning;

  • 2.

    dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid);

  • 3.

    dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden;

  • 4.

    methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties.

  •  

  • a.

    Een check moet gedaan zijn op alle leefdomeinen. Leefdomeinen: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie.

  • b.

    Het plan moet perspectiefgericht zijn. Doelen zijn geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Activiteiten zijn geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieplan evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan.

  • c.

    De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Afspraken over de afstemming tussen de betrokkenen zijn gemaakt. Beschreven wordt wie de regie voert: cliëntsysteem, casemanagement door de zorgaanbieder, gemeentelijke toegangspoort, of gecertificeerde Instelling.

  • d.

    In het plan is een goede balans tussen formele en informele zorg opgenomen. Bovendien wordt in het plan goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en de informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties). Tevens wordt gemotiveerd beschreven of individuele hulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten. De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd.

  • e.

    In het plan staat beschreven hoe wordt gewerkt aan versteviging van de eigen regie van de cliënt en de versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (= leervermogen) wordt aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan.

(3) Deze bepaling is vanzelfsprekend alleen van toepassing als voor het type zorg of ondersteuning een hulpverleningsplan en evaluatieverslag is vereist.

 

2. Bereik en participatie specifieke doelgroepen

De gemeente hecht veel waarde aan een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan meedoen. Dat vereist toegankelijkheid van de zorg voor alle burgers met een ondersteuningsvraag bijvoorbeeld vanwege lichamelijke, verstandelijke en /of psychische beperkingen. Daarbinnen zijn er kwetsbare doelgroepen met extra uitdagingen vanwege taal, etniciteit, culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/of seksuele geaardheid. Van de zorgaanbieder wordt verwacht dat hij deze specifieke doelgroepen kan bereiken, in hun kracht zet, hun sociaal netwerk versterkt en laat meedoen in de samenleving.

 

3. Betaalbaarheid

De zorgaanbieder dient bij te dragen aan de doelstelling betaalbaarheid van zorg vanuit de doelstelling: licht waar kan, zwaar waar nodig.

 

4. Duurzaamheid

De gemeente hecht belang aan duurzaamheid rondom de thema’s personeel en milieu. Een duurzaam personeelsbeleid is van cruciaal belang in de zorg: de kwaliteit van de zorg wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het personeel, de match van het personeel met de cliënt en de continuïteit van de professional voor de cliënt. Daar hoort bij dat het personeel vakbekwaam, vitaal en toekomstbestendig is en dat er geen hoog verloop van personeel is.

 

Kwaliteitseisen begeleiding, dagbesteding, Beschermd Wonen (Wmo) en Jeugdhulp

Voor de kwaliteitseisen wordt verwezen naar de aanbestedingsdocumenten: Documentatie & Downloads - ROB regio Nijmegen - Regionaal Ondersteuningsbureau Wmo & Jeugdhulp.

 

 

Bijlage 4 Protocol gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning

 

Inleiding

Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening wanneer de jeugdige en/of zijn ouders naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen in staat is gezond en veilig op te groeien en zich zo goed mogelijk te ontwikkelen.

Het college kan weigeren om een maatwerkvoorziening te verstrekken vanwege de aanwezigheid van gebruikelijke hulp die de ouders geacht worden te verlenen aan hun kind.

De aanwezigheid van gebruikelijke hulp en de omvang daarvan, moet op basis van objectieve criteria worden gemotiveerd en geconcretiseerd. Deze criteria worden in dit protocol uitgewerkt.

Dit protocol heeft naast de inleiding drie onderdelen, namelijk:

  • 1.

    Verhouding gebruikelijke hulp en ondersteuning

  • 2.

    Begeleiding en verzorging Jeugdwet

  • 3.

    Tabel

 

1. Verhouding gebruikelijk hulp en ondersteuning t.o.v. artikel 5 lid 3 van de Verordening Wmo en Jeugd en de daarbij behorende Beleidsregels

In artikel 5 lid 3 van de Verordening staat dat het college in ieder geval onderzoekt:

  • a.

    de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

  • b.

    het gewenste resultaat van de hulpvraag;

  • c.

    de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

  • d.

    de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

  • e.

    de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

  • f.

    de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zvw en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen;

  • g.

    de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden.

Omdat gebruikelijke hulp, hulp is waarvan we minimaal verwachten dat mensen die ‘normaal’ aan elkaar geven, wordt het niet gecompenseerd vanuit de Jeugdwet. Mantelzorg of ondersteuning door het sociaal netwerk kunnen we echter niet eisen en bieden mensen vrijwillig.

Afhankelijk van de situatie zijn mensen meer of minder in staat om iets te betekenen voor een ander. Het is maatwerk in hoeverre mantelzorg en steun vanuit het eigen netwerk, bovenop gebruikelijke hulp, meeweegt in het besluit om al dan niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Na de beoordeling van gebruikelijke hulp, wordt met de cliënt en het netwerk besproken wat zij voor elkaar kunnen betekenen en in hoeverre aanvullende ondersteuning nodig is, bijvoorbeeld om de mantelzorger te ontlasten. Dit betekent dus niet dat alle bovengebruikelijke hulp wordt gehonoreerd met een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb als iemand hierom vraagt (zoals eerder onder de AWBZ het geval was).

Het hangt af van de sociale relatie welke hulp en ondersteuning mensen van elkaar mogen verwachten. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp en ondersteuning mensen elkaar horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar hulp en ondersteuning bieden, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot het mogelijke beroep op een maatwerkvoorziening op basis van Wmo 2015 en Jeugdwet.

De criteria voor pgb genoemd in artikel 12 t/m 15 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp en zijn (dan ook) voorliggend op dit protocol.

Het principe van 'gebruikelijke hulp' heeft een verplichtend karakter. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van bijvoorbeeld sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving.

 

2. Begeleiding en verzorging vanuit de Jeugdwet

 

2.1 Beoordelingskader bij ouders en jeugdige(n)

Als eerste wordt de benodigde hulp en ondersteuning bepaald, vervolgens wordt beoordeeld:

  • Welk deel van deze hulp en ondersteuning onder de gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen valt.

  • Ouders aan kinderen, in kortdurende situaties

Alle begeleiding door de ouder aan het kind is gebruikelijke hulp en ondersteuning als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat een maatwerkvoorziening daarna niet langer is aangewezen. We spreken van een kortdurende zorgsituatie als sprake is van een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

  • Ouders aan kinderen, in langdurige situaties

Als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke begeleiding in vergelijking tot een gezond kind c.q. een kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijdscategorie volgens de in de bijlage aangegeven richtlijnen per levensfase wordt overschreden, is sprake van bovengebruikelijke hulp.

  • Welk deel van de benodigde hulp en ondersteuning als aanvullend kan worden gezien.

  • In hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.

Om vast te stellen op welke hulp en ondersteuning het kind redelijkerwijs is aangewezen, wordt, gelet op de omstandigheden van het betrokken kind, beoordeeld welke hulp en ondersteuning op het gebied van persoonlijke verzorging en hulpverlening uitgaat boven de hulp en ondersteuning die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft.

 

2.1.1 Leeftijd

Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de hulp en ondersteuning die het ene kind nodig heeft namelijk meer of minder zijn dan de hulp en ondersteuning die een ander kind nodig heeft.

 

2.1.2 Aard van de (zorg)handelingen

Gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdigen kunnen ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten, of het geven van medicijnen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.

 

2.1.3 Frequentie en patroon van de (zorg)handelingen (samenloop)

Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp en ondersteuning aan een kind, zoals drie keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp en ondersteuning worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.

Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp en ondersteuning van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van hulp van ouders aan een ouder kind.

 

2.1.4 Omvang van de met de (zorg)handelingen gemoeide tijd

De tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan (bijvoorbeeld wassen en kleden bij spasticiteit) meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp en ondersteuning sprake is.

 

2.1.5 Beschermende woonomgeving en jeugdigen

Het door de ouders aan het kind bieden van een beschermende woonomgeving moet afhankelijk van de levensfase van het kind als gebruikelijke hulp en ondersteuning worden aangemerkt, ook indien sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. In de tabel zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp en ondersteuning van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen.

 

2.1.6. Aandachtspunten

Ouderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke hulp en ondersteuning. Kinderen (met of zonder ziekte of handicap) hebben ouderlijk toezicht nodig. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder wordt en zich ontwikkelt. In de bijlage zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp en ondersteuning van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen. Dit zijn uitgangspunten bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp en ondersteuning. Per casus moet worden gemotiveerd waarom dit protocol van toepassing is.

 

3.Tabel toekenningsvoorwaarden en afwegingsfactoren

Wat is gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel (ter vergelijking bij aanvragen van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet)? Deze tabel geeft slechts een richtlijn/indicatie. Maatwerk staat voorop, dus in elk geval moet een zorgvuldige individuele afweging gemaakt worden of en in hoeverre deze tabel van toepassing is in een specifieke situatie.

  • 1.

    Jeugdigen van 0 tot 3 jaar

    • hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

    • ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

    • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

    • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

    • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

    • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

  •  

  • 1.

    Jeugdigen van 3 tot 5 jaar

    • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

    • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

    • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

    • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

    • hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

    • hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

    • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

    • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

    • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

  • 2.

