Gemeenteblad van Stichtse Vecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Stichtse Vecht | Gemeenteblad 2025, 53753 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Stichtse Vecht | Gemeenteblad 2025, 53753 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Wmo en Jeugdhulp Stichtse Vecht 2025
De raad van de gemeente Stichtse Vecht,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders,
gehoord de commissie Sociaal Domein d.d. 7 januari 2025, en gelet op:
de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet, en de artikelen 2.1.3, artikel 2.1.4 eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid en artikel 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de regeling “Klachtenregeling Sociaal Domein”, met daarin de regeling over de behandeling van klachten over onder andere de Wmo en jeugdhulp;
het noodzakelijk is om inwoners te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;
het noodzakelijk is om inwoner met psychische of psychosociale problemen en inwoners die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;
Verordening Wmo en Jeugdhulp Stichtse Vecht 2025
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van vertrouwen, waarbij de gemeente de inwoners en maatschappelijke partners vanuit een positieve insteek benadert. Er is respect voor de ander. Hierbij hoort ook het vertrouwen dat de inwoner en haar/zijn netwerk zelf tot oplossingen (kunnen) komen. De gemeente gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoners. Inwoners hebben zelf de regie over hun leven, ze maken bepaalde keuzes in hun leven en zijn daar zelf verantwoordelijk voor. Ze zijn ook zelf verantwoordelijk voor de oplossing van hun problemen. Zo nodig krijgen ze daarbij ondersteuning vanuit het netwerk, maatschappelijke organisaties en/of gemeente. Het zelfoplossend vermogen en de zelfredzaamheid worden ondersteund. Zoveel als mogelijk is die ondersteuning altijd gericht op het (terug) krijgen van die regie. Verder is de gemeente betrouwbaar en komt afspraken na. Tenslotte richt de gemeente zich op resultaten en het vinden van duurzame oplossingen die ook op de lange termijn werken, op basis van de door de raad geformuleerde maatschappelijke effecten. De gemeente doet wat nodig is en levert maatwerk. Dit sluit naadloos aan op de gemeentelijke dienstverleningsvisie en de organisatievisie.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
algemeen gebruikelijke voorziening (Wmo): voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is, gangbaar onder de bevolking is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;
inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente Stichtse Vecht volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om Wmohulp, dan betreft het de ingezetene van de gemeente Stichtse Vecht als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wmo en de ingezetene van Nederland die zich bij de gemeente meldt voor maatschappelijke opvang. Gaat het om Jeugdhulp dan gaat het om ouders/verzorgers en of jeugdigen waarvoor de gemeente volgens het woonplaatsbeginsel verantwoordelijk is. Voor de toepassing van hoofdstuk 7 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp van de gemeente;
maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het gaat niet om onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid door huiselijk geweld;
TIM Stichtse Vecht: TIM Stichtse Vecht bestaat uit wijkteams die de toegang vormen tot maatwerk voorzieningen Jeugdhulp en Wmo-begeleiding. TIM Stichtse Vecht bestaat uit Timon en Incluzio, in deze verordening wordt alleen gesproken over TIM Stichtse Vecht. Timon mag besluiten nemen namens de gemeente als het gaat om voorzieningen die zij aanbieden. Deze bevoegdheden zijn geregeld in het Mandaatbesluit;
verslag: het verslag van het gesprek en onderzoek naar aanleiding van de melding van een hulpvraag of aanvraag. De inwoner of haar of zijn vertegenwoordiger krijgt dit verslag. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd. Het verslag kan ook dienen als ondersteuningsplan als het gaat om hulp die ingezet wordt door of via het Jeugd en Wmo team.
Er zijn verschillende soorten voorzieningen om inwoners te helpen. Er zijn algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en collectieve voorzieningen. De inwoner kan zelf om een algemene voorziening vragen, dit kan op eigen initiatief of bijvoorbeeld via een verwijzing van bijvoorbeeld de huisarts of een andere samenwerkingspartner. Ook zijn er voorzieningen die niet via de Wmo of Jeugdwet worden verstrekt, maar via een andere regeling, de zogenaamde andere voorzieningen. Pas als de gemeente van oordeel is dat deze voorzieningen de inwoner niet kunnen helpen kan een maatwerkvoorziening worden gegeven. Deze voorziening wordt na het afgeven van een indicatie verstrekt.