    Jeugdigen van 5 tot 12 jaar

    • jeugdigen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;

    • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

    • hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

    • hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

    • zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

    • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

    • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

    • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

    • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

  • 3.

    Jeugdigen van 12 tot 18 jaar

    • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

    • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

    • kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

    • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

    • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

    • hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

    • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

    • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

    • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

    • hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

 

 

Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2025

Algemeen

In deze verordening staan de regels die de gemeente volgens de Wmo 2015 en de Jeugdwet moet of mag bepalen.

Sinds 2015 zijn de taken van de gemeente uitgebreid met een aantal nieuwe ondersteuningsvormen onder de Wmo en veel nieuwe ondersteuningsvormen onder de Jeugdwet. Bij al deze taken staat centraal dat er eerst bekeken wordt wat er mag en kan worden verwacht van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Als het nodig is kan het college de cliënt de mogelijkheid bieden om gebruik te maken van een algemene voorziening. Volstaat dat niet, dan kan het college een maatwerkvoorziening toekennen. Dit met als doel dat de cliënt beter in staat is om deel te nemen aan de maatschappij en hierin zelfstandig te functioneren.

 

Toegankelijkheid ondersteuning

Ondersteuning vanuit de Wmo en de Jeugdwet kan ‘vrij-toegankelijk’ of ‘niet vrij-toegankelijk’ zijn:

  • Voor vrij-toegankelijke ondersteuning is geen verwijzing of besluit van het college nodig. Cliënten zijn vrij om hier gebruik van te maken en kunnen rechtstreeks contact opnemen met de aanbieder.

  • Voor niet vrij-toegankelijke ondersteuning is wel een verwijzing of besluit van het college nodig. Er wordt dan onderzoek gedaan naar de situatie van de aanvrager, onder andere door een gesprek met hem te voeren. Er wordt dan ook beoordeeld of een vrij-toegankelijke ondersteuning past bij de situatie van de cliënt. Zo ja, dan wordt eerst verkend of de vrij-toegankelijke ondersteuning de hulpvraag van de cliënt voldoende wegneemt. Als het college besluit dat niet vrij-toegankelijke ondersteuning noodzakelijk is dan volgt er een formeel besluit. Daarna kan de cliënt van deze ondersteuning gebruik maken.

 

Toeleiding naar niet vrij-toegankelijke ondersteuning

Ondersteuning vanuit de Wmo wordt door het college toegekend aan de cliënt. Het college neemt een besluit en verwijst de cliënt naar de aangewezen aanbieder. Voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet geldt dit ook, maar is het college niet de enige toeleider. Naast het college kunnen ook de volgende partijen doorverwijzen naar ondersteuning vanuit de Jeugdwet:

  • Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten:

  • Deze verwijzers kunnen bepalen dát de cliënt ondersteuning nodig heeft en verwijzen naar een aanbieder (die door de gemeente is gecontracteerd). Deze verwijzers bepalen echter niet wélke ondersteuning de cliënt nodig heeft. Het is dan vaak de aanbieder die bepaalt welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). De aanbieder moet zich houden aan de afspraken die hij hierover gemaakt heeft met de gemeente. Deze afspraken gaan vooral over afstemming met elkaar zodat het principe van ‘één gezin, één regisseur, één plan’ wordt geborgd. Ook moet de aanbieder rekening houden met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld. De gemeente speelt geen nadrukkelijke rol in de toeleiding door huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten. Wel legt de gemeente de verwijzing van deze verwijzers vast in een beschikking (artikel 2 lid 6).

  • Gecertificeerde instellingen (GI’s), kinderrechters, Openbaar Ministerie (OM) en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting:

  • Kinderrechters kunnen kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen tot jeugdreclassering nemen. De GI’s voeren dit vervolgens uit, maar moeten hierover verplicht overleg voeren met de gemeente. De gemeente moet de jeugdhulp inzetten die de GI’s nodig vinden om de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering uit te voeren. Het gaat immers om een besluit dat door de rechter genomen is. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, dan wijst hij in de beschikking aan welke GI die maatregel moet uitvoeren. De rechter kan dit omdat de Raad van de Kinderbescherming hierover adviseert, na overleg te hebben gevoerd met de gemeente.

  • De toegang door deze verwijzers is geregeld in de Jeugdwet en komt daarom verder niet terug in deze verordening.

  • Veilig Thuis

  • Het AMHK heeft inmiddels de naam Veilig Thuis gekregen. Veilig Thuis geeft advies als er sprake is van huiselijk geweld en kindermishandeling en ook als hier slechts vermoedens van zijn. Als het nodig is dan onderzoekt Veilig Thuis na een melding of er sprake is van kindermishandeling. Willen ouders niet dat er jeugdhulp ingezet wordt, dan kan Veilig Thuis een rol spelen in het motiveren van deze ouders. Ook legt Veilig Thuis contacten met de hulpverlening.

  • Ook deze vorm van verwijzing is al geregeld in de Jeugdwet en komt verder niet terug in deze verordening.

 

Mandatering

De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal vaak namens het college gedaan worden. Namelijk door deskundige consulenten, ambtenaren of aanbieders die hiervoor mandaat gekregen hebben van het college. Waar in deze verordening en in de wet dus ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren aan ondergeschikten en niet-ondergeschikten (op grond van de Awb). Een niet-ondergeschikte mag alleen rechten en plichten van cliënten vaststellen als het een aanbieder is die hiervoor mandaat heeft gekregen (artikel 2.6.3 Wmo 2015 en artikel 2.11 lid 1 Jeugdwet). Voor ondergeschikten geldt dat het mandaat om rechten en plichten van cliënten vast te stellen niet alleen beperkt is tot aanbieders.

 

Wettelijke kaders

Hierna volgt een hele opsomming van artikelen in de Wmo 2015 en Jeugdwet die bepalen wat we als gemeente in de verordening op moeten nemen.

De gemeente moet in de verordening regels vaststellen omwille van de uitvoering van het beleidsplan inzake ondersteuning vanuit de Wmo (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo 2015). In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:

  • op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, Beschermd Wonen of opvang in aanmerking komt;

  • op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld;

  • welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is;

  • ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;

  • op welke wijze ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

  • op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en

  • op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:

  • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

  • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.4a, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:

  • bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn;

  • de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn partner;

  • bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK worden vastgesteld en geïnd;

  • bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;

  • bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht;

  • bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:

  • over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen;

  • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning van, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening;

  • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

  • over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet;

  • over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en

  • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 van de Jeugdwet bieden verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015, en de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van ingezetenen en de gemeente.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vastgelegd.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Niet ieder begrip heeft een toelichting nodig. Hieronder worden een aantal minder eenduidige begrippen wel nader toegelicht.

d: algemeen gebruikelijke voorziening

Met deze term worden voorzieningen bedoeld die voor inwoners beschikbaar zijn, ook als de inwoner geen beperkingen heeft. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt die de cliënt (rekening houdend met zijn omstandigheden) zelf had kunnen kopen of gebruiken. Toch moet het college wel onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor deze specifieke cliënt: had hij over de voorzieningen kunnen beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad?

i. bijdrage in de kosten

Het college mag de cliënt vragen om een bijdrage te leveren in de kosten (artikel 2.1.4 en 2.1.4a Wmo 2015). De cliënt moet dit dan betalen. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaalt welke ruimte het college (bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage.

Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage in de kosten worden gevraagd (behalve voor cliëntondersteuning). Deze bijdrage kan niet inkomensafhankelijk zijn.

m. gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp

In de Wmo 2015 is gebruikelijke hulp gedefinieerd, wat inhoudt dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als die ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. Omdat het begrip in de Jeugdwet niet voorkomt, is het in deze verordening opgenomen. Er is geen reden waarom deze logica niet ook zou opgaan voor jeugdhulp.

n. gesprek

Met gesprek bedoelen we hier dat het college contact opneemt met degene die ondersteuning aanvraagt. Samen wordt de situatie geïnventariseerd: wat kan iemand op eigen kracht, met mantelzorg of met hulp van anderen uit zijn sociaal netwerk? Welke algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen zijn er om de hulpvraag te verminderen of weg te nemen? Welke maatwerkvoorziening is nodig?

p. hulpvraag

Als iemand ondersteuning aanvraagt bij het college (of een andere organisatie), dan moet eerst duidelijk worden wat zijn hulpvraag precies is. Meldt de betrokkene zich voor het eerst dan is vaak namelijk nog niet duidelijk of en op welke manier het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is nodig.

r. ingezetene

Voor ondersteuning vanuit de Wmo 2015 geldt dat de cliënt ingezetene van de gemeente moet zijn om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 Wmo). Met ‘wonen’ wordt de feitelijke verblijfplaats van de cliënt bedoeld. De Basisregistratie personen (Brp) is hier een belangrijke aanwijzing voor, maar is niet doorslaggevend (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo). Er moet gekeken worden naar concrete feiten en omstandigheden.