1.2.1.1 Begeleiding als algemene voorziening
De gemeente biedt begeleiding aan als algemene voorziening via samenwerkingspartners, tenzij het gaat om begeleiding zwaar of specialistische begeleiding. De begeleider kan helpen bij de dagelijkse gang van zaken en helpt de inwoner om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten.
De begeleiding door samenwerkingspartners is gericht op het activeren en stimuleren van de ontwikkeling van de inwoner. De begeleiding ondersteunt de inwoner bij het uitvoeren van algemene dagelijkse handelingen, het vergroten van zelfredzaamheid, het meedoen in de samenleving en het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven.
1.2.2 Collectieve voorzieningen
De volgende collectieve voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
1.2.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen (Wmo)
Onder een algemeen gebruikelijke voorziening wordt een voorziening verstaan die:
Als de inwoner verhuist kan dit gevolgen hebben voor het hulpmiddel dat de inwoner heeft. Bij verhuizing wordt door de gemeente uitgegaan van de richtlijnen uit het “Convenant meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen bij een verhuizing” (het zogenaamde verhuisconvenant).
1.3 Gebruikelijke hulp en eigen kracht
De gemeente verstrekt maatwerkvoorzieningen als de inwoner onvoldoende mogelijkheden heeft om het probleem zelf op te lossen, al dan niet met behulp van de inzet van de inwoner zelf, het eigen (sociale) netwerk en/of mantelzorg (Wmo). Dit noemen we de eigen kracht van de inwoner. De gemeente beoordeelt daarom de eigen kracht van de inwoner. De gemeente kan een inwoner met een indicatie voor een maatwerkvoorziening toestemming geven om in een proefperiode van maximaal drie maanden te proberen om zonder hulp en met eigen kracht in zijn of haar hulpvraag te voorzien. Dit kan zonder het recht op de indicatie te verliezen, zolang de situatie niet verandert.
Van huisgenoten en ouders of verzorgers wordt verwacht dat zij een bijdrage leveren aan het huishouden en hulp geven aan andere huisgenoten. Het gaat hierbij om de normale dagelijkse zorg, zoals taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, administratie, schoonmaken, bezoek aan familie, instanties of een arts. Voorbeelden van huisgenoten zijn partners, inwonende kinderen en andere bewoners met wie de inwoner die hulp nodig heeft gemeenschappelijk een woning bewoont. Dit noemen we gebruikelijke hulp en wordt getoetst bij hulpvragen van de Wmo. Gebruikelijke hulp is niet vrijblijvend. Bij gebruikelijke hulp van kinderen wordt rekening gehouden met de leeftijd van de kinderen. De kaders voor gebruikelijke hulp zijn opgenomen in Bijlage 2 ‘Richtlijn gebruikelijke hulp’. De gemeente onderzoekt of het bieden van gebruikelijke hulp geen overbelasting geeft. Hiervoor geldt de richtlijn overbelasting uit Bijlage 1.
Ouders zijn verplicht om hun kind op te voeden en te verzorgen (artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek). Daaronder wordt ook verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een beschermende woonomgeving. Dit betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder het overneemt.
Het bieden van deze zorg is niet vrijblijvend, verwacht wordt van de ouders dat zij de hulp verstrekken die nodig is. De Jeugdwet gaat er van uit dat van ouders verwacht kan worden dat zij de hulp verstrekken die nodig is, voor zover dit tot de mogelijkheden behoort van de ouders (eigen kracht) al dan niet met gebruik van het sociale netwerk. De gemeente beoordeelt de eigen kracht volgens de bepalingen het derde tot en met het zevende lid van dit artikel.