Deze term is relevant voor ondersteuning die vanuit de Wmo 2015 geboden wordt. De Jeugdwet kent zijn eigen woonplaatsbeginsel.

u. melding

Iedereen kan zich met een hulpvraag bij zijn gemeente melden. Na deze melding stelt het college (in overleg met de cliënt) zo snel mogelijk een onderzoek in. Vraagt iemand alleen om informatie (bijvoorbeeld over de beschikbaarheid van een algemene voorziening) of geeft hij aan dat hij gebruik wil maken van een algemene voorziening, dan is er geen reden om een onderzoek in te stellen.

 

Artikel 2. Melding hulpvraag

Dit artikel is opgenomen om ervoor te zorgen dat de procedure rondom een melding zorgvuldig verloopt. Ook staat in dit artikel op welke manier een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.3 Wmo 2015 en artikel 2.9 Jeugdwet).

Lid 1

De melding kan door de cliënt zelf gedaan worden maar ook door een ‘naaste’, bijvoorbeeld zijn vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene.

De melding is vormvrij en kan schriftelijk, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In de praktijk zal het college de procedure (melding, onderzoek en verslag) laten uitvoeren door deskundigen. Ook op andere plaatsen waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college besluiten om dit door anderen uit te laten voeren (de bevoegdheid wordt dan gemandateerd op basis van de Algemene wet bestuursrecht).

In gemeente Mook en Middelaar kan de melding worden gedaan bij het Sociaal Team.

Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Denk bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet.

Lid 2

De wet bepaalt dat het college een elektronisch ingediende vraag moet bevestigen (4:3a Awb) en dat dit schriftelijk moet (artikel 2.3.2 Wmo 2015). Vaak zal het college dit elektronisch doen (per e-mail).

Lid 3

Dat het college onderzoek moet doen nadat een cliënt een melding doet is al wettelijk bepaald (artikel 2.3.2 Wmo 2015 en artikel 2.3 Jeugdwet). De Wmo 2015 bepaalt dat het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (artikel 2.3.2). De Jeugdwet geeft hier geen termijn voor. We vinden het gewenst om ook voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet hetzelfde werkproces en dezelfde termijnen te hanteren. Daarom wordt in dit lid de termijn van 6 weken genoemd.

Lid 4

Als een situatie zo zorgelijk is dat er sprake is van spoed, dan hoeft de procedure niet eerst volledig doorlopen te zijn. Er wordt dan al een passende (tijdelijke) maatwerkvoorziening toegekend voordat het onderzoek afgerond is (artikel 2.3.3 Wmo 2015, 2.6 Jeugdwet).

Lid 5

Het college is niet de enige verwijzer naar ondersteuning vanuit de Jeugdwet. Ook de huisarts, medisch specialist en jeugdarts mogen daar naar verwijzen (artikel 2.6 Jeugdwet). De cliënt mag met deze verwijzing rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder is vaak degene die (na de verwijzing) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. In overleg met de jeugdige of ouder(s) bepaalt hij wat de concrete inhoud, vorm en duur van de benodigde jeugdhulp is.

Lid 6

Het college legt het toekennen (of afwijzen) van de maatwerkvoorziening in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige en/of zijn ouders. Ook als de verwijzing gedaan is door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

 

Artikel 3. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

Lid 1

Het college moet ervoor zorgen dat cliënten gebruik kunnen maken van cliëntondersteuning (artikel 2.2.4 Wmo 2015). Cliënten kunnen daar gratis informatie krijgen, advies vragen en hulp ontvangen als ze een aanvraag in willen dienen voor ondersteuning vanuit de gemeente. De cliëntondersteuning kan bijvoorbeeld helpen om de vraag van de cliënt duidelijk te krijgen.

Lid 2

Het college moet ervoor zorgen dat er een vertrouwenspersoon is waar jeugdigen en hun (pleeg)ouder(s) gebruik van kunnen maken (artikel 2.6, lid 1f Jeugdwet). De vertrouwenspersoon moet onafhankelijk, beschikbaar en toegankelijk zijn. Cliënten kunnen bij de vertrouwenspersoon terecht met vragen en/of klachten over jeugdhulp. In onze gemeente bieden het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) en de Zorgbelangorganisaties een vertrouwenspersoon aan. In paragraaf 4.1 van Besluit Jeugdwet staan de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.

Lid 3

Na de melding van een hulpvraag moet het college de cliënt vertellen over de mogelijkheid van cliëntondersteuning (artikel 2.3.2, lid 3 Wmo 2015). Gaat de hulpvraag over jeugdhulp dan wijst het college ook op de mogelijkheid van een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

 

Artikel 4. Vooronderzoek

Ook dit artikel is opgenomen om ervoor te zorgen dat de procedure rondom een melding zorgvuldig verloopt.

Lid 1

Tijdens de voorbereiding op het gesprek wordt (in overleg met de cliënt) in kaart gebracht welke gegevens van de cliënt al bekend zijn. Dit zodat de cliënt niet onnodig belast wordt met vragen over zaken die al bij ons bekend zijn. Het hangt van de melding af hoe uitgebreid dit vooronderzoek is. Vervolgens wordt samen met de cliënt een datum, tijd en plaats afgesproken voor het gesprek.

Voor lid 1 en lid 2 geldt dat de privacy van de cliënt beschermd moet worden (Wmo 2015, Jeugdwet en privacywetgeving).

Lid 2

Aan de cliënt kan gevraagd worden om informatie aan te leveren (artikel 2.3.2, lid 7 Wmo 2015 en artikel 8.1.2, lid 3 Jeugdwet). De gemeente is in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen (artikel 2.3.4 Wmo 2015). De cliënt moet daarom altijd een identificatiedocument laten zien. Alleen als het gaat om spoed en de cliënt op dat moment geen identificatiedocument kan laten zien kan er een uitzondering worden gemaakt.

Lid 3

Als er al genoeg over de cliënt bekend is dan kan het college in overleg met de cliënt besluiten om geen vooronderzoek te doen. Dit om te voorkomen dat er onnodig werk gedaan wordt.

Lid 4

Een cliënt die ondersteuning vanuit de Wmo 2015 wil, mag een persoonlijk plan of een familieplan opstellen. In dat plan kan hij beschrijven welke mogelijkheden hij zelf ziet om de problemen op te lossen. Het college moet cliënten ervan op de hoogte brengen dat zij zo’n plan op mogen stellen (artikel 2.3.2, lid 2 Wmo 2015). Vanuit de Jeugdwet geldt deze verplichting niet, maar met lid 4 in de verordening bieden we cliënten en ouder(s) wel de mogelijkheid om ook een plan op te stellen.

 

Artikel 5. Gesprek

In dit artikel staan regels die ervoor zorgen dat het college uiteindelijk een goed en onderbouwd besluit kan nemen (artikel 2.1.3, lid 1 en 2 Wmo 2015 en artikel 2.9 Jeugdwet).

Lid 1

Na het vooronderzoek gaat het college in gesprek met degene die de melding heeft gedaan (artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015). Het college laat dit gesprek voeren door een deskundige. Als er mantelzorgers bij de cliënt betrokken zijn dan is het wenselijk dat zij ook bij het gesprek aanwezig zijn. Er mogen ook nog anderen bij het gesprek aanwezig zijn als de cliënt dat wenst of als dit nodig is volgens het college. Als het kan dan vindt het gesprek bij de cliënt thuis plaats. Vooral als het gaat om een woningaanpassing, dan is het belangrijk om bij de cliënt thuis te komen zodat naar een goede oplossing gezocht kan worden.

Lid 2

Voor sommige cliënten is het spannend om een gesprek met de gemeente te voeren. Het is daarom goed als de cliënt weet wat hij van het gesprek kan verwachten en wat er na het gesprek verder gebeurt. Het college informeert de cliënt hierover en over de rechten en plichten die de cliënt heeft. Zoals eerder aangegeven wordt de cliënt er ook op gewezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van cliëntondersteuning.

Lid 3

Een goed gesprek is belangrijk om helder te krijgen wat precies de hulpvraag van de cliënt is en wat zijn behoeften en de gewenste resultaten zijn. Tijdens het gesprek wordt achterhaald wat de cliënt kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Hierbij wordt gekeken naar wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van zijn sociaal netwerk of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen. Op die manier wordt verkend of met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is. Ook wordt bekeken of er sprake is van een voorliggende voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure vast.

Onder de ‘oude’ Wmo bestond het recht op compensatie. Dat is met de Wmo 2015 komen te vervallen, maar wel heeft de cliënt recht op een zorgvuldig proces. Ook in de Jeugdwet is deze omslag gemaakt. Het doel blijft echter overeind: cliënten krijgen de hulp die nodig is en die passend is bij hun situatie. Deze ondersteuning moet ervoor zorgen dat de eigen kracht van de cliënt versterkt wordt. En als het om een jeugdige gaat dan is ook het doel dat het gezin beter in staat wordt om voor de jeugdige te zorgen en problemen op te lossen.

Om achteraf te bepalen of de ondersteuning effectief is geweest, wordt vooral gekeken of de cliënt zelf vindt dat hij dankzij de ondersteuning nu meer zelfredzaam is en beter kan participeren in de maatschappij (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183).

Lid 4

Als de cliënt besloten heeft om inderdaad een persoonlijk plan op te stellen dan moet het college dat plan betrekken bij het onderzoek (artikel 2.3.2, lid 5 Wmo 2015). Deze verplichting geldt niet voor de Jeugdwet, maar door het hier als lid op te nemen leggen we onszelf die verplichting wel op.