2.1 Stap 1: contact opnemen met het Jeugd en Wmo team
2.1.1 Indienen hulpvraag - Wmo
Inwoners die Wmo-hulp nodig hebben kunnen zich melden bij het Jeugd en Wmo team. De inwoner, of iemand namens de inwoner, kan deze melding op de volgende manieren doen:
2.1.2 Indienen aanvraag – Jeugdwet
Voor een hulpvraag voor jeugdhulp wordt de aanvraagprocedure van de Awb gevolgd. Dit betekent dat de aanvraag tenminste de volgende gegevens moet bevatten:
De inwoner wordt voorafgaand aan het eerste gesprek met de medewerker gewezen op de mogelijkheid van het krijgen van gratis hulp van een onafhankelijke cliëntondersteuner. Ook wordt de inwoner gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon.
Zie verder de beschrijving onder artikel 2.3.1 van deze verordening.
Na de melding neemt de medewerk er de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De medewerker bevestigt de melding zo snel mogelijk per brief of email aan de inwoner en nodigt de inwoner indien wenselijk uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging (telefonisch of schriftelijk) maakt de medewerker duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de medewerker informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen van een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan of familiegroepsplan).
De medewerker verzamelt bij een hulpvraag informatie over de situatie van de inwoner en het gezin die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf mag of kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt. Van de inwoner wordt medewerking verwacht bij het aanleveren van de informatie die noodzakelijk is om de aanvraag te kunnen beoordelen. Als de inwoner niet voldoende meewerkt kan dit betekenen dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen, omdat deze niet beoordeeld kan worden.
2.2 Stap 2: gesprek met de medewerker (indien noodzakelijk)
2.2.1 Uitnodiging voor gesprek
Een inwoner die zich heeft gemeld bij het Jeugd en Wmo team met een hulpvraag voor de Wmo, of een aanvraag heeft ingediend voor jeugdhulp, krijgt een uitnodiging voor een gesprek. Dit gesprek kan ook telefonisch of online plaatsvinden als dat voldoende is volgens de medewerker van Jeugd en Wmo team.
2.2.2 Doel en procedure gesprek
Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag en van de persoonlijke situatie. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Voor jeugdigen jonger dan 14 jaar geldt dat de identiteit wordt gecontroleerd aan de hand van het burgerservicenummer als de jeugdige geen geldig identiteitsbewijs heeft. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid/ cliëntondersteuner) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die hiervoor nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij het verslag en de beoordeling van de aanvraag. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een extern onderzoek van een medisch adviseur. De inwoner is verplicht om mee te werken aan het onderzoek.
Stap 4: de medewerker onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), eventueel met behulp van algemene voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met collectieve voorzieningen, met hulp van huisgenoten en anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, gebruikelijke hulp (Wmo) of met andere voorzieningen.
2.3.4 Algemene weigeringsgronden
De gemeente kan de maatwerkvoorziening ook weigeren als:
de inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft voordat de melding is gedaan of de aanvraag is ingediend, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was om de hulp in te roepen of aan te schaffen. Als er sprake is van een dergelijke acute noodsituatie moet de inwoner de melding of aanvraag binnen 6 weken nadat de noodsituatie zich heeft voorgedaan indienen.
de inwoner de gevraagde hulp zelf heeft aangeschaft of heeft ingeroepen tussen de datum van de melding of aanvraag en het besluit van de gemeente. Hierop kan een uitzondering gemaakt worden als de gemeente hiervoor toestemming heeft gegeven, of als de gemeente de noodzaak van de hulp nog kan vaststellen;
de Wmo-voorziening niet langer dan zes maanden noodzakelijk is, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om de maatwerkvoorziening voor een kortere periode vast te stellen. Voor diensten, zoals hulp bij het huishouden, respijtzorg en begeleiding, geldt dat ook hulp voor een kortere periode toegekend kan worden;
De gemeente verstrekt de voorzieningen beschermd thuis, opvang en beschermd wonen volgens het daartoe vastgesteld beleid van de gemeente Utrecht, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze gemeente.
De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente kan de inwoner om meer informatie vragen als dit voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente in een brief een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. Ook als de gemeente niet op tijd de benodigde informatie van externe adviseurs heeft ontvangen stuurt de gemeente deze brief.