Lid 5

Het gesprek hoeft natuurlijk niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij het college en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.

 

Artikel 6. Verslag

Dit artikel is opgenomen om ervoor te zorgen dat dossiers zorgvuldig opgesteld worden en de cliënt op de hoogte is van de uitkomsten van het onderzoek (artikel 2.3.2, lid 8 Wmo 2015).

Lid 1

Er moet altijd een schriftelijk verslag worden gemaakt van het onderzoek, inclusief wat besproken is tijdens het gesprek. Als de cliënt een persoonlijk plan heeft ingediend dan wordt dat ook opgenomen in het verslag. Een goed verslag maakt het voor de gemeente mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag. Daarnaast is het verslag een handige manier om met de cliënt te checken of we het gesprek hetzelfde ervaren hebben.

Afhankelijk van de complexiteit en de uitkomst van het gesprek kan het verslag heel kort zijn of juist langer. Het verslag kan functioneren als een plan waarin afspraken en verplichtingen staan en waarover de cliënt en het college overeenstemming hebben bereikt. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen.

Lid 2

Na het gesprek moet de cliënt dit verslag zo snel mogelijk ontvangen zodat hij het verslag kan gebruiken om een maatwerkvoorziening aan te vragen (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33).

Lid 3

Als de cliënt opmerkingen of aanvullingen heeft op het verslag dan worden die eraan toegevoegd.

 

Artikel 7. Aanvraag

Lid 1

De cliënt kan zelf een aanvraag indienen of hij kan iemand machtigen. Diegene kan dan de aanvraag namens de cliënt indienen. Is de cliënt niet in staat om op te komen voor zijn eigen belangen dan kan zijn vertegenwoordiger de aanvraag indienen. Dit is dus minder ruim dan de personen die een melding namens de cliënt mogen doen. De reden hiervoor is dat het gaat om een formele aanvraag met rechtsgevolgen.

De cliënt kan in onze gemeente de aanvraag ook elektronisch (bijvoorbeeld per e-mail) doen (artikel 2:15 Awb).

Lid 2

Het gespreksverslag kan gezien worden als aanvraag, maar dan moet dat verslag wel ondertekend zijn. Als er echter teveel tijd zit tussen de ondertekening van het verslag en de aanvraagdatum, dan kan het college besluiten dat het verslag niet meer actueel is.

Lid 3

Een aanvraag voor ondersteuning kan pas worden ingediend nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd (artikel 2.3.2 Wmo 2015). Tenzij besloten is om van het onderzoek af te zien. Of tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.

Lid 4

Binnen twee weken nadat het college de aanvraag ontvangen heeft, moet de beschikking worden afgegeven. Voor hulp vanuit de Wmo is dit verplicht (artikel 2.3.5, tweede lid Wmo 2015), voor hulp vanuit de Jeugdwet niet. We hebben echter besloten om één lijn te trekken en deze termijn dus ook toe te passen op hulp vanuit de Jeugdwet.

Lid 5

Voor gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader (dit betekent dat het met instemming van de ouders is) gelden andere regels. Jeugdigen kunnen alleen in gesloten setting geplaatst worden via de kinderrechter (artikel 6.1 Jeugdwet).

 

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

In dit artikel staat welke afwegingen gemaakt worden voordat het college besluit of een maatwerkvoorziening toegekend wordt (artikel 2.1.3 lid 2a Wmo 2015 en artikel 2.9 a Jeugdwet).

Lid 1

Het eerder genoemde verslag dat gemaakt wordt na het vooronderzoek en gesprek, is de basis waarop het college besluit om ondersteuning vanuit de Wmo of Jeugdwet toe te kennen.

Lid 2 en 3

Eerst wordt gekeken wat een cliënt op eigen kracht of met behulp van zijn netwerk kan. Ook worden voorliggende voorzieningen verkend. Pas als duidelijk is dat dit de hulpvraag niet genoeg wegneemt, wordt verkend of er ondersteuning vanuit de Jeugdwet of Wmo nodig is.

Ondersteuning vanuit de Wmo en Jeugdwet wordt altijd toegekend op basis van maatwerk (memorie van toelichting Wmo: TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134 en memorie van toelichting Jeugdwet: TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, blz. 3 en 7). Dit betekent dat mensen met een vergelijkbare hulpvraag toch verschillende ondersteuning toegekend kunnen krijgen, bijvoorbeeld omdat de situaties van deze personen van elkaar verschillen. Er wordt dan gezocht naar de ondersteuning die het beste past bij deze persoon en situatie. Ook tussen gemeenten zullen verschillen zijn: de behoeften van inwoners kunnen per gemeente verschillen, net als de sociale en fysieke infrastructuur van de gemeente. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk.

Om zoveel mogelijk sprake te laten zijn van maatwerk is het niet mogelijk en wenselijk om in de verordening alles dicht te timmeren. Wel moeten we afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening krijgt en dat is gedaan in lid 2 en 3.

Met langdurig (lid 3c) bedoelen we dat de cliënt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de voorziening. Iemand die tijdelijk beperkt is (bijvoorbeeld door een ongeluk) en waarvan al bekend is dat die beperkingen niet blijvend zijn, zal dus geen voorziening vanuit de Wmo ontvangen. Diegene kan een voorziening ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet. Er is één uitzondering, namelijk kortdurende huishoudelijke hulp. Kortdurende huishoudelijke hulp (bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname) valt wel onder de Wmo.

Lid 4

In dit lid gaat het om materiële voorzieningen die verstrekt worden vanuit de Wmo. Er wordt beschreven wanneer het college ervoor zorgt dat een voorziening vervangen wordt door een vergelijkbare voorziening. We verwachten van cliënten dat ze zorgvuldig omgaan met de voorziening die ze ontvangen hebben.

 

Artikel 9 Afwijzingsgronden

Afwijzingsgronden staan in de verordening zodat cliënten weten in welke gevallen de gemeente geen ondersteuning vanuit de Wmo of Jeugdwet biedt. Daarnaast zijn we wettelijk verplicht om dit vast te leggen (artikel 2.1.3, lid 2a Wmo 2015 en artikel 2.9 a Jeugdwet).

Lid 1

  • a.

    In de Jeugdwet wordt afgebakend dat andere wetten voorliggend zijn op de Jeugdwet (artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet). In de Wmo 2015 staat dit niet en daarom is dit lid opgenomen. Ook voor ondersteuning vanuit de Wmo geldt dat andere wetten voorliggend zijn.

  • b.

    Dit is een herhaling van wat al in de wet staat (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015 en artikel 2.3 Jeugdwet). Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

  • c.

    Zoals al eerder genoemd gaat een algemene voorziening voor op een maatwerkvoorziening.

  • d.

    Het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt die de cliënt (rekening houdend met zijn omstandigheden) zelf had kunnen kopen of gebruiken. Toch moet het college wel onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor deze specifieke cliënt: had hij over de voorzieningen kunnen beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad? Bij die beoordeling kunnen de volgende criteria een rol spelen:

    • Is de voorziening gewoon te koop?

    • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

    • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

  • e.

    Om in aanmerking te komen voor ondersteuning moet de cliënt ingezetene zijn van de gemeente of (als het om een jeugdige gaat) volgens het woonplaatsbeginsel onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen (artikel 1.2.1 Wmo 2015 en artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet).

  • Met ingezetene wordt de feitelijke verblijfplaats van de cliënt bedoeld. De Basisregistratie personen (Brp) is hier een belangrijke aanwijzing voor, maar is niet doorslaggevend (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo). Er moet gekeken worden naar concrete feiten en omstandigheden.

  • Voor Beschermd Wonen en opvang gelden andere regels. Om daarvoor in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente waar hij de aanvraag indient.

  • f.

    Hier wordt de situatie bedoeld dat de cliënt na de melding (en voor de beschikking) zelf een maatwerkvoorziening heeft gekocht of ingezet. Dit is niet de bedoeling omdat het college dan nog niet akkoord is. Het kan zijn dat de ingekochte/ingezette voorziening uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college besluit.

  • g.

    Dit lid is opgenomen om te voorkomen dat een hulpvraag dubbel wordt opgelost. Het kan natuurlijk zijn dat voor één hulpvraag meerdere voorzieningen nodig zijn. Maar als de hulpvraag al voldoende geholpen is met (een) bepaalde voorziening(en) dan is het niet de bedoeling dat er nog extra voorzieningen verstrekt worden.

  • h.

    We verwachten van cliënten dat ze eerst eigen oplossingen inzetten of hulp vragen in het netwerk. Op deze manier blijven cliënten in hun eigen kracht staan en draagt dit bij aan zelfredzaamheid en participatie. Bij het compenseren van beperkingen houden we dus rekening met de keuzes die de cliënt maakt in het leven, waarbij we rekening houden met de situatie van de cliënt. Met ‘geschikte keuzes’ bedoelen we dat de cliënt keuzes maakt die de zelfredzaamheid en participatie bevorderen en niet doen afnemen.

  • i.

    Als de beperkingen van de cliënt er niet voor zorgen dat de cliënt daardoor meer uitgaven heeft, dan vindt daarvoor geen compensatie plaats. Misschien zal de cliënt zijn uitgaven aan andere dingen besteden dan voorheen, maar het gaat erom dat de totale uitgaven niet aanzienlijk meer zijn.

  • j.

    De gemeente mag volstaan met de goedkoopst adequate voorziening (naar objectieve maatstaven gemeten). Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, komen in principe dus niet voor vergoeding in aanmerking. Soms gaat een duurder product langer mee en is dus uiteindelijk goedkoper. Er moet dan ook bij een verantwoord niveau worden aangesloten (maar ook niet meer dan dat). Het is wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, maar alleen als de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen.

Lid 2

In dit lid staan afwijzingsgronden voor woonvoorzieningen.

  • a.

    Als de cliënt beperkingen ervaart door materialen die gebruikt zijn in de woning, dan moet de cliënt die materialen zelf vervangen. Denk bijvoorbeeld aan vloerbedekking waardoor de cliënt last heeft van zware allergie.

  • b.

    De compensatie vanuit de Wmo is bedoeld voor woonhuizen, waar de cliënt intensief en langdurig zal verblijven.

  • c.

    Woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten vallen in principe niet onder de Wmo 2015.

  • d.

    Is een woongebouw gericht op personen met een beperking of ouderen maar zijn er voorzieningen nodig, dan wordt eerst gekeken of deze voorzieningen mee kunnen worden genomen bij (nieuw)bouw of renovatie. Levert dat weinig meerkosten op, dan verstrekt de gemeente geen woonvoorziening.

  • e.

    Is er een geschikte woning beschikbaar voor de cliënt en hij besluit daar niet naartoe te verhuizen, dan verstrekt de gemeente geen woonvoorziening.

Lid 3

Beschermd Wonen is bedoeld voor mensen met complexe en meervoudige problematiek. Is een cliënt uitsluitend dakloos of uitsluitend slachtoffer van huiselijk geweld, dan is er geen sprake van meervoudige problematiek.

In de financiële bijlage is meer opgenomen over de regels bij Beschermd Wonen (bijlage 2, artikel 11).

Lid 4

Het is belangrijk dat de opvang een veilige plek blijft voor iedereen die daar komt. Daarom worden de eisen in dit lid gesteld. Geweld en agressief gedrag wordt niet getolereerd. Is er sprake van bijvoorbeeld een ernstige verslaving of acute psychische problematiek waarvoor behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk is, dan is opvang vanuit de Wmo ook niet passend.

In de financiële bijlage is meer opgenomen over de regels bij maatschappelijke opvang (bijlage 2, artikel 13).

Lid 5

De gemeente beoordeelt of een cliënt voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb. Artikelen 11 t/m 14 geven de voorwaarden. Voldoet een cliënt hier niet aan dan krijgt hij geen pgb toegekend.

Lid 6

Het komt voor dat huurcontracten gekoppeld zijn aan zorgafname. Dit betekent dat een cliënt moet verhuizen als hij/zij wil overstappen naar een andere zorgaanbieder. Daarnaast is het dan niet duidelijk uit welke gelden de huur betaald wordt. Dit vinden we een ongewenste gang van zaken. Door wonen en zorg contractueel samen te brengen, vertroebelt het toezicht op de kwaliteit van ondersteuning. Daarnaast leidt dit tot oneigenlijke dubbele financiële belangen. Daarom is het voortaan alleen toegestaan dat een huurcontract gekoppeld is aan zorgafname als de zorg en het wonen onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Denk hierbij aan Beschermd Wonen.

 

Artikel 9a. Wonen en zorg

Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 van de Wmo 2015 en artikel 2.9 sub d van de Jeugdwet worden in de verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Een van deze regels is dat gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten niet worden geaccepteerd. De gemeente of de cliënt moeten de aanbieder of de derde kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning, zonder te moeten vrezen voor verlies van de huisvesting van de cliënt. Ook moet het de cliënt vrij blijven staan te wisselen van aanbieder dan wel derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Dit ook gelet op mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Het contractueel samenbrengen van ondersteuning en huisvesting vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning en bemoeilijkt adequate handhaving. De aanbieder dan wel derde aan wie het pgb zal worden besteed, hebben dubbele financiële belangen die als oneigenlijk gebruik van de wet moeten worden aangemerkt. Het belang van de cliënt dient altijd voorop te staan, ongeacht de leveringsvorm van de ondersteuning.

 

Artikel 10. Inhoud beschikking

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor wat er in een beschikking moet staan. Dat is overzichtelijk opgenomen in dit artikel. Een cliënt kan in bezwaar gaan tegen een beschikking. Bijvoorbeeld omdat hij van mening is dat het college ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie. Is de cliënt het ook niet eens met de beslissing die genomen wordt na zijn bezwaar? Dan kan hij daartegen in beroep gaan. De rechter toetst dan of de gemeente zich gehouden heeft aan de voorgeschreven procedures, of het onderzoek naar de omstandigheden van de cliënt op adequate wijze is verricht en of de toegekende ondersteuning passend is. Het uiteindelijke doel is dat de cliënt zoveel mogelijk zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren. Dit zodat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven en gezond en veilig (op) kan groeien, richting zelfstandigheid.

In lid 4 staat dat ook de eventuele bijdrage in de kosten vermeld wordt. Dit gaat alleen om informatie; het college neemt niet de exacte hoogte van de eigen bijdrage op in de beschikking. Dat loopt immers via het CAK (artikel 16 en 2.1.4 lid 6 Wmo 2015). Ook bezwaar en beroep tegen de hoogte van de eigen bijdrage gaat via het CAK.

 

Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Lid 1

Als cliënten een maatwerkvoorziening ontvangen dan is het goed dat ze op de hoogte zijn van de rechten en plichten die daaraan verbonden zijn. Niet alleen als de cliënt voor een pgb kiest, maar ook als het gaat om zorg in natura. Het college legt daarom aan cliënten uit wat er van hen verwacht wordt en wat zij van ons mogen verwachten (artikel 2.3.8 Wmo 2015 en artikel 8.1.2 lid 1 Jeugdwet).

Lid 2

Het kan zijn dat de situatie van een cliënt verandert, waardoor de toegekende maatwerkvoorziening niet meer passend is. Bijvoorbeeld omdat de voorziening niet meer nodig is. Of omdat een andere voorziening geschikter is in de nieuwe situatie. Cliënten moeten zulke veranderingen in hun situatie melden bij het college. Dit is voor ondersteuning vanuit de Wmo al verplicht in de wet (artikel 2.3.10 Wmo 2015). Voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet is dit niet bij wet geregeld, maar we willen hier één lijn in trekken. Daarom is dit lid van toepassing op beide vormen van ondersteuning. De wet verplicht ons om regels te stellen waarmee we voorkomen dat cliënten onterecht een maatwerkvoorziening ontvangen (artikel 2.1.3, lid 4 Wmo en artikel 2.9 d Jeugdwet).

Lid 3

In de verordening moeten we ook regels stellen om misbruik of oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening tegen te gaan (artikel 2.1.3, lid 4 Wmo en artikel 2.9 d Jeugdwet). De inhoud van lid 3 staat al in de Wmo (artikel 2.4.1 Wmo 2015), maar nog niet in de Jeugdwet. We vinden het belangrijk om deze regels ook toe te passen op ondersteuning vanuit de Jeugdwet en daarom is het hier opgenomen.

Lid 4

In de wet staat wanneer het college een beslissing kan wijzigen of intrekken (artikel 8.1.4 Jeugdwet en artikel 2.3.10 Wmo 2015). Voor de Jeugdwet is dit alleen vastgelegd inzake pgb’s. Door dit lid in de verordening op te nemen geldt het (net als bij zorg vanuit de Wmo) ook voor zorg in natura.

Lid 5 en 6

Besluit het college om een pgb te wijzigen of in te trekken, dan mag het college een verstrekt pgb-bedrag terugvorderen (artikel 8.1.4, lid 3 Jeugdwet). In de wet staat daarnaast dat het college dit ook mag doen als het gaat om een voorziening die als zorg in natura is verstrekt vanuit de Wmo (artikel 2.4.1 Wmo 2015). We willen hierin één lijn trekken en door dit lid op te nemen mag het college ook bij ondersteuning vanuit de Jeugdwet geld terugvorderen als het gaat om zorg in natura.

Bij een terugvordering van zorg in natura wordt het bedrag bepaald op basis van de waarde van de voorziening die de cliënt ontvangen heeft (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157).

Lid 7

Een terugvordering op basis van de Wmo mag alleen verrekend worden met een budget dat vanuit de Wmo verstrekt is/wordt en hetzelfde geldt voor een terugvordering op basis van de Jeugdwet: die terugvordering mag alleen verrekend worden met een budget dat vanuit de Jeugdwet verstrekt is/wordt (CRvB 26-08-2015 nr. 12/5710 Wmo).

 

Artikel 12. Algemene regels voor pgb

Lid 1

Cliënten kunnen kiezen om de voorziening in de vorm van een pgb te ontvangen (artikel 2.3.6 Wmo 2015 en artikel 8.1.1 Jeugdwet).

Lid 2

Er wordt niet met terugwerkende kracht een pgb gegeven voor kosten die de cliënt vóór de aanvraag al heeft gemaakt en waarvan niet na te gaan is of die voorziening ook echt noodzakelijk was.