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan onder andere gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. Alleen doorverwijzingen naar gecontracteerde hulp komt in aanmerking voor vergoeding van de gemeente, tenzij geen passende hulp via de gecontracteerde hulp ingezet kan worden. Dit is ter beoordeling van de gemeente. Als de inwoner in aanmerking wil komen voor niet gecontracteerde hulp, kan hiervoor een pgb aanvraag ingediend worden. De gemeente beoordeelt deze aanvraag. Ook hiervoor worden de stappen gevolgd zoals beschreven in 2.3.3.
Jeugdigen in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jeugdigen, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om te voorkomen dat de situatie verslechterd en om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop.
In het geval van (een vermoeden) van kindermishandeling en/of huiselijk geweld kan er gemeld en/of advies gevraagd worden bij Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt van de Rijksoverheid biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.
De gemeente zorgt er, samen met de jeugdige en de zorgaanbieder voor, dat jeugdigen uit de jeugdhulp ondersteund blijven als ze 18 jaar worden. Deze hulp wordt vanuit de Wmo of vanuit de Jeugdwet geboden. De hulp wordt alleen nog vanuit de Jeugdwet geboden in situaties die beschreven zijn in het derde en vierde lid, of als dit in de Jeugdwet in bepaald.
Als sprake is van pleegzorg, dan wordt deze ingezet tot de dag dat de jeugdige 21 jaar wordt, tenzij de jeugdige18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. De pleegzorg kan eventueel worden verlengd totdat de jeugdige 23 jaar wordt. Hiervoor is dan wel aanvullend onderzoek nodig waaruit de noodzaak blijkt. Dit geldt ook voor opname in een gezinshuis.
Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychische of psycho-sociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente aan deze inwoners kan geven.
4.2 Regels voor de bijdrage in de kosten voor Wmo voorzieningen
De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo-hulp, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is geregeld in artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015.
De aanbieder van een algemene voorziening kan aan de inwoner een onkostenvergoeding vragen als dat tussen de gemeente en aanbieder is afgesproken. Het gaat om een hele of gedeeltelijke onkostenvergoeding voor kosten zoals: gebruik van consumpties, maaltijden en materialen bij dagbesteding. De vergoeding bedraagt nooit meer dan de werkelijke kosten.
De hoogte van de eigen bijdrage voor de kosten van collectief taxivervoer bedraagt: € 0,28 per kilometer (tarief per 1 januari 2024). De tarieven kunnen worden geïndexeerd volgens de gemaakte afspraken. Voor het actuele tarief kan de inwoner terecht op www.regiotaxiutrecht.nl.
Inwoners die gebruik maken van beschermd wonen betalen de inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Bij de berekening van de eigen bijdrage voor beschermd wonen telt ook het vermogen mee zoals spaargeld, beleggingen of een tweede woning. Voor de actuele bedragen en percentages kan de inwoner terecht op https://www.hetcak.nl.
De periode waarvoor een indicatie voor dienstverlening wordt afgegeven is afhankelijk van meerdere factoren. In de eerste plaats of er sprake is van Wmo-ondersteuning of jeugdhulp.
Voor een Wmo-maatwerkvoorziening geldt het uitgangspunt dat een indicatie voor langere tijd kan worden afgegeven. De duur is afhankelijk van de levensfase en persoonlijke omstandigheden van de inwoner. Dit is maatwerk. De duur van de indicatie kan voor zowel bepaalde (met einddatum) als voor als onbepaalde tijd (zonder einddatum) zijn, en alle periodes daartussen.
Om een indicatie zonder einddatum te kunnen afgeven moet uit het onderzoek blijken dat:
er sprake is van een situatie waarin niet verwacht wordt dat de inwoner zelfredzamer kan worden en dat de leerbaarheid van de inwoner niet kan verbeteren, al dan niet door inzet van gebruikelijke hulp, mantelzorg of algemene voorzieningen. Hierdoor is de inwoner blijvend aangewezen op de ondersteuning vanuit de Wmo;
De hulp die de gemeente geeft is in principe ‘hulp in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld begeleiding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven of een persoonsgebonden budget. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen. In deze verordening zijn voorwaarden genoemd voor maatwerkvoorziening, deze gelden in principe voor alle vormen van hulp, tenzij in deze verordening hiervan wordt afgeweken. Voor de verschillende vormen van hulp kunnen ook extra voorwaarden in deze verordening worden opgenomen.