Lid 3

Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt redenen kan aangeven waarom hij een pgb wil. Op die manier weten we zeker dat het de eigen beslissing van de aanvrager is (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). De cliënt moet dan ook verplicht een plan opstellen.

Voor jeugdhulp geldt bovendien dat een cliënt alleen een pgb krijgt als hij kan aantonen dat de voorziening die door een aanbieder geleverd wordt niet passend is (artikel 8.1.1, lid 2b Jeugdwet). Uit zijn onderbouwing moet duidelijk worden dat de cliënt zich voldoende georiënteerd heeft op de voorziening in natura.

In het plan van de cliënt moet ook staan hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de voorziening die hij met het pgb wil aanschaffen/inzetten van goede kwaliteit is. Daarbij is in elk geval belangrijk dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Voor degene die de diensten verleent en in contact kan komen met een kind dat jonger is dan achttien jaar, geldt dat diegene (voor aanvang van de hulpverlening) over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) beschikt.

Een VOG draagt bij aan de veiligheid van het kind. De Jeugdwet stelt deze eis aan alle medewerkers van een jeugdhulpaanbieder, inclusief vrijwilligers. De gemeente stelt deze eis ook aan degene die diensten verleent in het kader van een pgb. Op het moment dat de hulpverlening van start gaat moet de cliënt de VOG kunnen overleggen aan de gemeente.

Lid 4

Krijgt een cliënt een hulpmiddel toegekend dan komen hier logischerwijs ook kosten uit voort voor onderhoud en reparaties. Het pgb kan voor deze kosten worden opgehoogd.

Lid 5 en lid 6

Het college moet in de verordening vastleggen hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.1.3, lid 2b Wmo 2015 en artikel 2.9 c Jeugdwet). De hoogte van het pgb moet voldoende zijn om de voorziening te kunnen bekostigen. Een pgb is (gemiddeld) goedkoper dan zorg in natura, omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend.

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden als de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, lid 5a Wmo 2015 en artikel 8.1.1, lid 4a Jeugdwet). Dit verschil in kosten kan bijvoorbeeld komen doordat de gemeente de voorziening op grotere schaal inkoopt en daardoor tegen een lager bedrag kan inkopen. Wil een cliënt toch de duurdere voorziening (middels een pgb) dan kan hij er voor kiezen om zelf bij te betalen.

Voor lid 6 f. geldt dat er in de financiële bijlage een maximum aantal kilometers is opgenomen voor vraagafhankelijk vervoer in het kader van de Wmo (bijlage 2, artikel 9). Om het aantal kilometers te bepalen is gekeken wat vanuit de jurisprudentie naar voren kwam als een redelijk aantal. We zijn daarbij op het maximum gaan zitten, omdat veel van onze inwoners georiënteerd zijn op Nijmegen en gemeente Mook en Middelaar relatief ver van centrum Nijmegen vandaan ligt. Op deze manier hebben onze inwoners toch de mogelijkheid om regelmatig naar Nijmegen te reizen.

Lid 7

Een aantal uitgaven mag de cliënt niet vanuit het pgb doen. De reden hiervoor is dat geld dat bestemd is voor ondersteuning ook zoveel mogelijk naar die ondersteuning moet gaan. En niet naar allerlei zaken daar omheen, zoals administratie en huur. Met kosten voor bemiddeling bedoelen we onder andere dat de cliënt iemand betaalt om hem te ondersteunen bij het aanvragen van een (her)indicatie, het vinden van een geschikte zorgverlener of het opzetten van de administratie. Dit mag niet uit het pgb betaald worden. De cliënt kan wel gratis gebruik maken van cliëntondersteuning.

Lid 8

Een jeugdige, die jonger is dan achttien jaar, mag niet zelf een pgb beheren. Aan een pgb kleven veel verantwoordelijkheden en handelingen. We vinden het niet wenselijk dat minderjarigen deze verantwoordelijkheden dragen.

Lid 9

Om te voorkomen dat een persoonsgebonden budget oneindig geldig is, stellen we de regel dat het pgb binnen zes maanden na toekenning aangewend moet zijn. Deze periode zou ruim voldoende moeten zijn om het pgb te besteden.

Lid 10

Het beheren van een pgb brengt veel verantwoordelijkheden met zich mee. Daarom is het belangrijk om een pgb te beëindigen of niet toe te kennen als blijkt dat de cliënt deze verantwoordelijkheden niet kan dragen.

 

Artikel 13. Regels voor pgb’s die ingezet worden bij professionals

Lid 1

Dit artikel gaat over pgb’s waarmee ondersteuning wordt ingekocht bij zorgaanbieders. Zorgaanbieders kunnen met onderaannemers werken. In dat geval is dit artikel ook op hen van toepassing.

Lid 2 en 3

Het is belangrijk dat het pgb op een juiste manier ingezet wordt. Daarom is het belangrijk om te weten of met de ondersteuning ook echt de gestelde doelen behaald worden. Daar hangt mee samen dat de zorgaanbieder de geleverde uren zorg ook kan verantwoorden.

Lid 4

We vinden het erg belangrijk dat de aanbieder samenwerkt met andere professionals en het netwerk van de cliënt. We streven naar ‘één huishouden, één plan’. Er moet een optimale samenhang zijn tussen zorg en welzijn door professionals enerzijds en zorg en ondersteuning door het netwerk anderzijds. Toch is dit lastig te toetsen, want wanneer is het ‘goed’ genoeg? Een objectieve maatstaf ontbreekt, maar het benadrukt wel dat wij de samenwerking en afstemming erg belangrijk vinden. We hebben daarin hoge verwachtingen van de zorgaanbieders.

Lid 5

Ook via de pgb-constructie is het belangrijk dat de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning ontvangt. We willen daarom dat ook zorgaanbieders die via een pgb ondersteuning leveren, voldoen aan kwaliteitseisen. Dit zijn dezelfde eisen die we stellen aan aanbieders die zorg in natura leveren.

Lid 6

Voldoet een aanbieder niet aan de kwaliteitseisen of levert hij wanprestaties, dan kan het college een waarschuwing geven. Of zelfs besluiten om niet (langer) te accepteren dat deze zorgaanbieder de ondersteuning vanuit een pgb levert.

 

Artikel 14. Regels voor pgb sociaal netwerk

Lid 1 en 5

Met ‘sociaal netwerk’ bedoelen we personen uit de huiselijke kring van de cliënt en andere personen met wie de cliënt een sociale relatie heeft. Denk bijvoorbeeld aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, of aan buren, vrienden, kennissen, etc. Ook mantelzorgers kunnen hieronder vallen (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34). Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk geboden wordt en daarom gaat het voor op een maatwerkvoorziening. Is afgesproken dat iemand uit het eigen netwerk onbetaald ondersteuning wil bieden, dan is het niet logisch om deze ondersteuning vervolgens met een pgb te betalen. Uitzonderingen hierop zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een pgb. Het blijft altijd om maatwerk gaan.

Lid 2

Het sociaal netwerk kan vanuit het pgb betaald worden, maar dan moet de ondersteuning die eruit voortkomt wel duidelijk de gebruikelijke hulp overstijgen. Daarnaast moet het aantoonbaar leiden tot betere en effectievere ondersteuning die ook nog eens doelmatiger is. In het plan dat de cliënt maakt moet hij dit onderbouwen.

Vaak zal de ondersteuning vanuit het sociaal netwerk gegeven worden in de vorm van een dienst. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen zijn minder goed denkbaar. Wordt ook hiervoor een pgb aangevraagd, dan moet in ieder geval duidelijk zijn dat de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt.

Lid 3 en 4

Het blijft een lastige discussie welke zorg uit het sociaal netwerk onbetaald verwacht mag worden en welke inzet wel betaald wordt. Het CIZ heeft hier het protocol ‘gebruikelijke zorg’ voor ontworpen, wat als handleiding gebruikt kan worden. In lid 3 en 4 staat welke aspecten in ieder geval een rol spelen bij het wel of niet toekennen van een pgb. Lid 3 gaat vooral over de inhoud van de ondersteuning: wat wordt er verwacht? Lid 4 gaat over de randvoorwaarden: welke deskundigheid vraagt dit?

Onder lid 3 staat dat een pgb niet binnen het sociaal netwerk ingezet kan worden voor behandeling. Het gaat hier om behandeling jeugd-ggz. Behandeling is een vorm van jeugdhulp die alleen door professionals kan worden geboden. Er moet gewerkt worden volgens bepaalde methoden en het is belangrijk dat de professional objectief en onafhankelijk handelt. Een persoonlijke relatie met de jeugdige staat het objectieve oordeelsvermogen in de weg en maakt het lastiger om patronen te doorbreken. In beroepscodes voor psychologen staat dan ook dat professionele en niet-professionele rollen niet zozeer vermengd mogen zijn dat de professional niet meer in staat is om een professionele afstand tot de betrokkene te bewaren.

Lid 6

Voor de tarieven hebben we zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de tarieven die vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) gehanteerd worden.