De prijs van de hulp in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. Het tarief voor hulp in natura wordt, als het geen uurtarief is, omgerekend naar een tarief per uur. De tarieven die in het contract zijn opgenomen kunnen worden geïndexeerd volgens de gemaakte afspraken.
6.2 Hulp in geld (financiële tegemoetkoming)
De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald.
6.3 Persoonsgebonden budget (pgb)
De gemeente moet het plan goedkeuren, op kwaliteit toetsen en als de inwoner aan de voorwaarden voldoet van het eerste lid zal de gemeente daarna het pgb toekennen. De inwoner is verplicht om gebruik te maken van het model pgb-budgetplan, en na het invullen te ondertekenen. Het pgb-budgetplan wordt door de gemeente aan de inwoner verstrekt.
6.3.2 Kwaliteitseisen aan het pgb
De kwaliteit van de hulp die met het pgb ingekocht wordt moet minimaal voldoen aan de kwaliteitseisen voor hulp zoals genoemd in de nadere regels, Wmo en Jeugdwet.
6.3.3 Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
wordt bepaald door de keuze voor professionele hulp (formeel) of niet-professionele hulp (informeel);
de hoogte van het pgb voor professionele (formele) hulp is maximaal 80% van de goedkoopste adequate voorziening die hiervoor ingezet zou worden als de dienst in natura zou worden toegekend. Dit wordt getoetst aan de tarieven van Utrecht-West. Als op basis van het familiegroepsplan van de inwoner passende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht dan wordt dat tarief gehanteerd.
de hoogte van het pgb voor niet-professionele (informele) hulp bedraagt het uurtarief dat gelijk is aan de hoogste periodiek voor ondersteunende begeleiding zoals is opgenomen in de CAO VVT (FWG 30), rekening houdend met de vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren als het gaat om begeleiding.
de hoogte van niet professionele (informele) huishoudelijke hulp bedraagt het uurtarief dat gelijk is aan de hoogste periodiek voor hulp in het huishouden zoals is opgenomen in de CAO VVT (specifiek voor hulp bij huishouden gecreëerde salarisschaal), rekening houdend met de vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
Als de hoogte van het pgb niet toereikend is of de voorziening niet kan worden geleverd door de gecontracteerde leveranciers, dan wordt de hoogte van het pgb bepaald op het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte voor zover het gaat om Wmo voorzieningen die niet te verkrijgen zijn via zorg/hulp in natura.
De vergoeding voor vervoer van en naar de locatie voor jeugdhulp bedraagt de werkelijke kosten van het Openbaar Vervoer. Bij eigen vervoer bedraagt de vergoeding maximaal de belastingvrije kilometervergoeding (€ 0,23 per kilometer per 1 januari 2024). Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de kortste route (per auto) overeenkomstig de ANWB routeplanner.
De vergoeding voor vervoer van en naar de Wmo-dagbesteding bedraagt de werkelijke kosten van het Openbaar Vervoer. Bij eigen vervoer bedraagt de vergoeding maximaal de belastingvrije kilometervergoeding (€ 0,23 per kilometer per 1 januari 2024). Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de kortste route (per auto) overeenkomstig de ANWB routeplanner.
7 Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Als de inwoner in een ziekenhuis of instelling verblijft wordt het lopende pgb tot maximaal 8 weken na opname doorbetaald aan de zorgverlener. Na deze maand wordt de situatie opnieuw beoordeeld en wordt door de gemeente besloten welke hulp noodzakelijk is, welke financiering daarbij passend is. Het pgb kan dan beëindigd worden.
7.2 Terugvordering voorziening
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Ook het pgb dat is verstrekt voor hulp kan door de gemeente worden teruggevorderd. Ook kan een verstrekte voorziening worden opgehaald. Terugvorderen of een voorziening ophalen kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen voor beëindiging die genoemd worden in artikel 7.1.1., eerste lid, onder c, d, e, en f van deze verordening.
7.3 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen. Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privé leven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
8 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding
De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.
In dit hoofdstuk zijn de mogelijkheden voor inwoners beschreven om inspraak te hebben, te participeren bij de voorbereiding van het beleid van de gemeente en om klachten in te dienen.
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordening vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder kan invullen. Verder wordt in dit hoofdstuk de officiële naam van deze verordening geregeld, en wordt bepaald dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.
De gemeente kan nadere regels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze nadere regels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze nadere regels te maken wordt begrensd door de wetten.
10.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening, als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de Wmo of Jeugdwet of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels niet worden gehaald.
Bijlage 1 Richtlijn (dreigende) overbelasting
De gemeente kan – in principe kortdurende - hulp inzetten wanneer de inwoner die hulp geeft overbelast dreigt te raken of al overbelast is. Steeds moet duidelijk zijn hoe (het risico op) de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De klachten van of het risico op overbelasting moeten duidelijk worden beschreven.
Bij overbelasting door een baan van te veel uren of als gevolg van ernstige spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in de oorzaak van de spanning. In het verslag wordt aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden verminderd, dit dan ook wordt verwacht. Wanneer de indicatie verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inzet is gedaan om de overbelasting te verminderen.
Als de inwoner die hulp geeft overbelast is of dreigt te raken, kan van hem of haar een verminderde bijdrage worden verwacht, totdat de draagkracht en draaglast in balans is. Daarbij geldt het volgende:
wanneer er eigen mogelijkheden en/of algemene/collectieve/andere voorzieningen zijn om de draaglast en draagkracht in balans te brengen, moeten deze eigen mogelijkheden en/of algemene/collectieve/andere voorzieningen hiertoe worden ingezet. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf geven van zorg met indicatie, zal de zorg overgenomen moeten worden door andere zorgverleners om overbelasting te stoppen;
voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door sociale maatschappelijke activiteiten buiten hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, wordt van de inwoner verwacht dat ze inzet tonen om in balans te komen. Meegewogen hierin wordt financiële zelfredzaamheid, toekomstperspectief, en draagkracht (zoals sociale contacten en hobby’s).
Bijlage 2 Richtlijn Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als een leefeenheid gemeenschappelijk in een woning woont.
In het onderzoek wordt beoordeeld of de gevraagde hulp en ondersteuning tot de gebruikelijke hulp behoort en of de gebruikelijke hulp ook echt geleverd kan worden.
Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties:
In kortdurende situaties is het uitgangspunt dat deze als gebruikelijk wordt aangemerkt, omdat dit normaal gesproken niet voor overbelasting zorgt. In langdurige situaties is de hulp waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere inwonende huisgenoten) moet worden geleverd, algemeen gebruikelijke hulp is.
Afhankelijk van de individuele situaties kan hulp, die naar algemeen aanvaarde maatstaven als gebruikelijke kan worden beschouwd hier toch niet gebruikelijk zijn.
De leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot. Ondersteuning in de vorm van een maatwerk voorziening zal dan van korte duur zijn (3-6 maanden) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen;
Er wordt daarbij telkens onderzoek gedaan naar de verhouding tussen draagkracht en draaglast van de inwoner.
Als de huisgenoot van een hulpvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is voor een aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen, wordt hiermee bij het indiceren rekening gehouden. De afwezigheid van de huisgenoot moet verplicht zijn en horen bij zijn werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode dus sprake van een éénpersoonshuishouden en kan geen gebruikelijke hulp worden geleverd. Wanneer de fysieke afwezigheid van de partner minder dan zeven etmalen is, zal altijd onderzocht worden of de huisgenoot hulp kan verlenen.
Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners.
Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken.
Niet-uitstelbare taken zijn; maaltijd verzorgen/opwarmen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen.
Uitstelbare taken zijn; wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk, stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.
Bijdrage van kinderen en jong-volwassenen aan het huishouden
Als de leefeenheid van de inwoner ook bestaat uit kinderen, dan gaat de gemeente ervan uit, dat de kinderen een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Hierbij wordt gekeken naar de leeftijd en het psychosociaal functioneren van het kind. Ook wordt naar het sociale netwerk van het gezin gekeken.
Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze een gedeelte van de
huishoudelijke taken overneemt wanneer de belangrijkste verzorger uitvalt. Van een 18-23 jarige wordt verwacht de volgende taken uit te kunnen voeren:
Bij deze taken gaat het om 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden eten geven en begeleiden.
Vanaf 23 jaar wordt van iemand verwacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen.
Gebruikelijke hulp bij de functies Persoonlijke Verzorging (PV) en Begeleiding (BG)
Deze paragraaf gaat over het bepalen van gebruikelijke hulp bij PV en BG.
Deze richtlijn is gebaseerd op de voormalige Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014. Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer zorg mensen elkaar horen te geven.
Hoofdregels gebruikelijke hulp bij Persoonlijke Verzorging en Begeleiding
Bij gebruikelijke hulp wordt onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties. Dit geldt ook voor PV en BG. Algemeen aanvaarde maatstaven:
de ondersteuning bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen op basis van de Wmo 2015 kan ook lijfsgebonden zijn. Het zogenaamde criterium lijfsgebonden zorg is geen onderscheidend criterium voor het bepalen van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de zorgverzekeraar en de gemeente voor het verlenen van zorg en ondersteuning aan mensen die daarop zijn aangewezen. Voor de Zorgverzekeringswet geldt het criterium van de behoefte aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop. Voor de Wmo 2015 geldt het criterium voor de behoefte aan ondersteuning voor zelfredzaamheid, vastgesteld volgens de vereisten van het zorgvuldig onderzoek;
Van partners wordt verwacht dat zij elkaar Persoonlijke Verzorging bieden als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner, dat een maatwerkvoorziening daarna niet langer nodig is. Bijvoorbeeld wanneer de partner een been breekt. Deze zorg valt buiten de aanspraken van de gemeentelijke ondersteuningsplicht. De zorgplicht van partners onderling betreft de persoonlijke, lichaamsgebonden zorg in de vorm van assistentie bij, of overname van alle activiteiten die onder de functie PV vallen. Maar ook aandacht en begeleiding bij een aandoening horen hierbij. Gebruikelijke hulp is altijd van toepassing, hier wordt niet van afgeweken, ook niet vanwege geloofsovertuiging, culturele achtergrond of vanwege een gezinssituatie waarin partners ruzie hebben.
Als vanaf de start van de zorgsituatie duidelijk is dat deze een langdurig karakter heeft, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Er hoeft dan dus niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden, voordat een maatwerkvoorziening kan worden geïndiceerd.
Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Persoonlijke Verzorging van volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp.
Het aanleren van handelingen op het gebied van Persoonlijke Verzorging aan derden (familie, vrienden) is gebruikelijke hulp. Van degene die de gebruikelijke hulp verricht wordt verwacht dat hij, indien hij niet aanwezig is, andere personen die de hulp gaan verlenen aanleert.
Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Alle begeleiding van de inwoner door de sociale omgeving is gebruikelijke hulp als sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner, dat een maatwerkvoorziening daarna niet langer nodig is. Het gaat over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Als het gaat om een chronische situatie is de Begeleiding van een volwassen inwoner gebruikelijke hulp wanneer die Begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een inwoner:
Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de inwoner is gebruikelijke hulp.
Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke) maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt.
Wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gebruikelijk is, dan kan niet langer gesproken worden over gebruikelijke hulp. Voorbeeld: het is niet gebruikelijk dat een volwassene langdurig hulp nodig heeft bij de toiletgang.
Algemene uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp aan volwassenen en kinderen voor PV en BG
Als iemand uit de sociale omgeving aantoonbare beperkingen van de gezondheid heeft en/of kennis/vaardigheden mist (en niet kan aanleren) om gebruikelijke hulp uit te voeren voor de inwoner wordt van hen geen bijdrage verwacht. De reden dat de gebruikelijke helper de vaardigheden niet kan aanleren, moet worden gemotiveerd en aangetoond.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-53753.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.