 

Artikel 15. Regels voor pgb-beheer

Besluit een cliënt dat hij de ondersteuning graag met een pgb wil ontvangen en kan hij dit onderbouwen, dan wordt vervolgens gekeken wie het pgb gaat beheren. Diegene draagt de verantwoordelijkheden die vastzitten aan het beheer van een pgb. Daarover gaat dit artikel.

Lid 1 en 2

Soms wil een cliënt graag een pgb maar kan of wil hij dit niet zelf beheren. In dat geval kan hij iemand uit zijn sociaal netwerk dit laten beheren of hij kan dit laten doen door een professional. Voor begeleiding, dagbesteding en Beschermd Wonen moet de cliënt wel zelf regie blijven voeren. Dit betekent dat hij op kan komen voor zijn eigen belangen en de zorgverlener aan kan sturen. Kan de cliënt dit niet, dan mag een familielid uit de eerste of tweede graad dit van hem overnemen. Is dit niet mogelijk, dan ontvangt de cliënt geen pgb.

Uit artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wmo 2015 blijkt dat een pgb-beheerder de cliënt kan ondersteunen, maar niet in de plaats van cliënten mag treden. Dit blijkt uit de woorden ‘met hulp uit’.

Lid 3 en 4

Om pgb-beheerder te mogen zijn moet diegene in staat zijn om te bedenken wat voor de cliënt belangrijk en wenselijk is. Er mag dan ook geen sprake zijn van belangenverstrengeling. Dit betekent onder andere dat de pgb-beheerder niet de zorgaanbieder van de cliënt mag zijn.

Lid 5 en 6

De pgb-beheerder moet de cliënt tijdens het pgb-traject ondersteunen en beschermen. Daarnaast is hij aanspreekpunt voor alles omtrent het pgb. Om dit goed te kunnen doen moet hij minimaal één keer per maand contact hebben met de cliënt en zorgverlener. Dit is minimaal nodig om goed de aansluiting te kunnen houden en om te controleren of de gefactureerde zorg ook daadwerkelijk geleverd is.

Lid 7

Vaak zal iemand uit het sociaal netwerk degene zijn die het pgb-beheer op zich neemt. Er komt echter veel bij kijken en het sociaal netwerk is vaak al zwaar belast. Het is in niemands belang als het netwerk over de kop gaat. Daarom stellen we de regel dat iemand alleen pgb-beheerder mag worden als hij aan kan geven dat dit niet tot overbelasting leidt.

Lid 8

De ondersteuning en vertegenwoordiging die de cliënt ontvangt bij het beheren van een pgb mag niet worden betaald uit het pgb. Ook eventuele materialen die nodig zijn om het pgb te beheren mogen niet uit het pgb betaald worden.

 

Artikel 16. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015)

Lid 1 en 2

Voor de ondersteuning vanuit de Wmo mag de gemeente een bijdrage in de kosten vragen van de cliënt. Dit mag niet voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet. Daarom is heel artikel 16 alleen van toepassing op ondersteuning vanuit de Wmo.

De eigen bijdrage kan gevraagd worden voor zowel algemene voorzieningen als voor maatwerkvoorzieningen. Bij een algemene voorziening bepaalt de gemeente of zorgaanbieder de hoogte van de eigen bijdrage. Bij een maatwerkvoorziening int het CAK de eigen bijdrage, maar kan de gemeente de eigen bijdrage maximeren. In de financiële bijlage wordt een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd waarvoor we geen bijdrage in de kosten vragen (bijlage 2, artikel 2). We vragen voor gezinsondersteuning, thuisbegeleiding en Sociaal Medische Indicatie geen eigen bijdrage omdat deze vormen van ondersteuning een grote rol spelen in het voorkomen van ergere situaties bij een kind en binnen een gezin. We willen daarom de drempel verlagen om gebruik te maken van deze ondersteuning.

Cliëntondersteuning is gratis. Daar wordt geen eigen bijdrage voor gevraagd.

Lid 3

De bijdrage die een cliënt betaalt mag niet de kostprijs van de voorziening overstijgen. De gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. Om dit te borgen hebben we een maximale termijn bepaald waarover cliënten een bijdrage betalen (bijlage 2, artikel 3).

Lid 4 en 5

In deze regels wordt beschreven hoe de kostprijs van een voorziening berekend wordt. In lid 3 wordt dit gedaan voor een voorziening die verstrekt is als zorg in natura. In lid 4 wordt dit gedaan voor een voorziening die verstrekt is als pgb.

Lid 6

Hier verwijzen we naar het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Daar staan in hoofdstuk 3 de kaders voor de eigen bijdrage.

Lid 7

Volgens de wet moeten we in de verordening beschrijven welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor opvang vaststelt en int (artikel 2.1.4, lid 7 Wmo 2015). Wij geven hier aan dat we die bevoegdheid kunnen mandateren aan de zorgaanbieder van de opvang.

Lid 8 en 9

Voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet mag geen eigen bijdrage gevraagd worden. Soms heeft een jeugdige echter ondersteuning vanuit de Wmo nodig, zoals een woningaanpassing. Dan mag er wel een eigen bijdrage gevraagd worden. De ouder(s) en/of gezaghebbende van de jeugdige betaalt/betalen dan die bijdrage in de kosten (artikel 2.1.5 Wmo 2015). Ouders die van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of uit de ouderlijke macht zijn ontzet, hoeven geen bijdrage te betalen.

Lid 10

Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de bijdrage in de kosten.

 

Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders

De gemeente moet in de verordening aangeven hoe we mantelzorgers van onze cliënten ieder jaar een blijk van waardering geven (artikel 2.1.6 Wmo 2015). Deze waardering is bedoeld voor mantelzorgers van cliënten die ingezetene zijn van onze gemeente (bij volwassenen) of die volgens het woonplaatsbeginsel onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen (als de cliënt een jeugdige is).

Een brede groep van mantelzorgers komt in aanmerking voor de jaarlijkse waardering. Niet alleen mantelzorgers van cliënten die van de gemeente een algemene voorziening of maatwerkvoorziening ontvangen. Ook mantelzorgers van cliënten die bij ons hulp hebben gevraagd maar geen voorziening toegekend gekregen hebben, ontvangen de jaarlijkse waardering. Tot slot kan iemand mantelzorger zijn van een cliënt wie geen hulp bij ons heeft aangevraagd. Ook deze mantelzorger komt in aanmerking voor de jaarlijkse waardering.

De gemeente geeft de pleegouders in de gemeente Mook en Middelaar jaarlijks een waardering voor hun inzet.

Een aanvraag voor een waardering kan gedaan worden door het digitale formulier in te vullen op de website van de gemeente Mook en Middelaar.

 

Artikel 18. Sociaal Medische Indicatie

SMI stelt gezinnen, die geen recht op kinderopvangtoeslag hebben en vanwege een sociale of medische situatie in een lastige positie zitten, in staat om gebruik te maken van reguliere kinderopvang. Hiervoor kan, door ouders of onder verantwoordelijkheid van ouders, een tegemoetkoming worden aangevraagd bij de gemeente. Het gaat om kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 12 jaar of zolang kinderen op de basisschool zitten. Het gaat om een tijdelijke noodmaatregel, omdat andere voorzieningen, zoals peuter-opvang of VVE, niet toereikend zijn.

Gemeenten hebben beleidsvrijheid omtrent het toekennen van een SMI-aanvraag. Dit betreft de hoogte van de tegemoetkoming, de duur van de kinderopvang en de omvang van de kinderopvang. SMI dient (financieel) toegankelijk te zijn voor iedereen.

SMI is geen vorm van jeugdhulp en valt niet onder de Jeugdwet 2015. Wel koppelen we SMI aan de brede gezinsaanpak vanuit de visie één gezin, één plan. Hierdoor ontstaat wederkerigheid. De ouder moet zichtbaar en actief meewerken aan het hulptraject en dus hulp accepteren. Het uiteindelijke streven is om het gezin in de positie te krijgen dat de ouders weer meedoen aan het arbeidsproces en/of er weer een opvoedingssituatie in het gezin komt die de SMI overbodig maakt.

 

Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

Dit artikel geldt alleen voor de zorgaanbieders die ondersteuning vanuit de Wmo leveren. Voor ondersteuning vanuit de jeugdhulp zijn kwaliteitseisen opgenomen in de wet (paragraaf 4.1 Jeugdwet).

Lid 1 t/m 5 en 8

Volgens de wet moeten we in de verordening opnemen welke eisen we stellen aan de kwaliteit van de voorzieningen, zoals de deskundigheid van de beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2c Wmo 2015). De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van Wmo-voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Uitgangspunt hierbij zijn de kwaliteitseisen die de regering zelf al heeft opgesteld (artikel 3.1 Wmo 2015). In lid 1 t/m 5 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

Lid 6

Het college mag aanvullende kwaliteitseisen stellen. Zo kan het college vragen dat ook hulpverleners die ondersteuning leveren vanuit de Wmo een actuele Verklaring Omtrent Gedrag aanleveren.

Lid 7

De gemeente moet jaarlijks verplicht een cliëntervaringsonderzoek uitvoeren (artikel 2.5.1, lid 1 Wmo 2015 en artikel 2.10 Jeugdwet). Daarnaast vinden er contractmanagementgesprekken plaats met de aanbieders. In die gesprekken wordt besproken wat er goed gaat en wat er verbeterd kan worden.

 

Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Lid 1

Het college moet personen aanwijzen die er toezicht op houden of de wet wordt nageleefd (artikel 6.1 Wmo 2015).

Lid 2 en 3

Organisaties in de sectoren onderwijs, gezondheidszorg, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, sport, jeugdzorg en justitie moeten een meldcode hebben en moeten het gebruik van deze meldcode bevorderen (Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling). In de meldcode staat hoe de medewerker om moet gaan met het signaleren en melden van (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling.

Het college heeft een aandachtfunctionaris aangesteld die een adviserende rol heeft richting beleidsontwikkeling en een coördinerende rol heeft bij vermoedens van kindermishandeling, ouderenmishandeling of huiselijk geweld.

Lid 4 en 5

Als er sprake is van een calamiteit of geweldsincident op het moment dat de voorziening verstrekt wordt aan de cliënt, dan moet de aanbieder dit melden bij de toezichthoudend ambtenaar (artikel 3.4, lid 1 Wmo 2015). De toezichthoudend ambtenaar onderzoekt deze meldingen en adviseert het college hoe verdere calamiteiten voorkomen kunnen worden en hoe geweld bestreden kan worden.

De melding van calamiteiten en geweld in de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering is geregeld in de Jeugdwet. Als toezichthouder is de inspectie jeugdzorg aangewezen.

Lid 6

Het college heeft een regeling opgesteld over het doen van meldingen. Daarnaast heeft het college een ambtenaar van de gemeente aangewezen bij wie aanbieders ook melding moeten maken van calamiteiten en geweldsincidenten.

Lid 7

Het college kan nadere regels stellen over welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

 

Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

Het college kan besluiten om delen van de wet uit te laten voeren door zorgaanbieders (artikel 2.6.4, lid 1 Wmo). Het is dan wenselijk dat in de verordening regels staan om een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit te borgen en te voorkomen dat bijvoorbeeld alleen gekeken wordt naar de laagste prijs (artikel 2.6.6 lid 1 Wmo). In dit artikel wordt toegelicht hoe we een goede prijs-kwaliteitverhouding borgen. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Meer hierover staat ook in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Om bij de inkoop enige flexibiliteit te houden, is niet te gedetailleerd uiteengezet welke kostencomponenten een rol moeten spelen. Reizen, opleidingen en administratieve verplichtingen (waaronder rapporteren) vallen onder de noemer overhead.

 

Artikel 22. Klachtregeling volgens de Wmo en de Jeugdwet

Lid 1

De gemeente moet mondelinge en schriftelijke klachten op een ‘behoorlijke’ manier behandelen (hoofdstuk 9 Awb). Cliënten mogen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich behandeld voelen (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58). De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de manier waarop een gesprek is gevoerd of omdat de cliënt van mening is dat die ambtenaar niet deskundig genoeg is. Cliënten kunnen ook klachten indienen over bestuurders van de gemeente en anderen die onder verantwoordelijkheid van de gemeente werken.

Degene die de klacht heeft ingediend kan na afhandeling van de klacht een verzoek indienen bij de bevoegde ombudsman om een onderzoek in te stellen. De regels hiervoor staan allemaal in de Awb.

Lid 2

Iedere zorgaanbieder die ondersteuning levert aan onze cliënten is verplicht om een klachtenregeling te hebben (artikel 3.2 lid 1a Wmo 2015, artikel 2.1.3 lid 2e Wmo 2015 en paragraaf 4.2a Jeugdwet). Een cliënt kan bijvoorbeeld klagen over het gedrag van de aanbieder of over de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Dit kan gaan om de deskundigheid van de medewerker, maar ook om een bepaalde houding, uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder.

Cliënten moeten een klacht over de aanbieder eerst bij die aanbieder indienen. Ze moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel behandelt en ook snel afhandelt. Gebeurt dit niet naar wens dan kan de cliënt naar de gemeente komen om daar de klacht in te dienen.

Lid 3

De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van voorzieningen (artikel 2.1.1 lid 2 Wmo 2015). We moeten er op toe zien dat aanbieders voldoen aan de kwaliteitseisen die we stellen. Daarom zien we er ook op toe dat aanbieders een klachtenregeling hanteren. Vanuit de wet heeft de gemeente geen toezichthoudende functie voor de klachtenregelingen van jeugdhulpaanbieders.

 

Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

De medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen is in de Jeugdwet geregeld (zie paragraaf 4.2.b). Voor medezeggenschap bij aanbieders die ondersteuning vanuit de Wmo bieden moeten regels opgesteld worden in deze verordening (artikel 2.1.3, lid 2f Wmo 2015). Het gaat hierbij om medezeggenschap van cliënten over besluiten die de aanbieder wil nemen en die van belang zijn voor de cliënt.

Lid 1

Het college schrijft met dit lid voor dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap moeten vaststellen. Deze regeling moet in ieder geval gelden voor de voorzieningen die de aanbieder levert en die in de verordening worden genoemd (artikel 3.2, lid 1b Wmo 2015).

Lid 2

In dit lid wordt beschreven hoe het college ervoor wil zorgen dat aanbieders de verplichting tot medezeggenschap goed uitvoeren.

 

Artikel 24. Controle en onderzoek

Op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet. De grondslag om toezichthouders aan te wijzen op grond van de Wmo 2015, vloeit voort uit artikel 6.1 van die wet. In artikel 15 van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ.

 

Artikel 25. Reikwijdte

De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving op het bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft. In dit artikel wordt ondubbelzinnig weergegeven hoe de gemeente de reikwijdte van deze verantwoordelijkheid ziet. Toezicht en handhaving strekt zich uit tot zorg in natura als ook pgb-gefinancierde zorg. Het strekt zich uit tot de wettelijke bepalingen, de onderliggende landelijke en lokale regelgeving en de afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties.

 

Artikel 26. Toezicht

In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen.

 

Artikel 27. Bevel

Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren.

 

Artikel 28. Inspectierapport

De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.

In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.

In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen.

 

Artikel 29. Aanwijzing

De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen.

Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft.

 

Artikel 30. Hersteltermijn

De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze aanbieder en de veiligheid van cliënten.

 

Artikel 31. Cliëntenstop en verscherpt toezicht

Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen.

In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd.

Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren.

 

Artikel 32. Vervolgonderzoeksrapport

Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de aanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken.

 

Artikel 33. Handhavingsmaatregelen

Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder in een zaak van de gemeente Almelo geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen. Om die reden is deze mogelijkheden opgenomen in deze verordening.

 

Artikel 34. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling

De maatregelen van artikel 34 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid.

 

Artikel 35. Register

Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het ROB zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.

 

Artikel 36. Meldingsplicht

Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om signaal gestuurd te gaan werken. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-) werknemers en ook de aanbieder zelf. Als een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken.

 

Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

In de verordening moeten we opnemen hoe we onze ingezetenen betrekken bij het beleid (artikel 2.1.3 lid 3 Wmo 2015 en artikel 2.10 Jeugdwet). We verwijzen hierbij naar de inspraakverordening die we vastgesteld hebben (krachtens artikel 150 Gemeentewet). Op deze manier zorgen we voor één lijn binnen de gemeente: dezelfde inspraakprocedure geldt voor Wmo- en jeugdbeleid en ook op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners, dus niet alleen voor inwoners die al ondersteuning ontvangen. Dit omdat iedereen op een bepaald moment ondersteuning nodig kan hebben.

Het college vult in hoe de medezeggenschap precies vorm krijgt.

 

Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die destijds vanuit de AWBZ zijn overgegaan naar de Wmo (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de Wmo 2015) en voor cliënten die vanuit de Wet op de Jeugdzorg, de AWBZ en de Zorgverzekeringswet over zijn gaan naar de Jeugdwet (zie hoofdstuk 10 van de Jeugdwet). In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld.

In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen totdat er een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid staat dat aanvragen en aanmeldingen die bij het college in behandeling zijn op het moment dat deze verordening in gaat, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager, dan geldt de verordening die geldig was op het moment dat de aanvraag werd ingediend.

 

Artikel 39. Bijlagen, nadere regels en hardheidsclausule

Lid 2

Iedere situatie is anders. Het kan daarom zijn dat we met deze verordening niet een antwoord hebben gegeven op een situatie die op dat moment geldt voor een cliënt. In dat geval kan het college besluiten over wat wenselijk is in die specifieke situatie en voor die cliënt.

Lid 3 en 4

Maatwerk is erg belangrijk als het gaat om ondersteuning vanuit de Wmo en Jeugdwet. Een voorziening wordt dan ook pas toegekend als er een zorgvuldige en persoonlijke afweging is gemaakt. Om te zorgen dat er transparantie en duidelijkheid is over de werkwijze kan het college nadere regels en beleidsregels opstellen.

Als het college van mening is dat de regels uit de verordening leiden tot een oneerlijke situatie voor de cliënt, dan kan het college besluiten om af te wijken van de verordening. De cliënt kan het college vragen om dit te doen. Blijkt het college op een bepaald punt vaker van de verordening af te moeten wijken, dan zullen we opnieuw beoordelen of het beleid op dat punt aangepast moet worden.

 

Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel bepaalt wanneer deze verordening in werking treedt en hoe naar de verordening moet worden verwezen.

 

Naar boven